ChapterPDF Available

Ponsaers, P. (2006). “Het slachtoffer en de criminologie : afscheid van een stiefvader”, in Het slachtoffer van criminaliteit : tussen perceptie en realiteit?, Reeks Update in de Criminologie, nr. 3, Mechelen: Kluwer, 23-40.

Authors:

Abstract

In de criminologie is heel lang gezocht naar oorzaken van misdadig gedrag. Theorieën, die over de oorzaken van crimineel gedrag kunnen worden opgesteld, noemt men "etiologische" theorieën. In de vijftiger en zestiger jaren kwam een stroming in de sociologie op, die niet langer wilde kijken naar dit soort oorzaken van afwijkend gedrag, maar de blik richtte op vragen als: welk gedrag wordt nu eigenlijk als afwijkend bestempeld en hoe gaat de definiëring van gedrag; de opstelling en toepassing van sociale normen; nu eigenlijk in zijn werk. Deze benadering werd bekend als de "labelling theory", welke kaderde binnen de bredere stroom van symbolisch interactionistische theorieën. Dit symbolisch interactionisme is in de (criminele) sociologie ontstaan als een reactie op het etiologisch denken. De kritieken waren vooral geinspireerd vanuit de bevindingen van het dark-numberonderzoek. Het dark-numberonderzoek poogde aan de hand van diverse methodes een schatting te maken van de hoeveelheid en de aard van de politioneel niet-gekende delicten en delictenplegers. Vrij snel bleek dat de dichotomie tussen delinquent en niet-delinquent niet meer houdbaar was, en dat het plegen van delicten veel meer verspreid was dan men tot dan toe geloofde. Men stelde vast dat de politie slechts een kleine hoeveelheid van delicten en delictenplegers kende en dat de gevatte groep zich volgens bepaalde misdrijf-extrinsieke aspecten onderscheidde van de niet-gevatten. De belangrijke dichotomie was dan niet langer deze tussen delinquent en niet-delinquent, maar gevat tegenover niet-gevat. In essentie kwam hiermee een volslagen nieuw paradigma tot stand binnen het criminologisch denken. Niet enkel ontstond een krachtige criminologische stroming die zich oriënteerde op het thema dat criminaliteit niet langer als ontologische categorie kon gehanteerd worden en ontwikkelde zich een belangrijke traditie in de studie van de selectieve strafrechtsbedelingsapparaten, vaak onder de kernachtige slogan "Making Crime". Maar evenzeer ontstond een meer gedempte, niet zo spectaculaire strekking, die het slachtoffer meer centraal stelde. Terwijl de criminologie zich jarenlang had verschanst achter de dienstbaarheid aan het strafrecht, waarbij uitgegaan werd van noties als "het algemeen belang" of "de openbare orde", kwam nu een nieuwsoortig belang naar voor dat eerder particulier van aard was, niet langer uitsluitend georiënteerd naar straf, maar evenzeer op herstel. In deze bijdrage ga ik ervan uit dat met deze evolutie de staat als nachtwacht, als stiefvader van de veiligheid van de burgers, aan belang heeft ingeboet.
1
Het slachtoffer en de criminologie: afscheid van een stiefvader
Paul Ponsaers
In de criminologie is heel lang gezocht naar oorzaken van misdadig gedrag. Theorieën, die
over de oorzaken van crimineel gedrag kunnen worden opgesteld, noemt men ”etiologische”
theorieën. In de vijftiger en zestiger jaren kwam een stroming in de sociologie op, die niet
langer wilde kijken naar dit soort oorzaken van afwijkend gedrag, maar de blik richtte op
vragen als: welk gedrag wordt nu eigenlijk als afwijkend bestempeld en hoe gaat de
definiëring van gedrag; de opstelling en toepassing van sociale normen; nu eigenlijk in zijn
werk. Deze benadering werd bekend als de labelling theory”, welke kaderde binnen de
bredere stroom van symbolisch interactionistische theorieën. Dit symbolisch interactionisme
is in de (criminele) sociologie ontstaan als een reactie op het etiologisch denken. De kritieken
waren vooral geinspireerd vanuit de bevindingen van het dark-numberonderzoek.
Het dark-numberonderzoek poogde aan de hand van diverse methodes een schatting te maken
van de hoeveelheid en de aard van de politioneel niet-gekende delicten en delictenplegers.
Vrij snel bleek dat de dichotomie tussen delinquent en niet-delinquent niet meer houdbaar
was, en dat het plegen van delicten veel meer verspreid was dan men tot dan toe geloofde.
Men stelde vast dat de politie slechts een kleine hoeveelheid van delicten en delictenplegers
kende en dat de gevatte groep zich volgens bepaalde misdrijf-extrinsieke aspecten
onderscheidde van de niet-gevatten. De belangrijke dichotomie was dan niet langer deze
tussen delinquent en niet-delinquent, maar gevat tegenover niet-gevat. In essentie kwam
hiermee een volslagen nieuw paradigma tot stand binnen het criminologisch denken.
Niet enkel ontstond een krachtige criminologische stroming die zich oriënteerde op het thema
dat criminaliteit niet langer als ontologische categorie kon gehanteerd worden en ontwikkelde
zich een belangrijke traditie in de studie van de selectieve strafrechtsbedelingsapparaten, vaak
onder de kernachtige slogan “Making Crime”. Maar evenzeer ontstond een meer gedempte,
niet zo spectaculaire strekking, die het slachtoffer meer centraal stelde. Terwijl de
criminologie zich jarenlang had verschanst achter de dienstbaarheid aan het strafrecht, waarbij
uitgegaan werd van noties als “het algemeen belang” of “de openbare orde”, kwam nu een
nieuwsoortig belang naar voor dat eerder particulier van aard was, niet langer uitsluitend
georiënteerd naar straf, maar evenzeer op herstel. In deze bijdrage ga ik ervan uit dat met deze
evolutie de staat als nachtwacht, als stiefvader van de veiligheid van de burgers, aan belang
heeft ingeboet.
Hoogleraar Criminologie & Rechtssociologie, Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep
Strafrecht & Criminologie, Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse.
2
In ons land kende de slachtofferstudie haar opgang op een min of meer geïnstitutionaliseerde
wijze met de introductie van de Veiligheidsmonitor. Dit instrument kreeg een vernieuwde
aandacht bij de opkomst van de slachtofferbeweging, die in ons land haar hoogtepunt kende
naar aanleiding van de zaak Dutroux.
Vraag is in hoeverre beleidsmakers zich inderdaad meer en meer laten inspireren door de stem
van de burger bij het ontwikkelen van het beleid. Deze gedachte kreeg immers bijkomende
impulsen naar aanleiding van de introductie van het Community (Oriented) Policing-model in
ons land (PONSAERS, 2002-a; PONSAERS, 2002-b). Deze bijdrage gaat na of het beleid zich
inderdaad meer dan voorheen stoelt op de resultaten van de Veiligheidsmonitor. Om dit na te
gaan worden de beleidsondersteunende aspiraties van de Veiligheidsmonitor tegen het licht
gehouden.
