ChapterPDF Available

Devroe, E., Ponsaers, P. (2008). “Veel beleidsinformatie, weinig gebruik: over het informatiedeficit van verborgen tendensen”, in Orde van de Dag - Jubileumeditie ter gelegenheid van 10 jaar Orde van de Dag. De hervormingen bij politie en justitie: in gespreide dagorde, Van Cauwenberghe, K. (ed.), Mechelen: Kluwer, n° 41, 161-174.

Authors:

Abstract

Inleiding Afgelopen decennia is er in België een indrukwekkende stroom van beleidsondersteunende informatie op gang gekomen. We hebben er-in tegenstelling tot andere landen-lang op moeten wachten, maar nu beschikken we over statistisch materiaal over het darknumber, over geregistreerde politiële criminaliteitsstatistieken, over parketstatistieken, over statistisch materiaal aangaande veroordelingen én over strafuitvoeringsstatistieken. We hopen natuurlijk allemaal dat de kwaliteit ervan nog zal verbeteren, maar het is intussen onontkoombaar : België beschikte nog nooit over zo'n brede statistische beleidsondersteunende grondstroom. De vraag die we ons in deze bijdrage stellen is of beleidsmakers hier nu wel degelijk gebruik van maken. We zullen argumenteren dat het gebruik van het beschikbare materiaal ondermaats is, ondanks het feit dat dit materiaal erg nuttige beleidsindicaties oplevert en dat het materiaal nog verdere verfijning behoeft. Om dit te doen zullen we een overzicht bieden van de beschikbare informatie op de verschillende stadia in de strafrechtsbedeling, nuttige lessen trekken en nagaan of de overheid hier haar baat mee doet 1. 1. Darknumberonderzoek Eén van de kernvraagstukken bij het voeren van een crimineel beleid blijft de vraag naar de meetbaarheid van het onveiligheidsfenomeen. Essentieel is immers het beschikken over nuttige parameters die een aanduiding geven omtrent de trends die zich aftekenen. Bij herhaling reeds werd gesteld dat het voeren van een beleid op basis van loutere geregistreerde 1 Gezien het korte bestek van deze bijdrage gaan we hier niet in op de strafuitvoering.
Veel beleidsinformatie, weinig gebruik
Over het informatiedeficit inzake verborgen tendenzen in de
criminele en administratieve rechtsbedeling
Elke Devroe, Paul Ponsaers
Inleiding
Afgelopen decennia is er in België een indrukwekkende stroom van beleidsondersteunende
informatie op gang gekomen. We hebben er -in tegenstelling tot andere landen- lang op moeten
wachten, maar nu beschikken we over statistisch materiaal over het darknumber, over
geregistreerde politiële criminaliteitsstatistieken, over parketstatistieken, over statistisch materiaal
aangaande veroordelingen én over strafuitvoeringsstatistieken. We hopen natuurlijk allemaal dat
de kwaliteit ervan nog zal verbeteren, maar het is intussen onontkoombaar : België beschikte nog
nooit over zo’n brede statistische beleidsondersteunende grondstroom.
De vraag die we ons in deze bijdrage stellen is of beleidsmakers hier nu wel degelijk gebruik van
maken. We zullen argumenteren dat het gebruik van het beschikbare materiaal ondermaats is,
ondanks het feit dat dit materiaal erg nuttige beleidsindicaties oplevert en dat het materiaal nog
verdere verfijning behoeft. Om dit te doen zullen we een overzicht bieden van de beschikbare
informatie op de verschillende stadia in de strafrechtsbedeling, nuttige lessen trekken en nagaan
of de overheid hier haar baat mee doet
1
.
1. Darknumberonderzoek
Eén van de kernvraagstukken bij het voeren van een crimineel beleid blijft de vraag naar de
meetbaarheid van het onveiligheidsfenomeen. Essentieel is immers het beschikken over nuttige
parameters die een aanduiding geven omtrent de trends die zich aftekenen. Bij herhaling reeds
werd gesteld dat het voeren van een beleid op basis van loutere geregistreerde
1
Gezien het korte bestek van deze bijdrage gaan we hier niet in op de strafuitvoering.
