ChapterPDF Available

Ponsaers, P. (2004). “Ten geleide”, in Moraliteitsverslagen in assisenzaken, Bockstaele, M. (ed.), Brussel: Politeia, Centrum voor Politiestudies, 9-17.

Authors:

Abstract

Ten geleide Het Centrum voor Politiestudies heeft met het thema Het moraliteitsverslag in assisenzaken alweer een bijzonder actueel onderwerp onder de aandacht willen brengen. Actueler kan moeilijk, in het licht van hetgeen zich afgelopen weken afspeelde en nog zal afspelen in het gerechtsgebouw in Aarlen. Na het colloquium dat hieromtrent doorging op donderdag 1 april 2004 in de Aula van de Gentse universiteit zijn de initiatiefnemers fier de publicatie van de afgewerkte teksten onder de aandacht te kunnen brengen via voorliggende publicatie. In deze publicatie staat dus het moraliteitsverslag ter discussie. Op zich is het een ietwat eigenaardige term : "moraliteitsverslag". Immers, er wordt vanuit gegaan dat een dergelijk verslag het niveau van moraliteit zal weergeven van een verdachte, maar wat betekent dat eigenlijk? We leven vandaag in een wereld waar een grote pluraliteit aan waarden en normen, aan moraliteiten, terzelfdertijd en naast mekaar aanwezig zijn in onze samenleving. Multi-en subculturele fenomenen maken dat we in een mozaïek van laatmoderne diversiteit terecht zijn gekomen, waar eenduidige levensrecepten nauwelijks nog denkbaar zijn. Is het überhaupt mogelijk om de "moraliteit" van iemand te beoordelen in een wereld die eerder op een lappendeken lijkt dan op een coherente en geïntegreerde realiteit? We stellen de vraag. In het licht van de ganse discussie omtrent de plaats en de rol van de jury in onze rechtspraak, en in het bijzonder van assisenzaken, dringt de vraag zich immers onvermijdelijk op. Meer dan eender welke juridische scène is deze te typeren door hetgeen sociologen mettertijd zijn gaan noemen dramatisation of evil. Het is de juridische scène waar een erg hoog ritueel en theatraal gehalte aanwezig is, waar het demonstratieniveau erg hoog ligt. Het is vooral dé scène bij uitstek, waar de daden van iemand met een dissectiemes publiekelijk worden opengesneden, tot in de kleinste, pijnlijke, heimelijke détails. Ook het ganse leven van de betrokkene wordt openbaar besproken, niet zelden op basis van … de beschikbare moraliteitsverslagen. Het is merkwaardig vast te stellen dat al deze elementen niet enkel de privacy van iemand fundamenteel doorbreken, maar tevens wordt álles wat besproken wordt (het hele leven van iemand) bekeken vanuit het oogpunt van diezelfde misdaad. Het risico is dan ook groot dat alle elementen beschouwd worden als factoren die aanleiding hebben gegeven tot die éne, fatale misdaad. Het moraliteitsverslag als Hineininterpretierung als het ware. Een gedetineerde, die meent dat de doodstraf die tegen hem werd uitgesproken had moeten uitgevoerd worden, getuigt recent in het themanummer van het tijdschrift Orde van de Dag omtrent de juryrechtspraak : "Bij een zaak voor het Hof van Assisen sta je letterlijk in je blote, alles wat tegen je gebruikt kan worden, komt boven". Niettemin moeten we vaststellen dat moraliteitsverslagen door de advocatuur, en meer bepaald door de verdediging, vaak gezien worden als orgelpunten in de procesvoering, als een soort van katharsis. Bij de bespreking van het moraliteitsverslag-zo wordt dan gezegd-groeit begrip, inzicht in de persoonlijkheid van een verdachte. Die verdachte is daardoor niet langer een soort van buitenaards
Blz. 1
1
Het moraliteitsverslag in assisenzaken
Ten geleide
Het Centrum voor Politiestudies heeft met het thema Het moraliteitsverslag in
assisenzaken alweer een bijzonder actueel onderwerp onder de aandacht willen
brengen. Actueler kan moeilijk, in het licht van hetgeen zich afgelopen weken
afspeelde en nog zal afspelen in het gerechtsgebouw in Aarlen. Na het colloquium
dat hieromtrent doorging op donderdag 1 april 2004 in de Aula van de Gentse
universiteit zijn de initiatiefnemers fier de publicatie van de afgewerkte teksten onder
de aandacht te kunnen brengen via voorliggende publicatie.