1. De Belgische Veiligheidsmonitor : ontstaan en methodologie
De Nederlandse Politiemonitor werd eind jaren ’80 ontwikkeld. Dit gebeurde naar aanleiding
van de toenmalige hervorming van de politie en kwam in grote mate voort uit het
allocatievraagstuk dat uit die hervorming voortvloeide. De beschikbare politiecapaciteit in
Nederland diende herverdeeld te worden over de nieuwe “politieregio’s”. Oorspronkelijk
gebeurde deze herverdeling op basis van de geregistreerde criminaliteitscijfers. Hierop kwam
terecht kritiek. De geregistreerde criminaliteitscijfers bevatten immers enkel misdrijven die
werden geregistreerd. Bovendien bleken -ten behoeve van een capaciteitsbepaling van
politiediensten- ook andere parameters van groot belang. Als antwoord op deze kritiek werd
dan de Politiemonitor ontworpen. Het ging om een grootschalige bevolkingsbevraging, die
het voorkomen van criminaliteit rechtstreeks bij de (potentiële) slachtoffers bevroeg en
daarnaast ook andere variabelen bestudeerde.
In 1996 gaf de toenmalige Belgische minister van Binnenlandse Zaken opdracht om een
gelijkaardig project uit te werken (DE KLERCK & SCHARFF, 1997; SCHARFF, 1997). Op dat
ogenblik was het Belgisch politiebestel nog niet toe aan een grondige hervorming. Het
centrum van de politieke belangstelling voor dergelijke bevraging in België lag veeleer in
enerzijds de notie ‘Integrale Veiligheid’ die beleidsmakers wensten te ontwikkelen
(PONSAERS, 2005) -eveneens een Nederlands importproduct-, en anderzijds in de behoefte aan
evaluatieinstrumenten mbt. de zgn. veiligheids- en samenlevingscontracten. Het nieuwe
instrument kreeg de naam Veiligheidsmonitor. Het betrof een grootschalige,
gestandaardiseerde bevolkingsenquête, die vijf modules omvatte die betrekking hadden op :
(1) buurtproblemen, (2) onveiligheidsgevoelens, (3) slachtofferschap & aangiftegedrag, (4)
politiefunctioneren en (5) preventie. De ambitie bestond erin de veiligheidsbehoeften van de
bevolking te detecteren. Deze bevolkingsbevraging moest een beeld opleveren van hoe de
3
Belgische bevolking over (on)veiligheid, criminaliteit en politie dacht. In 1996 werd de eerste
bevraging gerealiseerd (PONSAERS, DE VREESE et al, 1997) en sindsdien wordt het project op
regelmatige basis hernomen. Door de wijze waarop het instrument wordt georganiseerd en
geïmplementeerd moest het in principe toelaten zowel vergelijkingen in ruimte als
vergelijkingen in tijd mogelijk te maken. Vandaar ook de benaming ‘monitoring’.
Vergelijkingen in de ruimte worden meer bepaald mogelijk daar het gaat om een federaal
georganiseerd standaardinstrument, dat op twee beleidsniveaus wordt gerealiseerd, met name
het lokale en het federale niveau (PONSAERS, STIEL ET AL, 1999). Vandaar dat een
onderscheid wordt gemaakt tussen de federale Veiligheidsmonitor en lokale
Veiligheidsmonitoren. De federale Veiligheidsmonitor wordt op het niveau van het land
afgenomen en bekomt significante resultaten voor het land, de gewesten, de provincies en
bepaalde types van gemeenten. De lokale bevragingen hebben betrekking op gemeenten en
politiezones. Voor elk niveau wordt uit het Belgacom-telefoonbestand een toevalssteekproef
getrokken. In elk, op deze wijze geselecteerd, huishouden wordt de persoon die 15 jaar of
ouder is en het eerst jarig zal zijn, bevraagd. Op deze manier wordt een representatief staal
bekomen van de populatie van 15 jaar en ouder.
De uitvoering van, zowel de federale als de lokale, Veiligheidsmonitor als
standaardinstrument op federaal niveau vormt de beste garantie om de implementatie van de
Veiligheidsmonitor op uniforme wijze te laten gebeuren en een verantwoorde vergelijking
tussen de resultaten van de verschillende niveaus mogelijk te maken. Resultaten van de lokale
Veiligheidsmonitoren kunnen aldus met een algemeen referentiekader worden vergeleken. Op
deze wijze kunnen de individuele gemeenten en politiezones zich, met andere woorden,
inzake de bevraagde onderwerpen positioneren ten opzichte van supralokale niveaus (land,
gewest, provincie) of ten opzichte van gemeenten met dezelfde kenmerken
(gemeentetypologie), zodat men de eigen resultaten beter naar waarde en betekenis kan
inschatten. Voor de uitvoering van de bevraging door middel van 'Computer Assisted
Telephone Interviews'
1
wordt een beroep gedaan op een marktonderzoeksbureau. De analyse
van de resultaten wordt vandaag door de federale politie waargenomen. Deze analyse
resulteert in diverse beschrijvende tabellenrapportages.
Naast een vergelijking in de ruimte, beoogt de Veiligheidsmonitor -zoals reeds aangehaald-
eveneens een vergelijking in de tijd, wat een trendanalyse mogelijk maakt. Dit longitudinaal
perspectief is mogelijk door de Veiligheidsmonitor herhaaldelijk af te nemen. Tot nog toe
vonden vier afnamegolven plaats. Een eerste situeerde zich in 1997, een tweede in 1998, een
1
Het systeem van 'Computer Assisted Telephone Interviews' of, kortweg, het CATI-systeem, is een bijzondere
vorm van telefonische bevraging. Hierbij maakt de interviewer gebruik van een computer. Hij leest de vragen
direct van het scherm af en kan de antwoorden vervolgens ook rechtstreeks op het toetsenbord intikken of met de
muis aanklikken.
4
derde in 2000 en een vierde in 2002 (GOETHALS et al, 2002). In 1997 werd de
Veiligheidsmonitor dus voor een eerste maal, zowel op federaal als op lokaal niveau,
gerealiseerd. Wat de lokale Veiligheidsmonitoren betreft, werden telkens 300 huishoudens
bevraagd; dit evenwel met uitzondering van de grote steden waarin de steekproef uit 400
huishoudens bestond.
Er zijn talrijke politiezones die niet over resultaten van deVeiligheidsmonitor beschikken. De
afname wordt immers grotendeels beperkt tot die zones die beschikken over een veiligheids-
en preventiecontract. Zij worden voor het opstellen van hun zonaal veiligheidsplan niettemin
aangemoedigd om naast “harde” cijfers inzake geregistreerde criminaliteit, ook zogenaamde
“zachte” cijfers op te nemen. Hierbij koestert men de ambitie dat deze gegevens bepalend
zouden zijn bij het stellen van beleidsprioriteiten.
De zoektocht naar zachte cijfers leidt vaak tot het ontwerp van een eigen vragenlijst : “Ik denk
dat dit voor een stuk vanuit de evolutie is om meer en meer in de richting van Community
(Oriented) Policing te gaan werken, de enige manier is hier het bevragen van de bevolking,
dit vaak via een enquête. In sommige zones is de Veiligheidsmonitor echter te duur of te
weinig specifiek en dan zal men zelf een enquête uitvoeren”. Men bevraagt de bevolking,
maar ook wel omdat : “Het staat in het zonale veiligheidsplan dat we het moeten doen, dus
we doen het dan maar hé”. Wellicht een ontnuchterende vaststelling, maar een realiteit.