criminaliteitsgegevens erg veel risico’s oplevert. Immers, dat weten we, het verschil tussen
hetgeen door de politie geregistreerd wordt naar aanleiding van klachten en het darknumber van
niet aangegeven delinquentie is groot. Afgezien van occassionele universitaire onderzoeken op dit
vlak beschikt ons land sinds 1997 over een recurrent, systematisch instrument ter zake, met name
de zogn. “Veiligheidsmonitor”. Op dat ogenblik was het Belgisch politiebestel nog niet toe aan
een grondige hervorming. Het centrum van de politieke belangstelling voor dergelijke bevraging
in België lag toen reeds in de notie “Integrale Veiligheid” die beleidsmakers wensten te
ontwikkelen, en anderzijds in de behoefte aan evaluatie-instrumenten mbt. de zgn. veiligheids- en
samenlevingscontracten.
Het betreft een grootschalige, gestandaardiseerde bevolkingsenquête, die vijf modules omvat die
betrekking hebben op : (1) buurtproblemen, (2) onveiligheidsgevoelens, (3) slachtofferschap &
aangiftegedrag, (4) politiefunctioneren en (5) preventie. De ambitie bestaat erin de
veiligheidsbehoeften van de bevolking op recurrente basis te detecteren. In 1997 werd de eerste
bevraging gerealiseerd en sindsdien wordt het project op regelmatig hernomen, met name in
1998, 2000, 2002, 2004 en 2006. Het ligt dan ook in de lijn van de verwachtingen dat in het
nieuwe jaar 2008 nieuwe resultaten van deze monitor zullen bekendgemaakt worden.
Vanuit het oogpunt van darknumberonderzoek is de module inzake slachtofferschap en
aangiftegedrag van de Veiligheidsmonitor zonder twijfel de meest relevante. Deze module moet
in principe informatie opleveren die, gelezen samen met de geregistreerde criminaliteitscijfers, het
mogelijk moet maken zicht te krijgen op de frequentie van bepaalde delictsvormen. Uit de meest
recente federale resultaten uit de bevraging van 2006 blijkt opnieuw dat een groot deel van de
bevraagde personen hun slachtofferschap niet aangaf aan de politiediensten. Zo bleek dat
gemiddeld slechts 34% van de misdrijven werden gemeld aan een politiedienst, terwijl maar
25% werd opgenomen in een proces-verbaal, maw. één op de vier melding vanwege
slachtoffers! Ook kon vastgesteld worden dat de verschillen groot zijn naargelang het
misdrijftype. Bedreiging met lichamelijk geweld en seksuele misdrijven worden zelden
aangegeven (minder dan 10%). Inbraak en autodiefstal daarentegen worden bijna altijd
opgenomen in een proces-verbaal (meer dan 75%).
De meldings- en aangiftepraktijken zijn doorheen de jaren relatief gelijk gebleven. Wel zijn er
lichte verschillen waarneembaar binnen de soorten misdrijven. De belangrijkste redenen om
een misdrijf te melden aan de politiediensten confirmeren de resultaten van voorgaande
sweeps : de wens om gestolen voorwerpen terug te krijgen, om een bewijs te krijgen voor
de verzekering en omdat de dader moet gepakt, gestraft worden”. De redenen van de
respondenten om het misdrijf niet te melden, zijn voornamelijk omdat het niets helpt of
omdat het voorval niet ernstig genoeg was”.
Hoe interessant deze bevindingen ook mogen zijn, ze blijven eerder oppervlakkig, gegeven
het feit dat intussen reeds 6 grootschalige sweeps werden afgenomen. Indien we dit
vergelijken met de exploitatie van de onderzoeksresultaten in Nederland, waar men beschikt
over gelijkaardige data afkomstig uit de zogn. “Politiemonitor”, springt het ondergebruik fel
in het oog. Zo blijkt bvb. uit een recente analyse van Wittebrood en Nieuwbeerta (2006) dat
de geregistreerde criminaliteitscijfers in Nederland weliswaar blijven stijgen, doch dat dit in
grote mate is toe te schrijven aan de toegenomen aangiftebereidheid en betere registratie,
waarmee op overtuigende wijze de mythe van de alsmaar stijgende onveiligheid sterk wordt
gerelativeerd. De mythe heeft volgens deze gezaghebbende auteurs vooral te maken met een
significant gestegen transparantie : hogere niveau’s van aangifte en betere registratie.