In deze publicatie staat dus het moraliteitsverslag ter discussie. Op zich is het een
ietwat eigenaardige term : “moraliteitsverslag”. Immers, er wordt vanuit gegaan dat
een dergelijk verslag het niveau van moraliteit zal weergeven van een verdachte,
maar wat betekent dat eigenlijk? We leven vandaag in een wereld waar een grote
pluraliteit aan waarden en normen, aan moraliteiten, terzelfdertijd en naast mekaar
aanwezig zijn in onze samenleving. Multi- en subculturele fenomenen maken dat we
in een mozaïek van laatmoderne diversiteit terecht zijn gekomen, waar eenduidige
levensrecepten nauwelijks nog denkbaar zijn. Is het überhaupt mogelijk om de
“moraliteit” van iemand te beoordelen in een wereld die eerder op een lappendeken
lijkt dan op een coherente en geïntegreerde realiteit? We stellen de vraag.
In het licht van de ganse discussie omtrent de plaats en de rol van de jury in onze
rechtspraak, en in het bijzonder van assisenzaken, dringt de vraag zich immers
onvermijdelijk op. Meer dan eender welke juridische scène is deze te typeren door
hetgeen sociologen mettertijd zijn gaan noemen dramatisation of evil. Het is de
juridische scène waar een erg hoog ritueel en theatraal gehalte aanwezig is, waar
het demonstratieniveau erg hoog ligt. Het is vooral scène bij uitstek, waar de
daden van iemand met een dissectiemes publiekelijk worden opengesneden, tot in
de kleinste, pijnlijke, heimelijke détails. Ook het ganse leven van de betrokkene wordt
openbaar besproken, niet zelden op basis van de beschikbare
moraliteitsverslagen.
Het is merkwaardig vast te stellen dat al deze elementen niet enkel de privacy van
iemand fundamenteel doorbreken, maar tevens wordt álles wat besproken wordt (het
hele leven van iemand) bekeken vanuit het oogpunt van diezelfde misdaad. Het
risico is dan ook groot dat alle elementen beschouwd worden als factoren die
aanleiding hebben gegeven tot die éne, fatale misdaad. Het moraliteitsverslag als
Hineininterpretierung als het ware. Een gedetineerde, die meent dat de doodstraf die
tegen hem werd uitgesproken had moeten uitgevoerd worden, getuigt recent in het
themanummer van het tijdschrift Orde van de Dag omtrent de juryrechtspraak : Bij
een zaak voor het Hof van Assisen sta je letterlijk in je blote, alles wat tegen je
gebruikt kan worden, komt boven”.
Niettemin moeten we vaststellen dat moraliteitsverslagen door de advocatuur, en
meer bepaald door de verdediging, vaak gezien worden als orgelpunten in de
procesvoering, als een soort van katharsis. Bij de bespreking van het
moraliteitsverslag -zo wordt dan gezegd- groeit begrip, inzicht in de persoonlijkheid
van een verdachte. Die verdachte is daardoor niet langer een soort van buitenaards
Blz. 2
2
wezen, maar wordt opnieuw een mens, met een innerlijke logica en een eigen
sociaal verhaal. Het moraliteitsverslag laat toe iemans gedrag te begrijpen, wat
helemaal niet wil zeggen dat we zijn misstappen hoeven goed te keuren. Inzicht is
niet instemmen. Maar niettemin wordt hierdoor terug misdaad iets van de mensen,
van sociale wezens.
Op jaarbasis worden in ons land zo’n 60 à 100 van dergelijke assisenzaken gevoerd.
