ArticlePDF Available

Abstract

Vanaf 2023 mogen pensioendeelnemers bij pensionering eenmalig (maximaal) tien procent van hun opgebouwde pensioenvermogen opnemen. In hoeverre speelt het vertrouwen in de beloftes van pensioenuitvoerders een rol bij de interesse om gebruik te maken van deze eenmalige uitkering?
92 ESB, 107(4806), 17 februari 2022
HARRY
VAN DALEN
Hoogleraar aan
Tilburg University
en onderzoeker bij
NIDI-KNAW
KÈNE
HENKENS
Hoogleraar aan
de Rijksuniversi-
teit Groningen en
onderzoeker bij
NIDI-KNAW
NIELS
KORTLEVE
Adviseur bij PGGM
PENSIOEN EMPIRISCHE ANALYSE
Onzekere pensioenuitkomsten
verhogen kans van opname
‘bedrag ineens’
De mogelijkheid om vanaf 2023 bij pensionering
eenmalig een deel van het opgebouwde pensi-
oenvermogen op te nemen, maakt deel uit van
het streven van overheid en sociale partners
om het pensioenstelsel ‘persoonlijker en transparanter’ te
maken. Ook past dit bij de intentie om meer keuzemoge-
lijkheden aan het stelsel toe te voegen.
Door deze extra keuzemogelijkheid zullen verzeke-
raars en pensioenfondsen meer en vaker dan in het verleden
aandacht moeten schenken aan de zorgplicht richting hun
deelnemers. Het is immers een onomkeerbare keuze met
langetermijnconsequenties voor de deelnemer.
Uit de literatuur blijkt dat de meeste mensen waarde
hechten aan een maandelijks ‘vast bedrag’, en dit prefereren
boven exibiliseringsopties zoals een hoog-laaguitkering
of een ‘bedrag ineens’ (Van der Cruijsen en Jonker, 2019).
Redenen voor sommige mensen om geen gelijkblijvend uit-
keringspatroon te kiezen, zijn bijvoorbeeld liquiditeitspro-
blemen (Willemsen en Kortleve, 2016), grotere eenmalige
uitgaven, of afnemende kosten van levensonderhoud.
Nu de introductie van het ‘bedrag ineens’ dichterbij
komt, is het goed om de deelnemersvoorkeuren wat betre
de opname van een bedrag nog eens tegen het licht te hou-
den. De centrale vraag die we in beantwoorden is in welke
mate het vertrouwen in de beloes van de pensioenuitvoer-
der over de pensioenuitkering een rol speelt bij de keuzes
die mensen maken.
Enquête
In februari 2021 is met de NIDI-Netspar-pensioen monitor
(via het LISS-panel) een vraag aan pensioendeelnemers
gesteld die op dat moment nog niet de AOW-gerechtigde
leeijd hadden bereikt en ook nog niet met pensioen waren.
De totale steekproef bedroeg 2.856 respondenten (respons
tachtig procent). Omdat in de nieuwe wetgeving is opge-
nomen dat het recht op opname van pensioenvermogen
slechts op het moment van pensionering kan geschieden,
hebben we gepensioneerden buiten beschouwing gelaten
en concentreren we ons op alle werknemers in loondienst
die nog niet met pensioen zijn – zij zullen immers nog voor
die keuze gesteld worden.
De volgende vraag werd aan respondenten gesteld:
“Een van de keuzemogelijkheden die wordt overwogen is
om pensioendeelnemers de mogelijkheid te bieden om op
het moment van pensioneren 10 procent van hun opge-
bouwde pensioenvermogen op te laten nemen en naar
eigen inzicht te besteden of te beleggen. Uiteraard wordt
de pensioenuitkering daarna wel verlaagd en verrekend met
het opgenomen bedrag. Welke keuze zou u maken op het
moment van pensionering?” De respondenten hadden de
keus uit twee opties: (1) niets doen, en alles laten zoals het
is; of (2) tien procent van het pensioenvermogen opnemen.
Interesse in opname
In totaal blijkt 29 procent van de actieve deelnemers inte-
resse te hebben voor de opname van een bedrag ineens.
Onder 45-plussers is dit 25 procent.