In theorie kan in België veel beschrijvend en verklarend sociaal wetenschappelijk onderzoek
gevoerd worden op basis van een dataset als deze van de Veiligheidsmonitor, net zoals in ons
omringende landen zoals Nederland, Groot-Brittanië en Duitsland. Echter, die Belgische
wetenschappers die hierin interesse hebben, wordt het door officiële instanties wel bijzonder
moeilijk gemaakt (Ponsaers, Pauwels, 2007). Data blijken immers moeilijk en slechts na het
doorlopen van een bureaucratisch, haast kafkaiaans, proces beperkt toegankelijk te zijn voor
onafhankelijk sociaal wetenschappelijk onderzoek. Enkel ingewijden binnen politiële diensten
hebben hier eenvoudige toegang toe. Het lijkt wel alsof overheidsdiensten criminografische
basisinformatie liever vanuit een monopoliepositie beheren, doch verderreikende analyses dan
loutere beschrijvende blijven uit. Een bijzonder rijke databank als deze van de Veiligheidsmonitor
dreigt hiermee als het ware tot een “datakerkhof” te verworden.
2. Politiële registraties
Sinds enige jaren nu, na de tumulueuze politiehervorming van 1998, beschikt ons land over de
Politiële Criminaliteitsstatistieken (PSC)
2
, welke een start namen in 2000 en momenteel
beschikbaar zijn tot en met 2006. Het gaat om cijferreeksen die onbecommentarieerd ter
beschikking worden gesteld op landelijk, gewestelijk, provinciaal en gerechtelijk
arrondissementeel niveau. Globale trends worden niet verduidelijkt. Opvallend is hier verder dat
informatie op het niveau van de politiezone niet beschikbaar is, terwijl dit precies het niveau is
waar deze cijfers hun beleidsnut dienen te bewijzen in de schoot van het zonaal
veiligheidsoverleg, in functie van het te ontwikkelen zonaal beleid in de veiligheidsplannen.
2
In het verleden maakten we hier reeds een uitvoerige kritiek op, welke we hier niet zullen hernemen (Ponsaers,
Bruggeman, 2006)
Hoezeer we de overtuiging ook mogen genegen zijn dat cijfers van geregistreerde criminaliteit
slechts een fractie van de realiteit weerspiegelen, toch blijven deze cijfers een onschatbare
beleidswaarde hebben. Immers, in veel gevallen beschikken politie- en andere diensten niet over
ander materiaal dat moet toelaten het gevoerde beleid te ondersteunen en te evalueren. Meestal
blijft het ontwikkelen van alternatieve meetinstrumenten een wensdroom, die zelden in realiteit
wordt omgezet. Er is en blijft dan ook alle reden om er de nodige zorg en aandacht aan te
besteden. Overigens is er nog een andere goede reden om dit cijfermateriaal zorgvuldig te
bestuderen. Deze data vertellen ons immers niet alleen iets over diverse criminaliteitsfenomenen,
maar ook (en misschien vooral wel) over de wijze waarop ons strafrechtsbedelingsapparaat
functioneert. Als eerste laag van de strafrechtsbedeling speelt politie als het ware de rol van gate-
keeper van het gehele strafrechtelijk systeem: vooral op dit niveau situeert zich immers de
instroom in de gerechtelijke keten. Beleidsmakers gaan er nog steeds vanuit dat feiten die
voorkomen in PV's vervolgens doorstromen naar het volgende niveau, het parket. Het is vanuit
dit ketendenken dat de PCS een bijzondere betekenis krijgt.
Zo werden in 2006 niet minder dan 1.012.004 strafbare feiten geregistreerd in PVs door de
politie. Niet minder dan 564.007 van deze feiten (55%) werden door de politie geverbaliseerd in
vereenvoudigde processen-verbaal, hetgeen betekent dat een minderheid van de geverbaliseerde
feiten, of 447.997 (45%), in gewone of APO-PV’s (ambtshalf politieel onderzoek) werden
opgenomen. Overigens weten we dat slechts een marginale fractie van de feiten die voorkomen
in VPV’s voor verdere behandeling in aanmerking komen op parketniveau. Met andere woorden :
haast al deze VPV-feiten worden door het parket quasi-automatisch als geseponeerd beschouwd.