Het aantal blijft relatief stabiel doorheen een lange tijdsperiode. Als we deze
aantallen vergelijken met de realiteit van het steeds maar aanzwellend hoge aantal
correctionele zaken en vooral burgerlijke zaken, moeten we vaststellen dat het gaat
om een erg uitzonderlijke, tijdrovende praktijk, waardoor de vraag naar een
verspilling van de schaarse juridische middelen haast spontaan naar boven komt.
We leven in een tijdsperiode waar de politie aan prioriteiten aandacht moet geven, zij
plannen moeten maken, capaciteitsstudies dienen door te voeren, aan
recherchemanagement moeten doen, en ga maar door. Het cijfermatig, manageriaal
denken is ook bij de politie doorgebroken. Dat brengt met zich mee dat afwegingen
dienen gemaakt te worden. De periode dat ongelimiteerd tijd kon geïnvesteerd
worden in één bijzonder dossier, ten nadele van een reeks andere, is voorbij. Het
gaat er meer dan ooit voorheen om op een zuinige manier om te springen met de
schaarse politiële middelen en deze in te zetten op die zaken waarover men het eens
is dat zij van belang zijn. Ik denk dat deze evolutie nuttig is en noodzakelijk.
Niettemin riskeert echter hiermee de politie, en ook wel het parket tot op zekere
hoogte, terecht te komen in een eerder kille sfeer van kruideniersachtige berekening.
Een verkeerd begrepen rationele politie-aanpak dreigt de exclusieve nadruk te gaan
leggen op kwantiteit ten nadele van kwaliteit. De grote vraag is dan ook waaraan
justitie haar waarde ontleent. Gaat het om een soort van verwerkingsmachine, dan
wel om een instantie die een rechtvaardige justitie dient te genereren? In feite gaat
de studiedag van vandaag in grote mate hierover. Kwaliteit komt voor kwantiteit.
* * *
Ik wens niet vooruit te lopen op de interessante bijdragen uit de bundel, maar enkel
de toon te zetten bij het beschouwen van Het moraliteitsverslag in assisenzaken.
Laat me in kort bestek vier grote debatten aanraken, die doorheen deze bijdragen
geweven zijn :
(1) Een eerste groot thema is dat van Schuld en Boete. Hier gaat het om de vraag
van de finaliteit van het moraliteitsverslag. Opvallend is dat in de diverse bijdragen uit
diverse registers wordt geput, waarin overigens telkens een dualiteit valt vast te
stellen: gaat het om de gepleegde feiten, of gaat het om de mens? Gaat het om de
schuld of de verantwoordelijkheid? Gaat het om het verleden of om de toekomst?
Gaat het om de straf of om de resocialisatiemogelijkheden? Gaat het om de
toerekeningsvatbaarheid of om integratie? Gaat het om de waarheidsvinding, dan
wel om een ondersteuning hierbij? Het is onze overtuiging dat deze vragen slechts
een duidelijk antwoord kunnen krijgen wanneer de uiteindelijke doelstelling van het
moraliteitsverslag scherper wordt gesteld. We stellen de vraag…
(2) Het tweede grote thema betreft het kerntakendebat. Het gaat over de vraag wie
het opmaken van een moraliteitsverslag tot zijn essentiële taak hoort te rekenen. Is
Blz. 3
3
het een fundamentele taak van de politie, zoals in ons land, of is het eerder een taak
die weggelegd is voor gedragswetenschappers, zoals in Nederland? Bij dit debat
gaat het niet enkel om de kostprijs, wellicht in mindere mate, maar in de eerste plaats
om de vraag wie er het best geplaatst is om een dergelijke opdracht met kennis van
zaken te kunnen realiseren. Mocht men het erover eens zijn dat het een politietaak
