ChapterPDF Available

Ponsaers, P. , Easton, M. (2009). “Vervormende spiegels tussen politie en gemeenschap”, in Diverse kwesties - Liber Amicorum prof. dr. Frank Bovenkerk, Brants, Ch., Van der Poel, S. (eds.), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers - Pompe Reeks, 319-330.

Authors:

Abstract

Recent rondde een Vlaamse onderzoeksploeg een breedschalig onderzoek af. Als promotoren traden hierin op Marleen Easton (Hogeschool Gent), Els Enhus (Vrije Universiteit Brussel), Frank Hutsebaut (Katholieke Universiteit Leuven), Henk Elffers (Universiteit Antwerpen) en Paul Ponsaers (Universiteit Gent). Lodewijk Gunther Moor (SMVP) trad hierbij op als expert. Het onderzoek werd uitgevoerd door de onderzoekers Chaim Demarée en Natascha Vandevoorde en liep in opdracht van POD Federaal Wetenschapsbeleid, onder de titel "Multiple Community Policing. Hoezo?" Het onderzoek liep drie jaar en is essentieel gebaseerd op participerende observaties en breedvoerige interviewrondes in de schoot van vijf politiekorpsen in België en gesprekken met burgers. Het centrale thema van het onderzoek betrof de wederzijdse perceptie van burgers en politie en op welke wijze deze tot stand komt, in relatie tot Community (Oriented) Policing (COP). Deze bijdrage wil een korte impressie geven van de belangrijkste bevindingen die uit het onderzoek voortvloeiden. Het onderzoek werd afgesloten in november 2008 2. Voorstanders van COP pleiten ten voordele van een politie die in de gemeenschap staat. Het gaat er in deze zienswijze, met andere woorden omdat de politie haar beeldvorming over de gemeenschap opbouwt op basis van hetgeen zich in de breedte in deze samenleving afspeelt enerzijds, en dat de gemeenschap haar beeldvorming over de politie ontleent aan hetgeen zich in de politie in de breedte afspeelt anderzijds. Of om het anders te stellen : het gaat om de spiegels waarin men de realiteit observeert, of nog : om de mate waarin deze spiegels niet vervormt zijn door een al te gereduceerde of fragmentaire perceptie. De COP-aspiratie levert uiteraard een soort van ideaalbeeld op, dat wellicht nooit op een optimale wijze zal kunnen benaderd of gerealiseerd worden, met name een niet vertekende beeldvorming. Niettemin is het een sterk beeld, omdat het weerspiegelt dat de wederzijdse beeldvorming gestoeld is op adequate en evenwichtige informatie van beide realiteiten. Uit dit onderzoek blijkt overduidelijk dat deze optimale situatie verre van gerealiseerd is in Vlaanderen.
1
Vervormende spiegels tussen politie en gemeenschap
Paul Ponsaers en Marleen Easton
1
Recent rondde een Vlaamse onderzoeksploeg een breedschalig onderzoek af. Als
promotoren traden hierin op Marleen Easton (Hogeschool Gent), Els Enhus (Vrije
Universiteit Brussel), Frank Hutsebaut (Katholieke Universiteit Leuven), Henk Elffers
(Universiteit Antwerpen) en Paul Ponsaers (Universiteit Gent). Lodewijk Gunther Moor
(SMVP) trad hierbij op als expert. Het onderzoek werd uitgevoerd door de onderzoekers
Chaim Demarée en Natascha Vandevoorde en liep in opdracht van POD Federaal
Wetenschapsbeleid, onder de titel “Multiple Community Policing. Hoezo?” Het onderzoek
liep drie jaar en is essentieel gebaseerd op participerende observaties en breedvoerige
interviewrondes in de schoot van vijf politiekorpsen in België en gesprekken met burgers.
Het centrale thema van het onderzoek betrof de wederzijdse perceptie van burgers en
politie en op welke wijze deze tot stand komt, in relatie tot Community (Oriented) Policing
(COP). Deze bijdrage wil een korte impressie geven van de belangrijkste bevindingen die uit
het onderzoek voortvloeiden. Het onderzoek werd afgesloten in november 2008
2
.
Voorstanders van COP pleiten ten voordele van een politie die in de gemeenschap staat.
Het gaat er in deze zienswijze, met andere woorden omdat de politie haar beeldvorming
over de gemeenschap opbouwt op basis van hetgeen zich in de breedte in deze
samenleving afspeelt enerzijds, en dat de gemeenschap haar beeldvorming over de politie
ontleent aan hetgeen zich in de politie in de breedte afspeelt anderzijds. Of om het anders
te stellen : het gaat om de spiegels waarin men de realiteit observeert, of nog : om de mate
waarin deze spiegels niet vervormt zijn door een al te gereduceerde of fragmentaire
perceptie. De COP-aspiratie levert uiteraard een soort van ideaalbeeld op, dat wellicht
nooit op een optimale wijze zal kunnen benaderd of gerealiseerd worden, met name een
niet vertekende beeldvorming. Niettemin is het een sterk beeld, omdat het weerspiegelt
dat de wederzijdse beeldvorming gestoeld is op adequate en evenwichtige informatie van
beide realiteiten. Uit dit onderzoek blijkt overduidelijk dat deze optimale situatie verre van
gerealiseerd is in Vlaanderen.