De vraag is welke rol het vertrouwen in de zekerheid
van pensioenuitkomsten speelt. Aan de hand van een logit-
analyse proberen we de belangstelling te verklaren voor het
opnemen van tien procent van het pensioenvermogen. De
centrale verklarende variabelen vormen de pensioen kennis
van de deelnemer en de gepercipieerde zekerheid van de
verwachtingen ten aanzien van het pensioen dat door het
eigen pensioenfonds geboden wordt. Pensioenkennis stel-
len we vast via een eenvoudige schaal die meet of een deel-
nemer kennis hee van een aantal veelgebezigde pensioen-
begrippen. De gepercipieerde onzekerheid meten we via
een vraag waarbij de deelnemer aangee of zij/hij denkt
dat de verwachtingen ten aanzien van het pensioen daad-
werkelijk zullen worden waargemaakt. Daarnaast bestaan
de variabelen uit geslacht, leeijd, gezondheid en inko-
men, die als controlevariabelen zijn opgenomen. We heb-
ben het model geschat voor alle werknemers, maar ook bij
Vanaf 2023 mogen pensioendeelnemers bij pensionering een-
malig (maximaal) tien procent van hun opgebouwde pensioen-
vermogen opnemen. In hoeverre speelt het vertrouwen in de
beloftes van pensioenuitvoerders een rol bij de interesse om
gebruik te maken van deze eenmalige uitkering?
IN HET KORT
Van de oudere werknemers zegt 25 procent gebruik te willen
maken van de eenmalige opname van pensioenvermogen.
Onzekere verwachtingen over pensioenuitkomsten vergroten
de behoefte aan de keuze voor opname.
Vooral hogere inkomens en goed geïnformeerde pensioendeel-
nemers hebben veel belangstelling.
93ESB, 107(4806), 17 februari 2022
een uitsplitsing naar 45-plussers en 45-minners.
Wanneer deelnemers de pensioenuitkomsten van de
eigen pensioenuitvoerder als onzeker percipiëren, neemt de
kans sterk toe dat ze voor een bedrag ineens opteren (zie
online bijlage voor de logit-analyse). Dit eect blijkt vooral
sterk te zijn onder oudere werknemers, een groep waarvan
de ervaring leert dat de kennis van en interesse voor pensio-
neringsopties groter is dan bij jongere werknemers voor wie
het pensioen veelal nog een ‘ver van hun bed’-show is. De
factor pensioenkennis speelt eveneens een grote rol: hoe
groter de kennis, des te meer men denkt gebruik te zullen
maken van de keuzeoptie van een ‘bedrag ineens’. Tot slot
valt op dat het vooral de hogere-inkomensgroepen zijn die
een sterke voorkeur hebben voor deze keuzeoptie.
Om de grootte van de eecten van de belangrijkste
voorspellers te illustreren, toont tabel 1 de belangstelling
voor een bedrag ineens uitgesplitst voor pensioenkennis en
de gepercipieerde onzekerheid van pensioenbeloes voor
werknemers met een modaal inkomen. De voorkeur voor
een bedrag ineens varieert van 9 procent (geen kennis en
pensioenuitkomst zeker) tot 41 procent (veel kennis en
pensioenuitkomst onzeker).
Bij 45-plussers met een bovenmodaal inkomen liggen
deze percentages nog hoger. Zo hee 68 procent van de
45-plussers, met een netto-maandinkomen van 3.500 euro
of meer (en met veel kennis en onzekere pensioenuitkom-
sten), een voorkeur voor een bedrag ineens.
Verwachte bestemming van opname
Tabel 2 laat zien wat degenen die voor een bedrag ineens
gaan, met het vrijgevallen vermogen zouden willen doen.
We kijken daarbij vooral naar in hoeverre men het bedrag
voor consumptieve doeleinden wenst te gebruiken, of dat
men het opgenomen bedrag als pensioenvermogen in eigen
beheer wil nemen. Indien werknemers in hoge mate kiezen
om het vrijgevallen vermogen zelf te gaan beheren en beleg-
gen, dan kan men dit als een teken van wantrouwen zien
ten aanzien van de traditionele pensioenbeheerders, of als
een teken van veel (zelf)vertrouwen in de eigen beleggings-
vaardigheden.
Vooral bij werknemers jonger dan 45 jaar bestaat er
sterk de behoee (59 procent) om het geld in eigen beheer te
hebben. Op zich is deze intentie ook niet zo vreemd als men
bedenkt dat de onzekerheid van pensioenbeloes een grote
rol speelt bij het opnemen van een bedrag ineens. Onder
oudere werknemers wordt deze bestemming, zelf beleggen
(37 procent), nipt overtroefd door de intentie om het geld te
gebruiken voor grote uitgaven of investeringen (39 procent).