is, dringt zich een andere vraag op: is het een taak van de lokale, dan wel van de
federale politie? Speelt ook hier de wet van de communicerende vaten? We stellen
de vraag…
(3) Iedereen is het erover eens dat de kwaliteit van de moraliteitsverslagen een
eerste vereiste is. Sommigen zijn van oordeel dat de kwaliteit van de huidige
verslagen over het algemeen goed is, anderen vinden van niet. Wellicht houdt dit
verband met de vraag wie de uiteindelijke gebruiker is van het moraliteitsverslag. Is
het de magistraat, de zetelende rechter, het openbaar ministerie? Of is het de
advocaat van de verdediging die er het eerste gebruik van heeft? Of nog, is het de
psychiatrisch deskundige, die zich veelal steunt op het moraliteitsverslag bij het
opmaken van zijn expertise? Of moet de redacteur van het moraliteitsverslag gezien
worden als een gedragswetenschapper, met een eigen onafhankelijke positie? We
stellen de vraag…
(4) Een belangrijke vierde debat houdt verband met de methodiek die gehanteerd
dient te worden bij het opmaken van het moraliteitsverslag. Gaat het om een
multidisciplinaire benadering vanuit een gedragswetenschappelijke setting, waarin
participerende observatie centraal dient te staan? Of moet het blijven bij de eerder
bredere aanpak die voorgestaan wordt door politiemensen, die het moraliteitsverslag
een plaats geven in de opsporings- en ophelderingsactiviteit, in de zoektocht naar de
waarheid? Moet het moraliteitsverslag zo omstandig blijven als het vandaag is, of kan
het beknopter? Ook dat is een wezenlijke vraag, die raakt aan het vraagstuk van de
methodiek. We stellen de vraag…
Deze publicatie kwam er onder impuls van hoofdcommissaris Marc BOCKSTAELE,
die in het verleden al bij herhaling de motor heeft laten aanslaan voor
belangwekkende discussies in het politiële en justitiële midden. Opnieuw heeft hij
ongetwijfeld een erg interessant en relevant thema naar voor weten te halen. Het
Centrum voor Politiestudies is dan ook erg blij met de betoonde interesse op het
colloquium dat achter de rug ligt. We zijn ervan overtuigd dat deze publicatie de
maatschappelijke discussie omtrent het belangwekkende thema van Het
moraliteitsverslag in assisenzaken verder zal verdiepen en als een goede gids deze
discussie verder kunnen stofferen en verdiepen.
* * *
De eerste bijdrage is van Martin MINNAERT, raadsheer bij het hof van beroep te
Gent. In 1981 studeerde hij af als licentiaat in de rechten aan de Rijksuniversiteit te
Gent. Hij werd in 1987 substituut procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste
Aanleg te Gent, waar hij sinds 1990 tot rechter werd benoemd en van 1991 tot 1999
het ambt van onderzoeksrechter waarnam. Hij is sinds 1999 raadsheer in het Hof van
Beroep te Gent. De Heer Minnaert heeft het in zijn bijdrage over Individualiseren en
personaliseren: historiek, finaliteit en belang van het moraliteitsonderzoek in
assisenzaken. Hij besteedt aandacht aan de historische en filosofische achtergrond
waartegen bepaalde ideeën mbt. het persoonlijkheidsonderzoek in de
Blz. 4
4
strafrechtspleging ingang vond. Verder gaat hij in op het hetgeen genoemd wordt het
‘persoonlijkheidsdossier’ aan de hand van de rechtsleer. De auteur besluit met het
afbakenen van het doel en het belang van het moraliteitsonderzoek in assisenzaken.