Verschillende redenen liggen aan de grondslag waarom men zelf een vragenlijst maakt. Het
is echter niet zo dat, als men niet over monitorresultaten beschikt, men dán overgaat op een
eigen bevraging. Veel zones die betrokken zijn bij de uitvoering van een Veiligheidsmonitor,
ontwerpen daarbovenop een eigen enquête. Dit, omdat ze de Veiligheidsmonitor niet
toereikend genoeg vinden om op lokale kwesties in te gaan. In deze gevallen wordt de
monitor als minder belangrijk gezien, men stelt immers de meest waardevolle informatie uit
de eigen bevraging te halen.
2. Evaluatie van een evaluatie-instrument
Enkele jaren geleden werd, in opdracht van de federale politie, door de Universiteit Gent en
de Katholieke Universiteit Leuven een “Evaluatie-onderzoek Veiligheidsmonitor”
doorgevoerd. Dit onderzoek had als doel de verwerking en (beleidsmatige) aanwending van
de gegevens van de Veiligheidsmonitor op lokaal niveau ter studie te nemen en eventueel te
optimaliseren (PONSAERS, VERVAEKE ET AL, 2001). Recent voerde de Onderzoeksgroep
Sociale Veiligheidsanalyse, in samenwerking met de Universiteit Luik, opnieuw een
onderzoek ter zake, ditmaal met het oog op het ontwikkelen van alternatieve
bevragingswijzen (PONSAERS, LEMAÎTRE ET AL, 2005).
5
Ook in dit onderzoek werd uitvoerig stilgestaan bij de beleidsbehoeften die leefden op de
werkvloer. In het kader van beide onderzoeken werden semi-gestructureerde
(groeps)interviews afgenomen, enerzijds met de lokale analyst(en) van de politie (die
instonden voor de data-exploratie en rapportering), anderzijds met de beleidsactoren onder
wiens bevoegdheid de besluitvorming inzake het lokale veiligheidsbeleid viel. Opvallend was
dat het de bevraagde respondenten nogal wat reserves formuleerden tav. de
Veiligheidsmonitor (LEMAÎTRE & PONSAERS, 2005).
Constructie van de vragenlijst
Uit het onderzoek blijkt de nood bij de lokale actoren aan een grotere transparantie vanwege
het federale niveau omtrent de projectcoaching. Verder wordt inzake de constructie van de
vragenlijst vermeld dat op inhoudelijk vlak niet alle relevante maatschappelijke realiteiten aan
bod worden gebracht.
De monitor behelst inderdaad (slechts) een selectie aan informatie die men over veiligheid,
criminaliteit en politie kan nagaan. Dit is natuurlijk onvermijdelijk. Men kan niet alles
bevragen, temeer daar -wegens betrouwbaarheidsredenen- dient te worden gestreefd naar het
niet al te zeer belasten van de respondenten. Belangrijk is evenwel dat de selectie, die werd
gemaakt door de opstellers van de vragenlijst, dient te worden verantwoord. Hier blijkt de
nood aan het expliciteren van een achterliggend theoretisch kader.
Aangezien evenwel de vragenlijst in grote mate ontleend werd aan de Nederlandse
Politiemonitor, die een andere finaliteit had (cfr. supra) dan de Belgische Veiligheidsmonitor,
stelt dit vraagstuk zich uitdrukkelijk. Immers, indien het gaat om een instrument dat
aangewend zou moeten kunnen worden in het kader van het capaciteitsverdelingsvraagstuk, is
het noodzakelijk een volledige dekking te realiseren via steekproeven van alle politiezones in
het land. Zolang dit niet het geval is kan de oorspronkelijke Nederlandse ambitie onmogelijk
waargemaakt worden en verschilt het theoretisch kader grondig van datgene waarvoor de
huidige Veiligheidsmonitor wordt aangewend in België, met name als evaluatie-instrument
voor de Veiligheids- en Samenlevingscontracten die slechts aan de grote en middelgrote
steden worden toegekend.
In het verlengde is het dan ook begrijpelijk dat lokale actoren het als een gemis ervaren dat zij
niet de mogelijkheid hebben om aan de gestandaardiseerde vragenlijst lokale accenten, in de
vorm van bijkomende vragen, toe te voegen. Men kan uiteraard niet ontkennen dat het
bevragen van specifieke lokaal relevante thema's een meerwaarde zou kunnen bieden.
Dergelijke lokale bevraging kan echter onmogelijk vanop het federale niveau worden
6
gerealiseerd. Het verdient dan ook wellicht aanbeveling om op lokaal niveau hiervoor
geëigende, bijkomende instrumenten te ontwerpen onder de vorm van zogn. ‘Monitor-Plus’-
modules. De bestaande Veiligheidsmonitor kan immers in deze context slechts een indicatie
geven over de onderwerpen die al dan niet verdienen lokaal dieper te worden onderzocht. Een
lokaal specifieke bevraging overschrijdt niet enkel de federale mogelijkheden, bovendien
strookt zij niet met het opzet van de Veiligheidsmonitor. De monitor betreft immers een
gestandaardiseerd instrument, waarvan de standaardisatie tegemoet komt aan het doel
geografische vergelijkingen te realiseren. Het opnemen van lokaal specifieke vragen zou
hieraan afbreuk doen.
Inzake de constructie van de vragenlijst wordt door de lokale actoren ook aangehaald dat het
hanteren van gevarieerde antwoordcategorieën bij de respondent verwarring kan
teweegbrengen. Deze moeilijkheid is begrijpelijk. Er dient evenwel te worden vermeld dat
het vanuit methodologisch oogpunt in de sociale wetenschappen niet gangbaar is om steeds
dezelfde antwoordcategorieën te benutten. Dit zou immers een repetitief karakter van de
vragenlijst teweegbrengen, wat het risico op een repetitief antwoordpatroon van de respondent
bewerkstelligt. Bovendien is de wijze waarop de antwoordcategorieën worden geformuleerd
afhankelijk van welk aspect men bevraagt. Dit is in het bijzonder het geval wanneer men
informeert naar een opinie of attitude.
Nog in het kader van antwoordcategorieën, wordt door de lokale actoren als problematisch
opgemerkt dat de middencategorie als 'vluchtcategorie' kan worden gehanteerd. Dit is
inderdaad het geval, maar niet ongebruikelijk in de sociale wetenschappen, integendeel. De
middencategorie is immers bewust als een 'vluchtcategorie' bedoeld. Men vraagt respondenten
naar hun mening omtrent een bepaald onderwerp en biedt diegenen die terzake geen mening
hebben inderdaad een 'vluchtweg' aan. Wanneer dit niet het geval zou zijn, zouden personen
zonder mening (lukraak) een mening veinzen, wat de betrouwbaarheid van de verkregen
informatie zou aantasten. Mutatis mutandis meent Billiet (1996) dat bij opinie-onderzoek bij
voorkeur steeds een middencategorie dient te worden aangebracht, daar respondenten niet de
neiging hebben spontaan hun eigen mening weer te geven wanneer deze van de aangeboden
antwoordmogelijkheden afwijkt.
