ArticlePDF Available

Ponsaers, P. (2003). “De verhouding tussen lokaal en federaal niveau: functioneel of problematisch?”, Orde van de Dag, n°23, 43-62.

Authors:

Abstract

Voor de politiehervorming waren twee politiediensten bevoegd inzake openbare ordehandhaving en bestuurlijke politie in het algemeen, met name de gemeentepolitie en de rijkswacht. Dat bracht met zich mee dat, als de gemeentepolitie onvoldoende capaciteit had om de problemen aan te kunnen, er steeds een beroep kon gedaan worden op de 'grotere broer', door middel van de zogn. 'marseenheden' van de rijkswacht, die dan wel bijsprongen. Vandaag, na de hervorming, is deze simpele logica doorbroken. Het is er dan ook een stuk ingewikkelder op geworden. Supralokale versterking kan weliswaar nog worden aangeboden door de federale politie, maar ook door de lokale politie van een andere zone, of door beide. Voorzover deze supralokale versterking wordt geboden door de lokale politie van een andere zone, vindt ze haar grondslag in art. 62, 10° van de Wet op de Geïntegreerde Politie (WGP), waarin wordt gesteld dat de lokale politie uitzonderlijk en tijdelijk versterking dient te verlenen bij omvangrijke opdrachten van bestuurlijke politie. Voorzover supralokale versterking wordt geboden door de federale politie, meer bepaald de Directie Algemene Reserve (kortweg DAR), kadert deze in de ondersteunende opdrachten van de federale politie ten aanzien van de lokale politie, zoals voorzien in de WGP. Hiermee wordt een alternatief ingevoerd voor de vroegere marseenheden van de rijkswacht. Dit systeem wordt gecoördineerd door de bestuurlijke directeur coördinator 1 (DirCo), met behulp van zijn Coördinatie-en Steundienst (CSD). Bovendien zou het hierdoor mogelijk moeten worden om, op een relatief eenvoudige wijze, een beroep te doen op de lokale politie van één of meerdere zones zonder gebruik te moeten maken van de stroeve formule van vordering door de Minister van Binnenlandse Zaken 2. De Minister zal dan ook slechts uitzonderlijk gebruik maken van zijn vorderingsrecht, met name ingeval van "ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholing of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde" 3. Dit principe van supralokale versterking wordt ook in de MFO-2 toegelicht (onder punt 2.3), waaruit we-uiteraard in congruentie met voorgaande-kunnen afleiden dat aan een zone supralokale versterking kan worden geboden in de gevallen waarin deze zone wordt geconfronteerd met een acuut, tijdelijk capaciteitsprobleem inzake het vervullen van taken die zich doorgaans situeren in de functie handhaving van de openbare orde en dit ten aanzien van aangelegenheden die niet gewoon, 'dagdagelijks' van aard zijn. Hiermee onderscheidt het toepassingsterrein van supralokale versterking zich-in theorie-van dat van interzonale samenwerking (cfr. later), althans zoals dit laatste in de MFO-2 werd omschreven; middels de introductie van de MO ZPZ 27 lijkt dit onderscheid meer troebel te zijn geworden. Een tweede essentieel onderscheid tussen interzonale samenwerking en supralokale versterking (door een andere zone) betreft het gegeven dat dit laatste een systeem van opgelegde onderlinge solidariteit betreft dat is gebaseerd op een dwingende richtlijn, terwijl interzonale samenwerking is gestoeld op een vrijwillig afgesloten samenwerkingsakkoord. Elke zone móet een zekere-in de MFO-2 vastgelegde-capaciteit reserveren die binnen een bepaalde-korte-termijn kan worden ingezet voor het vervullen van deze opdrachten inzake supralokale versterking: de zgn. gehypothekeerde capaciteit, of in politiejargon "hycap" genoemd. a. Gebrek aan duidelijke visie op de rol van de DirCo Hoe wordt door onze respondenten de concrete invulling van de taak van de DirCo gezien? Laat ons in dit verband eerst de DirCo's zélf aan het woord. Wat vinden zij zélf van de plaats en de rol van de DirCo in het nieuwe politielandschap? Van de vier respondenten waarvan we een antwoord mochten bekomen blijkt een eerder problematische evaluatie. Nochtans vertrekt men van een positief uitgangspunt: "De coördinatie-en steunverlening verloopt vrij vlot en betert nog steeds" [DIRCO A]. Of nog: "Ik meen dat de DirCo een grote meerwaarde realiseert, die echter nog veel groter zou kunnen zijn, door bvb. bovenlokaal die zaken te centraliseren die een schaalvoordeel en grotere expertise zouden genereren en die bovendien besparend zouden zijn" [DIRCO C].
1
DE VERHOUDING TUSSEN LOKAAL EN FEDERAAL NIVEAU:
FUNCIONEEL OF PROBLEMATISCH?
1. De plaats van de DirCo?
Voor de politiehervorming waren twee politiediensten bevoegd inzake openbare ordehandhaving en bestuurlijke
politie in het algemeen, met name de gemeentepolitie en de rijkswacht. Dat bracht met zich mee dat, als de
gemeentepolitie onvoldoende capaciteit had om de problemen aan te kunnen, er steeds een beroep kon gedaan
worden op de ‘grotere broer’, door middel van de zogn. ‘marseenheden’ van de rijkswacht, die dan wel
bijsprongen. Vandaag, na de hervorming, is deze simpele logica doorbroken. Het is er dan ook een stuk
ingewikkelder op geworden.
Supralokale versterking kan weliswaar nog worden aangeboden door de federale politie, maar ook door de lokale
politie van een andere zone, of door beide. Voorzover deze supralokale versterking wordt geboden door de
lokale politie van een andere zone, vindt ze haar grondslag in art. 62, 10° van de Wet op de Geïntegreerde Politie
(WGP), waarin wordt gesteld dat de lokale politie uitzonderlijk en tijdelijk versterking dient te verlenen bij
omvangrijke opdrachten van bestuurlijke politie. Voorzover supralokale versterking wordt geboden door de
federale politie, meer bepaald de Directie Algemene Reserve (kortweg DAR), kadert deze in de ondersteunende
opdrachten van de federale politie ten aanzien van de lokale politie, zoals voorzien in de WGP. Hiermee wordt
een alternatief ingevoerd voor de vroegere marseenheden van de rijkswacht. Dit systeem wordt gecoördineerd
door de bestuurlijke directeur coördinator
1
(DirCo), met behulp van zijn Coördinatie- en Steundienst (CSD).
Bovendien zou het hierdoor mogelijk moeten worden om, op een relatief eenvoudige wijze, een beroep te doen
op de lokale politie van één of meerdere zones zonder gebruik te moeten maken van de stroeve formule van
vordering door de Minister van Binnenlandse Zaken
2
. De Minister zal dan ook slechts uitzonderlijk gebruik
maken van zijn vorderingsrecht, met name ingeval van "ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige
samenscholing of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde"
3
.
Dit principe van supralokale versterking wordt ook in de MFO-2 toegelicht (onder punt 2.3), waaruit we -
uiteraard in congruentie met voorgaande- kunnen afleiden dat aan een zone supralokale versterking kan worden
geboden in de gevallen waarin deze zone wordt geconfronteerd met een acuut, tijdelijk capaciteitsprobleem
inzake het vervullen van taken die zich doorgaans situeren in de functie handhaving van de openbare orde en dit
ten aanzien van aangelegenheden die niet gewoon, 'dagdagelijks' van aard zijn. Hiermee onderscheidt het
toepassingsterrein van supralokale versterking zich -in theorie- van dat van interzonale samenwerking (cfr. later),
althans zoals dit laatste in de MFO-2 werd omschreven; middels de introductie van de MO ZPZ 27 lijkt dit
onderscheid meer troebel te zijn geworden. Een tweede essentieel onderscheid tussen interzonale samenwerking
en supralokale versterking (door een andere zone) betreft het gegeven dat dit laatste een systeem van opgelegde
onderlinge solidariteit betreft dat is gebaseerd op een dwingende richtlijn, terwijl interzonale samenwerking is
gestoeld op een vrijwillig afgesloten samenwerkingsakkoord. Elke zone móet een zekere -in de MFO-2
vastgelegde- capaciteit reserveren die binnen een bepaalde -korte- termijn kan worden ingezet voor het vervullen
van deze opdrachten inzake supralokale versterking: de zgn. gehypothekeerde capaciteit, of in politiejargon
"hycap" genoemd.
a. Gebrek aan duidelijke visie op de rol van de DirCo
Hoe wordt door onze respondenten de concrete invulling van de taak van de DirCo gezien?
