ArticlePDF Available

De missionaire mindset van pioniers binnen de Protestantse Kerk

Authors:

Abstract

De Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk interviewde in de eerste helft van 2021 20 aselect geworven PKN-pioniers. Via het onderzoek is een beeld ontstaan van onder meer hun theologische positie, hun inspiratiebronnen en de beleving van de (missionaire) impulsen die ze ontvangen vanuit het landelijke Dienstencentrum. Dit onderzoek loopt parallel aan het eerdere onderzoek onder 40 voorgangers binnen de Protestantse Kerk. Het verslag van dit onderzoek uit 2020 is ook op mijn Researchgate pagina te vinden.
De missionaire mindset
van pioniers binnen de
Protestantse Kerk
Verslag van een onderzoek
onder 20 pioniers
dr. Sake Stoppels
November 2021
2
Introductie 3
Samenvatting 4
Doelstelling, onderzoekspopulatie en werkwijze 6
Uitkomsten van het onderzoek 7
Reflectie 24
Bijlage 1. Overzicht van de interviewvragen 32
Bijlage 2. Uitnodigingsbrief 33
Bijlage 3. Overzicht antwoorden pioniers op drie theologische vragen 34
Inhoud
3
Inhoud Introductie
Binnen de Protestantse Kerk is in missionair opzicht veel gaande. Na de fusie van de drie Samen-
op-Wegkerken tot de Protestantse Kerk in Nederland in 2004 is gekozen voor de blik naar buiten,
voor een accent op missionair kerk-zijn. Misschien wel het meest in het oog springend zijn de vele
pioniersplekken die sinds die tijd zijn ontstaan. Daar is ook al het nodige onderzoek naar gedaan. Veel
‘gewone’ gemeenten zitten in missionair opzicht echter ook niet stil, maar daar is nog niet zo veel zicht
op. Onderzoek uit 2014 onder predikanten binnen de Protestantse Kerk liet zien dat hun bevlogenheid
rond missionaire en diaconale presentie erg beperkt was.1 Dat was een van de motieven voor een nieuw
onderzoek onder voorgangers, zowel predikanten als kerkelijk werkers: hoe staan zij tegenover missionair
kerk-zijn? De gemeente is uiteraard meer dan de voorganger, maar via onderzoek naar voorgangers
kunnen we wel een indruk krijgen van de missionaire impulsen die van voorgangers uitgaan richting de
gemeente. Het onderzoek werd afgerond in 2020. Het is niet direct vergelijkbaar met het onderzoek uit
2014, maar de resultaten laten wel een veel grotere missionaire oriëntatie zien. De missionaire focus van
de landelijke kerk lijkt door te zijn gesijpeld naar de lokale gemeenten. Het verslag van dit onderzoek
onder 40 voorgangers is
hier
digitaal te raadplegen.
Omdat het onderzoek onder de voorgangers boeiende en prikkelende uitkomsten te zien gaf, ontstond
het idee om aanvullend dezelfde vragen voor te leggen aan pioniers. Zouden zij mogelijk anders denken
over missionaire thema’s? Het resultaat van dit onderzoek vindt u in dit rapport dat qua structuur voor een
belangrijk deel parallel loopt aan het al genoemde onderzoek onder de voorgangers. In de tekst refereren
we ook met enige regelmaat aan dit onderzoek. Ook de reflecties na de presentatie van de resultaten
lopen deels parallel aan het eerdere onderzoek.
We hebben opnieuw gekozen voor het afnemen van interviews. Op deze plek past een dankwoord aan
mijn mede-interviewer dr. Gert-Jan Roest. Hij las ook een eerdere versie van dit rapport kritisch door
en gaf tal van verbetersuggesties. Eerdere versies van dit rapport werden ook kritisch besproken in de
kenniskring van het CHE-lectoraat theologie (Ede) en binnen het Center for Church and Mission in the
West (CCMW, TU Kampen). Dat waren vruchtbare besprekingen. Een woord van dank is er ook voor drs.
Gert Kwakkel die de opgenomen interviews samenvatte.
De dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk heeft besloten zich in haar publicaties aan te sluiten bij de
eerbiedskapitalen zoals die in de NBV21 worden gebruikt. Dat betekent dat verwijzingen naar God, Jezus
en de Geest in dit rapport met een hoofdletter geschreven zijn.
De Hemmensche Zendingsstichting maakte met een substantiële bijdrage dit onderzoek mede mogelijk.
Daarvoor betuigen we vanuit de Protestantse Kerk onze dank.
Sake Stoppels
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
1. De onderzoeksresultaten zijn niet integraal gepubliceerd. Wel is in een brochure, getiteld Kerkelijk werkers
en predikanten: onderzoek 2014, een samenvatting gemaakt van de belangrijkste uitkomsten. Zie daarvoor
https://www.yumpu.com/nl/document/read/41829490/kerkelijk-werkers-en-predikanten-onderzoek-2014/8
(geraadpleegd 18 november 2021). De respons was 35%.
4 5
Samenvaing
Parallel aan een eerder
onderzoek
onder 40 ‘gewone’
voorgangers binnen de Protestantse Kerk is vanuit
de dienstenorganisatie via interviews onderzoek
gedaan onder 20 pioniers die betrokken zijn bij een
pioniersplek van de Protestantse Kerk. Hoe geven
ze vorm en inhoud aan missionair kerk-zijn? De
vragen die zijn gesteld zijn opgenomen in bijlage 1.
In deze samenvatting beperk ik me tot de meest
opvallende uitkomsten en enkele inhoudelijke
reflecties, mede gerelateerd aan het genoemde
parallelle onderzoek.
Uitkomsten
• De aselect geworven pioniers – 14 mannen en
6 vrouwen – zijn gemiddeld 43 jaar oud. Daarmee
zijn ze gemiddeld genomen 9 jaar jonger dan de
onderzochte voorgangers. Ze hebben in grote
meerderheid een theologische opleiding genoten.
• Van de vijf zogenaamde marks of mission
hebben de pioniers het meeste met de eerste: de
verkondiging van het evangelie aan mensen die
het niet kennen. Ze hebben dat in hogere mate
dan de onderzochte voorgangers.
• Veel pioniers zijn door hun werk opener in de
samenleving komen te staan: minder (ver)oordelend,
minder krampachtig, minder als ‘zender’ en
opener voor wat er aan goeds in ‘de andere ander’
aanwezig is. Parallel hieraan is er meer dan eens
ook een theologische heroriëntatie.
• Bij de vraag naar het eventuele unieke van het
christelijk geloof wordt Jezus (Christus) het meest
genoemd. Hij wordt op zeer uiteenlopende
manieren getypeerd, maar wat daarbij opvalt is
dat klassieke aanduidingen als Heiland, Verlosser
of Degene die onze schuld verzoent nauwelijks
worden gebruikt. Wel wordt een paar keer
gerefereerd aan de genade die ons door Jezus ten
deel is gevallen.
• Jezus wordt vooral als inclusief beleefd. Hij sluit
mensen in, ook zij die vaak worden uitgesloten in
het menselijk verkeer. Hij is royaal en doorbreekt
gangbare grenzen. Het meer exclusieve beeld van
Jezus als de enige weg naar de Vader komt niet
sterk naar voren.
• Bij het Nieuwtestamentische begrip soteria
(redding, behoud, verlossing) denken de pioniers
– net als de onderzochte voorgangers – primair
aan het leven hier en nu. Ze hanteren daarbij wel
meer geloofstaal dan de voorgangers: soteria
wordt door hen meer betrokken op (een leven
met) God en Jezus.
• Meer dan bij de voorgangers speelt het leven
na dit leven een rol in de theologie van de
pioniers. De helft van hen sluit ‘verlorenheid’
voorbij onze fysieke dood niet uit, soms heel
aarzelend of vragenderwijs, soms op een meer
stellige wijze.
• In alle pioniersplekken gaat de Bijbel open,
maar de regelmaat en de frequentie verschillen
behoorlijk. Dat hangt voor een belangrijk deel
samen met het al dan niet hebben van vieringen,
want daar gaat de Bijbel het meest open. De
meeste plekken geven duidelijk aan dat ze geen
ruimte bieden aan heilige boeken uit andere
religieuze tradities.
• Anders dan de voorgangers waarderen de pioniers
de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk
(‘Utrecht’) in hoge mate. Dat lijkt vooral te maken
te hebben met de trainingsweekenden die de
dienstenorganisatie organiseert en de coaching
die ze aanbiedt.
Vrijwel alle pioniersplekken onderhouden een
relatie met een of meer (moeder)gemeenten,
maar intensief lijken deze contacten niet te zijn.
Daar waar er een linking pin is – bijvoorbeeld
een voorganger die zowel aan de ‘gewone’
gemeente is verbonden als aan de pioniersplek –
is uitwisseling en kruisbestuiving doorgaans
intensiever.
Reflectie en aanbevelingen
• Beide onderzoeken wijzen uit dat het wijs lijkt
de dienstverlening minder via materiaal te laten
lopen en meer via het initiëren en faciliteren van
inhoudelijke ontmoetingen. Kort gezegd: geen
berichten maar gezichten.
• De omschrijving van een pioniersplek binnen
de Protestantse Kerk (‘een pioniersplek is een
nieuwe vorm van kerk-zijn voor mensen die niet
naar een kerk gaan’) is onscherp. Een doelstelling
ontbreekt: waarom zouden mensen een relatie
moeten (willen) krijgen met een pioniersplek? Het
zou goed zijn het gesprek hierover aan te gaan en
op basis hiervan mogelijk tot een herziene, meer
aangescherpte omschrijving van een pioniersplek
te komen.
4 5
• In veel van het werk van de pioniersplekken
gaat het om het scheppen van verbinding en
gemeenschap binnen een veilige, laagdrempelige
setting. Acceptatie is er een groot goed. Deels
is dat terug te voeren op vroegere ‘fuikachtige’
evangelisatiepraktijken, deels op de kwetsbaarheid
van de groep van deelnemers/bezoekers. Ook een
‘verruiming’ van het soteriologische denken onder
invloed van de levensbeschouwelijke pluralisering
van onze samenleving speelt hier vermoedelijk
een rol.
• We zien in het onderzoek onder zowel de
voorgangers als de pioniers – in termen van
Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooi – een
accent op verzoening door omvorming. Hij maakt
ons tot een ander mens, vooral door Zijn nabijheid
en compassie. De aandacht lijkt te verschuiven van
Jezus’ ‘doen voor’ naar Zijn ‘voordoen’. Verbonden
hiermee zien we een concentratie op het hier en
nu. Daar waar de eeuwigheid in vroegere tijden
het missionair werk vaak kleurde, zien we dat nu
veel minder. Deze verschuiving zien we breder
binnen de christelijke traditie. Dat kleurt uiteraard
het missionaire denken en handelen. Tegelijk
zien we dat er relatief weinig georganiseerde
uitwisseling is rond soteriologische vragen. In
pionierswerk domineren vaak de ‘hoe-’ en de
‘wat’-vragen. Aandacht voor het ‘waarom’ en
‘waartoe’ van het werk is echter nodig.
• Onderzoek naar de soteriologische biografie van
pioniers en andere missionaire werkers kan helpen
goed zicht te krijgen op de doorwerking van het
verleden in missionair werk.
6
Doelstelling, onderzoekspopulatie en werkwijze
Doelstelling
De doelstelling van het onderzoek luidt als volgt:
Het in kaart brengen van percepties, praktijken en
ervaringen rond missionair kerk-zijn bij pioniers.
De onderzoekspopulatie
We hebben ons geconcentreerd op de wereld van
pioniers binnen de Protestantse Kerk in Nederland.
In vergelijking met de populatie van het onderzoek
onder voorgangers in de ‘gewone’ gemeente –
ruim 1800 personen – gaat het om een kleine
groep van zo’n 100 pioniersplekken. Op aselecte
wijze zijn vanuit deze groep 20 plekken gekozen.
Twee plekken gaven aan niet mee te kunnen doen.
Motieven daarvoor waren resp. het op non-actief
staan van de plek sinds het begin van corona en
de burn-out van de trekker van de pioniersplek.
Op opnieuw aselecte wijze hebben we ter
vervanging twee andere plekken geselecteerd. In de
uitnodigingsmail zat de brief die is opgenomen in
bijlage 2.
Hoe hebben we gewerkt?
De 20 gesprekken zijn gevoerd door in totaal
2 interviewers. Een collega-wetenschappelijk
beleidsmedewerker binnen de dienstenorganisatie
nam 8 interviews af, en zelf deed ik er 12.
De gesprekken werden via videobellen gevoerd,
waarbij telkens geluidsopnames werden gemaakt.
Deze opnames werden samengevat aan de hand
van de gestelde vragen door een theoloog die de
wereld van kerk en geloof goed kent. De gemaakte
samenvattingen werden vervolgens ter controle
en goedkeuring voorgelegd aan de respondenten.
Er was nauwelijks kritiek op deze samenvattingen,
regelmatig werd waardering uitgesproken voor de
correctheid ervan. Meerdere keren werden wel
zaken toegevoegd en details gecorrigeerd. De
samenvattingen zijn vervolgens per vraag weer
samengevat in een Excelsheet om zo een overzicht
te krijgen van de gegeven antwoorden. Zo kwamen
ook trefwoorden naar voren.
De gemaakte analyse is ter toetsing voorgelegd
aan een aantal personen. Allereerst aan de
geïnterviewde pioniers. De respondenten gingen
akkoord met de geanonimiseerde weergave van hun
uitspraken in de lopende tekst. Een paar pioniers
reageerden ook inhoudelijk op de tekst. Dat leidde
ertoe dat de vraag naar discipelschapsontwikkeling
binnen pioniersplekken als apart thema terugkeert
in de reflectie. Het conceptrapport, inclusief de
evaluatie, is vervolgens voorgelegd aan dr. Gert-
Jan Roest, mede-interviewer en tevens directe
collega binnen de dienstenorganisatie. Met name
rond de evaluatie had hij kritische vragen en zinvolle
suggesties. Zoals al gemeld in de introductie werd
het rapport in wording ook besproken binnen de
kenniskring van het CHE-lectoraat theologie en
binnen het onderzoeksnetwerk
CCMW
van de
Theologische Universiteit Kampen. Ook deze beide
besprekingen leidden tot tal van aanpassingen.
In dit rapport komen veel citaten voor. Het is goed
ons daarbij te realiseren dat het hier om fragmenten
gaat uit de samenvattingen van de gesprekken. Dat
betekent dat de woorden mogelijk niet helemaal
letterlijk zijn uitgesproken door de betreffende
voorganger, maar dat hij of zij met die verwoording
wel akkoord is gegaan. Omwille van de leesbaarheid
heb ik in sommige gevallen de zinnen uit de
samenvattingen wat meer lopend gemaakt. Van
alle pioniers zijn citaten opgenomen. Omdat we
de lezer de mogelijkheid willen bieden om bij een
aantal vragen zelf de antwoorden te kunnen lezen
en zo de analyse te kunnen beoordelen, hebben
we in bijlage 3 de samengevatte antwoorden op
drie meer theologisch-inhoudelijke vragen integraal
opgenomen.
7
Uitkomsten van het onderzoek
Hieronder presenteer ik de uitkomsten van de
gehouden interviews. Ik volg daarbij de volgorde
van de vragen zoals deze in bijlage 1 is te vinden.
De interviews zijn ook via dit stramien gehouden.
Zoals al in de introductie is gemeld, zal ik met enige
regelmaat de uitkomsten vergelijken met die van het
onderzoek onder de 40 voorgangers.2 Zo ontstaat
meer reliëf en kunnen we de resultaten beter plaatsen.
Karakteristieken van de respondenten
Onder de 20 respondenten waren 14 mannen
en 6 vrouwen. De oudste was 68, de jongste 27.
De leeftijd was gemiddeld 43 jaar, daarmee zijn
ze gemiddeld 9 jaar jonger dan ondervraagde
voorgangers in het eerdere onderzoek (gemiddeld
52 jaar). De gemiddelde duur van hun betrokkenheid
bij de pioniersplek was 4,7 jaar.
In meerderheid (15x) hebben de geïnterviewde
pioniers een theologische opleiding genoten op
HBO- of WO-niveau. Slechts twee respondenten
gaven aan geen specifieke theologische vorming te
hebben ontvangen.
We vroegen ook naar eventuele betaalde aanstellingen
buiten de pioniersplek. Vanuit missionair oogpunt
kan dit interessant zijn. 4 pioniers waren gemeente-
predikant, 8 deden iets als tentmaking ministry, dat
wil zeggen dat ze naast hun pionierswerk betaald
‘seculier’ werk deden. 3 zaten in het onderwijs en voor
het overige kwamen zeer uiteenlopende activiteiten
voorbij, zoals ecologische woningbouw, het beheer
Stroming Pioniers (20)
Confessioneel 10%
Evangelisch 17%
Gereformeerd 8%
Gereformeerde Bond 3%
Hervormd 3%
Luthers -
Midden-orthodox 8%
Oecumenisch 17%
Protestants 15%
Vrijzinnig 12%
Anders, te weten: 8%: vrije confessioneel, gelovig,
christelijk
Geen antwoord -
Voorgangers (40)
10%
11%
2%
4%
7%
2%
10%
17%
19%
14%
5%: Liberaal, Ethisch, Charismatisch,
Missionair, Pinkster
2%
Met welke stromingen in de Protestantse Kerk voelt u zich het meest verwant?
(meerdere antwoorden mogelijk):
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
2. Het is daarbij belangrijk te weten dat onder de non-respondenten bij dit onderzoek orthodoxe(re) voorgangers
oververtegenwoordigd waren.
8
van een dorpshuis, een verzendantiquariaat, een
beleidsfunctie bij een hogeschool en een kringloop-
coöperatie. In vergelijking met de 40 voorgangers
zien we veel meer ‘buitenkerkelijke’ activiteiten.
In haar onderzoeken werkt de Protestantse Kerk
standaard met een indeling in ‘bloedgroepen’
waarmee de onderzochten zich kunnen
identificeren. Ze kunnen daarbij meerdere
mogelijkheden aankruisen. We hebben deze vraag
opgenomen om een indruk te krijgen van de
theologische/kerkelijke/spirituele spreiding van de
respondenten. Ter vergelijking zijn ook de scores
voor de 40 voorgangers opgenomen. De absolute
aantallen zijn feitelijk te klein om ze om te kunnen
zetten naar percentages, maar omwille van de
vergelijkbaarheid heb ik dat toch gedaan. De scores
zijn te vinden in de tabel op pag. 7.
De evangelische bloedgroep is sterker vertegen-
woordigd dan in de groep van voorgangers. Omdat
veel pioniersplekken niet echt een stempel van de
Protestantse Kerk dragen en er op allerlei terreinen
interkerkelijke samenwerking is, zou een hoge score
op ‘oecumenisch’ voor de hand liggen, maar dat is
– in vergelijking met de groep van voorgangers –
niet het geval. Wat opviel in sommige gesprekken
was hoezeer deze indeling historisch is. Sommige
pioniers hebben helemaal geen beeld van de
geschiedenis van de Protestantse Kerk en voor hen
was de vraag dan ook moeilijk te beantwoorden.
Tot slot nog iets over de geografie van de
geselecteerde pioniersplekken. 6 daarvan bevinden
zich in een stad groter dan 100.000 inwoners. 2
zijn gevestigd in een middelgrote plaats (50.000-
100.000 inwoners). De overige 12 zijn gevestigd
in plaatsen met minder dan 50.000 inwoners. In
meerderheid gaat het daarbij om plaatsen met
minder dan 20.000 inwoners. De helft van de
plekken ligt in de Randstad.