Ten derde wordt door de lokale actoren aangehaald dat een aantal indicatoren een te beperkte
samenstelling kennen. Dit betreft een zeer terechte opmerking. De wijze waarop indicatoren
worden samengesteld is in de sociale wetenschappen inderdaad steeds aan een aantal
methodologische beperkingen onderhevig. Niettemin bundelen zij de scores op items die
7
inzake een bepaald onderwerp samenhangen en vormen zij aldus een beeld van de
achterliggende opinie of attitude dat sterker is dan de scores op elk van de individuele items
2
.
Wijze van afname
Heel wat lokale actoren vragen zich af of een steekproef van 300 à 350 respondenten voor de
totale bevolking van hun gemeente of politiezone wel tegemoet komt (kan komen) aan de
vereisten inzake een representatieve steekproef. In principe is de vereiste steekproefgrootte
afhankelijk van diverse factoren. Een eerste bepalende factor betreft het analyseniveau
waarop men uitspraken wenst te doen. Indien men globale uitspraken over de gehele populatie
beoogt, kan de steekproef relatief klein worden gehouden. Indien men, daarentegen, ook
uitspraken over subcategorieën wenst te formuleren, moeten ook deze subcategorieën in
voldoende mate aanwezig zijn, wat een grotere steekproef noodzaakt. Naast het analyseniveau
is, ten tweede, ook de gewenste nauwkeurigheid van de onderzoeksresultaten determinerend
voor de vereiste minimale steekproefomvang. Hoe nauwkeuriger de gewenste resultaten, hoe
groter de steekproefomvang dient te zijn. Bovenop deze theoretische voorwaarden spelen, bij
het bepalen van de uiteindelijke steekproefgrootte, ook een aantal praktische overwegingen
een rol. Gezien deze praktische belemmeringen, komt het er in de praktijk op neer dat dient te
worden nagegaan met welke betrouwbaarheid er op welk analyseniveau kan worden gewerkt.
Inzake de Veiligheidsmonitor wordt een betrouwbaarheid van 90% vooropgesteld
3
, hetgeen
binnen de sociale wetenschappen gangbaar is. Hiermee rekening houdend is de gewenste
minimale steekproef vanuit louter statistisch oogpunt te bepalen op 290 eenheden. Het
hanteren van een minimum van 300 respondenten is aldus zeker aanvaardbaar. Wat de grote
steden
4
betreft, wordt dit aantal overigens tot 400 opgetrokken (DE KLERCK & SCHARFF,
1997).
Bovenstaande houdt nauw verband met een andere bekommernis die leeft bij de lokale
actoren. Men vindt dat de steekproef op een te ruim niveau wordt getrokken, in die zin dat
men geen zicht heeft op de spreiding van respondenten naar wijken of sectoren toe. De
2
Omwille van de methodologische problemen die met het opstellen van indicatorenscores gepaard gaan werd
beslist om, met betrekking tot de gegevens van de Veiligheidsmonitor, geen indicatoren meer te berekenen. In
het licht van de moeilijkheid van het meten van meningen en opinies en de hieraan tegemoet komende waarde
van het bundelen van diverse items die verschillende aspecten ter zake bevragen, kan deze beslissing evenwel in
vraag worden gesteld. Bovendien doet het niet hernemen van de indicatoren afbreuk aan de longitudinale
vergelijkingsmogelijkheden van de monitorgegevens.
3
De op basis van een steekproef verkregen gegevens kunnen nooit zomaar naar de totale populatie worden
veralgemeend. Men dient immers met een mogelijke foutmarge in de steekproef rekening te houden. Ter zake
wordt wat de Veiligheidsmonitor betreft steeds een betrouwbaarheid van 90 % nagestreefd. Dit betekent dat men
vanuit de steekproefgegevens met 90 % betrouwbaarheid of zekerheid uitspraken kan doen omtrent de populatie
en dat men bij de extrapolatie van een bepaald steekproefpercentage naar de populatie met een
betrouwbaarheidsinterval rekening dient te houden. De vooropgestelde betrouwbaarheid (i.c. 90 %) bepaalt
mede de vereiste minimale steekproefgrootte. Hoe groter de nagestreefde betrouwbaarheid is, hoe groter de
steekproefomvang dient te zijn.
4
In Vlaanderen betreffen de grote steden met name Antwerpen en Gent.
8
resultaten worden aldus als weinig bruikbaar ervaren met het oog op beleidsontwikkeling
gericht op kleinere geografische entiteiten. Deze opmerking is volledig terecht: op basis van
de resultaten kan (en mag) men op wijkniveau geen uitspraken doen. Dit betreft echter één
van de beperkingen van de Veiligheidsmonitor die conform zijn aan de doeleinden die men
bij de concipiëring van het instrument vooropstelde. Het doel van de lokale
Veiligheidsmonitor betreft een analyse op het niveau van de gemeente of politiezone, de
steekproef wordt dan ook op dit niveau getrokken. Wanneer men evenwel analyses op wijk-
of buurtniveau wenst uit te voeren, dienen ook op dit niveau steekproeven te worden
getrokken. Het op het niveau van elke wijk of buurt trekken van steekproeven die voldoende
groot zijn om voor de respectievelijke wijken als representatief te kunnen worden beschouwd,
zou voor de federale overheid echter een onmogelijke kost betekenen. Hierom werd de
mogelijkheid tot afname van buurtmonitoren, die evenwel door de lokale overheid dienen te
worden gefinancierd, ontwikkeld.
Feit blijft evenwel dat het aandeel respondenten, dat effectief van een bepaald misdrijf
slachtoffer werd, en aldus -in de module 'Slachtofferschap en aangiftegedrag'- omtrent deze
victimisering dieper wordt bevraagd een subcategorie betreft die te klein is om op basis van
haar antwoorden uitspraken met betrekking tot dit type delict te formuleren, die kunnen
worden veralgemeend naar alle slachtoffers ter zake binnen de betreffende gemeente of
politiezone. Diepere lokale slachtofferanalyses met betrekking tot een bepaald delict zijn, met
andere woorden, op basis van de gegevens van de Veiligheidsmonitor niet mogelijk. Dit
probleem kan evenwel op twee manieren worden opgevangen. Vooreerst kunnen wel diepere
slachtofferanalyses met betrekking tot een bepaald delict op hogere geografische
aggregatieniveaus (gemeentetypologisch, gewestelijk, provinciaal, landelijk) worden
uitgevoerd. Ten tweede kunnen diepere slachtofferanalyses voor het lokale niveau over de
diverse misdrijftypes heen worden uitgevoerd.
Verder wordt in deze context door de lokale actoren erop gewezen dat de Veiligheidsmonitor
slechts een momentopname betreft en aldus niet tegemoetkomt aan het evolutief,
conjunctureel karakter van criminaliteitsfenomenen. Ook deze opmerking is volledig terecht.
Een voortdurende monitoring van de lokale situatie behoort immers niet tot de doelstellingen
van de Veiligheidsmonitor. De Veiligheidsmonitor beoogt eerder een longitudinaal
perspectief te bieden. Voor het opsporen van meer acute problemen lijkt het ontwikkelen van
een volkomen ander geconcipieerd instrument (vanuit methodologisch oogpunt)
5
aangewezen,
wat opnieuw het best op lokaal niveau kan geschieden.