Conclusie en discussie
Het bieden van de keuzeoptie om een bedrag ineens op te
nemen, kan bij 45-plussers op redelijk veel belangstelling
rekenen. Vooral hogere inkomens en zij die enige pensioen-
kennis bezitten blijken een sterke voorkeur voor een bedrag
ineens te hebben.
Wanneer pensioenuitkomsten als onzeker worden
gezien, is de belangstelling voor een bedrag ineens groter.
In het nieuwe pensioenstelsel kan de keuze voor het ‘bedrag
ineens’ van deelnemers wel eens groter zijn dan verwacht. In
het nieuwe stelsel zal de band tussen het uiteindelijke pen-
sioen en de behaalde beleggingsrendementen transparanter
zijn dan in het huidige stelsel. In het nieuwe stelsel bewegen
de uitkeringen met de economie en nanciële markten mee,
terwijl in het huidige stelsel deze onzekerheid zich vertaalt
in minder indexatie en mogelijke kortingen.
Als onzekerheid de drijvende kracht is achter deze
beslissing, dan is het nog maar de vraag of de keuzes altijd in
het belang zijn van de deelnemer zelf. Financiële onwetend-
heid, overmoed en een voorkeur voor het hier en nu liggen
op de loer, en vormen een slechte basis om tot een besluit
over pensioenen te komen (Mehlkopf et al., 2019). Het
belang van een goede ondersteuning vanuit de pensioen-
uitvoerder, en van een betrouwbare advies-infrastructuur
daarbuiten, is meer dan ooit gewenst.
Literatuur
Cruijsen, C. van der, en N. Jonker (2019) Pension prole preferences: the
inuence of trust and expected expenses. Applied Economics, 51(12), 1212–1231.
Mehlkopf, R., E. Nielsen en Y. van Dorssen (2019) Eenmalige lumpsum bij
pensionering kent ook nadelige effecten. ESB, 104(4777), 450–451.
NIDI-Netspar pensioenmonitor (2021) Vertrouwen in pensioenfondsen even
hoog als vorig jaar. Netspar.
Willemsen, M. en N. Kortleve (2016) Eenmalige pensioenuitkering voorziet in
behoefte. ESB, (101)4734, 347–349.
Data: NIDI-Netspar pensioenmonitor (2021) | ESB
Intenties om bedrag ineens te kiezen onder
45-plussers met modaal inkomen1 in procenten
TABEL 1
Data: NIDI-Netspar pensioenmonitor (2021) | ESB
Verwachte bestemming van opname tien procent
pensioenvermogen onder werknemers
TABEL 2
Bestemming eenmalige uitkering 1 In procenten
Totaal < 45 jaar 45 jaar
Zelf beleggen/beheren 49 59 37
Grote uitgaven/investeringen 34 30 39
Aossen hypotheek/schulden 33 35 31
Alledaagse uitgaven 10 12 7
1 Er waren meerdere antwoorden mogelijk, waardoor het totaal meer dan 100 procent kan zijn
Pensioenkennis
Geen Veel
Perceptie van pensioenuitkomsten
van de eigen pensioenuitvoerder
Onzeker 19,4 40,8
Zeker 9,2 22,6
1 Netto-maandinkomen van 2.000–2.500 euro
Noot: Simulaties o.b.v. tabel A1 (online bijlage)
Bron: NIDI-Netspar | ESB
Verklaring intenties voor tien procent
pensioenvermogen ineens opnemen
TABEL A1
Kansratio’s
Totaal
werknemers
Oudere
werknemers
45 jaar1
Jongere
werknemers
< 45 jaar
Geslacht (man = 0) 1,03
(0,17)
1,48
(0,35)
0,78
(0,18)
Leeftijdsgroep (15–24 = 0)Leeftijdsgroep (15–24 = 0)
25–34 0,36*
(0,20)
-0,37*
(0,21)
45–54 0,19***
(0,11)
-0,19***
(0,11)
45–54 0,17***
(0,10)
1,001-
Netto maandinkomen (2.000 tot 2.500 = 0)Netto maandinkomen (2.000 tot 2.500 = 0)
500 tot 1.500 euro 1,12
(0,29)
0,94
(0,36)
1,29
(0,46)
1.500 tot 2.000 euro 1,08
(0,23)
1,38
(0,43)
0,89
(0,26)
2.500 tot 3.500 euro 1,54**
(0,31)
1,53
(0,43)
3.500 euro of meer 2,63***
(0,77)
3,20***
(1,23)
2,21
(1,08)
Pensioenkennis21,79***
(0,29)
1,71**
(0,40)
1,92***
(0,45)
Gezondheid (goed = 0)Gezondheid (goed = 0)
Matig/slecht 0,49**
(0,15)
0,48*
(0,19)
0,51
(0,24)
Zeer goed/uitstekend 1,13
(0,18)
1,02
(0,25)
1,21
(0,27)
