ChapterPDF Available

Ponsaers, P. (2005). “De weerstand van de praktijk en de paradox van lokale Integrale Veiligheidszorg”, in Integraal Veiligheidsbeleid 2005, Ponsaers, P. (ed.), Mechelen: Kluwer, 7-12.

Authors:

Abstract

De weerstand van de praktijk en de paradox van lokale Integrale Veiligheidszorg Paul Ponsaers Hoogleraar Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Strafrecht en Criminologie, Directeur Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse Het is toch merkwaardig … Hoe een beleidsconcept dat begin de jaren negentig in Nederland is ontwikkeld nu pas, anno 2005, de geesten van beleidsmakers beroert in ons land. Het begrip integrale veiligheid (IV) werd ten tijde van voormalig minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback al geadopteerd en gepropageerd, echter-toen-zonder al te veel succes. Intussen zijn we zo'n vijftiental jaar later en is het in (veilig-heids-)beleidskringen een hot item. Het lijkt erop dat Integrale Veiligheid als officieel veiligheidsbeleidsconcept furore maakt, alsof het gloednieuw is. Ik denk altijd maar: het collectief geheugen is toch echt wel van bij-zonder korte duur. Maar goed, de geesten zullen er begin jaren negentig niet rijp voor geweest zijn, wellicht is dat intussen geëvolueerd. Of vergis ik me? Ik denk dat ik me inderdaad vergis. Niet zozeer de geesten zijn gerijpt, wel is het volle besef gegroeid dat politie alléén onmogelijk een veilige samenleving kan garanderen, en dat samen hiervoor instaan aan de ande-re kant een bijzonder moeilijke opdracht is in de praktijk. De weerstand van de praktijkervaring is met andere woorden door de tijd heen voelbaar geworden. De paradox van het veiligheidsdenken in zijn volle glorie, als het ware. Traditioneel stond de politie, als zowat de exclusieve instantie, in voor de handhaving van de veiligheid in onze gemeenschap. De politie over-kwam intussen een wel erg ingrijpende hervorming. Het moest anders en beter. Niemand had het verwacht, maar het werd ook … duurder. De verwachtingen waren hooggespannen en plotseling werd het 'bon ton' om staande te houden dat de politie niet bij machte was als exclusieve instantie de veiligheid te garanderen. Partnership werd een van de cen-trale slogans. Of het nu was in het kader van de nieuwe politievisie, Community (Oriented) Policing, dan wel in het raam van de Integrale
p. 1/4
De weerstand van de praktijk
en de paradox van lokale Integrale
Veiligheidszorg
Paul Ponsaers
Hoogleraar Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep
Strafrecht en Criminologie, Directeur Onderzoeksgroep Sociale
Veiligheidsanalyse
Het is toch merkwaardig … Hoe een beleidsconcept dat begin de jaren
negentig in Nederland is ontwikkeld nu pas, anno 2005, de geesten van
beleidsmakers beroert in ons land. Het begrip integrale veiligheid (IV)
werd ten tijde van voormalig minister van Binnenlandse Zaken Louis
Tobback al geadopteerd en gepropageerd, echter toen zonder al te
veel succes. Intussen zijn we zo’n vijftiental jaar later en is het in (veilig-
heids-)beleidskringen een hot item. Het lijkt erop dat Integrale Veiligheid
als officieel veiligheidsbeleidsconcept furore maakt, alsof het gloednieuw
is. Ik denk altijd maar: het collectief geheugen is toch echt wel van bij-
zonder korte duur. Maar goed, de geesten zullen er begin jaren negentig
niet rijp voor geweest zijn, wellicht is dat intussen geëvolueerd. Of vergis
ik me?
Ik denk dat ik me inderdaad vergis. Niet zozeer de geesten zijn gerijpt,
wel is het volle besef gegroeid dat politie alléén onmogelijk een veilige
samenleving kan garanderen, en dat samen hiervoor instaan aan de ande-
re kant een bijzonder moeilijke opdracht is in de praktijk. De weerstand
van de praktijkervaring is met andere woorden door de tijd heen voelbaar
geworden. De paradox van het veiligheidsdenken in zijn volle glorie, als
het ware.