1. “Over- en underpolicing” van groepen, niet van buurten
Uit het onderzoek komt nadrukkelijk naar voor dat de politie op regelmatige basis slechts in
contact komt met delen van de gemeenschap, zeker in zgn. “problematische buurten”. Deze
1
Resp. Hoogleraar Criminologie & Rechtssociologie, Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid,
Vakgroep Strafrecht & Criminologie, Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse; Docent Hogeschool
Gent, Departement Handels- & Bestuurswetenschappen, Onderzoeksgroep Governance of Security.
2
Het onderzoeksrapport wordt eerlang gepubliceerd in de reeks van POD Federaal Wetenschapsbeleid.
Aangeraden wordt dit rapport samen te lezen met EASTON et al, 2008.
2
groepen of individuen in de buurtgemeenschap, de zgn. “vaste klanten”, zijn het voorwerp
van overpolicing (in de literatuur ook wel door Robert Reiner aangeduid met de term
“police property”) (Reiner, 1992)
3
. Anderzijds zijn er groepen in een buurtgemeenschap
waarmee de politie niet of nauwelijks in contact komt, die zij met andere woorden eigenlijk
niet of slecht kennen. De facto is hier sprake van “underpolicing.
Het onderzoek heeft zich toegespitst op buurten met een heterogene demografische
samenstelling. Dat was één van de uitgangspunten bij de selectie van de observatiesites.
Het is markant dat precies in dezelfde geografische omschrijving beide soorten van groepen
(die voorwerp zijn van “over-“ en “underpolicing”) terzelfdertijd aanwezig zijn, zo leren we
uit dit onderzoek. Het gaat met andere woorden niet om een geografisch kenmerk, maar
om een groepskenmerk binnen deze buurten. Of nog helderder : het gaat niet om de
perceptie van de politie van zgn. “problematische buurten”, maar eerder om de
beeldvorming met betrekking tot zogenaamde “problematische groepen” in heterogeen
samengestelde buurten.
De demarcatielijn is niet eenvoudig te trekken in functie van louter ethniciteit, maar heeft
te maken met een samenspel van diverse factoren, die we navolgend kort zullen
thematiseren. Het onderzoek leert ons dus dat de scheidingslijn tussen beide groepen niet
eenduidig verloopt tussen allochtone groepen enerzijds en allochtone groepen anderzijds.
Er zijn allochtone groepen en individuen in deze problematische buurten die voorwerp zijn
van overpolicing, terwijl andere allochtone groepen en individuen veeleer te maken
hebben met underpolicing. Zoals er trouwens ook autochtone groepen zijn in dezelfde
buurten die te maken hebben met overpolicing, terwijl andere autochtonen
geconfronteerd worden met “underpolicing.
buurtgemeenschap, zoals deze in een COP-visie wordt voorgestaan, bestaat dan ook
niet voor straatagenten, zo konden we vaststellen doorheen dit onderzoek. Dagelijks
ervaren zij de conceptuele vaagheid van een notie als “gemeenschap”. Eerder suggereert
de beeldvorming van agenten het bestaan van een wel bijzonder gefragmenteerd
maatschappelijke lappendeken van origines, gedragspatronen, voorkeuren, statussen,
culturen en leeftijden. Zij ervaren kortom mutiple buurtgemeenschappen. De politie
komt met andere woorden in aanraking met maar een (klein) deel van de gemeenschap. Of
om het nog anders te stellen : het ervaringsmateriaal waaruit politiemensen beelden
construeren omtrent de gemeenschap is fragmentair, maar niet enkel dat, de
beeldvorming komt ook selectief tot stand.
2. “Overpolicing” van vaste (lastige) klanten
Van “overpolicing” is slechts sprake bij een kleine minderheid van groepen en individuen in
buurtgemeenschappen, zo blijkt uit ons onderzoek. Het is met deze groepen dat de politie
3
Voor Robert Reiner is police property” te begrijpen als: groepen met een lage status, die over geen macht
beschikken en die door de dominante meerderheid beschouwd worden als problematisch.
3
een gevoel van nabijheid ervaart (wat niet impliceert dat ze ‘mentaal’ nabij zijn,
integendeel). De politie ontmoet deze “vaste klanten” de ene keer als slachtoffer, dan weer
als dader. De grens tussen beide rollen blijkt bijzonder diffuus. Het gaat om “vaste klanten
die “werk met zich meebrengen” voor de politie, herhaaldelijk appél doen op de politiële
dienstverlening en tussenkomst (“banale” of “kat uit de boom” interventies), of waar de
politie zelf van mening is dat zij erop dient toe te kijken uit eigen initiatief. De ene keer ligt
de politiële tussenkomst in de repressieve sfeer, de andere keer in de dienstverlenende of
zorgende sfeer. Opvallend is overigens dat deze groepen over weinig of geen eigen
opvangmogelijkheden beschikken en dat hun zelfredzaamheid bijzonder klein is. Het zijn
met andere woorden: groepen die niet beschikken over soliede sociale netwerken. Het
gevolg hiervan is dat zij enkel appél (kunnen) doen op de politie, de enige instantie die zij
van naderbij kennen indien zich problemen stellen. Werk is altijd lastig, en deze “vaste
klanten” worden door de politie ook al snel als “lastige klanten” gezien. Het is dan ook
logisch dat de politie rond deze groepen sterke, uitdrukkelijke beelden opbouwt.
