ArticlePDF Available

Abstract

Fraude bestaat niet in het enkelvoud. Het lijkt een eigenaardig statement, maar het is zo. Er bestaat wel een hele reeks van verschillende vormen van fraudes, waaraan telkens verschillende bestrijdingsdispositieven worden gekoppeld, verschillende publieke en/of private belangen spelen, gezocht wordt naar samenwerking en afstemming in het tegengaan van het fenomeen, andere afspraken gelden, tot zelfs een ander woordenboek wordt gehanteerd. Fraude is meervoudig. Met dit themanummer van Orde van de Dag proberen de redactieleden het fraudefenomeen in de breedte te belichten, aantonend hoe divers de verschijningsvormen van fraudefenomenen wel kunnen zijn en hoe de sociale reactie erop kan variëren. Hoe dan ook geeft dit themanummer onvermijdelijk aanleiding tot een verdieping van de relatie tussen wat zich afspeelt bij overheidsdiensten in de publieke sfeer en bedrijfsmatige settings in de private sfeer. Hoe divers fraude ook mag zijn, steeds weer blijken publiek-private diensten en organisatie elkaar te ontmoeten. Op zich is dat een onvermijdelijke vaststelling in dit fraudenummer.
Thema:
Het debat geopend
Meervoudige fraude 3
Antoinette Verhage, Philippe De Baets, Paul Ponsaers, Bart De Bie en Marc Cools
Locomotieftekst
Fraudebestrijding in België anno 2010: quo vadis? 7
Bart De Bie en Antoinette Verhage
Discussie
Fraudebestrijding in België: quo vadis? Een blik in de reisbrochure 17
Jan Buys
Fiscaliteit en ontneming 29
Francis Desterbeck
Fraude in de gezondheidszorg: een buitenbeentje in de sociale fraude? 35
Paul Vincke
Verder aan te vullen
Aflevering 51
september 2010
Driemaandelijks
Meervoudige fraude
2 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 3
Het debat geopend
Meervoudige fraude
ANTOINETTE VERHAGE, PHILIPPE DE BAETS, PAUL PONSAERS, BART DE BIE EN MARC COOLS [1]
Uit fraudesurveys van KPMG en Ernst & Young blijkt dat
ondernemingen wel degelijk te maken krijgen met fraude.
KPMG onderzocht in het verleden in haar Belgium Fraud
Survey Report de top 1000 van Belgische ondernemingen
en kwam tot de ontdekking dat maar liefst 37 % van de
respondenten in het voorbije jaar geconfronteerd werd met
fraude.[2] Ernst & Young kwam tot de schokkende vaststel-
ling dat bij een onderzoek over fraude in vijftien landen
twee derde van de ondernemingen gedurende het laatste
jaar geconfronteerd werd met fraude.[3]
Fraude bestaat niet in het enkelvoud. Het lijkt een eigen-
aardig statement, maar het is zo. Er bestaat wel een hele
reeks van verschillende vormen van fraudes, waaraan
telkens verschillende bestrijdingsdispositieven worden ge-
koppeld, verschillende publieke en/of private belangen
spelen, gezocht wordt naar samenwerking en afstemming
in het tegengaan van het fenomeen, andere afspraken
gelden, tot zelfs een ander woordenboek wordt gehanteerd.
Fraude is meervoudig. Met dit themanummer van Orde van
de Dag proberen de redactieleden het fraudefenomeen in
de breedte te belichten, aantonend hoe divers de verschij-
ningsvormen van fraudefenomenen wel kunnen zijn en hoe
de sociale reactie erop kan variëren. Hoe dan ook geeft dit
themanummer onvermijdelijk aanleiding tot een verdieping
van de relatie tussen wat zich afspeelt bij overheidsdien-
sten in de publieke sfeer en bedrijfsmatige settings in de
private sfeer. Hoe divers fraude ook mag zijn, steeds weer
blijken publiek-private diensten en organisatie elkaar te
ontmoeten. Op zich is dat een onvermijdelijke vaststelling
in dit fraudenummer.
Het meest voor de hand liggende instrument om tegen het
fraudefenomeen iets te doen lijkt het inzetten van reguliere
politie en justitie. Dat is blijkbaar niet zo voor onderne-
mingen. Zij vrezen nogal voor imagobeschadiging door
negatieve publiciteit; al dan niet terecht ongeloof in de
bekwaamheid en snelheid van het reguliere onderzoek is de
reden waarom er mogelijkheden zijn voor de private onder-
nemer om zich op de markt van de fraudebestrijding te
─────
[1] Antoinette Verhage (Vakgroep Strafrecht & Criminologie,
UGent), Philippe De Baets (ABVV Oost-Vlaanderen), Paul
Ponsaers (Vakgroep Strafrecht & Criminologie, UGent),
Bart De Bie (I-Force), Marc Cools (Vakgroep Strafrecht
& Criminologie, UGent, Vakgroep Criminologie, VUB).
[2] KPMG, Belgium fraud Survey Report, p. 5, www.kpmg.be.
[3] Ernst & Young, Fraud – The unmanaged risk, p. 1,
www.ey.be.
begeven. Elementen van specialisme, snelheid, adequaatheid
en vertrouwelijkheid worden door deze private initiatief-
nemers in de markt van veiligheid naar voren geschoven
om klanten te werven en zich op die manier te onderschei-
den van het reguliere optreden.
De deelnemers binnen dit marktsegment kunnen onder-
scheiden worden in twee grote takken. Zo is er enerzijds
het private politiewezen waarbinnen men de privédetective-
sector en de bewakings- en beveiligingssector kan onder-
scheiden, en anderzijds zijn er de grote accountancy- en
consultancykantoren, die de fraudebestrijding naar zich toe
proberen te halen.
Als uitgangspunt voor de kritiek op het ontstaan en de
expansie van de private veiligheidssector, wordt benadrukt
dat de primaire verantwoordelijkheid voor de handhaving
van de openbare orde en het verzekeren van de veiligheid
van de burger bij de overheid en niet bij private organisa-
ties ligt. Bij de totstandkoming van de wet op de private
beveiligings- en bewakingsdiensten werd dat nog onder-
streept:
“De overheid blijft immers de eerste verantwoordelijke
voor het handhaven van de openbare orde. Op dit domein
kan het optreden van particulieren slechts in beperkte mate
en onder strikte voorwaarden gedoogd worden.[4]
Hoe men het echter ook draait of keert, de realiteit leert dat
de private veiligheidsindustrie hoe langer hoe meer maat-
schappelijk geaccepteerd is. Coöperatie tussen private en
reguliere politie wordt nogal eens als ‘voor de hand lig-
gend’ voorgesteld. Niet alleen voor de taken die eerder
preventiegericht zijn, maar ook ten aanzien van de opspo-
ring wordt het samenwerkingsmodel steeds meer gepropa-
geerd. Met betrekking tot het verschil tussen preventieve
en repressieve taken kan men stellen dat dit in de praktijk
vrij diffuus ligt, aangezien beide sectoren zowel preventieve
als repressieve taken uitvoeren.
De monopoliepositie van de publieke politie komt in de
praktijk hoe langer hoe meer onder druk te staan, zeker in
de fraudebestrijding. Binnen het ‘veiligheidsdiscours’ wordt
steeds vaker gepleit voor een andere maatschappelijke orde,
─────
[4] Belgische Senaat, zitting 1988-1989, 18 september 1989,
Ontwerp van wet op de bewakingsondernemingen, de be-
veiligingsondernemingen en de interne bewakingsdien-
sten – memorie van toelichting – minister van Binnen-
landse Zaken L. Tobback.
Meervoudige fraude Het debat geopend
4 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
waarbij de politie een verschuiving van haar takenpakket
wordt opgelegd. In dit themanummer wensen de redactie-
leden dit discours te nuanceren en te verfijnen. Gaat het
echt wel om een dichotoom denken?
In de locomotieftekst schetsen Bart DE BIE (I-Force) en
Antoinette VERHAGE (UGent) de grote lijnen van het fraude-
landschap. Hierbij wordt een aantal fraudevormen bespro-
ken en wordt het onderscheid tussen horizontale en verticale
fraude toegelicht. Dit onderscheid is ook van invloed op de
aanpak van fraude. Elk fraudetype vormt immers traditioneel
de ‘habitat’ van een van beide fraudebestrijders, publiek of
privaat.
De auteurs concluderen dat de grenzen tussen publieke en
private fenomenen de laatste jaren echter niet meer zo
helder te trekken zijn en er dus steeds meer en steeds
nadrukkelijker (wederzijds) nood is aan een aanpak die ook
deze grenzen overschrijdt. Rekening houdend met de gevaren
van een te verregaande symbiose, doen de auteurs een aantal
voorstellen in dit verband; ze eindigen met de suggestie om
te streven naar ‘afstemming waar het kan, samenwerking
waar nodig’.
Traditioneel wordt de politie beschouwd als een verticale-
fraudebestrijder. Jan BUYS (Directie van de bestrijding van de
economische en financiële criminaliteit, binnenkort Directie
fraudebestrijding, federale gerechtelijke politie) beschouwt
echter het brede fraudeterrein en schetst het scala van
bestrijders die hierop actief zijn, gaande van politie, over
bijzondere inspectiediensten, private speurders, revisoren,
auditoren en dergelijke. Door de versnippering in de be-
strijding, zo argumenteert Buys, bestaat er momenteel geen
helder en klaar beeld van het fraudefenomeen.
Zonder de ambitie te willen hebben exhaustief te zijn gaat
hij in op een aantal belangrijke toekomstige tendensen in
de fraudebestrijding. Achtereenvolgens komen aan bod: het
maken van keuzes en het (leren) planmatig werken, het
omgaan met enorme hoeveelheden data, het samenwerken
tussen diverse departementen, het zoeken naar evenwicht
tussen ingrijpende onderzoeksmethoden en privacy, het
voordeelontnemende karakter van de straf, de evolutie van de
administratieve sanctie, het grensoverschrijdende karakter
van fraude en de relatie tussen publieke en private opspo-
ring. De auteur pleit besluitend voor het voordeelontne-
mende karakter van de straf, maar ook voor de invoering
van het gewapend bestuursrecht, gekoppeld aan het in-
strument van administratieve sancties.
Francis DESTERBECK (Centraal Orgaan voor de Inbeslag-
neming en de Verbeurdverklaring – COIV) heeft het over
een andere typische vorm van verticale fraude, namelijk
fiscale fraude. Hij vertrekt in zijn bijdrage van de vaststelling
dat vormen van ernstige en georganiseerde fiscale fraude
toenemen en de ermee gepaard gaande bedragen verhogen.
Hij benadrukt in deze context het belang van een efficiënt
stelsel van ontneming van wederrechtelijk vermogen. Hij
stelt echter vast dat het Belgische fiscaal strafrecht een
aantal kenmerken in zich draagt die deze bestrijdingsmid-
delen hinderen. Hij staat in dit kader stil bij de constatering
dat fiscale strafzaken worden beheerst door het Charter van
de Belastingplichtige, dat een volledige scheiding tussen
fiscus en gerecht voorstaat. In dit licht gaat hij in op de
voorstellen die zijn voortgevloeid uit de werkzaamheden
van de parlementaire onderzoekscommissie naar de grote
fiscale fraude en die van de werkgroep van deskundigen
aangesteld door staatssecretaris Clerfayt. Deze voorstellen
bepleiten een of-of-benadering: fiscale fraudezaken zouden
ofwel administratief, ofwel strafrechtelijk moeten worden
afgehandeld.
Desterbeck concludeert dat deze voorstellen in de goede
richting gaan, maar in essentie niet de scheiding opheffen
tussen de diensten die met de fraudeonderzoeken belast
zijn. Zonder het opheffen van de tussenschotten tussen de
fiscale en de strafrechtelijke onderzoeksdiensten, inge-
voerd door het charter, zullen de fundamentele problemen
blijven bestaan, besluit de auteur.
Paul VINCKE (RIZIV, European Healthcare Fraud and
Corruption Network) merkt op dat de veelvuldige beleids-
impulsen in de strijd tegen de fiscale en sociale fraude wel
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen viseren maar niet de
geneeskundige prestaties en verstrekkingen. Hij wijt dat
aan een aantal atypische karakteristieken. De auteur pleit
voor een pragmatische nuancering van het fraudebegrip
met het oog op de intentie en baseert zich op het Sociaal
Strafwetboek om ook de betaling van geneeskundige
verstrekkingen hierin te betrekken. Vincke stelt vast dat de
fraudebestrijding in de gezondheidszorg zich moet begeven
op een terrein waar publieke en private aspecten voort-
durend interageren.
Jozef PACOLET en Frédéric DE WISPELAERE (Hoger Instituut
voor de Arbeid, KULeuven) situeren in hun discussietekst
de uitkeringsfraude binnen de sociale en fiscale fraude en
hanteren hierbij een ruime definitie. Hoewel de uitkerings-
fraude tot nog toe niet werd geraamd, hebben de auteurs de
geregulariseerde bedragen door de sociale parastatalen (RVA,
RIZIV, RVP en RKW) in kaart gebracht Zij constateren
dat de determinanten en aangrijpingspunten van uitkerings-
fraude dezelfde zijn als bij bijdragefraude en pleiten ook voor
verder wetenschappelijk onderzoek naar dit fenomeen.
Didier VERBEKE (Directoraat-generaal Beleidsondersteu-
ning, FOD Sociale Zekerheid) wijst tegen de achtergrond
van de economische en financiële crisis op de dreiging die
uitgaat van de ondergrondse economie voor de verzorgings-
staat en het maatschappelijk bestel. De auteur merkt op dat
sociale en fiscale fraude vaak met elkaar vervlochten zijn en
vestigt de aandacht op verschillende push- en pull-factoren
zoals de illegale arbeidsmigratie. Verbeke houdt een pleidooi
voor de oprichting van een informatie- en analysecentrum
of observatorium voor ondergrondse economie als beleids-
ondersteunend instrument waarbij onderzoeksresultaten op
basis van verschillende methodes en afkomstig uit een
brede waaier van disciplines worden samengebracht.
Philippe DE BAETS (ABVV Oost-Vlaanderen) besteedt in
zijn bijdrage ruim aandacht aan bestandskoppelingen in de
sociale zekerheid. Zij dienen niet alleen de administratieve
vereenvoudiging, maar fungeren evenzeer als een modern
Meervoudige fraude Het debat geopend
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 5
toezichts- en handhavingsinstrument in het kader van fraude-
bestrijding. De auteur stelt dat deze beleidskeuze zich situeert
in een budgettaire strategie en waarschuwt op grond van
binnen- en buitenlandse ervaringen voor de gevaren ervan.
Door het accent te leggen op de bestrijding van witte fraude
kunnen immers onopgemerkt verschuivingen optreden zoals
blijkt in de snel groeiende sector van dienstencheque-
ondernemingen.
Rafaël RONDELEZ (Europol) bespreekt de geschiedenis en
de evolutie van betaalkaartfraude en wijst op de mogelijk-
heden en moeilijkheden van publiek-private samenwerking
bij de bestrijding van dit fenomeen. Ondanks de constate-
ring dat de primaire verantwoordelijkheid voor preventie
van dit soort fraude bij de private sector ligt, geeft de
bestrijding van betaalkaartfraude de laatste jaren steeds
meer aanleiding tot samenwerking tussen de publieke en
private sector. Hierbij botst men echter steeds op dezelfde
problemen. Rondelez pleit dan ook voor flexibele samen-
werkingsvormen, waarbij de publieke en de private sector
beide maatwerk kunnen leveren. Hij wijst hierbij op het
belang van opleiding, het delen van expertise en knowhow,
het ontwikkelen van degelijke beeldvorming, en een goede
wettelijke omkadering.