Laat ons in dit verband eerst de DirCo’s zélf aan het woord. Wat vinden zij zélf van de plaats
en de rol van de DirCo in het nieuwe politielandschap? Van de vier respondenten waarvan we
een antwoord mochten bekomen blijkt een eerder problematische evaluatie. Nochtans vertrekt
men van een positief uitgangspunt: De coördinatie- en steunverlening verloopt vrij vlot en
betert nog steeds” [DIRCO A]. Of nog: “Ik meen dat de DirCo een grote meerwaarde realiseert,
die echter nog veel groter zou kunnen zijn, door bvb. bovenlokaal die zaken te centraliseren
die een schaalvoordeel en grotere expertise zouden genereren en die bovendien besparend
zouden zijn” [DIRCO C].
1
DE WOLF, P. & D'HAUWER, D. (2002). De rol van de DirCo en integrale veiligheid. Handboek Politiediensten, afl. 6.
Diegem: Kluwer.
2
Zoals bepaald in artikel 64 van de Wet op de geïntegreerde politie.
3
PIETERS, P. (2002). Evenwichtsoefeningen in de nieuwe politiestructuur: de opdrachten van federale aard en de
gehypothekeerde capaciteit van de locale politie. Politiejournaal-Politieofficier, nr. 4, p. 21-25.
2
Er worden echter nogal wat reserves gemaakt door de DirCo’s omtrent het gebrek aan
duidelijke visie over hun rol en positie:“Het gebrek aan een éénduidige visie over de rol van
de DirCo, maakt dat deze functie gereduceerd wordt tot het hollen van de ene naar de andere
vergadering, meestal extern, zodat er vaak weinig tijd overblijft voor interne visie, sturing en
het bewerkstellingen van een positieve werksfeer”. En hij vervolgt: Soms lijkt de wettelijke
taakomschrijving van de DirCo te beperkt en zou hij bij bovenlokale problemen de leiding
‘moeten’ hebben in plaats van ‘kunnen’ hebben” [DIRCO A]. Een collega van hem stelt het als
volgt: “Er bestaat nog steeds geen consensus over welke functionaliteiten door het Dirco-
niveau nu eigenlijk dienen ingevuld te worden” [DIRCO B]. Een derde vat het probleem als volgt
samen: “De Dirco is volgens de memorie van toelichting van fundamenteel belang als
scharnier ter bevordering van de integratie van het federaal en het lokaal niveau, maar tot op
heden is de rol en de taakinvulling niet eenduidig omschreven!” [DIRCO C].
b. Teveel éénrichtingsverkeer, van federaal naar lokaal
Een aantal van de problemen houden zichtbaar verband met de verhouding tussen het lokale
en centraal-federale niveau. Een eerste merkt in dit verband op: “Om het onverbloemd te
zeggen: de federale politie heeft zich volledig op zichzelf teruggeplooid, heeft een mentaliteit
aangenomen t.o.v. de lokale politie van ‘dat ze maar hun plan trekken’ en luistert niet (meer
echt) naar de noden en verzuchtingen van de lokale politie via het informatiekanaal van de
Dirco” [DIRCO B]. En de respondent vervolgt: “De Dirco wordt geacht de ‘belangen’ van de
federale politie naar beneden toe met klem te verdedigen en naar de zones te vertalen wat
men federaal wil, daar waar hij hopeloos probeert ook de noden en verzuchtingen van de
lokale politie naar boven toe te laten doorstromen, wat zo lijkt me, door de top absoluut niet
in dank wordt afgenomen” [DIRCO B].
Een collega drukt het nog anders uit: “Zoals de rol van de DirCo nu wordt ingevuld, los van
de wettelijke bepalingen, lijkt het enkel een doorgeefluik naar de zones toe. De functie wordt
volledig uitgehold. Er is een discrepantie tussen de taken opgesomd in de wet en de
richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie enerzijds en de toebedeling
van taken door de federale directies anderzijds. Een minimalistische visie van de rol van de
DirCo wordt naar voor geschoven” [DIRCO A]. Nog een andere collega vat het als volgt samen:
”Voor de federale directies is het niveau CSD een gemeenschappelijk doorgeefluik naar de
lokale politie, zonder dat er altijd een meerwaarde kan, mag of moet aan toegevoegd worden.
Voor de lokale politie wordt het niveau CSD dan weer de resultante van alles wat er kan
verkeerd gaan in de samenwerking tussen de lokale en de federale politie” [DIRCO C].
Het besluit waar deze respondent toe komt, is dan ook niet vreemd: “Persoonlijk ben ik
eerder voorstander van een meer autonome positie van de Dirco ten opzicht van de federale
directies, waarbij hij als een soort pleitbezorger kan optreden ten voordele van de
geïntegreerde werking. Dit laatste moet dan worden gezien in het kader van een
politiestructuur die gericht moet zijn naar de bevolking en waarbij de DirCo als een
doorgeefluik naar het federale niveau zou fungeren van de noden van de lokale politie om
deze gewenste Community Policing-aanpak te helpen realiseren” [DIRCO C].
c. Te weinig personeel
Een ander belangrijk thema, dat de DirCo’s zelf aansnijden is dat van het gebrek aan
personeel om de taken die zij dienen te vervullen, daadkrachtig te kunnen realiseren. Eén van
hen stelt: De grootste stommiteit was (uit angst voor centralistische tendenzen) de DirCo te
onderbemensen en zijn gezag zo miniem mogelijk te houden” [DIRCO D]. Zijn collega stelt het
als volgt:“Van bij het begin werd m.i. een fundamentele denkfout gemaakt bij het bepalen van
de capaciteit van de CSD’s. In de arrondissementen met grote (lees sterke) politiezones,
werden sterke CSD’s opgericht; daar waar de ondersteuning naar de zones toe minder
3
noodzakelijk was, omdat de lokale korpsen voldoende overhead konden genereren om zichzelf
te bedruipen op zowel administratief, logistiek als operationeel vlak. In de arrondissementen
met kleine en middelgrote politiezones werden de CSD’s karig bedeeld qua personeel, daar
waar ze door hun zones juist frequent worden gesolliciteerd om ondersteuning te bieden (…)”
[DIRCO B].
d. Confirmatie van het zelfbeeld vanuit het lokale niveau
Hoe zien de lokale zonechefs de functie van de DirCo? Formeel weten de korpschefs de
DirCo wel te plaatsen: “De DirCo vervult een coördinerende rol bij de organisatie van
arrondissementele acties. Tevens is er maandelijks een informeel overleg met de korpschefs
en de DirJud [ZONECHEF D].
Niettemin is er nogal wat kritiek, die trouwens in het verlengde ligt van het spanningsveld dat
door de DirCo’s zelf werd aangestipt: ”De dirCo zit tussen hamer en aambeeld, de zones
vragen steun, de dirCo vindt deze meestal gerechtvaardigd maar zijn mogelijkheden zijn zo
beperkt dat hij alles federaal moet vragen, waar een andere redenering van toepassing is”
[ZONECHEF C]. Of nog: “De dirCo is in kleine arrondissementen een orkestmeester zonder orkest.
Zijn omkadering is veel te beperkt om een belangrijke rol te kunnen spelen . Voor mij mag de
dirCo een belangrijker rol krijgen” [ZONECHEF A]. Een collega-zonechef drukt het nog anders
uit: “De dirCo slaagt er niet in, onder andere door de zeer sterke centrale aangestuurdheid,
zijn echte rol (zoals voorzien in de WGP) op te nemen en te spelen [ZONECHEF E].
