ArticlePDF Available

Abstract

Explicating yields of co-creation For the purpose of applied research in and quality improvement of co-creation processes, we present an approach by which the yields of co-creation are made explicit. Firstly, participants reflect individually on perceived yields, supported by key questions and competency-goal reflection matrices. Subsequently these reflections bring focus to a joint dialogue and agreements related to co-creation efficacy. Both individual reflections as well as (summaries of) the joint dialogue can be used both as research data for the study of specific partnerships and for cross-case comparisons. The proposed approach fits a pragmatic research paradigm and contributes to both ecological and catalytic validity. We clarify our approach, illustrate it with practical examples, and reflect on the usability.
Bedankt voor het downloaden van dit artikel. De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij
Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een
bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever
worden gevraagd.
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze
uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar
gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen
of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m
Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130
KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse
regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere
compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting
Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the
publisher.
info@boomamsterdam.nl
www.boomuitgeversamsterdam.nl
KWALON 2019 (24) 2 25
ONDERZOEK IN DE PRAKTIJK
In deze rubriek gaat het om verhalen over en/of reflecties op de ervaring met methodi-
sche, praktische, politieke, morele en wie weet esthetische problemen waar onderzoe-
kers in de praktijk mee te maken krijgen. Redacteuren voor deze rubriek zijn Esther van
Loon: ik@esthervanloon.nl en Rik Wehrens: wehrens@eshpm.eur.nl.
Expliciteren van co-creatieopbrengsten
Jeroen S. Rozendaal, Niek van den Berg & Kathinka van Doesum*
Ten behoeve van praktijkgericht onderzoek naar en kwaliteitsverbetering van co-cre-
atieprocessen stellen we een aanpak voor waarmee opbrengsten van co-creatie wor-
den geëxpliciteerd. Participanten reflecteren eerst individueel op de gepercipieerde
opbrengsten met behulp van kernvragen en competentie-doel reflectiematrices. Deze
geleide reflecties geven vervolgens richting aan een gezamenlijke dialoog en onderlin-
ge afspraken met betrekking tot doelmatigheid van de samenwerking. Zowel indivi-
duele reflecties als (samenvattingen van) de daaropvolgende dialoog leveren gege-
vens voor onderzoek naar een specifiek samenwerkingsverband en maken ook
vergelijkingen tussen cases mogelijk. De voorgestelde aanpak past in een pragma-
tisch onderzoeksparadigma en draagt bij aan ecologische en katalyserende validiteit.
We verhelderen de aanpak, illustreren deze met praktijkvoorbeelden en reflecteren op
de bruikbaarheid.
In samenwerkingsverbanden die nadrukkelijk voor co-creatie kiezen (zie Wierds-
ma & Swieringa, 2011, p. 120), blijven keuzes, condities, beoogde opbrengsten en/
of de geleverde meerwaarde van de samenwerking vaak impliciet; zowel voor het
geheel als voor individuele participanten. Dit ontneemt hun kansen tot verdere
ontwikkeling en bemoeilijkt onderzoek naar co-creatieprocessen.
In dit artikel stellen we een aanpak voor waarmee co-creatieopbrengsten worden
geëxpliciteerd ten behoeve van ontwikkeling en/of onderzoek. De aanpak zelf kan
ook als interventie worden gezien en past zo binnen praktijk(gericht)onderzoek
* Dr. Jeroen S. Rozendaal is hoofddocent praktijkgericht onderzoek bij het Instituut voor Leraren-
opleidingen (IVL) van Hogeschool Rotterdam en zelfstandig onderwijsonderzoeker/-adviseur.
E-mail: j.s.rozendaal@hr.nl. Dr. Niek van den Berg is onderwijssocioloog, lector ‘Grenspraktijken
van opleiders en onderzoekers’ bij Aeres Hogeschool Wageningen en onderzoeker/adviseur bij
Strix Aluco – onderzoek & innovatie. E-mail:n.van.den.berg@aeres.nl. Kathinka van Doesum is
docent/onderzoeker bij het Research Lab van mboRijnland, dat als doel heeft de onderzoekscul-
tuur in het mbo te versterken. Daarnaast is zij docent bij het mbo-college Economie, Internatio-
naal Marketingmedewerker. E-mail: kdoesum@mborijnland.nl.