De bijdrage van Frederik VERHASSELT (Umicore) gaat in op
een minder bekend fenomeen, namelijk de illegale handel
in edelmetalen. De auteur bespreekt de banden met geor-
ganiseerde criminaliteit en de samenhang van deze vorm
van criminaliteit met andere criminele activiteiten, zoals
witwassen. Dat maakt van illegale handel in edelmetalen
een vorm van criminaliteit die zowel onder horizontale als
verticale fraude geklasseerd kan worden. De private sector
nam reeds verschillende initiatieven in dit verband, maar
ook hier is behoefte aan een meer ‘nodale’ aanpak van
onveiligheid en een samenwerking met de publieke sector
op het vlak van expertiseontwikkeling.
Marcel PHEIJFFER (hoogleraar Accountancy aan de Nyenrode
Business Universiteit en Forensische Accountancy aan de
Universiteit Leiden) relativeert het onderscheid tussen ver-
ticale en horizontale fraude in zijn bijdrage. Zijn argument
is dat private fraudebestrijders eveneens een publiek belang
kunnen dienen, maar ook dat publieke bestrijders kunnen
instaan voor het private belang.
De tekst van Pheijffer gaat nader in op de laatste argumen-
tatie, waarin hij de stelling onderbouwt dat jaarrekening-
fraude hiervan een uitgesproken voorbeeld is. Hierbij gaat
hij nader in op de rol van de accountant (Nl) of revisor (B),
nuttig gebruikmakend van cases als Lernout & Hauspie,
Enron en Lehman Brothers. Deze bijdrage laat zich dan
ook lezen als een pleidooi voor een betere samenwerking
tussen publieke en private speurders in de strijd tegen
fraude, waarbij hij niet schuwt de accountants of revisoren
tot een kritischer opstelling aan te manen ten aanzien van
de eigen cliënten.
Stijn DEMEULENAER (Everest advocaten, UAMS, VUB)
maakt een juridische analyse van de huidige wettelijke om-
kadering van de private fraudebestrijding. Hij wijst hierbij
op de problematische positie die de forensic auditor in het
kader van deze wetgeving inneemt. Demeulenaer stelt dat
de huidige wetgeving het goed uitvoeren van de opdrach-
ten als forensic auditor bemoeilijkt, en vindt dan ook dat
een aanpassing van de huidige wettelijke regeling noodza-
kelijk is. In het kader van deze wetswijziging moeten een
aantal belangrijke en dringende keuzes gemaakt worden,
bijvoorbeeld in het kader van de meldingsplicht voor pri-
vate onderzoekers. Tezelfdertijd spreekt de auteur de hoop
uit dat een vernieuwde wetgeving ook mogelijkheden zou
kunnen creëren voor publiek-private samenwerking.
De bijdrage van Frans THIERENS (KBC) gaat in op de
mogelijkheden en beperkingen van financiële instellingen
bij het voeren van een preventief en repressief beleid ter
bestrijding van fraude. Hierbij haalt de auteur een aantal
voorbeelden over zowel interne als externe fraudebestrij-
ding aan waarbij hij een aantal normen benadrukt die
gehanteerd worden bij het uitvoeren van privaat onderzoek
en het nemen van de daaropvolgende beslissing. Thierens
wijst bovendien op het spanningsveld tussen publieke en
private criminaliteitsbestrijding; hij doelt hiermee voorna-
melijk op het gebrek aan mogelijkheden tot informatie-
uitwisseling tussen publiek en privaat.
De redactie heeft Marc COOLS (professor Criminologie –
UGent en VUB) gevraagd een wat provocatief essay te
schrijven over fraude, wat dus niet betekent dat de redac-
tieleden van het tijdschrift zich allen volmondig scharen
achter de zienswijze van deze auteur.
Opnieuw gaat het over fiscale fraude, maar de benadering
van Cools is vrij filosofisch van aard en kan wellicht tot felle
discussie aanleiding geven. Het zij zo, want het fraudethema
is al te lang benaderd als een louter technische materie.
Cools ontwikkelt immers een eigenzinnige visie, gebaseerd
op het denken van Ayn Rand, waarbij hij lijnrecht ingaat
tegen de ‘mainstream’ normatieve criminologische kennis en
inzichten over fiscale fraude(bestrijding). Hij ontwikkelt een
gezichtshoek van waaruit fiscale fraude eerder als het ‘goede’
wordt beschouwd, met een positieve morele evolutieve
waarde en de fiscale-fraudebestrijding als het ‘kwade’. De
auteur ontwikkelt in zijn besluit een aantal suggesties voor
verder criminologisch onderzoek in de lijn van zijn essay.
Welkom in het land van Swentibold, of de caleidoscoop
van fraudes ...
Meervoudige fraude Het debat geopend
6 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 7
Locomotieftekst
Fraudebestrijding in België anno 2010: quo vadis?
BART DE BIE EN ANTOINETTE VERHAGE [1]
“When the criminal laws are so expansive that everyone is guilty of something, you have a government not of laws but of
bureaucratic arbitrariness” (Hellerstein, 1998).
Er beweegt wat op het vlak van de fraudebestrijding in ons land. Hoewel in ieder beleidsplan met de grote trom een her-
nieuwde strijd wordt aangekondigd tegen de sociale en fiscale fraude, is de huidige staatssecretaris voor de coördinatie van
de fraudebestrijding goed op weg om de vaak aangeklaagde ‘eilandmentaliteit’ binnen het publieke opsporingsapparaat te
doorbreken. Daar waar vroeger de politieke oplossing vooral gezocht werd in het oprichten van nieuwe diensten of extra
bevoegdheden, wordt tijdens deze legislatuur de focus (eindelijk) gelegd op het tot stand brengen van een mentale ommekeer
bij de verschillende fraudebestrijdingsdiensten: samen werkt! ‘Departementalitis’ is overigens geen Belgische ziekte, ook in
andere Europese landen is dit een probleem gebleken (Doig & Levi, 2009).
Een tweede impuls werd gegeven door de meer dan hon-
derd aanbevelingen van de Onderzoekscommissie fiscale
fraude die een aantal concrete dossiers (FBB[2], kasgeld-
vennootschappen en Beaulieu) onder de loep heeft geno-
men. Deze commissie kwam er nadat veertien topspeurders
naar fiscale fraude en vijf parlementsleden hadden aange-
klaagd dat de grote financiële en fiscale dossiers van de
afgelopen vijftien jaar systematisch mislukken. Eén van de
in het oog springende aanbevelingen betreft het zogenaamde
‘una-via-principe’. De bedoeling is om van bij de start van
een nieuw fraudedossier uit te maken of het via gerechte-
lijke dan wel administratieve weg zal worden aangepakt.
Het idee werd inmiddels door staatssecretaris Devlies op-
gepikt: er werd een werkgroep opgericht die een concreet
voorstel zal uitwerken.
Een tweede aanbeveling die inmiddels in een wetsvoorstel is
gegoten en recentelijk een positief advies kreeg van de Raad
van State, heeft betrekking op de versoepeling van de ban-
caire discretieplicht (Desterbeck, 1994), waardoor belastings-
ambtenaren ook voor de inkomstenbelastingen bankrekenin-
gen kunnen inkijken als er aanwijzingen zijn van ernstige
fraude.[3] Dit bericht leidde tot discussie, doordat de BBI[4]
meldde dat zij nu al, mits toestemming van de gewestelijke
directeur van de fiscale administratie, toegang hebben tot
bancaire gegevens, volgens artikel 318 van het Wetboek
Inkomstenbelasting (De Standaard, 20/3). Sommigen vra-
gen zich dan ook af of dit niet eerder een verstrenging van
het ‘bankgeheim’ is, in plaats van een versoepeling.
─────
[1] Bart De Bie (I-Force), Antoinette Verhage (Vakgroep
Strafrecht & Criminologie, UGent).
[2] Forfaitaire buitenlandse belastingen.
[3] Vandaag mag een belastingambtenaar alleen bankreke-
ningen inkijken in btw-dossiers.
[4] Bijzondere Belastingsinspectie.
Ten derde zagen we zeer recentelijk de oprichting van een
gemengde ondersteuningscel die zich zal richten op de
bestrijding van de ‘georganiseerde sociale fraude’.[5] De
Ministerraad keurde op 25 maart jl. het voorstel hieromtrent
goed. Deze ondersteuningscel zal op basis van het samen-
brengen van de data van de sociale-inspectiediensten en de
politiediensten proberen analyses te maken van bestaande
fraudevormen om zo de strijd tegen sociale fraude te
kunnen onderbouwen.
Een vierde aansporing tot verandering betreft het welis-
waar moeizame maar daarom niet minder noodzakelijke
hervormingsplan van minister van Justitie Stefaan De Clerck.
De beoogde schaalvergroting (van 27 naar 16 gerechtelijke
arrondissementen) – die recentelijk door de magistratuur
werd bestempeld als getuigend van een gebrek aan ambi-
tie[6] – moet ertoe leiden dat de bestaande rechtbanken
worden gegroepeerd onder grotere en tegelijkertijd efficiën-
tere structuren. En dat zou op zijn beurt betere garanties
moeten bieden voor het samenbrengen van expertise en het
sneller afhandelen van fraudezaken. In dit verband kan
verwezen worden naar de aanbeveling van de reeds ver-
melde commissie om meer gespecialiseerde parket- en
onderzoeksmagistraten in te zetten: in elk gerechtelijk
arrondissement zou er één gespecialiseerde onderzoeks-
rechter moeten komen en daarnaast zouden gespecialiseerde
substituten in één team moeten samenwerken op het niveau
van het hof van beroep.
─────
[5] Zie www.carldevlies.be voor meer informatie.
[6] We verwijzen hiervoor onder meer naar het interview met
procureur Johan Sabbe (parket Gent) in Knack, 10 maart
2010 en het artikel in de Tijd van 13 maart 2010 dat refe-
reert aan een nota van de voorzitters van rechtbanken en
hoven van beroep aan de minister van Justitie en waarin
gepleit wordt voor een meer ingrijpende fusie tot hooguit
een tiental rechtbanken.
Meervoudige fraude Locomotieftekst
8 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
En dan was er natuurlijk nog de globale financieel-
economische crisis, die ook in ons land zijn sporen heeft
nagelaten. Voor velen was die het resultaat van fraude en
onverantwoord gedrag door bedrijven, banken en machtige
individuen, zoals Bernard Madoff. Vooral de ‘bonuscultuur’
en de ‘gouden parachutes’ van topmanagers kwamen daar-
bij sterk onder vuur te liggen en hebben inmiddels geleid
tot Europese en nationale regulerende initiatieven. Ook het
‘corporate governance’-debat en het compliance-gebeuren
hebben door de hele heisa van de crisis een nieuw en
verfrissend elan gekregen: het accent werd onder impuls
van het bedrijfsleven zelf verlegd van structuren en regels
naar attitude- en gedragsverandering. Een positieve evolu-
tie, maar nog weinig bedrijven zijn er al echt mee bezig.
Met andere woorden: hier is nog een hele weg af te leggen!
Deze ontwikkelingen hebben hun elk op hun eigen wijze
gevolgen voor de aandacht voor en bestrijding van fraude
in de brede zin van het woord. Uitgaand van deze invloe-
den willen we in deze bijdrage met een Belgische bril in de
eerste plaats de breedte en diepte van het fraudelandschap
op een inzichtelijke manier duiden. We
willen met andere woorden een zo duide-
lijk mogelijk (pragmatisch) antwoord bieden
op de vraag: waar hebben we het nu over
als we praten over fraude en fraude-
bestrijding? Vervolgens nemen we twee
uiteenlopende fraudecategorieën onder de
loep, te weten: verticale fraude aan de ene
kant en horizontale fraude aan de andere
kant. Deze tweedeling is gebaseerd op het
verschil in slachtofferschap bij verschil-
lende vormen van fraude: bij verticale
fraude is er sprake van publiek slachtoffer-
schap (overheden, de gemeenschap in brede
zin), bij horizontale fraude is er daaren-
tegen sprake van privaat slachtofferschap
(bedrijven of personen). Deze keuze is niet toevallig omdat
ze als het ware nagenoeg samenvalt met die andere twee-
deling: de publieke versus de private fraudebestrijder. Zo
belanden we finaal bij de centrale vraag: waar gaan we
naartoe indien een doelmatigere bestrijding van het gehele
fraudepalet het maatschappelijke doel is? Moeten we dan
denken in termen van publiek-private samenwerking (PPS)
of dient er eerder sprake te zijn van privaat-publieke
afstemming (PPA)?
Fraude, what’s in a name?
Misleiding is van alle tijden (Lombroso, 1911). Fraude is
hoe dan ook een lastig te omschrijven begrip, al begrijpt
iedereen wel wat ermee bedoeld wordt. Het komt uit het
Latijn en betekent zoveel als ‘bedrog’, ‘schade’ en ‘nadeel’.
Volgens de taalkundigen schijnt het afgeleid te zijn van een
werkwoord dat zoveel betekent als ‘breken’ of ‘kapot-
maken’. Daarmee bedoelden de oude Romeinen waar-
schijnlijk het breken of kapotmaken van een code of een al
dan niet vastgelegde afspraak. Woord- of contractbreuk
zouden wij dat nu noemen.
Tegenwoordig wordt fraude gebruikt als een verzamelbegrip,
waaronder verschillende vormen van financieel-economische
criminaliteit samenvallen (Doig & Levi, 2009), maar die
één gemeenschappelijk kenmerk hebben: het onder valse
voorwendselen verkrijgen van voordelen waarop men geen
recht heeft. Dat betekent ook dat er niet altijd een strafrech-
telijke connotatie hoeft te zijn; bedrijven benoemen bij-
voorbeeld ook overtredingen van de interne codes als
‘fraude’ (Cools, 2005). De diversiteit van dit container-
begrip wordt niet alleen geïllustreerd door de verschillende
verschijningsvormen waarin fraude zich kan manifesteren
(fiscale fraude, socialezekerheidsfraude, aankoopfraude, ...)
maar ook door de verschillende vormen van slachtofferschap
(overheid, bedrijven, werknemers) en de verschillende vormen
van daderschap (organisatiecriminaliteit, werknemerscrimi-
naliteit, witteboordencriminaliteit). Voor een volledig over-
zicht verwijzen we hier naar Levi et al., die in hun rapport
over de kosten van fraude in het Verenigd Koninkrijk een
verdienstelijk, maar niet-exhaustief, overzicht bieden van
de verschillende vormen die zij identificeerden (Levi et al.,
2007).
Verbonden aan deze diversiteit van fraude-
vormen is de diversiteit in opsporing en
sanctionering van deze verschillende
vormen. Zo kan opsporing gebeuren door
het bedrijf dat zelf slachtoffer is, maar
ook door private fraudebestrijders, zoals
forensische auditoren[7], door politie, of
door bijzondere inspectiediensten (zoals
in het geval van socialezekerheidsfraude
(De Baets, De Keulenaer & Ponsaers, 2003;
Ponsaers, De Keulenaer & Vanhaverbeke,
2003; Ponsaers & Hoogenboom, 2004)).
Om deze diversiteit enigszins te structu-
reren, wordt traditioneel een onderscheid
gemaakt op basis van het verschil in slachtofferschap. Dat
is het onderscheid tussen horizontale fraude enerzijds en
verticale fraude anderzijds. Bij horizontale fraude worden
private middelen geviseerd en is er sprake van private
slachtoffers (bedrijven of individuen), terwijl bij verticale
fraude de publieke middelen het voorwerp zijn van bedrog
en dus de publieke sector het slachtoffer is. Bij deze laatste
vorm kan zowel een lokale, nationale als internationale
overheid het slachtoffer zijn (Levi et al., 2007).