Beleving missionair kerk-zijn
Op onze vraag welke associaties – positief én
negatief – bij de respondenten opkwamen bij
het begrip ‘missionair kerk-zijn’ antwoordden de
meeste respondenten – net als bij de ondervraagde
predikanten en kerkelijk werkers – met positieve
associaties. Een veelheid aan associaties kwam
langs, waarbij begrippen als ontmoeting, dienst
en luisteren de toon zetten. Er is zeker verlangen
om te delen (‘delen wat je raakt’, ‘delen wat je
aan moois hebt ontvangen’), maar dat gebeurt
in een sfeer van respect voor (het anderszijn van)
de ander. Slechts één respondent sprak meer
‘zendergericht’: ‘mensen bij Jezus brengen’. Bij de
negatieve associaties kwam deze zendergerichte
benadering juist wel sterk naar voren: ‘zieltjes
winnen’ (3x), ‘alleen zenden van de eigen waarheid’,
‘vernauwing tot evangelisatie’. 9 van de 20
respondenten refereerden hier op de een of andere
manier aan. Wel gaven meerdere daarbij aan dat
het ging om associaties bij vroegere praktijken. In
de groep van de 40 ondervraagde voorgangers
waren er meerdere die in de huidige grote aandacht
voor missionair kerk-zijn eigenbelang zagen
doorschemeren. Dat was niet het geval in de groep
van pioniers.
Inspirerende missionaire praktijken en/of
personen
Op onze vraag naar inspirerende praktijken en/of
personen kwam een heel breed palet aan namen
en plekken tevoorschijn. Ik beperk me hier tot
personen en plekken die meer dan 1 keer werden
genoemd. Het meest frequent (4 keer) werd de
Amerikaanse theoloog en kerkplanter Tim Keller
genoemd. Pioniersplek ‘Geloven in Spangen’
werd 3 keer genoemd. ICF, Taizé en Iona werden
elk 2 keer genoemd. Bij het onderzoek onder
gemeentepredikanten en kerkelijk werkers viel
op dat er vrijwel geen verwijzingen waren naar
andere ‘gewone’ gemeenten of voorgangers. Bij de
pioniers zien we juist wel verwijzingen naar andere
pioniersplekken en pioniers. Naast de hierboven al
genoemde plekken werden nog 9 andere genoemd.
Ook 9 Nederlandse (collega)pioniers werden
genoemd. Dat is een boeiend verschil. Zien de
pioniers meer inspirerende plekken en personen om
zich heen dan ‘reguliere’ voorgangers? En heeft dat
dan mogelijk ook te maken met de grote mate van
netwerkvorming binnen de wereld van de pioniers
waardoor er meer oog voor elkaar is dan in de
wereld van ‘gewone’ gemeenten?
Inspirerende auteurs/boeken rond missionair
werk/missiologie
Om een idee te krijgen of de pioniers ook via
lectuur gevoed worden in hun missionaire oriëntatie
vroegen we naar inspirerende boeken en/of auteurs.
In totaal werden 30 verschillende auteurs genoemd.
We noemen hier de auteurs die vaker dan 1 keer
8 9
genoemd zijn: Tim Keller (5x), Stefan Paas (4x),
Dietrich Bonhoeffer (3x), Michael Moynagh (3x),
N.T. Wright (2x), Mike Breen (2x), Henri Nouwen
(2x) en Shane Claiborne (2x). De Bijbel wordt 4
keer genoemd. Meerdere respondenten moesten
even graven in hun geheugen of een blik werpen
in hun boekenkast om tot namen te komen. Meer
dan de onderzochte voorgangers lezen pioniers
specifiek missionaire literatuur. Tim Keller gaat
aan kop bij de pioniers, terwijl hij in het overzicht
bij de voorgangers slechts 1 keer voorkomt. Op
de rol van lectuur bij missionair kerk-zijn kom ik
terug bij de bespreking van de beleving van de
dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk en het
materiaal dat ze ontwikkelt.
Ontwikkelingen in het eigen missionaire
denken en/of handelen door de tijd heen
Op onze vraag of de pioniers in de loop van de tijd
waren veranderd in hun denken over missionair
kerk-zijn, antwoordde slechts 1 respondent dat
dat niet (echt) het geval was. In grote meerderheid
gaven de respondenten dus aan dat er verandering
was opgetreden. Het meest frequent werd daarbij
de ontwikkeling richting een grotere mate van
openheid en onbevangenheid genoemd. In totaal
gaven 11 pioniers op de een of andere manier aan
dat ze opener in de samenleving waren komen te
staan: minder (ver)oordelend, minder krampachtig,
minder als ‘zender’ en opener voor wat er aan
goeds in ‘de andere ander’ aanwezig is. Parallel
hieraan was er meer dan eens ook een theologische
heroriëntatie:
Ja absoluut. Ik ben in 2011 nadrukkelijk begonnen
in een project dat wel vernieuwend was, maar
met veel focus op ‘kerkdienst’. In het pionieren
zelf ben ik zelf gaan ontdekken dat een andere
focus ook belangrijk was: gerichtheid op de
context. Onze pioniersplek is ook ontstaan vanuit
een vernieuwende beweging: wat gebeurt er om
je heen, welke mensen kom je tegen? Het is veel
meer gekoppeld aan de Koninkrijksgedachte dan
aan het oudere beeld van evangelisatie, zoals
geloven in Jezus en eeuwig leven. (interview 10)
Van ‘dit is de boodschap, dit moet je horen en
dan doe je hopelijk met ons mee’ naar gewoon
aanwezig zijn, iets laten zien wat je hart raakt
en dat uitstralen. Ik ben hier gekomen net na
de scheuring3, toen er nog een derde was
overgebleven in die grote kerk. Het besef
ontstond: al die lege banken, misschien
moeten we eens kijken naar de mensen die zijn
afgehaakt en al die anderen die hier in het dorp
wonen – een missionair verlangen. Het idee
was: hoe krijgen we ze zo snel mogelijk in de
kerk? En dat werd: laten we kijken hoe we kerk
in het dorp kunnen zijn. Dat vond ik een mooi
proces. De gemeente ging mee in dat proces,
dat zie je in de dingen die bedacht worden.
Ik heb daar zelf ook wel een rol in gehad.
(interview 20)
De overlap tussen missionair/diaconaal werk
en sociaal/cultureel werk is vloeiender. Het
binnen-buiten gevoel is vager geworden, de
grenzen tussen wie gelovig zijn en wie niet zijn
minder scherp geworden. (interview 18)
Missionaire openheid blijkt al met al als een
boemerang bij de pioniers zelf terug te komen.
Soms leidt dat ook tot nieuwe vrijmoedigheid:
We hebben in 2020 een podcast gemaakt
over de vraag: waarin vind jij je geluk – wie zijn
dan in onze stad eigenlijk gelukkige mensen?
En we dachten: laten we dat gewoon maar
gaan vragen. Ik merkte bij de presentatie ervan,
waarbij ik Jezus zette naast hedendaagse
mensen als Paul Verhaeghe en Dirk de Wachter,
dat mensen dat prima vonden, dat ik het dus
best gewoon bij mezelf kan houden en vertellen
hoe ik dat zie. En dus meer te getuigen, laat
ik het zo zeggen. Dus meer vrijmoedigheid in
het over Jezus spreken bijvoorbeeld. Als ik dat
doe is er best openheid voor. Er was openheid,
ruimte, veiligheid: ik heb naar hen geluisterd en
nu luisteren zij naar mij. (interview 3)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
3. Het gaat hier om de afsplitsing van de Hersteld Hervormde Kerk ten tijde van het ontstaan van de Protestantse Kerk
in Nederland in 2004.
10
Dimensies missionair kerk-zijn (marks of mission)
De verkondiging van het Goede Nieuws van het Koninkrijk aan
mensen die het niet kennen (evangelisatie).
Het onderwijzen, dopen en doen groeien van nieuwe gelovigen.
Het lenigen van menselijke nood door liefdevolle diaconie.
Het omvormen van onrechtvaardige structuren, het ageren tegen
elke vorm van geweld, en het zoeken van vrede en verzoening.
Het werken aan het behoud van de schepping en het zoeken
naar een ecologisch verantwoord leven.
Respondent wenst geen keuze te maken.
De five marks of mission
In missionaire publicaties komen we nogal eens de
zogenaamde five marks of mission tegen. Ze zijn
afkomstig uit de Anglicaanse traditie en bedoeld
om de breedte van missionaire presentie in beeld
te brengen.4 We hebben de pioniers – met enige
vrijheid in de vertaling – deze vijf dimensies van
missionair kerk-zijn voorgelegd vanuit de vraag voor
welke twee ‘marks’ ze de meeste passie hebben.
Opnieuw geef ik ter vergelijking ook de scores van de
40 voorgangers. Hoewel de absolute aantallen ook
hier feitelijk te klein zijn om met procenten te kunnen
werken, geef ik omwille van de vergelijkbaarheid
toch de percentages. De scores zijn te vinden in de
tabel onderaan deze pagina.
Daar waar voorgangers het meest gaan voor ‘praktisch
christendom’ (mark 3), kiezen pioniers vooral voor
de eerste mark. We hebben in de formulering van
de eerste mark min of meer provocerend het woord
‘evangelisatie’ toegevoegd, maar dat heeft de pioniers
er bepaald niet van weerhouden vooral voor deze
eerste dimensie te gaan. Meer dan de onderzochte
voorgangers hebben ze kennelijk de behoefte het
evangelie te delen met mensen die het niet (meer)
kennen. Tegelijk liet de vorige vraag zien dat er in de
beweging van het pionieren in theologisch opzicht
vaak veel verschuift. In dat kader werd bijvoorbeeld
gerefereerd aan de Missio Dei en het denken in
termen van het Koninkrijk Gods. De verdeling over
de andere vier marks is behoorlijk gelijkmatig.
Wat is missionair zijn?
Gert-Jan Roest schreef in 2020 de notitie ‘Wie wil
er missionair zijn?’5 Hij schreef het primair voor
de deelnemers aan de missionaire specialisatie
voor predikanten en kerkelijk werkers, maar zij zijn
uiteraard geen exclusieve doelgroep. Het rapport
is bedoeld om binnen de Protestantse Kerk – en
overigens ook daarbuiten – het denken over
missionair kerk-zijn te stimuleren en te verdiepen. In
het rapport zoekt Roest naar een omschrijving van
missionair zijn die in de breedte van de Protestantse
Kerk als een kompas zou kunnen functioneren. Zijn
omschrijving luidt als volgt:
‘Vanuit liefde in beweging komen ter wille van
anderen namens God.’
We legden de omschrijving voor aan de
respondenten: wat roept deze formulering bij
je op? Dat bleek overwegend herkenning en
instemming te zijn. Niet minder dan 10 pioniers
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
4. Zie
https://www.anglicancommunion.org/mission/marks-of-mission.aspx
(geraadpleegd 1 maart 2021).
5. Gert-Jan Roest,
Wie wil er missionair zijn?
Over verwarring, allergieën en de inhoud van missionair werk, Utrecht
2020 (geraadpleegd 6-10-2021).
Pioniers (20)
32%
15%
19%
17%
15%
2%
Voorgangers (40)
24%
16%
28%
15%
14%
4%
Voor welke twee dimensies klopt jouw hart het meest?
10 11
gebruikten het woord ‘mooi’ in hun antwoord. 7
van hen gaven alleen maar positieve kwalificaties
aan de omschrijving, maar een meerderheid van 13
respondenten had toch ook aarzelingen en kritische
kanttekeningen. Met name het ‘ter wille van’ werd
bevraagd. 4 pioniers misten in deze woordkeuze de
wederzijdsheid en het tweerichtingsverkeer:
Ik vind het iets te lief. ‘Namens God’ vind ik mooi,
‘beweging’ ook. Maar bij ’ter wille van’ gaan mijn
haren overeind staan, alsof ik iets voor een ander
moet doen. Ik denk dat ik juist een ander blij
maak als ie zelf iets gaat doen. Een woord als
‘recht’ ontbreekt ook. Liefde ... ik kan soms ook
heel kwaad worden en daar komen ook goede
dingen uit voort. (interview 16)
Mooie volzin. Wat wollig. Complex. Liefde
is een prachtige beweegreden. ‘Anderen’, ik
zou dan meer iets doen met elkaar, minder
eenrichtingsverkeer. Je hebt ook iets te
ontvangen. Daarin is God ook aanwezig.
(interview 12)
2 pioniers vonden de uiteindelijke gerichtheid
van missionair werk te weinig terugkomen in de
omschrijving. Ze herkenden hun eigen theologische
drive er te weinig in:
Hij is helemaal raak. Maar wat kleurloos in de
vorm: wat is ‘in beweging komen’, en te stil in de
beoogde vrucht: ‘waartoe zijn we uitgezonden?’
(interview 5)
Het is heel mooi, tegelijk ook heel algemeen.
‘Om Christus te verkondigen’, dat zou er wel
in mogen. Je moet mensen geven wat ze echt
nodig hebben, dat is Christus, en daaruit vloeit
voort het eten en het drinken. (interview 14)
Samenvattend kunnen we zeggen dat de omschrijving
van Roest kritisch positief ontvangen is. Het blijkt
veel op te roepen en kan zo een katalysator zijn
voor een inhoudelijk missionair gesprek. Juist als
er iets ligt als voorzet, als richtpunt, kan het eigen
profiel worden ontdekt. Zo bleek het te werken in
de interviews, zo zal het ook kunnen werken voor
gesprekken binnen missionaire (pioniers)teams.
Invloed corona op het denken over missionair
kerk-zi jn
Het onderzoek werd verricht in de eerste maanden
van 2021 waarin de coronacrisis nog volop haar
sporen trok. Dat deze crisis in praktische zin voor
de respondenten ingrijpend was, mag duidelijk zijn.
Veel kon immers niet of moest heel anders. We
hebben niet naar de praktische consequenties van
de crisis gevraagd, wel naar de mogelijke invloed op
het denken over missionair kerk-zijn an sich.
8 pioniers gaven aan dat hun missionaire denken
geen (echte) inhoudelijke invloed had ondergaan
van de coronacrisis. De overige 12 lieten wel
doorschemeren dat ze ook inhoudelijk aan het
denken waren gezet, maar werden daarbij meestal
niet echt concreet. Met name de (her)ontdekking
van het belang van (fysieke) gemeenschap werd
genoemd (3 keer). Slechts een enkeling werd rond
die inhoudelijke heroriëntatie wat concreter:
Door corona zijn wat dingen aan het licht
gekomen: globaal – ik ben nog linkser dan links
geworden. Er moet een heel andere stip op de
horizon. Maar ook in de kerk: het familiaire, het
lichaam – als je dat echt gelooft dan maakt corona
niet uit, maar als dat er niet is, dan zie je dat in
een kerk. Wij houden elkaar heel erg vast. De
gemeenschap en de kleine groep, de betekenis
daarvan is nog meer duidelijk dan daarvoor: elkaar
kennen, broers en zusters zijn. De privileges zijn
ook veel duidelijker geworden. En bij mij komt
er ook creativiteit los: bijvoorbeeld iets als een
Christmas blessing. Ik ben ook begonnen met
jongleren, in en met de buurt. (interview 16)
De plek van de kerk in de samenleving
We vroegen in het interview hoe de respondent
de plek van de kerk in de samenleving zou willen
typeren, mogelijk aan de hand van een beeld of
een metafoor. Er kwam een veelheid aan beelden
langs, waarbij de veiligheid en de warmte van
de plek relatief vaak naar voren werd gebracht:
‘pleisterplaats’, ‘schuilplaats’, ‘rustplaats’, ‘plaats om
12
op adem te komen’, ‘veilige en heilige ruimte’. Als
we de antwoorden leggen langs het continuüm
‘comfort’ en ‘challenge’, dan lijken de meeste
typeringen dichter bij de bevestigende dan bij de
uitdagende pool te liggen. We hebben niet gevraagd
naar het eigene van de groep van bezoekers/
deelnemers, maar de typeringen wijzen op een
behoefte aan (h)erkenning en veiligheid. Dat lijkt te
wijzen op een zekere kwetsbaarheid van in ieder
geval een deel van de groep van deelnemers/
bezoekers. Dat spoort met eerder onderzoek.6
Als een speeltuin: beweeglijk en dynamisch.
Ruimte voor variatie en beleving. Ik hoop dat
de kerk een plek is waar mensen veilig zijn en
waar mensen kunnen proeven aan hoe het leven
vanuit genade en liefde van Jezus eruit kan zien.
Mensen ervaren dat bij onze plek, hoewel ze er
zelf geen snars van geloven. (interview 16)
Sommige respondenten keken bij deze vraag
ook naar de kerk als geheel en waren daar vaak
ambivalent over:
Het mosterdzaadje vind ik wel een mooi beeld,
schuilplaats voor vogels in allerlei soorten en
maten. En dat het Koninkrijk een ‘beweging’
is van zaadje naar boom. En dat beleef ik wel
steeds weer. Maar vaak is het juist zo dat we als
kerk stil zijn komen te staan, een soort fort. Ik
gebruik een gedicht van Van Randwijk wel vaak.
(interview 20)
Wij, zonder geld op reis gegaan
en zonder bundel uitgezonden
om te genezen waar wij konden,
te zegenen waar and’ren slaan,
te vroeg vertraagde onze voet,
wij hebben ons te warm genesteld
en een weerbarstig fort gemetseld
rondom een volk dat trekken moet.7
Trefwoorden ter typering van de pioniersplek
In afwijking van de vragenlijst voor de voorgangers
hebben we ook de volgende vraag aan de pioniers
gesteld: ‘Met welke drie trefwoorden zou je
het eigene van jullie plek willen typeren?’Met
opzet hebben we deze open vraag vóór de meer
theologische vragen gesteld om te zien in hoeverre
de antwoorden ook zonder een voorzet van de
interviewer al een specifiek theologisch accent
zouden krijgen. Dat bleek niet het geval te zijn. De
gegeven trefwoorden refereren niet of nauwelijks
aan specifiek theologische inhouden. Alleen de
woorden ‘missio Dei’, ‘liefde van God’ en ‘Jezus
spreken geloofstaal. Voor het overige zijn de
gekozen trefwoorden vrij algemeen. Ze lopen
ook sterk uiteen. Het meest worden woorden
rond ‘verbinding’ en ‘verbinden’ genoemd (5 keer).
‘Laagdrempelig’ en ‘liefde’ komen elk 3 keer voor en
vervolgens zijn er 4 trefwoorden die 2 keer worden
genoemd: ‘gemeenschap’, ‘ontmoeting’, ‘open’ en
‘stilte’. Veel van het werk van de pioniersplekken
lijkt dus – afgaande op deze trefwoorden – te gaan
om het scheppen van verbinding en gemeenschap
binnen een veilige, laagdrempelige setting.
Het beste van het huis
Ook de volgende vraag is een aanvulling ten
opzichte van de vragen die we voorlegden
aan de voorgangers: ‘Wat is het beste dat jullie
pioniersplek aan de deelnemers/bezoekers te
bieden heeft?’Ook deze vraag werd ingegeven
door onze zoektocht naar mogelijke theologische
inhouden die tevoorschijn zouden kunnen
komen zonder dat er expliciet naar gevraagd was.
Meer dan bij de vorige vraag kwamen die ook in
beeld. 6 respondenten noemden God of Jezus
(Christus):
Binnenkerkelijk zou ik zeggen: we hebben
Christus te bieden, niet omdat we Hem/dat in
bezit hebben, maar omdat we ervan mogen
delen. Dat kun je niet zo communiceren. Wij
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
6. Zie voor dit diaconaal-pastorale karakter van pioniersplekken ook het onderzoeksrapport
Tussenstand pionieren
.
De impact van pionieren op sociale verbondenheid en geloofsontwikkeling. Dienstenorganisatie Protestantse Kerk,
Utrecht 2020, p. 13 (geraadpleegd 6 oktober 2021).
7. H.M. van Randwijk, Op verbeurd gebied, Amsterdam 1934.
12 13
zeggen tegen de deelnemers dat wij een plek
zijn van twintigers en dertigers die op zoek
zijn naar een betekenisvol leven, waarbij we in
de zoektocht naar antwoorden onze inspiratie
primair vinden in de christelijke spiritualiteit.