5
Bvb. zogn. quick-scan methodieken of het uitwerken van criminaliteitsbarometers.
9
Naast deze beperkingen van de Veiligheidsmonitor, die inherent zijn aan de keuze van het
methodologisch instrument, met name survey-onderzoek, worden door de lokale actoren
eveneens bedenkingen geformuleerd inzake de wijze van afname. Ook deze zijn, in mindere
of meerdere mate, evenwel onvermijdelijk. Iedere manier van bevraging kent immers haar
voor- en nadelen, zo ook het Computer Assisted Telephone Interview (CATI)
6
. De nadelen
die lokale actoren hieromtrent aanbrengen, zijn dan ook terecht, maar -opnieuw- niet te
vermijden. Meer concreet met betrekking tot het telefonisch interviewen wordt opgeworpen
dat deze bevraginswijze bepaalde bevolkingsgroepen uitsluit. Dit geldt in het bijzonder voor
dat deel van de bevolking dat niet over een (in het publieke Belgacom-bestand opgenomen)
telefoonaansluiting beschikt en/of dat de taal van het onderzoek (i.c. Nederlands of Frans) niet
of onvoldoende beheerst. Concreet betekent dit dat de steekproef niet representatief is voor de
gehele populatie, maar (enkel) voor dat deel van de populatie dat over een publieke
Belgacom-telefoonaansluiting beschikt en bovendien de Nederlandse of Franse taal voldoende
beheerst. Bij de duiding of interpretatie van de resultaten dient men met dit gegeven rekening
te houden. Specifieke doelgroepen, zoals bijvoorbeeld migrantenpopulaties, dienen middels
andere, meer geëigende onderzoeksmethoden (zoals bijvoorbeeld via een bevraging van
verenigingen of sleutelfiguren) te worden bereikt
7
.
Verwerking van de gegevens
Lokale actoren uiten diverse kritieken die betrekking hebben iop de verwerking van de
monitorgegevens. Enkele actoren wensen een uitbreiding van de tabellenrapportage (die
vanuit federaal nivau wordt verstrekt) en dit in de zin van het aanbieden van interpretaties en
conclusies per tabel, een samenvatting van de voornaamste resultaten, eindconclusies en
beleidsaanbevelingen. Deze vraag weerspiegelt o.i. een gebrek aan lokaal gespecialiseerd
personeel. Voor de federale diensten is een volledige analyse van de lokale monitoren niet
haalbaar, en evenzeer niet wenselijk. Dit zou immers volledig voorbijgaan aan de idee van
lokale contextualisering. Het interpreteren en contextualiseren van de monitorgegevens dient
te worden gebaseerd op kennis van de lokale context waarin deze gegevens tot stand kwamen.
Enkel lokale actoren beschikken over dergelijke kennis.
De vraag naar de ruwe data met betrekking tot de Veiligheidsmonitor is wel heel pertinent.
Lokale analisten halen terecht aan dat op basis van ruwe data meer uitgebreide en meer lokaal
6
Het CATI-systeem is een bijzondere vorm van telefonische bevraging. Hierbij leest de interviewer namelijk de
vragen direct van het computerscherm af en kan hij de antwoorden vervolgens ook rechtstreeks op het
toetsenbord intikken of met de muis aanklikken.
7
Net zoals de telefonische bevraging haar nadelen kent, kent ook de schriftelijke bevraging haar schaduwkanten.
De 'klassieke' nadelen van de schriftelijke enquête zijn gekend : een hoge non-respons en geen controle op de
invulling. Men kan zich dan ook de vraag stellen of de goedkopere optie die de schriftelijke afname van de
Veiligheidsmonitor biedt achteraf niet duurder zou worden betaald in termen van non-respons,
controleerbaarheid (en derhalve betrouwbaarheid), inspanningen van lokale actoren en vergelijkbaarheid.
10
toegespitste analyses zouden kunnen worden opgesteld. Hierbij kunnen onder meer
monitorresultaten aan bepaalde socio-economische gegevens worden gerelateerd. In de
Veiligheidsmonitor zelf worden immers een aantal socio-economische achtergrondkenmerken
van de respondenten bevraagd. Dit biedt de mogelijkheid om deze achtergrondkenmerken
rechtstreeks aan het antwoordpatroon van de respondent met betrekking tot bepaalde vragen
te relateren. Dit betekent (althans met betrekking tot een aantal variabelen) een oplossing
voor de moeilijkheden waarmee men bij het pogen relateren van de monitorgegevens aan
externe socio-economische gegevens wordt geconfronteerd
8
. Een aantal analisten duiden
expliciet op deze moeilijkheden, zonder blijkbaar evenwel te beseffen dat de
Veiligheidsmonitor hiertoe zelf een oplossing biedt. Dergelijke operaties vergen evenwel een
kennis van bi- of multivariate statistische technieken. Deze knowhow is evenwel zelden
beschikbaar op lokaal niveau.
Verder wordt gewezen op een aantal factoren die een vergelijking van de monitorresultaten
met de polititiële geregistreerde criminaliteitscijfers belemmeren. Men mag evenwel niet uit
het oog verliezen dat het niet de bedoeling van de Veiligheidsmonitor is om een verificatie of
vergelijking met de geregistreerde criminaliteitscijfers te realiseren. De resultaten van beide
reeksen dienen daarentegen in een aanvullend perspectief te worden bekeken, waarbij met
diverse valkuilen en beperkingen rekening hoort te worden gehouden.
Een andere opmerking betreft het gegeven dat het interpreteren en contextualiseren van de
monitorresultaten bemoeilijkt wordt door de multivariabele context die een gemeente of
politiezone kenmerkt. Deze opmerking is terecht, alles heeft als het ware inderdaad met alles
te maken. Het kan en mag evenwel niet de bedoeling zijn om de gehele wereld in haar
samenstellende elementen te verklaren, maar wel om na te gaan of vanuit de informatie die de
Veiligheidsmonitor biedt, relevante vragen op een bevredigende manier kunnen worden
beantwoord.
Tenslotte wordt aangehaald dat men geen zicht heeft op de persoonlijke contextvariabelen die
het antwoordpatroon van de respondent beïnvloeden, zodat men deze bij de contextualisering
niet mee in rekening kan brengen. Hierbij verwijst men in het bijzonder naar de module die
betrekking heeft op de beoordeling van het politiefunctioneren. Deze opmerking gaat slechts
gedeeltelijk op. Op andere plaatsen in de Veiligheidsmonitor worden immers relevante
contextvariabelen bevraagd. Middels bi- of multivariate technieken kunnen deze variabelen
bij de analyse van de resultaten waarin men in het bijzonder is geïnteresseerd in rekening
worden genomen. Dit geldt evenwel niet voor alle mogelijks relevante contextvariabelen,
zoals bijvoorbeeld de kennis van de respondent inzake politie. Deze kennis kan inderdaad
8
Dit relateren van monitorgegevens aan elkaar kan worden aangeduid met de term 'interne contextualisering'.
11
beperkt of subjectief gekleurd zijn, zodat de respondent zich mogelijks bij zijn beoordeling
van de politie niet op een exacte en objectieve achtergrond baseert. Niettemin betreft dit wel
zijn opinie en dat is precies wat wordt gemeten.