De auteurs maken hierbij echter de kanttekening dat bij alle
vormen van fraude, de gemeenschap (the public) het
ultieme slachtoffer is. Bovendien is het niet altijd mogelijk
─────
[7] Het gaat om een nieuwe discipline die beoefend wordt
door academisch geschoolde accountants, revisoren, juris-
ten, economen en criminologen die zich gespecialiseerd
hebben in het voorkomen, detecteren, onderzoeken en
(helpen) beslechten van fraude binnen een organisatie-
context. De door het Instituut voor Forensische Auditoren
erkende auditoren mogen het kwaliteitslabel RFA (Regis-
tered Forensic Auditor) voeren.
Waar gaan we naartoe
indien een doelmatigere
bestrijding van het
gehele fraudepalet het
maatschappelijke doel is?
Moeten we dan denken
aan publiek-private
samenwerking of aan
privaat-publieke
afstemming?
Meervoudige fraude Locomotieftekst
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 9
om een zwart-witonderscheid te maken inzake slachtoffer-
schap: indirect kan verticale fraude namelijk ook een nega-
tieve impact hebben op private organisaties. Een van de
voorbeelden in dit verband is de strijd tegen witwassen,
waarbij private organisaties een rol kregen toebedeeld aan
de hand van de meldingsplicht van verdachte transacties.
Als gevolg van de sancties die getroffen kunnen worden bij
het niet-naleven van deze meldingsplicht, en de bijbeho-
rende reputatieschade die een bedrijf kan lijden indien het
betrapt wordt op medeplichtigheid aan witwassen, leidt wit-
wassen zowel tot slachtofferschap van private als publieke
actoren. De strijd tegen witwassen – oftewel compliance
bevindt zich dan ook op het kruispunt van horizontale en
verticale fraude. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat er geen
strikte scheidingslijn is tussen beide vormen van fraude,
noch wat betreft het fenomeen, noch wat betreft de bestrij-
ding ervan.
Aandacht voor ‘fraude’
Uit het overzicht dat we in de inleiding gaven – dat geens-
zins de pretentie heeft volledig te willen zijn – blijkt dat de
beleidsaandacht maar ook de criminologische aandacht
(Verhage, 2009) de afgelopen (crisis)jaren hoofdzakelijk is
uitgegaan naar fraudevormen waarbij bedrijven zich eerder
in de daderrol bevinden. Daar is op zich niets mis mee:
bedrijven staan geenszins boven de wet en moeten gestraft
worden als ze in de fout gaan. Alleen wordt zo de indruk
gewekt dat ondernemingen de grote boosdoeners zijn,
terwijl de werkelijkheid toch een veel gevarieerder fraude-
palet laat zien. Bedrijven worden steeds vaker ook slacht-
offer van allerhande fraude en hebben geleerd om fraude te
benaderen als een ernstig bedrijfsrisico.
Meer nog, recente bevindingen van ‘surveys’ uitgevoerd
door grote (internationale) auditkantoren (Ernst & Young,
2009; PriceWaterhouseCoopers, 2009) laten zien dat zo’n
40 % van de ondervraagde bedrijven van mening is dat de
crisis fraude en onethisch gedrag in de hand werkt en daar-
door een voedingsbodem vormt voor de ‘nieuwe fraudeur’.
Het risico dat met ‘fraude’ gepaard gaat, wordt met andere
woorden als groter gepercipieerd. Voorts meldde 30 % van
de ondervraagde bedrijven dat ze het slachtoffer werden
van een vorm van fraude in de afgelopen twaalf maanden
(PriceWaterhouseCoopers, 2009). Uit Nederlands onder-
zoek bleek dat één op de negen potentieel juridische pro-
blemen van kmo’s in 2006, een probleem rond ernstige
criminaliteit of fraude is (Croes & Maas, 2009). In onge-
veer de helft van de gevallen zouden de daders binnen de
bedrijfsmuren te vinden zijn (Bussmann & Werle, 2006).
Bedrijven investeren dan ook (al dan niet vrijwillig) mas-
saal in het voorkomen en opsporen van fraude. Dat dit niet
direct zichtbaar is, is niet toevallig: bedrijven kiezen er
vaak voor om geen aangifte te doen bij slachtofferschap
van fraude. Zo weten we uit eerder onderzoek dat slechts
een minderheid van de fraudevormen gemeld wordt aan de
politie – hoewel de mate waarin men meldt, afhankelijk is
van verschillende factoren waaronder de omvang van de
schade en de ernst van de feiten (Cools, 2005). Internatio-
naal onderzoek bevestigt dit beeld, en stelt zelfs dat van de
caseload die forensic accounting and corporate investiga-
tion companies hebben, slechts 1 tot 2 % in het strafrechts-
systeem terechtkomt.
Een ander beeld zien we wanneer het gaat om burgerrech-
telijke stappen, waarbij zichtbaar wordt dat – afhankelijk van
hoeveel geld er met de zaak gemoeid is – dit pad sneller
gekozen zal worden dan een strafrechtelijk pad (Williams,
2005). Uit onderzoek in Duitsland bleek aan de andere kant
dat bedrijven fraude niet snel zullen melden wanneer ze
intern gepleegd werd (door eigen werknemers of manage-
ment), gezien de reputatieschade die hiermee gepaard kan
gaan (Bussmann & Werle, 2006).
Dat betekent echter ook dat veel van deze fraudevormen
niet in het publieke domein (en dus de publieke aandacht)
terechtkomen. De (publieke) perceptie van het voorkomen
van voornamelijk horizontale fraude stemt dan ook niet
overeen met de realiteit. Dat houdt tezelfdertijd in dat het
beleid dat gevoerd wordt, zich niet kan baseren op correcte
informatie. Toegegeven, dat is ook in bepaalde mate het
geval met andere vormen van geregistreerde criminaliteit.
Het vermoeden is echter dat het dark number inzake
horizontale fraude in vergelijking met andere vormen van
criminaliteit bijzonder hoog ligt. De vraag is natuurlijk of
dat een probleem is, met andere woorden: is het nodig dat
publieke actoren op de hoogte zijn van elke vorm van
fraude waar het bedrijfsleven mee geconfronteerd wordt?
Is het algemeen belang er altijd bij gebaat dat fraudevor-
men waarbij een vorm van private justice wordt toegepast,
bijvoorbeeld wanneer werknemer en werkgever tot een ver-
gelijk komen, in het publieke rechtsapparaat terechtkomen?
Fenomenologie
Ongeacht de vaststelling dat de omvang van het gehele
fraudelandschap wellicht nooit in betrouwbare cijfers gevat
kan worden, toont de evolutie van het laatste decennium
aan dat er hoe dan ook sprake is van een hardnekkig en
groeiend fenomeen. De redenen hiervoor zijn divers.
Zo is door de informatisering en internationalisering fraude
nog veelvormiger geworden en minder grijpbaar van kar-
akter. En onder andere door anonimisering en ‘virtualise-
ring’ van transacties zijn de drempels voor het plegen van
(omvangrijke) fraude lager komen te liggen (Hoogenboom,
2001). Cybercrime is hier een van de vele uitingen van.
Voorts zijn er de culturele veranderingen die er de oorzaak
van zijn dat ‘het eigen gevoel’ en het ‘eigen belang’ steeds
meer als leidraad van het handelen gelden. Dat zet op zijn
beurt de naleving van regels onder druk omdat mensen steeds
minder uitgaan van morele beginselvastheid en tevens
minder het gezag van normstellers (overheid, werkgever)
aanvaarden (Schnabel, 2000).
Deze maatschappelijke ontwikkelingen leiden er niet alleen
toe dat meer ruimte wordt geboden voor frauduleus hande-
len, tegelijkertijd maken ze het optreden tegen fraude er
niet bepaald eenvoudiger op. Zo heeft vandaag de dag veel
fraude een grensoverschrijdend karakter, waardoor de klas-
sieke geografische (bevoegdheids)afbakening steeds meer
Meervoudige fraude Locomotieftekst
10 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
op de achtergrond raakt (Ponsaers, 2010). Tezelfdertijd
bestaat in de samenleving de neiging de overheid een grote
rol toe te kennen bij het tegengaan van risico’s (Beck,
1999; Boutellier, 2002).
Hierdoor dreigt een kloof te ontstaan tussen de verwach-
tingen die de samenleving koestert ter vrijwaring van de
mogelijkheid slachtoffer te worden van fraude en de feite-
lijke mogelijkheden van de overheid daartoe. Het is immers
algemeen bekend dat het publieke opsporingsapparaat ge-
kenmerkt wordt door een grote ‘ketenafhankelijkheid’ en
dat in het bijzonder bij fraudeonderzoeken sprake is van
complexe werkprocessen en een kwalitatief en kwantitatief
capaciteitsprobleem (Van Cauwenberghe, 2001). Dat brengt
ons tot de beleidsvraag of het niet hoog tijd wordt dat meer
helderheid wordt geschapen over de rol die de overheid
kan en moet spelen inzake fraudebestrijding en wat van
andere partijen mag dan wel moet worden verwacht. Dient
de overheid hier het initiatief te nemen of laat men het best
de taakverdeling, zoals deze gegroeid is, stilzwijgend be-
staan? Mogelijk zetten recente ontwikkelingen in het veld
de bakens uit om te komen tot een soort nieuwe verant-
woordelijkheidsverdeling.
Verticale fraude: het favoriete
jachtterrein van de publieke
fraudebestrijder
Verticale fraude, waaronder bijvoorbeeld
fiscale fraude, verduistering, subsidiefraude,
socialezekerheidsfraude vallen, is het tradi-
tionele domein van de publieke sector. Dat
is op zich geen vreemde vaststelling: dit
soort feiten komt meestal pas aan het licht
indien er aangifte wordt gedaan of door
proactief onderzoek door publieke actoren.
Bedrijven hebben op zich geen direct belang
bij het voorkomen van deze vormen van fraude en zullen –
mits zij hiertoe niet verplicht worden – niet snel geneigd
zijn om in de bestrijding hiervan te investeren.
Dat betekent echter niet dat bedrijven geen indirect slachtoffer
worden van deze vormen van fraude: socialezekerheids-
fraude kan een impact hebben op de concurrentiepositie
van een bedrijf, net zoals fiscale fraude. Wanneer bepaalde
bedrijven gebruikmaken van frauduleuze mechanismen in hun
bedrijfsvoering, heeft dat immers een effect op de concur-
rentiepositie van andere bedrijven (zo brengt zwartwerk
minder kosten mee voor een bedrijf, en kan aanbestedings-
fraude andere bedrijven in een nadelige positie brengen). Ook
kunnen vormen van verticale fraude tot een reputatierisico
leiden voor bedrijven die hiermee geassocieerd worden.
Hier moeten we dan ook een verschil maken in die vormen
van fraude waarbij bedrijven als het instrument voor de fraude
gehanteerd worden (zoals het geval is bij banken die een
instrument zijn bij fiscale fraude of witwassen) of wanneer
bedrijven als dader worden beschouwd van vormen van
fraude (zoals bij het opzetten van btw-carrousels).
Ook de opsporing van verticale fraude is geen eenzijdig
verhaal; naast de klassieke reguliere politie die in dit domein
optreedt[8], zien we immers nog tal van andere publieke
actoren die zich (al dan niet in een samenwerkingsverband)
met deze problematiek bezighouden.
Op nationaal niveau denken we bijvoorbeeld aan de bij-
zondere inspectiediensten. Zij richten zich voornamelijk op
de opsporing van organisatiecriminaliteit (Ponsaers, De
Keulenaer & Vanhaverbeke, 2003). De aandacht voor de
vormen van fraude waar inspectiediensten zich op richten
neemt toe, zowel op het vlak van de beleidsvoering als in
de media. Recentelijk werd in de media meermaals aan-
dacht besteed aan fenomenen van verticale fraude; zo werd
er een toename van verschillende vormen van fraude met
dienstencheques geconstateerd, terwijl fraude met werk-
loosheidsuitkeringen juist afgenomen is in vergelijking met
de jaren ervoor. Afgaand op de geconstateerde overtredingen
blijft de horeca de sector waarin sociale fraude het meest
wordt vastgesteld (De Morgen, 24 maart 2010). Ondanks
deze aandacht voor de aanpak van de ondergrondse of
informele economie, waaronder dan bijvoorbeeld zwart-
werk (een van de meest voorkomende vormen van sociale
fraude: 80 % van de overtredingen inzake sociale fraude
bestond uit zwartwerk[9]) veel aandacht krijgt, zien we ook een
andere kant van publieke fraudebestrijding, waarbij zaken
soms erg lang aanslepen en een gebrek aan
aandacht van de beleidsmaker blijkt.
Hoewel witteboordencriminaliteit al lange
tijd een prioriteit is in de nationale veilig-
heidsplannen, lijkt het beeld van de publieke
fraudebestrijding tamelijk ontmoedigend. We
noemen hier bijvoorbeeld de zaak-KB-Lux,
die wegens onrechtmatige bewijzen werd
afgevoerd, of de zaak-Beaulieu, die al jaren
aansleept. Problemen die in dit verband
worden genoemd, zijn dan een gebrek aan
prioriteitstelling van fraudevormen (Nelen,
2004), te weinig middelen en expertise in
dit domein of het te weinig gericht onderzoeken van deze
feiten (recherchemanagement – cf. Van Hees, Ponsaers &
Vander Beken, 2005). De publieke fraudebestrijding staat
de laatste jaren dan ook in een vrij negatief daglicht. Daar-
mee willen we niet gezegd hebben dat er geen voorbeelden
zouden zijn waarbij de overheid bewezen heeft dat ze wel
de zaken accuraat kan aanpakken.[10]
Er zijn echter ook vormen van fraude die het publieke en
private domein kruisen; bij de bestrijding van witwassen
wordt, aan de hand van de meldingsplicht, de private sector
immers ook een van de opspoorders in de keten, wat tal van
nieuwe problemen in verband met afstemming, feedback
─────
[8] Hoewel de mankracht hiervoor beperkt is; Levi berekende
dat in het Verenigd Koninkrijk minder dan 5 % van het
politiepersoneel zich kan bezighouden met fraudeonder-
zoek (Levi, 2009).
[9] Zie www.carldevlies.be/nl/news/330/15/Strijd-tegen-sociale-
fraude-werd-in-2009-nog-efficienter-dan-in-2008/detail.html.
[10] Hierbij kan onder meer verwezen naar de volgende zaken:
Kirschen, Biorim, Stella Artois, Ceres, ...
Er is meer helderheid
nodig over de rol die
de overheid kan/moet
spelen in fraude-
bestrijding en over
wat van andere
partijen verwacht
mag/moet worden.
Meervoudige fraude Locomotieftekst
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 11
en informatiedoorstroom meebrengt. Wederzijds onbegrip
en gebrek aan transparantie van de aanpak kan ertoe leiden
dat de doelstelling wordt voorbijgestreefd. De strijd tegen
witwassen is een van de voorbeelden waaruit blijkt dat een
opgedrongen publiek-private samenwerking niet altijd een
effectieve oplossing hoeft te zijn. Het gebrek aan informa-
tie- en kennisuitwisseling leidt immers tot het gevaar van
stereotypering, waarbij men het risico loopt om vooral te
focussen op de usual suspects. Ook hieromtrent zijn overi-
gens plannen vanuit de staatssecretaris voor fraudebestrij-
ding; men wil vooral proberen om de kennis die binnen het
CFI aanwezig is rond witwassen in het kader van sociale
en fiscale fraude, aan te wenden in het kader van de
bestrijding van deze fraudevormen. In hoeverre men hierin
intussen geslaagd is, blijft echter onduidelijk.
