ArticlePDF Available

Ponsaers, P. (2009). “De ingewanden van Binnenlandse Zaken”, Politiejournaal, n°8, 11; Ponsaers, P. (2009). “Les entrailles de l’interieur”, Le journal de la Police, n°8, 11.

Authors:

Abstract

Zowat tien jaar heb ik in de ingewanden en de nabijheid van 'binnenlandse zaken' geleefd, voordat ik in 1998 definitief de overstap maakte naar de Gentse universiteit. Eerst was dat bij de toenmalige 'algemene rijkspolitie' als onderzoekscoördinator van het programma 'burger en veiligheid', daarna als promotor van het zogn. 'steunpunt criminaliteit, bestuurlijke politie en strafrechtsbedeling'. Via een relatief korte tussenstop op het kabinet Tobback kwam ik dan uiteindelijk terecht in die merkwaardige instelling die men de 'algemene politiesteundienst' (APSD) doopte, ditmaal als diensthoofd van de 'afdeling politiebeleidsondersteuning' (PBO). Toen de politiehervorming vaste vorm aannam heb ik de overstap naar de universiteit gemaakt. Het pionierswerk zat erop en de roep naar nieuwe uitdagingen was wat al te nadrukkelijk aanwezig. Het was vooral tijdens de APSD-periode dat ik het voorrecht had om met een kleine groep van academisch geschoolden aan de slag te gaan. Nu nog steeds kijk ik met verbijstering terug naar de sterke motivatie die bij elk van ons aanwezig was binnen PBO om beleidsondersteunend materiaal op tafel te krijgen. We zijn gestart met de zogn. 'morfologie van de politiediensten', een beleidsinstrument dat nu-zowat 20 jaar later-nog steeds zijn nut bewijst. Ik herinner me nog levendig dat-toen we in het kader van het steunpunt dit project in 1990 opzetten en vanaf 1994 het in de schoot van de APSD verdiepten-niemand het flauwste benul had van het aantal politiemensen in het land, laat staan dat er ook maar iemand over meer gedetailleerde informatie beschikte. In een tweede fase hebben we een project gestart omtrent de zogn. 'gebeurtenissen openbare orde', met een bijzondere aandacht voor het voetbalfenomeen. Opnieuw kregen beleidsverantwoordelijken jaarlijks nieuwsoortige beleidsondersteunende informatie waarover ze voorheen nooit beschikt hadden. Al deze inspanningen hebben uiteindelijk geleid tot een derde project, waarin we keihard gewerkt hebben om het eerste rapport mbt. de 'geregistreerde interpolitiële criminaliteitsstatistiek' (GICS) te realiseren in 1994. Eindelijk was er een beleidsondersteunend instrument dat toch enig zicht gaf op de criminaliteitsevolutie, dat vandaag overigens zijn verlengstuk heeft gekregen in de PCS van de federale politie. PBO wilde echter meer, nog meer. We zijn dan ook in vierde instantie keihard doorgegaan met de uitbouw van een nieuw instrument om het darknumber enigermate in beeld te krijgen, meer precies met de 'veiligheidsmonitor'. Ook dit instument heeft zijn deugdelijkheid bewezen en wordt nu nog steeds gehanteerd op lokaal en federaal vlak. We hebben in laatste instantie een beleidsondersteunend instrument uitgebouwd omtrent de samenwerking en de coördinatie tussen diverse politiediensten. In eerste instantie focusten we hierbij op het 'vijfhoeksoverleg', om later de kijken naar de (I)PZ-vorming. Eind 1998 lag er een schat aan beleidsondersteundende informatie op tafel, die jaarlijks werd geupdate, welke ongetwijfeld heeft bijgedragen tot de hervorming. Doorheen dit APSD/PBO-avontuur ervaarden we de constructieve kracht van de samenwerking tussen leden van verschillende politiediensten, maar vooral ook de constructieve bijdrage die wetenschappelijk geschoolde burgers binnen een beleidsondersteunende politionele setting kunnen realiseren. Op het ogenblik dat PBO opging in de federale politie (dus na de hervorming) bestond de afdeling uit een 25-tal medewerkers, die een hechte ploeg vormden. Als buitenstaander heb ik naderhand, vanuit de academische zijlijn, een aantal evoluties gemerkt, met name : (1) de versplintering van de ploeg PBO-ers over verschillende diensten, waardoor m.i. een stuk synergie en teamspirit verloren ging; (2) met deze versplintering verloor de beleidsondersteunende informatie eveneens haar consistentie, sturing, transparantie en openbaarheid (publicatie); (3) het nalaten om nieuwe beleidsondersteunende instrumenten te ontwikkelen die het hervormingsproces systematisch zouden kunnen monitoren. Opmerkelijk en tekenend is echter dat veel (zoniet de meeste) van de voormalige PBO-ers op sleutelposities zijn terecht gekomen in het nieuwe bestel, en zij mede tekenen voor de overwegend positieve balans die kan voorgelegd worden na tien jaar hervorming. Ik ben dan ook bijzonder erkentelijk voor de jarenlange loyale samenwerking en fier ex-PBO-er te zijn.