3. De module slachtofferschap en aangiftegedrag nader beschouwd
De module slachtofferschap en aangiftegedrag wordt door de meeste respondenten als een
weinig relevante module ervaren. Er zijn weinig zones die er belang aan hechten en ze
gebruiken in de analyse (PONSAERS, 2005). De lokale actoren zijn de mening toegedaan dat er
veel te weinig respondenten bevraagd worden om een goed antwoord te bieden op de vraag
hoeveel mensen slachtoffer werden en hoeveel er dit aangeven. Zij menen dat de enige
oplossing hiervoor bestaat in ofwel het vergroten van de steekproef, ofwel het organiseren van
gerichte slachtofferbevragingen.
Het grote probleem is inderdaad dat bij een steekproef van zo’n 300-tal huishoudens in één
zone of gemeenten inderdaad slechts een 10% “last year”-slachtofferschappen worden
gemeld, wat over het algemeen neerkomt op een 30-tal positieve respondenten. Een dergelijke
onderzoekssubgroep laat zich niet verder opdelen naar diverse types van delinquentie, omdat
de steekproef niet werd getrokken op een populatie van slachtoffers, maar op basis van
inwonende huishoudens, en de aantallen veel te klein zouden worden om enigszins
representatief te zijn. Het optrekken van de steekproef op lokaal niveau lijkt niet de gepaste
oplossing voor dit probleem te kunnen bieden, aangezien hierdoor de kostprijs van de
gegevensinzameling wel erg hoog zou oplopen. Vandaag vinden lokale bestuurders het
huidige enquêtewerk in het kader van de Veiligheidsmonitor al overdreven duur.
Men merkt op dat slachtofferschap niet gebonden is aan gemeentegrenzen en het dus goed
mogelijk is dat een respondent elders slachtoffer wordt. Niettemin zal hij/zij zijn/haar
slachtofferschap melden als hiernaar gevraagd wordt. Kortom : de bevraging van het
slachtofferschap -zo vindt men- reflecteert niet het slachtofferrisico binnen de gemeente of
zone. Ook zijn de lokale actoren ervan overtuigd dat de resultaten inzake het slachtofferschap
omwille van deze redenen niet mogen vergeleken worden met de lokale criminaliteitscijfers,
die wel degelijk aangemaakt worden op basis van de pleegplaats. Een andere bemerking heeft
betrekking op het herhaald slachtofferschap, waar te weinig aandacht aan besteed wordt.
Sommigen zijn verder de mening toegedaan dat -omwille van de vergelijkbaarheid met de
criminaliteitscijfers- het onderscheid tussen individueel slachtofferschap en dat van
huishoudens eveneens niet nuttig is. Sommige analysten zijn de mening toegedaan dat voor
bepaalde soorten van feiten de geregistreerde criminaliteitscijfers een voldoende duidelijk
beeld geven (bvb. woninginbraken, autodiefstel, verkeersongevallen, …), en dat het
overbodig is deze criminaliteitsvormen nog te bevragen in het kader van een dergelijke
12
slachtofferenquête. De enen vinden dan weer dat het niet bevragen van intrafamiliaal geweld
en zedenfeiten erg schaadt aan het instrument, terwijl de anderen er dan weer van overtuigd
zijn dat opname van dergelijke feiten weinig betrouwbare informatie zou opleveren, gezien de
aard van de feiten.
4. De aanwending van de monitorgegevens
De talrijke kritieken en twijfels die bij de lokale actoren inzake het instrument de
Veiligheidsmonitor leven, kennen een duidelijke weerslag op de lokale aanwending van de
resultaten die uit de bevragingen voortvloeien. Niet zelden wordt duidelijk dat de
Veiligheidsmonitor in de gemeenten en Interpolitiezones (nog) niet de volwaardige plaats
heeft verworven waartoe hij werd ontwikkeld. Vaak blijkt een gebrek aan initiatief en
coördinatie met betrekking tot de lokale exploitatie ervan, zowel op het vlak van analyse als
op het vlak van besluitvorming en de relatie tussen beide. Een centrale figuur, die als 'motor'
fungeert, ontbreekt.
Het analyseniveau
Tussen de diverse actoren die de analyse voor hun rekening nemen, werd een grote
verscheidenheid aan kennis met betrekking tot de meting van criminaliteit en onveiligheid
vastgesteld. Eveneens bleek bij hen een grote diversiteit inzake statistische kennis, wat wordt
weerspiegeld in de diepgang van de verrichte analyses. Met een zekere regelmaat blijft de
analyse beperkt en fungeert zij als dusdanig enkel als filter tussen het federale en het lokale
beleidsniveau. In deze gevallen omvat de analyse louter een overzicht van de (belangrijkste)
resultaten in een voor de beleidsactoren eenvoudige en verstaanbare taal en visueel meer
aanspreekbare lay-out. Dit betekent dat men hier niet zozeer kan spreken van een
daadwerkelijke analyse in de eigenlijke betekenis van het woord, maar eerder van een
selectieve vertaling van de resultaten. Hierbij dient te worden vermeld dat in veel gevallen
structurele aspecten, zoals bijvoorbeeld gebrek aan deskundig personeel en/of tijd, mee aan de
basis liggen van de beperktheid van deze analyses.
Slechts uitzonderlijk wordt een daadwerkelijke analyse opgemaakt in de zin van een
diepgaande cijfermatige verwerking, een wijzen op geoorloofde en waarschuwen voor
ongeoorloofde interpretaties, een uitgebreide contextualisering met consultatie van relevante
lokale actoren, het schetsen van aandachtspunten of aangewezen prioriteiten en, tenslotte, het
formuleren van beleidsadviezen. In een aantal gevallen wordt, in kleinere gemeenten en
politiezones, inzake de analyse gerekend op de 'goodwill' van een lokale actor die evenwel
geen analist is en deze taak bovenop een reeds druk takenpakket op zich neemt. In enkele
gemeenten en politiezones, waar men niet beschikt over een lokale analist en men bovendien
13
niet van de werkzaamheden van een federaal strategisch analist op de hoogte is of wil zijn,
blijft de exploitatie van de Veiligheidsmonitor beperkt tot het ‘lezen’ van de
tabellenrapportage.
In een aantal gemeenten en politiezones, in het bijzonder op analyseniveau, wordt een groot
personeelsverloop vastgesteld. Dit vormt een probleem, in die zin dat de accumulatie van
kennis hierdoor wordt belemmerd. Doorgaans beschikt men immers niet over een protocol
dat in geval van personeelsverandering richtlijnen ter zake voorschrijft, zodat
informatiedoorstroming niet of nauwelijks wordt gerealiseerd. Hierdoor komt ten eerste de
beschikbaarheid van de gegevens voor een volgende generatie van personeelsleden in het
gedrang, wat uiteraard zijn weerslag heeft op de longitudinale vergelijkingsmogelijkheden.
Ten tweede gaat hierdoor de moeizaam opgebouwde know-how met betrekking tot de
analyse, of ruimere exploitatie, van de monitorgegevens verloren.
