ChapterPDF Available

Ponsaers, P. , Verhage, A. (2006). “Instroom en doorstroom van pv’s op het niveau van het parket”, in Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België – Handboek Criminografische Basisinformatie, Devroe, E., Beyens, K., Enhus, E. (eds.), Brussel: VUBPress, Reeks Criminologische Studies, 381-408.

Authors:
1
Instroom en doorstroom van pv’s op het niveau van het parket
Paul Ponsaers & Antoinette Verhage
1
1. Inleiding
Het parket staat in het brandpunt van de belangstelling. Vooral de samenwerking tussen politie en
parket maakt het voorwerp uit van heel wat discussie, meer precies daar waar het gaat om het
realiseren van beleidsprioriteiten. We leven in een tijd van planmatige politie- en justitiële zorg,
waarin prioriteitstelling centraal staat (PONSAERS & ENHUS, 2000, : 1-108; PONSAERS & ENHUS, 2001
: 1-127). Vooral in de totstandkoming van de lokale veiligheidsplannen komt dit sterk tot uiting
(PONSAERS, 2001 : 103-118; PONSAERS, 2001 : 61-86), en dan -meer nadrukkelijk nog- in de
prioriteiten die hierin gesteld worden (DEVROE & PONSAERS, 2001 : 13-30). De indruk overheerst
echter dat het parket niet in de mogelijkheid is de gerechtelijke instroom te verwerken en
moeilijkheden heeft om richting te geven in functie van deze prioriteiten. Achterliggende vraag in deze
bijdrage is dan ook, in welke mate het openbaar ministerie al dan niet verzadigd is, en welke middelen
haar ter beschikking staan om beleidsprioriteiten te realiseren?
Om een antwoord te geven op deze vraag wordt in deze bijdrage gepoogd een synthese te maken van
diverse empirische onderzoeken die door de Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse gedurende
afgelopen jaren op dit domein werden verricht. Zo werd -op de eerste plaats- gebruik gemaakt van de
onderzoeksresultaten in het kader van een onderzoek dat sinds enkele jaren loopt omtrent de uitbouw
van een Meet- en Opvolgingssysteem voor de Integrale Veiligheid, in opdracht van de ministers van
Justitie en Binnenlandse Zaken (VAN ALTERT ET AL, 2003 : 1-304)
2
. Het gaat om een eerder
conceptuele studie, die het mogelijk moet maken de diverse beslissingsmomenten in de
strafrechtsbedeling zichtbaar te maken.
Tevens werd een beroep gedaan op een studie, gefinancierd door de FOD Justitie, die intussen door de
onderzoeksgroep werd afgewerkt met betrekking tot de exploitatiemogelijkheden van politiële en
1
Resp. hoofddocent Criminologie en Rechtssociologie, Vakgroep Strafrecht en Criminologie, Directeur
Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse, en vorser Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse,
Universiteit Gent. Voor een meer exhaustieve bijdrage, zie : PONSAERS, P., VERHAGE, A., « Empirische
studies naar de verzadiging van het Openbaar Ministerie - Instroom en doorstroom van P.V.’s op het niveau van
het parket », in : Het strafrechtssysteem in de Laatmoderniteit, BALTHAZAR, T., CHRISTIAENS, J., COOLS,
M., DECORTE, T., DE RUYVER, B., HEBBERECHT, P., PONSAERS, P., SNACKEN, S., TRAEST, Ph.,
VANDER BEKEN, T., VERMEULEN, G. (eds.), Reeks Update in de Criminologie, nr. 2, Vakgroep Strafrecht
& Criminologie, Kluwer, Mechelen, 2004, pp. 27-54.
2
Dit onderzoek wordt momenteel verder gevoerd door de Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse. Voor
een tweede rapport in dit verband mbt. de jeugdbeschermingsketen, zie : VANDEVOORDE et al, 2004.
2
justitiële databanken. Een eerste, meer methodologisch gerichte studie inzake ‘hotspot-analyse’ en
‘geografische profilering, werd intussen ter zake gepubliceerd (GOEMINNE ET AL, 2003 : 1-112). Dit
onderzoek leverde verdere resultaten op, waarvan de eerste bevindingen in deze bijdrage werden
verwerkt, en waarvan het in de intentie ligt in de nabije toekomst uitgebreider verslag te doen. Het gaat
om resultaten op het niveau van één grote Vlaamse politiezone. Vooral de mogelijkheid om politiële
en justitiële data op het niveau van ‘het feit’ te analyseren (en niet op het niveau van processen-verbaal
of gerechtelijke dossiers) zijn ons inziens van uitzonderlijk belang. We komen hier in navolgende tekst
op terug.
Verder werd gebruik gemaakt van onderzoeksresultaten naar de praktijk van de zogenaamde
‘Autonome Politionele Afhandeling’ (APA), op het niveau van de parketafhandeling, in opdracht van
de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid’. Dit onderzoek is intussen
afgerond en de onderzoeksresultaten zijn beschikbaar (PONSAERS ET AL, 2003 : 1-333). In navolgende
tekst zal uitvoerig ingegaan worden op de betekenis van deze praktijk. Voorlopig kunnen we hier
volstaan met te stellen dat het gaat om een praktijk die erop gericht is de administratieve overlast op
parketniveau te beperken.
In laatste instantie werd deze bijdrage gebaseerd op de resultaten van een onderzoek, opnieuw in
opdracht van de ‘Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid’, naar de
verbaliseringspraktijk van bijzondere inspectiediensten in België (PONSAERS ET AL, 2003 : 1-271).
Niet enkel politiediensten verbaliseren immers ten behoeve van het parket, maar dat doen evenzeer
deze bijzondere inspectiediensten. Ook dit onderzoek is afgerond en de resultaten ervan zijn
beschikbaar. Intussen werden verdere resultaten gepubliceerd in diverse bijdragen (PONSAERS, DE
KEULENAER, 2003 : 250-265; DE BAETS ET AL., 2003 : 1-236).
2. Selectie en instroom in de strafrechtsbedeling
Het strafrechtsbedelingsapparaat kan gezien worden als een gelaagde piramide, waar op elk niveau
(politie, parket, straftoemeting en
strafuitvoering) een bepaald
volume aan geverbaliseerde feiten
in- en doorstromen. Er treedt met
andere woorden selectie op, en de
vraag in welke richting en in welke
mate deze selectie zich voordoet
dringt zich dan ook nadrukkelijk
op. Deze bijdrage beperkt zich tot de twee eerste lagen van de piramide, met name deze van de politie
Selectie
Politie
Pa rket
Straftoem eting
Strafuitvoe ring
Politie
Pa rket
Straftoem eting
Strafuitvoe ring
Instroom
3
en van het parket. We laten de straftoemeting en de strafuitvoering in dit bestek buiten beschouwing.
Ondanks het belang van het thema van de horizontale integratie, dient benadrukt dat de primaire
interesse in deze bijdrage ligt in de verticale integratie tussen politie en parket.
Het is immers zo dat politiedata -vanuit statistisch oogpunt- beschikbaar zijn op het niveau van de
eenvoudige feitcodes, met andere woorden: een politiestatistiek wordt courant samengesteld op basis
van het aantal feiten die in processen-verbaal voorkomen. Dat ligt anders op parketniveau. Hier wordt
courant een analyse gemaakt op het niveau van het gerechtelijk dossier (waarin verschillende pv’s
voorkomen, en in die pv’s kunnen diverse feiten voorkomen). Resultaat is dat men meestal met
diverse teleenheden wordt geconfronteerd, en dat een nuttige vergelijking van beide data moeilijk,
zoniet onmogelijk is. In deze syntheseoefening werd een poging gedaan om beide teleenheden
vergelijkbaar te maken, door de data van het parket terug te voeren naar de oorspronkelijke feitcodes
op politieniveau. Het gaat weliswaar om een tijdrovende bezigheid, die we informaticatechnisch
doorvoerden, maar een dergelijke operatie is meer dan de moeite waard, omdat we op deze wijze -voor
het eerst- vergelijkbare resultaten naast elkaar konden leggen.
3. Omtrent parcours in de strafrechtsbedeling
In algemene zin kunnen diverse vormen van instroom op het niveau van het openbaar ministerie
onderscheiden worden.