Belangrijke groepen van deze “vaste (lastige) klanten” zijn terug vinden in economisch
zwakke groepen van de buurtgemeenschap, welke in een eerder marginale situatie zijn
beland, met gebrekkig sociaal kapitaal en lage scholingsgraad, met een eigen lifestyle, met
weinig verbale vaardigheid en kennis van de voertaal, met weinig stabiele woonplaats, in
een bepaalde leeftijdsgroep, met al dan niet een gerechtelijk verleden … en ook wel nu en
dan een bepaalde etniciteit
4
. Politiemensen die met deze groepen regelmatig in aanraking
komen schrijven specifieke attributen toe, zoals bepaalde vervelende attitudes en
specifieke (ook wel uiterlijke) kenmerken. Politieagenten hebben, vóórdat zij opnieuw ter
plaatse komen, al meteen beelden en verwachtingspatronen over de situatie die zij gaan
aantreffen en over het gedrag waarmee ze zullen geconfronteerd worden.
De politie brengt deze “vaste (lastige) klanten” onder in beoordelingsschema’s, in eigen
categorieën, waaromtrent zij sterke beelden zullen vormen. Soms vallen de grenzen van
deze categorieën samen met etniciteit, maar evenzeer met andere kenmerken zoals
leeftijd, gebrekkige ouderlijke controle, genderaspecten, etc. Politiële categorieën worden
met andere woorden zeker niet exclusief geconstrueerd op basis van etniciteit, weze het
dat op sommige momenten etniciteit voor de constructie van sommige specifieke
categorieën wel degelijk van wezenlijk belang kan zijn (bijvoorbeeld Marokkaanse jongens).
4
Het is overigens opvallend dat precies deze set van risicokenmerken sterk gelijkend zijn op deze die
vastgesteld worden bij andere actoren binnen de strafrechtsbedeling. Uit ander onderzoek (Beyens, 2000)
blijkt immers dat ook parketmagistraten en rechters in hun dagelijkse praktijk deze extra-justitiële beelden
hanteren om beslissingen op te baseren. Het gaat bij hen om een gelijkaardige set van toegeschreven
kenmerken die moeten toelaten te oordelen over de kansen tot integratie in de samenleving, dan wel de
risico’s op non-integratie. Ook bij deze magistraten gaat het niet zelden om gelijkaardige, louter beeldvorming,
welke niet gesteund is op systematische waarneming, maar op eerder anecdotische ervaringskennis. Het
verdient echter beklemtoond te worden dat het hier geenszins gaat om vormen van zgn. “discriminatie, wel
om een weinig onderbouwd oordeel omtrent integratiemogelijkheden. Deze vaststelling is evenwel niet van
belang ontbloot. In deze zin immers wijkt de beeldvorming van politiemensen niet wezenlijk af van deze van
actoren uit andere echelons van de strafrechtsbedeling en bevestigen de aanwezige beelden elkaar in hoofde
van de strafrechtsbedienaars.
4
Voor sommige van deze “police property” groepen worden eigen roepnamen ontwikkeld
5
.
Eigen, betekenisvolle categorieën worden geconstrueerd op basis van politiële
ervaringskennis. Agenten drukken met dergelijke roepnamen complexe maatschappelijke
verschijnselen uit. Dit werkt functioneel, aangezien de termen betekenisvol zijn binnen de
politiële subcultuur en interne communicatie toelaten. Buiten de politieorganisatie
verliezen de termen echter in grote mate hun betekenis of relevantie. Voor politiemensen
is de ontwikkeling van een dergelijk vocabularium een middel om op een gedetailleerde en
verfijnde wijze specifieke groepen onderling kort aan te duiden. Deze praktijk is erg
lokaal verankerd en divers, doch slechts intersubjectief als men deze lokale taal in zijn
rijkdom weet te vatten. Met deze roepnamen duiden politiemensen “breuklijnen” aan,
differentiëren ze tussen verschillende groepen. Uit onze observaties ter zake blijkt
nogmaals overduidelijk dat politiemensen de (multiculturele) buurt en haar bewoners niet
als één gemeenschap waarneemt en dus ook niet als één gemeenschap behandelt.
“Overpolicing” van bepaalde groepen in de gemeenschap brengt met zich mee, we
schreven het al, dat de politie beelden opbouwt die uitermate specifiek en selectief zijn.
Dit wil evenwel niet zeggen dat deze beelden volkomen uit de lucht zouden gegrepen
zijn en niet stoelen op enige ervaringskennis. Van genoemde “property” groepen
beschikt de politie over een vrij adequaat, fijnmazig en realistisch beeld. Het gaat
immers om kennis die verder reikt dan de gangbare in de samenleving. Het is juist door
de herhaaldelijke en dagelijkse confrontatie, door het frequent inslijten van beelden,
dat beelden vorm krijgen. Politiemensen zijn wellicht de enige actoren in de
samenleving die zo regelmatig te maken krijgen met erg specifieke problematische
groepen in buurtgemeenschappen.
Het is niet omdat politiemensen slechts met een deel van de buurtgemeenschap
interageren dat deze interacties niet betekenisvol zouden zijn. Politiemensen komen -
willens nillens- op de werkvloer in contact met deze problematische groepen en beschikken
over een erg breed arsenaal aan praktijken om hiermee om te gaan. Eén ding is immers
voor hen duidelijk : zij zullen dienen keuzes te maken en moeten ageren. Sommige van
deze praktijken kunnen als werkzaam en nuttig beoordeeld worden door de hiërarchie,
andere niet. Punt is evenwel dat deze praktijken in grote mate onbekend zijn bij de
korpsleiding en nauwelijks of niet bespreekbaar zijn.