En we zoeken daarbij verbinding met filosofie,
kunst, literatuur. Of soms ook weleens een
beetje de positieve psychologie. Ik hoop dat
mensen ten diepste Christus vinden. Dat kan
gaan via een weg van verdieping, cognitief
of het vinden van rust. Misschien wat meer
gevoelsmatig, stilte. Dat hoofd en buik elkaar
vinden. (interview 3)
De liefde van God zichtbaar maken, God die
Zijn Zoon heeft gegeven, en er voor mensen
willen zijn in hun nood. (interview 14)
Wat veel terugkomt is acceptatie: mensen zijn
op een veilige plek welkom zoals ze zijn. Bij in
ieder geval 7 plekken wordt dat benadrukt. Op
verschillende manieren wordt deze vorm van
gastvrijheid onder woorden gebracht:
Dat je elkaar mag vertellen dat je je niet groot
en sterk hoeft voor te doen maar dat je bij
God helemaal je naakte ik mag zijn. In de
samenleving moet je groot en snel zijn, alles
aankunnen. En veel mensen mislukken daarin.
Maar God kijkt op een heel andere manier
naar jou dan jijzelf of mensen om je heen. Dat
verhaal vertel ik graag en dat heb ik ook zelf
nodig. En dat geeft mensen rust. (interview 12)
Een plaats zijn waar je mag zijn wie je bent.
En zo mag je ook blijven. Terwijl we merken
dat mensen toch het gevoel hebben dat er
een verborgen agenda is, dat zit blijkbaar diep.
(interview 15)
Dat ze ertoe doen, dat ze gezien worden,
dat ze niet nutteloos zijn: God vindt dat je/
iedereen ertoe doet: je bent geliefd - wat en
wie je ook bent of hebt gedaan. Het geloof
daarin helpt erg om van mensen te houden,
en dat maakt het gek genoeg ook makkelijker
om dingen aan de orde te stellen die niet
goed zijn. Dat is anders dan vroeger: mensen
de (kerkelijke) maat nemen. Nu komt er een
gelijkwaardig mens binnen. En daarom kijk
ik vooral naar wat mensen bindt. En naar
wat mensen zelf nodig hebben of willen.
(interview 7)
Heeft de christelijke traditie iets unieks?
Stefan Paas formuleert in een publicatie van
de Wereldraad van Kerken over evangelisatie
een scherpe vraag: ‘Is er iets dat onze buren
alleen maar kunnen vinden in de christelijke
geloofs-gemeenschap en nergens anders?’8
We hebben in ons onderzoek deze vraag ook
voorgelegd aan de pioniers: ‘Heeft de christelijke
traditie iets unieks, iets wat je elders niet vindt?’
De antwoorden op deze vraag en op de twee
daaropvolgende vragen zijn integraal opgenomen
in bijlage 3.
Op één na gaven alle ondervraagden op deze
vraag een positief antwoord. Hun antwoorden
zijn daarbij overigens wel veelkleurig. De persoon
van Jezus (Christus) wordt het meest genoemd
als unieke gestalte in de christelijke traditie. Dit
patroon sluit daarmee aan bij de vorige vraag naar
‘het beste’. In 10 antwoorden kwam Hij meer of
minder expliciet voor. Dat Hij het meest wordt
genoemd zal geen verbazing oproepen. Hij is
immers ‘het handelsmerk’ van de christelijke
traditie. Het valt op dat klassieke aanduidingen van
Jezus als Heiland, Verlosser of degene die onze
schuld verzoent nauwelijks worden gebruikt. Wel
wordt een paar keer gerefereerd aan de genade
die ons door Jezus ten deel is gevallen. Ik geef
een paar voorbeelden van de zeer uiteenlopende
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
8. What is it that our neighbours can only find in the Christian community and nowhere else?”, Stefan Paas,
‘Challenges and Opportunities in Doing Evangelism’, in: Gerrit Noort et al, Sharing Good News. Handbook on
Evangelism in Europe, Geneva: WCC 2017, 41.
14
manieren waarop aan Jezus expliciet dan wel
impliciet wordt gerefereerd:
Jezus. Alle andere dingen tref je ook buiten de
kerk aan. (interview 11)
Als je Jezus níet volgt, hoe doe je het dan in
deze tijd? Zoveel mensen zijn angstig en bang.
En wij hebben de Here Jezus. En dat willen we
aan andere mensen meegeven en vertellen:
Hij voorziet, de zekerheid. We merken dat dat
overkomt, zeker in deze coronatijd. Juist nu
kun je mensen wel aanraken. (interview 19)
Het bizarre verhaal dat God heel dicht bij de
mensen komt, dat God het leven goed kent en
dat het daardoor niet iets afstandelijks is. Dat je
altijd opnieuw kunt beginnen. Dat deel ik wel in
samenkomsten en gesprekken en dat probeer ik
ook wel te leven. (interview 6)
Genade: je mag het krijgen en hoeft het niet
te verdienen. We hebben het allemaal niet
verdiend maar wel gekregen. Het is wel een
veel te kerkelijk woord, maar het vertaalt zich
in hoop (al vindt het bestuur van onze plek dat
ook teveel naar kerk ruiken): niet oordelen,
genieten van de kleine dingen. Het gaat erom
dat in de sfeer te laten merken, het woord
genade zal ik in de communicatie niet zo snel
gebruiken. (interview 4)
In het laatste citaat klinkt iets door van wat er in
ieder geval in 4 andere antwoorden ook te horen
was: er is een kloof tussen het christelijke jargon
en de mensen met wie de pioniers optrekken. Dit
geluid hoorden we bij de eerder geïnterviewde
voorgangers feitelijk niet, en dat zal te maken
hebben met hun eigen, vooral binnenkerkelijke
setting. Pioniers lijken meer dan ‘gewone’
voorgangers gedwongen te worden te zoeken
naar eigentijdse vertolkingen van het goede
nieuws van het evangelie. Het volgende citaat is
hiervan ook een illustratie:
Het eigene zit wat mij betreft toch in de
positie van Jezus Christus als redder van de
wereld, maar ook van jouw leven. Ik zou in
de pionierscontext wel iets andere woorden
gebruiken. Ik zou niet direct beginnen over
redden, maar wel over iemand die vrij kan
maken van dingen als stress en prestatiedruk,
of het eeuwige vergelijken tussen jou en mij.
Zoals Augustinus zei: dat het hart pas rust
vindt als het rust vindt in God. Die onrust met
al die vragen, die zit ook overigens ook in mij.
(interview 3)
Niet elke respondent heeft bij de vraag naar
het eigene, mogelijk unieke van de christelijke
traditie expliciet het accent gelegd bij Jezus. Een
respondent wees op de Bijbel als bron voor al onze
zingevingsvragen. Een andere pionier wees op ‘het
feit dat je in kwetsbaarheid ook kracht en verbinding
kunt vinden’. Een pionier die veel werkt met
vluchtelingen wees op het eeuwigheidsperspectief.
Weer een ander wees op de tomeloze inzet van
christenen in de wijk. Dat viel in zijn ogen echt op.
Slechts één pionier zag in de christelijke traditie niet
iets unieks:
Nee, we delen iets universeels. We hebben
andere tradities, maar ik heb het gevoel dat dat
een vorm is voor iets universeels dat ons roept.
En daarom is het moeilijk om buiten hoe je leeft
en handelt, woorden te geven aan het unieke
dat in mijn beleving niet gevangen kan worden
in één geloof. Wat mij betreft zijn er dan
tussen de woorden veel stiltes en wil ik graag
ruimte creëren voor de ervaring van de ander.
(interview 13)
Hoe exclusief of inclusief is Jezus?
Het unieke van het christelijk geloof cirkelt in de
beleving van de pioniers veelal rond Jezus. Dat
zagen we hiervoor al. Niet iedereen noemt Hem
bij name, maar vrijwel steeds is er focus op wie Hij
was/is en hoe Hij optrad, leed, stierf en opstond. We
hebben in een volgende vraag gevraagd naar wie Hij
is in de missionaire communicatie. ‘Hoe inclusief of
exclusief is Hij in jouw ogen?’
Het is goed op deze plaats melding te maken van
een zekere onhelderheid in de vraagstelling. De
14 15
vraag naar exclusiviteit en inclusiviteit kan zowel
slaan op Zijn omgang met de mensen die Hij
tegenkwam in zijn jaren als rondtrekkende rabbi als
op Zijn bemiddelende rol in de relatie van de mens
tot God. Als we het laatste concretiseren: is Hij de
enige en exclusieve weg naar de Vader?
De gegeven antwoorden lopen zeer uiteen. We
zien er de volle breedte van de Protestantse Kerk
in terug. Wel zien we – net als bij het onderzoek
onder de voorgangers – vooral een inclusief beeld
van Jezus opdoemen: Hij sluit mensen in, ook zij die
vaak worden uitgesloten in het menselijk verkeer.
Hij is royaal en doorbreekt gangbare grenzen. Een
plek verbindt aan die exclusiviteit ook personele
consequenties:
We hebben een coördinator aangetrokken
die helemaal níet kerkelijk gebonden is omdat
we het verhaal van hoop universeler vinden
dan dat. We dragen dat christelijke bewust
niet nadrukkelijk uit. ‘Gij zult niet oordelen’,
ik kan daar voor een ander niks over zeggen.
Wij kunnen niet bevatten hoe God meet, er
is misschien iets van een ‘grote truc’ aan het
eind. Ik geloof niet dat moslim zijn van minder
waarde is. En christenen omgekeerd zijn soms
erg oordelend, daar kan ik niks mee. Jezus is in
mijn ogen heel inclusief. En hoe inclusief Hij is,
dat kunnen wij haast niet bevatten. (interview 4)
Jezus is ‘alle mensen om mij heen’. Zo wil Jezus
het ook. Als gezegd wordt: Jezus geneest, dan
betekent dat: mensen om je heen genezen jou.
Matteüs 25. (interview 10)
Inclusief is Hij: uitsluiting is niet een weg om
te gaan, in God valt alles samen. Jezus is een
voorbeeld om naar te leven. Dé waarheid
hebben christenen niet in pacht. (interview 13)
Bij het tweede, de rol van Jezus in de verbinding van
God en mens, noemden we als voorzet regelmatig
de uitspraak van Jezus dat Hij de weg, de waarheid
en het leven is (Johannes 14,6). Het idee van ‘de
weg, de waarheid en het leven’ in de exclusieve zin
van het woord komt voor onder de onderzochte
pioniers, maar is niet dominant. Dat zal vermoedelijk
ook te maken hebben met de mensen met wie
ze omgaan en voor wie ze er willen zijn. Het gaat
dan immers niet om een abstracte theologische
overtuiging, maar om een (ook theologische)
zoektocht in een uiterst plurale cultuur met
ontmoetingen met mensen met zeer uiteenlopende
levensovertuigingen. Pioniers – ook zij die geloven
dat Jezus exclusiviteit toekomt – zoeken hier
behoedzaam hun weg. Meer dan de onderzochte
voorgangers spreken ze ook expliciet over deze
zoektocht:
In de communicatie presenteer ik Jezus in
de eerste plaats als een hele goede leraar of
wijsheidsgoeroe. Maar tegelijkertijd, als je goed
luistert naar de claim die Jezus doet, dan zit
daar wel een aspect in als: Ik ben de waarheid
en Ik ben het licht en Ik ben het leven, daar
kun je op een bepaald moment wat mij betreft
niet echt omheen. Ik vind het belangrijk dat
dat bij de mensen zelf ontstaat, dat Jezus die
claim legt. En daarmee is Jezus meer dan
bijvoorbeeld de Boeddha. Jezus kan dat wel
gebruiken om bij Hemzelf uit te komen. Dat er
bij Hem het meest diepe leven in zit, dat geloof
ik zeker. (interview 3)
Hij is de Zoon van God die mens geworden
is, die weet wat het menselijk lijden is. Hij is
die weg gegaan om daarmee af te rekenen.
Jezus is de enige weg naar de Vader. Maar ik
geloof dat Christus zich ook bij een moslim
kan openbaren als de weg naar de Vader,
naar Allah. Iemand kan moslim blijven om
niet verstoten te worden maar wel in Jezus
geloven als weg naar de Vader. Niet alleen in
de kerk komen mensen tot de Vader. God is zó
royaal. (interview 15)
Dat is best ingewikkeld. We brengen Hem
wel ter sprake, in de zin van: wat Hij heeft
gezegd, wat kun je daarmee? Het idee van een
hemel, daar voel ik niet veel verwantschap
meer mee. Jezus is vooral inclusief, al kan ik
het exclusieve niet helemaal los laten. Ik heb
er ook niet zo’n moeite mee om dat zo wat te
laten. (interview 1)
16
Jezus is een leermeester die dichtbij is, die
luistert. Ik loop nog erg te zoeken: hoe kan ik
het evangelie en Jezus ter sprake brengen?
(interview 11)
Het punt van inclusiviteit en exclusiviteit van Jezus
wordt ook langs andere wegen belicht:
Jezus is de Zoon van God. Ik probeer wel
tot Hem te bidden. God of Jezus is soms
inwisselbaar. Jezus is soms ontzettend inclusief:
de ongure types waarmee Hij optrok, de
verhoudingen die Hij op zijn kop zet. Maar Hij
is ook ontzettend exclusief ten aanzien van
de religieuze mensen om hem heen. Ik heb
zelf een meer inclusieve insteek hier in onze
pioniersplek. (interview 17)
Hij is exclusief in de zin dat Hij staat voor een
duidelijke traditie. En inclusief in de zin dat Hij
altijd aardigheid vond in mensen die buiten
die traditie waren of het gevoel hadden dat ze
daarbuiten stonden. (interview 2)
Soteria
We vroegen vervolgens naar de invulling van soteria,
het Griekse woord dat we doorgaans vertalen met
‘behoud’, ‘redding’, ‘verlossing’. Welke invulling
geven de pioniers aan dit begrip en ook aan haar
tegenhanger, ‘verloren gaan’? In het onderzoek
onder de voorgangers viel op dat ze bij beide
begrippen primair aan het hier en nu denken, en het
in meerderheid ook niet expliciet koppelen aan een
leven met God of een keuze voor Jezus Christus.
Ook de pioniers benadrukken het leven hier en nu.
Soteria is dan bijvoorbeeld:
• ‘Dat je alles al gekregen hebt, je mag fouten
maken, je bent goed genoeg.’
• ‘Dat je vreugde vindt, ongeacht de omstandigheden.’
• ‘Dat je het niet alleen hoeft te doen, er is een
kracht voelbaar in goede mensen en in jezelf
waardoor je het gevoel hebt alles aan te kunnen.’
en
• ‘Dat je je weet te verhouden tot je problemen, je
innerlijke kracht weet te bewaren, niet cynisch
wordt.’
Meer dan de onderzochte voorgangers refereren
de pioniers bij hun nadenken over soteria aan
een leven met God. Niet minder dan 14 van de
20 pioniers gebruiken (mede) geloofstaal om
het begrip te omschrijven. Daarmee blijven ze in
de buurt van het Nieuwtestamentische spreken
over soteria dat primair betrekking heeft op de
relatie tussen God en mens.9 De pioniers spreken
daarbij verhoudingsgewijs ook meer dan de
voorgangers over de eeuwigheid. Ik geef een paar
voorbeelden:
Redding is bevrijd zijn van wat je terneerdrukt.
Perspectief hebben/krijgen. Zonde is wat je
neerdrukt, wat de relatie met God in de weg
staat, en ook die met mensen. Ten diepste:
je verbonden weten met God. Die redding
kun je ervaren in je leven, maar het is ook een
eeuwige redding. (interview 18)
Redding is je gered weten door Jezus, dat is je
mens weten zoals God je bedoeld heeft, zoals
je het best tot je recht komt. Het verlossende
zit in de weg die Jezus gegaan is, van lijden
en van sterven en opstaan. In Jezus zie je de
beweging expliciet die we allemaal moeten/
mogen gaan, en Hij is deze ook nog eens
voor jou gegaan. Het is ook je daaraan durven
overgeven, aan toevertrouwen. Als we Jezus
echt zouden leren kennen, dan zouden we
ons ook aan Hem toevertrouwen, ontdekken
dat we dan tot bloei kunnen komen. De
Jezusruimte is heel ruim, veel ruimer dan ik
me kan indenken. Maar de verbondenheid met
Jezus is wel nodig. (interview 20)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
9. Geoffrey W. Bromley, Theological Dictionary of the New Testament. Abridged in One Volume, Grand Rapids 1985,
p. 1 1 3 7.
16 17
Het betekent van allerlei. Ik ben gered van een
last van schuld. Ik ervaar dat nu niet (meer) zo,
maar ik gelóóf het wel. Zelf zit ik nu meer op: ik
denk dat je er beter van wordt als je je verschuilt
achter het bloed van Jezus, dat leer ik ook
van mensen uit Afrika. Dat bloed is niet alleen
verzoenend, er zit ook ‘power’ in. Dat merk je
soms ook. Verloren zijn: een ziel die zweeft
zonder dat ie is ingenomen door Jezus, een
lege huls. Zoals Augustinus zegt: onrustig zijn.
Het is doodsheid tegenover levendigheid, ik zie
dat ook in de ogen van mensen. (interview 16)
Ik las pas bij Samuel Wells: redding heeft
te maken met de ballast van het verleden
los kunnen laten, én het perspectief van de
hoop, van eeuwig leven; en in die terugblik en
vooruitblik de aanwezigheid van God kunnen
ervaren. Het verloren zijn/gaan daarin is voor mij
de kern: zo druk zijn als mens met van alles en
nog wat dat je God uit het oog bent verloren.
Dat gaat dus vooral over het hier en nu. Ik wijs
mensen graag op de liefde en de hemel, en niet
op de hel o.i.d., maar het blijft wel een aanwezig
ding in mijn denken. Maar ik merk dat ik een
soort ‘verzachting’ zoek of zo. (interview 9)
In ieder geval 4 pioniers concentreren zich primair
op het leven hier en nu of buigen de eeuwigheid om
naar ons huidige leven:
Dat is een moeilijke vraag. Redding heeft te
maken met heel worden, genezing. Ook in de
relatie tot je Schepper. Verloren gaan, dat is er
wel maar ik denk niet aan iets als een hel. Dat is
iets wat ik losgelaten heb, ik focus er niet meer
op. In dit leven zie je mensen verloren gaan,
psychisch en holistisch. (interview 1)
Ik kan er geen expliciete formule van geven, er
in algemene termen over praten. Er zitten heel
veel verwonde mensen, ze ervaren hier iets van
‘ruimte waarin ze opleven’, dat is dan soteria.
Mensen zíjn verloren, erváren zich als verloren,
verwond – dat zijn dingen waar de mensen mee
komen. De eeuwigheid speelt geen rol voor de
mensen die hier komen. Het is geen dringende
vraag, voor mezelf ook niet meer. Het gaat meer
over: welke aarde laten we na? Meer dan over:
komen we in de hemel of de hel? (interview 12)
Voor mij gaat het leven met Jezus primair over
een bevrijdend leven in het hier en nu. Niet
uit angst voor de hel. Gods armen zijn breed/
groot. Verloren gaan: dat gaat voornamelijk
over dit leven: een moeilijk leven, of juist een
arrogant bestaan. (interview 17)
‘Verloren gaan’
Een woord als ‘redding’ heeft onheil als context:
we moeten ergens van gered worden. En als dat
niet lukt, dan kan iets (of iemand) verloren gaan.
Het Nieuwe Testament kent oordeel en gericht
dat voor de mens verkeerd kan uitpakken. Het kan
hem scheiden van het leven met God en zo kan
zijn leven ‘verloren gaan’. In de citaten hierboven
komen we al referenties hieraan tegen. De pioniers
concentreren zich op het hier en nu, maar meer
dan bij de geïnterviewde voorgangers komt ook
de eeuwigheid in beeld. We zien daarbij de wegen
overigens wel uiteengaan. 3 pioniers geloven dat bij
God uiteindelijk niemand verloren zal gaan:
Redding: wij hoeven niet bang te zijn. Als we
heengaan, gaan we naar Hem, eeuwig leven.
God is liefdevol, Hij laat niemand verloren gaan.
Hij zorgt voor iedereen. (interview 19)
Verloren gaan is er ook. Niet in de zin van ‘naar
de hel gaan’, maar kijk maar eens rond in deze
wereld. Zoveel mensen die klappen krijgen, de
hoop verliezen. Dat is verloren gaan. Maar je
mag weten: voor God ben je nooit verloren.