Horizontale fraude: de natuurlijke habitat
van de private fraudebeheerser
Horizontale fraude is een domein waarmee de publieke
sector zich in mindere mate bezighoudt. Enerzijds nood-
gedwongen, gezien de vrij lage aangiftebereidheid van deze
vormen van fraude, anderzijds wegens een gebrek aan man-
kracht en expertise, zeker in gevallen waar zeer specifieke
kennis noodzakelijk is.
Hoewel het opsporen van horizontale fraude lang niet altijd
bijzonder moeilijk is, is het wel steeds – omwille van het
verdoezelingskarakter – tijdrovend en daarom kostbaar:
voor één stevige fraudezaak lost de politie honderd inbraken
op. Het mag dan ook niet echt verwonderen dat horizontale
fraude, en in het bijzonder interne fraude[11], hoe langer hoe
meer aan de private sector zelf wordt overgelaten.
Anders is het echter voor externe fraude[12], waar organisa-
ties er toch vaak wel voor zullen kiezen aangifte te doen.
Denken we maar aan fenomenen als creditcard-, bel- of
afvalfraude. Of bijvoorbeeld aan aankoop- dan wel verkoop-
fraude of private corruptie, waarbij er vaak sprake is van
samenspanning tussen een interne en een externe partij.
Een ander meer specifiek ‘buitenbeentje’ is ongetwijfeld
jaarrekeningenfraude, dat rond de eeuwwisseling de ge-
moederen wereldwijd sterk heeft beroerd[13], en dat recen-
telijk opnieuw veel media-aandacht heeft gekregen met het
2200 pagina’s tellende curatorenverslag naar aanleiding van
het spraakmakende faillissement van Lehman Brothers.
Jaarrekeningfraude heeft doorgaans een impact die de
bedrijfsmuren overstijgt doordat er potentieel heel wat
─────
[11] Hiermee wordt horizontale fraude bedoeld die gepleegd
wordt door een werknemer, kaderlid of lasthebber. Met
andere woorden het gaat om fraude gepleegd door een
persoon die zich binnen de ‘inner circle’ van de betrokken
organisatie bevindt.
[12] Hiermee wordt bedoeld horizontale fraude, waarbij de
dader(s) buiten de bedrijfsmuren gezocht moet worden.
[13] We verwijzen hierbij naar enkele grote boekhoudschanda-
len zoals Enron, Worldcom, Ahold, Shell, Parmalat en
Lernout & Hauspie die geleid hebben tot nieuwe interna-
tionale, Europese en nationale regels die het vertrouwen
moesten herstellen.
belanghebbenden (klanten, leveranciers, beleggers) getrof-
fen worden. In dergelijke gevallen is het dan ook vaak zo
dat er een publiekeonderzoekstraject wordt opgestart, waarbij
echter private experten ingeschakeld kunnen worden.
Binnen wat traditioneel de private veiligheidssector wordt
genoemd, is private fraudebestrijding vaak een minder
zichtbare sector. In de context van private veiligheid wordt
de private fraudebestrijding ook wel de high-end van de
private veiligheidssector genoemd (Williams, 2005). We
doelen hier met ‘private fraudebestrijding’ zowel op
bedrijven die vanuit het voorkomen of beperken van eigen
slachtofferschap zelf aan fraudepreventie of -opsporing
doen (denk bijvoorbeeld aan banken of verzekeringsmaat-
schappijen), als op gespecialiseerde dienstverleners die als
kerntaak deze private fraudebestrijding hebben (zoals de
forensische auditoren).
Het afgelopen decennium hebben vooral de forensische
auditoren een zelfstandige en aan het overheidsingrijpen
complementaire maatschappelijke positie verworven. Meer
nog, de private forensische dienstverlening heeft met succes
het vacuüm opgevuld dat de overheid heeft achtergelaten.
De reeds aangehaalde beperkingen van het publieke op-
sporingsapparaat hebben samen met het marktaanbod van
private fraudebestrijding en een aantal daarmee samenhan-
gende maatschappelijke en economische ontwikkelingen[14]
ertoe bijgedragen dat in het bijzonder voor gevallen van
interne fraude het strafrecht de facto werd teruggedrongen
in zijn oorspronkelijke rol van ultimum remedium’. Anders
gezegd: de reactie op normovertredingen die strafrechtelijk
van aard zijn, behoort niet langer automatisch en uitslui-
tend tot de competentie van de overheid. Alleen het ‘echte’
strafrechtelijke optreden (en het daaraan verbonden toe-
passen van dwangmiddelen) blijft gekoppeld aan de over-
heid en dat is maar goed ook. Maar, ook hiervoor geldt dat
dit in veel gevallen slechts gebeurt nadat een aangifte is
gedaan van een strafbaar feit, dus na een actie van de
leiding van een bedrijf.
─────
[14] Hierbij kunnen we onder andere volgende ontwikkelingen
benoemen: de informatisering en digitalisering, die een
steeds groter wordende afhankelijkheid van de betrouw-
baarheid van de informatie en informatiesystemen mee-
brengt; de daarmee samenhangende globalisering van de
economische activiteit, die leidt tot steeds meer (interna-
tionale) fusies en overnames, waarbij mega-multinationals
in allerhande sectoren tot stand komen die op het vlak van
administratieve organisatie en interne controle steeds
moeilijker beheersbaar worden; de inflatie aan econo-
mische, sociale en milieuregelgeving, die steeds meer Eu-
ropees en internationaal wordt en waarvan de complexi-
teit alsmaar toeneemt, waardoor men (onbewust) aanzien-
lijke schaderisico’s loopt; de aanwezigheid van een sterk
materialistisch georiënteerd waardenpatroon in de ik-
maatschappij van vandaag; de dominantie van ‘winst-
maximalisatie’ in de private bedrijfscultuur ...
Meervoudige fraude Locomotieftekst
12 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
Het kwalitatieve aanbod door private forensische auditoren
heeft een maatschappelijke functie die niet meer weg te
denken valt. Bovendien heeft deze dienstverlening ook een
toegevoegde waarde voor de bedrijfsleiding die niet onder-
schat mag worden. Het doel van een private forensische
audit is immers drieledig:
1) het bekomen van waarheidsvinding en bewijsvoering in
verband met bestaande vermoedens van fraude;
2) het eventueel vrijpleiten van personeelsleden die ten
onrechte werden verdacht op basis van ongegronde
verdachtmakingen;
3) het voorkomen dat soortgelijke onregelmatigheden worden
herhaald of zelfs aangemoedigd door het uitblijven van
een gericht feitelijk onderzoek.
Hiermee is tevens gezegd dat er sprake is van een funda-
menteel verschillende benadering ten opzichte van de
publieke fraudebestrijding. De publieke fraudebestrijding
wordt gedomineerd door de finaliteit van de sanctie, het weze
administratiefrechtelijk, fiscaal of strafrechtelijk. Uiteraard
is de private fraudebestrijding ook maar niet uitsluitend
gericht op het sanctioneren van de verantwoordelijken. Een
fraude-incident binnen een organisatie zorgt nagenoeg
steeds voor enige commotie en steeds
meer willen bedrijven dat het probleem
in de wortel wordt aangepakt. Met andere
woorden ze verwachten van de forensische
auditor dat ze de zwakke plekken in de
administratieve organisatie en het interne
controlesysteem blootlegt en aanbeve-
lingen formuleert om het te remediëren.
Meer nog het idee dat systemen alleen
niet volstaan om fraude beter te beheer-
sen, wint steeds meer terrein en leidt
ertoe dat de vraag naar een diepergaande
preventieve aanpak toeneemt. Zo neemt
het besef toe dat geïnvesteerd moet worden in een weerbare
bedrijfscultuur, waarin integriteit als een centrale waarde
wordt beleefd.[15]
Dat is op zich een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd
ziet het er niet naar uit dat het fenomeen van interne fraude
snel zal afnemen. Ondanks een stijging van de investerin-
gen in ICT-beveiliging – om maar één voorbeeld te noe-
─────
[15] Dat impliceert ook een cultuur waarin het melden van
onregelmatigheden wordt beschouwd als een positieve en
noodzakelijke bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van
het bedrijf, alsook aan het volledig economisch gebeuren.
Maar liefst 43 % van de fraudemisdrijven – zo blijkt uit
de PWC-survey van 2009 – komt aan het licht door de
waakzaamheid van medewerkers, via het gebruik van in-
terne dan wel externe meldsystemen. Dit percentage zou
veel hoger kunnen zijn indien Belgische organisaties
meer werk zouden maken van het implementeren van een
doeltreffend meldsysteem, waarbij behalve van een intern
meldkanaal ook gebruikgemaakt wordt van een extern meld-
punt. Dat laatste kan een aantal extra waarborgen bieden
voor een vertrouwelijke en onafhankelijke behandeling.
men – hebben bedrijven steeds meer te maken met cyber-
crime. En dan gaat het lang niet alleen over externe perso-
nen, maar steeds meer over werknemers die bedrijfsgevoe-
lige informatie stelen of ontoegankelijk maken.
Naar een nieuwe vorm van toezicht ...?
Kortom, private fraudebestrijding heeft de toekomst of ...
toch niet? Vanuit een weinig transparante poging om de
private fraudebestrijding binnen een organisatiecontext in
een (te?) strak keurslijf te willen gieten – hiermee doelen
we op de intentie van het ministerie van Binnenlandse
Zaken om de bestaande detectivewet uit te breiden naar de
gehele sector van de private fraudebestrijding en tegelijker-
tijd te verstrengen – dreigt de positieve dynamiek die de
laatste jaren is gegroeid in de kiem te worden gesmoord.
Dit voorstel houdt praktisch gezien in dat iedere organisatie
die onder de wetgeving zal vallen, een meldingsplicht krijgt
zoals ze momenteel geldt voor de privédetectives.
Helaas werden de betrokken interne en externe dienstver-
leners inzake forensic auditing nooit geconsulteerd bij de
totstandkoming van dit voorstel. Dat was overigens een
kritiek die we ook hoorden bij de totstandkoming van
eerdere wetgeving rond de private sector
(Cools, 2005).
Voor alle duidelijkheid: een duidelijk
wetgevend kader is zeker wenselijk en zelfs
noodzakelijk om de nodige checks and
balances te verankeren in het private
onderzoeksgebeuren. Bovendien kan via
een wettelijk kader het vereiste kwaliteits-
niveau alsook de eerbiediging van basis-
rechten in een privaat onderzoek beter
gegarandeerd worden voor een delicate
activiteit als privaat fraudeonderzoek,
maar ... het moet ook werkbaar blijven. Het risico bestaat dat
men met deze wettelijke omkadering eerder een contrapro-
ductief effect zal bereiken. Voorts kunnen we ons de vraag
stellen in hoeverre een uitbreiding van die meldingsplicht
realistisch is: niet alleen rijst de vraag hoe dat te controleren
zal zijn, maar ook is niet duidelijk in hoeverre het parket in
staat is om deze meldingen te behandelen, gezien de
huidige sepotpercentages inzake financiële criminaliteit.[16]
Enkele knelpunten kunnen deze bekommernis wellicht beter
illustreren. We stellen ons een aantal vragen:
Zal het zonder meer uitbreiden van de zogenaamde
meldplicht voor alle onderzoeken die mogelijk een mis-
drijf kunnen opleveren aan het openbaar ministerie – die
vandaag reeds bestaat voor de privédetectives – niet
contraproductief werken? Met een strafrechtelijke proce-
dure is het private belang van een organisatie die door
interne fraude is benadeeld over het algemeen immers
weinig gediend. En lijkt het niet wat al te veel gevraagd
─────
[16] Zo zien we dat in 2007 meer dan 60 % van de witwas-
zaken in Brussel werden geseponeerd, waarvan meer dan
de helft wegens beleidsredenen (Verhage, 2010).
Private fraudebestrijding
heeft de toekomst of ...
toch niet? Een duidelijk
wetgevend kader voor
private fraudebestrijding
is wenselijk en nood-
zakelijk, maar het moet
ook werkbaar blijven.
Meervoudige fraude Locomotieftekst
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 13
‘in het algemeen belang’ te melden, terwijl daaraan voor de
betrokken organisatie ook negatieve aspecten (kunnen)
kleven? Zou dat niet betekenen dat bedrijven geen pro-
fessionele fraudeonderzoekers meer inhuren en op eigen
houtje hun fraudeonderzoek gaan doen, met mogelijk
kwaliteitsverlies (ook inzake rechten van de ‘verdachte’)
en een gebrek aan remediëren met betrekking tot de oor-
zaken van de fraude tot gevolg?
Lijkt het voorschrijven van elke (zelfs administratieve)
inbreuk op de bepalingen van de ‘nieuwe wet privaat
onderzoek’[17] niet op een ‘blanco cheque’ indien de minste
wetsovertreding leidt tot ongeldigheid van de bevindingen?
Dat lijkt disproportioneel en in feite dwars te staan op de
bedoeling van het Hof van Cassatie dat er in de zogenaamde
Antigoon-rechtspraak (Cass. 14 oktober 2003) precies voor
heeft gekozen de rechter opnieuw meer vrijheid te geven bij
het aanvaarden van onrechtmatig verkregen bewijs.[18]
Het voorstel schrijft tevens een individuele toestemming
van de minister van Binnenlandse Zaken voor om een
privaat onderzoek te voeren ten behoeve van publiek-
rechtelijke rechtspersonen. Vandaag komt het geregeld
voor dat externe forensische auditoren worden ingescha-
keld door overheden (lokaal, regionaal en federaal) met
de bedoeling hen te begeleiden in een (administratief)
onderzoek naar fraude, dan wel hen bij te staan om pre-
ventief op te treden tegen fraude. Hoe is het verschil in
behandeling tussen de externe forensische auditoren en
de interne forensische auditoren (interne diensten van de
overheid) te verantwoorden?
PPS of PPA?
Op basis van wat voorafgaat, blijkt duidelijk dat de toe-
komstige uitdagingen voor de fraudebestrijding in België
niet gering zijn. Bundeling van krachten inzake fraude-
bestrijding anno 2010 lijkt dan belangrijker te worden
aangezien het gaat om vormen van criminaliteit die niet
alleen de nationale grenzen, maar ook, zoals reeds vermeld,
─────
[17] Er is vooralsnog slechts sprake van een door de administratie
van Binnenlandse Zaken uitgewerkt Voorontwerp van wet
tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van
de private en bijzondere veiligheid dat tot nu toe alleen op
het niveau van een interkabinettenwerkgroep wordt be-
sproken. Zie bijvoorbeeld De Morgen, 12 december 2009.
[18] De Antigoon-rechtspraak van het Hof van Cassatie, die in
een recent arrest van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens werd bevestigd (EHRM, Lee Davies tegen
België, 28 juli 2009), huldigt het principe dat het on-
rechtmatig verkregen bewijs bijdraagt tot het bewijs van
het misdrijf behoudens in drie limitatieve gevallen. De
basisregel is met andere woorden de toelaatbaarheid van
het bewijs, de uitzondering is de uitsluiting waarbij naar
drie gronden van uitsluiting wordt verwezen, namelijk: de
overtreding van een op straffe van nietigheid voorge-
schreven vormvereiste, de onrechtmatigheid die de be-
trouwbaarheid van het bewijs aantast en ten slotte het ge-
bruik van het bewijs dat een schending inhoudt van het
recht op een eerlijk proces.
de traditionele grenzen tussen publiek en privaat over-
schrijden (Doig & Levi, 2009). Indien een doelmatiger
bestrijding van zowel verticale als horizontale fraude
voorop staat, rijst de vraag hoe dat het best bereikt kan
worden: dient de weg van de samenwerking bewandeld te
worden of moet er eerder sprake zijn van een betere af-
stemming tussen private en publieke fraudebestrijding?