In hetzelfde register gaat nog een andere zonechef door: “De DirCo heeft een moeilijke
positie. Globaal heb ik een (relatief) positieve houding ten aanzien van de DirCo in ons
arrondissement. Omwille van de moeilijke werksituatie (verwachtingen federale politie versus
verwachtingen lokale politie) dient hij over de nodige diplomatische kwaliteiten te
beschikken. Zijn relatie met de meeste zonechefs is goed; het is een relatie met voldoende
wederzijds respect. Probleem is wel dat er op deze wijze moeilijk echt een innovatieve
dynamiek tot stand kan komen; alles dient zeer behoedzaam te gebeuren (om niemand ‘tegen
zijn schenen te stampen’)” [ZONECHEF B]. Eigenlijk zeggen alle korpschefs in grote lijnen
hetzelfde: “De DirCo is vooral een aanspreekpunt voor de federale politie wanneer de lokale
korpsen effectieven moeten leveren in het raam van de gehypothekeerde capaciteit, of in het
raam van de informatiegaring voor gebeurtenissen” [ZONECHEF D].
Een laatste zonechef vat de zienswijzen treffend samen: “Er bestaat voor mij geen echte
functionele band. De dominante houding van de federale politie overheerst. De DirCo zit
zowat gevangen tussen federaal en lokaal. Zijn taak zou een wisselwerking tussen beide
politiediensten moeten creëren. Ik ervaar dat de DirCo zijn taak als coördinator niet volledig
invulling geeft. Voor de procureur is hij nog een spiegelbeeld van de vroegere
districtscommandant, voor de federale politie staat hij te dicht bij de lokale politie en voor de
lokale politie vormt hij de spreekbuis van de dominante federale politie. Zo werden binnen
ons arrondissement door de DirCo protocollen ondertekend, welke later werden opgeblazen
door de stellingname van de federale politie [ZONECHEF F].
e. De lokale behoeften blijven buiten de scoop vanuit het federale niveau
Hoe ziet men dan weer tegen deze functie aan vanuit het federale niveau? Een respondent uit
de centrale bestuurlijke zuil ziet het als volgt: “De rol van de DirCo is tot op de dag van
vandaag heel erg onduidelijk. Hij zit ook in een juridisch erg moeilijke positie. Terwijl op elk
niveau, elke politiechef een politieoverheid naast zich heeft (CG - de twee ministers, zonechef
- de burgemeester, DirJud - de procureur), vindt hij geen overheid op zijn niveau. Enerzijds
kunnen hierrond vragen gesteld worden vanuit democratisch oogpunt. Anderzijds heeft hij het
moeilijk om zijn positie ten opzichte van de andere partners te verankeren”.
4
En hier wordt dan een denkpiste geopend: “Vandaar dat binnen de federale politie en op het
niveau van enkele federale ministers, het idee leeft om de fuctie van DirCo te heroriënteren
naar het provinciale niveau. Dit zou toelaten dat de gouverneur naast zich ook een politiechef
heeft die operationele coördinatie en leiding kan nemen in de gevallen waar de gouverneur
daadwerkelijk bevoegdheden uitoefent (bvb. ingeval van rampen). Dat houdt wel een
versterking in van de rol van de gouverneur, iets wat politiek gevoelig kan liggen. Maar in de
WGP heeft de gouverneur reeds meerdere bevoegdheden”.
“Het takenpakket van de DirCo is ook erg onduidelijk. Buiten een artikel in de WGP en een
vage gemeenschappelijke omzendbrief van de beide ministers, bestaat er niets. Om dat in te
vullen zou men er kunnen aan denken de DirCo te belasten met de administratieve
ondersteuning van de DirJud, maar eigenlijk is daar geen juridische basis voor en werd
daarvoor ook geen capaciteit voorzien. Er bestaan wel vanwege de DirJud’s grote
verwachtingen in die zin. Binnen de federale politie werd gepoogd om daar klaarheid in te
brengen, onder meer aan de hand van een overleg met de DirJud’s en de DirCo’s. Het
resultaat was niet echt bevredigend. Dat komt hoofdzakelijk omdat er op politiek niveau geen
duidelijkheid bestaat met betrekking tot die rol. Enerzijds heeft de minister van Binnenlandse
Zaken bij het bepalen van de personeelsformatie van de federale politie, duidelijk gezegd en
geëist dat de capaciteit op het niveau van de DirCo sterk beperkt moest worden, maar
anderzijds worden vanuit datzelfde kabinet steeds bijkomende taken opgedragen in het kader
van diverse crisissen (Irak, overstromingen, dioxinecrisis, kippencrisis....)” [DGA A].
Een ander respondent uit dezelfde zuil drukt zijn twijfels als volgt uit: De DirCo kan een
sleutelrol spelen in het vertalen van de verwachtingen van de federale autoriteiten (crisis
Irak, vogelpest,….) en inzake het ter beschikking stellen van federale steun. Het is tevens
essentieel dat hij daadwerkelijk opvolgt wat er in de zones gebeurt en spontaan
steun/expertise aanreikt wanneer hij een meerwaarde kan bieden. In de praktijk meen ik
echter dat de huidige rol van de DirCo (wat hij kán doen, en wat hij écht doet)
persoonsgebonden is en dus sterk verschilt van arrondissement tot arrondissement. Enerzijds
is dit normaal, anderzijds is er een echt gevaar dat door toedoen van één persoon in één
arrondissement een bepaalde perceptie omtrent de federale politie heerst”.
“Tevens heb ik ernstige vragen over de aansturing van de DirCo (wie stuurt hem aan, voor
wat), over hun organisatie en middelen, en over de mechanismen die uitmaken wie
operationeel verantwoordelijke is voor een OD (zonechef of DirCo)” [DGA B].
Uit beide voorgaande reacties blijkt dat men op federaal weliswaar eveneens de functie van de
DirCo ten gronde problematiseert, doch dat de behoefte om beter te kunnen inspelen op de
lokale behoeften en verwachtingen in grote mate achterwege blijft.
f. De roep naar en van de provincie
Sommigen sturen op een min of meer duidelijke manier aan op het herpositioneren van de
DirCo, waarbij dan het provinciale niveau verkozen wordt (cfr. supra). Zo bvb. ook, hoe
merkwaardig ook
4
, een Procureur des Konings: De dirCo blijkt een vrij holle functie, zonder
enige daadwerkelijke macht te zijn. Zijn coördinatieopdracht staat of valt met de goodwill tot
samenwerking van de politiediensten, waarop hij een beroep doet. Het arrondissementeel
niveau lijkt mij voor zijn opdracht ook te klein te zijn: het provinciaal niveau biedt meer
mogelijkheden, op voorwaarde dat de DirCo voor ‘hycap’-opeisingen over een reëel
afdwingbaar opeisingsrecht zou kunnen beschikken, binnen vooraf duidelijk afgebakende
grenzen” [PDK C].
Hoe staat men op provinciaal niveau zelf tegenover deze denkpiste? We laten drie
arrondissementscommissarissen ter zake aan het woord: “De dirCo’s zijn niet meer te
4
Uiteindelijk opereert een DirCo vandaag op het niveau van het gerechtelijk arrondissement, precies het niveau waarop ook
de Procureur des Konings zijn gezag kan doen gelden.
5
vergelijken met de vroegere districtscommandanten. Het gebrek aan concrete macht frustreert
sommigen. Zij hebben nu bijna een dienende rol. De relaties met de provinciegouverneur zijn
zeer positief te noemen: zij ondersteunen ten volle zijn coördinerende opdracht. Mocht het
aantal DirCo’s worden beperkt tot één per provincie, dan zou tevens de verkeerspolitie (de
vroegere provinciale verkeerseenheden) onder zijn gezag moeten vallen, waardoor die dienst
beter zou kunnen worden ingeschakeld in de provinciale acties op het gebied van
verkeersveiligheid” [ARR.COMM. A].