Kwalon_24_2_DEF.indb 25 11-06-19 13:41
Jeroen S. Rozendaal, Niek van den Berg & Kathinka van Doesum
KWALON 2019 (24) 226
dat is opgezet vanuit het pragmatisch onderzoeksparadigma: middels samen ont-
werpen, uitproberen, reflecteren en verbeteren in werkpraktijken komen partici-
panten tot meer gezamenlijke betekenisgeving over wat werkt bij wie, waar, hoe en
waarom. Deze werkwijze beoogt bij te dragen aan verbetering van effectief hande-
len, sluit nauw aan bij de onderzochte werkpraktijk en draagt daarom onder meer
bij aan de ecologische validiteit van onderzoek. De objectiviteit van onderzoek in
dit paradigma wordt geborgd door te letten op consistentie van concepten, explici-
teren van vooronderstellingen, kwaliteit van vraagstellingen, getoetste stevigheid
van ontwerpen, en transparantie van het onderzoeksproces (vgl. Andriessen, 2010;
Lincoln & Guba, 2000).
We bespreken kort twee praktijkvoorbeelden waarin deze aanpak is ingezet om op-
brengsten van research-practice partnerships (RPP) te expliciteren. RPP’s zijn lange-
termijn-samenwerkingsverbanden waarbinnen participanten zich vanuit gelijk-
waardigheid richten op een gezamenlijke agenda met betrekking tot het oplossen
van praktijkvraagstukken en het produceren van authentieke uitkomsten (vgl. Co-
burn & Penuel, 2016).
Stap 1: individuele reflecties
Ten aanzien van vier kernvragen vult iedere participant individueel en per kern-
vraag een ‘competentie-doel reflectiematrix’ in (zie figuur 1).
1. Wat brengt onze samenwerking je tot nu toe persoonlijk?
2. Hoe ziet je persoonlijke bijdrage aan onze samenwerking eruit?
3. Wat hoop je nog meer uit onze samenwerking te halen?
4. Wat zou je zelf graag nog meer willen bijdragen aan onze samenwerking?
De kernvragen zijn gerelateerd aan stappen uit de reflectieve cyclus van Korthagen
(2001): terugblikken, bewust worden (vraag 1 en 2), en alternatieven ontwikkelen
(vraag 3 en 4).
De matrices zijn bedoeld om de reflectie te focussen op de doelmatigheid van
co-creatie. Wij operationaliseren doelmatigheid als de (gepercipieerde) gerealiseer-
de bijdrage van co-creatie aan de competentiegroei van participanten ten behoeve
van werken aan gezamenlijk vastgestelde doelen. In de matrix worden hiervoor
aspecten van competentiegroei en de gezamenlijke doelen tegen elkaar afgezet.
Competentieontwikkeling heeft betrekking op kennis (repertoire aan praktische
tools, theoretische kennis en ervaringskennis), vaardigheden en attitudes/motiva-
tie. De driedeling van ‘kennis’ (zie Andriessen, 2017; Heikkinen, De Jong & Van-
derlinde, 2016) is ingegeven door de notie dat vakmanschap vraagt om how to-ken-
nis, theoretische kennis en praktische wijsheid. Attitude en motivatie worden
samengenomen vanuit het idee dat de houding die participanten aannemen ten
opzichte van concrete activiteiten, voortkomt uit de mate waarin – in hun ogen –
reflectieve en affectieve baten die deze activiteiten met zich meebrengen opwegen
tegen de lasten (vgl. De Brabander & Martens, 2014).
Kwalon_24_2_DEF.indb 26 11-06-19 13:41
Expliciteren van co-creatieopbrengsten
KWALON 2019 (24) 2 27
Doelstellingen
Competentie
Totaal
Repertoire aan
tools
Theoretische
kennis
Ervarings-
kennis
Vaardigheden
Attitude/
motivatie
Doelstelling 1
Doelstelling 2
Doelstelling 3
Doelstelling 4
Doelstelling X
Totaal
Figuur 1 De competentie-doel reflectiematrix
In iedere matrix plaatst de respondent maximaal vijf vinkjes, wederom om focus te
behouden. Aangevinkte ‘opbrengsten’ (kernvraag 1 en 2) licht de participant toe
met een sprekend voorbeeld, aangevinkte ‘ambities’ (kernvraag 3 en 4) door aan te
geven hoe de participant denkt dat deze dichterbij kunnen worden gebracht. Zo-
doende reflecteert men ten aanzien van:
doelstellingen, door deze steeds als uitgangspunt te nemen;
co-creatieprocessen, door de vraag hoe in de perceptie van de participant ge-
articuleerde ambities dichterbij kunnen worden gebracht;
zelfregulatie, door persoonlijke bijdragen te koppelen aan gerealiseerde op-
brengsten en te realiseren ambities (vraag 2 en 4);
zichzelf, door het individuele perspectief als uitgangspunt te nemen (vgl. feed-
backniveaus van Hattie & Timperley, 2007).