De relatie analyseniveau - beleidsniveau
Er kan een gebrekkige samenwerking worden vastgesteld tussen het analyseniveau en het
beleidsniveau. Dit kan worden teruggebracht tot een probleem inzake het nemen van initiatief
vanwege beide niveaus. Dit gebrek aan initiatief heeft betrekking op zowel het organiseren
van presentaties van de analyse ten aanzien van de betrokken beleidsorganen als het
organiseren van feedback aangaande de aard en inhoud van de analyse en de (mede op basis
hiervan) genomen beslissingen tav. de analisten. Tussen beide partijen is er slechts zelden
sprake van een daadwerkelijke communicatie, sommige beleidsactoren hebben zelfs weinig of
geen zicht op de wijze waarop de analyse werd opgesteld of door welke concrete actoren dit
gebeurde. Enerzijds bewerkstelligt dit gebrek aan bespreking van de resultaten het maken van
verkeerde interpretaties in hoofde van de beleidsactoren, des te meer daar in de
analyserapporten soms niet op gevaren ter zake wordt gewezen. Bovendien draagt het gebrek
aan communicatie tussen analisten en beleidsactoren (bij deze laatsten) bij tot een gebrek aan
inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van de Veiligheidsmonitor; vaak weten
beleidsactoren het instrument niet naar waarde te schatten. Anderzijds brengt 'de kloof' tussen
analisten en beleidsactoren met zich mee dat de analisten geen zicht hebben op de
verwachtingen van de beleidsactoren. In de gevallen waarin beleidsactoren wel voorstellen of
verwachtingen formuleren, zijn deze -ten gevolge van hun gebrekkige kennis inzake het
instrument- soms vanuit methodologisch standpunt niet of nauwelijks haalbaar.
Naast een gebrek aan initiatief, kan ook een gebrek aan gepercipieerde eigen bevoegdheden
bijdragen tot een afwezige of minimale samenwerking tussen analyse- en beleidsniveau.
Vooral analisten achten het niet hun bevoegdheid om beleidsactoren ongevraagd op een aantal
14
zaken te wijzen. Beleidsactoren langs de andere kant, achten het ongepast zich in de
werkzaamheden van de analisten te mengen.
Het beleidsniveau
Hierboven werd reeds gemeld dat diverse beleidsactoren amper zicht blijken te hebben op de
mogelijkheden en beperkingen of, met andere woorden, op de finaliteit van de
Veiligheidsmonitor. Naast een gebrek aan communicatie met de actoren op analyseniveau,
moet worden vastgesteld dat beleidsactoren zich zelden ten gronde (laten) informeren. Het feit
dat beleidsactoren, en in het bijzonder bestuurlijke overheden, in eerste instantie slechts
indirect bij de Veiligheidsmonitor betrokken zijn is begrijpelijk en vormt op zich niet
noodzakelijk een probleem. Problemen of misverstanden kunnen wel ontstaan wanneer de
communicatie tussen beleidsvoorbereidende actoren en beleidsactoren onvoldoende wordt
gerealiseerd.
Wat de samenwerking tussen de diverse actoren op beleidsniveau betreft, worden vooral door
de politionele beleidsactoren knelpunten aangebracht. Deze kunnen worden teruggebracht tot
de ervaring dat in een aantal gemeenten en politiezones de positie van de bestuurlijke
overheid doorgaans zwaar op de besluitvorming doorweegt. Dit betreft uiteraard slechts één
kant van het verhaal, met name dat van de politionele actoren. De stem van de lokale
bestuurlijke beleidsactoren kon in deze gevallen evenwel niet worden gehoord, daar zij zelf
niet wensten gehoord te worden. Niettemin kan men niet ontkennen dat de actuele
afhankelijkheidspositie van de lokale politie ten aanzien van de burgemeester als lokaal
politieke actor implicaties heeft voor de besluitvorming, onder meer gebaseerd op de
resultaten van de Veiligheidsmonitor. Evenzeer staat vast dat inzake
samenwerkingsverbanden en communicatie veel afhangt van de onderlinge (persoonlijke)
relaties op lokaal niveau. Goede, open relaties tussen burgemeester en korpschef vormen het
beste fundament voor het opstellen van een lokaal veiligheidsbeleid. Negatieve relaties,
daarentegen, kunnen belangrijke overlegmomenten en hieruit voortvloeiende gevolgen in
zekere zin counteren.
Niet zelden wordt de Veiligheidsmonitor door de lokale actoren bekeken vanuit hun eigen
referentiekader, wat een eclectisch gebruik van de resultaten van dit instrument meebrengt.
Men gaat expliciet op zoek naar een bevestiging van de eigen indrukken, ervaringen en/of
stokpaardjes, terwijl men aan andere aandachtspunten die vanuit de Veiligheidsmonitor
worden gesuggereerd, maar die men niet verwachtte, een geringere of geen aandacht besteedt.
Bij het verwerpen van bepaalde op basis van de resultaten gesuggereerde aandachtspunten
worden, al dan niet terecht, methodologische tekortkomingen van het instrument aangewend.
15
Bovendien blijkt de monitor meermaals niet louter als beleidsondersteunend, doch tevens als
'drukkingsinstrument' te worden gehanteerd, dit zowel naar het politieke bestuur als naar
andere organen, nodig voor de materiële uitvoering van genomen beslissingen, toe. In die
optiek wordt de Veiligheidsmonitor aangewend om de eigen ervaringen te bekrachtigen met
het oog op het afdwingen van beleidsbeslissingen vanwege de bevoegde beleidsinstanties.
Ruimer blijkt ook uit diverse interviews dat een duidelijke strategie met betrekking tot
besluitvorming inzake het veiligheidsbeleid in een aantal gemeenten en politiezones
ontbreekt. Mogelijks kan een gebrek aan een duidelijke achterliggende visie inzake veiligheid
hier (mede) aan de basis liggen. Eveneens blijkt in diverse gevallen een korte-termijn visie te
primeren, wat wordt weerspiegeld in een pragmatische, reactieve aard van het beleid.
5. Tot slot
De Veiligheidsmonitor wordt gepresenteerd als een beleidsondersteunend instrument, zich
baserend op de noden en behoeften die leven bij de bevolking, doch uit de doorgevoerde
bevragingen blijkt dat het gebruik ervan bij de beleidsvoering fel te wensen overlaat en vooral
bijzonder selectief is. Men maakt er gebruik van in functie van de prioriteiten die reeds
vooropgesteld waren in plaats van bij de prioriteitstelling zelf. Een markant voorbeeld uit de
recente beleidsvoering was het oneigenlijk gebruik van de Veiligheidsmonitor, die als
aanleiding werd opgevoerd in het wetsontwerp inzake de beteugeling van overlast. In de
Memorie van Toelichting werd immers ‘de bezorgdheid van de bevolking zich in belangrijke
mate kristalliseert rond feiten van kleine criminaliteit, die geen misdrijven uitmaken, maar
niettemin bijzonder hinderlijk zijn’
9
een hoogdringend argument genoemd (Devroe, 2003).
Kort gezegd komt onze observatie er dan ook op neer dat in dit geval het instrument in grote
mate als alibi wordt aangewend om een eigengereid beleid te voeren, maar ditmaal uit
naam van … de bevolking.