Zo zijn daar: (1) de processen-verbaal
die door de reguliere politiediensten
overgemaakt worden aan het parket; (2)
de processen-verbaal die door de
bijzondere inspectiediensten naar het
openbaar ministerie verzonden worden,
(3) de pv’s die overgestuurd worden
omwille van technische redenen
vanwege een ander parket, (4) de zaken
die in hoger beroep worden
doorgestuurd vanwege de politierechtbanken, (5) de particuliere klachten die neergelegd worden door
Ho ge r be roep
pol itierechtba nk
Input
PV’s vanwege
an de r park et
Input
Burg eli jke p artij-
stelling voor de O R
Input
Pa rticuliere
kla cht
Input
PV’s reguliere
Politied ie nsten
PV’s bijzondere
insp ectied ien sten
InputInput
Pa rket
Ho ge r be roep
pol itierechtba nk
Input
Ho ge r be roep
pol itierechtba nk
Input
PV’s vanwege
an de r park et
Input
Burg eli jke p artij-
stelling voor de O R
Input
Pa rticuliere
kla cht
Input
Pa rticuliere
kla cht
Input
PV’s reguliere
Politied ie nsten
PV’s bijzondere
insp ectied ien sten
InputInput
Pa rket
Conclusie 1 :
Het is mogelijk de feitcodes op het niveau van de politie te verbinden met de feiten die in dossiers
op parketniveau voorkomen en aldus een nuttige vergelijking te maken tussen beide niveaus van de
strafrechtbedeling.
4
rechtsonderhorigen rechtstreeks bij het parket, en (6) de zaken waarin een onderzoeksrechter
ambtshalve gevat wordt nadat burgerlijke partijstelling werd neergelegd. Deze bijdrage heeft geen
betrekking op de vier laatste modaliteiten, maar behandelt enkel de zaken die ófwel door de reguliere
politiediensten, ófwel door de bijzondere inspectiediensten worden overgemaakt aan het parket onder
de vorm van een proces-verbaal.
3.1 Politiële parcours
Wat deze twee vormen van
instroom betreft, zijn er
verschillende parcours die kunnen
doorgelopen worden. Op de eerste
plaats zijn er de pv’s afkomstig
van reguliere politiediensten.
Deze kunnen drie verschillende
vormen aannemen. De eerste twee
besproken parcours werden recent
ontwikkeld, met het oog op het terugdringen van de administratieve werklast op het niveau van het
parket :
(1) Het kan gaan om zogn. ‘vereenvoudigde processen-verbaal (VPV’s)’. Hier gaat het om strafbaar
gestelde feiten die door de politie werden geregistreerd, doch niet geregistreerd werden als een
klassiek proces-verbaal. Omwille van de aard van het feit (minder ernstig, vaak met onbekende
daders) heeft het parket geoordeeld dat bepaalde typedelicten (vastgelegd in een instructie-lijst)
konden opgenomen worden in een listing. Deze listing met alle gelijkaardig vastgestelde feiten, wordt
dan maandelijks overgemaakt aan het parket, zonder dat afzonderlijke verbalen over al deze feiten
worden verzonden. Het parket zal na ontvangst van de listing besluiten of het al dan niet een of
meerdere pv(’s) uit deze listing zal opvragen in de vorm van een klassiek proces-verbaal. In de
praktijk gebeurt dit laatste zelden, hoewel het nooit uit te sluiten is dat het gebeurt. Voorbeelden van
feiten die als VPV geregistreerd worden zijn: aanplakkingen met onbekende dader, beledigingen en
beschadiging en vernielingen door onbekende dader.
(2) Het kan gaan om zogn. ‘APA-pv’s’ (in sommige arrondissementen ‘APO’ genoemd Ambtshalve
Politioneel Onderzoek). Hier gaat het om soorten van feiten waarvan het parket oordeelt dat er
opnieuw geen klassiek proces-verbaal hoeft opgesteld te worden, maar ook geen ‘vereenvoudigd pv’.
In principe opent de politie een dergelijk dossier op basis van de parketinstructies (opnieuw een lijst
van typedelicten) ter zake. Eens het aanvankelijk proces-verbaal opgemaakt stuurt de politiedienst het
PVs reguliere
Politiedie ns ten
PVs bijzondere
inspe ctiedie ns ten
Parket
Gewone PV’s
APA PV’s
VPV’s
Adm in istratieve
ge ldb oete
JaNe e
Ja Ne e
PV’s reguliere
Politiedie ns ten
PV’s bijzondere
inspe ctiedie ns ten
Parket
Gewone PV’s
APA PV’s
VPV’s
Adm in istratieve
ge ldb oete
JaNe e
Ja Ne e
5
proces-verbaal echter niet onmiddellijk door naar het openbaar ministerie, doch zal navolgende
onderzoeksverrichtingen stellen en opnemen in navolgende pv’s, die toegevoegd worden aan het
gerechtelijk dossier, dat voorlopig bij de politie blijft. Eens het dossier zo volledig als mogelijk
samengesteld is, op basis van het politieel opsporingsonderzoek, wordt het dossier overgemaakt aan
het parket. In de regel is de politie gehouden een dergelijk APA-dossier samen te stellen binnen een
vooraf bepaalde termijn (bvb. drie maanden). De precieze praktijken verschillen nogal van gerechtelijk
arrondissement tot gerechtelijk arrondissement. Feiten die courant voor afhandeling binnen het APA-
systeem in aanmerking worden genomen zijn: diefstal door middel van braak, familiale delicten,
slagen en verwondingen, vernielingen, gewone diefstal en bedreigingen.
(3) Het gewone, traditionele parcours van een proces-verbaal verloopt grondig anders dan
bovenstaande (relatief nieuwe) formules. In de regel maakt een politiedienst een aanvankelijk proces-
verbaal op, dat onmiddellijk verstuurd wordt naar het parket. Het zal het parket zijn dat in dit geval zal
oordelen of het al dan niet nodig is verdergaande onderzoeksverrichtingen te stellen in het intussen
geopende ‘dossier’. De opdracht hiertoe zal gegeven worden door middel van een zogn. ‘kantschrift’
of ‘apostille’, gericht aan de politiedienst. De politiedienst zal de onderzoeksopdracht uitvoeren, en het
resultaat hiervan neerleggen in een navolgend proces-verbaal, en dit opnieuw verzenden naar het
parket. Op basis van de dossiergegevens zal het parket dan beoordelen of nog andere
onderzoeksverrichtingen dienen gesteld te worden, en deze dan desgevallend opnieuw overmaken via
kantschrift. Deze bureaucratisch, circulaire werkwijze kan doorgaan tot op het moment dat het parket
van oordeel is dat het dossier geen verder onderzoek behoeft. Traditionele pv’s worden opgesteld voor
feiten die een zeer ernstig karakter vertonen, een snelle tussenkomst van het openbaar ministerie
vereisen of een bijzondere strafproceduriële aanpak vragen.
Hogervermelde parcours (VPV, APA, traditioneel PV) staan niet in een vaste verhouding tot elkaar.
Afhankelijk van parket tot parket zal -naast een lijst van typedelicten die in aanmerking komen voor
behandeling via VPV- ófwel een lijst opgemaakt van soorten van feiten die in aanmerking komen voor
APA-behandeling, ófwel voor de traditionele behandeling. Beide systemen staan concurrentieel ten
aanzien van elkaar, in afwachting van een landelijke regeling ter zake.
of
Rest =
traditionele
afhandeling
Rest =
APA
afhandeling
VPV-lijst Lijst
traditionele
afhandeling
APA-lijstVPV-lijst of
Rest =
traditionele
afhandeling
Rest =
APA
afhandeling
VPV-lijst Lijst
traditionele
afhandeling
VPV-lijst Lijst
traditionele
afhandeling
APA-lijstVPV-lijst APA-lijstVPV-lijst
6
In het eerste geval zullen alle andere feiten (de ‘rest’) in aanmerking komen voor de traditionele pv-
behandeling, in het tweede geval zal dit gebeuren door middel van APA-afhandeling. Voor deze ‘rest’-
groepen bestaat dan geen of enkel een richtinggevende lijst van feiten die in aanmerking komen voor
deze afhandeling.