(interview 8)
10 pioniers sluiten ‘verlorenheid’ voorbij onze fysieke
dood niet uit, soms heel aarzelend of vragenderwijs,
soms op een meer stellige wijze. We zagen daarvan
18
hierboven al illustraties. We komen hier 2 keer het
denken van C.S. Lewis tegen die meent dat we ook
bewust voor het duister kunnen kiezen:
Verloren gaan heeft daarnaast te maken met
God niet kennen. Ik zie het in lijn van C.S. Lewis:
aan het eind van de Narniaverhalen staat Aslan
in de deur waar je naar het licht kunt gaan óf
naar de schaduw. Verloren gaan is kiezen voor
het kwaad. (interview 11)
Verloren gaan: je verloren weten, de wereld is niet
mooi. Er is iets wat jou kapotmaakt. Van de hel is
geen voorstelling te maken, en dat helpt ook niet
zoveel. Soms zeggen mensen: je moet de twee
wegen verkondigen. Maar ik verkondig maar één
Weg, die andere is er wel, maar die hoef ik niet te
verkondigen, zo help je mensen niet op de goede
weg. Het is niet aan ons, en ook niet aan de kerk
om te oordelen. Dat leeft hier wel sterk, daar zijn
mensen door beschadigd.
Ik geloof in de werkelijkheid van verloren gaan,
omdat er ook recht zal moeten worden gedaan
aan onrecht dat hier en nu gebeurt en geen
verzoening heeft gezocht. Er is verlorenheid,
en daar moet recht overheen komen.
(interview 20)
Ik geloof in een hiernamaals met twee opties en
niet met drie. Een licht en een donker. Hoe het
precies zit weet ik niet, maar zonder God kun
je wel eindigen. Ik hoop dat alsnog iedereen er
komt, maar ik betwijfel het. Ik lig daar niet van
wakker. Ik heb niet (nog) genoeg moed om het
tegenover anderen te noemen. (interview 16)
De ambivalentie in dit laatste citaat komt meer voor.
Het geloof dat het met mensen uiteindelijk verkeerd
kan aflopen is een motivatie voor het pionieren,
maar geeft ook spanning in de praktijk ervan. Het
gaat immers telkens over mensen die je als pionier
concreet ontmoet en die deel uitmaken – of willen
uitmaken – van je gemeenschap.
De plek van de Bijbel in de pioniersplek
Daar waar in de kerkelijke gemeente de plek van de
Bijbel – zeker op zondag – helder en duidelijk is,
ligt dat in pioniersplekken anders. Dat geldt zeker
als ze geen vieringen hebben. Daarom hebben
we in dit onderzoek ook expliciet gevraagd naar
de plek van de Bijbel binnen de pioniersplek, met
daarbij de nevenvraag of het ook denkbaar is dat de
gemeenschap heilige boeken uit andere religieuze
tradities zou gebruiken.10
In alle plekken gaat de Bijbel open, maar de
regelmaat en de frequentie verschillen behoorlijk.
Dat hangt voor een belangrijk deel samen met het
al dan niet hebben van vieringen. In vieringen is er
een vanzelfsprekende plek voor de Bijbel, maar waar
deze ontbreken of waar pioniersplekken naast de
vieringen ook andere vormen van gemeenschap en
uitwisseling hebben, zal bewust moeten worden
gezocht naar een plek voor de Bijbel. We zien een
behoorlijk nadruk op de plaats van de Bijbel in het
geheel van de pioniersplek. In slechts een enkele
plek is het gebruik meer optioneel:
De Bijbel is iets wat af en toe op tafel komt
in openingen, inspiratiebron voor de koren.
(interview 2)
Volledig facultatief. We hebben nu een
ochtendgebed met een Psalm. (interview 4)
Buiten de vieringen om krijgt de Bijbel een plek bij
de openingen van bijeenkomsten, bij bijvoorbeeld
bijbelstudies, bij de start van een maaltijd (‘Een
moment van inspiratie. Zonder druk en dwang.
Meer in de sfeer van: dit heeft mij geholpen,
bemoedigd, geïnspireerd…’), bij de kliederkerk en bij
de sportcommunity. Ook op andere wijzen speelt
de Bijbel een rol:
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
10. De vraag diende ook als ondersteuning voor een breder onderzoek dat vanuit de CHE in 15 pioniersplekken van
de Protestantse Kerk is gehouden naar bijbelgebruik en bijbelbeleving. Het onderzoek is nog niet afgerond. De
hoofdonderzoeker is drs. Hanneke de Pater-Bakker,
jadpater@che.nl
.
18 19
De Bijbel lenen we veel uit, we lezen met
mensen de Bijbel, dat is bijbellezen, maar het is
ook een taalactiviteit. We hebben tweewekelijkse
meer diaconale vieringen en een keer in de
maand een kinderkerk. En er is een kinderclub
met standaard een bijbelverhaal. (interview 11)
De beleving van de Bijbel door deelnemers/
bezoekers blijft buiten beeld, slechts 1 respondent
spreekt hierover:
We willen graag meer brengen van de Bijbel,
maar we hadden vorige week de Paaschallenge,
toen was er maar 1 aanmelding en op andere
middagen hebben we 30 tot 40 aanmeldingen.
Dat ligt ook aan de ouders, die geven hun kind
dan niet op.
Daarom probeer ik in de gewone activiteiten
iets in te brengen: bij een wandeling iets vragen
over hoe de bomen zo gekomen zijn, zo ga je er
toch iets dieper op in. Zo bereiken we toch veel
kinderen. (interview 19)
De meeste plekken geven duidelijk aan dat ze
geen ruimte bieden aan heilige boeken uit andere
religieuze tradities. Soms gebeurt dat zeer stellig
(‘Andere boeken gebruiken we echt niet!’, ‘Er is maar
één waarheid!’), maar vaak blijft die mogelijkheid
gewoon buiten het blikveld. Sommige pioniers staan
er – meer of minder voorzichtig – wel voor open:
Andere bronnen gebruiken we helemaal niet.
Ik zou dat zelf wel meer op willen zoeken maar
dat zouden de mensen niet trekken.
(interview 16)
Andere boeken, dat kan, maar met minder
autoriteit. Ik zal het niet stimuleren. We zijn wel
echt confessioneel. (interview 17)
We doen het vanuit christelijke motivatie. Maar
er is openheid voor mensen om hun eigen
bronnen in te brengen. (interview 18)
We werken sinds kort samen met een
moslimorganisatie - en als de Koran dan een
rol speelt dan is dat prima. Als het gaat om
onze missie dan zou ik het wel graag bij het
christendom willen houden. (interview 7)
Veel meer dan kerkelijke gemeenten hebben
pioniersplekken te maken met een gemêleerd
publiek. Dat dwingt ze om na te denken over de
plaats van de Bijbel in de eigen gemeenschap en de
eventuele ruimte voor andere religieuze geschriften.
Geen van de plekken lijkt daarbij overigens te kiezen
voor een interreligieus karakter.
Contacten met de ‘gewone’ gemeente
De Protestantse Kerk publiceerde in 2019 de nota
Mozaïek van kerkplekken.11 De titel van de nota is
een expressie van het beleid van de Protestantse
Kerk. Ze maakt ruimte voor uiteenlopende vormen
van geloofsgemeenschap. Daarbij acht ze goede
relaties tussen de verschillende gestalten van de
ene kerk van groot belang. Eerder onderzoek liet
zien dat goede en intensieve relaties allerminst
vanzelfsprekend zijn.12 Dat beeld gaf aanleiding
ook in dit onderzoek te vragen naar de relatie van
de pioniersplek met de moedergemeente of met
andere gemeenten waarmee ze in ieder geval
formeel verbonden is. Concreet leidde dat tot de
volgende vragen:
• Hebben jullie contacten met een of meer
kerkelijke gemeenten in het kader van ‘Mozaïek
van kerkplekken’?
- Zo ja, zie je een rol voor jezelf om deze
gemeente(n) te stimuleren tot missionair zijn en
handelen? Zo ja, welke rol is dat en hoe vul je
deze in?
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
11. René de Reuver, Martijn Vellekoop,
Mozaïek van kerkplekken
. Over verbinding tussen bestaande en nieuwe
vormen van kerk-zijn, Dienstenorganisatie Protestantse Kerk, Utrecht 2019 (geraadpleegd 17-09-2021).
12. Nadine van Hierden e.a.,
Over speelruimte en spanning
. Praktijkonderzoek naar de relatie tussen bestaande en
nieuwe kerkplekken, Dienstenorganisatie Protestantse Kerk, Utrecht 2018 (geraadpleegd 17-09-2021).
20
- Zo ja, zie je een ontwikkeling in het missionaire
bewustzijn van deze gemeente(n) en haar/hun
missionaire praktijk? Zo ja, waar zie je dat?
Op 1 na alle pioniersplekken hebben met 1 of meer
gemeenten contact. In 1 geval is er slechts contact
op persoonlijke titel. In overgrote meerderheid is
er dus meer of minder formeel een relatie, vooral
met de moedergemeente(n). De intensiteit en
vruchtbaarheid variëren echter nogal. Veel lijkt af
te hangen van de mate waarin de pionier ook een
formele plek heeft in een andere vorm van lokaal
kerk-zijn. Predikanten en kerkelijk werkers die
formeel aan meerdere kerkplekken zijn verbonden,
zijn hier in het voordeel.13 Zij hebben immers
natuurlijke verbindingen. Deze kunnen echter ook
vrijwel geheel ontbreken, zoals blijkt uit het relaas
van een pionier-jongerenwerker:
Het contact met de plaatselijke PKN-gemeente
loopt niet zo heel erg fijn. Daar zit ook niemand
meer van in het bestuur nu, we hopen dat dat
hersteld wordt. In de beide PKN-gemeenten
waarmee we contact hebben, zitten geen
kinderen, en daar iets over vertellen in de kerk
of iets doen, dat is ingewikkeld. Ik heb nog wel
contact gehad met de plaatselijke dominee
over kliederkerk, maar door corona viel dat stil.
Er is verder niet veel contact of samenwerking,
vooral doordat daar geen kinderen zijn. En ook
bestuurlijk loopt het vrij stroef. (interview 19)
Van belang is ook de mate waarin de spiritualiteit
en breder, de cultuur van de pioniersplek en die
van de (moeder)gemeente sporen. Dat is zeker niet
overal het geval. Bijvoorbeeld bij deze interculturele
plek die ontstaan is vanuit een Gereformeerde
Bondsgemeente. De pionier spreekt over deze
gemeente als zustergemeente:
Ze zijn in die zustergemeente wel erg naar
binnen gericht. Wij zijn meer fluïde, kunnen
snel schakelen en doen dat ook. We beslissen
deze week dat we komende zondag het Heilig
Avondmaal gaan vieren bijvoorbeeld.
(interview 16)
Contacten worden vergemakkelijkt als er een
gedeelde agenda is, zoals bijvoorbeeld bij deze plek:
Ja, wij hebben contacten met zowel rooms-
katholieke parochies als diverse protestantse
gemeenten, heel concreet nu bij het ontwikkelen
van ‘Wegen met zegen’, een pelgrimsroute door
onze streek. Daarin werken we nauw samen
met parochies, gemeenten, een klooster, etc.
(interview 8)
De vraag of de pioniers voor zichzelf een rol
zien in de missionaire bewustwording van
de moedergemeente of andere omringende
kerkelijke gemeenten is over het algemeen slechts
summier beantwoord. Werken aan een dergelijke
bewustwording gebeurt wel degelijk, maar lijkt
geen speerpunt te zijn. Ook hier is een dubbele
aanstelling een pre. Het maakt het mogelijk
om ervaringen van de ene plek in te brengen in
een andere. 1 pionier spreekt over stukjes in het
kerkblad, 3 andere over het vertellen van verhalen
(‘juweeltjes’) uit de praktijk van de pioniersplek.
Het effect van het delen van de praktijk en
de ervaringen van de pioniersplek met de
moedergemeente(n) en andere omringende kerken
lijkt, afgaande op de – opnieuw summiere –
antwoorden, vrij beperkt te zijn. In ieder geval zijn
de respondenten vrij terughoudend als het gaat om
het noemen van concrete invloeden die uitgaan van
de pioniersplek. Een enkeling wordt daarentegen
wel concreet:
Een wat vergrijzende wijkgemeente die
kromp is begonnen met het aanbieden van
huiswerkbegeleiding, heeft contact gezocht
met welzijnswerk en is ook haar gebouw
breder gaan gebruiken in samenwerking met
maatschappelijk organisaties. (interview 15)
Ja, ik zie dat gemeenten bij ons in de buurt
bij het beroepen van een nieuwe predikant de
pionierservaring ook als punt van aandacht
hebben. (interview 2)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
13. Vergelijk het hierboven in noot 11 genoemde rapport, p. 29.
20 21
2 pioniers maken gewag van gevoelens van
concurrentie en van argusogen: raken we onze
dominee niet te veel kwijt aan de pioniersplek en
wil de pioniersplek uiteindelijk toch vooral zieltjes
winnen? De pioniers die dit noemen, melden ook
dat gaandeweg de gereserveerde houding in de
betrokken kerkelijke gemeente is bijgetrokken.
Frequente contacten en het leren kennen van elkaar
blijkt veel koudwatervrees weg te kunnen nemen.
Contacten met mensen buiten de kerk
Bij deze vraag ging het ons vooral om contacten
binnen het kader van de civil society, dat wil zeggen
om contacten die duiden op de integratie van de
pioniersplek in de bredere samenleving. In het
onderzoek onder de 40 voorgangers bleek dat
dergelijke contacten vaak niet echt substantieel zijn.
Voor de pioniers ligt dat anders. Ze melden een
veelheid aan contacten en netwerken, maar heel
concrete informatie ontbreekt bij de meesten op dit
punt.14 Slechts een enkeling komt tot een opsomming:
Ja natuurlijk. Mensen in het dorp. Ik ben
vrijwilliger in het museum. En zo nog wel meer
mensen, bijvoorbeeld via Scholengemeenschap
P, Filosofisch centrum Z, Natuurorganisatie D,
lokale bakkers in R en Dorpsgemeenschap N.
(interview 10)
Een van de geïnterviewden morrelt bij deze vraag op
prikkelende wijze aan het gangbare kerkbegrip:
Evenveel contact met mensen van binnen de kerk
als van buiten de kerk. Maar dat ligt eraan wat je
als ‘kerk’ interpreteert. Als mijn auto uitlenen aan
buren ook kerk is (want wel Koninkrijk), dan is
heel veel binnen de kerk. (interview 16)
Niet-kerkelijk betrokken vrienden, familie en
kennissen
Ging het hierboven vooral om professionele
contacten, er is uiteraard ook een privéleven. We
vroegen naar het aandeel niet-kerkelijk betrokken
en/of niet-gelovige vrienden en kennissen. De
antwoorden laten een heel divers beeld zien, maar
de pioniers lijken in meerderheid hun vrienden toch
vooral te hebben onder geestverwanten, dat wil
zeggen onder gelovigen of ex-gelovigen. Daarin
lijken ze zich niet principieel te onderscheiden van
de onderzochte voorgangers.
De beleving van de dienstenorganisatie en
haar materiaal
De afsluiting van het interview werd gevormd door
twee vragen over de beleving van de diensten-
organisatie van de Protestantse Kerk. In ‘Utrecht’ is
missionair kerk-zijn en daarbinnen pionieren echt
een speerpunt, en we wilden weten hoe de pioniers
dat ervaren. We vroegen daarbij naar de algemene
beleving van ‘Utrecht’ en de bruikbaarheid van het
materiaal dat de dienstenorganisatie ontwikkelt.
Anders dan de voorgangers zijn de pioniers zeer
content met ‘Utrecht’. Slechts 1 pionier onthoudt
zich van lovende woorden (‘kan ik niet veel over
zeggen’), alle anderen zijn uitgesproken positief.
De moed van de Protestantse Kerk om op
missionair gebied echt lef te tonen en concrete
stappen te zetten, wordt geroemd. Met name de
pioniersweekenden worden daarbij genoemd (5
keer). Ze zijn inspirerend en worden ervaren als een
warm bad. De grondtoon is dus uiterst positief, maar
er worden ook kritische kanttekeningen geplaatst.
Een pionier vindt de theologische breedte van de
Protestantse Kerk ingewikkeld en een andere pionier
is bang dat de kerk vergeet dat ze kerk is en de
beweging van het pionieren te veel in een zakelijke
mal duwt.
Bij de vraag naar de waardering van het aanbod
van de dienstenorganisatie (schriftelijk materiaal,
vormings- en toerustingsactiviteiten) viel – parallel
aan het onderzoek onder de voorgangers – op
dat de ontmoetingen het meest frequent worden
genoemd en ook het sterkst gewaardeerd
worden. Treffend is wat een pionier op deze vraag
antwoordde:
Het zijn meer de mensen geweest dan het
materiaal. (interview 2)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
14. We hebben hier onvoldoende doorgevraagd.
22
Het materiaal rond het pionieren wordt een aantal
keren op positieve wijze genoemd, maar veel
minder frequent dan de trainingsweekenden en
andere ontmoetingsplekken. 4 pioniers laten zich
negatiever uit over het (gebruik van) materiaal. 2
van hen wijzen op het gebrek aan een leescultuur,
2 geven aan dat het materiaal inhoudelijk gezien
niet aansluit. De ene pionier geeft de voorkeur
aan eigen, eenvoudiger materiaal, de andere
heeft inhoudelijke aarzelingen bij het aangeboden
materiaal:
In alle eerlijkheid: niet. Wat geschreven werd
is toch te veel Jip en Janneke, punten die
je af moet maken. Het wordt (te) simpel
gemaakt, het raakte niet waar wij mee bezig
waren. Inhoudelijk zijn er weleens teksten,
maar de teamleden hebben hun eigen
kanalen, de charismatische hoek, daar wordt
veel weggehaald. De Anglicaanse stroom,
die heeft meer te bieden, theologisch op
niveau, waardoor je dingen ziet. Het boek van
Borgman, Alle dingen nieuw, daar leef ik van
op, dat sluit aan op de Anglicaanse benadering.
In de kerk – in z’n algemeenheid – mis ik dat.
(interview 12)
Opmerkelijk is dat bladen als woord&weg en
Petrus in het geheel niet worden genoemd. In
het onderzoek onder de voorgangers werden ze
frequent aangehaald, maar hier blijven ze volledig
buiten beeld. Mogelijk heeft dat te maken met
de concentratie op het pionieren. Het bredere
missionaire aanbod van de dienstenorganisatie kan
dan buiten beeld blijven.
Nabranders
Aan het eind van het interview vroegen we of er
eventuele punten waren die nog niet aan de orde
waren geweest en die de respondent wel van
belang achtte. Dat leverde 11 opmerkingen, vragen,
suggesties en adviezen op. Ik neem ze hier alle 11 op:
Misschien iets over dat je toegroeit naar
een geloofsgemeenschap. Bij ons is dat
wat moeizaam, de opbouw/groei gaat niet
verder. Bij de plaatselijke kerk merk ik dan
ook wel wat teleurstelling. Soms zijn mensen
wel aan het pionieren maar is het niet een
officiële pioniersplek, die krijgen dan niet die
ondersteuning, misschien is dat een punt van
aandacht. (interview 1)
We zijn wel een wat bijzondere pioniersplek:
een soort vooruitgeschoven post van een
bestaande kerk. Dat merken we vooral nu bij
een nieuwe pionier, dat we in het verleden
dingen vanzelfsprekend vonden/deden waar
ook vragen bij te stellen zijn, een vertaalslag te
maken is. We vinden dingen nu opnieuw uit,
en dat is best wel een ding, om de kwetsbare
balans tussen openheid en eigen identiteit goed
te houden. (interview 2)
Onze vrijwilligers zijn heel sterk bezig met
wat we hebben in stand te houden, de
online samenkomsten vooral, daar gaat alle
energie heen. En ik vraag me soms af of dat
het missionaire is waar we mee bezig willen
zijn, want wat we doen is laagdrempelig
en aantrekkelijk zijn zodat mensen op ons
afkomen (en dat zijn vaak kerkgangers), en
niet dat wij naar mensen toegaan. Soms/vaak
ben ik dan een roepende in de woestijn. Dus
het zou interessant zijn hoe het team om een
pioniersplek heen het missionaire ziet. En of dat
overeenkomt met hoe de voorganger/pionier
daar tegenaan kijkt. Ik vind dat het gegeven
dat wij een missionaire plek zijn niet heel erg
leeft. Het is een soort vernieuwde kerk, wat ook
prima kan zijn natuurlijk. (interview 6)
Pionieren is de corebusiness van de kerk
en geen bijzaak voor of trekker naar de
protestantse kerk/gemeente. (interview 8)
Het (de organisatie rond het pionieren, SS)
wordt ‘groter’ en bureaucratischer, dat is
nodig, maar hopelijk wordt dat niet te erg.