“De DirCo speelt op verschillende vlakken een rol, zeker op het vlak van de bestuurlijke
politie, doch de indruk bestaat dat hij op diverse andere vlakken, waarover andere directies-
generaal van de federale politie gaan, onvoldoende betrokken wordt en hij dus geen
meerwaarde kan bieden. Voor veel korpsen van lokale politie is de afstand tot Brussel te
groot en zij zouden gediend zijn voor veel zaken terecht te kunnen bij de DirCo in plaats van
zich tot Brussel te moeten wenden. Kortom, men verwacht meer dienstverlening van de
DirCo. Bovendien wenst men dat hij niet alleen uitvoert wat Brussel dicteert, doch dat hij een
meerwaarde kan betekenen, door zich naar de federale politie toe te gedragen als spreekbuis,
tussenpersoon voor de lokale politie van zijn ambtsgebied”. We horen hier toch een vrij
gelijkluidende stem met deze van de DirCo’s zelf, of als deze van de zonechefs. En verder
besluit deze arrondissementscommissaris in de lijn van voorgaande respondenten:
“Persoonlijk ben ik van oordeel dat overwogen dient te worden de DirCo -wiens taak
bestuurlijk van aard is- dient opgeschaald te worden tot op het daarvoor relevante niveau,
met name het provinciaal niveau, en dat er een hechtere band met de bestuurlijke autoriteit
op dat niveau, met name de provinciegouverneur, dient gerealiseerd te worden. Het feit dat de
DirCo voor een aantal materies contacten dient te onderhouden met de DirJud op
arrondissementeel vlak vormt m.i. geen bezwaar. Bovendien dienen een aantal diensten van
de federale politie op provinciaal niveau onder zijn gezag gebracht te worden zo bvb. de
Provinciale Verkeerseenheid, de CIC van ASTRID … [ARR.COMM. B].
Een derde arrondissementscommissaris wenst de functie versterkt te zien, doch heeft het niet
over een opschaling naar het provinciale niveau: “De rol van de DirCo achten wij belangrijk
binnen de huidige politiestructuur. Hij speelt een cruciale rol in de coördinatie tussen de
lokale en federale politie, maar hij krijgt nu te weinig armslag en ondersteuning vanwege zijn
eigen federale directie. Ook krijgt hij veel te weinig middelen om een aantal essentiële taken
te doen, zoals dispatching, statistische ondersteuning, informatiebeheer ... Hij krijgt
erkenning van de lokale politiediensten voorzover hij geleerd heeft over te stappen naar de
nieuwe politiecultuur en zich te bewegen in een overleg- en onderhandelingspositie, zich
dienstverlenend en coördinerend op te stellen ipv. dirigerend. In het overlegplatform met de
korpschefs neemt hij coördinerende taken op met ieders goedkeuring (opstellen protocol
‘hycap’, laterale steun, bijhouden inventaris van de aanvragen, ...) Hij is voor het provinciaal
niveau een goed aanspreekpunt voor supralokale gebeurtenissen en voor vragen naar
ondersteuning” [ARR.COMM. C].
Besluit: Nood aan grotere rolduidelijkheid en herpositionering
Over het algemeen kan gesteld worden dat de respondenten erg ingenomen zijn met de persoon van
de DirCo, doch een grote moeite blijken te hebben met de preciese rol en functie die hij dient in te
vullen. Er blijken grote verschillen in appreciatie te bestaan naargelang gerechtelijk arrondissement.
Ongeveer alle respondenten zijn het echter in grote mate eens over de gesignaleerde
rolonduidelijkheid. Wat moet hij nu doen en wat niet?
De DirCo’s zelf zijn de mening toegedaan dat ze een te eenzijdige invulling dienen te geven aan hun
functie: teveel eenrichtingsverkeer, van federaal naar lokaal. Sommigen nemen de term ‘doorgeefluik’ in
de mond. Hierdoor, zo vinden zij, komt de ondersteunende functie op de helling te staan tav. de lokale
korpsen. Er wordt dan ook gepleit voor een autonomere positionering van de DirCo’s. Ook wordt het
6
tekort aan personeel aangeklaagd binnen de CSD’s. Daar waar er wat meer personeel is, is dat dan
weer minder nodig, en omgekeerd. Kortom: niet enkel het globale capaciteitsvolume, maar ook de
capaciteitsverdeling zit niet al te best. Deze zienswijze wordt overigens in grote mate bevestigd door de
zonechefs-respondenten.
Op federaal niveau ziet men wel dat er problemen zijn, zo is men zich wel degelijk bewust van de
rolonduidelijkheid. Er wordt gewezen in de richting van de politieke overheid, die deze onduidelijkheid
niet wegwerkt. Maar, er wordt o.i. opvallend weinig verwezen naar de behoeften van de lokale korpsen
bij de beschrijving van de problematiek. De federale politie heeft blijkbaar binnenshuis nog veel
problemen op een rij te krijgen. Er wordt dan ook eerder de nadruk gelegd op de verwachtingen die
leven in hoofde van de DirJud’s tav. de DirCo’s. Maar ook op het niveau van de federale politie leeft de
idee van herpositionering van de DirCo op provinciaal niveau, een thema dat zowat door alle
respondenten wordt hernomen. De respondenten op provinciaal niveau zelf, met name de
arrondissementscommissarissen, zijn het hiermee eens, hoewel de één meer uitgesproken dan de
ander.
2. Interzonale samenwerking?
Het nieuwe politiebestel wordt gekenmerkt door een groot aantal -en dus kleine- zones. Er werd van in het begin
een vrij belangrijke plaats toegekend aan interzonale samenwerking. Sommigen hebben het in dit verband over
zgn. ‘laterale steun’. Het Octopusakkoord van 24 mei 1998 had het hier al uitdrukkelijk over : "Om duidelijke
redenen van besparingen, maar ook om ervoor te zorgen dat de politiezones een redelijke grootte behouden,
moeten zij niet elk voor zich systematisch beschikken over alle noodzakelijk middelen voor het vervullen van de
basispolitiezorg. Dit is de reden waarom mechanismen van samenwerking tussen zones binnen een
arrondissement of eenzelfde provincie, in de vorm van een samenwerkingsprotocol, door het federaal niveau
zullen worden aangemoedigd
5
".
In de MO PLP 10 van 9 oktober 2001 wordt bovenvermelde passsage herhaald en wordt, in navolging van het
KB organisatie- en werkingsnormen, vermeld welke functies voor interzonale samenwerking in aanmerking
komen. In de MFO-2 van 3 april 2002
6
wordt vervolgens het principe van interzonale samenwerking nader
omschreven en worden een aantal 'spelregels' in dit verband bepaald. In dit verband wordt onder meer gesteld dat
deze samenwerking is gebaseerd op een vrijwillig afgesloten samenwerkingsakkoord en betrekking dient te
hebben op aangelegenheden die binnen de basispolitiezorg vallen. Dit laatste impliceert dat het gaat om
opdrachten die betrekking hebben op de gewone, 'dagelijkse' werking van de zone. Verder wordt als basis voor
de samenwerking de voorkeur voor het wederkerigheidspricincipe uitgesproken
7
.
Met de recente Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002
8
, tenslotte, benadrukt de Minister nogmaals het
belang van interzonale samenwerking en beklemtoont hij zijn bereidheid om deze werkingsvorm te intensifiëren
en te ondersteunen, en dit met het oog op het rationeel en adequaat inzetten van de beschikbare politiemensen.
De ruimer in deze omzendbrief aangehaalde doelstellingen van interzonale samenwerking zijn vierledig, met
name het verhogen van de rentabiliteit, het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening, het streven naar
een win-win-situatie (op basis van evenwaardigheid met inachtneming van wederkerigheid) en het nastreven van
een zo groot mogelijk eenvormig beleid binnen een bepaalde regio (evenwel rekening houdend met de
autonomie van de zones en met hun respectievelijke diversiteit en specificiteit). Naast het principe van
wederkerigheid, dat reeds in de MFO-2 werd vermeld, beklemtoont de Minister ook het principe van
evenwaardigheid van de wederzijdse geleverde inspanningen. Verder wordt, bij wijze van denkpistes, een
opsomming weergegeven van de domeinen waar interzonale samenwerking mogelijk wordt geacht.
5
S.a. (1998). Het Octopusakkoord: de algemene beginselen van de reorganisatie van de politiediensten. Politeia, jrg. 8, nr.
6, p. 4.
6
Ministeriële richtlijn MFO-2 van 3 april 2002 betreffende het personeel capaciteitsbeheer en het het verlenen van
versterking door de lokale politie bij opdrachten van bestuurlijke politie. B.S., 25 mei 2002.