Criminoloog Marc BOCKSTAELE is Hoofdcommissaris bij de GDA te Gent. In 1971
ging in dienst bij de toenmalige gerechtelijke politie, eerst als inspecteur en sedert
1978 als officier. Hij was operationeel voornamelijk betrokken bij onderzoeken in
moordzaken, voerde zelf tientallen moraliteitsonderzoeken en gaf leiding in tientallen
andere. Sedert 1986 is hij lesgever aan de toenmalige School voor Criminologie en
Criminalistiek, thans de Nationale Rechercheschool, voor de vakken “Stellen van
processen-verbaal” en "Techniek van het politie-onderzoek”. Hij is eveneens
initiatiefnemer en organisator van de 10-daagse cursus rechercheverhoortechnieken
en videoverhoor van volwassenen aan de Nationale Rechercheschool. Momenteel
bereidt hij, samen met substituut procureur-generaal COTTYN en de directie van de
Oost-Vlaamse Politie-academie, een opleiding voor inzake het opstellen van
moraliteitsverslagen en het afleggen van getuigenis voor het hof van assisen. De
Heer Bockstaele heeft het in zijn bijdrage over het Verhoren van moraliteitsgetuigen
en de verslaglegging ervan. Hij heeft het in essentie over het feit dat de perceptie
van ieder van ons gekleurd is door subjectieve elementen. Niettemin wordt van een
verbalisant verwacht dat hij op een zorgvuldige en objectieve wijze verslag doet van
een gebeurtenis. Hierbij is ondermeer een correcte en begrijpelijke woordkeuze van
belang. Deze problematiek weegt op specifieke wijze door bij het verhoor van
moraliteitsgetuigen, waardoor dit verhoor in vele opzichten verschilt van de
traditionele slachtoffer-, getuigen- en verdachtenverhoren.
Hans HELLEBUYCK is gerechtspsychiater te Ieper. In 1987 studeerde hij af in de
genees-, heel- en verloskunde aan de UG, om in 1992 zijn erkenning in de
psychiatrie te bekomen. Sinds 1992 is hij als psychiater werkzaam in het Psychiatrisch
Ziekenhuis H. Hart te Ieper. Later werd hij ook werkzaam in de gevangenis te Ieper. De
Heer Hellebuyck houdt zich vooral bezig met klinisch werk in de psychiatrie enerzijds,
en met forensische psychiatrie. In het kader van deze laatste activiteit voert hij
regelmatig psychiatrisch deskundig onderzoek uit voor parketten, onderzoeksrechters
en rechtbanken (tot op heden in een twintigtal assisenzaken). De Heer Hellebuyck
genoot een aanvullende opleiding inzake forensische psychiatrie aan de Katholieke
Universiteit te Nijmegen, tevens een Postacademische opleiding voor gerechtelijk
experts. Hij is geaccrediteerd door het ministerie van Justitie voor het gespecialiseerd
opvolgen van daders van misdrijven van seksuele aard. Tevens is hij bevoegd om
beschermingsmaatregelen te nemen in het kader van de wetgeving op de bescherming
van de persoon van de geesteszieke. De auteur heeft het over De aangestelde
deskundige-psychiater en het moraliteitsonderzoek. Hij heeft het over de
moeilijkheidsgraad van predictieonderzoek, waarbij gepoogd wordt een uitspraak te
doen omtrent crimineel of gewelddadig gedrag in de toekomst. Hoewel het aanbod
van gestandaardiseerde instrumenten tbv. risicotaxatie vooralsnog schaars is, werd
op dit vlak niettemin vooruitgang geboekt. Hij argumenteert dat voor een grondige en
systematische risicotaxatie het nodig is informatie uit diverse bronnen te hanteren.
Tom BALTHAZAR is docent gezondheidsrecht aan de UG, en tevens advocaat. Hij is
verbonden aan dezelfde vakgroep als ikzelf, met name de Vakgroep Strafrecht en
Criminologie van de UG. Tom Balthazar heeft het in zijn bijdrage over
Beroepsgeheim en moraliteitsonderzoek. Relevante informatie voor de beoordeling
Blz. 5
5
van een beschuldigde is dikwijls aanwezig bij houders van een beroepsgeheim, zoals
geneesheren, OCMW-personeel en medewerkers aan de jeugdbescherming. Is het
al dan niet mogelijk deze informatie te verwerken in moraliteitsverslagen? Het is op
dit soort van deontologische vraag dat de auteur een antwoord tracht te formuleren.