Publiek-private samenwerking (PPS)
Samenwerken. Het lijkt wel een toverwoord voor het beleid
van de overheid, zeker in tijden van budgettaire schaarste.
Van Dale zegt er dit over: “Met elkaar, met verenigde
krachten werken, gemeenschappelijk aan een zelfde taak
werken”. Het integrale veiligheidsbeleid, waarbij partnerschap
tussen verschillende – publieke en private – actoren wordt
vooropgesteld, is dan ook sinds enige jaren de beleidsoptie
van de Belgische overheden. Waar op vele terreinen al langer
sprake is van (operationele) samenwerking tussen publieke en
private partijen, en publieke diensten steeds vaker geprivati-
seerd worden, blijkt PPS op het terrein van fraudebestrijding
echter verre van voor de hand liggend.[19] Zo zijn er in een
recent verleden verschillende aanzetten[20] gegeven om PPS
inzake fraudebestrijding op de rails te krijgen, maar in de
praktijk is daar tot nu toe weinig van gerealiseerd.[21]
Daar staat tegenover dat er soms sprake is van een ge-
dwongen huwelijk, waarbij publiek en privaat als gevolg
van wetgeving zich in een geforceerde samenwerking
bevinden. In de strijd tegen witwassen zien we bijvoor-
beeld dat samenwerking erg moeilijk wordt, als gevolg van
verschillende denkpatronen of percepties, of als gevolg van
moeizame communicatie. Dat kan leiden tot een schijn-
succes van publiek-private samenwerking, waarbij de output
van het systeem niet altijd lijkt op te wegen tegen de
investering door private actoren (Verhage, 2010).
Uit onderzoek bleek een aantal jaren geleden dat publiek-
private samenwerking op het vlak van opsporing geen
sinecure is (Cools et al., 2005). Beide partijen bleken elkaar
─────
[19] Dat heeft in belangrijke mate te maken met het reeds
aangehaalde verschil in finaliteit en juridische omgeving
(Schaap, 2000), maar uiteraard ook met de beschreven rea-
liteit dat de publieke en private fraudebestrijders – in de
meeste gevallen – op andere fraudefenomenen werken.
[20] We verwijzen hierbij onder meer naar een fraud seminar
georganiseerd door het VBO en Ernst & Young op 18 mei
2001 en de werkzaamheden van de Commissie PPS van
het Instituut der Forensische Auditoren.
[21] Genoemd kunnen onder meer worden: het Federaal
Veiligheids- en Detentieplan van voormalig minister van
Justitie Verwilghen waarin het principe van PPS voor het
realiseren van integrale veiligheidszorg expliciet wordt
erkend, de praktijkgerichte opleiding IT-Forensics op
touw gezet door het IFA en de FFCU voor zowel publieke
als private fraudebestrijders en de lancering van Checkdoc
(https://www.checkdoc.be/CheckDoc) waarin banken en ande-
re gebruikers informatie kunnen vinden over de geldigheid
van identiteitskaarten en later ook van andere documenten.
Meervoudige fraude Locomotieftekst
14 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
nog met enige argwaan te bekijken en werkten sterk vanuit
hun eigen doelstellingen en perspectief, wat samenwerking
sterk bemoeilijkt. Beide hebben ook hun eigen onderzoeks-
methoden, deels ingegeven door de wettelijke kaders waarin
men dient te werken.
De conclusie van het onderzoek destijds was dat publieke
en private opsporing twee parallelle trajecten zijn, waarbij
de publieke opsporing in sommige gevallen werd inge-
schakeld door de private speurders. Deze ‘druk op de knop’-
taakverdeling bleek geen goede basis voor samenwerking;
private actoren waren ervan overtuigd dat publieke opspo-
ring te weinig expertise had ontwikkeld om complexe
dossiers te onderzoeken, terwijl in de publieke opsporings-
sfeer nog een vrij negatief beeld overheerste wanneer het
ging over privédetectives of andere private speurders
(Verhage, 2005). Ook een gebrek aan inzicht in hoe een
publiek onderzoek verloopt, de stappen die ondernomen
moeten worden en de wettelijke garanties die een dergelijk
onderzoek dient te bieden, botste soms met het verloop van
een privaat onderzoek, dat vaak soepeler kan verlopen.
Opvallend was in dit verband bijvoorbeeld de flexibele
internationale samenwerking binnen de private sector, waar
politie vaak vele formaliteiten dient te vervullen voordat er
sprake kan zijn van samenwerking of informatie-uitwis-
seling op internationaal vlak (Cools et al.,
2005). We vragen ons af of deze moeizame
verhouding tussen publiek en privaat van-
daag nog altijd opgaat?
Ondanks de verschillende bezwaren zijn we
van oordeel dat PPS voor fraudebestrij-
ding een nuttig instrument kan zijn dat een
‘tweede kans’ verdient. Daartoe dient eerst
een goed beleidsmatig kader te worden
gecreëerd, waarbinnen PPS operationeel kan
worden uitgewerkt aan de hand van project-
matige initiatieven. Ook zouden de nodige
garanties ingebouwd moeten zijn waar het gaat om infor-
matie-uitwisseling, rekening houdend met privacybescher-
ming en due process-beginselen.
Wat het beleidsmatige kader betreft, kan in navolging van
de geplande hervorming bij Justitie gedacht worden aan
een overlegplatform tussen het IFA, de gespecialiseerde
magistraten inzake financieel-economische criminaliteit en
een vertegenwoordiger van de Directie van de bestrijding
van de financieel-economische criminaliteit van de Federale
Politie (DJF). Hierbij is het van belang dat ieder vanuit het
eigen normatieve kader blijft werken, om wederzijdse be-
voegdheidsoverschrijdingen te vermijden (SMVP, 2000).
Aan potentiële projecten zal er geenszins een gebrek zijn.
Enkele voorbeelden:
De wijze waarop gerechtelijke experten worden inge-
schakeld is een oud zeer waarvoor een andere aanpak
wenselijk is die aansluit bij de geplande justitiehervor-
ming: geen centraal budget, maar een decentraal budget
waarvoor de gerechtelijke arrondissementen zelf verant-
woordelijk zijn zodat experten veel oordeelkundiger
kunnen worden ingezet dan nu het geval is. Gelet op de
beperking van de beschikbare middelen zou het beleid er
bovendien op gericht dienen te zijn expertises slechts in
te zetten voor de complexe en/of grootschalige zaken.
Zou ook hier een ‘recherchemanagement’ niet op zijn
plaats zijn? Is het niet beter dat er sneller betaalde exper-
tises aan een marktconform tarief zijn, die dan ook snel-
ler en beter uitgevoerd worden?
Voor het politieonderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan een bijstandsformule naar Nederlands model waarbij
private fraudebestrijders advies geven over de wijze waar-
op een complex dan wel grootschalig fraudeonderzoek het
best aangepakt kan worden. Te denken valt onder meer
aan procesbegeleiding, helpen maken van strategische
keuzes en uitleggen hoe bepaalde financiële technie-
ken/transacties in elkaar zitten ...
Ook het verbeteren of intensiveren van opleidingen inzake
financieel-economische criminaliteit voor politiemensen,
met inbreng van de private expertise, kan een waardevolle
mogelijkheid zijn. Meer inzicht over hoe de bedrijfs-
wereld in het algemeen functioneert en hoe ‘private
speurders’ specifiek te werk gaan kan een positief effect
hebben op de potentiële samenwerking in complexe
dossiers. Kennisdeling en -uitwisseling tussen beide
werelden kunnen immers leiden tot meer wederzijds
begrip.
Grootschalige, tijdrovende en bijgevolg
kostbare huiszoekingen die bedrijven lam-
leggen, kunnen worden vermeden indien
naar Angelsaksisch model gewerkt wordt
met een wettelijke verplichting tot het ter
beschikking stellen van elektronische data
die nuttig dan wel nodig zijn in het kader
van de bewijsgaring (e-discovery door
private partijen ten behoeve van het ge-
recht). De voorwaarde hiervoor is dat de
politionele capaciteit hierop aansluit. Indien
het gaat om private onderzoekswerkzaam-
heden als aanvulling op een politioneel
dossier, dienen hiervoor ook de nodige waarborgen in het
privaat onderzoek te worden ingebouwd.
Is het niet tijd om te denken aan een uitgebreider straffen-
arsenaal voor bedrijven waarin werknemers fraude pleeg-
den, of bedrijven die betrokken waren bij fraudezaken in
het verleden? Men zou kunnen denken aan het opleggen
van een verplichte training dan wel begeleiding door een
gespecialiseerde en erkende dienstverlener om de betrok-
ken organisatie op een andere manier te leren omgaan
met frauderisico’s en de werknemers – naar analogie van de
antiwitwaswetgeving waarbij banken verplicht zijn om
hun werknemers op te leiden met betrekking tot detectie
en melding van potentiële verdachte transacties – te sen-
sibiliseren voor bepaalde fraudevormen.[22]
Privaat-publieke afstemming (PPA)
Vanuit hetzelfde beleidsmatig kader kan ook werk worden
gemaakt van een betere privaat-publieke afstemming. Af-
─────
[22] Art. 18bis van de probatiewet zou hiervoor als basis
kunnen dienen.
Ondanks verschillende
bezwaren menen we
dat publiek-private
samenwerking voor
fraudebestrijding een
nuttig instrument kan
zijn dat een ‘tweede
kans’ verdient.
Meervoudige fraude Locomotieftekst
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 15
stemmen is iets anders dan samenwerken. Het impliceert dat
afspraken worden gemaakt over wie wat doet en dat bij de actie
van de ene partij rekening wordt gehouden met de eventuele
(vervolg)actie van de andere partij. Vanuit een pragmatisch
oogpunt pleiten we ervoor dat publieke en private actoren
weten waarop zij tegenover elkaar kunnen rekenen. In de eerste
plaats zou een helder vervolgingsbeleid van het openbaar
ministerie in dit verband inzicht geven in wat het bedrijfsleven
kan verwachten van het publieke opsporingsapparaat.[23]
Dat zal in het begin verre van gemakkelijk zijn en wellicht
zullen daarbij tamelijk grove criteria worden gebruikt. Maar
in de loop der jaren kunnen ze op basis van de opgedane
ervaring worden verfijnd. In hoeverre dit beleid als een soort
(informele) norm voor aangifte kan gaan gelden, dient dan
verder verduidelijkt te worden.
De bedrijven zouden van hun kant een antifraudebeleid
moeten ontwikkelen, waarbij zowel preventie als repressie
aan de orde komen. Dat schept in de eerste plaats duide-
lijkheid voor de werknemers. Maar van bedrijven mag ook
een maatschappelijke verantwoordelijkheid worden ver-
wacht. Zij behoren zich niet uitsluitend zorgen te maken
over de private (economische) belangen. Zij moeten
eveneens beseffen dat fraude veelal ook een publieke
component heeft, in die zin dat het kan gaan om een
overtreding van de strafwet waarop strafbe-
dreiging is gesteld juist vanuit het algemeen
belang. Dat hoeft niet automatisch te beteke-
nen dat te allen tijde aangifte zou moeten
worden gedaan, maar wel dat een bedrijfs-
leider zich ervan bewust is dat de publieke
zaak haar eigen eisen stelt en dat dus bredere
belangen spelen dan het bedrijfsbelang.
Daar waar als gevolg van het geheime karakter van een
publiek onderzoekstraject bezwaarlijk sprake kan zijn van
een (operationele) afstemming op een privaat onderzoek –
er kan immers in dit kader geen informatie-uitwisseling
van publiek naar privaat plaatsvinden – zal de omgekeerde
richting wel mogelijk zijn. Zo kunnen zich in de private
praktijk in wezen drie situaties voordoen:
1) De opdrachtgever wil in geen geval dat politie en/of
justitie bij de zaak betrokken worden en uit het intern
onderzoek komen geen elementen naar boven die de
opdrachtgever van mening doen veranderen.
2) Van in het begin wil de opdrachtgever aangifte doen.
3) Gedurende het private onderzoek blijkt een ernstigere
situatie dan vooraf werd aangenomen, waardoor de op-
drachtgever vooralsnog beslist aangifte te doen.
Daar waar in de eerste situatie geen afstemming vereist is
met een publiek (vervolg)onderzoek, zal dat wel het geval
zijn in de tweede en derde situatie.
─────
[23] Een bedrijfsleider beschouwt het publieke opsporingsapparaat
als een soort ‘black box’: je weet wat je erin steekt, maar je
weet absoluut niet of er iets zal uitkomen, laat staan wanneer.
De eerste situatie – de opdrachtgever wil geen aangifte
doen – komt vaak voor. Deze gevallen worden na afron-
ding van het fraudeonderzoek en voor zover concrete feiten
kunnen worden aangetoond momenteel afgehandeld met
een ontslag om dringende reden, een onderhandse terug-
betalingsovereenkomst voor de geleden schade, een schade-
claim via een burgerrechtelijke procedure dan wel een
combinatie van deze mogelijkheden.
In de tweede en derde situatie worden de onderzoeksresul-
taten in de vorm van een forensisch auditrapport aangege-
ven bij de bevoegde politionele dan wel gerechtelijke auto-
riteiten. Veelal zijn dan reeds getuigen en/of de fraudeur(s)
over de verweten gedraging gehoord op basis van vrijwillig-
heid, waarbij de geïnterviewde zich desgewenst kan laten
bijstaan door een door hem/haar aan te wijzen persoon.
Zou het in deze gevallen vanuit efficiëntie- en effectiviteits-
overwegingen niet aangewezen zijn dat de politie het
onderzoek niet van voren af aan overdoet, maar het reeds
verrichte onderzoek als een solide vertrekbasis hanteert?[24]
Dat betekent natuurlijk dat dit mogelijk gemaakt moet worden
binnen de huidige strafrechtsprocedures.
Meer nog, indien het bewijs in strafrechtelijke zin vrijwel
rond is en de onderzochte persoon heeft bekend, kan het dan
niet volstaan dat de politie de verdachte nogmaals verhoort?
Indien die echter vooralsnog zou ontkennen,
komt het aan de bevoegde magistraat toe na
te (laten) gaan in welke mate het aangele-
verde bewijs volstaat dan wel dat extra
onderzoek nodig is. Indien nodig kunnen de
private onderzoekers in criminalibus als getuige
optreden en verklaren onder welke omstandig-
heden en op basis waarvan de initiële beken-
tenis is tot stand gekomen.
Besluit: naar een nieuw evenwicht
De fraudebestrijding in België omvat een breed en soms
complex terrein, waarin publieke actoren de strijd niet langer
alleen en vanuit hun eigen ‘cocoon’ aankunnen. Aan de
andere kant moeten bedrijven beseffen dat bepaalde feiten
nu eenmaal het publieke traject in horen te gaan. Dat dub-
bele besef van de noodzaak om (1) samen te werken met
andere publieke én private actoren en (2) zowel beleids-
matige als operationele afspraken te maken is de laatste
jaren stilaan maar zeker gegroeid. Gelet op de bedreigingen
van een toenemende fraudeproblematiek en de maatschap-
pelijke eis om hierop een afdoend antwoord te bieden
wordt het (hoog) tijd dat de hele handhavingsketen hiervan
doordrongen is en dat de politiek het kader schept waar-
binnen nieuwe wegen bewandeld kunnen worden. Zou het
beste leitmotiv hierbij niet zijn: samenwerken waar nodig,
afstemmen waar het kan?
─────
[24] Daarbij moet uiteraard een uitzondering worden gemaakt
voor onderzoeken die kennelijk onvoldoende zorgvuldig zijn
uitgevoerd dan wel belangrijke hiaten zouden vertonen.
Zou het beste
leitmotiv niet zijn:
samenwerken waar
nodig, afstemmen
waar het kan?