7
Voor een beter begrip consultere men: PONSAERS, P. (ed.), Interzonale Samenwerking, 2002, Politeia, Centrum voor
Politiestudies, Brussel, pp. 122.
8
Omzendbrief PLP 27 van 4 november 2002 ter intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking. B.S., 4
december 2002.
7
a. Een reële, maar beperkte inter-korps-solidariteit
De eerstbetrokken actoren mbt. deze problematiek zijn ongetwijfeld de zonechefs en de
burgemeesters. Doorheen onze bevraging lieten we hen in dit verband dan ook uitgebreid aan
het woord. De vraag naar de mate van wederzijdse solidariteit tussen de korpsen is hier
evident aan de orde. Sommige korpschefs spreken zich ronduit positief uit omtrent interzonale
samenwerking: “De interzonale samenwerking met de omliggende zones (…) verloopt
uitstekend, zelfs zonder dat er samenwerkingsprotocols werden opgesteld” [ZONECHEF B]. Een
ander korpschef: Geen probleem, zeer zeker niet in de praktijk, waar zeer regelmatig
onderlinge samenwerking en steun plaatsvindt. Er bestaat een zeer goed overleg en
verstandhouding tussen de korpschefs in mijn gerechtelijk arrondissement” [ZONECHEF B].
Ook de burgemeesters drukken zich eerder positief uit: “Deze loopt in onze regio goed. In
onze stad hebben wij een goede samenwerking met andere zones en hebben wij al enkele
malen gerichte acties gedaan samen met andere politiezones, die zelfs
taalgrensoverschrijdend waren” [BURGEMEESTER B]. Een ander burgemeester: “Begint te vlotten.
We hebben reeds enkele akkoorden afgesloten. Het lijkt te werken. We hebben nog geen
conflictmomenten ondervonden tot op heden” [BURGEMEESTER A].
Niet overal loopt het echter even vlotjes met deze inzonale samenwerking. Zo zegt een
korpschef : “Dit komt moeilijk van de grond. De wil tot samenwerken is er, tot wanneer men
concreet wordt. Het afstaan van personeel om in een andere eenheid taken van bovenzonaal
belang uit te voeren blijft een moeilijke zaak” [ZONECHEF D]. De inter-korps-solidariteit blijkt dan
toch ook niet grenzeloos te zijn, wellicht heeft dit te maken met de gemeentelijke herkomst
van de fondsen die benut worden op een ruimer territorium.
b. Geen wondermiddel voor structurele schaalproblemen
De korpschefs zijn vrij genuanceerd in hun oordeel: “De interzonale samenwerking is vooral
voor kleine zones belangrijk. Het is onmogelijk om als kleine zone invulling te geven aan alle
facetten van de politieorganisatie [ZONECHEF C] (…)” Een paar zinnen verder verduidelijkt
dezelfde respondent echter: “Binnen het arrondissement geeft deze laterale steun -in
tegenstelling tot wat verwacht mocht worden- voor de grootste zone een sterk positief
resultaat en een negatief resultaat voor de kleine zones”. Een ander korpschef drukt zich in
dezelfde richting uit: “Voor sommige korpsen kan dit een oplossing zijn voor bepaalde
problemen (bvb. de meldkamerfunctie). Dit heeft in principe te maken met de schaalgrootte
van de zone. Voor de rest heeft men daar geen boodschap aan” [ZONECHEF F]. Eén onder hen
zegt expliciet waarover de discussie inzake het schaalprobleem in feite gaat: “Indien men dit
structureel zou toepassen om kleinere zones te depaneren kan men beter direct overgaan naar
grotere zones” [ZONECHEF E].
Daar is echter lang niet iedereen het mee eens. Een burgemeester verwoordt zijn visie ter zake
als volgt: “Eerder dan nu reeds te praten over al dan niet grotere politiezones, zou het veel
beter zijn te praten over hoe politiezones in de praktijk beter kunnen samenwerken. De
discussie over al dan niet teveel of te weinig politiezones zou beter ophouden om rust op het
terrein te creëren voor de politiemensen, die het elke dag moeten waarmaken. Hiermee wil ik
zeker niet zeggen dat op een bepaald moment in de evaluatie van de politiehervorming, na
enkele jaren functioneren, dit punt niet opnieuw ter sprake kan komen. Belangrijk in dit
verband is echter een goed evenwicht te vinden tussen enerzijds de functionele werking van de
politie en anderzijds de maximale betrokkenheid van de burgemeesters, leden van de
politieraad en de bevolking bij het lokale politiegebeuren” [BURGEMEESTER B].
c. Hulpmiddel bij welbepaalde problemen
Waarover worden dan akkoorden afgesloten op het vlak van interzonale samenwerking?
Omtrent één grondprincipe zijn de korpschefs het vrijwel eens: “Interzonale samenwerking
8
zou enkel mogen gebruikt worden als hulpmiddel voor een beperkt aantal welbepaalde
problemen” [ZONECHEF E].
Als doorgevraagd wordt welke deze problemen zijn, komen volgende antwoorden. Enerzijds
van een burgemeester: “De samenwerking op gerechtelijk vlak zou nog moeten verbeterd
worden, want de criminaliteit stopt niet aan de grenzen” [BURGEMEESTER B]. De korpschefs
brengen naar voor anderzijds: “Deze akkoorden behelzen onder andere de operationele
samenwerking op gebied van slachtofferbejegening, systeembeheer, gebruik cellen, uitlenen
technische apparatuur, dringende laterale steun en de dienst justitiepaleis” [ZONECHEF C]. Of
nog: “Op enkele vlakken hebben we reeds afspraken inzake interzonale samenwerking:
slachtofferbejegening (met 3 andere zones), bijstand (snelle bijstand met 3 andere zones),
P.I.P. (snelle bijstand via een provinciale overeenkomst voor welbepaalde grootschalige
problemen) en radiocommunicatie (provinciale overeenkomst)” [ZONECHEF E].
Uit dit laatste antwoord blijkt dat op bepaalde plaatsen het initiatief tot interzonale
samenwerking concreet wordt genomen vanuit het provinciebestuur. Op andere plaatsen, zo
blijkt, “worden initiatieven ontwikkeld onder impuls van de Dirco. Het betreft: een
arrondissementeel netwerk inzake slachtofferbejegening, en een protocol inzake onderlinge
ondersteuning bij onverwachte gebeurtenissen. Thans worden er ook stappen gezet in het
domein van het welzijn op het werk [ZONECHEF F]. Een burgemeester geeft aan: “Persoonlijk
vind ik dat de minister van Binnenlandse Zaken uit een aantal praktische werkingen op het
terrein en een aantal experimenten conclusies zou moeten trekken voor een verdere
doorgedreven interzonale samenwerking. Nu hangt dit immers grotendeels af enerzijds van
bepaalde veiligheidsfenomenen die zich voordoen, anderzijds van de personen van de
korpschefs en/of burgemeesters en/of voorzitters van de politiecolleges” [BURGEMEESTER B]. Uit de
antwoorden blijkt o.i. de nood aan een concrete bovenlokale steun en stimulans bij de
realisatie van deze akkoorden.
d. Nood aan bovenlokale stimuli
Op provinciaal niveau worden de arrondissementscommissarissen nogal eens door de
gouverneurs belast met het nemen van initiatieven inzake interzonale samenwerking. Ook in
deze groep vonden we enkele respondenten. Eén van hen stelt: “De zones sluiten veelvuldige
samenwerkingsakkoorden af. Dergelijke akkoorden zijn ideaal als zij worden afgesloten
tussen zones die ongeveer gelijkwaardig en voldoende krachtig zijn. De samenwerking moet
hen een surplus aan efficiëntie geven. Interzonale samenwerking mag geen middel zijn om te
verdoezelen dat sommige zones eigenlijk niet in staat zijn om zelf hun taken uit te oefenen”.
En nog: “Het is moeilijk om zeer grote zones te bewegen om samen te werken met kleine
zones” [ARR.COMM. A]. Een ander arrondissementscommissaris stelt: “De interzonale
samenwerking loopt goed omdat het initiatief van de zones zelf komt (bottom up). Daardoor
is men gemotiveerd en alert. Maar er blijft nood aan regelmatige evaluatie en het vereist
openheid en transparantie tussen de korpsen” [ARR.COMM. B].