Dit gegeven is uiteraard een sleutelelement om de PCS-cijfers te kunnen interpreteren. Omtrent
deze essentiële selectieve realiteit (aard van het proces-verbaal) komen we echter in de PCS
jammer genoeg niets te weten, hetgeen de aanwending van deze cijfers op beleidsniveau
bijzonder problematisch maakt.
Mede onder druk van de (veronderstelde!) gebrekkige aansluiting tussen politie- en parketniveau
nam de wetgever het initiatief een nieuwe regelgeving uit te werken mbt. de Gemeentelijke
Administratieve Sancties (GAS). Het is hier niet de plaats om dit systeem uitvoerig uit de
doeken te doen, dat deden we reeds bij herhaling bij andere gelegenheden. Punt hier is dat bij de
invoering van de GAS een systeem tot stand kwam dat het mogelijk maakt dat politiemensen (en
andere stedelijke ambtenaren) verbalen overmaken aan de gemeentelijke administratie ipv. aan het
parket. Eén en ander gebeurde in het kader van de zogn. bestrijding van openbare overlast.
Omtrent deze nieuwe realiteit, die verrassend snel uitbreiding kent, komen we echter opnieuw
niets te weten middels de PCS-cijfers. Nochtans zou het zichtbaar maken van deze nieuwe
realiteit enerzijds een nuttig instrument bieden aan de wetgever die dit systeem wenste in te
voeren, en anderzijds zou een nadere analyse ervan zicht geven op de eventuele verschuiving van
strafrechtelijke instroom naar administratieve uitstroom. Opvallend is trouwens dat
beleidsverantwoordelijken niet met aandrang vragen naar deze gegevens, haast onbegrijpelijk in
het licht van de wetgevende inspanningen die dienden geleverd in het kader van de implementatie
van deze GAS-regeling.
Verder is er nog een andere realiteit die volkomen buiten het blikveld blijft van de PSC. We
weten immers dat -naast de politiële instroom- zich nieuwe belangrijke instroomlijnen
ontwikkelen naar het niveau van het parket toe. Niet minder dan 40% van de feiten die op
parketniveau behandeld worden zijn vandaag immers niet afkomstig van de reguliere politie! Ook
deze realiteit ontsnapt (begrijpelijk in dit geval) aan de aandacht van de PCS. Het gaat hier
ondermeer om feiten die, na allerhande omwegen, afkomstig zijn uit de nieuwe GAS-regeling,
maar ook hun oorsprong kennen bij diverse bijzondere inspectiediensten. De productie van deze
verbaliserende instanties worden evenwel nergens op een systematische wijze in beeld gebracht.
Het belang van de productie van deze diensten neemt evenwel hand-over-hand toe, zonder dat
deze beleidsrealiteit tot uiting komt.
Alle hogervermelde evoluties zijn ingrijpend en vanuit kwantitatief oogpunt meer dan relevant,
zelfs in die mate dat gesteld kan worden dat de politiële uitstroom enerzijds en de parketinstroom
anderzijds volkomen andere realiteiten zijn geworden. Niettemin blijven beleidsmakers vandaag
met het dominante beeld achter dat beide realiteiten identiek zijn. Deze fictie verhindert een
helder beeld op hetgeen zich de facto afspeelt binnen het strafrechtsbedelingsapparaat. Deze
haast onhoudbare situatie bemoeilijkt in aanzienlijke mate het beleidsoverleg tussen de partners in
de zonale veiligheidsraden.
3. Parketstatistieken
Meer nog dan de politie is het parket lange tijd de gesloten “black box” geweest en gebleven van
de Belgische criminele politiek. Nochtans -we schrijven hier niets nieuws- is het precies op dit
niveau dat binnen de hele strafrechtsbedeling de grootste beleidsruimte bestaat. Op de statistische
parketgegevens hebben we lange tijd moeten wachten, maar intussen bestaan ze. In 2005 werden
de eerste “Jaarstatistieken van het Openbaar Ministerie” gepubliceerd, welke betrekking hadden
op 2003. De meest recente jaarcijfers zijn deze die in 2007 werden bekendgemaakt en die
betrekking hadden op 2006. De cijfers worden aangemaakt door de statistisch analisten
aangesteld bij de parketten-generaal.