Hierdoor groeit in hoofde van politiemensen het politieel cynisme en neemt de frustratie
en professionele isolatie toe. Wijk- en interventieagenten trachten duidelijk te maken waar
de problemen liggen, maar krijgen onvoldoende gehoor (naar hun aanvoelen) binnen het
korps. Hierdoor ontstaat hogervermelde interne politiële subcultuur, een politieel
vocabularium die moeilijk of niet nog binnen het korps of met de buitenwereld kan
gecommuniceerd worden. Dit verschijnsel wordt in de hand gewerkt doordat straatagenten
met problematische realiteiten geconfronteerd worden die in feite slechts door andere
5
Bijvoorbeeld “schelen”, “groseilles”, “snobs”, maar ook “kaks” en “carapilsien”, “eencelligen”, …
5
actoren (de hulpverlening, de sociale sectoren, de jeugdbescherming, …) een oplossing
kunnen krijgen. Vaak dienen de straatagenten echter vast te stellen dat de verhoopte
oplossing er niet komt. Het gevolg daarvan is een toename van gevoelens van onmacht
en/of frustratie. Politiemensen, zeker wijkagenten die deze problemen ’s avonds mee naar
huis nemen, kennen deze problemen maar al te goed, maar voelen zich onmachtig om aan
de oorzaken te remediëren. Het overheersende gevoel dat achterblijft is vechten tegen de
bierkaai.
Vele politieorganisatorische aspecten dragen bij tot dit groeiende onmachtsgevoelen.
Onderbemanning, missiedruk, de haastidee van de interventieploegen, de zware
administratieve last van de wijkwerking en het feit dat vooral in het grootstedelijk
weefsel talloze agenten werkzaam zijn die onvoldoende vertrouwd zijn met de lokale
context spelen ongetwijfeld een bijkomende rol. Heel wat agenten voelen zich in de kou
staan, omdat ze in een context werken waar de brede mantelzorg het laat afweten,
justitie in hun perceptie al te laks omgaat met de pogingen die zij wel ondernemen om
correctief op te treden, en omdat ze ook wel geconfronteerd worden met een soms wel
erg mondige bevolking. In sommige gevallen leidt dit tot een pseudo-gedoogbeleid.
Het gevoelen van niet begrepen en gehoord te worden neemt dan ook toe. Het verdient
aanbeveling veel meer dan in het verleden de beschikbare politiële ervaringskennis te
systematiseren en aan te wenden. Immers, deze ervaringskennis afdoen als loutere
stereotypering lijkt ons te makkelijk. Straatagenten hebben recht van spreken als het gaat
om groepen die zij van erg nabij en goed kennen. Indien het politieel cynisme toeneemt
zonder enige vorm van dialoog, groeit de kloof tussen politie en de gemeenschap, en dat is
nu precies wat in een COP-visie dient tegen gegaan te worden, met name het “zij”- en-
“wij”-gevoel.
3. “Underpolicing” en verwaarlozing
Sommige, andere groepen in buurtgemeenschappen zijn daarentegen weinig of slecht
gekend bij de politie. Het is één van de meest markante vaststellingen in dit onderzoek dat
inzake opvattingen over het gewenste optreden van de politie er geen opvallende
verschillen bestaan tussen problematische en minder problematische groepen in de buurt,
gekende of slecht gekende gemeenschappen, of tussen allochtone en autochtone
bewoners. Zowat iedereen wil een aardige en behulpzame politie. De politie dient voor
ieder van hen aanwezig, bereikbaar, beschikbaar, bekend te zijn met (ook kleine)
problemen en gekend te zijn.
Dit staat in schril contrast tot de opvatting die minder problematische groepen in
buurtgemeenschappen hebben over het noodzakelijke politiewerk ten aanzien van
“anderen”. Die anderen verdienen dan law and order, dus repressieve aandacht van de
politie, zo blijkt uit ons onderzoek. Deze vaststelling sluit aan bij Lerner’s theorie over The
belief in a Just World (Lerner, 1980). In buurten en wijken lijken bewoners telkens weer
“anderen” te beschouwen als veroorzakers van problemen. Niemand rekent zichzelf tot die
6
anderen. Het zijn binnen een stad bepaalde wijken, binnen een wijk bepaalde straten en
binnen een straat bepaalde huizen. Bewoners zoeken voordurend bevestiging dat zij
deugen en anderen niet. Ook hier spelen bij autochtone en allochtone bewoners dezelfde
mechanismen. Beelden van allochtone en autochtone bewoners over politiewerk vertonen
opvallende gelijkenissen.
(1) Sommige van de eerder onbekende groepen (die met “underpolicing” geconfronteerd
worden) zijn eerder onproblematisch. Underpolicing” brengt met zich mee dat de politie
onvoldoende in aanraking komt met die meerderheid van groepen in de
buurtgemeenschap die minder problematisch en wel degelijk zelfredzaam zijn. Veel van de
positieve buurt- en wijkdynamiek gaat voorbij aan de wijk- en de interventieagent.