Traditioneel stond de politie, als zowat de exclusieve instantie, in voor de
handhaving van de veiligheid in onze gemeenschap. De politie over-
kwam intussen een wel erg ingrijpende hervorming. Het moest anders en
beter. Niemand had het verwacht, maar het werd ook … duurder. De
verwachtingen waren hooggespannen en plotseling werd het ‘bon ton’
om staande te houden dat de politie niet bij machte was als exclusieve
instantie de veiligheid te garanderen. Partnership werd een van de cen-
trale slogans. Of het nu was in het kader van de nieuwe politievisie,
Community (Oriented) Policing, dan wel in het raam van de Integrale
p. 2/4
Veiligheidszorg, steeds weer werd de burger voorgehouden dat het een
illusie was te geloven dat enkel de politie op eigen kracht criminali-
teit en onveiligheid uit de wereld kon bannen. Op sommige ogenblikken
leek de politie een welgekomen alibi gevonden te hebben om de dure
hervorming te verteren en te herkauwen dankzij het concept Integrale
Veiligheidszorg. Waarom toch werd dit argument niet vóór de hervor-
ming met zoveel klem verdedigd? Het concept IV was toen reeds voor-
radig. Misschien was de hervorming minder onvermijdelijk geweest
Als we dát bij voorbaat geweten hadden …
Er is niet enkel dat. Het besef is tevens gegroeid dat het allemaal veel
moeilijker is dan oorspronkelijk gedacht. Buurten blijken niet langer de
idyllische, cohesieve gemeenschappen (‘communities) te zijn uit een
nostalgisch, ver verleden. Vraag is maar of ze dat ooit geweest zijn en of
we ons daar niet schromelijk op verkijken. Er blijkt eerder strijd dan con-
sensus te bestaan, ook en vooral omtrent het te voeren veiligheidsbe-
leid. Wat de een als een onveiligheidsprobleem ervaart, noemt de ander
zijn vrijheid van handelen. Moeilijk, heel moeilijk … Gemeenschappen
blijken niet zo homogeen te zijn als oorspronkelijk gedacht, en het is
vooral in de gemengde, heterogene gemeenschappen dat er strijd woedt
omtrent het te voeren veiligheidsbeleid. Hoe in een dergelijke situatie een
‘integraal’ beleid voeren? De aarzeling is groot.
Komt daarbovenop dat sommigen van mening zijn dat het niet opgaat
een veiligheidsbeleid te voeren dat zowat alle beleidsdomeinen (huisves-
ting, onderwijs, werkgelegenheid, welzijn, enz.) als het ware ‘annexeert’.
Is het echt nodig de sociale huisvesting op het veiligheidsvraagstuk te
richten? Gaat het niet eerder om een grondrecht, dat vooral moet voor-
zien in een degelijke huisvesting? We gaan ons woonbeleid toch niet af-
stemmen op het veiligheidsvraagstuk zeker? Dit geldt mutatis mutandis
voor allerlei beleidsdomeinen, zoals onderwijs, ruimtelijke ordening enz.
Het gaat veeleer om een facetbeleid, zo vindt men dan. Een algemeen
beleid dat gevoerd moet worden op lokaal niveau, waarin allerhande be-
leidsdomeinen hun plaats moeten vinden, en waarin het veiligheids-
vraagstuk een (klein?) facet is. Men vindt: geen veiligheidsraden, maar
wel seniorenraden, jeugdraden, cultuurraden, leefmilieuraden, enz.,
waarbinnen te gelegener tijd ook eens gepraat kan worden over het bij-
komend probleem van de veiligheid. Het gaat niet om een aparte niche,
maar om een onderdeeltje van allerhande, veel belangrijker, probleem-
en beleidsdomeinen.
Kortom: de plaats van een IV-beleid, zeker op lokaal niveau, staat ter
discussie en vormt een belangrijke inzet. We weten het allemaal niet zo
zeker, en niettemin moet er iets gedaan worden aan het onveiligheids-
vraagstuk, al weze het maar omdat er zoveel burgers het tot hun dagelijk-
se gewoonte hebben gemaakt hierover ‘te klagen en te zagen’. Onveilig-
heid houdt immers terecht of onterecht de mensen gaande. Soms lijkt
het er wel op dat de calimero’s (“ik ben klein en jij bent groot, en dat is
p. 3/4
niet eerlijk”) de beleidsagenda in grote mate bepalen en dat beleidsmen-
sen onmogelijk aan deze diabolische logica kunnen ontkomen. Getuige
hiervan is de overlastdiscussie die momenteel wel erg hoge toppen
scheert. Integrale Veiligheid is iets waaraan we niet ontsnappen, of we
dat nu graag willen of niet.
Dat is de reden waarom we gemeend hebben dit thema aan de orde van
de dag te moeten stellen dankzij de publicatie van een Jaarboek Integrale
Veiligheid. Het jaarboek wil een vraagbaak zijn omtrent dit thema, met
reflexieve, informatieve en praktische bijdragen, met kritische noten en
enthousiaste getuigenissen. Het jaarboek moet de discussie en verdieping
inzake Integrale Veiligheid reflecteren en ondersteunen, becommentari-
eren en documenteren. Het moet een levendige getuige worden van een
levend debat.
De lezer houdt het eerste jaarboek in handen, en we zijn er trots op. Het
boek is opgedeeld in vier hoofdthema’s.