Stap 2: Gezamenlijke dialoog
De individuele reflectieopbrengsten worden samengebracht: per kernvraag/matrix
worden de vinkjes opgeteld om accenten in opbrengsten en ambities zichtbaar te
maken. Antwoorden op open vragen worden thematisch samengevat. Deze tussen-
stap vormt de input voor een gezamenlijke dialoog met als leidende vragen:
1. Wat doen we goed en moeten we behouden?
2. Wat kunnen we verbeteren?
3. Hoe kunnen we dit doen?
Kwalon_24_2_DEF.indb 27 11-06-19 13:41
Jeroen S. Rozendaal, Niek van den Berg & Kathinka van Doesum
KWALON 2019 (24) 228
Het gezamenlijk duiden van onderzoeksresultaten past binnen het concept co-cre-
atie, en levert de betrokkenen kennis die ‘lokaal van aard [is] en is bestemd voor de
deelnemers. Zij verkrijgen hierdoor meer inzicht in hun doen en laten in de onder-
zochte situaties (beschrijvende en verklarende kennis) en tegelijkertijd kennis over
het verbeteren van hun concrete situatie (prescriptieve kennis)’ (Migchelbrink,
2017, p. 32-33). De aanpak draagt aldus bij aan katalyserende validiteit: alle be-
trokkenen kunnen zich heroriënteren op hun perceptie van de realiteit en hun rol
hierin. Verdiept begrip leidt bij voorkeur tot verbeteracties (vgl. Anderson & Herr,
1999).
Praktijkvoorbeelden
RPP-1 (‘Tools voor teamleren’) omvat onderzoekers en praktijkprofessionals in en
om het mbo en richt zich op het vergroten van het vermogen van betrokkenen om
samen onderzoekend te werken aan onderwijskwaliteit, liefst ook over disciplines
heen (met inzet van onderzoekend en transdisciplinair vermogen, zie Van den
Berg, 2016). Voorts wil men meer leren over de hiervoor benodigde beleidsmatige
condities. Omdat dit RPP instelling-overstijgend is, zijn twee kernvragen toege-
voegd over ‘grensverkeer’ tussen het RPP en de eigen instelling (zie tabel 1; Rozen-
daal, Van Doesum & Van den Berg, 2018). In RPP-2 (‘Toekomstperspectief Leerling
Centraal’) zijn dezelfde kernvragen gehanteerd, maar heeft de matrix andere doe-
len (Harbers et al., te verschijnen).
In RPP-1 werd de reflectieopdracht plenair mondeling toegelicht. Vervolgens
werd deze via Google Forms individueel uitgezet onder de participanten om ge-
sprekstijd te winnen tijdens de fysieke bijeenkomst. Gezamenlijk werd een af-
spraak gemaakt over een realistische invultermijn, waaraan de participanten zich
hebben gehouden.
Data-inspectie leerde dat niet iedereen de instructie volgde zoals beoogd: een en-
keling kruiste per regel één antwoordoptie aan in plaats van vijf antwoordopties
per matrix. Gezien de geringe omvang van de onderzoeksgroep kozen we ervoor
om deze respons toch mee te nemen, ondanks mogelijke bias. Het ontbreken van
de input van de desbetreffende respondent zou immers óók tot vertekening lei-
den.
De individuele reflecties werden samengevat in een tussenrapportage en rondge-
stuurd met het oog op duiding in een fysieke RPP-bijeenkomst. Dit gebeurde in
twee subgroepen, die hun conclusies plenair presenteerden, gezamenlijk nabespra-
ken en notuleerden als nadere data. RPP-2 koos voor schriftelijke instructie, indi-
viduele afname op papier voor en tijdens een bijeenkomst, ter plekke aggregeren
van de respons op een flip-over, en directe dialoog naar aanleiding daarvan. Beide
RPP’s evalueerden de aanpak.