Politiemensen beschouwen het niet tot hun opdracht deze dynamieken van naderbij te
leren kennen. Hierdoor blijven grote delen van het gemeenschapsleven onbekend voor
politiemensen, en dreigen zij de (gekende) uitzondering tot (onbekende) regel te gaan
verheffen. Zij zijn te weinig vertrouwd met de positieve krachten die uitgaan van grote
groepen in de buurtgemeenschap, waardoor de sterke beelden omtrent kleine
problematische groepen te weinig gecorrigeerd worden en te veel veralgemeend dreigen
te worden. Het antidotum tegen politieel cynisme is aanwezig in problematische buurten
en wijken, maar wordt onvoldoende benut, waardoor opnieuw de kloof tussen politie en
de buurtgemeenschap groter wordt
(2) Naast deze eerder onproblematische groepen zijn er ook buurtgemeenschappen, en
zeker in de in dit onderzoek onderzochte buurten, die geconfronteerd worden met tal van
samenlevingsproblemen en zijn dus vanuit dit standpunt wel degelijk als maatschappelijk
problematisch te beschouwen zijn. Het zijn groepen waarvan de politie minder goed kan
inschatten of slechts een vermoeden heeft wat hun activiteiten zijn, welke problemen of
conflicten er bestaan. Deze categorie van groepen is in zekere zin ook minder afgelijnd en
heel wat diffuser. Overigens zijn het niet zelden deze groepen die regelmatig de
slachtofferrol toebedeeld krijgen. Deze groepen doen nauwelijks een beroep op de politie
als er zich problemen stellen, ze zijn dikwijls aangewezen op eigen oplossingsmechanismen
en zelfredzaamheid. In de schoot van deze buurtgemeenschappen groeit de beeldvorming
dat zij voorwerp zijn van politiële verwaarlozing. Omtrent deze groepen beschikt de politie
wel enigszins over beelden, doch deze zijn weinig uitdrukkelijk. Opnieuw dient hier
benadrukt dat zowel allochtonen als autochtonen van deze groepen deel uitmaken.
(2-a) Een eerste onbekende groep betreft rondtrekkers, mobiele groepen van mensen.
Het gaat om groepen die slechts een korte periode in multiculturele buurten verblijven
(bijvoorbeeld mensen op doorreis, asielzoekers, mensen zonder papieren, nieuwkomers
die terug vertrekken, zigeuners en studenten). Een groot bevolkingsverloop is overigens
een typisch kenmerk in multiculturele buurten. Precies ten gevolge van dit grote verloop
slagen agenten er niet in een scherp beeld te bekomen van deze groepen, de
verwachtingspatronen in te schatten, laat staan er een relatie mee op te bouwen. De
zeldzame contacten met deze groepen verlopen in de praktijk vaak uitsluitend via de
wijkwerking, bijvoorbeeld in kader van administratieve afhandelingen tijdens de
7
inschrijving in de gemeente en dergelijke meer. Met andere woorden, de politie heeft
niet of onvoldoende de gelegenheid en tijd (of zelfs de capaciteit) om ze te leren
kennen.
(2-b) Over andere onbekende - groepen in multiculturele buurten heeft de politie een
eerder stereotiep beeld, dat niet of nauwelijks afwijkt van de beelden die dominant in
de samenleving aanwezig zijn. Een gebrek aan kennis en tastbaarheid of een gevoel van
afstand dat de politie ervaart op het gebied van relatie met de groep, lijkt het gebruik
van clichématige beelden - die al snel gerelateerd worden aan bepaalde criminaliteits-
en overlastprofielen- te stimuleren. Zo associëren straatagenten bijvoorbeeld Oost-
Europeanen relatief snel met “zware wapens” (vanwege een vermeend
“oorlogsverleden”) en zijn zigeuners steevast “dieven” en “prutsers”. Deze beelden zijn
echter weinig ervaringsgerelateerd en worden door straatagenten vrijwel naadloos
gecopieerd uit de ruimere maatschappelijke beeldvorming.
(2-c) Daarnaast zijn er groepen die al geruime tijd in de multiculturele buurt wonen,
vaak gedurende meerdere generaties. Het zijn zogenaamde sedentaire groepen, die
echter de voorkeur ontwikkeld hebben om hun “eigen zaken te regelen”, zich oriënteren
op de sociale netwerken binnen de eigen’ (etnische) groep, waaronder de Belgische
Turken en Pakistani vermeldenswaardig zijn. In de praktijk merken agenten dat deze
groepen nauwelijks een beroep doen op de politie, omdat eigen conflictbemiddeling
boven de tussenkomst van de politie verkozen wordt. Er gaan weinig klachten uit van
deze bevolkingsgroepen en de aangiftebereidheid bij slachtofferschap ligt erg laag.
Straatagenten krijgen slechts met veel moeite informatie los met betrekking tot deze
groepen. De politie heeft hier ondanks een fysieke nabijheid en zelfs indrukken van een
correcte relatie en/of respectvolle houding van de leden van die gemeenschap vaak een
gevoel van afstand en gebrek aan tastbaarheid. Het zijn drempels die agenten
aanvoelen en belemmeren om in te schatten wat ‘echt’ leeft in deze gemeenschappen,
welk beeld ze hebben over de politie, wat de gemeenschap precies verwacht en met
welke activiteiten ze zich bezig houden. Deze vaststellingen houden zijn relevant in het
kader van een COP-beleid. Ze illustreren immers significante problemen op het vlak van
partnerschap, probleemoplossend werken en doelmatige externe oriëntering.
Toch merken we nog twee zaken op met betrekking tot bovenstaande vaststellingen.