Nog een andere arrondissementscommissaris verwoordt meer reserves tav. interzonale
samenwerking: “De behoefte is groot ingevolge kleinschaligheid van de zones, doch wordt
niet echt gestimuleerd en vormt ook geen oplossing voor alle problemen. Interzonale
samenwerking ligt bovendien niet voor de hand. In hoofde van de grote(re) zones
bestaat/bestond er een mentaliteit van: het beleid en de burgemeesters hebben kleine zones
gewild: dat de kleine zones nu maar zien dat ze aan de gestelde vereisten kunnen voldoen”.
Hij spreekt zich dan ook duidelijk uit: “Interzonale samenwerking raakt niet echt van de
grond, o.a. door het ontbreken van stimuli, bvb. inzake handhaving van de openbare orde, in
een eerste fase na een incident, in afwachting van de ‘hycap’-effectieven” [ARR.COMM. C].
Niet zelden worden de Dirco’s door de gouverneurs ingeschakeld als een soort van technisch
raadgever bij het tot stand komen van deze samenwerkingsverbanden. Er klinkt enig
9
optimisme door in de commentaren vanwege deze groep Dirco’s: “De interzonale
samenwerking groeit. Er zijn reeds verschillende convenanten afgesloten. Soms is dit enkel
tussen een aantal zones, soms is er samenwerking met de gedeconcentreerde eenheid[DIRCO
A]. Een collega stelt: “Ik voel ook aan dat wegens de capaciteitsproblemen in de zones en
dank zij de goede contacten via o.a. het platform van de korpschefs, steeds meer onderlinge
toenadering wordt gezocht door de korpschefs om in verschillende domeinen te gaan
samenwerken” [DIRCO B].
e. Moeilijke zoektocht naar wederkerigheid
Niettemin domineert de eerder aarzelende toon in de commentaren van de Dirco’s:
“Interzonale samenwerking komt moeilijker op dreef dan zou mogen verwacht worden. In het
arrondissement zijn er maar drie korpsen die op een gestructureerde manier samenwerken
door het organiseren van gespecialiseerde functies op bovenlokaal niveau” [DIRCO B]. Zijn
collega stelt: “Wel stellen wij vast dat het initieel enthousiasme tot samenwerking, maar
voornamelijk tot solidariteit, enigszins bekoeld is. Iedere politiedienst begint zicht te krijgen
op eigen budgetten en capaciteiten en is, in tegenstelling tot de eerste maanden, enkel nog
bereid te investeren indien er wederkerigheid bestaat” [DIRCO A]. Een ander: Probleem blijft
echter het zoeken naar een win-win situatie voor elke partner in de samenwerking” [DIRCO B].
Een duidelijk standpunt wordt weergegeven door één onder de Dirco’s ter zake: “Het
probleem is eenvoudig terug te brengen tot de vraag omtrent de omvang van de politiezones!
De ervaring leert alvast dat weinig zones geneigd zijn om de laterale samenwerking echt uit
te bouwen. Nochtans denk ik dat er mogelijkheden zijn om dit te doen in bepaalde domeinen.
Samenwerken betekent natuurlijk rekening houden met anderen en gelijktijdig het inboeten
van een stukje eigen autonomie. Misschien wringt hier het schoentje” [DIRCO C]? De dominant
kritische toon, de aarzeling, overweegt hier in de commentaren. Dit kan op zijn minst als
merkwaardig aangestipt worden, gezien de eerder dominant positieve commentaren die we
mochten ontvangen vanwege de lokale partners, met name de korpschefs en burgemeesters.
f. Het intermediair gerechtelijk niveau : schaalvergroting
De interzonale samenwerking heeft ook betekenis voor de lokale Procureurs des Konings.
Klaarblijkelijk kunnen ze zich hieromtrent wel een idee vormen: “De interzonale
samenwerking staat in haar kinderschoenen, maar de bereidheid om interzonaal akkoorden af
te sluiten neemt toe” [PDKA]. Of zijn collega stelt: “Deze samenwerking verloopt vrij vlot; er
worden binnen één regio van het arrondissement zeer goede afspraken gemaakt” [PDK B].
Eén Procureur is bijzonder duidelijk in zijn oordeel: De minimale gelijkwaardige politiezorg
wordt in kleine korpsen slechts op papier gerealiseerd. Noch de vereiste capaciteit, noch de
noodzakelijke kwaliteit kan in kleine korpsen gerealiseerd worden. Interzonale samenwerking
kan enig soelaas bieden, maar het blijft behelpen. Enkel schaalvergroting tot korpsen van
minimaal 125-140 manschappen biedt garanties voor een volwaardige basispolitiezorg, die
bovendien ook aan alle federale en interzonale verwachtingen en verplichtingen kan voldoen”
[PDK C]. Hij argumenteert verder : Naarmate de politiehervorming verder in concreto gestalte
krijgt, des te duidelijker wordt het voor de zones, die meestal te klein zijn, dat ze slechts
overleven kunnen door het afbouwen van basispolitiezorg aan de bevolking (onthaal,
interventie, wijkwerking) en/of door interzonale samenwerking op een aantal, vooral
gespecialiseerde domeinen (slachtofferzorg, systeembeheer, personeelsbeleid,
videoverhoornetwerk). Voorwaarde is uiteraard dat het om een win/winsituatie gaat voor de
diverse partners, waarbij dient vermeden de wederzijdse prestaties alleen binnen één enkele
samenwerkingsovereenkomst af te wegen. De totaliteit van de onderlinge samenwerking dient
geëvalueerd: binnen de ene convenant zal men meer geven maar binnen een andere wellicht
meer krijgen…” [PDK C].
10
Een DirJud, toch ook iemand uit de gerechtelijke zuil, heeft blijkbaar ook nog zicht op de
gang van zaken: “Gelukkig zien vele zonechefs de noodzaak in van interzonale samenwerking.
Toch is dit niet overal het geval en ziet men her en der Einzelgangers. Is die noodzakelijke
samenwerking niet te vrijblijvend en moet ze niet meer afdwingbaar gemaakt worden?”
[DIRJUD B] Een collega van hem beoordeelt de situatie net iets anders: “Interzonale
samenwerking werkt vnl. tussen kleinere zones onderling, minder tussen een grote zone en
kleinere zones” [DIRJUD B].
g. From Brussels, with love
Vanuit de het centraal niveau wordt het zicht op de interzonale samenwerking toch eerder
beperkt. Zo wordt gemeld vanuit de gerechtelijke directie-generaal van de federale politie:
“Vanuit onze directie sturen wij daar op aan, maar héél weinig zones willen er écht in
meegaan” [DG GER A]. Een ander respondent uit de federale, centrale zuil meldt: “We
beschikken slechts over een beperkte ervaring wat interzonale politiesamenwerking betreft,
daar waar het gaat om grootschalige operaties. Het is moeilijk om de lokale politiezone uit
bvb. West-Vlaanderen ervan te overtuigen dat zij personeel dient te leveren voor controles
aan de Antwerpse Kennedy-tunnel, hoewel daar daders voorbijkomen die feiten plegen in
West-Vlaanderen” [DG GER B].
Onze respondent vanuit de bestuurlijke directie-generaal is wat explicieter: “Wat ik weet is dat
er eigenlijk geen juridische basis is voor het systeem van de interzonale samenwerking. De
WGP spreekt er immers niet over. Er bestaat enkel een ministeriële omzendbrief (PLP27). En
die omzendbrief zegt eigenlijk (kort samengevat) dat de zones op alle vlakken en in alle
domeinen kunnen samenwerken en dat dat zoveel als mogelijk gestimuleerd wordt, waarbij
men echter wel vergeet om de DirCo daarbij in te schakelen. Dit werd niet voorzien, en ik
denk dat dat bewust niet gedaan werd”. Of verder nog: “Ik vang af en toe echo’s op dat het
beeld, nationaal gezien dan, erg verscheiden is. Er zijn regio’s waar die samenwerking
stilaan een goede en sterke vorm krijgt. Op andere plaatsen is de relatie tussen de zones veel
minder goed en lukt dit blijkbaar niet” [DG BES A]. Vanuit de ondersteunende directie-generaal
wordt gemeld “dat men dit niet kan beoordelen” [DG STEUN A]. Het federaal parket meldt op de
problematiek “geen zicht” te hebben [FEDPAR A&B]. Brussel ligt blijkbaar toch wel erg ver van de
concrete, lokale werkvloer.