3.2 Parcours van bijzondere inspectiediensten
De behandeling van processen-verbaal, die opgemaakt worden door bijzondere inspectiediensten kent
een gans ander verloop. Op de betekenis van de notie ‘bijzondere inspectiediensten’ gaan we in deze
paragraaf niet verder in, dat zal verder in de tekst gebeuren. Voorlopig volstaat het te benadrukken dat
er in essentie twee verschillende mogelijkheden van pv-behandeling te onderkennen zijn:
(1) Een eerste parcours bestaat erin dat de bijzondere inspectiedienst, na vaststelling van een strafbaar
gesteld feit (op basis van de bijzondere strafwetgeving), een proces-verbaal opmaakt, en dit meteen
doorstuurt naar het parket. Indien het parket vervolging instelt wordt het dossier beschouwd als
afgehandeld, en blijft het daarbij. Indien het parket echter de beslissing neemt het proces-verbaal te
seponeren, kan het dossier aanleiding geven tot een administratieve afhandeling. In de regel betekent
dit dat de (juridische) dienst van het vakdepartement waaraan de inspectiedienst verbonden is -welke
verantwoordelijk is voor deze administratieve procedure- op basis van het proces-verbaal een
administratieve geldboete kan opleggen aan de overtreder.
(2) Een alternatief parcours volgt de omgekeerde weg. In dit geval zal de inspectiedienst zijn proces-
verbaal in eerste instantie doorsturen voor administratieve afhandeling naar de betrokken dienst van
het vakdepartement. Indien de opgelegde administratieve geldboete betaald wordt, wordt het dossier
beschouwd als afgedaan. Ingeval van niet-betaling van de geldboete zal het proces-verbaal worden
overgemaakt aan het parket. Het openbaar ministerie kan dan -op haar beurt- een beslissing nemen
omtrent al dan niet vervolging/seponering.
Beide geschetste parcours zijn niet louter afhankelijk van de keuze van de inspectiedienst, hoewel dit
in sommige gevallen wel zo is. In andere gevallen schrijft de wet echter het te volgen parcours voor.
Het parcours is niet eenduidig onderscheidbaar per inspectiedienst: aangezien een dergelijke dienst
meestal verschillende wetten controleert, kan in het ene geval het eerste parcours bij wet zijn
voorgeschreven, terwijl in het andere geval het tweede parcours dient genomen. Daarenboven dient
eraan herinnerd te worden dat bij uitzondering zelfs de mogelijkheid bestaat dat beide parcours
parallel verlopen, wat uiteindelijk het gevaar van een dubbele bestraffing kan opleveren.
3.3 Beslissingen op parketniveau
7
Eens het parket in het bezit is
van een afhandelbaar dossier
staan verschillende opties open.
Of het dossier nu afkomstig is
van een reguliere politiedienst,
dan wel van een bijzondere
inspectiedienst, het parket kan
beslissen tot het seponeren ervan (klasseren zonder gevolg), het dagvaarden voor de rechtbank,
bemiddeling in strafzaken op te starten, het opleggen van een minnelijke schikking, het ‘ter
beschikking’ doorsturen naar een ander (bevoegd) parket, het vorderen van een onderzoeksrechter, of
het voegen van het dossier bij een ander dossier. In de context van deze bijdrage interesseert ons niet
meteen het technisch-juridisch aspect van deze afhandelingswijzen.
Wel is het van belang in deze context in te gaan op de redenen van sepot, zoals we zullen zien een
belangrijke
afhandelingsmodaliteit op het
niveau van het openbaar
ministerie. Tot sepot kan
besloten worden omwille van
twee diverse redenen,
afgezien van enkele meer
uitzonderlijke ‘andere’
redenen. Enerzijds kan het
gaan om zogn. technische
sepots, anderzijds om zogn.
beleidssepots.
Als het gaat om technische sepots betreft het gerechtelijke dossiers die, omwille van diverse redenen,
niet kunnen afgehandeld worden op een andere wijze. De meest courante reden is hier ongetwijfeld het
feit dat de verdachte onbekend is, en er dus onmogelijk tot vervolging of tot een andere
afhandelingsmodaliteit kan besloten worden. Andere redenen voor technisch sepot zijn: het feit dat het
niet om een misdrijf blijkt te gaan, dat er onvoldoende bewijzen voorhanden zijn in het gerechtelijk
dossier, of dat het wetboek van strafvordering de vervolging als niet toelaatbaar of vervallen
beschouwt (bvb. verjaring).
Input Pa rket Ter be schikkin g
Voeg in g
Vordering OR
Da g va a rding
Se pot
Bemidd eling in Strafzak en
Minn elijke S chikking
Input Pa rket Ter be schikkin g
Voeg in g
Vordering OR
Da g va a rding
Se pot
Bemidd eling in Strafzak en
Minn elijke S chikking
Sep ot
Techn isch sep ot
Beleidssep ot
Ande r sepot
Mo tieve n eigen a/d aa rd dad er
Mo tieve n eigen a/d aa rd feiten
Beleid
Pretoria anse pro ba tie
Se ining van de da d er
Adm inistratieve geld bo ete
Geen m isdrijf
Verval va n SVor
Verd achte onbekend
Nie t toelaa tbaarh eid SV or
On voldoen de bewijzen
Sep ot
Techn isch sep ot
Beleidssep ot
Ande r sepot
Mo tieve n eigen a/d aa rd dad er
Mo tieve n eigen a/d aa rd feiten
Beleid
Pretoria anse pro ba tie
Se ining van de da d er
Adm inistratieve geld bo ete
Geen m isdrijf
Verval va n SVor
Verd achte onbekend
Nie t toelaa tbaarh eid SV or
On voldoen de bewijzen
8
Daar waar het gaat om beleidssepots ligt de zaak fundamenteel anders. Hier zou -in theorie-
strafvervolging mogelijk zijn, maar beslist het parket dat het niet opportuun is dit te doen. Zo kunnen
er motieven tot seponering zijn die teruggaan op de aard van de feiten (bvb. de maatschappelijke ernst
wordt marginaal beschouwd), of op de aard van de dader (bvb. de hechte relatie tussen dader en
slachtoffer). In laatste, maar zeker niet minst belangrijke, instantie is er het beleidssepot in de
werkelijke zin van het woord. Hier gaat het om het beslissen tot klassering zonder gevolg omdat het
feit in de prioriteitsvolgorde een weinig voorname plaats inneemt. In dit laatste geval betekent dit dat
het parket van oordeel is dat andere, meer ernstige feiten voorrang moeten krijgen in de afhandeling,
en impliciet erkent men hierdoor het simpele feit dat het niet mogelijk en opportuun is (omwille van
het grote volume) alle strafwaardige zaken tot vervolging aanleiding te laten geven.
4. Afhandeling van feiten, opgenomen in pv’s afkomstig van reguliere politiediensten
4.1 Preselectie van VPV’s
In bovenstaande hebben we de verschillende alternatieve routes beschreven die een pv kan volgen op
het scharnier tussen politie/inspectie en parket. Laat ons in volgende paragrafen systematisch deze
verschillende parcours doorlopen en kijken welke instroom/selectie zich voordoet. In eerste instantie
bekijken we van naderbij de behandeling van de zogn. ‘vereenvoudigde processen-verbaal’, afkomstig
van reguliere politiediensten.
Uit onderzoek (PONSAERS ET AL, 2003: 1-333) blijkt een eerste opmerkelijke vaststelling: 32% (zeg
maar één-derde) van de feiten, geverbaliseerd door de politie, worden via het systeem van
‘vereenvoudigde pv’s’ behandeld. Dit betekent de facto dat van alle gerechtelijke vaststellingen die de
politie registreert in feite geen proces-verbaal wordt opgemaakt, maar dat deze feiten opgenomen
worden in een maandelijks overgemaakte listing aan het parket. Meestal gaat het om feiten waar
weinig of geen onderzoek in gedaan kan worden, bijvoorbeeld omdat er geen enkele aanwijzing is
naar een dader. Daarnaast zijn het feiten die voor het parket van ‘ondergeschikt’ belang zijn.
Vastgesteld werd dat in feite de meeste van deze vaststellingen (haast alle) geseponeerd worden door
het parket. Eigenlijk kunnen we zelfs zeggen dat -behoudens uitzonderlijke gevallen- deze
vaststellingen niet meer behandeld worden op parketniveau, en dus niet langer kunnen beschouwd
worden als instroom op parketniveau. Het lijkt ons correcter om te stellen dat één-derde van de
vastgestelde feiten door de politie uit het strafrechtsbedelingssysteem geselecteerd worden, zonder dat
deze feiten aanleiding geven tot enige vorm van diepergaand gerechtelijk onderzoek.
9
Deze selectie heeft een merkwaardig effect. Het onderzoek leert ons immers dat door deze selectie de
verhouding tussen de
soorten van feiten
die door de politie
worden vastgesteld
enerzijds, en de
types van delicten
die wél instromen op
parketniveau (andere
dan VPV’s dus)
grondig wijzigt door
de uitval van de
VPV’s.