(interview 9)
22 23
De kring om ons heen groeit niet, en daar
maken we ons wel zorgen om, het moet geen
clubje worden. Wij zouden gebaat zijn met
nieuwe goede ideeën om mensen aan je te
binden, om samen dingen te delen.
We willen graag niet-kerkelijken binden maar
tegelijkertijd de traditie niet geweld aan doen.
Dat betekent dat we in de vespers weerbarstige
psalmen zingen en teksten lezen die slecht
begrepen kunnen worden, vooral door mensen
die ze helemaal niet herkennen. Toch willen
we die psalmen en teksten niet ‘verliezen’
maar graag de mensen uitnodigen om met
ons daarover te praten. Dat kan ook wel als we
samen met hen eten, want dan ontstaat een
gemoedelijke en vertrouwenwekkende sfeer.
Datzelfde geldt voor retraitedagen: dan voelen
de mensen zich heel erg thuis bij ons, ondanks
de weerbarstigheid van teksten. Blijkbaar is
het in de week zetten van de traditie door haar
later te bespreken heilzaam – als je maar in
contact komt en als je maar in contact blijft.
(interview 10)
We zitten hier in een multiculturele setting en in
een wijk met grote armoede. De kerk staat daar
toch te veel op afstand van. Het is voor de kerk
heel waardevol om zich daarmee te verbinden
en de controle en het witte hoogopgeleide
perspectief wat los te laten.
(interview 11)
Het gaat niet meer om het snelle scoren hier,
maar om geduld en trouw blijven, volhardend
doorgaan omdat je daartoe geroepen bent en
jezelf dat steeds blijven afvragen; hoe ben ik
een teken van het evangelie?
(interview 12)
Ik ben dankbaar voor de inzet van de Protestantse
Kerk voor het missionaire. Misschien dat ze
zich nog wat meer kan concentreren op het
verkondigen van Christus.
(interview 14)
De gevolgen van je helemaal inzetten voor
een pioniersplek kan zijn dat je losraakt van de
zendende gemeente, dat hebben we ons te
weinig gerealiseerd (bijvoorbeeld toen we een
doopbassin in de kerk plaatsten voor een doop
door onderdompeling). (interview 15)
Waar ik zelf benieuwd naar ben is wat voor
ruimte er ontstaat rond de structuren voor de
pioniersplekken met betrekking tot doop en
avondmaal. En hoe pioniersplekken rekening
houden met interkerkelijkheid, qua spiritualiteit
en de visie op het ambt. (interview 18)
24
Reflectie
Nu de uitkomsten van het onderzoek gepresenteerd
zijn, is het goed enkele zaken eruit te lichten en
deze nog eens onder het vergrootglas te leggen.
Ik begin daarbij niet theologisch-inhoudelijk,
maar met het signaal dat het onderzoek afgeeft
over de communicatie van de dienstenorganisatie
met ‘het land’. Aansluitend komt dan de relatie
van pioniersplekken met de ‘gewone’ gemeenten
aan de orde. Het creëren van veiligheid binnen
pioniersplekken is een derde aandachtspunt. In de
vierde plaats sta ik stil bij het profiel van de plekken:
wat willen ze eigenlijk? Daarna komen drie meer
theologisch-inhoudelijke thema’s aan de orde. Ik
eindig met de vaak orthodox gekleurde socialisatie
van veel pioniers. In hoeverre is deze ‘nodig’ om
überhaupt missionair actief te worden?
‘Geen berichten maar gezichten’
Een van de doelen van het onderzoek was om
een beeld te krijgen van hoe de dienstverlening
uit ‘Utrecht’ wordt beleefd en gewaardeerd.
De dienstenorganisatie is er niet omwille van
zichzelf, maar omwille van de lokale gemeente.
Het onderzoek onder de 40 voorgangers maakte
duidelijk dat de waardering gemiddeld genomen
bepaald niet groot is. Men voelt afstand tot ‘Utrecht’.15
Pioniers blijken een stuk positiever te oordelen. Het
verschil tussen beide onderzoeken is op dit vlak
echt opmerkelijk. De hoge waardering voor ‘Utrecht’
onder de pioniers houdt uiteraard verband met
de ruimte die de landelijke kerk geschapen heeft
voor het pionieren. Er is intensieve begeleiding en
veelvuldig contact. Pioniers noemen daarbij in het
bijzonder de pioniersweekenden waar ruimte is voor
ontmoeting, inhoudelijke uitwisseling en toerusting.
De resultaten van beide onderzoeken leveren een
belangrijk signaal op: het lijkt vruchtbaar te zijn
de dienstverlening minder via materiaal te laten
lopen en meer via het initiëren en faciliteren van
inhoudelijke ontmoetingen.
De relatie met de ‘gewone’ gemeente
Het beeld dat uit de interviews naar voren komt – en
dat ook breder is te herkennen – is dat er doorgaans
geen intensieve relatie is tussen een pioniersplek en
de gemeente of gemeenten van waaruit ze ontstaan
is. Zaken als cultuurverschillen, uiteenlopende
doelgroepen, concurrentiegevoelens en de energie
die voor de eigen gemeenschap nodig is beperken
de samenwerking en de uitwisseling. Het is goed
dat daarvoor aandacht is binnen de Protestantse
Kerk en dat daarbij gezocht wordt naar goede
verbindingen.16 We zagen al dan linking pins hier
belangrijk zijn: personen die formeel verbonden zijn
aan beide plekken. Er is alle reden te zoeken naar
creatieve en behapbare vormen van verbinding,
zeker als de pioniersplekken ook worden gezien
als laboratoria voor toekomstig kerk-zijn.17 Het
is daarom goed dat de landelijke kerk daar ook
echt oog voor heeft. Tegelijk is het goed om op
dit punt de mogelijkheden niet te overschatten.
Nuchterheid is geboden. We zien bijvoorbeeld dat
ook relaties tussen (wijk)gemeenten doorgaans
zwak zijn. Kennelijk hebben gelovigen vaak genoeg
aan de eigen gemeenschap en is er geen of slechts
weinig behoefte aan en energie voor een bredere
oriëntatie. De vraag is hoe ernstig we dat vinden.
Het accent op veiligheid en acceptatie
Wat opvalt in het onderzoek is de behoedzaamheid
waarmee de pioniers opereren. Om het met Dirk
de Wachter te zeggen, ze willen de deelnemers/
bezoekers een ‘rumoerloze plaats’ bieden, een plek
waar ze veilig en vertrouwd zijn. We hebben in het
onderzoek niet doorgevraagd naar het waarom
daarvan, maar we kunnen wel een aantal factoren
daarvoor vermoeden.
Het eerste is de correctie op vroegere evangelisatie-
praktijken die in zekere zin een fuik-karakter
hadden: nietsvermoedend ‘zwom’ de bezoeker naar
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
15. Daarmee spoort dit onderzoek met het eerdere IPSOS-onderzoek dat de dienstenorganisatie liet uitvoeren.
In het rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd: ‘De grootste barrière om de dienstenorganisatie
met strategische vragen te benaderen is het afstandelijke en zendende imago.’ (IPSOS-rapport
‘Toekomstbestendigheid’, 2020, p. 9)
16. Zie het rapport
Mozaïek van kerkplekken
, uitgave dienstenorganisatie Protestantse Kerk, april 2019.
17. Zo bijvoorbeeld Stefan Paas, Church Planting in the Secular West, Grand Rapids 2016, met name par. 4.4, Three
Biotopes of Renewal.
24 25
Reflectie
binnen om na verloop van tijd te ontdekken dat hij
eigenlijk niet meer terug kon. Pioniers willen in alle
openheid het evangelie communiceren, maar ze zijn
erg beducht voor een verborgen agenda.
In de tweede plaats lijkt hier ook een theologische
verschuiving een rol te spelen. Het evangelie van
Jezus Christus wordt in onze tijd lang niet altijd
meer als de enige begaanbare weg ‘ten leven’
gezien en gecommuniceerd. De veelheid aan
levensbeschouwingen in onze tijd, de noodzaak
om coalities te smeden met ‘alle mensen van goede
wil’ en de herkenning die er dan over en weer kan
zijn, doen iets met het eigen geloof.18 Daarnaast is
er de beladenheid van de eigen christelijke traditie.
Bescheidenheid en terughoudendheid groeien
doorgaans in zo’n setting.
Een derde factor kan zijn de onveiligheid van
de samenleving voor veel mensen, ook in de
vorm van doemscenario’s voor de toekomst van
de wereld. De behoefte aan ‘safe spaces’ lijkt te
groeien. Andere onderzoeken naar de praktijk van
pioniersplekken laten zien dat pioniersplekken meer
dan eens een diaconaal-pastoraal karakter krijgen
met veel ruimte voor kwetsbare en soms ook zwaar
gekwetste mensen.19
Ruimte voor discipelschapsontwikkeling?
Een van de geïnterviewde pioniers reageerde op
de conceptversie van het verslag van het eigenlijke
onderzoek met onder meer de volgende vraag: ‘Ik
zou graag willen vragen of een ekklesia toekomst
heeft met een geringe/zonder een ek-klesis.
Een wat orthodoxe vraag, besef ik, maar ook
godsdienstsociologisch lijkt het me toch lastig deze
terzijde te leggen.’ Bij ek-klesis gaat het hem om de
roeping tot discipelschap. In hoeverre kan of moet
een pioniersplek daar serieus werk van maken? Met
zijn vraag brengt hij ons in gevoelig vaarwater. Want
juist op dit punt kunnen pioniersplekken behoorlijk
uiteengaan. Dit onderzoek laat dat ook zien.
Voor een goed perspectief op deze kwestie kijk ik
even over de grens. De Nederlandse pionierswereld
is schatplichtig aan de Britse Fresh Expressions
beweging. Michael Moynagh is hierbinnen de
‘huistheoloog’. Hij schreef twee belangrijke
handboeken rond pionieren die ook in Nederland
veel gelezen zijn.20 In het eerste, Church for Every
Context, neemt the serving-first journey een
belangrijke plek in. Dit model laat stadia zien in de
ontwikkeling van een pioniersplek.
Het model is in Nederland overgenomen, maar
dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Men
wilde de namen van de verschillende ‘fasen’ niet
letterlijk vertalen maar ze op maat snijden voor de
Nederlandse context. Dat leidde tot het volgende
beeld:
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
18. Hier liggen ook in theologische zin nieuwe uitdagingen. Coalitievorming met personen en bewegingen die ‘van
goede wil’ zijn lijkt geen dominant patroon te zijn in het Oude en Nieuwe Testament. We zien hier juist vaak eerder
de antithese. Israël moet zich verre houden van de omringende volken en we lezen in het Nieuwe Testament niet
dat de nieuwe gemeenten partnerschappen zoeken met ‘mensen van vrede’ in de omringende heidense wereld.
Nader onderzoek zou meer licht kunnen werpen op de verhouding tussen distantie en verbondenheid in de Bijbel.
19. Zie het onderzoeksverslag
Impact pionieren
. Sociale verbondenheid en geloofsontwikkeling bij deelnemers aan
pioniersplekken, uitgave dienstenorganisatie Protestantse Kerk, Utrecht 2020, p. 9. Een nog niet afgerond CHE-
onderzoek (Evelien van Duffelen, Bert Roor) naar de betekenis van pioniersplekken voor deelnemers wijst ook in
de richting van een pastoraal-diaconale functie.
20. Michael Moynagh, Church for Every Context. An Introduction to Theology and Practice, London 2012 en idem,
Church in Life. Innovation, Mission and Ecclesiology, London 2017.
LISTENING LOVING
AND SERVING
BUILDING
COMMUNIITY
EXPLORING
DISCIPLESHIP
CHURCH
TAKING SHAPE
DOING IT
AGAIN
LUISTEREN LIEFHEBBEN EN
DIENEN
NETWERK
ONTWIKKELEN
GELOVEN
VERKENNEN
KERK-ZIJN
ONTDEKKEN
NOG
EEN KEER
A serving-first journey, Michael Moynagh
Moynagh’s ‘pioniersreis’ in het Nederlands
26 27
Wat in het kader van deze paragraaf vooral
interessant is, is de omzetting van het Engelse
‘exploring discipleship’ in het Nederlandse
‘geloven verkennen’. Er zijn goede gronden om
in het Nederlands het woord ‘discipelschap’ niet
te gebruiken. Voor velen binnen de kerk hangt
er te zeer een evangelische geur omheen. Voor
alternatieven als ‘navolging onderzoeken’ of ‘leerling-
worden verkennen’ heeft men echter niet gekozen.
In ‘geloven verkennen’ zit meer ruimte en ook
een grotere mate van vrij(blijvend)heid. Ook in de
volgende cirkel zien we een soortgelijke verschuiving:
van ‘church taking shape’ naar ‘kerk-zijn ontdekken’.
De Nederlandse versie van de pioniersreis is duidelijk
behoedzamer dan het Engelse origineel. Dat is niet
zonder reden, want men heeft willen kiezen voor
termen die binnen de Protestantse Kerk in brede
kring acceptabel zijn. De keerzijde daarvan is echter
dat het karakter van de pioniersreis diffuser wordt. Er
zijn bijvoorbeeld ook pioniersplekken die niet echt
gericht zijn op iets als discipelschapsontwikkeling. In
eerder onderzoek onder pioniersplekken binnen de
Protestantse Kerk waren er bijvoorbeeld plekken die
zichzelf eerder als interreligieuze ontmoetingsplek
dan als kerkplek wilden zien.21
Discipelschapsontwikkeling is al met al geen
speerpunt in elke pioniersplek. Dat zien we ook
terug in dit onderzoek. Pioniersplekken zijn er in
soorten en maten. Dat is inherent aan de zoektocht
naar nieuwe gestalten van (geloofs)gemeenschap
en (geloofs)communicatie. Deze veelkleurigheid
getuigt ook van de creativiteit die in de wereld van
de pioniers te vinden is. Tegelijk is het zinnig om
‘het merk’ pioniersplek te beschermen voor een
veelkleurigheid die kan uitlopen op kleurloosheid
en daarmee ook gericht beleid lastig maakt.
Daarom is het goed de omschrijving van een
pioniersplek, zoals deze binnen de Protestantse Kerk
functioneert, er nog eens bij te pakken:
‘Een pioniersplek is een nieuwe vorm van kerk-zijn,
voor mensen die niet naar een kerk gaan. Daarbij
hanteren we drie uitgangspunten:
• Afstemming op de context (door te luisteren naar
wat er speelt).
• Werken vanuit gedeeld geloof (om te beginnen
binnen het pioniersteam).
• Duurzame gemeenschapsvorming (gericht op de
langere termijn).22
De gegeven omschrijving en de uitgangspunten
maken duidelijk dat de formule breed is. De
Protestantse Kerk heeft niet eenkennig willen zijn in
het zoeken naar nieuwe vormen van kerk-zijn. We
zien die breedte terug in de gehouden interviews.
De keerzijde van die breedte is wel dat het doel van
pioniersplekken niet echt duidelijk wordt. Het is
een kerkplek voor mensen die een dergelijke plek
niet (meer) hebben. Dat zegt iets over voor welke
doelgroep men er wil zijn, maar nog niets over
het doel dan men met deze doelgroep heeft. Het
zou goed zijn het gesprek hierover aan te gaan en
op basis hiervan mogelijk tot een herziene, meer
aangescherpte omschrijving van een pioniersplek te
komen.23
‘Gestorven voor onze zonden …’
De persoon van Jezus Christus wordt – net als bij
de onderzochte voorgangers – het meest genoemd
bij de vraag naar het eventuele unieke aan de
christelijke traditie. We constateerden hierboven al
dat dat op zich niet hoeft te verbazen. De kerk is
immers de kerk van Jezus Christus. Henk de Roest
was er alweer even geleden heel duidelijk over:
‘Wanneer we Jezus uit de kerk zouden halen, blijft
er niets van over. Een kerkelijke gemeenschap,
hoe klein ook, die voluit christelijk wil zijn, kan
niet anders dan op een niet-opdringerige manier
over haar eerste liefde, Jezus, beginnen.’24 Jezus is
het hart van de christelijke gemeente. De diepste
identiteit van de kerk ligt niet in wat zij doet, ligt niet
in al haar activiteiten, maar in haar verbondenheid
met Jezus Christus.
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
21. Onderzoeksverslag
Impact pionieren
. Sociale verbondenheid en geloofsontwikkeling bij deelnemers aan
pioniersplekken, uitgave dienstenorganisatie Protestantse Kerk, Utrecht 2020, p. 19,23. (geraadpleegd 15-10-2021)
22.
lerenpionieren.nl/voor-beginners/
. (geraadpleegd 30-9-2021)
22. Vergelijk hier het onderzoeksrapport
Tussenstand pionieren
, Utrecht 2020, p. 13 (geraadpleegd 6 oktober 2021).
Zie ook Timo van der Heijden,
Nieuwe wijn OF water bij de wijn
. Een kritische reflectie op de pioniersreis als
model voor gemeentestichting, Masterscriptie Vrije Universiteit Amsterdam 2019, p. 48 (geraadpleegd 8 oktober
2021). Hij signaleert – op basis van diepte-interviews met vijf pioniers – dat er de meeste onhelderheid is rond
‘geloven verkennen’ en ‘kerk-zijn ontdekken’.
24. Henk de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer 2010, p. 137.
26 27
De uitspraak van De Roest lijkt te worden beaamd in
het onderzoek. Tegelijk zien we qua woordgebruik
wel een verschuiving ten opzichte van het klassieke
belijden van wie Jezus Christus is. Typeringen als
‘Heiland’ of ‘Zaligmaker’ komen bijvoorbeeld in
het geheel niet voor, ‘Verlosser’ slechts twee keer.
Samenhangend hiermee valt ook op dat de lijn
van Jezus’ plaatsvervangend lijden en sterven niet
sterk aanwezig was in de gesprekken. In bijlage 3
– met een integraal overzicht van de antwoorden
op drie theologische vragen – wordt ‘verzoening’
drie keer genoemd en ‘vergeving’ twee keer. Ook
het woord ‘zonde’ komt slechts twee keer voor.
Klassieke kerkelijke taal wordt dus niet veel gebezigd.
Dat betekent uiteraard niet automatisch dat het
theologische denken ook verschoven is. Ook met
andere woorden kan immers hetzelfde worden
gezegd. Toch lijkt het onderzoek erop te wijzen
dat er theologische gezien wel allerlei wissels zijn
genomen. In termen van de soteriologische drieslag
van Van der Kooi en Van den Brink – verzoening
door voldoening, verzoening door overwinning,
voldoening door omvorming25 – kunnen we een
verschuiving constateren van verzoening door
voldoening naar verzoening door omvorming. Jezus
Christus maakt ons tot een ander mens, met name
door Zijn nabijheid en Zijn compassie. Dat spoort met
een recent CHE-onderzoek in zes pioniersplekken
naar de invulling van Goede Vrijdag en Pasen.26 De
onderzoeker, Jan Martijn Abrahamse, constateert
in dit verband het volgende: ‘In de duiding van het
waarom van verzoening spelen klassieke noties als
vergeving van schuld of eerherstel na schaamte
slechts een marginale rol. Schuld en schaamte
worden vooral betrokken op horizontale relaties
en niet per se richting God zelf. Slechts af en toe
valt het bredere begrip zonde en bijna uitsluitend
in de multiculturele setting van Cross Culture (een
van de zes onderzochte pioniersplekken, SS), maar
dat wordt nauwelijks uitgewerkt in de betekenis
van ‘zondig staan voor God’.’27 Abrahamse verwijst
naar een eerder onderzoek naar ‘soteriologische
arrangementen’ in preken, gehouden in de
Veertigdagentijd binnen protestantse gemeenten.28
De onderzoeker, predikant in de Protestantse Kerk
André Verweij, onderscheidt vier arrangementen,
waarvan het eerste, dat van de redemptive proximity,
het meest voorkomt: Jezus deelt ons leven, is ons
nabij, ook in het lijden. De meer klassieke opvatting
van Jezus’ lijden en sterven als een arrangement
tussen de Vader en de Zoon omwille van ons komt
zeker ook voor in het onderzoek van Verweij, maar
is niet dominant. Jezus’ lijden is niet primair een
plaatsvervangend lijden, maar vanuit Zijn lijden is er
van Zijn kant vooral ‘mede-lijden’, compassie met
ons, kwetsbare mensen. Dit beeld is herkenbaar
vanuit ons onderzoek onder de 20 pioniers.