Meester Piet VAN EECKHAUT voorstellen lijkt wat overbodig? Hij is sinds 1964 als
advocaat verbonden aan de Gentse balie. Weinigen weten dat meester Van
Eeckhaut ook zijn licentie haalde in de wijsbegeerte. Hij is oud stafhouder van de
orde der advocaten te Gent, voorzitter van de provincieraad van Oost-Vlaanderen
sedert oktober 1994, Schepen van de stad Gent (in het bijzonder belast met het
openbaar onderwijs en het toerisme). Hij publiceerde diverse artikelen over diverste
juridische en politieke kwestie. De Heer Van Eeckhaut heeft als advocaat vooral heel
veel ervaring met assisenzaken. Hij heeft het over Wat betekent een
moraliteitsonderzoek voor de verdediging? In zijn bijdrage onderlijnt hij het belang
voor de verdediging. Hij legt er ondermeer de nadruk op dat moraliteitsverslagen in
het verleden meer dan eens gekleurd waren en eenzijdig, terwijl daarin vandaag de
dag een positieve evolutie is te merken. De auteur benadrukt het belang van
moraliteitsgetuigen, omdat zij zich minder dan andere getuigen situeren in het één of
andere kamp, van dader of van slachtoffer. Het is voor de hand liggend dat meester
Van Eeckhaut op dit thema zal ingaan door de rol van de advocaat verder te
schetsen in relatie tot het moraliteitsverslag.
Ine VAN PRAET is Strategisch adviseur criminaliteit en veiligheid bij de regiopolitie
van Zeeland. Zij is licentiate in de criminologische Wetenschappen met
afstudeerrichting forensische psychiatrie, waarin ze afstudeerde aan de KULeuven.
Tevens was zij werkzaam als onderzoekster in het Pieter Baan Centrum, de
Psychiatrische Observatiekliniek voor het Gevangeniswezen, in Utrecht.
Achtereenvolgens was zij eveneens werkzaam als Strategisch criminaliteitsanalist,
Senior Beleidsmedewerker en Strategisch Adviseur Criminaliteit en Veiligheid. Ook is
zij bezig met allerhande (nieuwe) gedragskundige aspecten van politiewerk, zoals
nieuwe inzichten ten aanzien van verhoor, verhoorcoaching, gedragsanalyse in
recherche onderzoeken, etc. In haar bijdrage heeft zijn het over Hoe worden
moraliteitsverslagen in Nederland uitgevoerd? In haar bijdrage zal ze kort ingaan op
de ontwikkelingen en de context van het Nederlandse strafrecht. Doorheen een korte
historische situering benadrukt zij het ontstaan van het Pieter Baan Centrum. In een
verder onderdeel van haar bijdrage beschrijft zij de diverse mogelijkheden tot
rapportage, zowel de individuele diagnostiek als het multi-disciplinair onderzoek. Ook
staat zij stil bij de methode van participerende observatie, om te besluiten met
vermelding van de overleg- en beslissingsmomenten tijdens het onderzoek.
Marcel VERBELEN is Advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel. Hij
behaalde het diploma licentiaat in de rechten aan de Vrije Universiteit te Brussel in
1974. Vanaf datzelfde jaar werd hij als advocaat actie te Dendermonde, later aan de
balie te Brussel. In 1978 werd hij gerechtelijk stagiair bij het parket, om datzelfde jaar
aangesteld te worden als substituut-procureur te Leuven. In ’99 werd de Heer
Verbelen aangesteld als substituut-procureur-generaal bij het Hof van Beroep te
Brussel, en oefent hij het ambt uit van advocaat-generaal bij het Parket-generaal in
het Hof van Beroep te Brussel. Tot op heden vorderde hij in 28 assisenzaken. De
auteur heeft het over Deskundigen als uitvoerders van het moraliteitsonderzoek : een
alternatief? Hij gaat in op ervaringen die men in bepaalde resorten heeft met het
Blz. 6
6
opstellen van moraliteitsverslagen door niet-politiemensen. De vraag die ondermeer
rijst is of een niet-politieman een moraliteitsverslag al dan niet kan opstellen zonder
kennis te hebben van de gepleegde feiten. Verder zal hij enkele beschouwingen
wijden aan specifieke aspecten als de kosten verbonden aan het moraliteitsverslag,
de vraag naar de deskundigheid, maar evenzeer naar de objectiviteit.