De rapporten bestaan uit vier delen:
(1) Historische achtergrond en situering van deze parketstatistieken als één bron van
strafrechtelijke beleidsinformatie;
(2) Kwantitatieve gegevens ter contextualisering van de parketstatistieken (deze zijn niet
afkomstig van de geautomatiseerde gegevensbanken van de parketten zelf). Tevens wordt
bijkomende contextualiserende informatie toegevoegd, ten behoeve van de beleidsmatige
interpretatie en duiding van de gegevens.
(3) De transversale analyse: Het betreft een analyse van de zaken die in de loop van een
bepaald kalenderjaar op de parketten in- en uitstroomden, en van de zaken waarover in
hetzelfde jaar beslissingen werden genomen. Deze statistiek maakt dus een ‘foto’ op 1 januari
en op 31 december en geeft informatie over de stock (het bestand en de voorraad) en de flux
(de beweging en instroom en uitstroom).
(4) De longitudinale studie: De tweede analyse is een ‘longitudinale studie’ die gegevens
verstrekt over het traject dat de zaken in een bepaald jaar op het parket ingestroomd (ook wel
‘cohorte’ genoemd) aflegt en de uiteindelijke beslissing die hierop volgt, onafgezien van het
jaar waarin deze beslissing genomen wordt. Deze analyse laat toe na te gaan hoeveel tijd er
verliep tussen instroom en beslissing. Vele zaken worden immers slechts na jaren
afgehandeld.
Ook al is deze nieuwe parketstatistiek onbetwistbaar een belangrijke vooruitgang en een
onmisbaar instrument bij de interne huishouding op parketniveau, we moeten vaststellen dat
deze cijferreeksen volkomen onbecommentarieerd blijven en volledig worden opgebouwd op
het aggregatieniveau van het gerechtelijk arrondissement, en dus op geen enkele wijze de
bestaande politiezones in kaart brengen. Nochtans is het precies op dit niveau dat in de schoot
van de zonale veiligheidsraden het beleidsoverleg gevoerd wordt tussen bestuurlijke en
gerechtelijke overheden, samen met de politiediensten.
Verder valt het op dat het afhandelingsbeleid per gerechtelijk arrondissement sterk verschilt.
Vergelijkingen tussen de arrondissementen zijn echter onbetrouwbaar omdat de rubrieken niet
steeds volgens dezelfde criteria opgesteld worden. De cijfers over de 27 parketten zijn niet
vergelijkbaar, vermits ze eerder de registratiegeplogenheden in elk afzonderlijk parket
weergeven dan een betrouwbare weergave van de realiteit. Er werd namelijk geen eenvormig
vattingsinstrument aan de parketten opgelegd, hetgeen voor de politiediensten wel werd
gedaan.
Ook opvallend is dat de categorisering naar type van feiten op een erg algemeen niveau wordt
gehouden en is vanuit criminologisch oogpunt weinig interessant. Deze categorieën zijn a.h.w. de
grootst gemene deler die voor de 27 parketten kon, worden gevonden. Zo vindt men in de
rubriek ‘ontucht en seksuele uitbuiting’ een waslijst van misdrijven terug (zonder onderverdeling):
zedenschennis, voyeurisme, aanzetting tot ontucht, exploitatie van ontucht, ontucht van
minderjarigen, huizen van prostitutie, proxenitisme van minderjarigen, pedofilie, mensenhandel,
kinderpornografie enz…
Een uitgebreid onderzoeksproject, gefinancierd door het departement Justitie op vraag van de
Dienst voor Strafrechtelijk Beleid (Van Altert et al, 2003; Vandevoorde et al, 2004; Ponsaers et al,
2006) heeft zich gericht op het koppelen van data uit de politiebestanden van de grootsteden in
ons land aan deze van de betrokken parketten, met het oog op het zichtbaar maken van de
beslissingen die het parket hechtte aan de feiten afkomstig uit de processen-verbaal van deze
zones. Uit deze analyse bleek dat -van de feiten die door de zone werden geregistreerd en
overgemaakt aan het parket in klassieke of APO-PV’s
3
- zowat 37% voor “onmiddellijke
eindbeslissing” in aanmerking kwamen. Concreet komt het er maw. op neer dat de meeste van de
instromende feiten op parketniveau reeds zonder gevolg worden geklasseerd op de dag dat de
feiten (dag nul) op het parket toekomen (95,5%). Verdergaand onderzoek leerde dus dat méér
dan één-derde van de instromende feiten meteen geseponeerd worden op het moment dat deze
ingevoerd worden in het registratiesysteem van de parketten, zonder enige vorm van verdergaand
onderzoek.