(1) Genoemde hindernissen om een betere kennis te hebben over grote delen van de
bevolking worden door politiemensen als zodanig vastgesteld. Uiterst zelden gebeurt dit
echter in relatie tot een COP-aanpak. Agenten hechten vooral belang aan
cultuurgerelateerde aspecten indien die in hun ogen relevant zijn tijdens interacties op
het terrein. Vooral die zaken (misverstanden, verkeerde interpretaties, taalproblemen
of attitudes) die voor politiebeambten als denigrerend overkomen worden door
agenten benadrukt. Alhoewel in het vertoog van de agenten deze culturele verschillen
worden benadrukt, wijst ons onderzoek uit dat die minder frequent voorkomen dan het
(intern) vertoog doet vermoeden en meer subtiele culturele voorkeuren van belang zijn,
8
met name de notie van “gesloten gemeenschappen” en de vaak vernoemde voorkeur
om de “eigen zaken” te “regelen”.
(2) Een tweede kwestie met betrekking tot de door de agenten vaak aangehaalde notie
van afstand die ze ervaren met bepaalde etnische minderheden, is dat die haaks lijkt te
staan op de teneur van de gesprekken die we met talloze leden van die
gemeenschappen voerden en waarin de vraag voor nauwere contacten (in een neutrale
context wel te verstaan) één van de opvallende verwachtingenten aanzien van de politie
is. Het zijn deze groepen die een hardere en kordatere politie wenst in functie van
overlastproblemen, die ze vaak aan derden wijten.
4. Twee zijden van dezelfde medaille
Deze studie maakt maw. zichtbaar dat over- en underpolicing twee kanten van dezelfde
medaille zijn. In een buurt of wijk kan de politie extra letten op bepaalde groepen van
“vaste klanten”, die bij hen te boek staan als personen die veelvuldig crimineel gedrag
plegen. Voor andere bewoners kan deze extra aandacht voor medebewoners juist leiden
tot verwaarlozing. De politie lijkt zich om deze laatste bewoners niet te bekommeren, zij
staan als het ware in de kou. Met andere woorden, de beeldvorming ontstaat dat extra
aandacht voor de één leidt tot onverschilligheid voor de ander.
We stellen vast dat vandaag multiculturele buurten niet zozeer leiden onder
“overpolicing”, maar veel meer onder “underpolicing”. We stelden vast dat burgers in
multiculturele buurten als het ware schreeuwen om meer aandacht. Het gaat om een
vorm van “underpolicing” die in de richting gaat van een vermijdende, reactieve stijl ten
aanzien van die buurten, maar die zeker niet exclusief kan toegeschreven worden aan
de beelden die agenten over de buurt en bewoners hebben (Zie tevens : Kleijer-Kool,
2008).
In de beeldvorming van agenten over de bevolking kunnen vaak dus genoemde twee
ideaaltypes op een continuüm geplaatst worden. Bovendien merken we op dat in het
geval van de “vaste klanten” agenten keuze hebben uit meerdere vertogen. Het betreft
een palet aan vertogen die naargelang de situatie door agenten kunnen gekozen én
gebruikt worden. Soms zijn deze maatschappelijk, dan weer organisationeel of zelfs
individueel ingekleurd. We konden doorheen ons onderzoek vaststellen dat in de
praktijk meer keuzes (ook diverse soorten van interacties) voorhanden zijn bij de beter
gekende groepen. Het is dergelijk palet dat ontbreekt bij groepen waar tastbaarheid
laag is en clichématige vertogen de toon zetten, waar onvoldoende contextkennis
bestaat en stereotiepe indrukken door collega’s zelden gecorrigeerd worden. Op
dergelijke momenten vallen agenten terug op een soort van consensusaanpak, niet
zelden repressief van aard.
In dergelijke context blijkt de beeldvorming van politie-inspecteurs al snel te neigen
naar een pessimistische, argwanende, soms zelfs dominant negatieve perceptie.
9
Opnieuw blijkt dit mechanisme geen verband te houden met het “autochtoon” of
“allochtoon” zijn. Agenten houden er -in het algemeen- dus weinig rooskleurige beelden
op na, wat betreft de bevolking en in het bijzonder de (achtergestelde) multiculturele
buurt waar die bevolking huisvest. Zulke beeldvorming komt scherp tot uiting in het
intern vertoog, in de vorm van uitspraken die soms weinig aan de verbeelding overlaten.
Opvallend is evenwel dat deze discours zich niet noodzakelijk vertalen in de praktijk, op
het terrein, tijdens de omgang met die bevolking in kwestie. We dienen dan ook te
concluderen dat er niet noodzakelijk een rechtstreeks verband bestaat tussen het
gevoerde vertoog enerzijds en het gedrag op de werkvloer anderzijds.
5. Aversie tegen het COP-discours, en toch ernaar handelen
De doorgedreven categorisering van specifieke groepen en de hieruit voortvloeiende
interne subcultuur, houdt naar ons inzicht verband met de wijze waarop agenten
trachten weerstand te bieden tegen beleidspogingen om de politiecultuur ingrijpend te
veranderen. Terwijl nauwe contacten, samenwerking en een dienstverlenende
opstelling als voornaamste taakdoelstellingen vooropgesteld worden van beleidswege,
blijken de prioriteiten van agenten anders te liggen. Agenten van het basiskader zijn
immers niet erg begaan met die -naar hun aanvoelen van bovenaf opgelegde- wijze van
werken. Vooral interventieagenten, en in mindere mate wijkagenten, -zo blijkt uit dit
onderzoek- blinken uit in het negeren, minimaliseren, zelfs ridiculiseren van de COP-
filosofie.
De aanpak wordt omwille van de (multiculturele en grootstedelijke) context niet
toepasbaar of opportuun geacht. Een COP-beleid wordt door hen ervaren als (te) “soft”.