Meervoudige fraude Locomotieftekst
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 16
Bibliografie
Bussmann, K. & Werle, M., “Addressing Crime in Companies. First Findings from a Global Survey of Economic Crime”,
British Journal of Criminology 2006, 46, 1128-1144.
Cools, M., Ponsaers, P., Verhage, A. & Hoogenboom, B., De andere Rechtsorde. Demonopolisering van fraude-onderzoek.
Brussel, Politeia, 2005.
Croes, M. & Maas, G., Geschilbeslechtingsdelta midden- en kleinbedrijf, 2009.
De Baets, P., De Keulenaer, S. et al. (red.), Het Belgisch Inspectiewezen. De niet ingeloste belofte, Antwerpen, Maklu, 2003.
Desterbeck, F., De grote krachtlijnen van de fiscale procedure, Mechelen, Kluwer, 2006.
Doig, A. & Levi, M., “Inter-agency work and the UK public sector investigation of fraud, 1996-2006: joined-up rhetoric and
disjointed reality”, Policing and Society: An International Journal of Research and Policy 2009, 19, 3, 199-215.
Ernst & Young, The 2009 Ernst & Young business risk report. The top 10 risks for global businesses, 2009.
Hoogenboom, B., ‘t Neemt toe, men weet niet hoe. Scenariostudie financieel-economische criminaliteit 2010, Vermande 2010.
Levi, M., Burrows, J., Fleming, M. & Hopkins, M., The Nature, Extent and Economic Impact of Fraud in the UK. Report for
the Association of Chief Police Officers’ Economic Crime Portfolio, 2007.
Lombroso, C., Crime, its causes and remedies, Londen, William Heinemann, 1911.
Nelen, H., “Hit them where it hurts most? The proceeds-of-crime approach in the Netherlands”, Crime, Law and Social
Change 2004, 41, 5, 517-534.
Ponsaers, P. & Hoogenboom, B., “Het moeilijke spel van wortel en stok – organisatiecriminaliteit en handhaving-strategieën
van bijzondere inspectie- en opsporingsdiensten”, Tijdschrift voor Criminologie 2004, 46, 2, 165-181.
Ponsaers, P., “De politiële asymmetrie”, Cahiers Politiestudies 2010, 15, 15-48.
Ponsaers, P., De Keulenaer, S. et al., Bijzondere inspectiediensten: empirisch onderzoek naar hun verbaliseringsgedrag, Gent,
Academia Press, 2003.
PriceWaterhouseCoopers, Global Economic Crime Survey. Economic crime in a downturn, 2009.
Schaap, C., Forensische expertise op financieel terrein, Koninklijke Vermande, 2000, p. 24-30.
Van Cauwenberghe, K., “Noodzaak of grootspraak? Samenwerking tussen publieke en private fraudebestrijders”, p. 27-34 in
Publiek-private fraudebestrijding. Over de mogelijkheden van samenwerking tussen publieke en private actoren in de
strijd tegen de fraude, Politeia, 2001.
Schnabel, P., De multiculturele illusie: Een pleidooi voor aanpassing en assimilatie, Utrecht, Forom, 2000.
SMVP, Publiek-private fraudebestrijding. Aanbevelingen van de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie, SMVP, 2000.
Van Hees, G., Ponsaers, P. & Vander Beken, T., Recherchemanagement – Sturen naar kwaliteitsvol opsporingswerk, Reeks
nr. 12, Dienst voor het Strafrechtelijke Beleid, Maklu, Antwerpen/Apeldoorn, 2005.
Verhage, A., “The holy grail of money laundering statistics; input and outcome of the Belgian AML system” in Van Duyne,
P. et al., (red.), Cross Border Crime Colloquium, 2010.
Verhage, A., “Vervagende grenzen...? Opsporing door private veiligheidsorganisaties”, Handboek Politiediensten 2005,74, 1-23.
Verhage, A., “Corporations as a blind spot in research: explanations for a criminological tunnel vision”, p. 80-108 in Cools,
M., De Kimpe, S., De Ruyver, B., Easton, M., Pauwels, L., Ponsaers, P., Vande Walle, G., Vander Beken, T., Vander
Laenen, F. & Vermeulen, G., Governance of Security Research Papers Series I, Contemporary Issues in the Empirical
Study of Crime, Antwerpen, Maklu, 2009.
Verhage, A., “The anti money laundering complex on a crime control continuum: perceptions of risk, power and efficacy”,
p. 141-166 in Cools, M., De Ruyver, B., Easton, M., Pauwels, L., Ponsaers, P., Vande Walle, G., Vander Beken, T., Vander
Laenen, F., Vermeulen, G. & Vynckier, G., Governance of Security Research Papers, Topical Issues in EU and Interna-
tional Crime Control, Antwerpen, Maklu, 2009.
Williams, J., “Governability Matters: The Private Policing of Economic Crime and the Challenge of Democratic Governan-
ce”, Policing and Society 2005, 15, 187-211.
WODC, Over het optreden en afhandelen van (potentieel) juridische problemen in het midden- en kleinbedrijf. Cahier,
WODC, 2009-13.
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 17
Discussie
Fraudebestrijding in België: quo vadis?
Een blik in de reisbrochure
JAN BUYS [1]
Fraudebestrijding in België: quo vadis? Het antwoord op deze ogenschijnlijk eenvoudige vraag is vrij complex omwille van
vier redenen; die gaan van de invulling van de begrippen fraude en bestrijding en van de actoren inzake fraudebestrijding tot
de beeldvorming over fraude.
─────
[1] De auteur, master in de rechten, is adviseur beleid, strategie en analyse bij de directeur van de directie DJF (Directie van de bestrij-
ding van de Economische en financiële criminaliteit’ die in de toekomst onder de naam Directie fraudebestrijding door het leven zal
gaan) van de federale gerechtelijke politie. Hij was docent aan diverse politiescholen en bestuurder van verenigingen in de socio-
culturele sector. De ingenomen standpunten zijn persoonlijke standpunten.
[2] Er worden er een aantal opgesomd en besproken in: S. De Keulenaar, K. Van Altert & P. Ponsaers, Wegwijzer bijzondere inspectie-
diensten. Maklu, Antwerpen, 2003, 175 p.
In de eerste plaats is ‘fraude’ een containerbegrip, met vele
gezichten: werkloosheidsfraude, inkomstenbelastingfraude,
subsidiefraude, jaarrekeningfraude, verzekeringsfraude, in-
voerrechtenfraude, kilometertellerfraude, btw-fraude, afval-
fraude, diplomafraude, telecommunicatiefraude, ... Zonder
een klare definitie dreigt een gesprek over fraude snel af te
glijden naar een Babylonische spraakverwarring. De gemene
deler van de vele fraudefenomenen is het opzettelijk over-
treden van een regel met het oog op het verwerven van een
vermogensvoordeel (waarbij het kan gaan om een positieve
handeling of een omissie). Het is belangrijk dat de overtre-
ding van het voorschrift bewust wordt gemaakt. Dat staat
in tegenstelling tot de fout of nalatigheid, die aanleiding
kan geven tot een burgerlijke schadevergoeding. De afhan-
deling van contractuele en buitencontractuele schade valt
dus buiten de scope van deze tekst inzake ‘fraudebestrij-
ding’. Aangezien het onderscheidende criterium de intentie
is van degene die de handeling stelt, is er echter een grijze
zone, wat het debat over fraude kan bemoeilijken.
Ten tweede mag het woord ‘bestrijding’ in ‘fraudebestrij-
ding’ niet te eng worden begrepen. De overheid legde in
het verleden sterk de nadruk op ‘straf’ en ‘straftoemeting’.
Ons Wetboek van Strafvordering uit 1860 omschrijft de
taken van gerechtelijke politie als het vaststellen van mis-
drijven, het identificeren van de dader en het voor de
vonnisgerechten brengen van de daders (met het oog op het
opleggen van strafsancties). Vroeger waren dat bijna uit-
sluitend geldboetes en gevangenisstraffen. Deze beperkte
aanpak van fraude is niet meer. Er is de laatste decennia
meer aandacht voor het herstelgericht optreden. Ook de
bijzondere verbeurdverklaring beleeft sinds de jaren tachtig
een opmars en het slachtoffer heeft terecht als partij meer
rechten gekregen. En last but not least maakt preventie een
onderdeel uit van het gewenste overheidsoptreden. Hier
wordt dus uitgegaan van een integraal concept, waarbij
preventie als een element van ‘fraudebestrijding’ wordt
beschouwd.
Het antwoord op de vraag ‘fraudebestrijding, quo vadis?’ kan
verschillen, naarmate de notie ‘actoren inzake fraudebestrij-
ding’ anders wordt ingevuld. De meeste burgers denken
spontaan aan de geïntegreerde politie, gestructureerd op
twee niveaus. De lokale en de federale politie hebben
echter eigen taken. In de politiezones verzorgt de lokale
politie de basispolitiezorg met functies als het onthaal, de
wijkwerking, de interventie, de slachtofferbejegening, de
handhaving van de openbare orde, de verkeershandhaving
en de recherche. De federale politie verleent steun aan de
lokale politie en voert de gespecialiseerde politietaken uit.
Het is dus een misvatting dat veertigduizend personeelsle-
den bij de politie zich met fraudebestrijding inlaten.
Het vaststellen van zeer technische en ingewikkelde in-
breuken wordt door de wetgever niet alleen aan de genera-
list – die de politieambtenaar is – toegekend, maar ook aan
‘controleambtenaren’. Aangezien deze ambtenaren een
specifiek domein volgen, bouwen ze een grote expertise en
knowhow op. Ambtenaren van de diverse inspectiedien-
sten[2] zijn dus belangrijke spelers inzake fraudebestrijding.
Het is wellicht niet toevallig dat de term ‘rechtshandha-
vingsdiensten’ (of de Engelse vertaling law enforcement
agencies) hoe langer hoe meer opduikt. Maar wat is de rol
van de private speurders of private opsporingsdiensten? Ze
kunnen zeker niet worden gelijkgesteld met overheidsdien-
sten, wat niet wil zeggen dat ze geen impact inzake fraude-
bestrijding hebben, integendeel. Bepaalde fraudedomeinen,
zoals het bestrijden van de verzekeringsfraude, behoren
bijna tot het exclusieve domein van de private speurders.
Van de bijna duizend privédetectives is een groot deel werk-
Meervoudige fraude Discussie
18 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
zaam in de verzekeringssector.[3] En in het licht van de
jaarrekeningfraude is de vraag of bedrijfsrevisoren een rol
spelen in fraudebestrijding niet eens vreemd. Maar wat met
de auditcomités van raden van bestuur van bedrijven? Of
nog: auditdiensten bij overheidsdepartementen? Hier wordt,
wat betreft de ‘actoren inzake fraudebestrijding’, van een
ruime benadering uitgegaan.
Tot slot houdt de vraag ‘waar gaan we naar toe?’ eigenlijk
de illusie in dat we weten waar we hic et nunc staan inzake
fraudebestrijding. Ik ben niet overtuigd dat deze vooronderstel-
ling is ingelost. Anno 2010 kan men niet beschikken over een
exhaustieve fraude-encyclopedie. Er is evenmin zoiets als een
Belgische fraudeatlas. Uiteraard zijn er wel analyses van
overheidsdepartementen of wetenschappelijke studies van
universiteiten, maar die hebben te vaak betrekking op
slechts één verschijningsvorm. De onderzoeken van consul-
tancybedrijven zijn dan weer vaak glossy rapporten die zich
beperken tot het beschrijven van fraudegevallen en het meten
van de schade van fraude waarmee bedrijven worden gecon-
fronteerd. Het feit dat hun omzet voor een deel bestaat uit het
aanbieden van oplossingen voor dergelijke financiële schade
is daar wellicht niet vreemd aan. Aan de andere kant hebben
dergelijke – vaak anonieme – onderzoeken de meerwaarde
dat de cijfergegevens een getrouwer beeld geven.
De politiestatistieken lijden onder een hoog
dark number. De aangiftebereidheid inzake
fraude waarvan bedrijven zelf het slacht-
offer zijn, is immers – eufemistisch – niet
heel groot, waardoor politie en justitie
niet beschikken over een realistische visie
van het probleem. De grootste uitdaging
is dus het overstijgen van een té frag-
mentarische beeldvorming. Als ik in de
spreekwoordelijke boezem kijk, blijken de
politionele strategische analyses meestal een beperkt aantal
fenomenen te behandelen zoals de inkomstenbelastingfraude
en btw-fraude (beiden voorbeelden van verticale fraude) of
faillissementsfraude (horizontale fraude). Het aantal politio-
nele analisten actief bezig met fraudebeeldvorming is
trouwens zeer beperkt. Door de tijdsdruk zijn veel feno-
meenanalyses gebaseerd op één interne bron: de Algemene
Nationale Gegevensbank. In deze politiedatabank zijn onder
andere de vaststellingen inzake misdrijven verwerkt.
Toch worden verdienstelijke pogingen ondernomen om de
eilandmentaliteit te doorbreken. Voorbeelden hiervan waren
de analyses van telecommunicatiefraude[4] door de directie
─────
[3] Op 11 mei 2010 waren er van de 930 privédetectives 407 uit
de sector van de verzekeringen en nog eens 282 experts.
[4] Het betrof drie afzonderlijke analyses: één fenomeenanalyse
die een beeld gaf van het economische en maatschappelijke
fenomeen telecommunicatie en een profiel opmaakte van de
‘gemiddelde belwinkel’ voor de jaren 2002-2006, één drei-
gingsanalyse waarin op basis van de vastgestelde inbreuken
van diverse overheidsorganen een prognose werd gemaakt
voor de toekomst en ten slotte een methodeanalyse waarin de
aanpak van diverse law enforcement agencies onder de loep
werd genomen en getoetst op doeltreffendheid.
DJF, waarbij onder meer gegevens van de politie, de
directie bemiddeling van de FOD Economie, de sociale
inspectiediensten (verkregen via de Sociale Inlichtingen en
Opsporingsdienst SIOD), de FOD Financiën en het BIPT
werden verwerkt, met daarenboven enkele bedrijfsecono-
mische data. Het feit dat de opdracht aan de politie werd
gegeven en niet aan een team van strategische analisten
van de verschillende overheidsdepartementen is misschien
tekenend. Aan de andere kant bestaat bij de politie geen
algemeen kader voor een dergelijke samenwerking. In het
samenwerkingsprotocol voor de bestrijding van de ernstige
en georganiseerde sociale fraude, waar de politie partij is,
wordt wel uitdrukkelijk aandacht aan beeldvorming ge-
schonken. De actuele fragmentarische beeldvorming moet
ons er dus voor hoeden om de huidige ervaring en know-
how uit één fenomeen te extrapoleren naar het hele fraude-
gebeuren.
De voornoemde knelpunten betekenen echter niet dat ik de
handdoek in de ring zal gooien. Verwacht van mij echter
niet één gesloten antwoord, noch een doemdenken of een
idyllisch plaatje over de toekomst betreffende de fraude-
bestrijding. En hoewel ik geen eindbestemming van witte
stranden, blauwe wolken of palmbomen kan beloven, meen
ik wel een aantal haltes op onze reisroute te kunnen onder-
scheiden. De tendensen, die ik wil weer-
geven, zullen op korte, middellange of
lange termijn nog aan belang winnen. Ik
ben hierbij zeker niet de volleerde gids,
maar dankzij mijn functie bij de directie
DJF eerder een bevoorrechte getuige.
Achtereenvolgens komen aan bod: het
maken van keuzes en het (leren) plan-
matig werken, het omgaan met enorme
hoeveelheden data, het samenwerken tussen
diverse departementen, het zoeken naar evenwicht tussen
ingrijpende onderzoeksmethoden en privacy, het voordeel-
ontnemende karakter van de straf, de evolutie van de
administratieve sanctie, het grensoverschrijdende karakter
van fraude, de relatie publiek-private opsporing en ten slotte
vragen we ons af of ‘frauderen’ passé is.