Jezus is ons nabij en wil ons meenemen in Zijn
overwinning op onze dood en doodsheid en onze
neiging grenzen op te werpen. Hij nodigt ons uit
tot ‘omvorming’, tot een leven in Zijn spoor. Het
overwinningsmotief zien we niet sterk terug in de
antwoorden.
Verhelderend in dit verband is het onderscheid dat
Stephen B. Bevans maakt tussen a redemption-
centered orientation en a creation-centered
orientation.29 In de eerste oriëntatie – vanouds vooral
verbonden met de reformatorische traditie –
is er een grote kloof tussen God en mensen. Ze zitten
niet van nature op één lijn, er is een fundamentele
transformatie nodig om de verbinding en de
communicatie weer te herstellen. Gods genade kan
niet bouwen op het fundament van de menselijke
natuur. Daarvoor is er te veel kapot. Het herstel
gaat in Jezus Christus van God uit. In de creation-
centered orientation zien we een veel minder sterke
scheidslijn. Deze oriëntatie is altijd meer verbonden
geweest met de rooms-katholieke traditie. Illustratief
is de bekende uitspraak van Thomas van Aquino
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
25. G. van den Brink, C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Zoetermeer 2012, p. 403 ev.
26. Jan Martijn Abrahamse, ‘Goede Vrijdag en Pasen op afstand. Een praktisch-soteriologische analyse’, in: Kerk
en Theologie, 71 (2021) 3, p. 214-227. Vergelijk ook Jan Martijn Abrahamse e.a., ‘Pionierend leiderschap. Een
verkenning’, in: Leon van den Broeke en Eddy van der Borght (red.), Religieus leiderschap in post-christelijk
Nederland, Utrecht 2020, pp. 105-131, met name p. 117.
27. Abrahamse, ‘Goede Vrijdag en Pasen op afstand’, p. 226.
28. André Verweij, Positioning Jesus’ Suffering. A Grounded Theory of Lenten Preaching in Local Parishes, Delft 2014.
29. Stephan B. Bevans, Models of Contextual Theology, New York 2008, p. 21 ev. Zie hiervoor ook Annemiek
de Jonge, Als een madeliefje tussen de straatstenen. Soteriologische en ecclesiologische opvattingen van
practitioners in evangelicale missionaire gemeenschapsvorming, dissertatie Theologische Universiteit Kampen,
Amsterdam 2022 (nog te verschijnen).
28
(1225-1274): ‘De genade heft de natuur niet op,
maar veronderstelt haar en vervolmaakt haar.’ God
laat zich zien in de ‘gewone’ werkelijkheid. Deze
werkelijkheid is sacramenteel. We kunnen dan ook
positief naar de wereld kijken. Bevans noemt in dit
verband Karl Rahners ‘anonieme christenen’. Ook
buiten onze kaders is er leven in het spoor van Jezus.
Bevans legt de verbinding niet zelf, maar de creation-
centered benadering vormt een natuurlijke bedding
voor (de meest gangbare invulling van30) het Missio
Dei-concept: missie is niet primair de missie van de
kerk, maar de missie van God zelf.31 De drie-ene God
is al daar waar de kerk soms nog in geen velden of
wegen te zien is. De Geest gaat niet van de kerk uit,
maar gaat voor haar uit. Het is de roeping van de kerk
te ontdekken waar en hoe God betrokken is op Zijn
schepping om daar vervolgens bij aan te sluiten. Er is
veel goeds buiten de kerk.32
In termen van Bevans zouden we kunnen zeggen dat
we in de interviews relatief veel creation-centered
benaderingen terugzien. Er is zeker het besef van
de beperktheid van de mens en de noodzaak van
vergeving en genade, maar deze wordt overwegend
niet expliciet verbonden met het verzoenend
lijden en sterven van Jezus Christus. We lijken een
verschuiving te zien van wat Christus voor ons heeft
gedaan naar wat Hij ons heeft voorgedaan.33 Is
daarmee de vraag naar schuld en (bemiddeling van)
vergeving minder urgent?34 Een positief antwoord
op die vraag zou te kort door de bocht zijn. Schuld
en vergeving blijven fundamentele zaken in ieder
mensenleven, alleen de wijze waarop deze met
Jezus worden verbonden lijkt te verschuiven. We
zullen mogelijk ook moeten zoeken naar andere
aanvliegroutes voor het inspelen op de ervaringen
van falen, schuld en vergeving. Vraagt missionaire
communicatie van het evangelie bijvoorbeeld
om meer aandacht voor schaamte, (on)vrijheid,
machteloosheid, existentiële angsten, prestatiedruk,
eenzaamheid en polarisatie?35
We raken hier vanuit de soteriologie aan
fundamentele theologische vragen. Deze vallen
vanuit het verrichte onderzoek uiteraard niet te
beantwoorden. Ze vragen echter wel om serieuze
aandacht, want het gaat hier om kernen van het
christelijk geloof die existentieel zullen moeten
raken aan mensenlevens. Op welke fundamentele
menselijke vragen biedt het christelijk geloof een
antwoord dat er in onze tijd echt toe doet? Groeit
het contextueel mee met de verschuivingen in onze
cultuur en wat deze doen met individuele mensen?
Daar valt veel over te zeggen, maar ik beperk me tot
twee thema’s: schuld en eindigheid/eeuwigheid.36
Schuld
Veelzeggend is het dat het woord ‘schuld’ in bijlage 3
maar één keer voorkomt en dan ook nog met een
slag om de arm:
Ik ben gered van een last van schuld. Ik ervaar
dat nu niet (meer) zo, maar ik gelóóf het wel.
(interview 14)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
30. Met name in orthodoxe kringen zijn er varianten van het Missio Dei denken die wat dichter tegen een redemption-
centered benadering aanliggen. Zie daarvoor Annemiek de Jonge, Als een madeliefje, paragraaf 2.4.3.
31. Zie voor het Missio Dei-concept Gert Jan Roest,
‘Wie wil er missionair zijn?’
Utrecht 2020, p. 19-21.
32. In missionaire (pioniers)kringen is het Missio Dei-denken heel gangbaar. Dat geldt ook voor missionaire pioniers
in meer orthodoxe kerkverbanden, zoals bijvoorbeeld de Christelijke Gereformeerde Kerken. Zie Jan van ’t Spijker,
To Participate in God’s Mission. Looking for an ecclesial structure to be a witnessing church, Utrecht 2021, p. 171-179.
Er ligt hier ook een verbindingslijn naar de zogenaamde waarderende aanpak (‘appreciative inquiry’). Het Missio
Dei-denken opent immers de ogen voor wat er aan goeds aanwezig is buiten de eigen biotoop.
33. Vgl. Willem Ouweneel, ‘Het voorbeeld achterna. (Het beeld van de rabbi)’, in: Hans Burger, Reinier Sonneveld (red.),
Cruciaal. De verrassende betekenis van Jezus’ kruisiging, Amsterdam 2014, p. 83.
34. Andrew Root schrijft: ‘Our age shifts guilt’s source from a transcendent, personal force, whose law we fail to obey, to
our own selves. We are guilty to ourselves by our self.’ In: The Congregation in a Secular Age, Grand Rapids 2021, p. 45.
35. Stefan Paas schreef een uitdagend artikel rond het stichten van gemeenschap in een gepolariseerde en door
eenzaamheid geteisterde samenleving: ‘De weg van de vrede. Heil en verlossing in de hedendaagse missionaire
praktijk’, in: Kerk en Theologie 72 (2021), 3, p. 246-259.
36. Beide thema’s maken deel uit van de vijf existentialen die H.M. Vroom onderscheidt voor het menselijk bestaan:
onze eindigheid, ons falen, het goede, inzicht in de werkelijkheid en het kwaad & het lijden. Zie H.M. Vroom,
Religies en de waarheid, Kampen 1988, p. 247-257.
29
We blijven in de interviews ver weg van een
accent op individuele schuld en persoonlijk
schuldbesef. Dat is in lijn met de ervaringen die
Gert-Jan Roest als pionier in Amsterdam opdeed.
Hij schrijft dat in de gesprekken die hij jarenlang
als pionier-voorganger voerde met twintigers en
dertigers het thema schuld in de beleving van zijn
gesprekspartners niet het meest existentiële was.
Gevoelens van schaamte en machteloosheid waren
dat eerder.37 De Amsterdamse pionier Maarten
Vogelaar laat een vergelijkbaar geluid horen:
‘Jonge mensen bereik je niet door over zonde en
schuld te praten.’ Hij leerde van de psychiater Curt
Thomas dat het huidige probleem van mensen veel
meer ‘mindless’ zijn is. ‘Geest, ziel en lichaam zijn
gedesintegreerd. Kan de kerk helpen om hier tot re-
integratie te komen?’38
‘Zonde’ is ergens altijd de specialiteit van de kerk
geweest, maar vaak ook op een ongezonde manier.
Dat lijkt zich nu tegen haar te keren. Tegelijk
horen zaken als falen, gebrokenheid en schuld
onlosmakelijk bij een mensenleven. Imperfectie en
de mist ingaan zijn existentialen in ons leven. Het
besef van tekortschieten en schuld is ook nooit ver
weg in een (gezond) mensenleven.39 Een ervaring
– opnieuw uit Amsterdam – is hier treffend. Bas
van der Graaf, destijds gemeentepredikant en
pionierbegeleider in de hoofdstad, las met mensen
buiten de kerk de Bijbel. Hij las onder andere
psalmen. Daarbij deed hij voor hem verrassende
ervaringen op. Zo lazen ze als groep bijvoorbeeld
Psalm 23, ‘De Heer is mijn herder’. In grote
delen van de kerk is deze psalm zeer geliefd. De
deelnemers vonden de psalm mooi, maar dit lied
met zijn agrarische achtergrond resoneerde minder
dan Van der Graaf had verwacht. In Amsterdam
ontbreekt het aan herders en schapen. Tot zijn
verbazing deed de ‘zware’ Psalm 32 de deelnemers
meer. In deze psalm gaat het over zonde, schuld en
vergeving. ‘Gelukkig de mens van wie de ontrouw
wordt vergeven, van wie de zonden worden
bedekt’, zo begint de psalm. De dichter spreekt
van de bevrijdende kracht van de schuldbelijdenis
die een einde kan maken aan krachteloosheid en
lichamelijke stress. De beleving van deze psalm door
de deelnemers verraste Van der Graaf: ‘Het idee dat
de hedendaagse mens niets meer heeft met het
begrip ‘schuld’ werd tijdens deze avond drastisch
gelogenstraft. De psalm resoneerde tot in de diepste
hoeken van het hart’, schrijft hij.40
We zien hier dus een heel dubbel beeld. Aan
de ene kant pioniers die ontdekken dat schuld
en schuldgevoelens geen ingang bieden voor
werkelijke communicatie, aan de andere kant een
voorganger die tot zijn verbazing ontdekt dat hier
juist wel een verbinding ligt. Kennelijk gaat het hier
om een complexe, diffuse werkelijkheid. We hebben
het dan nog niet eens over de plek van Jezus in
deze werkelijkheid. Is dat enkel overdracht van een
straf (verzoening door voldoening) of is er op dit
punt ook een cruciale rol voor Hem binnen de twee
andere soteriologische ‘modellen’ die Van den Brink
en Van der Kooi onderscheiden (verzoening door
overwinning en door omvorming)? Op dit punt ligt
een grote theologische uitdaging: als de ervaringen
van falen, schuld en verantwoordelijkheid inherent
zijn aan mens-zijn, hoe is Jezus daarin dan heilzaam
aanwezig?
Op dit punt is het goed te melden dat er stemmen
zijn die stellen dat we in onze samenleving
opschuiven van een schuldcultuur naar een
schaamtecultuur. Het gaat hier om een zeer
ingewikkelde kluwen van menselijke emoties die
niet zo eenvoudig goed in kaart te brengen is.41
Het begin van de Bijbel is daarvan al een illustratie.
Nadat Adam en Eva hebben gegeten van de
verboden vrucht (waardoor ze schuld op zich
laden), verbergen ze zich uit schaamte. Hun naakt-
zijn – hun naakte zijn – wordt opeens beschamend.
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
37. Gert-Jan Roest,
‘Jezus in postmoderne kleren. Mijn verschuivende visie op heil
, in: Inspirare. Tijdschrift voor
charismatische en evangelische theologie, 2 (2020), 2, 19-28. (geraadpleegd 6-10-2021)
38. Sake Stoppels en Maarten Vogelaar, ‘”We durven niet gekend worden door God.” De zoektocht van een pionier’, in:
Kerk en Theologie, 72 (2021), 3, p. 233.
39. Voor ervaringen op dit punt zie Sake Stoppels,
Heil zien in missionaire initiatieven
, Ede: CHE 2019, p. 17-24.
(geraadpleegd 30-9-2021). Zie ook Stefan Paas,
Gezien en beoordeeld: God ontmoeten in onze schuld –
Wapenveld (wapenveldonline.nl)
, 64 (2014), 2, p. 13–19. (geraadpleegd 7-10-2021)
40. Bas van der Graaf, ‘De Bijbel in het leven van jonge Amsterdammers’, in: Floor Barnhoorn e.a. (red.), De Bijbel in
Nederland. Reflecties over het gebruik van de Bijbel in kerk en cultuur, Haarlem 2018, p. 168.
41. Zie hiervoor Ruard Ganzevoort, Jan Visser, Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale
begeleiding, Zoetermeer 2007, hoofdstuk 13, ‘Schuld en schaamte’.
30
Schuld en schaamte komen hier bij elkaar, maar
op een complexe manier. Als de genoemde
verschuiving in onze samenleving inderdaad
plaatsvindt, vormt het een uitdaging om daar
adequaat op te reageren: wat is ‘heil’ in situaties van
schaamte? Hoe is Jezus hierin heilzaam aanwezig?42
‘Vanwaar Hij komen zal om te oordelen …’
We zagen hierboven al dat het erop lijkt dat de
geïnterviewde pioniers meer dan de onderzochte
voorgangers leven met het besef van de eeuwigheid.
Een dergelijk besef is in onze immanente tijd niet
doorsnee, zeker niet als die eeuwigheid ook nog
eens scheiding zou kunnen brengen. De helft
van de onderzochte pioniers geeft – meer of
minder aarzelend – aan dat ze geloven in een
dergelijke scheiding. Dat is duidelijk meer dan bij de
onderzochte voorgangers. Dat is misschien ook niet
helemaal toevallig. Vanouds is het besef dat mensen
voor eeuwig verloren kunnen gaan een belangrijke
missionaire drijfveer geweest. Zeker een deel van
de pioniers zal opgegroeid zijn met dit besef en dat
zal een – deels onderhuidse? – factor zijn geweest
in de keuze voor missionair pionieren. Tegelijk zien
we aarzelingen op dit punt – is er werkelijk een
grote scheiding? – mede vanuit de vaak intensieve
contacten met én het respect voor mensen met een
andere levensovertuiging.
Op dit vlak ligt minstens een dubbele spanning.
Allereerst is dat de veelheid aan levensovertuigingen,
vormen van spiritualiteit en zingevingsbronnen in
onze samenleving. Meer dan reguliere voorgangers
zullen pioniers daarmee te maken hebben. Die
veelheid aan zoektochten en zoekrichtingen en de
authenticiteit die daarin vaak te proeven is, maken
dat de eigen overtuigingen minder scherp omlijnd
raken. Ik haal hier nog even terug wat ik hierboven
al constateerde: ‘In totaal gaven 11 pioniers op
de een of andere manier aan dat ze opener in de
samenleving waren komen te staan: minder (ver)
oordelend, minder krampachtig, minder als ‘zender’
en opener voor wat er aan goeds in ‘de andere ander’
aanwezig is.’ De confrontatie met – of misschien
beter – de ontmoeting met andersdenkenden is
doorgaans van invloed op de eigen theologie en
daarbinnen zeker ook op de eigen soteriologie. We
zien dat ook bij andere pioniers terug43 en ook in
het eerdere onderzoek onder de 40 voorgangers.
In de contacten met andere mensen ‘van goede
wil’ groeit doorgaans de verbinding, niet de afstand.
De huidige maatschappelijke vraagstukken en
uitdagingen vragen ook om samenwerking. Het
blijkt dat we vanuit zeer verschillende bronnen
en levensoriëntaties elkaar kunnen vinden in een
gedeeld streven.44 Dat leidt vrijwel automatisch
tot een verruiming van het eigen theologische
denkkader.
Een tweede mogelijke bron van spanning is het
immanente frame dat onze samenleving domineert.
Charles Taylor heeft daarop gewezen. Er is zeker
de mogelijkheid om uit te gaan van transcendentie,
inclusief het bestaan van een leven na dit leven,
maar onze samenleving stuwt ons in de richting van
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
42. Daarbij kunnen we denken aan Zijn ontmoetingen met ‘schaamtevolle’ mensen: Zacheüs (Lucas 19), de vrouw
bij de bron (Johannes 4) en de vrouw die leed aan bloedverlies (Marcus 5). De ervaringen van de Amerikaanse
missionaris Norman Kraus in Japan – een land met vooral een schaamtecultuur – zijn hier intrigerend, met name
op het punt van de soteriologie. Zie Mark D. Baker, Joel B. Green, Recovering the Scandal of the Cross. Atonement
in the New Testament and Contemporary Contexts, Downers Grove 2011, hoofdstuk 7. Relatief nieuw is online
shaming, waarbij via het internet berichten en afbeeldingen worden verspreid die schaamte oproepen. Het online
beschikbare missionaire tijdschrift
ANVIL
had recent een themanummer over ‘mission and shame’ (volume 31,
issue 2).
43. Zo bijvoorbeeld bij Gert-Jan Roest en Maarten Vogelaar. Zie daarvoor de twee aangehaalde artikelen in resp. noot
37 en 38. Het is vaak een ingrijpend proces, waarbij de eigen geloofsovertuigingen worden bevraagd en kunnen
gaan wankelen.
44. Het tienjaarlijkse onderzoek God in Nederland laat een substantiële daling zien van het geloof in een leven na
de dood. In 1966 gaf nog 56% van de ondervraagden aan daarin te geloven, in 2015 was dat slechts 23%. Het
betekent niet dat het aantal ‘niet-gelovers’ sterk is gegroeid. Er is vooral meer twijfel ontstaan. Zie Ton Bernts,
Joantine Berghuijs, God in Nederland 1966-2015, Utrecht 2016, p. 69. Stichting Landelijk Expertisecentrum
Sterven deed in maart 2021 – de coronacrisis was toen een jaar oud – onderzoek naar geloof in leven na dit
leven. Een meerderheid van 56% bleek daarin te geloven. Onder jongeren en jongvolwassenen lag de score op
70%, beduidend hoger dus. Bron: Nederlands Dagblad, 21 mei 2021. Het gesloten immanente frame lijkt dus geen
onomkeerbare wet van Meden en Perzen te zijn.
31
immanentie. Het immanente frame wordt daarbij
niet als een constructie voorgesteld maar als een
objectief gegeven. Er is slechts één werkelijkheid
en dat is onze zichtbare werkelijkheid. Dat is een
zuigkracht waar ook gelovigen mee te maken
hebben.