Menig inspecteur raakt qua kennis vaak niet verder dan het beaat reproduceren van een
aantal COP-principes. Slechts een minderheid slaagt erin om de COP-filosofie voor
zichzelf of voor het politiekorps in het geheel te plaatsen. Agenten vinden COP “te
abstract” en hebben naar eigen zeggen moeite de relevantie ervan in te zien. Het
argument bij uitstek is vaak dat COP “hier niet kan”.
Dit is niettemin een erg vreemde vaststelling omdat de bevindingen uit ons onderzoek
suggereren dat de aanpak op de werkvloer juist wél heel wat COP-elementen bevat. We
stelden vast dat agenten naargelang de bevolkingsgroep of context ettelijke aanpakken
of strategieën (kunnen) hanteren, die in lijn liggen met de doorgedreven kennis die ze
hebben over specifieke samenlevingsproblemen, individuen, groepen, buurten en zelfs
sociale netwerken. Opvallend is dat sommige wijkagenten hier bijzonder vaardig in
blijken te zijn. We merkten praktijken op bij deze agenten die de problemen waarmee
ze geconfronteerd worden werkbaar en controleerbaar weten te houden, al is het maar
de spreekwoordelijke pleister op het houten been. Het gaat in zekere zin om “COP- real-
praktijken omdat zij met deze fenomenen geconfronteerd worden en geen andere
instanties zich erom diepgaand bekommeren. Om die werkelijkheid enigszins
controleerbaar of werkbaar te houden, ontwikkelt de politie specifieke en eigen
omgangsvormen die gekenmerkt worden door bemiddeling, sussen (dus een focus op
10
de-escalatie), maar ook het in het oog houden en desnoods hard aanpakken bij gebrek
aan beter.
Niet enkel suggereren we dat de aanpak van agenten COP-elementen bevat, maar ook
dat omwille van de veelzijdige aanpakken en strategieën zelfs sprake is van multiple
COP-praktijken. Althans op het individuele niveau, niet zozeer op het niveau van de
korpsorganisatie.
Omdat (in beperkte mate weliswaar) kan gesproken worden over een COP-aanpak en er
variatie van aanpakken zijn op te merken naargelang deelgemeenschappen, blijft de
weerstand van agenten tegen een COP-beleid werkelijk verbazen en kan die weerstand
onvoldoende verklaard worden door de gebrekkige kennis ervan. COP behoort volgens
de agenten wellicht tot de zogenaamde externe wereld die in hun ogen weinig of geen
aansluiting heeft met een substantiële “echte politiële realiteit op het terrein. COP
heeft geen plaats in de wereld zoals agenten die zelf percipiëren en structureren. De
filosofie komt over als een corpus alienum en lijkt incompatibel met de unieke manier
van hoe politieagenten de werkcontext percipiëren, (re)construeren en er naar eigen
zeggen noodgedwongen op moeten inspelen. COP wordt ervaren als iets vreemds, dat
door een externe wereld wordt opgelegd, en dit lokt grote weerstand uit.
6. Relatie tussen intern vertoog en aanpak
Welke factoren veroorzaken zogenaamde overpolicing of underpolicing? Wat is de
relatie tussen beeldvorming, intern vertoog en aanpak op het terrein? De factoren die
we hier aanhalen schematiseren de meer complexe werkelijkheid. We maken hier
abstractie van algemene contextfactoren zoals de vormen van formele controle inzake
racisme, de migratiegeschiedenis en de mate van etnische densiteit.
(1) Een eerste factor houdt verband met de tendens bij straatagenten om zelfstandig
prioriteiten te bepalen, min of meer los van de beleidsvoering. De prioritering van deze
agenten staat veel meer in relatie tot de gepercipieerde en ervaren realiteit op de
werkvloer (inzake criminaliteit, overlast en buurtproblemen, het mentaal misdaadprofiel
dat zij hebben opgemaakt) dan tot de beleidssturing. Deze tendens reflecteert hetgeen
straatagenten beschouwen als “echt politiewerk of als echte klanten”. Sommige
afgelijnde etnische minderheden, zoals zigeuners, hebben hieronder rechtstreeks te
lijden. Het gaat om een bevolkingsgroep waarmee agenten zowel mentaal als fysiek
afstand (willen) ervaren en tevens systematisch een misdaadprofiel aan koppelen. Het is
een groep waar het negatieve beeld zich steevast vertaalt tijdens interacties,
onafhankelijk van de betrokken agent(en) én de specifieke situatie (met uitzondering
van de wijkwerking).
(2) Een tweede factor ligt in het verlengde van voorgaande. Opnieuw gaat het om een
conflict inzake prioriteitenstelling van de agenten, met name op het vlak van wat als
“echt” en “onecht” politiewerk wordt gezien, en dus evenzeer tegen beleidsvisies kan
11
ingaan. In dat opzicht kunnen de talrijk vastgestelde bitsige interacties met
gemarginaliseerde autochtone bevolkingsgroepen aangehaald worden. Dit gedrag is in
zeker opzicht te begrijpen gezien de resultaten van het onderzoek suggereren dat deze
groepen vaak als lastige klanten worden beschouwd en politieagenten langs de
frustratiedrempel scheren omwille van de onmacht die zij ervaren aan de oorzaken van
de steeds terugkerende problemen te kunnen remediëren. In een dergelijke situatie rest
dikwijls enkel nog de-escalerend optreden.