‘Moet er nog zand zijn?’ Exit tsunami
Een eerste belangrijke tendens is het besef dat politie, en bij
uitbreiding de overheid, in haar optreden bewuste keuzes
dient te maken.
De tijd dat politiediensten een granaat of een zwaard in hun
logo hadden, bestaat niet meer. De politie trekt de kaart van de
dienstverlening. De slagzin de ‘politie, uw vriend’, is nog niet
eens zo oud, en de burger belt te pas en te onpas naar de 101.
Dat de taken van de politiediensten – niet alleen daardoor – de
vorige decennia sterk waren toegenomen, is geen geheim. De
politieoversten zongen vaak een klaagzang van té veel werk
en té weinig middelen. Criminaliteit werd niet alleen door de
politieambtenaar maar ook door de burger als een tsunami
ervaren. Het onveiligheidsgevoel nam toe, want verwachtin-
gen inzake veiligheid konden niet langer worden ingelost. Er
moest dus worden ingegrepen.
Een eerste belangrijke
tendens is het besef dat
politie, en bij uitbreiding
de overheid, in haar
optreden bewuste keuzes
moet maken.
Meervoudige fraude Discussie
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 19
Via de toepassing van managementprincipes – die werden
ontleend aan de bedrijfswereld, en meer specifiek die van
goederenproducerende bedrijven – wil men een greep op de
realiteit krijgen. Via income (de vraag), input (informatie,
personeel, middelen, budget), over processen wil men komen
naar output (product of dienst) en hierbij een outcome
(doelstelling) realiseren. Het verhaal van efficiëntie stelt
dat met de aanwezige input en de juiste processen een zo
goed mogelijke output kan worden gerealiseerd. Niet elke
output zal echter doeltreffend (effectief) zijn. Door aan alle
elementen aandacht te besteden, kan men greep krijgen op
de werkelijkheid. De tijd dat men lijdzaam werd over-
spoeld door het wassende water is voorbij. Hiermee is een
tijdperk aangebroken waarbij het uitwerken van plannen en
het stellen van prioriteiten steeds belangrijker wordt.
Zo werken diverse Belgische overheidsdiensten samen de
Kadernota Integrale Veiligheid uit[5]: het integrale duidt op
het feit dat de diverse overheidsdepartementen samen de
pen houden (FOD Justitie, FOD Binnenlandse Zaken, FOD
mobiliteit, ...). Dit beleidsdocument schetst de weg die de
overheid wil inslaan. Deze nota schept tevens het kader
waarbinnen het vierjaarlijkse nationale veiligheidsplan (NVP)
van de geïntegreerde politie dient te worden gesitueerd. In dit
NVP worden een aantal veiligheidsfenomenen opgesomd
die prioritair moeten worden aangepakt. Voor het NVP
2008-2011 betreft het bijvoorbeeld de vermogensmisdrij-
ven (met een bijzondere aandacht voor de rondtrekkende
dadergroepen), de mensensmokkel en -handel, het terro-
risme, de productie en de handel in drugs alsook de hier-
mee verbonden misdrijven, de informaticacriminaliteit en
de ernstige economisch-financiële criminaliteit.
De chronologie van het verhaal vereist dus eerst een
Kadernota Integrale Veiligheid en dan pas een NVP, voor-
bereid door de federale politie. De Belgische politieke
situatie gooide echter roet in het eten waardoor van deze
logische cyclus werd afgeweken ...[6] Het bewijst wellicht
dat we nog niet helemaal met de beleidscyclus vertrouwd
zijn. Een ander probleem lijkt dat het nationale veiligheids-
plan voor de politie een onuitputtelijke bron van plannen is
geworden: programmadossiers voor het centrale niveau van
de federale gerechtelijke politie, projecten voor de gede-
concentreerde arrondissementele eenheden van de gerech-
telijke politie, zonale plannen voor de 196 politiezones. En
tot slot krijgen deze documenten uitwerking in jaarlijkse
actieplannen ... Hierdoor dreigt men de spreekwoordelijke
bomen door het bos niet meer te zien en wordt de doelstel-
ling om meer keuzes te maken en beter te sturen onvol-
doende gerealiseerd. Het uitwerken van goede beleidsplan-
nen is immers een instrumentarium, niet een doel op zich.
─────
[5] Kadernota Integrale Veiligheid 2004, goedgekeurd door
de Ministerraad van 30 maart 2004.
[6] Zo werd er begonnen aan een ontwerp van kadernota
waarbinnen het nationaal veiligheidsplan 2008-2011 moest
worden uitgewerkt. Doordat er geen regering was, werd
de kadernota echter niet gevalideerd.
Een heikel punt inzake het huidige planmatig werken, is
tevens het feit dat de oefening om prioriteiten te koppelen
aan personeel enerzijds en materiële middelen anderzijds
nog te veel uit de weg wordt gegaan. Het is te kort door de
bocht dat dit slechts vijf minuten politiële moed vraagt.
Zoiets vereist in de eerste plaats een grotere flexibiliteit
(lees: mobiliteit) van het personeel, wat vrij haaks staat op
het overheidsstatuut. Een manager van een commerciële
onderneming kan veel sneller op dergelijke zaken inspelen
dan een politieleider. Tot slot zou het een foute veronder-
stelling zijn dat alle politiepersoneel snel onderling kan
worden verschoven: voor bepaalde functies heeft men nu
eenmaal voldoende knowhow en/of ervaring nodig, die niet
van vandaag op morgen kunnen worden verworven.
Een ander verbeterpunt betreffende de huidige politieplan-
nen is ervoor zorgen dat de plannen door de basis worden
gedragen. Nu nog worden ze te vaak beschouwd als
‘draken met zeven koppen’, ontsproten uit het brein van
politieofficieren in ivoren torens. De politieambtenaar in
het veld hoeft niet per se een Deming-wiel. Het Deming-
wiel was trouwens bedoeld om producten beter te laten
voldoen aan de eisen van de afnemer (via marktonderzoek
weten welk product de klant wil, hierna het product ont-
wikkelen, om het daarna te fabriceren en ten slotte het te
verkopen). Deming, een professor in de statistiek zette
hierbij vooral de samenwerking tussen de diverse afdelin-
gen van een bedrijf in de verf.[7] Bij de politie wordt voor-
namelijk de Japanse invulling van dit concept teruggevon-
den: de plan-do-check-act-cirkel (PDCA-cirkel) genoemd.
Hierbij wordt de nadruk meer gelegd op de kwaliteitsver-
beteringen van processen. Bij de politie slaat de PDCA-cirkel
te vaak op een heel actieplan in plaats van op één werkproces,
waardoor de oefening heel abstract wordt. Ook het Ishikawa-
diagram blijft als een graat in de keel van politiemensen
steken. Duidelijker communiceren, het doel precies omschrij-
ven, de werkwijze vastleggen, en de concrete acties die van
elkeen verwacht worden opsommen zijn wellicht stappen in
de goede richting om de actieplannen meer gedragen te
maken. Ook het toveren met managementtaal mag wat meer
achterwege blijven. Waarom moeten mensen zo nodig met het
woord ‘benchmarken’ om de oren worden geslagen? De
meesten kennen immers uit hun studietijd termen als ‘spieken’
en ‘afkijken’ ... of is dat fraude?
Actieplannen bestaan ook buiten de politie. De regering
(Leterme II) heeft een staatssecretaris voor de coördinatie
van de fraudebestrijding aangesteld. Het eerste actieplan
2008-2009 voorzag in meer dan vijftig projecten en nul
euro budget ... Als statement inzake het ‘maken van keuzes’
kan dat tellen. In een Powerpointpresentatie kan het hele
plan wellicht worden samengevat met één beeld, namelijk
een afbeelding van het werk van Magritte, bekend als ‘ceci
n’est pas une pipe’. Uiteraard wordt het actieplan hiermee
─────
[7] Deming werd geboren in Iowa in 1900 en overleed in 1993
in Washington DC. Enkele van zijn werken zijn Elementary
Principles of the Statistical Control of Quality (1950),
Out of the Crisis (1986) en The New Economics (1993).
Meervoudige fraude Discussie
20 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
onrecht aangedaan omdat het de onmiskenbare wil heeft de
hokjesmentaliteit te doorbreken, maar door de overdaad
wordt de doelstelling geschaad. Dat neemt niet weg dat de
projecten op zich allemaal zinvol zijn.
Planmatig werken en het afstemmen van beleidscycli
gebeurt niet alleen op nationaal vlak. Op Europees niveau
is het project ‘Harmony’ boven de doopvont gehouden met
als doelstelling verschillende beleidscycli van lidstaten op
elkaar af te stemmen en te integreren ...
Hoewel de kinderziektes over het werken met plannen
duidelijk in de verf werden gezet, ben ik een ‘believer’. Er
kan namelijk niet worden voorbijgegaan aan een maatschap-
pelijke trend waarbij ook het individu hoe langer hoe meer
bewuste keuzes moet nemen. Zowel op individueel als op
collectief vlak zal de ervaring toenemen, waardoor het
geheel op een meer natuurlijke wijze zal worden beleefd.
Het NVP 2012-2015 is in dit opzicht geen bedreiging maar
een opportuniteit om het met zijn allen binnen de politie
beter te doen. Er kan daarbij worden aangestipt dat de politie
de onmiskenbare verdienste heeft deze weg te zijn in gesla-
gen, daar waar anderen nog twijfelen op het kruispunt ...
Exit ‘even Apeldoorn bellen’
Een dikke dertig jaar geleden kenden de
mensen vooral het dorp waarin ze woon-
den. Het venster op de wereld was nog
zwart-wit en heette BRT. Het fenomeen
commerciële zenders bestond nog niet en
de Nederlandse, in de zin van ‘Hollandse’
televisie was in Vlaanderen immens popu-
lair. In een van de reclameblokken kwam
regelmatig een spot naar voren met de
slagzin ‘even Apeldoorn bellen’. De telefoon was toen het
medium bij uitstek om snel informatie te ontvangen.
Sindsdien is het tijdperk van de computer aangebroken. De
informatie is sneller beschikbaar, de beschikbaarheid is
losgekoppeld van openingstijden en vooral: de informatie-
stroom is exponentieel toegenomen. Deze grotere toegan-
kelijkheid van data heeft een enorme impact op de fraude-
bestrijding. Het opsporen van fraude wordt immers steeds
meer een digitale strijd: het selecteren van juiste en ade-
quate informatie uit een zee van gegevens.
Welke gevolgen dat heeft, wordt het best geduid met het
voorbeeld van de fiscale fraudebestrijding. Het indienen
van een belastingaangifte was – en is nog ten dele – het
handmatige invullen van documenten, die aan de diverse
belastingadministraties werden overgemaakt. Daar werden
de raamenveloppen opengemaakt, de documenten voorzien
van een datumstempel, geklasseerd in een dossier, gearchi-
veerd in een kast, en mogelijk door een belastingcontroleur
gecontroleerd. Momenteel kan de belastingplichtige via
‘tax-on-web’, met een druk op de ‘enter’-toets de belasting-
gegevens verzenden van een computer in zijn huiskamer
naar mainframes in de kelders van de finance-tower. En
aangezien deze elektronische verwerking is ingezet voor de
btw-aangifte, voor de douanemateries, diverse vormen van
inkomstenbelastingen, ... houdt dit een belofte in. Hardware-
matig en softwarematig is het mogelijk geworden om diverse
databestanden van de onderscheiden fiscale diensten (gege-
vens inzake btw, inkomstenbelasting, douaneheffingen, ...) te
koppelen en te vergelijken. Via datamining kunnen computers
de identiteit van fraudeurs uitbraken, nog voor de ambtenaar
één controledaad heeft gesteld. Of zo ziet het ideale plaatje
eruit ... Er zijn echter nog een aantal horden te nemen.
In de eerste plaats is het huidige wetgevende kader uitge-
werkt toen er nog geen sprake was van dit digitale tijdperk.
In die tijd konden de hiervoor beschreven vormen van
dataverwerking niet voorzien worden. Het doelgebonden
karakter van de informatie-inzameling in fiscale zaken houdt
echter in dat informatie uit de aangifte van één belasting in
principe enkel en alleen voor het heffen van die specifieke
belasting kan worden aangewend. Rechtspractici leiden dat
af uit artikel 170 van de Grondwet ... Zo stellen diverse
rechtsgeleerden momenteel dat dit artikel zich tegen een
automatische koppeling van de gegevens uit de diverse
fiscale databanken verzet. De technische mogelijkheden
mogen juridisch dus niet worden benut in de strijd tegen de
ernstige en georganiseerde fiscale fraude.
Uiteraard werd de Belgische grondwet niet
op een computer geschreven. De tijdgeest
van toen was anders. Men wilde afscheid
nemen van de wanpraktijken uit het
Ancien Regime. Het heffen van belastin-
gen diende een opdracht te zijn van de
vertegenwoordigers van het volk en niet
meer ontspruiten uit de geldnood van
feodale vorsten. Het is trouwens niet
verboden een juridisch kader aan te passen
aan de realiteit. Zo werden in het verleden reeds een aantal
wettelijke nuanceringen aan het doelgebonden karakter van
de fiscale informatie aangebracht. Deze ‘moderniseringen’
vertrekken echter vanuit de hypothese dat een controleur in
het dossier van één belastingplichtige een vermoeden van
fraude heeft en dan extra informatie opvraagt. De wettelij-
ke mogelijkheden zijn echter een onvoldoende juridische
basis om het koppelen van alle bestanden met het oog op
het automatisch screenen op fraude mogelijk te maken. In
het actieplan 2008-2009 van staatssecretaris Devlies werd
voorgesteld om dat te verhelpen.
Toch kunnen burgers zich afvragen in welke mate de
inkomstenbelastingfraudebestrijding een prioriteit is voor
politieke fracties als het uittekenen van een dergelijk aange-
past wettelijk kader tot nu toe uitbleef. In de beslotenheid van
huiskamers bieden warenhuisketens via de digitale snelweg
‘persoonsgerichte kortingen’ aan. Deze individuele benade-
ring maken ze op basis van een ‘consumentenprofiel’, dat
op zijn beurt wordt samengesteld op basis van de informa-
tie over aankopen die met een bankkaart werden verricht.
Hiermee wordt uiteindelijk de kern van het probleem geraakt:
de moeilijke evenwichtsoefening tussen enerzijds een efficiënte
en effectieve fraudebestrijding (die bouwt op de kansen die de
Het opsporen van
fraude wordt steeds
meer een digitale
strijd: het selecteren
van juiste en adequate
informatie uit een
zee van gegevens.
Meervoudige fraude Discussie
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 21
digitale infostroom biedt) en anderzijds de bedreiging van het
recht op privacy. Het maatschappelijke debat werd hierover
zeker nog niet ten gronde gevoerd. De schaarste van de
publieke middelen dwingen de overheden een steeds efficiën-
tere weg in te slaan. De centrale vraag zal worden: waar moeten
de wettelijke grenzen worden gelegd, rekening houdend
met principes van proportionaliteit en subsidiariteit?
‘Een plus een is drie’
Dertig jaar geleden werd in de lagere scholen de ‘moderne
wiskunde’ aangeleerd, waarbij begrippen als ‘verzamelingen’,
‘deelverzamelingen’ en ‘unies’ centraal stonden. Dat was een
vernieuwing ten aanzien van de klassieke wiskunde met de
tafels van vermenigvuldiging. Ondertussen leert de ‘manage-
mentwiskunde’ dat één plus één drie is. De locomotieftekst
noemde deze stelling: ‘samen werkt’. Inderdaad, het besef
groeit dat het samenwerken van de diverse overheidsdiensten
een resultaat oplevert dat groter is dan de som van de indivi-
duele inspanningen van de onderscheiden diensten (speelde
deze visie trouwens ook niet mee in de politiehervorming?).