Zo valt bvb. op dat in de totaliteit van alle geverbaliseerde feiten door de politie de categorie ‘diefstal’
65% uitmaakt. Na uitval van de feiten uit VPV’s blijkt er op parketniveau nog slechts 49% van alle
behandelde feiten betrekking te hebben op deze categorie. Hieruit kunnen we besluiten dat een groot
gedeelte van de diefstallen opgenomen worden in het systeem van VPV. Anderzijds valt tevens op dat
in de totaliteit van alle geverbaliseerde feiten door de politie de groep van ‘opzettelijke slagen en
verwondingen’ slechts 6% uitmaakt, terwijl (opnieuw na uitval van de VPV’s) dit type 9% uitmaakt
van alle feiten die behandeld worden op parketniveau. Hieruit kunnen we -in tegenstelling tot diefstal-
opmaken dat uiterst weinig feiten inzake ‘opzettelijke slagen en verwondingen’ het voorwerp zullen
uitmaken van een VPV.
Conclusie 2 :
Door middel van het VPV-systeem wordt 1/3de van de aanvankelijke feiten uit de instroom
op parketniveau geselecteerd.
65%
49%
6%
9%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Politie Parket
Diefstal Andere Opzettelijke slagen en verwondingen
10
Indien we van
naderbij
inzoomen op de
categorie
‘diefstal’, blijkt
dat dit fenomeen
zich ook in de
onderscheiden
subcategorieën
voordoet. Terwijl
bvb. ‘diefstal in
woning’ in de
totaliteit van de
politieel
geregistreerde criminaliteit zowat 15% uitmaakt, blijkt 31% van de feiten die door het parket worden
behandeld hierop betrekking te hebben, na uitval van de VPV’s. Anderzijds beloopt bvb. ‘diefstal uit
auto’ zo’n 28% op politieniveau, terwijl (opnieuw na VPV-selectie) op parketniveau deze
delictscategorie nog nauwelijks 11% beloopt. Resumerend kan vastgesteld worden dat het parket dan
ook verhoudings-gewijs meer aandacht zal geven aan ‘woninginbraak’ (wat niet voor VPV in
aanmerking komt) dan aan ‘diefstal uit auto’ (wat in groten getale opgenomen wordt in VPV’s).
Uit voorgaande kunnen we afleiden dat het gebruik van het VPV-systeem een ingrijpende wijziging
met zich meebrengt van het criminaliteitsbeeld op parketniveau in vergelijking met de
politieregistratie. Ervan uitgaande dat de delictsoorten die voor de VPV-behandeling in aanmerking
komen door het parket in lijsten worden vastgelegd kan afgeleid worden dat dit een bedoeld effect is,
en dat door de invoering van het systeem het parket haar prioriteitstelling wenst door te drukken door
bij voorbaat bepaalde delicten quasi-automatisch voor seponering te reserveren. Vraag blijft echter of
deze beleidslijn steeds zo duidelijk is op politieniveau, laat staan op het niveau van het slachtoffer van
betreffende delicten. Men kan zich dan ook verder de vraag stellen of deze (verdedigbare) beleidslijn
inzake VPV (gegeven de grote aantallen zaken die het parket bereiken) niet uitdrukkelijker zou
moeten toegelicht worden op het moment van aangifte door het slachtoffer, waarbij gewezen wordt op
het feit dat : (1) de waarschijnlijkheid op seponering zeer groot is, (2) de pakkans bijzonder klein is,
(3) deze kans vergroot naarmate het slachtoffer zelf onderzoekswaardige indicaties kan geven, en (4)
dat er niettemin een registratie gebeurt, die nuttig kan zijn, weze het maar omwille van
verzekeringstechnische redenen. Kortom, een eenduidige boodschap naar de melder voorkomt dat er
frustraties ontstaan en laat toe dat er transparantie ontstaat omtrent de gevolgde beleidslijn, zonder dat
15%
31%
28%
11%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Politie Parket
Diefstal in woning Autodiefstal Winkeldiefstal
Handtasdiefstal Andere diefstallen Diefstal uit voertuig
11
de indruk wordt gewekt dat er niets gebeurt met de klacht. De illusie blijven in stand houden dat elk
delict eenzelfde aandacht, eenzelfde inspanning en zorg zal krijgen, lijkt immers niet langer houdbaar.
4.2 Onmiddellijke eindbeslissing
Tussen het instromen
van processen-verbaal
(andere dan VPV’s, dus
traditionele en/of APA-
pv’s) op parketniveau
en de afhandeling ervan
verloopt wel wat tijd.
Dat kan bezwaarlijk
eigenaardig genoemd
worden, gezien het feit
dat niet alle dossiers van eenvoudige aard zijn, en sommige nader onderzoek vergen. Uit ons
wetenschappelijk onderzoek inzake ‘Exploitatiemogelijkheden’ bleek evenwel dat een groot deel
(37%, dus meer dan
één-derde van de
instroom op
parketniveau), nog
dezelfde dag dat zij
toekomen op het
parket een
eindbeslissing
kennen. Bijzonder opvallend hierbij is dat 95,55% van deze onmiddellijk afgehandelde feiten zonder
gevolg geklasseerd worden. De overige 4,45% betreft feiten die in vooronderzoek genomen worden
(2,38%) en die gevoegd worden (1,41%). Een bijzonder klein percentage kent een ‘andere
afhandeling’ (0,66%). Uit kwalitatieve bevraging bleek dat deze onmiddellijk afgehandelde feiten hun
beslag kregen op het moment van de registratie in de parketdatabank
3
.
3
Hierbij dient opgemerkt dat de betreffende feiten reeds werden ingevoerd in de politiële databanken. Vermits er
echter geen informaticatechnische overname mogelijk is uit deze politiedatabanken, dienen dezelfde gegevens
opnieuw te worden ingegeven in het registratiesysteem van het betreffende parket.
Conclusie 3 :
Door middel van het VPV-systeem drukt het parket haar prioriteitstelling door en wijzigt
fundamenteel het criminaliteitsbeeld dat de politie vastlegt in registraties.
2002
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
0
DA GE N 1 TOT 7
DAGEN 2 TOT 4
WEKEN M AAND
2M AAND
3MAAND
4MAAND
5MAAND
6MAAND
7 <
J AA R
> J AAR
4,45%
95,55%
2,38%
1,41%
0,66%
zonder gevolg Vooronderzoek Voeging Andere
12
Indien we bovenstaande samenvatten, kunnen we het volgende besluiten: Zoals hoger reeds gezegd
wordt één-derde van de totaliteit van de geregistreerde feiten door de politie in een zogn. VPV
opgenomen (wat eigenlijk niet instroomt op parketniveau). Deze feiten worden routinematig en in
groot aantal geseponeerd. Van de totaliteit van de overige processen-verbaal (traditionele pv’s &
APA-pv’s), die wél instromen op parketniveau, wordt nogmaals één-derde onmiddellijk bij registratie
afgehandeld, wat evenzeer in het overgrote geval neerkomt op seponering. In tegenstelling tot de
ogenschijnlijke perceptie die heerst omtrent het openbaar ministerie en haar rol in de strafrechtsketen,
kan dan ook gesteld worden dat het parket slechts een eerder kleine fractie van de door de politie
geregistreerde feiten aan een onderzoek van naderbij onderwerpt.
De vraag rijst dan ook welk aandeel enerzijds de traditionele pv’s hebben in de globale instroom op
parketniveau, en anderzijds wat het aandeel is van de APA-pv’s. Ook hier zal de praktijk wellicht sterk
verschillen van parket tot parket, en kunnen we enkel een indicatie geven op basis van het beschikbare
Conclusie 4 :
Eén-derde van de instromende feiten op parketniveau wordt onmiddellijk geseponeerd.
1/3de onm id dellijke beha n deling
VPV's
Parket
Politie
Se le ctie Selectie
Uitstroom
Instroom
1/3de onm id dellijke beha n deling
VPV's
Parket
Politie
Se le ctie Selectie
Uitstroom
Instroom
Gew one PV's
APA PV's
VPV's
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
Gew one PV's
APA PV's
VPV's
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
Gew one PV's
APA PV's
VPV's
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
Gew one PV's
APA PV's
VPV's
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
67%
59%
33%
Politie
Pa rket
9%
13
onderzoeksmateriaal. Hieruit blijkt dat 59% van de door de politie geverbaliseerde feiten opgenomen
worden in traditionele pv’s, en dat deze praktijk daarmee dan ook nog steeds de meest gangbare is.