Besluit: een erg genuanceerd positief oordeel
Er blijkt op lokaal niveau nogal wat solidariteit tussen de diverse korpsen te bestaan, wat maakt dat de
interzonale samenwerking over het algemeen door de lokale actoren als positief wordt geëvalueerd.
Nochtans dient globaal opgemerkt te worden dat meerdere respondenten de intergemeentelijke
politiesamenwerking als een surrogaat blijven zien voor schaalvergroting van de politiezones en ervoor
pleiten die schaalvergroting dan ook maar meteen door te voeren. Sommige anderen zijn echter de
mening toegedaan dat een dergelijke schaalvergroting momenteel niet aan de orde is en dat eerst
grondig werk dient te worden gemaakt van de verdere invoering van interzonale samenwerking.
Er dient vastgesteld dat de solidariteit in het kader van de interzonale samenwerking verre van
grenzeloos blijkt te zijn, wat wellicht te maken heeft met de financiële repercussies op de gemeentelijke
financiering. Ook verwijzen de lokale actoren naar het verschil in betekenis van deze samenwerking
naargelang de schaalgrootte van de betrokken korpsen. De meesten vinden overigens dat de
samenwerking eerder beperkt dient te blijven. De meeste lokale actoren beklemtonen verder het belang
van de bovenlokale ondersteuning bij het afsluiten van interzonale samenwerkingsconvenanten.
De arrondissementscommissarissen en de DirCo’s, die de gevraagde ondersteuning zouden kunnen
verlenen, blijken over het algemeen principieel positief te staan ten aanzien van de interzonale
samenwerking, doch blijken bijzonder aarzelend over de implementatie ervan. De nadruk wordt gelegd
op de noodzaak van wederkerigheid in de samenwerking. De Procureurs blijken over het algemeen ook
11
wel positief te staan tav. de interzonale samenwerking, hoewel de overtuiging overheerst dat een
hergroepering van zones, en dus een schaalvergroting ervan, een betere oplossing zou zijn. De
DirJud’s blijken gematigd positief te zijn en de vrijblijvendheid van deze samenwerkingsoplossing wordt
gehekeld. Op centraal niveau, zowel bij het federaal parket als bij de federale politie, is het zicht op de
problematiek van interzonale samenwerking eerder beperkt.
3. Het functioneren van de politieraden?
De hervorming heeft in feite niets fundamenteels gewijzigd aan de positie van de burgemeester. Hij blijft als het
ware de “hoeksteen van de gemeentelijke autonomie” en vervult dus een sleutelrol in de politiezorg in de
gemeente. Voor het uitvoeren van haar opdrachten van bestuurlijke politie, staat de lokale politie dan ook onder
het gezag van de burgemeester die haar hiertoe de noodzakelijke bevelen, onderrichten en richtlijnen geeft. Dit
houdt in dat hij de princiepsbeslissingen neemt en richtlijnen uitvaardigt over de wijze waarop de lokale politie
haar opdrachten van bestuurlijke politie moet vervullen. Deze richtlijnen en onderrichtingen maakt hij over aan
de korpschef. Om zijn rechtstreeks functioneel gezag in zaken van administratieve politie, de organisatie van
het korps en de verdeling van de opdrachten van administratieve en gerechtelijke politie naar behoren te
vervullen wordt de burgemeester enerzijds geïnformeerd en geadviseerd door de korpschef. Anderzijds lichten
de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur van de federale politie hem zo snel als
mogelijk in over de gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid in de gemeente zouden
kunnen verstoren
9
.
Terwijl in een eengemeentezone het College van Burgemeester en Schepenen en van de burgemeester -zoals
voorheen- bevoegd blijven voor de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps, ligt dit anders in de
meergemeentezones, waar deze bevoegdheden nu worden uitgeoefend door het politiecollege (art.24 WGP). Dit
politiecollege wordt dan gevormd door de burgemeesters uit de verschillende gemeenten van de zone.
De burgemeester legt verantwoording af over zijn politiebeleid aan de gemeenteraad in een eengemeentezone.
In de meergemeentezones worden de bevoegdheden van de gemeenteraad inzake de organisatie en het beheer
van het lokaal politiekorps uitgeoefend door de politieraad
10
(art.11 WGP). Deze wordt evenredig samengesteld
uit leden van de gemeenteraden van de verschillende gemeenten. Zij hebben een mandaat van zes jaar.
Hiernaast zijn de burgemeesters van de verschillende gemeenten automatisch lid van de politieraad. Zij moeten
er hun gezamenlijk beleid inzake de organisatie en het beheer van de lokale politie voorstellen en laten
goedkeuren. Verder moeten ze antwoorden op vragen en voorstellen van leden van de politieraad. Deze raad
vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren het vereisen en tenminste tienmaal per jaar.
Vanuit dit oogpunt vormt de politieraad in feite het democratisch sluitstuk van het politiebeleid. Vandaar dat we
dit thema hieronder verder uitdiepen.
Pro memorie herinneren we er nog aan dat in elke politiezone nog een zonale veiligheidsraad werd opgericht,
waarbinnen, dixit art.35 WGP, “een systematisch overleg wordt georganiseerd tussen de burgemeesters, de
procureur des Konings, de korpschef van de lokale politie en de bestuurlijke directeur-coördinator van de
federale politie of zijn afgevaardigde”. In de schoot van deze zonale veiligheidsraad, de vervanging van het
voormalige vijfhoeksoverleg, wordt dan het zonale veiligheidsplan voorbereid, besproken en geëvalueerd.
a. Koud en warm terzelfdertijd… Een kwestie van keuze?
Het is logisch deze evaluatie te starten bij de mening en het oordeel van onze burgemeester-
respondenten. Een eerste burgemeester is mild gestemd, maar geeft meteen ook een eerder
minimalistische opvulling aan de opdracht van de politieraad: “De politieraad verhoogt m.i.
wel de interesse en de participatie van de lokale politiek. De raad brengt beslissingen ivm. de
politiewerking ook beter onder de aandacht, zeker als er wat onenigheid is over het te voeren
beleid…Voor een stuk is het wel een zwaar orgaan. Als de hele hervorming goed draait, zou
m.i. een systeem met twee politieraden per jaar (één voor de begroting en één voor de
rekening) evengoed functioneren, doch dan zou de betrokkenheid mogelijks weer
afnemen…Democratie heeft een prijs…” [BURG. A].
9
PONSAERS, P., “Een kwestie van evenwichten. De plaats van politieoverheden in het vernieuwde politiebestel en de uittekening van het
politiebeleid”, in : Voor verder onderzoek - Pour suite d’enquête, DUHAUT, G., PONSAERS, P., PYL, G., VAN DE SOMPEL, R.,
Politeia, Brussel, 2002, p. 32-51.
10
Het aantal leden varieert naargelang het inwonertal en zijn afkomstig uit de gemeenteraden.