In de dagelijkse praktijk van pioniersplekken zal de
eeuwigheid geen thema zijn, maar ze speelt blijkens
het onderzoek in de hoofden en harten van allerlei
pioniers wel degelijk een rol. Toch wordt er maar
zelden over gesproken, en dat geldt niet alleen voor
pioniersplekken. Die verlegenheid heeft uiteraard
alles te maken met het onkenbare van de andere
kant van de dood, maar mogelijk heeft ze ook te
maken met de allergie voor versmalling van ‘heil
tot individueel zielenheil. Hier liggen veel vragen die
de praktijk van pionieren ook ruimschoots te boven
gaan. Ik beperk me daarom tot dit signalement en
een stelling van de theoloog Bert Montsma van
alweer even geleden: ‘Er zit iets grondig fout in een
kerk waar het alleen of voornamelijk gaat om de
vraag naar een persoonlijk heil in een ‘hiernamaals’.
Maar tegelijk is het de hoogste tijd om elkaar eerlijk
te zeggen dat het minstens zo fout zit in een kerk
waar het niet meer gaat om die vraag.’45 Heeft deze
stelling van inmiddels 35 jaar geleden nog altijd
zeggingskracht of is het echt een woord uit een
voorbije tijd?
Tot besluit. De theologische biografie van de
pionier
Wat opvalt als we de twee onderzoeken vergelijken,
is dat de pioniers gemiddeld genomen een
‘geloviger’ taal hanteren dan de voorgangers. En dat
terwijl ze doorgaans meer in de seculiere wereld
opereren dan de voorgangers. Afgaande op hun
aandacht voor een mogelijke scheiding tussen
God en mens voorbij de grens van onze dood
lijkt hun theologie ook traditioneler dan die van
de voorgangers. Dit spoort met een breder beeld
binnen de pionierswereld. Zeker in de beginfase
van het pionieren waren veel pioniers godsdienstig
gezien orthodox gesocialiseerd. En nog steeds zien
we onder de pioniers velen die groot zijn geworden
met een klassieke theologie waarin sprake was
van ‘een laatste ernst’.46 Gaandeweg zijn velen van
hen in theologische zin opgeschoven, maar in de
vaak grondige religieuze socialisatie binnen een
orthodoxe theologie zit kennelijk wel een goede
voedingsbodem om missionair te gaan pionieren.
Dat maakt nieuwsgierig en roept ook vragen op: in
welke mate is een dergelijke socialisatie ‘nodig’ om
missionair actief te worden? Onderzoek naar de
soteriologische biografieën van missionaire werkers
en hun uiteenlopende werksettingen zou boeiende
gegevens aan het licht kunnen brengen.47
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
45. Bert Montsma, ‘Hiernamaals’, in: J. Firet, Zeven weerbarstige woorden uit het christendom. Zijn zij nog mogelijk?
Delft 1986, p. 87.
46. Opmerkelijk is bijvoorbeeld het relatief grote aantal pioniers dat afkomstig is uit de wereld van de Gereformeerde
Gemeenten of daarmee verwante denominaties.
47. Aan de Theologische Universiteit Kampen (TUK) wordt daar onderzoek naar gedaan, mogelijk uitmondend in een
promotietraject. Daarbij is een interessante vraag of er patronen zichtbaar worden in de ontwikkeling van enerzijds
pioniers met een orthodoxe achtergrond en anderzijds pioniers met een meer ruimzinnige achtergrond. Wat is
hier het soortelijk gewicht van zowel biografie als context waarbinnen wordt gewerkt?
32
Bijlage 1: Overzicht van de interviewvragen
Enkele biografische gegevens
• geslacht
• aantal jaren pionier/betrokken bij de pionierswereld
• eventuele andere aanstelling(en) (‘tent making
ministry’)
eventuele theologische opleiding/vorming
• leeftijd
Beleving rond missionair
• Welke associaties - positief én negatief - komen
bij je op als je denkt aan ‘missionair kerk-zijn’?
• Zijn er missionaire praktijken en/of personen die
jou inspireren?
• Zijn er auteurs/boeken rond missionair werk/
missiologie die jou inspireren?
• Heb je in de loop van de tijd een ontwikkeling mee-
gemaakt in je missionaire denken en/of handelen?
• In missionaire publicaties komen we vaak de
zogenaamde five marks of mission tegen. Voor welke
twee klopt jouw hart het meest? (Dat hoeft niet per
se identiek te zijn aan je daadwerkelijke praktijk!)
- Verkondiging van het Goede Nieuws van het
Koninkrijk aan mensen die het niet kennen
(evangelisatie).
- Het onderwijzen, dopen en doen groeien van
nieuwe gelovigen.
- Lenigen van menselijke nood door liefdevolle
diaconie.
- Het omvormen van onrechtvaardige structuren,
het ageren tegen elke vorm van geweld en het
zoeken van vrede en verzoening.
- Het werken aan het behoud van de schepping
en het zoeken naar een ecologisch verantwoord
leven.
• De notitie van de Protestantse Kerk ‘Wie wil
er missionair zijn?’ omschrijft missionair-zijn
als volgt: ‘Vanuit liefde in beweging komen ter
wille van anderen namens God.’ Wat roept deze
formulering bij je op?
• Heeft corona invloed op je denken over missionair
kerk-zijn en pionieren?
Theologie
• Hoe zou je de plek van de kerk in de samenleving
willen typeren (misschien in een metafoor)?
• Met welke drie trefwoorden zou je het eigene van
jullie plek willen typeren?
• Wat is het beste dat jullie pioniersplek aan de
deelnemers/bezoekers te bieden heeft?
• Heeft de christelijke traditie ook iets unieks, iets
wat je elders niet vindt? Zo ja, wat is dat en zou je
dat unieke ook graag willen delen in je missionaire
communicatie?
• Wie is Jezus in jouw missionaire communicatie?
Hoe inclusief of exclusief is Hij in jouw ogen?
• Wat betekent voor jou ‘redding’ (soteria)? Is er ook
iets als ’verloren gaan’? (mogelijk onderscheid
daarbij: hier en nu versus eeuwigheid)
• Welke plek heeft de Bijbel in jullie pioniersplek,
ook richting de bezoekers/deelnemers? Is het
denkbaar dat jullie ook heilige boeken uit andere
religieuze tradities zouden gebruiken?
• Met welke stromingen in de Protestantse Kerk
voel je je het meest verwant? (typering van de
eigen theologische/spirituele ligging binnen de
kerk volgens het format dat de Protestantse Kerk
gebruikt in haar panel-onderzoeken, meerdere
antwoorden mogelijk)
- Confessioneel
- Evangelisch
- Gereformeerd
- Gereformeerde Bond
- Hervormd
- Luthers
Invulling eigen rol (praktijken)
• Hebben jullie contacten met een of meer
kerkelijke gemeenten in het kader van ‘Mozaïek
van kerkplekken’?
- Zo ja, zie je een rol voor jezelf om deze
gemeente(n) te stimuleren tot missionair zijn en
handelen? Zo ja, welke rol is dat en hoe vul je
deze in?
- Zo ja, zie je een ontwikkeling in het missionaire
bewustzijn van deze gemeente(n) en haar/hun
missionaire praktijk? Zo ja, waar zie je dat?
• Heb je veel contact met mensen buiten de kerk
(afgezet tegen binnenkerkelijke contacten)?
• Welk deel van je vrienden/kennissen is niet
kerkelijk betrokken?
Beleving missionaire impulsen vanuit de diensten-
organisatie
• Hoe ervaar je de landelijke kerk als het gaat om
missionair kerk-zijn?
• Is er materiaal uit ‘Utrecht’ dat je geholpen heeft in
je missionaire oriëntatie? Zo ja, welk?
Eventuele punten die nog niet aan de orde zijn
geweest en die je wel van belang acht.
- Midden-orthodox
- Oecumenisch
- Protestants
- Vrijzinnig
- Anders, te weten:
- Geen antwoord
33
Bijlage 1: Overzicht van de interviewvragen Bijlage 2: Uitnodigingsbrief
Utrecht, maart 2021
Verzoek medewerking onderzoek ‘missionair kerk-zijn’
Beste pionier,
Het zal je bekend zijn dat op landelijk niveau de Protestantse Kerk in Nederland missionair kerk-
zijn stimuleert. In dat kader hebben we in de afgelopen maanden onder meer 40 predikanten en
kerkelijk werkers geïnterviewd. Het ging daarbij niet om de meer praktische vragen, maar vooral om
ieders missionaire ‘mindset’. Hoe beleven en vullen predikanten en kerkelijk werkers het concept
‘missionaire gemeente’?
We zitten nu in de fase van het uitwerken en analyseren van de interviews. In de loop van dit
onderzoeksproces ontstond ook de behoefte om alsnog aan pioniers ongeveer dezelfde vragen
voor te leggen. Zo krijgen we ook een beeld van mogelijke verschillen en overeenkomsten tussen
‘gewone’ werkers in de kerk en pioniers. Daarom hebben we aselect een keuze gemaakt uit de
lijst van PKN-pioniersplekken. Jouw naam kwam daarbij naar voren en daarom willen we je de
vraag voorleggen of je bereid bent mee te doen aan het onderzoek. Concreet betekent het dat
we je interviewen over een aantal aspecten van missionair kerk-zijn: je beleving van ‘missionair’, je
theologische denken hierover, de concrete missionaire praktijk van jullie pioniersplek en jouw rol
daarin, en ten slotte de beleving van de missionaire impulsen vanuit ‘Utrecht’.
In deze tijd van corona doen we de interviews in principe via videobellen (Google Meet). Het
gesprek begroten we op een uur, maar veel hangt daarbij uiteraard van jou af. We willen het gesprek
graag opnemen om er een goede samenvatting van te kunnen maken. Daarvoor vragen we dan
ook je toestemming. We zenden je dit verslag na afloop toe om zo te checken of we je recht
hebben gedaan. Je hebt dan uiteraard het recht het een en ander aan te vullen, te corrigeren of te
nuanceren. Na afronding van het verslag wissen we de opname. Uiteraard is het onderzoeksrapport
dat we in de loop van 2021 hopen uit te brengen geanonimiseerd. Als geïnterviewde krijg je dit
rapport ook toegezonden.
Er zijn twee interviewers, te weten Gert-Jan Roest en ondergetekende. Beiden zijn we
beleidsmedewerker ‘missionair’ binnen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk.
We hopen uiteraard dat je bereid bent mee te doen aan het onderzoek. Zou je dat willen aangeven
door deze mail te beantwoorden? Graag ook een reactie als je afziet van deelname. Zodra we je
bevestiging binnen hebben, neemt een van ons contact met je op voor het maken van een afspraak.
Bij voorbaat onze hartelijke dank!
Met vriendelijke groet, Sake Stoppels
34
Bijlage 3: Overzicht antwoorden pioniers op
drie theologische vragen
48
Heeft de christelijke traditie ook iets unieks, iets
wat je elders niet vindt? Zo ja, wat is dat en zou je
dat unieke ook graag willen delen in je missionaire
communicatie?
De humanistische waarden, maar die hebben
andere stromingen ook. Echt uniek is dat het gaat
over God die een persoon is, dat Hij niet op een
afstand is maar onder ons en in ons. Degene die je
geschapen heeft, daar kun je een verbinding mee
maken. Dat communiceren is lastig, veel mensen
lijken er niet zo’n behoefte aan te hebben. En ik
wil graag aansluiten bij een vraag ... Ik merk dat
er behoefte is aan een gesprek over het leven dat
verder gaat dan het gewone, en dan met name
levensbeschouwing en spiritualiteit. Daar is wel echt
vraag naar. (1)
Het feit dat je in kwetsbaarheid ook kracht en
verbinding kunt vinden. Dat vinden we belangrijk
in een wereld waarin je veel bovenmodale mensen
hebt wonen. Ook dat er iets verder gaat dan je eigen
ego. God hooghouden, niet alleen jezelf. (2)
Het eigene zit wat mij betreft toch in de positie van
Jezus Christus als redder van de wereld, maar ook
van jouw leven. Ik zou in de pionierscontext wel
iets andere woorden gebruiken. Ik zou niet direct
beginnen over redden, maar wel over iemand die vrij
kan maken van dingen als stress en prestatiedruk,
of het eeuwige vergelijken tussen jou en mij. Zoals
Augustinus zei: dat het hart pas rust vindt als het
rust vindt in God. Die onrust met al die vragen, die
zit ook overigens ook in mij. (3)
Genade: je mag het krijgen en hoeft het niet te
verdienen. We hebben het allemaal niet verdiend
maar wel gekregen. Het is wel een veel te kerkelijk
woord, maar het vertaalt zich in hoop (al vindt
het bestuur dat ook te veel naar kerk ruiken): niet
oordelen, genieten van de kleine dingen. Het gaat
erom dat in de sfeer te laten merken, het woord
genade zal ik in de communicatie niet zo snel
gebruiken. (4)
Verzoening en vergeving op grond van wat een ander
voor jou heeft gedaan en je heel graag geven wil - het
kruis van Christus. En het tweede is de kracht van de
opstanding, van de Heilige Geest die je verwachten
mag. In alle voorzichtigheid wil ik dat ook delen. Ik
geloof en zie dat gemeenschap gevormd wordt als
deze twee dingen centraal staan, dan worden er
banden gesmeed die er anders niet zouden zijn. (5)
Het bizarre verhaal dat God heel dicht bij de
mensen komt, dat God het leven goed kent en
dat het daardoor niet iets afstandelijks is. Dat je
altijd opnieuw kunt beginnen. Dat deel ik wel in
samenkomsten en gesprekken en dat probeer ik ook
wel te leven. (6)
Dat je deel uitmaakt van iets groters, dat het beter
kan, en dat God het mooiste geeft daarvoor, dat is
heel bijzonder. Dat je door God gekend bent, dat
vervult mij met warmte. En dat deel ik graag, al vind
ik dat moeilijk als iemand dat niet kent of daar niet
op zit te wachten. Als je iets voor iemand doet, dan
geeft dat soms wel een heel goede ingang om dat
in te brengen in een gesprek. (7)
Bijzonder is het omdat het geen succesverhaal
is. Het verhaal van Jezus is eigenlijk het verhaal
van een loser. God is te vinden waar mensen alles
kwijtraken, waar ze verloren lopen, waar pijn is. Al
die succesverhalen daar worden mensen alleen
maar eenzaam van. En in indirecte vorm deel ik
dat ook wel, in activiteiten kan dat ook wel wat
explicieter, zoals in de vieringen. (8)
De tomeloze inzet van christenen om dienstbaar
te zijn, onvoorwaardelijk. We constateren dat
overigens vooral intern, we communiceren dat niet,
uit bescheidenheid denk ik vooral. (9)
We hebben een prachtige basis om vanuit te leven
en te luisteren: in de Bijbel vind je alle antwoorden
op zinvragen: waarom leef ik? Je blijft zoeken
omdat het levend is, maar ook je vragen van
morgen vind je in de Bijbel. (10)
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
48. Daar waar in de originele samenvatting (plaats)namen worden genoemd, zijn deze hier weggehaald.
34 35
Bijlage 3: Overzicht antwoorden pioniers op
drie theologische vragen
48
Jezus. Alle andere dingen tref je ook buiten de kerk
aan. (11)
Dat is een hele spannende vraag. Dat hopen we
wel. Ik denk dat we wel bescheiden moeten zijn.
Dat mensen zoeken naar zin en betekenis, dat leeft
veel breder, uit de maalstroom van het drukke leven
willen stappen, onvoorwaardelijke liefde. Dat wat we
vinden in Christus, dat zou toch anders moeten zijn
dan elders. (12)
Nee, we delen iets universeels. We hebben andere
tradities, maar ik heb het gevoel dat dat een vorm is
voor iets universeels dat ons roept. En daarom is het
moeilijk om buiten hoe je leeft en handelt woorden
te geven aan het unieke dat in mijn beleving niet
gevangen kan worden in één geloof. Wat mij betreft
zijn er dan tussen de woorden veel stiltes en wil ik graag
ruimte creëren voor de ervaring van de ander. (13)
Hoe God zich met ons wil verbinden en Zijn liefde
voor de mensen, dat is uniek. En het besef dat als je
de grootste wil zijn je de kleinste moet willen zijn:
nederigheid, voeten wassen. (14)
De genade van Jezus, dat je niks mee hoeft te
brengen. God staat op de uitkijk, het verhaal van
de verloren zoon. Daar gaat het natuurlijk niet altijd
over, bijvoorbeeld als ik de gastheer ben bij de
biljartavond die we ook in B. hebben, dan gaat het
vaak meer om het bouwen aan relaties dan om het
met woorden delen van het evangelie. (15)
Het eeuwigheidsperspectief. En dat communiceer ik
duidelijk. Migranten zijn echt gevlucht op leven en
dood, die verhalen hebben mij gevormd, de ernst
ervan. (16)
Je hebt alles zelf in de hand en daar moet je je best
voor doen, dat idee zit in veel religies. Christendom
is: met ongevulde handen bij God komen.
Vertrouwen op Gods liefde in ons die uit ons naar
voren komt. Dat geeft rust. (17)
Belangeloosheid. En we hebben een hele mooie
boodschap: waar de wereld naartoe gaat, dat er
een God is, dat het leven zin heeft. Dat wil ik graag
delen, omdat ik zelf heb ervaren hoe mooi het is te
mogen leven uit die hoop, vanuit de houvast van het
geloof. (18)
Als je Jezus níet volgt, hoe doe je het dan in deze
tijd? Zoveel mensen zijn angstig en bang. En wij
hebben de Here Jezus. En dat willen we aan andere
mensen meegeven en vertellen: Hij voorziet, de
zekerheid. We merken dat dat overkomt, zeker
in deze coronatijd. Juist nu kun je mensen wel
aanraken. (19)
De naam van Jezus roept iets moois op, dat we ons
verbonden weten met Hem. En dat wil je delen met
de mensen om je heen, het beeld van Christus. (20)
Wie is Jezus in jouw missionaire communicatie?
Hoe inclusief of exclusief is hij in jouw ogen?
Dat is best ingewikkeld. We brengen Hem wel ter
sprake, in de zin van: wat Hij heeft gezegd, wat kun
je daarmee? Het idee van een hemel, daar voel ik
niet veel verwantschap meer mee. Jezus is vooral
inclusief, al kan ik het exclusieve niet helemaal los
laten. Ik heb er ook niet zo’n moeite mee om dat zo
wat te laten. (1)
Hij is exclusief in de zin dat Hij staat voor een
duidelijke traditie. En inclusief in de zin dat Hij altijd
aardigheid vond in mensen die buiten die traditie
waren of het gevoel hadden dat ze daarbuiten
stonden. (2)
In de communicatie presenteer ik Jezus in de eerste
plaats als een hele goede leraar/wijsheidsgoeroe.
Maar tegelijkertijd, als je goed luistert naar de claim
die Jezus doet, dan zit daar wel een aspect in als:
ik ben de waarheid en ik ben het licht en ik ben het
leven, daar kun je op een bepaald moment wat mij
betreft niet echt omheen. Ik vind het belangrijk dat
dat bij de mensen zelf ontstaat, dat Jezus die claim
legt. En daarmee is Jezus meer dan bijvoorbeeld
de Boeddha. Jezus kan dat wel gebruiken om bij
Hemzelf uit te komen. Dat er bij Hem het meest
diepe leven in zit, dat geloof ik zeker. (3)
We hebben een coördinator aangetrokken die
helemaal níet kerkelijk gebonden is omdat we het
verhaal van hoop universeler vinden dan dat. We
dragen dat christelijke bewust niet nadrukkelijk uit.
‘Gij zult niet oordelen’, ik kan daar voor een ander
niks over zeggen. Wij kunnen niet bevatten hoe God
meet, er is misschien iets van een ‘grote truc’ aan
het eind. Ik geloof niet dat moslim zijn van minder
waarde is. En christenen omgekeerd zijn soms
erg oordelend, daar kan ik niks mee. Jezus is in
mijn ogen heel inclusief. En hoe inclusief Hij is, dat
kunnen wij haast niet bevatten. (4)
36
Hij is inclusief in de zin: iedereen is welkom, Hij
geeft ruimte om te ontdekken. En exclusief in de zin
dat Hij daarbij wel geloof en omkeer vraagt. (5)
Jezus staat best wel op de voorgrond exclusief,
maar in het gesprek dat ik heb met mensen niet: dan
is Jezus meer het universele dat al gedaan is voor
mensen, we zijn er deel van, willen ervan uitdelen.