Gezien de VPV-uitval loopt het aandeel van dit soort van feiten op parketniveau op tot 67%, of twee-
derde van de totaliteit van het aantal behandelde feiten op parketniveau. Anderzijds blijkt op
politieniveau de APA-praktijk nog steeds minder fel verspreid dan verwacht zou kunnen worden.
Slechts 9% van de door de politie geregistreerde feiten komen terecht in APA-pv’s. Opnieuw loopt dit
aandeel fel op op het niveau van het parket, met name tot 33% (één-derde).
4.3 Totaliteit van afhandeling van instromende pv’s
Indien we de globaliteit van de afhandelingsmogelijkheden op parketniveau in beschouwing nemen,
blijkt hieruit dat -in de totaliteit van doorgestroomde feiten opgenomen in pv’s- zo’n 84% hiervan
voor
seponering in
aanmerking
komt. Toch
wel een hoog
cijfer, indien
we dat
vergelijken
met cijfers in
gelijkaardig onderzoek in het (nog niet eens zo ver in de tijd verwijderd) verleden (FIJNAUT ET AL,
2000). De andere afhandelingsmodaliteiten worden in hun totaal slechts in 16% van de gevallen
toegepast. Het grootste aandeel hierin (5,2%) nemen de voegingen in, in 3,41% komt het tot een
vonnis, in 2,93% volgt er een ter beschikking stelling, in 1,92% gaat het om een feit dat nog in
vooronderzoek was ten tijde van het onderzoek, in 0,77% wordt een minnelijke schikking opgelegd, in
0,57% lag het dossier ten tijde van het onderzoek ter beschikking van de raadkamer. De andere
afhandelingsmodaliteiten hebben we samengebracht onder ‘andere’, samen goed voor 1,49%.
Conclusie 5 :
Tot 84% van de instromende feiten wordt op parketniveau geseponeerd.
84%
16%
1,49%
0,57%
0,77%
1,92%
2,93%
3,41%
5,20%
Zonder Gevolg Voeging Vonnis
Ter Beschikking Vooronderzoek Minnelijke schikking
Beschikking Raadkamer Andere
14
We merken dus dat een aanzienlijk aantal feiten in aanmerking komt voor seponering. Interessant in
dit kader zijn de
seponerings-
gronden. Op de
eerste plaats valt het
grote aandeel
technische sepots
op (72%).
Dominant gaat het
hier om feiten
waarvan de dader
niet bekend is, wat
niet verwonderlijk is, gezien het grote volume aan vermogensdelicten in de dossiers van het parket en
het feit dat het ophelderingspercentage bij deze delicten traditiegetrouw erg laag ligt. Bij slechts 25%
van de dossiers die geseponeerd worden, gebeurt dit op beleidsgronden (cfr. supra). De ‘andere’
sepotgronden komen eerder sporadisch (3%) voor.
Wanneer we deze sepotgronden vergelijken naargelang de aard van het delict, merken we aanzienlijke
verschillen. Uit onderstaande grafiek kunnen we dit verschil aflezen. Zo blijkt bvb. inzake diefstal het
aandeel van het technisch sepot bijzonder groot (rond de 90%) in de totaliteit van de sepotgronden. Dit
aandeel ligt merkelijk hoger dan het gemiddelde aandeel van alle technische sepots voor alle
delictsvormen. Deze vaststelling houdt sterk verband met het feit dat veel van de daders van
vermogensdelicten onbekend zijn, en dus geen vervolging kan ingesteld worden (cfr. supra).
Indien we deze observatie
vergelijken met het delict
‘slagen en verwondingen’
blijkt dat het aandeel van de
technische sepots hier veel
lager ligt. Het technisch
sepot wordt gereduceerd tot
zowat de helft van deze
inzake ‘diefstal’. Het niveau
Conclusie 6 :
Instromende feiten worden vooral geseponeerd omwille van technische redenen, voornamelijk
omdat de daders onbekend zijn.
72%
25%
3%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Technisch sepot Beleidssepot Andere
Sepotgronden
72%
25%
3%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Technisch sepot Beleidssepot Andere
Sepotgronden
0% 20% 40% 60% 80% 100%
Algem een
Diefstal
Slagen en
verwondingen
Sepot van technische aard
Sepot om opportuniteitsredenen
Andere richtinggevende beslissingen
15
ligt overigens ook veel lager dan het gemiddelde aandeel van alle technische sepots voor alle
delictsvormen. Een bijkomende vaststelling dienen we in dit verband te maken. Het blijkt immers dat
voor de delictsvorm ‘slagen en verwondingen’ zich meer beleidssepots voordoen dan technische
seponeringen. Deze observatie houdt verband met het feit dat de parketmagistraat zich in deze
aangelegenheden ondermeer zal laten leiden door de ‘relatie tussen dader en slachtoffer’. Het gaat
immers om een delictsvorm die zich courant voordoet tussen personen die elkaar goed kennen, als het
al niet gaat om geweldgebruik in de meer private sfeer.
Bij de bespreking van deze resultaten is het markant dat in feite bij sepotbeslissingen nog weinig
overwegingen spelen die verband houden met beleidsopties, meer bepaald met prioriteitstellingen op
parketniveau. We kunnen dan ook concluderen dat de belangrijkste beleidsopties op parketniveau
vroeger in de rechtsgang zijn doorgezet, met name daar waar selecties worden doorgevoerd door
middel van het gebruik van het VPV-systeem en de ‘onmiddellijke eindbeslissing’ op het moment van
de instroom (cfr. supra).
4.4 Seponeringsgraad inzake APA-pv’s
Tot op heden hebben we nog niet stilgestaan bij een andere, nieuwe praktijk, met name daar waar het
gaat om feiten opgenomen in processen-verbaal die afgehandeld worden door middel van het APA-
systeem. Deze paragraaf heeft hier betrekking op. Vooraleer we de onderzoeksresultaten bespreken is
het van belang nader in te gaan op de achterliggende filosofie van het APA-systeem. Het systeem werd
ingevoerd omwille van de grote administratieve werklast op parketniveau en was erop gericht voor
bepaalde delictsvormen, (door het parket opgenomen in een vooraf bepaalde lijst) de politie de
mogelijkheid te bieden deze dossiers te vervolledigen vooraleer (en na verloop van enige tijd) deze
over te maken aan het parket. Door de wijze waarop dit systeem vorm kreeg, en door de inhoudelijke
sturing van het parket op de lijst van APA-waardige delictsvormen, zou ervan uitgegaan mogen
worden dat dit systeem zou leiden tot een nadrukkelijker beleid inzake de voorop gestelde prioriteiten
op parketniveau.
Conclusie 7 :
Naargelang de delictsvorm varieert de seponeringsgrond in grote mate. Uitdrukkelijke beleidsopties
worden hier nog weinig in overweging genomen.
16
Indien we echter de resultaten bekijken lijkt dit niet zo duidelijk te zijn. Ten eerste blijkt dat de APA-
pv’s meer
geseponeerd
worden dan de
traditionele pv’s:
uit cijfers van één
parket en dus
enigszins
afwijkend van de
cijfers die hierboven genoemd worden kwam naar voren dat de seponeringsgraad van APA-pv’s
bijna anderhalf keer zo hoog ligt als die van reguliere pv’s (82% vs 66%). Uit meer kwalitatief
onderzoek bleek dat ook deze sepotbeslissing vaak genomen werd op de dag dat het dossier
binnenkomt op het parket. Bovendien bleek dat APA-pv’s enerzijds tot minder technische
seponeringen leiden dan de gewone, traditionele pv’s (resp. 67% versus 72%); en anderzijds doen er
zich meer beleidssepots voor bij APA’s (resp. 29% versus 25%)! Dit houdt wellicht verband met de
aard der feiten die in aanmerking komen voor APA-afhandeling en wellicht ook wel met het feit dat de
‘autonome’ vervollediging door de politie van een groot aantal dossiers in het kader van het APA-
systeem leidt tot een grotere opheldering, en dus minder ‘onbekende daders’, wat uiteindelijk
aanleiding geeft tot minder technische sepots.