Grafiek 1 : Uitstroom feiten op politieniveau in grootstedelijke politiezone Uitval voor instroom op parketniveau,
Onmiddellijke routinematige classering zonder gevolg, Feiten in behandeling genomen door parket (in %) - 2006
3
Hier wordt dus uitdrukkelijk abstractie gemaakt van de feiten die vermeld worden in de hogervermelde
“Vereenvoudige PV’s”.
Indien we deze vaststellingen combineren met deze die we in voorgaande paragrafen deden,
moeten we vaststellen dat van de 100% geverbaliseerde feiten door de politie van grootstedelijke
zones in ons land er zo’n
4
, 57% uitvallen door middel van het systeem van VPV’s, 16%
routinematige onmiddellijk geclasseerd worden zonder gevolg op het moment van instroom op
parketniveau en -uiteindelijk- slechts 27% in aanmerking komen voor verdere afhandeling.
Dit laatste garandeert natuurlijk niet dat veel van deze laatste feiten uiteindelijk toch niet zullen
geseponeerd worden
5
. Het gaat er ons hier om dat de massale selectie op parketniveau niet tijdens
de behandeling van de feiten gebeurt op parketniveau, maar precies op het scharniermoment
tussen het niveau van politie en parket, en dat geen van de beleidsinstrumenten waarover we
vandaag beschikken deze indrukwekkende volumes systematisch in kaart brengt.
Grafiek 2 : Verhouding van sepot ten aanzien van andere afhandelingsmodaliteiten op parketniveau (in %) 2006
Zonder hier uitvoerig op in te gaan, dient eraan herinnerd te worden dat de grote selectievolumes
die hier worden genoemd voornamelijk te wijten zijn aan het feit dat vele feiten onopgehelderd
zijn en blijven. Het mag dan ook niet tot verwondering leiden dat het parket grote volumes aan
feiten niet verder in behandeling neemt. Overigens dient eraan herinnerd te worden dat dezelfde
vaststelling gedaan dient te worden als het gaat om de reeds eerder aangehaalde administratieve
afhandeling in het kader van de GAS-regeling. Opnieuw moeten we echter vaststellen dat tot op
heden deze realiteit, die in grote mate elke vorm van gerechtelijke of administratieve afdoening
erodeert tot een grotendeels symbolische functie, nergens beleidsmatige ondersteuning vindt
onder de vorm van een poging tot het ontwikkeling van een ophelderingsstatistiek.
4
Waarvan we weten dat ze slechts 25% representeren van het aantal victimiseringen, zo bleek uit de
Veiligheidsmonitor.
5
In onderstaande grafiek 2 geven we hieromtrent een globaal zicht.
4. Veroordelingscijfers
Tot 1992 werden gerechtelijke statistieken aangemaakt door het N.I.S., dat daarvoor een beroep
deed op de informatie vervat in de veroordelingsberichten die de griffies van de strafgerechten
naar het Centraal Strafregister verstuurden. Op basis daarvan werden manuele fiches opgemaakt
die naar het N.I.S. werden verstuurd, waar zij werden gecodeerd voor automatische verwerking.
Jaarlijks verscheen dan een criminele statistiek, waarin statistieken inzake de veroordeelden en de
misdrijven werden opgenomen. Deze statistieken waren evenwel erg weinig betrouwbaar,
omwille van onvolledigheid, tekortkomingen in de informatiedrager, gebreken inzake
standaardisatie, codering en bijwerking, onjuistheden in de nomenclatuur, duidelijkheden in de
telregels en teleenheden. Bovendien verschenen ze telkens met ongeveer vijf jaar vertraging.