Kwalon_24_2_DEF.indb 28 11-06-19 13:41
Expliciteren van co-creatieopbrengsten
KWALON 2019 (24) 2 29
Tabel 1 Somscores op de reflectiematrix over zes vragen (RPP-1; n = 9)
COMPETENTIE
VRAAG DOELSTELLING
Repertoire aan
tools
Theoretische
kennis
Ervaringskennis
Vaardigheden
Attitude/
motivatie
Totaal
1. Wat brengt
ons RPP je
tot nu toe
persoonlijk?
(Duurzame) onderwijs-
verbetering
122016
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
2450213
Collectief leren en
co-creatie
1432414
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
202015
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
1071211
Totaal 710 19 310 49
2. Hoe ziet
jouw
persoonlijke
bijdrage aan
het RPP eruit?
(Duurzame)
onderwijsverbetering
015039
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
332019
Collectief leren en
co-creatie
1321411
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
123017
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
303129
Totaal 8 9 15 211 45
3. Wat hoop je
nog meer uit
het RPP te
halen?
(Duurzame)
onderwijsverbetering
201104
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
3322010
Collectief leren en
co-creatie
3431011
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
301206
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
223209
Totaal 13 910 8 0 40
Kwalon_24_2_DEF.indb 29 11-06-19 13:41
Jeroen S. Rozendaal, Niek van den Berg & Kathinka van Doesum
KWALON 2019 (24) 230
COMPETENTIE
VRAAG DOELSTELLING
Repertoire aan
tools
Theoretische
kennis
Ervaringskennis
Vaardigheden
Attitude/
motivatie
Totaal
4. Wat zou je
zelf graag nog
meer willen
bijdragen aan
het RPP?
(Duurzame)
onderwijsverbetering
001012
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
5323215
Collectief leren en
co-creatie
321129
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
001113
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
121105
Totaal 9766634
5. Welk
‘grensverkeer’
vindt er plaats
tussen ons RPP
en je eigen
werkpraktijk?
(Duurzame)
onderwijsverbetering
101013
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
013004
Collectief leren en
co-creatie
012014
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
012015
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
021103
Totaal 1591319
6. Welk
‘grensverkeer’
is wenselijk
maar wordt
nog niet
gerealiseerd
door ons RPP?
(Duurzame)
onderwijsverbetering
100023
Onderzoekend en
transdisciplinair vermogen
4222313
Collectief leren en
co-creatie
311128
Vergroten verander-
capaciteit organisatie
200013
Beleidsmatige
ondersteuning/facilitering
211116
Totaal 12 444933
Kwalon_24_2_DEF.indb 30 11-06-19 13:41
Expliciteren van co-creatieopbrengsten
KWALON 2019 (24) 2 31
Voorbeeld resultaten RPP-1
Het werken in het RPP wordt door alle participanten als motiverend ervaren
en biedt hun onder meer ervaringskennis van anderen ten aanzien van be-
leidsmatige ondersteuning, in onderzoekend en transdisciplinair vermogen.
De belangrijkste behoefte van participanten is dat er vaker praktisch gewerkt
wordt aan het vergroten van het repertoire aan tools, ervarings- en theoreti-
sche kennis en onderzoekend en transdisciplinair vermogen.
Sterke punten van het RPP liggen in de gelijkwaardigheid en prettige werk-
sfeer, waarbij men constateert dat de doelen van activiteiten niet altijd voor
iedereen helder zijn. Als één van de oorzaken noemt men het niet-vastgeleg-
de leiderschap, dat tegelijkertijd ook als kracht gezien wordt. Het RPP besluit
tot werkafspraken met koppels met een secretarisrol om ‘gespreid leider-
schap’ (zie Kessels, 2016) bewuster vorm te geven.