(3) Als derde factor vermelden we hier dat vaak situationele aspecten de toon van een
interactie en de aanpak van agenten beïnvloeden. Het is in de concrete situationele
context dat achterliggende beelden of voorkeuren tot uitdrukking komen. Dit blijkt
vooral het geval te zijn indien de situatie en vooral dan het gedrag van de burger veel
raakvlakken vertoont met de zogenaamde attributen die agenten in hun
categoriseringssysteem de persoon of groep in kwestie aanmeten. Met andere
woorden, wanneer de beschikbare “vooroordelen bevestiging vinden in de ogen van de
agenten. Deze vaststelling is erg consistent en houdt sterk verband met de wijze waarop
agenten hun eigen rol definiëren en hoe ze het gedrag van de burger desgevallend
interpreteren. In dit verband is het van belang te onderstrepen dat inspecteurs meer
begaan zijn met het respect dat zij verwachten van burgers omwille van hun
gezagsfunctie, dan met het respect dat zij zelf dienen te betonen ten aanzien van deze
burgers.
(4) Tijdens interacties met de zogenaamde property groups, kunnen agenten
naargelang de situatie kiezen uit meerdere opties op het vlak van vertoog én aanpak.
Agenten kunnen bijvoorbeeld afwijken van het dominante maatschappelijk vertoog en
dankzij veelvuldige ervaring opteren voor specifieke strategieën of een aanpak op maat.
Het kan hard en controlerend zijn, maar ook sussend of bemiddelend. Er is -zo blijkt-
nogal wat keuze. Dergelijke keuzemogelijkheden lijken echter te ontbreken tijdens
interacties met groepen waaromtrent slechts gebrekkige (ervarings-)kennis voorhanden
is. Politieagenten lijken op dergelijke momenten greep te verliezen op de situatie en
terug te vallen op een consensusaanpak”, die nauw aanleunt bij achterliggende, doch
clichématige beelden en opgeklopte criminaliteitsprofielen.
(5) Een vijfde factor betreft het “cultureel en sociaal kapitaal” van de straatagenten. Het
slaat op het geheel van achterliggende attitudes, politieke voorkeuren, kennisinhouden,
sociale vaardigheden, maar ook op ervaring, kennis van diverse maatschappelijke
vertogen en strekkingen, sociale netwerken en milieus die worden gefrequenteerd in
het privéleven, en dergelijke meer. Die factor verheldert in het bijzonder de precaire
relatie tussen politieagenten en jonge Noord-Afrikanen. Deze jongeren worden over het
algemeen geconfronteerd met een (aanzienlijk) negatief imago. Dit weerspiegelt zich in
het defaitistisch vertoog dat in een aantal politiezones op korpsniveau op te merken
viel. De relatie tussen politie en deze groepen kan niet anders dan problematisch
worden genoemd.
12
De beeldvorming tav. Noord-Afrikaanse jongeren is gestoeld op expliciete mentale
misdaad- en overlastprofielen. Toch konden we geen zgn. “consensusaanpak”
vaststellen, in tegenstelling tot hetgeen we observeerden ten aanzien van
zigeunerfamilies. Integendeel. Tijdens interacties met bij voorbeeld Marokkaanse
jongens viel vooral behoedzaamheid op. In de praktijk merken we (ondanks het
negatieve beeld) zelfs een palet aan verschillende “zachte” en “harde” aanpakken of
toenaderingsstrategieën op, sterk afhankelijk van agent tot agent.
Sommige agenten hanteren eerder een zwart/wit vertoog, dat veel lijkt op het
korpsdiscours. Deze agenten verkiezen eerder hardere toenaderingspogingen, ongeacht
de situatie. Dit soort van optreden observeerden we vooral bij agenten die zichzelf ter
rechterzijde van het politieke spectrum situeren, en sneller dan collega’s de
multiculturele samenleving hekelen. Zij bleken minder geneigd bemiddelend op te
treden.
Andere agenten vertokten een meer genuanceerd beeld, dat tevens afwijkt van het bij
wijlen harde vertoog in de schoot van het korps. Het waren zij die bovendien werk
maakten om negatieve uitlatingen van collega’s inzake politiewerk in multiculturele
buurten te relativeren en bij te stellen. Zij lijken eerder voor andere vormen van
optreden te opteren, overigens opvallend vaak met succes en corrigeerden uitspraken
of handelingen van collega’s, echter nooit in het bijzijn van de burger zelf.
In deze zin dient de beeldvorming van politiemensen over problematische
deelgemeenschappen gezien te worden als resultante van een al te impliciete discussie
in de schoot van lokale politiekorpsen, als interne strijd. Het is onze overtuiging dat het
expliciet maken van dit debat door middel van het systematiseren van de rijke
ervaringskennis in grote mate kan bijdragen tot een realistischer perceptie.
Literatuurlijst
BEYENS, K. (2000) Straffen als sociale praktijk. Een penologisch onderzoek naar straftoemeting.
Brussel:VUB Press.
EASTON, M., TANGHE, C., PONSAERS, P. (2008) Out of the Box. Een boek om te kleuren en te denken
over Interculturaliteit en Politie. Brussel:Politeia.
KLEIJER-KOOL, L. (2008) Handhavers van de vrede of heroveraars? Politiestijlen en conflictpotentieel
in Nederlandse multiculturele achterstandswijken. Den Haag:Boom Juridische Uitgevers.
LERNER, M. (1980) The belief in a Just World : A Fundamental Delusion. New York:Plenum Press.
REINER, R. (1992) The politics of the police. Hemel Hempstead:Harvester Wheatsheaf.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.