Opvallend is dat het instrument eerder voorwerp van discussie blijft, terwijl de eigenlijke
onderzoeksresultaten onderbelicht blijven. Dit, terwijl in andere sectoren van het
maatschappelijk leven de survey-methode al lang ingang gevonden heeft, met alle feilen en
falen eraan verbonden. Punt is immers dat in het criminologisch bedrijf er weinig tastbare
alternatieven zijn om de studie van de criminaliteit verder te brengen. De meest markante
vaststelling blijft evenwel dat ook het wetenschappelijk criminologisch dispositief in grote
mate afwezig blijft in de aanwending van de Veiligheidsmonitorgegevens. Dit heeft
ongetwijfeld te maken met de moeilijke beschikbaarheid ervan, hetgeen manifest anders is in
andere west-europese landen. Maar natuurlijk gaat moeilijk ook wel, en toch doet het
9
Het is echter vrij logisch dat, indien de Veiligheidsmonitor, en dit om wetenschappelijke redenen, slechts een
aantal feiten bevraagt, die inderdaad vooral de kleine storende criminaliteit uitmaken in de publieke sfeer, de
antwoorden op de vragenlijst de in de Memorie van Toelichting geschetste uitslag geven.
16
criminologisch wereldje weinig een beroep op de Veiligheidsmonitor. De criminologische
aandacht voor het slachtofferschap blijft blijkbaar toch nog eerder marginaal, ondanks de met
de mond beleden andere oriëntaties. Het definitieve afscheid van stiefvader staat heeft de
Belgische criminologie dan toch nog niet genomen.
Bibliografie
BILLIET, J.B. (1996). Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek: Ontwerp en dataverzameling. Leuven:
Acco.
DE KLERCK, S., SCHARFF, P. (1997). Handboek Veiligheidsmonitor 1997. Brussel: Algemene Politiesteundienst,
Afdeling Politiebeleidsondersteuning.
DENSCOMBE, M. (1998). The good research guide. Buckingham: Open University Press.
DEVROE, E. (2003). “Last van overlast : volle GAS vooruit?”, in : Orde van de Dag, afl. 24, p. 7-33.
GOETHALS, J., PONSAERS, P., DEVROE, E., PAUWELS, L., BEYENS, K. (2002). “Criminografisch onderzoek in
België”, in : Criminologie in actie. Handboek criminologisch onderzoek, BEYENS, K., GOETHALS, J.,
PONSAERS, P., VERVAEJE, G. (eds.), Politeia, Brussel, p. 137-188.
LEMAITRE, A., PONSAERS, P. (2005). “Difficultés dans l’utilisation d’instruments de pilotage pour la définition
des politiques de sécurité locales - Le cas du moniteur de sécurité en Belgique”, in : Revue de la Faculté de
droit de l’Universiteé de Liège, Larcier, Louvain-la-Neuve, 50ième année, p. 43-54.
MAY, T. (1997). Social research: issues, methods and process. Buckingham: Open University Press.
PONSAERS, P. (2002-a) “On evaluating ‘Community (Oriented) Policing’ through other police models”, in :
Evaluating Community Policing, Van den Broeck, T., Elieaerts, Ch. (eds.), Politeia, Brussels, 2002, p. 51-
76.
PONSAERS, P. (2002-b). “De politie in de ‘community’ of de ‘community’ in de politie?”, in : Handboek
Forensisch Welzijnswerk, Bouverne-De Bie, M., Kloeck, K., Meyvis, W., Roose, R., Vanacker, J. (eds.),
Academia Press, Gent, 2002, p. 417-456.
PONSAERS, P. (ed.) (2005). Integraal Veiligheidsbeleid 2005, Kluwer, Mechelen, pp. 479.
PONSAERS, P. (2005). “Weerstanden tegen de Veiligheidsmonitor of de mythe dat het beleid zich laat
ondersteunen”, in: Orde van de Dag, Kluwer, Mechelen, 2005, nr. 29, p. 27-34.
PONSAERS, P., ENHUS, E. (2000). “Vademecum veiligheidsplannen ten behoeve van het opstellen van het
nationaal veiligheidsplan en de zonale veiligheidsplannen”, in : Vademecum Politiezones, Uitgeverij
Politeia, Addendum 2, p. 1-108; PONSAERS, P., ENHUS, E. (2001). “Werkbundel bij het vademecum
veiligheidsplannen ten behoeve van het opstellen van het nationaal veiligheidsplan en de zonale
veiligheidsplannen”, in : Vademecum Politiezones, Uitgeverij Politeia, Addendum 3, p. 1-127.
PONSAERS, P. mmv. DE VREESE, S., SCHARFF, P. (1997). De Veiligheidsmonitor - Beschrijving van de federale
veiligheidsmonitor en vergelijking tussen de lokale veiligheidsmonitoren, Algemene Politiesteundienst,
Afdeling Politiebeleidsondersteuning, Brussel: Kluwer Editorial.
PONSAERS, P., LEMAITRE, A., VERWEE, I., HOUGARDY, L., HODEIGE, R. (2005). Optimalisatie van het gebruik
van de veiligheidsmonitor, ontwikkeling van een Mini-monitor, een complementaire module en methoden
voor afname van enquêtes, Onderzoek in opdracht van POD Federaal Wetenschapsbeleid.
PONSAERS, P., STIEL, J-M. mmv. BOGAERTS, S., SCHARFF, P. (1999). De Veiligheidsmonitor 1998 Beschrijving
van de federale bevraging, Algemene Politiesteundienst, Afdeling Politiebeleidsondersteuning, Brussel:
Kluwer Editorial.
PONSAERS, P., VERVAEKE, G., GOETHALS, J. (2001). De Veiligheidsmonitor Behoeftendetectie bij de bevolking,
Brussel: Politeia.
SCHARFF, P. (1997). De Veiligheidsmonitor: De bevolking systematisch bevraagd over criminaliteit en
onveiligheid. Pretekst, 14, 3-6.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek: Ontwerp en dataverzameling
  • J B Billiet
BILLIET, J.B. (1996). Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek: Ontwerp en dataverzameling. Leuven: Acco.
Handboek Veiligheidsmonitor 1997. Brussel: Algemene Politiesteundienst
  • S De Klerck
  • P Scharff
DE KLERCK, S., SCHARFF, P. (1997). Handboek Veiligheidsmonitor 1997. Brussel: Algemene Politiesteundienst, Afdeling Politiebeleidsondersteuning.
On evaluating 'Community (Oriented) Policing' through other police models
  • P Ponsaers
PONSAERS, P. (2002-a) "On evaluating 'Community (Oriented) Policing' through other police models", in : Evaluating Community Policing, Van den Broeck, T., Elieaerts, Ch. (eds.), Politeia, Brussels, 2002, p. 51-76.
De politie in de 'community' of de 'community' in de politie?
  • P Ponsaers
  • M Bouverne-De Bie
  • K Kloeck
  • W Meyvis
  • R Roose
PONSAERS, P. (2002-b). "De politie in de 'community' of de 'community' in de politie?", in : Handboek Forensisch Welzijnswerk, Bouverne-De Bie, M., Kloeck, K., Meyvis, W., Roose, R., Vanacker, J. (eds.), Academia Press, Gent, 2002, p. 417-456.
Integraal Veiligheidsbeleid
  • P Ponsaers
PONSAERS, P. (ed.) (2005). Integraal Veiligheidsbeleid 2005, Kluwer, Mechelen, pp. 479.