Zekerheid pensioenuitkomst eigen pensioenbeheerderZekerheid pensioenuitkomst eigen pensioenbeheerder33 (neutraal = 0) (neutraal = 0)
(Zeer) zeker 0,78
(0,14)
0,96
(0,25)
0,66
(0,17)
(Zeer) onzeker 1,67**
(0,30)
2,32***
(0,59)
1,23
(0,31)
N994 546 448
Pseudo R20,07 0,07 0,07
Logit-analyse, ‘niets doen’ is basiscategorie
*/**/*** Signicant op respectievelijk tien-, vijf- en eenprocentsniveau.
1 Leeftijdsgroep 45–54 fungeert als basiscategorie.
2 Pensioenkennis is een schaal van vijf kennisvragen over pensioenbegrippen (AOW, aanvullend pensioen,
doorsneesystematiek, UPO en dekkingsgraad) met als antwoordcategorieën: (1) ik weet het niet; (2) ik het
weet het ongeveer; (3) ik het weet het vrij precies.
3 De vraag hierover luidt: “Hoe zeker is het volgens u, dat de verwachtingen die uw pensioenfonds/verzeke-
raar schept ten aanzien van uw pensioen, ook daadwerkelijk waargemaakt worden met antwoordenschaal
variërend van ‘zeer zeker’ tot ‘zeer onzeker’.
... For instance, Van der Cruijsen and Jonker (2019) show how workers and pensioners who do not trust their pension fund are more likely to prefer a lump sum over annuity-based arrangements. And to cite another example pointed out by Van Dalen et al. (2022), the new pension system will make pension benefits more uncertain. They show a clear association between the dislike of participants for uncertain outcomes and their intended take-up rate of the lump-sum option. ...
Article
Full-text available
Trust in pension providers by participants is essential because pension providers try to fulfill their pension promises in a fundamentally uncertain world. Reforms and crises are therefore the ultimate testing ground for pension trust. In this paper we estimate with repeated cross-sectional survey data how trust and distrust in Dutch pension funds and the government have evolved over the period 2004–2021 and what the impact of financial stability on trust in these two institutions has been. Financial stability of pension funds, measured by their funding ratio, is shown to affect trust positively, but it does not decrease distrust significantly. Based on the estimation results, achieving a situation where the majority of the adult population trusts pension funds is likely to be attained at funding ratios of 115 or higher. Financial stability of government (measured by government debt/GDP ratio) does not affect either trust or distrust levels. Underlying drivers of distrust and trust such as personal characteristics are also notable: self-employed are more prone to distrust pension funds than employees. Women are more than men likely to take a neutral position.
Article
Full-text available
Vertrouwen in politiek en maatschappij staat herhaaldelijk ter discussie, maar in welke mate werkt dat door op het vertrouwen in pensioeninstituties? Op basis van LISS-data uit februari 2020 worden twee hoofdvragen geanalyseerd: (1) Welke homogene groepen ten aanzien van vertrouwen in politieke en maatschappelijke instituties bestaan er in de Nederlandse samenleving? (2) Hoe hangt deze typologie van groepen samen met vertrouwen in het pensioenbeheerders? Een kleine groep (14%) etaleert breed wantrouwen richting politiek en maatschappij; er is een grote groep (51%) die breed vertrouwen heeft in politiek en maatschappij; en een middengroep (35%) die de politiek wantrouwt, maar de uitvoerders in het publieke domein (zoals wetenschap, gezondheidszorg) vertrouwt. Vooral de beide uiterste klassen in dit vertrouwensspectrum spelen sterk door in het vertrouwen in pensioenbeheerders.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.