Zeggen dat mensen Jezus aan moeten nemen doe
ik niet graag. Het Koninkrijk is er al. In mijn preken
heb ik het daar overigens wel over. (6)
Over Hem heb ik het regelmatig. In de verhalen zie
je dat Hij kiest om een ander pad te bewandelen
dan je zou verwachten. Dat radicale vind ik heel
waardevol. Hij is vrij van verwachtingen en durft
andere keuzes te maken en zich niets aan te trekken
van wat anderen vinden, en weet daarbij Zijn
onschuld te bewaren.
Die bekende vraag: What would Jesus do? Je moet
soms ‘anders’ durven doen. Hoe en of mensen op
Jezus reageren, dat vind ik niet belangrijk. (7)
De mens die bij uitstek laat zien wie God is en aan
de andere kant het ware mens-zijn laat zien. Hij
inspireert ons als pioniers: tot pionierswerk en om
‘waar’ mens te zijn. Hij is voor mij niet de enige weg
tot de Vader. Ik breng Hem en Zijn verhalen wel
graag ter sprake. (8)
Ik voel me enorm thuis bij de aloude belijdenis:
Jezus is Heer, gekruisigde en opgestane - al die
begrippen. Hoe exclusief of inclusief dat is vind
ik een lastige: iedereen is welkom, maar ik roep
mensen ook wel op om een keuze te maken en
dat voelt wat exclusiever. In H. (een verbonden
pioniersplek, SS) is dat ‘eigene’ gewoon iets wat
makkelijk te delen is zonder dat het in de sfeer
van bekeren zit. We bieden daarnaast cursussen
aan voor mensen die méér willen weten, en een
huisdienst. Op dat vlak zijn we nu bezig. (9)
Jezus is ‘alle mensen om mij heen’. Zo wil Jezus het
ook. Als gezegd wordt: Jezus geneest, dan betekent
dat: mensen om je heen genezen je. Matteüs 25. (10)
Jezus is een leermeester die dichtbij is, die luistert.
Ik loop nog erg te zoeken: hoe kan ik het evangelie
en Jezus ter sprake brengen? (11)
Hij is Zoon van God, gezonden, verlosser. In de
avondgebeden komt dat uiteraard terug: lezingen,
gebeden, liederen. In de gesprekken is het niet
zo dat we het gaan opleggen, zo van: dit moet je
aannemen. Maar we geven wel aan dat dit onze
motivatie is, hoe God zich geopenbaard heeft in
Christus. Mensen vinden het fijn om hier iets mee te
maken. Als wij aangeven dat dat onze ontmoeting
met God is, dan daalt dat soms wel in. Maar dat is
niet exclusief, het is de bredere religieuze oriëntatie
van mensen. (12)
Een voorbeeld, een mens die ten diepste geleefd
heeft wat de essentie is van het menselijk bestaan.
Hij geeft zoveel mee om je leven te kunnen leven,
het lef om zich zo over te geven aan God, dat
vertrouwen. Jezelf niet voorop stellen, het gaat om
iets dat veel groter is.
Inclusief is Hij: uitsluiting is niet een weg om te gaan,
in God valt alles samen. Jezus is een voorbeeld om
naar te leven. Dé waarheid hebben christenen niet
in pacht. (13)
Jezus is het Woord van God, als je Hem leert
kennen door met Hem ‘te zitten’, dan wordt God
zichtbaar, steeds meer. Hij geeft een antwoord op
alle vragen. Christus is mijn verlosser maar ook de
Heer, een vriend, een vader, iemand die meegaat
met mij en mij leert God te gehoorzamen, Hij
inspireert mij te leven met God en met de mensen.
Hij is volmaakt God en volmaakt mens. En wij
hebben een volmaakt beeld nodig om te weten hoe
wij het moeten doen. (14)
Hij is de Zoon van God die mens geworden is,
die weet wat het menselijk lijden is. Hij is die weg
gegaan om daarmee af te rekenen. Jezus is de enige
weg naar de Vader. Maar ik geloof dat Christus zich
ook bij een moslim kan openbaren als de weg naar
de Vader, naar Allah. Iemand kan moslim blijven om
niet verstoten te worden, maar wel in Jezus geloven
als weg naar de Vader. Niet alleen in de kerk komen
mensen tot de Vader. God is zó royaal. Ik geef een
voorbeeld van een mevrouw, zwakbegaafd en niet
zo geliefd in de woonwijk, het zat niet goed in haar
hoofd en in haar hart. Bij ons kreeg ze plek. En
tijdens een viering viel ze in slaap bij de preek. Bij
de rondgang van het avondmaal – waar we altijd
zeggen: ‘als je gelooft dat Jezus voor je gestorven
is en je redt dan is er brood en wijn voor jou’ – nam
ze bij het avondmaal, waar ze altijd aan meedoet,
van de schaal een hele matse in plaats van een
stukje. Dat werkte als een beeld bij mij: bij Jezus
is overvloed. God houdt ook van haar, een niet
makkelijke vrouw. Een andere mevrouw, de grootste
atheïst van Z. in eigen ogen, nam een briefje van de
36 37
schaal die rondgaat bij het Avondmaal voor mensen
die geen brood willen nemen. Het briefje was in haar
ogen precies voor haar, dat was heel bijzonder. (15)
Hij is aanwezigheid in ons en ook in ons gebouw,
we bidden ook altijd of de duivel en zijn geesten
aan de kant gaan als wij daar binnenkomen. Mijn
verstand gelooft dat niet helemaal, maar ik zet dat
even apart: Jezus is merkbare aanwezigheid. En Hij
is ook ons oriëntatiepunt om na te volgen. Ik doe
aan dumpster diving (supermarkten en dergelijke)
en dat is voor mij ook Jezus navolgen: eten/spullen
redden van de vernietiging. En ik leer dat ook
anderen. We delen dat dan weer uit, en daarnaast
hebben we deals gesloten met een bakker, met een
supermarkt. (16)
Jezus is de Zoon van God. Ik probeer wel tot Hem
te bidden. God of Jezus is soms inwisselbaar.
Jezus is soms ontzettend inclusief: de ongure types
waarmee Hij optrok, de verhoudingen die Hij op zijn
kop zet. Ontzettend exclusief ten aanzien van de
religieuze mensen om Hem heen. Ik heb zelf een
meer inclusieve insteek hier in onze pioniersplek. (17)
Allereerst: de houding van Jezus: Hij stond open
voor tal van mensen die anderen in de hoek
schoven. Met welke ogen kijk je naar mensen, dat
leert Hij ons. En óver Jezus: Hij geeft hoop omdat
Hij de dood heeft overwonnen, en daarmee staat
voor het leven. Jezus is inclusief: er wordt geen
mens weggedrukt, tot zondaar bestempeld. Een
zekere exclusiviteit: Jezus belijden als Heer. Dat
hoort bij de binnenste cirkel van een gemeenschap,
daaromheen zijn mensen die Hem wel bijzonder
vinden. (18)
Hij is mijn Geneesheer, Redder, Vader, mijn alles,
Hij geeft mij kracht. Kortom mijn hemelse Papa.
Hij voorziet en zorgt voor je. Hij is inclusief: alles is
mooi, bij Hem is alles goed, tevreden, rust. Jezus
sluit niemand uit: iedereen is welkom. Daar ben ik
wel anders op gaan kijken: iedereen mag opnieuw
beginnen, een nieuwe kans. Ik ben zelf ook
inclusiever geworden. (19)
Voor mij persoonlijk is Jezus de persoon die mij het
leven geeft om het ook met anderen te delen. Hij is je
alles. Je komt Hem ook overal tegen, in de contacten
met anderen. Daar kijkt Hij ook jou aan. In de ander
komt Hij je tegemoet. Voor mij is Hij inclusief, Hij
sluit niet buiten. Een boek als De Jezusruimte (Benoît
Standaert), dat inspireert me. (20)
Wat betekent voor jou ‘redding’ (soteria)? Is er ook
iets als ’verloren gaan’? (mogelijk onderscheid
daarbij: hier en nu versus eeuwigheid)
Dat is een moeilijke vraag. Redding heeft te maken
met heel-worden, genezing. Ook in de relatie tot je
Schepper.
Verloren gaan, dat is er wel maar ik denk niet aan
iets als een hel. Dat is iets wat ik losgelaten heb, ik
focus er niet meer op. In dit leven zie je mensen
verloren gaan, psychisch en holistisch. (1)
Redding: dat je het niet alleen hoeft te doen, dat er
een kracht is die voelbaar is in goede mensen en in
jezelf waardoor je het gevoel hebt dat je alles aankunt.
Verloren gaan: ja, verloren in het wegraken van je
eigen mens-zijn, van het talent dat je ook vleugels
kan geven, wegraken in het medemens zijn,
wegraken van je roots die ook te maken hebben
met je roeping, in allerlei drukte, in ellende. (2)
Bevrijd zijn van jezelf, ook van wat anderen van
je vinden. Je diepste identiteit is in Christus, dat
heeft te maken wat Paulus schrijft, over dat niets of
niemand je kan scheiden van de liefde van Christus.
Gered zijn gaat over een nieuw, een ander leven.
Een leven verbonden met Jezus is een vrij leven.
Een leven óók dat eeuwigdurend is, voorbij de grens
van de dood.
En ja, ik denk dat een leven ook een verloren leven
kan zijn. Je kunt je doel missen als mens. Ik denk
wel dat er iets is als een oordeel, om dingen recht te
zetten, maar ik hoop dat Gods liefde zo groot is dat
de hel leeg is. Maar ik denk toch dat je de realiteit
van een oordeel en van verloren gaan overeind
moet houden. Lewis heeft een mooie metafoor over
hoe je hierover kunt denken: verloren als volkomen
in jezelf gekeerd zijn. (3)
Redding: dat je alles al gekregen hebt, bent zoals
je bent, dat je fouten mag maken. Een hemel heb
je niet verdiend maar daar mag je wel naartoe.
God staat je met open armen op te wachten, Hij
veroordeelt niet. En dat mag je nu al ervaren, die
redding, dat je goed genoeg bent zoals je bent.
Verloren gaan: dat zijn de gemiste kansen in ons
leven, en die zijn er heel veel. Er is veel geploeter op
deze aarde. (4)
Redding: dat mensen Jezus leren kennen en Hem
die Hem gezonden heeft, wedergeboorte zodat je
leven verandert en ook je karakter, en dat werkt ook
door op de eeuwigheid: Joh. 17:3.
38
Verloren gaan: ja, als je buiten Hem blijft, dan kan
dat ook voor de eeuwigheid gelden. (5)
Redding: bevrijd zijn (als je verkeerde keuzes maakt
mag je het opnieuw doen), in vrijheid mogen leven,
ontspanning, vergeving; en dat je er ook aan mee
mag doen dat anderen dat ervaren (‘opdracht’),
geroepen zijn.
Verloren gaan, dat vind ik een spannende vraag. De
predestinatiekwestie, daar heb ik wel een haat-
liefdeverhouding mee. Alverzoening trekt me wel
aan. Concreet, in dit leven, daar kunnen mensen wel
verloren gaan/zijn, allerlei dingen verliezen in het
leven, maar of dat voor God ook zo is .... Hij is groot
genoeg om daar iets mee te kunnen. (6)
Redding: in welk dal je ook zit: je mag er zijn (het
voetstappengedicht). De redding na je dood, dan
verwijs ik liever naar een predikant.
Zonde; ‘er had meer ingezeten’, ‘wat jammer’. Dat
anders invullen vind ik moeilijk. Ik ga ook liever
uit van het goede in de mens. Verloren gaan na je
dood, daar geloof ik niet in. God is er dan met Zijn
liefde en troost, dat geloof ik. (7)
Redding: innerlijke vrede. Dat je je weet te
verhouden tot je problemen, dat je niet cynisch
wordt maar dat je innerlijke kracht op weet te
brengen om verder te gaan, dat je een mens van
vrede wordt/blijft.
Verloren gaan is er ook. Niet in de zin van ‘naar
de hel gaan’, maar kijk maar eens rond in deze
wereld. Zoveel mensen die klappen krijgen, de hoop
verliezen. Dat is verloren gaan. Maar je mag weten:
voor God ben je nooit verloren. (8)
Ik las pas bij Samuel Wells: redding heeft te maken
met de ballast van het verleden los kunnen laten, én
het perspectief van de hoop, van eeuwig leven; en
in die terugblik en vooruitblik de aanwezigheid van
God kunnen ervaren.
Het verloren zijn/gaan daarin is voor mij de kern: zo
druk zijn als mens met van alles en nog wat dat je
God uit het oog bent verloren. Dat gaat dus vooral
over het hier en nu. Ik wijs mensen graag op de
liefde en de hemel, en niet op de hel o.i.d., maar het
blijft wel een aanwezig ding in mijn denken, maar ik
merk dat ik een soort ‘verzachting’ zoek of zo. (9)
Ik heb niet zoveel met die beide begrippen. Ik denk
dat ieder mens lief is (al vindt mijn vrouw dat wel
naïef) en als dat niet zo is, dan zit hen iets in de weg.
(10)
Redding is voor mij heel praktisch: ongeacht de
omstandigheden waarin je zit, vind je vreugde:
bijvoorbeeld dansende kinderen op een kapotte
bank als jij op bezoek komt. Verloren gaan associeer
ik met het verlies van die vreugde, van je mens-zijn;
dat zie je op veel manieren in de samenleving.
Ik wil hierbij nog benadrukken dat verlies van
vreugde voor mij niet hetzelfde is als verlies van
nabijheid van God. Het is heel goed mogelijk om
langdurig je leven te ervaren als een grauw bestaan,
en tegelijk diep verbonden te zijn met God.
Verloren gaan heeft daarnaast te maken met God
niet kennen. Ik zie het in lijn van C.S. Lewis: aan het
eind van de Narniaverhalen staat Aslan in de deur
waar je naar het licht kunt gaan óf naar de schaduw.
Verloren gaan: kiezen voor het kwaad. (11)
Ik kan er geen expliciete formule van geven, er in
algemene termen over praten. Er zitten heel veel
verwonde mensen, ze ervaren hier iets van ‘ruimte
waarin ze opleven’, dat is dan soteria. Mensen zíjn
verloren, erváren zich als verloren, verwond - dat
zijn dingen waar de mensen mee komen.
De eeuwigheid speelt geen rol voor de mensen
die hier komen. Het is geen dringende vraag, voor
mezelf ook niet meer. Het gaat meer over: welke
aarde laten we na - meer dan: komen we in de
hemel of de hel? (12)
Dat iets of iemand verloren is, dat kan ik me niet
indenken. Ik denk niet dat het leven stopt als we
stoppen met ademen, hier is niet de enige plek.
Naar mijn idee hebben wij zo’n beperkt beeld van
wat leven is. Voor mijn gevoel valt hier en nu en
eeuwigheid samen. (13)
Redding: ik ben in de zonde verdronken en Hij
heeft mij daar uitgehaald. Buiten Jezus is er geen
redding. Hij is de deur. Er is geen andere. Maar wie
daardoor naar binnen gaat weet alleen God. Door
zijn rechtvaardigheid en liefde zal Hij veel mensen
rechtvaardigen, ook die Christus niet kennen of
gekend hebben.
Ik denk als God rechtvaardig is en liefde, dan moet
er ook recht gesproken worden, dus ja, er is verloren
gaan. (14)
Redding is bevrijding, losgemaakt worden van
banden die je naar beneden trekken, naar de dood,
naar alles wat eindig is. Daar wordt je van gered,
dankzij Jezus. Dat zie je ook gewoon bij mensen
gebeuren. Want het zijn vaak mensen met een grote
rugzak die komen. Je moet wel Jezus aangenomen
38 39
hebben, en het is wel mijn worsteling hoe het zit
tussen iemand en Jezus. Dan denk ik dat ik Jezus
een handje moet helpen, terwijl dat niet hoeft.
Jezus is voor iedereen gestorven, maar heeft
iemand het ‘gepakt’ ...
Verloren zijn is ook de toestand waar je voor kiest,
om daarin te blijven (of terug te vallen). Je ziet
mensen naar de knoppen gaan. (15)
Het betekent van allerlei. Ik ben gered van een last
van schuld. Ik ervaar dat nu niet (meer) zo, maar ik
gelóóf het wel. Zelf zit ik nu meer op: ik denk dat
je er beter van wordt als je je verschuilt achter het
bloed van Jezus, dat leer ik ook van mensen uit
Afrika. Dat bloed is niet alleen verzoenend, er zit ook
‘power’ in. Dat merk je soms ook.
Verloren zijn: een ziel die zweeft zonder dat ie
is ingenomen door Jezus, een lege huls. Zoals
Augustinus zegt: onrustig zijn. Het is doodsheid
tegenover levendigheid, ik zie dat ook in de ogen
van mensen.
Ik geloof in een hiernamaals met twee opties, en
niet met drie. Een licht en een donker. Hoe het
precies zit weet ik niet, maar zonder God kun je wel
eindigen. Ik hoop dat alsnog iedereen er komt, maar
ik betwijfel het. Ik lig daar niet van wakker. Ik heb
niet (nog) genoeg moed om het tegenover anderen
te noemen. (16)
Voor mij gaat het leven met Jezus primair over een
bevrijdend leven in het hier en nu. Niet uit angst
voor de hel. Gods armen zijn breed/groot.
Verloren gaan: dat gaat voornamelijk over dit leven:
een moeilijk leven, of juist een arrogant bestaan. (17)
Redding: bevrijd zijn van wat je terneerdrukt.
Perspectief hebben/krijgen. Zonde is wat je
neerdrukt, wat de relatie met God in de weg staat,
en ook die met mensen. Ten diepste: je verbonden
weten met God. Die redding kun je ervaren in je
leven, maar het is ook een eeuwige redding.
Verloren gaan: het is een gemiste kans als je Jezus
niet hebt leren kennen en Zijn weg bent gegaan.
Ik heb daar zelf veel vreugde in ervaren. Eeuwig
verloren gaan, daar ga ik niet over gelukkig. Er blijft
echter een zekere spanning, die moet ik maar even
uithouden/volhouden. (18)
Redding: wij hoeven niet bang te zijn. Als we
heengaan, gaan we naar Hem, eeuwig leven. God
is liefdevol, Hij laat niemand verloren gaan. Hij zorgt
voor iedereen. (19)
Redding: je gered weten door Jezus dat is je mens
weten zoals God je bedoeld heeft, zoals je het best
tot je recht komt. Het verlossende zit in de weg
die Jezus gegaan is, van lijden en van sterven en
opstaan. In Jezus zie je de beweging expliciet die
we allemaal moeten/mogen gaan, en Hij is hem ook
nog eens voor jou gegaan. Het is ook je daaraan
durven overgeven, aan toevertrouwen. Als we Jezus
echt zouden leren kennen, dan zouden we ons ook
aan Hem toevertrouwen, ontdekken dat we dan
tot bloei kunnen komen. De Jezusruimte is heel
ruim, veel ruimer dan ik me kan indenken. Maar de
verbondenheid met Jezus is wel nodig.
Verloren gaan: je verloren weten, de wereld is niet
mooi. Er is iets wat jou kapotmaakt. Van de hel is
geen voorstelling te maken, en dat helpt ook niet
zoveel.
Soms zeggen mensen: je moet de twee wegen
verkondigen. Maar ik verkondig maar één Weg,
die andere is er wel maar die hoef ik niet te
verkondigen, zo help je mensen niet op de goede
weg. Het is niet aan ons, en ook niet aan de kerk
om te oordelen. Dat leeft hier wel sterk, daar zijn
mensen door beschadigd.
Ik geloof in de werkelijkheid van verloren gaan,
omdat er ook recht zal moeten worden gedaan aan
onrecht dat hier en nu gebeurt en geen verzoening
heeft gezocht. Er is verlorenheid, en daar moet
recht overheen komen. (20)
Dienstenorganisatie Protestantse Kerk
Joseph Haydnlaan 2a
Postbus 8504
3503 RM Utrecht
Telefoon: (030) 880 18 80
E-mail: info@protestantsekerk.nl
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.