Evaluatie
De matrix werd in RPP-1 als simpel ogend ervaren. Tot onderbouwde keuzes ko-
men bleek een complex cognitief proces, maar uitvoerbaar, passend en nuttig. In
RPP-1 werd de individuele online reflectie vooraf mondeling toegelicht. De partici-
pant die deze uitleg had gemist, maakte fouten bij het invullen. In RPP-2 had niet
iedereen vooraf de toelichting gelezen en riep de aanpak tijdens het invullen vra-
gen op (bijvoorbeeld: ‘Wanneer beschouw ik iets als kennis of als vaardigheid?’).
Het vooraf verwerken, analyseren en rapporteren van de individuele reflectie in
RPP-1 bleek tijdrovend. RPP-2 had goede ervaringen met het invullen en verwer-
ken ter plekke. Met name de snelheid van het proces werd gewaardeerd. RPP-1
onderschrijft de haalbaarheid van deze aanpak. Het opdelen van RPP-1 in subgroe-
pen bij de gezamenlijke dialoog hield het gesprek overzichtelijk.
In RPP-1 leidde het werken met de matrix tot het inzicht dat niet alle participanten
de doelformuleringen en gebruikte concepten scherp op hun netvlies hadden. Deze
waardevolle ontdekking droeg bij aan de onderlinge verheldering van centrale con-
cepten in de doelen. In RPP-2 leidde het werken met de matrix tot het inzicht dat
de competentie-dimensie expliciet toelichting vooraf vereist. Ook ontstond daar
het inzicht dat bij de doel-dimensie een evenwichtig aandeel van inhoudelijke en
procesdoelen wenselijk is (als de RPP beide typen onderscheidt).
Wenken voor gebruikers
1. Het reflecteren aan de hand van kernvragen en matrices richt de discussie op
opbrengsten en doelmatigheid. Dit brengt waardevolle (en soms ongemakkelij-
ke) informatie aan het licht. Besteed hier samen passende aandacht aan.
2. We adviseren om de reflectie te beperken tot circa vijf (inhoudelijke en proces)
doelen en deze zowel breed als kernachtig te formuleren (bijvoorbeeld ‘onder-
Kwalon_24_2_DEF.indb 31 11-06-19 13:41
Jeroen S. Rozendaal, Niek van den Berg & Kathinka van Doesum
KWALON 2019 (24) 232
wijs duurzaam verbeteren’). Hierbij kunnen regels die gelden bij het formuleren
van enquête-items met betrekking tot specificiteit en enkelvoudigheid worden
genegeerd, omdat de opbrengsten van de matrix vooral dienen als focusmiddel
en conversation starter, en participanten de vinkjes in de matrix toelichten bij de
open vragen. Belangrijker is dat de matrix voor participanten overzichtelijk
blijft.
3. Een heldere toelichting op de aanpak, overeenstemming over doelen en gedeeld
begrip van gebruikte concepten/begrippen zijn noodzakelijk om tot een hogere
kwaliteit van de respons te komen.
4. Digitale afname maakt dataverzameling overzichtelijker, maar is tijdrovend.
Schriftelijke afname en gezamenlijke aggregatie ter plekke werkt sneller, is
meer activerend en ook meer congruent met het idee van co-creatie.
5. De gezamenlijke verdiepende dialoog naar aanleiding van geaggregeerde reflec-
ties is cruciaal voor verdere doorwerking in het co-creatieproces. Deze dialoog
is productiever in (sub)groepen. We adviseren groepen van circa vijf participan-
ten. Dit is erkend als werkbare groepsgrootte bij coöperatief leren (zie Kagan &
Kagan, 2013). Subgroepen kunnen dan later verslag aan elkaar uitbrengen.
De individuele reflecties en de gezamenlijke dialogen (bijvoorbeeld samengevat in
notulen) vormen rijke kwalitatieve onderzoeksgegevens, die (a) zijn verkregen vol-
gens een vast stramien en daardoor in potentie vergelijkingen tussen cases moge-
lijk maken, (b) na voltooiing van de aanpak deels al door participanten zelf op case-
niveau zijn geanalyseerd, (c) zowel individuele als collectieve duiding van de
staande realiteit omvatten.
Literatuur
Anderson, G.L., & Herr, K. (1999). e new paradigm wars: Is there room for rigorous
practitioner knowledge in schools and universities? Educational Researcher, 28(5),
12-21.