Niettemin kan het bezwaarlijk motiverend genoemd worden voor politiediensten die in dit systeem
werkzaam zijn dat dergelijke APA-dossiers verhoudingsgewijs meer in aanmerking komen voor
beleidssepots dan de gewone, traditionele pv’s. Wetende dat een APA-behandeling meer tijd en
inspanning vraagt dan een traditionele behandeling, blijkt dit er in de praktijk toe te leiden dat
politiediensten meer en meer (daar waar zij verondersteld worden een APA-dossier te openen) de
praktijk ontwikkelen toch maar een beroep te doen op de traditionele verbaliseringsmethode. De vraag
kan gesteld worden of dit de bedoeling was bij de invoering van het systeem.
5. Afhandeling van feiten, opgenomen in pv’s afkomstig van bijzondere inspectiediensten
5.1 ‘Wie zijn zij, wie zijn zij? Je zult ze wel kennen …’
Conclusie 8 :
APA-feiten worden meer geseponeerd omwille van beleidsmatige redenen dan feiten die voorkomen
in gewone processen-verbaal.
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Technisch sepot Beleidssepot Andere
3%
APA PV's
67%
29%
3%
Gewone PV'S
72%
25%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Technisch sepot Beleidssepot AndereTechnisch sepot Beleidssepot Andere
3%
APA PV's
67%
29%
3%
APA PV's
67%
29%
3%
Gewone PV'S
72%
25%
3%
Gewone PV'S
72%
25%
17
In de praktijk van de handhaving van de inspectiediensten, weerspiegelt zich hetgeen genoemd wordt:
de bestuurlijke en/of ordenende betekenis. Het strafrecht wordt hier immers opgevat als ultimum
remedium. Deze diensten zijn voornamelijk actief op het voorterrein van de strafrechtspleging, waarbij
ze vooral door middel van stimulering (subsidies, belastingvoordeel), voorlichting, advisering,
overreding en onderhandeling normconform gedrag stimuleren. Aalders (AALDERS, 1980) verwoordt
dit in het artikel ‘De politiefunctie van de bijzondere opsporingsambtenaar; met beleid een overtreder
naar de wettelijk gewenste situatie toe praten’. De ‘mindset’ van toezichthouders en inspecteurs
verschilt wezenlijk met die van leden van de reguliere politie. Eén belangrijke gemeenschappelijkheid
hebben de bijzondere inspectiediensten met de politiediensten, met name het feit dat beide soorten van
diensten beschikken over de bevoegdheid tot het opstellen van een proces-verbaal, rechtsgeldig tot
bewijs van het tegendeel. De voornaamste verschillen brengen we hieronder samen:
Inspectiemodel
Politiemodel
Betrokkenheid, medewerking
Afschrikking
Waarschuwing vooraf
Waarschuwing achteraf
Preventief
Reactief / repressief (vergelding)
Gebaseerd op vertrouwen
Gebaseerd op wantrouwen
Gelijkwaardige partijen
Niet gelijkwaardige partijen
Maatregelen en sancties worden beschouwd als
mislukking van model
Maatregelen en sancties (straf) worden
beschouwd als de kracht van het model
Doelmatigheid groot
Doelmatigheid gering
Nauwelijks ‘democratisch opgezet’ toezicht
‘Democratisch toezicht’ beter geregeld
Hoog collusierisico
Laag collusierisico
Laag corruptierisico
Hoog corruptierisico
Het oud-Nederlandse woord policie staat voor besturen. In deze brede betekenis van het oude Franse
begrip ‘la Police Générale’ ligt de ontstaansgrond van de huidige bijzondere inspectiediensten. Ook in
Duitsland (polizei) en Groot-Brittannië (policing) vinden we overigens deze ruime betekenis terug.
Pas veel later in de geschiedenis krijgt het woord ‘politie’ haar meer beperkte, repressieve
kernconnotatie. Recent hebben we nog in een historische analyse van de opkomst van inspecties en
bijzondere diensten een onderscheid gemaakt tussen het welzijns- en het repressieve complex van de
staat (PONSAERS, 2003 : 17-48). Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw breidt de opkomende
verzorgingsstaat zijn rol in het maatschappelijke leven sterk uit. Naast het traditionele repressieve
complex (leger, rijkswacht, belastingdienst, politie en justitie) ontstaat dan ook een uitdijend
welzijnscomplex waarin arbeidsomstandigheden, scholing, medische voorzieningen, sociale
voorzieningen, eisen aan de hygiëne van voedsel en drinkwater en vele andere zaken worden
gereguleerd en waarop wordt toegezien door bijzondere inspectiediensten.
18
Deze bijzondere diensten vormen in België een bijzonder complex geheel, waar elke
overzichtelijkheid zoek is (PONSAERS ET AL, 2003 : 1-271). In tegenstelling tot in Nederland werd tot
op heden geen juridisch onderscheid ingevoerd tussen enerzijds zogenaamde bijzondere
inspectiediensten en bijzondere opsporingsdiensten. Het gevolg hiervan is dat we te maken hebben
met een erg verscheiden lappendeken, dat volgens parallelle ontwikkelingen en eerder toevallige
historische lijnen is gegroeid. Zo treffen we enerzijds diensten aan bij de Belgische federale regering,
met name deze diensten die behoren tot federale departementen, en anderzijds hebben we te maken
met diensten die behoren tot de gemeenschappen en gewesten. Overigens dient hierbij aangestipt dat
er dan weer andere diensten te vinden zijn op het niveau van de Franstalige gemeenschap, de
Duitstalige gemeenschap, het Brussels gewest en het Waalse gewest. Inventarisatieonderzoek leverde
een lijst van meer dan honderd van dergelijke diensten op. De bevoegdheden tussen federale en
gewestelijke- en gemeenschapsdiensten zijn niet strikt afgebakend en er is sprake van overlappingen.
Overigens dringt zich in sterke mate de vraag naar de controle op deze bijzondere inspectiediensten
op, of kernachtiger : wie controleert dan wel de controleurs? (PONSAERS, 2004 : 253-268).
In Nederland werd een groot deel van deze wet- en regelgeving samengebracht onder de Wet op de
economische delicten (WED). De handhaving daarvan is opgedragen aan inspecties en latere
bijzondere opsporingsdiensten. Meer recent is in het bijzonder de handhaving van de nieuwe
financieel-economische wetgeving opgedragen aan de genoemde toezichthouders. Globaal genomen
kunnen we stellen dat er onvoldoende sprake is van het helder toebedelen van verantwoordelijkheden.
Daarvoor zitten er te veel overlappingen in de taakvelden van de verschillende diensten. Wat eveneens
ontbreekt is een integrale rapportage van de verschillende diensten, waardoor het voor parlementairen
een onmogelijke taak moet zijn een goed inzicht te krijgen in de activiteiten van de diverse diensten en
een vergelijking te maken van het functioneren ervan.
Bijzondere opsporingsdiensten vallen rechtstreeks onder het beheer van een departement van
algemeen bestuur en zijn geheel of gedeeltelijk belast met opsporingstaken. Een formele wettelijke
regeling van organisatie, inrichting en taken ontbreekt veelal. De feitelijke organisatie verschilt van
dienst tot dienst. Het gezag over een bijzondere opsporingsdienst berust in de toezichtfase bij het
vakdepartement. Er is onmiskenbaar een spanning tussen de bestuurlijke belangen van een
vakdepartement en de belangen van handhaving en opsporing. Het openbaar ministerie geeft aan
nauwelijks invloed te hebben op de bestuurlijke kant van de handhaving van deze diensten. Overigens
mag hierbij niet uit het oog verloren worden dat in de sfeer van het bijzonder strafrecht afhandeling
van strafbaar gesteld gedrag erg courant verloopt via het innen van administratieve geldboetes,
waardoor het O.M. nog meer dan ooit voorheen sturing op de handhaving verliest.
5.2 Pv’s doorgezonden vanwege inspectiediensten naar het O.M.
19
Hoewel zowel politie- als inspectiediensten over verbaliseringsbevoegdheid beschikken ten aanzien
van de parketten, blijken inspectiediensten opvallend anders te functioneren dan politiediensten. Zo
bleek uit ons ondernomen onderzoek ter zake dat inspectiediensten, veel meer dan politiediensten,
preventieve controles verrichten op eigen initiatief. Ondanks het feit dat zij ook wel eens inspecties
verrichten naar aanleiding van klachten, op vraag van externe instanties of op basis van inlichtingen
verkregen vanwege een andere inspectiedienst treden zij voornamelijk pro-actief op, met andere
woorden, zonder dat er
een inbreuk werd
vastgesteld. In deze zin
gaat het essentieel om
handhavingapparaten.