Een eerste onderdeel bevat het juridisch en functioneel kader voor IV. In
dit onderdeel komen de belangrijkste regelgevende teksten ter sprake die
het IV-beleid vormgeven. In deze eerste editie hebben we er de voorkeur
aan gegeven om toch even over het muurtje te kijken en de Nederlandse
importeur van het gedachtegoed, bij monde van Frits Vlek, aan het
woord te laten. Hij kijkt terug op de afgelopen tien jaar IV in Nederland
en maakt een beklijvende stand van zaken op, gelardeerd met een hele
reeks praktijkvoorbeelden.
In een tweede bijdrage in dit onderdeel komen Diane Reynders en Elke
Devroe aan het woord. Zij hielden mee de pen vast bij de samenstelling
van de Kadernota Integrale Veiligheid, de bijbel inzake IV op dit ogen-
blik in ons land, en wijzen nuttige vindplaatsen van beleidsondersteu-
nende informatie aan.
Herwig Reynaert en Kristof Steyvers zetten zich op een politicologisch
standpunt wanneer zij het lokaal veiligheidsbeleid met een kritische bril
doorlichten, en stellen de vraag naar het evenwicht tussen efficiëntie en
democratie in het lokaal IV-beleid.
Als politiefunctionaris sluit Frank Mulleners dit onderdeel af. Hij be-
commentarieert het lokale beleidsniveau dat volgens hem sterk onder
druk is komen te staan naar aanleiding van de politiehervorming én de
introductie van het IV-beleid.
Een tweede onderdeel van het jaarboek bevat bijdragen over het cijfer-
matig werken aan een IV-beleid. Sofie De Kimpe opent met een schets
van de beleidscyclus die doorlopen moet worden bij een dergelijk beleid.
Loopt het vierkant? Zij staat stil bij de bestuurskundige literatuur die
momenteel ter zake beschikbaar is en stelt de vraag naar de meetbaarheid
ervan.
Katrien Van Altert gaat dieper in op de in ons land beschikbare meetsys-
temen, die aangewend kunnen worden in het kader van een IV-beleid.
p. 4/4
Geen beleid zonder beleidsondersteunende informatie, maar hoe deze te
genereren? Hoe betrouwbaar is het beschikbare cijfermateriaal? Waar
kunnen we de mosterd halen?
Is de veelgeprezen oplossing van een Balanced Score Card (BSC) de
mirakeloplossing? Roger Van de Sompel gaat op dit vraagstuk (BSC)
door aan de hand van het voorbeeld van het veiligheidsbeleid in de Gent-
se Zeehaven. Het voorbeeld biedt ongetwijfeld aan menig beleidsmaker
in het IV-domein houvast en inspratie.
Het derde onderdeel van dit jaarboek stelt een aantal belangrijke actoren
en partners uit het IV-beleid voor. Het deel opent met een bijdrage van de
hand van Jack van Peer, korpschef van de lokale politie in Sint-Niklaas,
die op een erg gedreven en persoonlijke manier zijn ervaringen ter zake
met de lezer deelt.
In een verdere bijdrage komt Procureur des Konings Bart Van Lijsebeth,
van het Antwerpse parket, aan de beurt. Vanuit zijn praktijkervaring
schetst hij een duidelijk beeld van de diverse actoren en fora in het do-
mein van het IV-beleid.
Het is opvallend hoeveel nieuwe zaken intussen gegroeid zijn op toch
wel erg korte termijn. Luc Baetens, arrondissementscommissaris, schets
op zijn erg eigen en sereen-kritische wijze het belang en de plaats van de
diverse actoren op het intermediaire beleidsniveau.
Twee afsluitende bijdragen gaan door op de plaats en de positie van twee
bijzondere partners in het IV-beleid. Op de eerste plaats hebben Marc
Van de Plas, Miet Vanderhallen, Geert Vervaeke en Liesbeth Wyseur
het over de plaats van de hulpverlening in een IV-beleid, en snijden zij
de meest klemmende pijnpunten hierbij aan. Verder wordt afgesloten
met een bijdrage van de hand van Luc Moerkerke en Wim Verhelst, die
de toch wel moeilijke positie schetsen van het straathoekwerk ten aan-
zien van IV. Het is geen eensluidend pleidooi voor een nauwe samen-
werking geworden, hoewel de auteurs wel enige openingen laten.
Moeilijk, IV-beleid is moeilijk, we zeiden het al voorheen.
Het vierde onderdeel gaat in op Best Practices van IV. In deze editie
nemen we een uitvoerig draaiboek op dat is samengesteld door Onder-
zoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse van de Gentse Universiteit naar
aanleiding van een onderzoek te Antwerpen inzake IV-beleid. Het
draaiboek doorloopt de diverse fasen (screening, analyse, respons en
assessment) van een beleidscyclus en biedt een schat aan bruikbare
voorbeelden en informatie.
Rest ons nog de lezer een aangename zoektocht te wensen door de eer-
ste editie van dit Jaarboek Integrale Veiligheid.
Gent, 7 mei 2005
Paul Ponsaers
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.