Hedwig VAN DER VELDEN is als Hoofdinspecteur verbonden aan de GDA te
Antwerpen. Zij trad in ’76 in dienst bij de vroegere jeugdpolitie, die later
geïncorporeerd werd bij de gerechtelijke politie. Sedert 2000 behoort zij tot de
moordafdeling, waar zij instaat voor de moraliteitsonderzoeken in het kader van
moordzaken bij de GDA-Antwerpen. Zij studeerde af als licentiate in de Oosterse
Filologie en is tevens beëdigd tolk arabisch bij de rechtbank van eerste aanleg en het
hof van beroep te Antwerpen. Haar speciale interesse gaat uit naar “de mens” in al
zijn aspecten: daders, slachtoffers, minderjarigen, vreemdelingen, andere culturen,
edm. Alle aspecten die ten volle aan bod komen ter gelegenheid van
moraliteitsonderzoeken. Mevr. Van der Velden gaat in haar bijdrage in op Kunnen
moraliteitsverslagen beknopter? Zij staat stil bij het feit dat diverse instanties
typeschema’s hebben opgesteld voor de te behandelen rubrieken in
moraliteitsverslagen. Ter zake bestaat echter geen uniformiteit, ook niet voor het
bevelen van een opdracht voor het opstellen van een moraliteitsverslag.
Moraliteitsverslagen zouden dikwijls te uitgebreid zijn, maar kunnen ze wel
beknopter?
Thomas LAMIROY is momenteel verbonden aan het federaal parket. In die
hoedanigheid treedt hij op als toezichtsmagistraat op de werking van de federale
politie. In het recente verleden was de Heer Lamiroy verbonden aan het kabinet van
de voormalige minister van Justitie Verwilghen. In zijn huidige en vroegere
hoedanigheid hebben we elkaar bij herhaling ontmoet in het kader van diverse
werkgroepen en samenwerkingsverbanden ifv. de politiehervorming. De Heer
Lamiroy is iemand die een belangrijke bijdrage leverde aan de uitbouw van een
efficiëntere, effectievere en democratischer politie. Hij zal trachten in zijn bijdrage een
antwoord te formuleren op de vraag Moraliteitsonderzoek : een karwei voor de
federale en/of de lokale politie? De auteur zal de rol van de politie toelichten bij het
opstellen van moraliteitsverslagen in assisenzaken. In eerste instantie ór de
politiehervorming, en vervolgens in het licht van de taakverdeling tussen de federale
en lokale politie na de hervorming. Eén en ander zal geïllustreerd worden aan de
hand van een beknopte bevraging van de federale politie en van een
vertegenwoordiging van de lokale politie.
Jean-Luc COTTYN is subtituut procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent. Hij
studeerde in ’80 af als jurist aan de UG, werd advocaat aan de balie van Brugge en
volgde daarna aan de UIA de School voor Comparatieve Filosofie. In ’85 werd hij
aangesteld als substituut-Procureur des Konings te Brugge, om in 2000 Substituut-
Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Gent te worden. Hij volgt binnen het
Hof van Beroep van Gent de assisenzaken op. Hij was betrokken bij de
managementsopleiding van Magistraten, georganiseerd door het Ministerie van
Justitie. De Heer Cottyn gaat in zijn bijdrage in op Het Openbaar Ministerie en het
moraliteitsonderzoek. De auteur onderstreept het belang en de noodzaak van het
moraliteitsonderzoek. Het moet erop gericht zijn de taak van de deskundige-
psychiater te vergemakkelijken. Nochtans mag men niet in de val trappen meer
Blz. 7
7
belang aan dit verslag te gaan hechten dan aan de feiten zelf. Hij houdt dan ook een
pleidooi om de moraliteitsverhoren te rationaliseren. Ook benadrukt hij de keuze van
de politieofficier die belast wordt met het uitvoeren van het moraliteitsonderzoek.
Prof dr. Paul Ponsaers
Voorzitter Centrum voor Politiestudies vzw
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.