Het objectief van de
bijzondere
inspectiediensten is niet
zozeer ‘opsporing’,
‘recherche’ of
‘opheldering’ in de klassieke betekenis van deze woorden, maar staat in eerste instantie in functie van
het toetsen of de bijzondere (straf)-wetgeving al dan niet (goed) wordt nageleefd.
Bijzondere inspectiediensten fungeren als het ware als de ‘tanden’ van regulerende normeringen.
Dit patroon is deels het gevolg van het feit dat bijzondere inspectiediensten in de meerderheid van de
gevallen controles uitvoeren ten aanzien van bijzondere strafwetgevingen waarbij slachtoffers niet of
weinig te pas komen. Het zou immers in de meerderheid van de gevallen gaan om zogenaamde
‘slachtofferloze delicten’. Daarmee wordt dan bedoeld dat er zelden individuele slachtoffers aangifte
doen. Men percipieert zichzelf eerder zelden als slachtoffer, zo blijkt. Slachtofferschap wordt immers
meestal ervaren als een individuele aangelegenheid, wat overigens volkomen in lijn ligt met de
individualiserende tendens die uitgaat van het strafrecht zelf. Sommige auteurs hebben het in dit
verband over ‘victim responsiveness’ (GEIS, 1968), een ingesteldheid van het slachtoffer tegenover
zijn eigen slachtofferschap. Een voorbeeld hiervan is milieucriminaliteit, hetgeen eerder een collectief
slachtofferschap doet ontstaan dan een individueel (PONSAERS, DE KEULENAER, 2003 : 250-265).
Door de massificatie en globalisering van de productie ontstaan collectieve vormen van schade, zoals
bijvoorbeeld luchtvervuiling, die de leefkwaliteit aantasten van gemeenschappen, zonder dat deze
gemeenschappen zich hier (steeds) van bewust zijn. Slechts doorheen de bewustwording en de sociale
mobilisatie van collectief ervaren slachtofferschap worden sociale reactiepatronen in een dergelijk
geval zichtbaar.
Reguliere politiediensten
Bijzondere Inspectiediensten
Veel technisch sepot (dader
onbekend)
Uitgesproken minder technisch sepot
Meestal na klacht door
slachtoffer
Meestal na routinematige controle
Individueel slachtofferschap
Collectief slachtofferschap
Strafrecht relatief makkelijk
mobiliseerbaar
Bijzonder strafrecht moeilijk
mobiliseerbaar
Publiek, algemeen belang
Privaat, belang van partijen
Individualiseerbaar daderschap
Strafrechtelijke aansprakelijkheid van
rechtspersonen
20
Uit het Belgische onderzoek bleek verder dat een brede waaier aan administratiefrechtelijke
afhandelingmodaliteiten bestaat, die door de bijzondere inspectiediensten kunnen gehanteerd worden.
Het gaat dan om: administratieve geldboetes, administratieve minnelijke schikkingen, het afsluiten van
transactiesommen, taksverdubbeling, onmiddellijke inning, administratief vergelijk, waarschuwing
(gekoppeld aan termijnstelling), tijdelijke of definitieve sluiting van een bedrijf, intrekking of
schorsing van een vergunning, ophouden van vrachten, immobiliseren van voertuigen (tot in regel
gesteld), ter plaatse vernietigen van goederen, laten afstand doen van goederen (sanctie vervalt),
ambtshalve aansluiting, ambtshalve RSZ-aangifte en het opleggen van dwangmaatregelen (bvb.
verzegelen, stopzetten activiteiten).
Eén van de administratiefrechtelijke afhandelingsmodaliteiten is de waarschuwing, welke een
afhandelingmodaliteit is die heel frequent wordt gebruikt, maar waarvan de beslissingswijzen sterk
verschillen. Bij sommige bijzondere inspectiediensten speelt in het bijzonder de persoonlijke
appreciatie van de controleurs en inspecteurs. Bij andere diensten zijn, naast deze persoonlijke
appreciatie, ook richtlijnen aanwezig en enkele bevraagde bijzondere inspectiediensten hebben
duidelijke afspraken gemaakt over hoe in bepaalde situaties dient opgetreden te worden. Voorbeelden
van interne richtlijnen zijn o.m.:
(1) Een waarschuwing geven als sprake is van recidive of kwaad opzet,
(2) Bij de vaststelling van gevaarlijke situaties en ernstige inbreuken onmiddellijk pv opstellen,
(3) Een waarschuwing volstaat als onder een bepaalde marge wordt gebleven of minder dan een
bepaald aantal inbreuken worden vastgesteld,
(4) Een waarschuwing volstaat als inbreuken niet in de prioriteitennota van vakdepartement zijn
opgenomen, en
(5) Een waarschuwing geven als vermoed wordt dat het parket zal seponeren.
Naast de vaststelling dat de actiemiddelen van een bijzondere inspectiedienst variëren per wetgeving
en verschillende beslissingswijzen operationeel zijn voor het al dan niet geven van een waarschuwing,
is eveneens uit het Belgisch onderzoek naar voor gekomen dat de procedure voor het opleggen van een
administratieve geldboete niet dezelfde is voor alle inspectiediensten (cfr. supra).
5.3 Verschillen in seponeringsgraad
Indien we van naderbij bekijken welk gevolg het parket geeft aan de dossiers van de bijzondere
inspectiediensten, in vergelijking met deze van de reguliere inspectiediensten, valt bijzonder op dat het
seponeringspercentage bij inspectiediensten merkelijk lager ligt dan bij politiediensten (in de grafiek
voorgesteld als: ‘traditioneel’).
21
Opvallend is overigens ook het grote verschil naargelang het onderzochte parket. Ondanks deze
verschillen kan gesteld worden dat de gesignaleerde tendens zich overal voordoet. Deze vaststelling is
onlosmakelijk verbonden met het lage niveau van technische sepots die zich voordoen bij bijzondere
inspectiediensten.
Dat betekent
anderzijds dat nog
relatief veel
verbalen van
inspectiediensten
worden
geseponeerd
omwille van
beleidsmatige
redenen, wat in
tegenstrijd is met
het uitgangspunt van deze diensten, met name het aanwenden van het strafrecht als ‘ultimum
remedium’. Niettemin blijft voor deze diensten nog in vele gevallen de mogelijkheid open om, ingeval
van sepot op parketniveau, de zaak administratief af te doen via een administratieve geldboete. In dit
verband dient vastgesteld dat deze mogelijkheid niet openstaat voor politiediensten, zelfs niet voor
deze strafbare feiten die zowel door een politie- als inspectiedienst kunnen geverbaliseerd worden.
6. Besluit
Dit besluit herneemt niet de diverse deelbesluiten die doorheen deze bijdrage werden getrokken. De
lezer kan deze makkelijk traceren doorheen de tekst omwille van de bijzondere lay-out die we aan
deze bijdrage gaven.
We volstaan hier dan ook met de vaststelling dat de krachtigste sturingsinstrumenten inzake
prioriteitstellingen op parketniveau zich situeren op het snijvlak tussen politie en parket. Het VPV-
systeem en de onmiddellijke eindbeslissing bij parketregistratie zijn wellicht de meest richtinggevende
mogelijkheden op dit vlak. Veel minder sturing gaat uit van de APA-afhandeling, dan wel van de
Conclusie 9 :
Het seponeringspercentage bij feiten vastgesteld door bijzondere inspectiediensten ligt veel
lager dan bij politiediensten.
84%
60,40%
55,20%
33,30%
16%
39,60%
44,80%
66,70%
0% 20% 40% 60% 80% 100%
Traditioneel
ID Brussel
ID Charleroi
ID Gent
Sepot Ander gevolg
22
traditionele pv-afhandeling. Met andere woorden: eens een verbaal ingestroomd op parketniveau lijkt
prioritering veel moeilijker te realiseren.
De vraag kan dan ook gesteld worden of de praktijk van de bijzondere inspectiediensten hier niet
inspirerend kan werken. Door een grotere keuzevrijheid te bieden aan de politiële verbalisant op de
werkvloer zou het mogelijk moeten zijn verbalisering te hanteren als een ultimum remedium
(PONSAERS, 2002 : 649-666). Dit impliceert het uitbouwen van een goedbegrepen politie-afhandeling,
onder sturing van het parket. In deze zin impliceert dit een bepaalde discretionaire ruimte, waarvan de
limieten zijn afgebakend door duidelijke parketinstructies, toch wel iets anders dan hetgeen
gemeenzaam begrepen wordt onder de term ‘politiesepot’.