12
Een tweede collega-burgemeester is veel strenger in zijn beoordeling: “Zoals de politieraden
nu functioneren hebben deze volgens mij weinig zin, enerzijds omwille van de beperkte
bevoegdheden die een politieraad heeft, anderzijds omwille van het feit dat dikwijls politici
afgevaardigd worden naar die politieraden bij wijze van compensatie, omdat ze geen schepen
geworden zijn en/of een ander mandaat niet gekregen hebben. Hoewel de democratische
controle op het functioneren van de politie vroeger ook eerder beperkt was via de
gemeenteraden, is deze democratische controle via de politieraden zeker niet versterkt,
integendeel zelfs. Objectief is dit zo, maar subjectief wordt nochtans de indruk versterkt dat
de politieraden in feite niets te zeggen hebben en heel weinig impact hebben op het
funcioneren van de politie. Terzake pleit ik ervoor dat de bevoegdheden van het politiecollege
en de politieraad niet zouden beperkt blijven tot de materiële en functionele organisatie van
de lokale politie, maar dat hier ook het veiligheidsbeleid zou mogen uitgetekend worden,
hetgeen nu strikt genomen, buiten het zonaal veiligheidsplan, nog altijd autonoom de
bevoegdheid van elke burgemeester is. Ook het preventiebeleid kan op dit niveau besproken
en uitgevaardigd worden. Terzake moet het volgens mij perfect mogelijk zijn om per zone een
globaal veiligheids- en preventiebeleid uit te tekenen, rekening houdende met voldoende
autonomie van elke gemeente. Dit zou dan ook moeten toelaten dat het politiecollege en de
politieraad de beleidsmatige uitvoering en opvolging van dit veiligheidsbeleid voor hun
rekening zouden nemen” [BURG. B]. Deze burgemeester geeft dan ook duidelijk een veel
maximalistischer invulling van de opdracht van de politieraad.
b. Het democratisch deficit opvullen. Wie wil, die kan!
Als we ons oor te luisteren leggen bij de zonechefs, horen we een mengelmoes aan geluiden.
De enen zijn bijzonder negatief gestemd: “Het is triestig gesteld met een democratie waar de
verkozenen van het volk alleen hun zitpenning komen opstrijken zonder ooit een dossier te
hebben gelezen” [ZONECHEF A]. “De rol van de politieraad is onduidelijk. Sturing geven, toezicht
uitoefenen, stemmen over benoemingen, maar ook stemmen over zaken die wettelijk
geregeld zijn, zoals deeltijds werken, pensionering en dergelijke meer. Ik ben ervan overtuigd
dat de meeste raadsleden niet weten waarom zij daar zitten. Tijdens de voorbije twee jaar heb
ik nog nooit een positieve inbreng gehoord van de politieraad, trouwens ook geen negatieve.
Gelukkig werd het aantal vergaderingen teruggebracht tot minimum vier in plaats van tien.
Het is een raad die te veel geld kost voor hetgeen deze oplevert. Ik heb nog geen politieraad
meegemaakt die langer duurde dan een half uur, niettegenstaande een zeer gevulde agenda”
[ZONECHEF C].
Maar er zijn ook veel positievere geluiden bij de anderen: “De politieraad is nuttig, omdat dit
het enige instrument is waar gewone raadsleden over politie kunnen geïnformeerd worden.
Probleem is dat de huidige agenda’s, gelet op de bevoegdheden van de politieraad, te beperkt
zijn” [ZONECHEF B]. Of nog: “De rol van de politieraden is krachtens de wet beperkt tot
organisatie- en beheersaspecten. In onze politiezone gaan we verder dan dat. Wij betrekken
de politieraad bij het bepalen van het beleid, geven regelmatig informatie over de werking
van het korps en over criminaliteit. Het gevoel is dat de leden van de politieraad zich
hierdoor meer betrokken voelen bij de problematiek, en als dusdanig hun rol kunnen spelen in
de resp. gemeenteraden. Persoonlijk heb ik er geen probleem mee de wet aan te passen aan
de praktijk” [ZONECHEF D]. In laatste instantie: “De politieraden beginnen beter en beter te
werken, na een leerproces. Voor vele leden is het in het begin zeker niet gemakkelijk om, voor
meergemeentezones, verder te kijken dan de loutere politieke grenzen van hun eigen
gemeente. Maar het betert, daar waar in het begin discussie en overleg over politionele
aanpak enz. niet mogelijk was is dit dat nu wel het geval” [ZONECHEF E].
Men kan zich afvragen of de instelling van de politieraad in feite enige verandering mee heeft
gebracht in vergelijking tot de situatie van voor de hervorming. Een zonechef van een
13
eengemeentezone, waar de situatie beheersmatig niet gewijzigd is, getuigt: “Voor mijn zone is
de politieraad gelijk aan de gemeenteraad. Ik heb de ervaring dat de meeste mandatarissen
helemaal onbekend zijn met de politiehervorming. De enige momenten dat er enige aandacht
van de raad aan de politiewerking werd besteed was naar aanleiding van de aanstelling van
de korpschef en naar aanleiding van de goedkeuring van de begrotingen. De overige
agendapunten met betrekking tot de politiewerking krijgen weinig of geen aandacht en
worden zuiver routinematig gestemd” [ZONECHEF F]. Niets nieuws onder de zon dus, en een
vastgestelde desinteresse vanwege het lokaal bestuur voor politieaangelegenheden blijft
bestaan, hoewel er klaarblijkelijk witte raven zijn.
c. ‘A la bonne volonté du bon prince’
De meeste bovenlokale actoren onthouden zich van commentaar met betrekking tot dit thema,
hetgeen logisch lijkt. Ze hebben er immers weinig ervaring mee. Niettemin zijn er
uitzonderingen. Zo spraken twee van de vier DirCo-respondenten zich over het thema uit:
“Door de burgemeester zelf worden de politieraden in vraag gesteld. De burgemeesters,
individueel, verkiezen de gemeenteraad (waar zij een meerderheid hebben) te raadplegen.
Het politiecollege roept, om formalistische redenen, een minimaal aantal keren de raad
bijeen. De agenda is zeer licht, het debat bijna onbestaand. De burgemeesters zien geen
meerwaarde in de politieraden” [DIRCO A]. “Wat ik hoor is dat de voorziene tien vergaderingen
per jaar overbodig zijn en flink kunnen gereduceerd worden. Dat zegt wel iets over het impact
van de politieraden op de politiewerking, niet?” [DIRCO B].
Ook de arrondissementscommissarissen hebben hierover -hetgeen logisch is- een oordeel:
“Sommige politieraden werken goed, andere niet. Het hangt af van de persoonlijkheid van de
leden (vooral de burgemeesters) en van de politieke samenstelling” [ARR.COM. A]. Of nog: “De
naam politieraad roept bij de betrokkenen te hoge verwachtingen op. Het gaat louter om een
beheersorgaan voor kwesties van personeels- en logistieke aard. In se is de politieraad niet of
nauwelijks betrokken bij het reilen en zeilen van het zonaal veiligheidsplan” [ARR.COM. B]. In
laatste instantie: “Naar wat ik hoor, functioneren ze niet zoals gehoopt. Het hangt ook hier
weer af van de politieke machtsstructuren en interessante figuren die aanwezig zijn of de raad
iets constructiefs kan bijdragen aan de politiedienst” [ARR.COM. C].
Besluit : Werk aan de winkel
Het overheersende geluid inzake de werking van de politieraden is, hoe je het ook draait of keert,
negatief. Deze negatieve appreciatie gaat evenwel niet zozeer over het orgaan zelf, dan wel over de
werking ervan. De mandatarissen in de politieraden dwingen blijkbaar niet al teveel respect af, zijn
onvoldoende gemotiveerd en geïnteresseerd. Dat brengt de respondenten ertoe ofwel te pleiten voor
een meer beperkte opdracht voor de politieraden (de minimalisten), ofwel ervoor pleiten de wetgeving
ter zake te herzien en de raden meer bevoegdheden te geven (de maximalisten).
Vraag is, en blijft, hoe binnen een dergelijk bestuurlijk beleid plaats kan ingeruimd worden voor een
concrete inbreng van de gerechtelijke overheid? Immers, het risico bestaat o.i. dat door een versterking
van de politieraad de zonale veiligheidsraad onder druk zou komen te staan, de positie van het parket
wordt teruggedrongen en het openbaar ministerie dan weer een onafhankelijke, autonome koers
gaat varen in haar beleid.
Opvallend is wel dat toch een aantal respondenten aangeven dat er op bepaalde plaatsen verder
gegaan wordt dan dat de wet dit strikt vereist en dat de interesse groeit. Het lijkt dan ook dat op dit
vlak nog aardig wat werk aan de winkel is, met name het realiseren van een grotere betrokkenheid van
de bestuurders bij het politiewerk. Politiezorg is er niet, politiezorg wordt gemaakt. Tot dat besef is
blijkbaar nog niet iedere mandataris gekomen in de schoot van de politieraden.
Paul Ponsaers
4 juni 2003
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.