De veroordelingstatistiek anno 2004 is een sterk verbeterde versie van genoemde statistiek. De
huidige ‘veroordelingstatistieken’ (die ook de opschortingen en de interneringen omvat) worden
opgesteld op basis van de vonnisuittreksels die zelf de neerslag zijn van de vonnissen. Het
vonnisuittreksel is in zekere zin de samenvatting van een vonnis. Er staat bijgevolg niets in de
statistieken wat niet ook in een vonnis staat. De vonnisuittreksels worden opgesteld door de
griffies van de 27 correctionele rechtbanken, de 29 politierechtbanken en de 5 hoven
(uitzonderlijk het Hof van Cassatie) en worden vervolgens in hun papieren versie naar het
Centraal Strafregister gebracht. Daar worden alle berichten opnieuw ingevoerd en krijgen de
variabelen vaak een nieuwe code. Eenmaal de gegevensbank van de DSB volledig is voor een
bepaald jaar worden drie reeksen tabellen opgemaakt die elk een apart thema behandelen: de
veroordelingen, de opschortingen en de interneringen. Een inleidend hoofdstuk, enkele
terminologische en contextuele verduidelijkingen, de nomenclatuur van de overtredingen en een
alfabetische index van het Strafwetboek en de Bijzondere Wetten, begeleiden de drie reeksen
tabellen. De jaarrapportage wordt niet meer op papier uitgegeven.
Het uiteindelijk resultaat is dat we vandaag beschikken over nieuwe veroordelingsstatistieken. Op
zich is dat natuurlijk -alweer- een verheugende vaststelling. Eindelijk hebben we een eerste zicht
op bvb. het recidiverisico, hetgeen in het verleden onmogelijk was te becijferen
6
. Een strenger
doorgevoerde informatisering van het geheel van de strafrechtsbedeling zou het zonder enige
twijfel mogelijk maken om over een nog doeltreffender instrument te beschikken. De grote vraag
blijft hoe het echter verder moet met de informatisering van justitie, intussen bekend en berucht
onder de naam “Phenix”.
6
Een beperking: de trage fysische ‘artisanale’ codering van de bulletins heeft voor gevolg dat iemand gedurende
kortere of langere tijd niet als recidivist kan geïdentificeerd worden.
Ondanks alle voortgang moeten we echter ook opnieuw vaststellen dat de nieuwe cijferreeksen op
geen enkele wijze in verband kunnen worden gebracht met hetgeen zich afspeelde in voorgaande
fases van de strafrechtsbedeling, waardoor de betekenis ervan in grote mate wordt
gehypothekeerd. Uit voorgenoemd onderzoek inzake “Meet- en Opvolgingssysteem voor de
Strafrechtelijke Keten” bleek dat slechts 2,8% van de geverbaliseerde feiten door grootstedelijke
korpsen uiteindelijk hun weg vonden tot in de rechtbank en tot een veroordeling aanleiding
gaven.
Deze vaststelling roept vragen op omtrent het functioneren van onze strafrechtsbedeling, zeker
wanneer we deze vaststelling vergelijken met de situatie in Nederland. Uit deze vergelijking (zie
grafiek 3) blijkt immers dat de instroom op parketniveau veel groter in ons land is dan in België,
doch dat het seponeringsniveau bij onze Nederlandse buren veel lager ligt dan bij ons, terwijl het
aantal dossiers dat verwezen wordt naar de rechtbank merkelijk hoger ligt (44,4%). Het verschil is
structureel, en is niet louter toe te schrijven aan toevallige conjuncturele fluctuaties. Ongetwijfeld
houdt deze vaststelling sterk verband met de noties “vervolgings-” en “strafwaardigheid” die hun
operationele uitwerking hebben gevonden in de Nederlandse praktijk van O.M. en rechtbanken.
Grafiek 3 : Onderlinge vergelijking tussen Nederlandse (2005) en Belgische (2006) doorstroom in de
strafrechtsbedeling (in absolute cijfers en %)
Het is onze overtuiging dat slechts een diepgaande herpositionering in ons land van het parket
ten aanzien van de politie, zoals bij ons Nederlandse buren, hierop een heilzame invloed kan
uitoefenen.
Besluit
Nooit voordien beschikte ons land over degelijk gesystematiseerd beleidsondersteunend materiaal
aangaande de strafrechtsbedeling als vandaag. Het verdient aanbeveling dit dispositief te
koesteren en verdergaand uit te bouwen, zodat beleidsmakers eindelijk hun beleid “evidence based”
kunnen schragen. Nochtans mag hierbij niet uit het oog verloren worden dat de nieuwe generatie
beleidsondersteunende statistieken nog in grote mate in de kinderschoenen staan en onvoldoende
oog hebben voor de belangrijke scharniermomenten tussen de verschillende lagen van de
strafrechtsbedeling. Hierdoor ontstaat een gefragmenteerd beeld op hetgeen zich binnen het
apparaat afspeelt, dat eerder dreigt verhullend dan verhelderend te werken. Het is dan ook sterk
aan te moedigen dat bijkomende inspanningen worden geleverd om sterker nog dan vandaag het
beleidsondersteunend dispositief te oriënteren op nieuwe beleidsontwikkelingen.