In heel wat vormen van verticale fraude (waar de publieke
middelen worden afgewend van hun doel) staan de op-
drachten van de diverse overheidsdiensten
soms haaks op elkaar. Eén voorbeeldje hier-
van is de sigarettenfraude. Doordat in Groot-
Brittannië hogere belastingen op sigaretten
werden geheven, exporteerden Belgische
ondernemingen tabakswaren, althans de uit-
voer diende uit documenten te blijken. De
rookwaren werden echter Groot-Brittannië
binnengesmokkeld om op de zwarte markt
te worden verkocht, waarbij geen Britse
accijnzen werden betaald. Er bleef voldoende
marge over voor de fraudeurs om zeer snel
grove winsten te maken. Voor dit fenomeen
zijn op het Belgische grondgebied echter verschillende
diensten bevoegd: zo heeft de administratie van douane en
accijnzen (die behoort tot de FOD Financiën) de opdracht
om heffingen en accijnzen te innen. Bovendien legt ze zich
toe op de bestrijding van smokkel en namaak. De politie-
diensten daarentegen hebben vooral oog voor de dader-
groepen die deze feiten plegen, alsook het witwassen van
de illegale winsten. Het in beslag nemen van een lading
nagemaakte sigaretten kan een goed middel zijn om
namaak tegen te gaan, het kan echter een dadergroep
verontrusten waardoor een politioneel onderzoek wordt
gedwarsboomd. Het zoeken naar synergie is dus niet altijd
gemakkelijk of vanzelfsprekend.
Een eerste succesverhaal op dit vlak is wellicht de aanpak
van het witwassen van geld. Onder druk van internationale
instellingen, waaronder de EU, werd een preventief sys-
teem uitgewerkt. Diverse organisaties (zoals bankinstellingen,
verzekeringsondernemingen, ...) en beroepsgroepen (casino’s,
notarissen, bedrijfsrevisoren, vastgoedmakelaars, ...) werden
verplicht om verdachte witwastransacties te melden aan
een Financial Intelligence Unit (FIU), in België is dit de
Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). De aan
de CFI gemelde informatie wordt verrijkt met informatie
van politiediensten en/of andere overheidsdiensten, waarna
het dossier wordt voorgelegd aan een college van experts,
de leden van de CFI. Doordat hier expertise uit de magi-
stratuur, de bankwereld, de administratie van financiën en
de politie is verzameld, kan met een goede kennis van
zaken worden beslist of er voldoende aanwijzingen van
witwassen zijn om een dossier door te melden aan het
territoriaal bevoegde parket. Niet alle informatie komt
echter bij het openbaar ministerie terecht: de CFI werkt als
een filter. De procureur kan dan op zijn beurt beslissen om
op basis van de doorgemelde informatie een opsporings-
onderzoek te openen of een onderzoeksrechter te vorderen.
Op deze manier raken dossiers van witwassen van geld van
georganiseerde btw-fraude (verticale fraude), misbruik van
vennootschapsgoederen (horizontale fraude), oplichting
(horizontale fraude), ... in het klassieke justitiële circuit.[8]
Een tweede – met cijfers te illustreren voorbeeld – is de
georganiseerde btw-fraude. Het systeem van de verlegging
van de btw bij intracommunautaire leveringen is een bron
van fraude. De Belgische schatkist moest in 2001 nog een
schade van 1,1 miljard euro incasseren. In datzelfde jaar
werd echter een samenwerkingsprotocol door de bevoegde
ministers getekend. De cijfers spreken voor
zich. De vernieuwde aanpak was onmiddel-
lijk een succes: in 2002 daalde de schade tot
232 miljoen euro. In de drie daaropvolgende
jaren kon de schade telkens worden terug-
gebracht tot minder dan 200 miljoen euro.
Vanaf 2006 dook men zelfs onder de grens
van 50 miljoen euro. Dat zelfs in een verhaal
van synergie waakzaamheid blijft geboden,
bewijzen de cijfers voor 2009. De georgani-
seerde btw-fraude zou zijn teruggebracht tot
14,6 miljoen euro, ware het niet dat een
nieuwe verschijningsvorm, namelijk de fraude
met emissierechten (CO2-rechten) opdook. Enkele criminele
organisaties konden under the line of fire van de detectie
blijven en een snelle buit van 79 miljoen euro opstrijken.
GEORGANISEERDE BTW-FRAUDE (bron: OCS Cel BTW)
14,6
29,8
44,23
26,04
131
158,5
158
232
1100
+ 79
0
200
400
600
800
1000
1200
2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
BTW-nadeel schatkist Fraude emissierechten
─────
[8] De CFI mag alleen doormelden aan de parketten voor de
misdrijven zoals opgenomen in artikel 5 § 3 van de wet
van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van
het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme (BS 9 februari 1993).
Het samenwerken
van de diverse over-
heidsdiensten levert
een resultaat op dat
groter is dan de som
van de individuele
inspanningen van
de diensten.
Meervoudige fraude Discussie
22 september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag
In de toekomst wenst de overheid ook de ernstige en ge-
organiseerde sociale fraude[9] op een meer integrale manier
aan te pakken om tot het ‘één plus één is drie’-effect te
komen.
Sociale fraude is voornamelijk verticale fraude, maar het
bezorgt malafide bedrijven (wat betreft de bijdragefraude)
ook een oneerlijk concurrentievoordeel. Onder de auspiciën
van staatsecretaris Devlies, bevoegd voor de coördinatie van
de fraudebestrijding, werd daarom een protocol uitgewerkt,
dat ondertussen door de bevoegde ministers werd gevali-
deerd. De bedoeling hierbij is niet alleen de schuldigen van
specifieke vormen van verticale fraude op te sporen en te
bestraffen, maar tevens op basis van de bekende fraudepro-
fielen te proberen nieuwe fraudecircuits snel te detecteren
met het oog op het vermijden van schade voor de overheid
en de sociale zekerheid. Samen sterk op een geïntegreerde
manier!
Het uitwerken van synergetische relaties in de bestrijding
van andere fraudedomeinen zal zeker aan belang winnen.
In het begin is er soms wat koudwatervrees om het ‘depar-
tementalis’ te overstijgen[10], maar als de partners eenmaal
elkaars vertrouwen hebben, lijkt de relatie vaak heel vrucht-
baar. Wordt dus zeker vervolgd ...
‘Bim bam bom’
België had in de jaren tachtig de zaak-François waarbij het
toepassen van enkele – toen nog verboden – politietechnie-
ken behoorlijk uit de hand liep. In de jaren negentig boog
de commissie-Van Traa zich bij onze noorderburen over de
─────
[9] Onder de noemer ‘ernstige en georganiseerde sociale fraude’
wordt verstaan: elke vorm van opzettelijk handelen waar-
bij ofwel verschuldigde bijdragen niet worden betaald
(bijdragefraude) ofwel niet-verschuldigde uitkeringen worden
geïnd (uitkeringsfraude) als gevolg van het handelen van
een gestructureerde organisatie bestaande uit twee of meer
personen, en/of (een) rechtsperso(o)n(en), die in onderling
overleg wanbedrijven of misdaden (zullen) plegen om di-
rect of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen en:
waarbij gebruik wordt gemaakt van commerciële of
andere structuren om het plegen van de misdrijven te
verbergen of te vergemakkelijken of;
waarbij bedreiging, geweld of corruptie wordt aan-
gewend of;
waarbij de organisatie contrastrategieën uitwerkt
waardoor de fysieke integriteit van de personeelsle-
den van de inspectiediensten in het gedrang komt (bv.
van de personeelsleden van de sociale inspectie van
de FOD Sociale Zekerheid; het toezicht op de sociale
wetten van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en So-
ciaal Overleg; de inspectie van de RSZ; en de Direc-
tie Handhavingsbeleid van de RVA) of;
waarbij misbruik wordt gemaakt van personen die
zich in een precaire positie bevinden.
[10] Niet alleen een Belgisch probleem, zoals blijkt uit de
studie van Doig en Levi, geciteerd in de locomotieftekst.
verboden ‘burgerinfiltratie’ die de politiediensten in de
IRT-affaire toepasten. Beide zaken hebben één ding gemeen:
met het oog op betere resultaten gingen politiediensten
buiten het toenmalige juridisch kader experimenteren en ze
verbrandden hierbij hun vingers. Toch was bijna iedereen
het erover eens dat bijzondere politietechnieken een meer-
waarde konden bieden. In België vaardigde het college van
Procureurs-generaal hierover een ‘geheime’ omzendbrief
uit, die algauw aan de onderwijsinstellingen werd onder-
wezen. Niet in het minst omdat een dergelijke circulaire
niet de toetssteen van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens kon doorstaan. De rechtspraak van
het Europese Hof stelt dat een burger op de hoogte moet
kunnen zijn over de opsporingsmiddelen die tegen hem
kunnen worden gebruikt. Daarom moesten deze methoden
worden opgenomen in een formele wet (zoals art. 8 EVRM
eiste). Het duurde echter tot 2003 eer het Belgische parle-
ment de wet betreffende de bijzondere opsporingsmetho-
den en enige andere onderzoeksmethoden[11] afkondigde.
Deze BOM-wet regelt de bijzondere opsporingsmethoden
(observatie, infiltratie en informantenwerking).
Eenzelfde beweging kan bij de inlichtingendiensten worden
vastgesteld, hoewel die veel langer in een totaal juridisch
vacuüm werkten. De Veiligheid van de Staat, die al bij het
ontstaan van België werd opgericht, kreeg pas in 1998 de
organieke wet op de inlichtingendiensten.[12] De wet somde
echter slechts de taken van de dienst op, zonder in te gaan
op de middelen of methoden die de dienst had om haar
opdrachten correct uit te voeren. Dit sluitstuk kwam er
door de wet betreffende de methoden voor het verzamelen
van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdien-
sten[13], vaak geciteerd als de wet op de Bijzondere Inlich-
tingenmethoden of BIM-wet. Deze wet voert naast de
gewone inlichtingenmethoden (waaronder het klassieke
gebruik van ‘menselijke bronnen’), twee andere methoden
in: enerzijds de specifieke methoden (bv. de observatie, de
doorzoeking, de kennisneming van identificatiegegevens,
de maatregelen tot identificatie van de abonnee of de
gewoonlijke gebruiker van een dienst van elektronische
communicatie, ..) en aan de andere kant de uitzonderlijke
methoden (bv. de observatie in private plaatsen, al dan niet
met behulp van technische middelen, in private plaatsen
die niet toegankelijk zijn voor het publiek, de doorzoeking
van private plaatsen, de oprichting van of het gebruik van een
rechtspersoon ter ondersteuning van operationele activitei-
ten, ...).
In sommige politiekringen groeit ondertussen de roep naar
een BAM-wet, een wet inzake bijzondere methoden voor
─────
[11] Wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere op-
sporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden
(BS 12 mei 2003).
[12] Wet van 30 november 1998 houdende regeling van de
inlichtingen- en veiligheidsdienst (BS 18 december 1998).
[13] Wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor
het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten (BS 10 maart 2010).
Meervoudige fraude Discussie
september 2010 | Aflevering 51 | De orde van de dag 23
de administratieve politie. Deze wet zou het verzamelen van
informatie en het toepassen van politietechnieken moeten
regelen die noodzakelijk zijn voor het bewaken van radica-
lisering en extremisme. Of een dergelijke wet er snel zal
komen, is de vraag.
De BOM, de BIM en de vraag naar de BAM-wet schetsen
echter een belangrijke evolutie. De tijd dat ‘de grijze cellen’
van detectives als ‘Hercule Poirot’ volstonden[14] om cri-
minaliteit te bestrijden of grote fraudes te ontmantelen is
voorbij. De politiediensten en veiligheidsdiensten hebben
nood aan bijzondere methoden, die echter ingrijpend zijn.
Een inmenging in het privéleven van een persoon kan
uiteraard slechts voor zover de technieken expliciet in een
wet zijn opgenomen (legaliteitsbeginsel). Daarenboven moet
bij de toepassing van deze methoden telkens worden na-
gegaan of de maatregel in verhouding is tot het te be-
schermen doel (proportionaliteitsbeginsel). Ook vraagt de
wetgever – indien mogelijk – eerst de minder ingrijpende
middelen aan te wenden alvorens een beroep wordt gedaan
op de bijzondere technieken en bijzondere opsporings-
methoden (subsidiariteitsprincipe).
Hoewel de politiediensten voorzichtig omspringen met het
gebruik van deze bijzondere opsporingsmethoden, is het
niet onwaarschijnlijk dat deze technieken
in de toekomst vaker zullen worden toege-
past en ook meer zullen worden toegepast
in het kader van de ernstige en georgani-
seerde economische en financiële delicten,
waar dat nu vaak nog een uitzondering is.
Een aantal criminele organisaties heeft
immers begrepen dat bepaalde fraude-
vormen bijzonder winstgevend zijn en
vaak als minder ernstig door de publieke
opinie worden gepercipieerd (in dit bedje
is veel witteboordencriminaliteit ziek).
Dat kan onbewust een rol spelen bij de straftoemeting door
rechters. Deze oriëntatie van criminelen noodzaakt de politie-
diensten tot het nemen van de gepaste maatregelen. Maar
dit hoeft gezegd, ondertussen is elke politieleider doordron-
gen van het feit dat zoiets slechts kan binnen de duidelijke
grenzen van de bestaande wetgeving. Indien nieuwe
methoden noodzakelijk zijn voor een correct politioneel
optreden, dient de wetgever te worden ingelicht, opdat die
zijn verantwoordelijkheid tijdig kan nemen.
‘Ga direct naar de gevangenis, ga niet
langs start’
Iedereen die het spel Monopoly speelde, trok wel eens de
geduchte Algemene Fonds- of Kanskaart, met daarop de
tekst ‘Ga direct naar de gevangenis, ga niet langs start’. Nu
durf ik niet beweren dat criminaliteit of fraude een gezel-
schapsspel is. Noch wil ik insinueren dat het oplopen van
een straf op toeval berust. Het statement dat ik wil maken
─────
[14] Hercules Poirot is een personage verzonnen door de
Engelse schrijfster Agatha Christie.
is dat deze twee onlosmakelijk met elkaar dienen verbon-
den te zijn. Criminaliteitsbestrijding was te lang een reactie
van: ‘Ga direct naar de gevangenis’. Het ‘ga niet langs start’
kwam te weinig aan bod. En voor iemand die niet met de
spelregels van Monopoly vertrouwd is: telkens wanneer
een speler via start komt, kan men geld incasseren. Welnu,
misdrijven in het algemeen, en fraude in het bijzonder,
mogen niet lonen.
Het strafrecht wilde graag een afschrikkend effect hebben
op toekomstige daders door gevangenisstraffen uit te
spreken. De systematische overbevolking van de Belgische
gevangenissen en het feit dat bepaalde gevangenisstraffen
van korte duur niet meer konden worden uitgevoerd,
noopte tot alternatieve straffen. Zo werd bijvoorbeeld de
werkstraf ingevoerd en werd de bijzondere verbeurdverkla-
ring van onder het stof gehaald en uitgebreid. Net als in
Nederland, waar men wetten heeft die weinig aan de ver-
beelding overlaten (of wat dacht u van de ‘kaalplukwet’?),
is deze straf in België aan een opmars bezig, zeker sinds de
oprichting in 2003 van het Centraal Orgaan voor de
Inbeslagname en Verbeurdverklaring (C