De ingewanden van ‘binnenlandse zaken’
Zowat tien jaar heb ik in de ingewanden en de nabijheid van ‘binnenlandse zaken’ geleefd, voordat ik
in 1998 definitief de overstap maakte naar de Gentse universiteit. Eerst was dat bij de toenmalige
‘algemene rijkspolitie’ als onderzoekscoördinator van het programma ‘burger en veiligheid’, daarna
als promotor van het zogn. ‘steunpunt criminaliteit, bestuurlijke politie en strafrechtsbedeling’. Via
een relatief korte tussenstop op het kabinet Tobback kwam ik dan uiteindelijk terecht in die
merkwaardige instelling die men de ‘algemene politiesteundienst’ (APSD) doopte, ditmaal als
diensthoofd van de ‘afdeling politiebeleidsondersteuning’ (PBO). Toen de politiehervorming vaste
vorm aannam heb ik de overstap naar de universiteit gemaakt. Het pionierswerk zat erop en de roep
naar nieuwe uitdagingen was wat al te nadrukkelijk aanwezig.
Het was vooral tijdens de APSD-periode dat ik het voorrecht had om met een kleine groep van
academisch geschoolden aan de slag te gaan. Nu nog steeds kijk ik met verbijstering terug naar de
sterke motivatie die bij elk van ons aanwezig was binnen PBO om beleidsondersteunend materiaal op
tafel te krijgen. We zijn gestart met de zogn. ‘morfologie van de politiediensten’, een
beleidsinstrument dat nu -zowat 20 jaar later- nog steeds zijn nut bewijst. Ik herinner me nog
levendig dat -toen we in het kader van het steunpunt dit project in 1990 opzetten en vanaf 1994 het
in de schoot van de APSD verdiepten- niemand het flauwste benul had van het aantal politiemensen
in het land, laat staan dat er ook maar iemand over meer gedetailleerde informatie beschikte. In een
tweede fase hebben we een project gestart omtrent de zogn. ‘gebeurtenissen openbare orde’, met
een bijzondere aandacht voor het voetbalfenomeen. Opnieuw kregen beleidsverantwoordelijken
jaarlijks nieuwsoortige beleidsondersteunende informatie waarover ze voorheen nooit beschikt
hadden. Al deze inspanningen hebben uiteindelijk geleid tot een derde project, waarin we keihard
gewerkt hebben om het eerste rapport mbt. de ‘geregistreerde interpolitiële criminaliteitsstatistiek
(GICS) te realiseren in 1994. Eindelijk was er een beleidsondersteunend instrument dat toch enig
zicht gaf op de criminaliteitsevolutie, dat vandaag overigens zijn verlengstuk heeft gekregen in de
PCS van de federale politie. PBO wilde echter meer, nog meer. We zijn dan ook in vierde instantie
keihard doorgegaan met de uitbouw van een nieuw instrument om het darknumber enigermate in
beeld te krijgen, meer precies met de ‘veiligheidsmonitor’. Ook dit instument heeft zijn
deugdelijkheid bewezen en wordt nu nog steeds gehanteerd op lokaal en federaal vlak. We hebben
in laatste instantie een beleidsondersteunend instrument uitgebouwd omtrent de samenwerking en
de coördinatie tussen diverse politiediensten. In eerste instantie focusten we hierbij op het
‘vijfhoeksoverleg’, om later de kijken naar de (I)PZ-vorming.
Eind 1998 lag er een schat aan beleidsondersteundende informatie op tafel, die jaarlijks werd
geupdate, welke ongetwijfeld heeft bijgedragen tot de hervorming. Doorheen dit APSD/PBO-
avontuur ervaarden we de constructieve kracht van de samenwerking tussen leden van verschillende
politiediensten, maar vooral ook de constructieve bijdrage die wetenschappelijk geschoolde burgers
binnen een beleidsondersteunende politionele setting kunnen realiseren. Op het ogenblik dat PBO
opging in de federale politie (dus na de hervorming) bestond de afdeling uit een 25-tal medewerkers,
die een hechte ploeg vormden. Als buitenstaander heb ik naderhand, vanuit de academische zijlijn,
een aantal evoluties gemerkt, met name : (1) de versplintering van de ploeg PBO-ers over
verschillende diensten, waardoor m.i. een stuk synergie en teamspirit verloren ging; (2) met deze
versplintering verloor de beleidsondersteunende informatie eveneens haar consistentie, sturing,
transparantie en openbaarheid (publicatie); (3) het nalaten om nieuwe beleidsondersteunende
instrumenten te ontwikkelen die het hervormingsproces systematisch zouden kunnen monitoren.
Opmerkelijk en tekenend is echter dat veel (zoniet de meeste) van de voormalige PBO-ers op
sleutelposities zijn terecht gekomen in het nieuwe bestel, en zij mede tekenen voor de overwegend
positieve balans die kan voorgelegd worden na tien jaar hervorming. Ik ben dan ook bijzonder
erkentelijk voor de jarenlange loyale samenwerking en fier ex-PBO-er te zijn.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.