Beleidsondersteuning vereist immers mee evolueren met het beleid en er dienstig aan zijn. Indien
dat niet gebeurt, dreigt het ontwikkelde instrumentarium afgestemd te blijven op het functioneren
van een strafrechtsapparaat uit de 19de eeuw, en daar heeft niemand wat aan, zeker niet die
beleidsmakers die verandering nastreven. Als de beleidsondersteuning geen gelijke tred weet te
houden, verwordt ze eerder tot een factor van weerstand tegen hervorming, met andere woorden
tot een handhaver van het status quo, dan een hervormingsgezinde facilitator.
Bibliografie
Ponsaers, P., Bruggeman, W. (2006), “De politionele statistische chaos voorbij?”, in : Zwart op wit?
Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België Handboek Criminografische
Basisinformatie, Devroe, E., Beyens, K., Enhus, E. (eds.), VUBPress, Reeks Criminologische Studies,
Brussel.
Ponsaers, P., Enhus, E., Van Den Herrewegen, E., Vandevoorde, N. (2006) , Meet- en
opvolgingsinstrument voor de strafrechtelijke keten Handleiding, Reeks Dienst voor het
Strafrechtelijke Beleid, n° 22, Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid / Algemene Directie Veiligheids-
en Preventiebeleid, Politeia, Brussel.
Ponsaers, P., Pauwels, L. (2007), “Naar een optimalisering van de toegankelijkheid van criminografische
data op lage aggregatieniveau’s in België”, in: Panopticon, Antwerpen, Jg. 28, nr. 3.
Van Altert, K., Enhus, E., Ponsaers, P. (2003), Naar een meet- en opvolgingsinstrument voor instroom en
selectie in de strafrechtelijke keten…, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, n°4, Politeia,
Brussel.
Vandevoorde, N., Enhus, E., Ponsaers, P. (2004), Naar een meet- en opvolgingsinstrument voor instroom
en selectie in de gerechtelijke jeugdbeschermingsketen…, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke
Beleid, n°5, Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid - Algemene Directie Veiligheids- en
Preventiebeleid, Politeia, Brussel.
Wittebrood,K., Nieuwbeerta, P. (2006), Een kwart eeuw stijging in geregistreerde criminaliteit. Vooral
meer registratie. Nauwelijks meer criminaliteit. Het Tijdschrift voor Criminologie, vol 48, nr.3.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Meet-en opvolgingsinstrument voor de strafrechtelijke keten -Handleiding, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, n° 22, Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid / Algemene Directie Veiligheidsen Preventiebeleid
  • P Ponsaers
  • E Enhus
  • E Van Den Herrewegen
  • N Vandevoorde
Ponsaers, P., Enhus, E., Van Den Herrewegen, E., Vandevoorde, N. (2006), Meet-en opvolgingsinstrument voor de strafrechtelijke keten -Handleiding, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, n° 22, Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid / Algemene Directie Veiligheidsen Preventiebeleid, Politeia, Brussel.
Naar een meet-en opvolgingsinstrument voor instroom en selectie in de strafrechtelijke keten…
  • K Van Altert
  • E Enhus
  • P Ponsaers
Van Altert, K., Enhus, E., Ponsaers, P. (2003), Naar een meet-en opvolgingsinstrument voor instroom en selectie in de strafrechtelijke keten…, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, n°4, Politeia, Brussel.
Naar een meet-en opvolgingsinstrument voor instroom en selectie in de gerechtelijke jeugdbeschermingsketen…
  • N Vandevoorde
  • E Enhus
  • P Ponsaers
Vandevoorde, N., Enhus, E., Ponsaers, P. (2004), Naar een meet-en opvolgingsinstrument voor instroom en selectie in de gerechtelijke jeugdbeschermingsketen…, Reeks Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, n°5, Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid -Algemene Directie Veiligheids-en Preventiebeleid, Politeia, Brussel.