Bibliografie
AALDERS, M. , ‘De politie-functie van de bijzondere opsporingsambtenaar; met beleid een
overtreder naar de wettelijk gewenste situatie toe praten’, in: Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 22, nr.
6, 1980, pp. 287-298.
DE BAETS, Ph., DE KEULENAER, S., PONSAERS, P. (ed.), Het Belgisch Inspectiewezen - Een niet
ingeloste belofte, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 2003, pp. 236.
DEVROE, E., PONSAERS, P., “Prioriteitstelling : nog meer van hetzelfde?”, in : Custodes, Cahiers
voor politie- en justitievraagstukken, Politeia, 3-2001, Prioriteitenstelling-La définition des
Priorités, p. 13-30.
FIJNAUT, C., VAN DAELE, D., PARMENTIER, S., Een openbaar ministerie voor de 21ste eeuw,
Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2000.
GEIS, G., White Collar Criminal. The Offender in Business and the Professions, Atherton Press, New
York, 1968.
GOEMINNE, B., ENHUS, E., PONSAERS, P., Criminaliteit in de publieke ruimte - Een inleiding in
de hotspot analyse, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, Politeia, Brussel, 2003, pp. 112.
PONSAERS, P., “De plaats van lokale veiligheidsplannen in een Community Policy-model”, in :
Veiligheid, Een Illusie?, Theorie, Onderzoek en Praktijk, CASSELMAN, J., GOETHALS, J.,
23
GOOSSENS, F., HUTSEBAUT, F., VERVAEKE, G., WALGRAVE, L. (eds.), Politeia, Brussel,
2001, p. 103-118.
PONSAERS, P., “Doorduwen of onderhandelen? De betekenis van sociaal discretionair optreden in
het kader van gemeenschapsgerichte politie”, in : Voor verder onderzoek … - Pour suite d’enquête …,
DUHAUT, G., PONSAERS, P., PYL, G., VAN DE SOMPEL, R., Politeia, Brussel, 2002, p. 649-666.
PONSAERS, P., “Eén van de grote mazen in het controlenet: de bijzondere inspectiediensten”, in :
BOURDOUX, G., BERKMOES, H., VANDOREN, A. (eds.), Voor een verantwoorde, transparante,
democratische politiezorg Pour une police responsable, transparente, démocratique, Politeia,
Brussel, 2004, p. 253-268.
PONSAERS, P., “Op zoek naar een integraal veiligheidsbeleid Het politiebeleid vervat in de
nationale en zonale veiligheidsplannen”, in : De Politiehervorming, ENHUS, E., PONSAERS, P.,
HUTSEBAUT, F., VAN OUTRIVE, L. (eds.), Politeia, Centrum voor Politiestudies, Brussel, 2001, p.
61-86.
PONSAERS, P., CARTUYVELS, Y., FRANCIS, V., GUILLAIN, Ch., VAN EX, J.,
VANHAVERBEKE, W., VERHAGE, A., VOGLIOTTI, M., Politionele behandeling: relatieve
autonomie? Een empirisch onderzoek naar de Autonome Politionele Afhandeling, Reeks Actuele
Problemen met betrekking tot de Sociale Cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press,
Gent, 2003, pp. 333.
PONSAERS, P., DE KEULENAER, S., Met strafrecht tegen milieudelicten? Rol en functie van
bijzondere inspectiediensten in de strijd tegen milieucriminaliteit, in: Panopticon, Kluwer, Diegem, Jg.
24, nr. 3, p. 250-265.
PONSAERS, P., DE KEULENAER, S., VANHAVERBEKE, W., Bijzondere inspectiediensten:
empirisch onderzoek naar hun verbaliseringsgedrag, Reeks Actuele Problemen met betrekking tot de
Sociale Cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press, Gent, 2003, pp. 271.
PONSAERS, P., ENHUS, E., “Vademecum veiligheidsplannen ten behoeve van het opstellen van het
nationaal veiligheidsplan en de zonale veiligheidsplannen”, in : Vademecum Politiezones, Uitgeverij
Politeia, 2000, Addendum 2, p. 1-108 (franstalige versie beschikbaar).
24
PONSAERS, P., ENHUS, E., “Werkbundel bij het vademecum veiligheidsplannen ten behoeve van
het opstellen van het nationaal veiligheidsplan en de zonale veiligheidsplannen”, in : Vademecum
Politiezones, Uitgeverij Politeia, 2001, Addendum 3, p. 1-127 (franstalige versie beschikbaar).
PONSAERS, P., Oorsprong en ontwikkeling van de inspectie op de nijverheid in België: “stalen
vuisten” of “helpende handen?, in : DE BAETS, Ph., DE KEULENAER, S., PONSAERS, P. (ed.), Het
Belgisch Inspectiewezen - Een niet ingeloste belofte, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 2003, p. 17-48.
VAN ALTERT, K., ENHUS, E., PONSAERS, P., Naar een meet- en opvolgingsinstrument voor
instroom en selectie in de strafrechtelijke keten…, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid,
Politeia, Brussel, 2003, pp. 304.
VANDEVOORDE, N., ENHUS, E., PONSAERS, P., Naar een meet- en opvolgingsinstrument voor
instroom en selectie in de gerechtelijke jeugdbeschermingsketen…, Reeks Dienst voor het
Strafrechtelijke Beleid, n°5, Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid - Algemene Directie Veiligheids-
en Preventiebeleid, Politeia, Brussel, 2004, pp. 130.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Door een grotere keuzevrijheid te bieden aan de politiële verbalisant op de werkvloer zou het mogelijk moeten zijn verbalisering te hanteren als een ultimum remedium
  • De Vraag Kan Dan Ook Gesteld Worden Of De Praktijk Van De Bijzondere Inspectiediensten Hier Niet Inspirerend Kan Werken
De vraag kan dan ook gesteld worden of de praktijk van de bijzondere inspectiediensten hier niet inspirerend kan werken. Door een grotere keuzevrijheid te bieden aan de politiële verbalisant op de werkvloer zou het mogelijk moeten zijn verbalisering te hanteren als een ultimum remedium (PONSAERS, 2002 : 649-666). Dit impliceert het uitbouwen van een goedbegrepen politie-afhandeling, onder sturing van het parket. In deze zin impliceert dit een bepaalde discretionaire ruimte, waarvan de limieten zijn afgebakend door duidelijke parketinstructies, toch wel iets anders dan hetgeen gemeenzaam begrepen wordt onder de term 'politiesepot'.
Een openbaar ministerie voor de 21 ste eeuw
  • C Fijnaut
  • D Van Daele
  • S Parmentier
FIJNAUT, C., VAN DAELE, D., PARMENTIER, S., Een openbaar ministerie voor de 21 ste eeuw, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2000.
Criminaliteit in de publieke ruimte -Een inleiding in de hotspot analyse
  • B Goeminne
  • E Enhus
  • P Ponsaers
GOEMINNE, B., ENHUS, E., PONSAERS, P., Criminaliteit in de publieke ruimte -Een inleiding in de hotspot analyse, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, Politeia, Brussel, 2003, pp. 112.
Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg -Pour une police responsable, transparente, démocratique, Politeia
  • P Ponsaers
PONSAERS, P., "Eén van de grote mazen in het controlenet: de bijzondere inspectiediensten", in : BOURDOUX, G., BERKMOES, H., VANDOREN, A. (eds.), Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg -Pour une police responsable, transparente, démocratique, Politeia, Brussel, 2004, p. 253-268.
  • P Ponsaers
  • Y Cartuyvels
  • V Francis
  • Ch Guillain
  • J Van Ex
  • W Vanhaverbeke
  • A Verhage
  • M Vogliotti
PONSAERS, P., CARTUYVELS, Y., FRANCIS, V., GUILLAIN, Ch., VAN EX, J., VANHAVERBEKE, W., VERHAGE, A., VOGLIOTTI, M., Politionele behandeling: relatieve autonomie? Een empirisch onderzoek naar de Autonome Politionele Afhandeling, Reeks Actuele Problemen met betrekking tot de Sociale Cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press, Gent, 2003, pp. 333.
Bijzondere inspectiediensten: empirisch onderzoek naar hun verbaliseringsgedrag
  • P Ponsaers
  • S De Keulenaer
  • W Vanhaverbeke
PONSAERS, P., DE KEULENAER, S., VANHAVERBEKE, W., Bijzondere inspectiediensten: empirisch onderzoek naar hun verbaliseringsgedrag, Reeks Actuele Problemen met betrekking tot de Sociale Cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press, Gent, 2003, pp. 271.