Andriessen, D. (2010). Vragenlijst onderzoeksparadigma. Verkregen op 18 december 2018
via http://www.onderzoekscoach.nl/wp-content/uploads/2012/12/Onderzoekspara-
digma.pdf
Andriessen, D. (2017, 15 februari). Onderzoekend vermogen van masterstudenten: Kwaliteit
van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek. Gepresenteerd tijdens het
congres ‘Kwaliteit van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek’,
Hogeschool Windesheim, Zwolle.
Berg, N. van den. (2016). Grenspraktijken: Opleiders en onderzoekers in ontwikkeling.
Wageningen: Stoas Wageningen | Vilentum Hogeschool. Verkregen van https://www.
aereshogeschool.nl/-/media/Aeres-Hogeschool/Wageningen/Files/Onderzoek/
Publicaties-en-artikelen/Niek-van-den-Berg_Grenspraktijken.ashx?la=nl-NL
Brabander, C.J. de, & Martens, R.L. (2014). Towards a unified theory of task-specific
motivation. Educational Research Review, 11, 27-44.
Coburn, C.E., & Penuel, W.R. (2016). Research-practice partnerships in education:
Outcomes, dynamics, and open questions. Educational Researcher, 45(1), 48-54.
doi:10.3102/0013189X16631750
Kwalon_24_2_DEF.indb 32 11-06-19 13:41
Expliciteren van co-creatieopbrengsten
KWALON 2019 (24) 2 33
Harbers, J., et al. (te verschijnen). Toekomstperspectief van de leerling centraal. Onderzoeks-
verslag NRO-project 404-17-850. Z.p.: Aeres/Melanchton/Terra/Zone.College/KBA/
KI/WUR.
Hattie, J., & Timperley, H. (2007). e power of feedback. Review of Educational Research,
77, 81-112.
Heikkinen, H.L.T., Jong, F.P.C.M. de, & Vanderlinde, R. (2016). What is (good) practitioner
research? Vocations and Learning, 9(1), 1-19.
Kagan, S., & Kagan, M. (2013). Coöperatieve leerstrategieën: Research, principes en praktische
uitwerking. Rotterdam: Bazalt Educatieve Uitgaven.
Kessels, J.W.M. (2016). Gespreid leiderschap in een professionele ruimte: Invloed nemen op
kennisontwikkeling en innovatie. Verkregen op 23 mei 2018 via http://josephkessels.
com/sites/default/files/ gespreid_leiderschap_in_een_professionele_ruimte_2016.pdf.
Korthagen, F.A.J. (2001). Waar doen we het voor? Op zoek naar de essentie van leraarschap
(oratie Universiteit Utrecht). Utrecht: WCC. Verkregen op 23 mei 2018 via https://
dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/22629/korthagen-waar+-
doen+we+het+voor.pdf?sequence=1
Lincoln, Y.S., & Guba, E.G. (2000). Paradigmatic controversies, contradictions, and
emerging confluences. In N.K. Denzin & Y.S. Lincoln (Eds.), Handbook of qualitative
research (pp. 163-188). London: Sage.
Migchelbrink, F. (2017). De kern van participatief actieonderzoek. Amsterdam: SWP.
Rozendaal, J.S., Doesum, K. van, & Berg, N. van den. (2018). Het expliciteren van co-crea-
tie opbrengsten via een competentie*doel reflectiematrix. In N. van den Berg, J.S.
Rozendaal, K. Groenink, A. Nawijn & F. de Jong (red.), Leren over co-creatie in praktijk-
(gericht)onderzoek: Rondetafelgesprek 233. Onderwijs Reseach Dagen (ORD) 2018,
Nijmegen, 13-15 juni. Abstract boek, pp. 531-532: https://ord2018.nl/wp-content/
uploads/2018/06/ORD2018-abstractboek-1.pdf
Wierdsma, A.F.M., & Swieringa, J. (2011). Lerend organiseren en veranderen. Groningen:
Noordhoff.
Kwalon_24_2_DEF.indb 33 11-06-19 13:41
Book
Full-text available
De manier waarop onderzoek in werk- en leeromgevingen concreet vorm krijgt, wat dit vraagt van opleiders en onderzoekers en welke opbrengsten dit heeft, is wel onderwerp van gesprek, maar wordt weinig volledig geëxpliciteerd. Om daar verandering in te brengen is onder meer het lectoraat Boundary crossing praktijken van opleiders en onderzoekers ingesteld. In het lectoraat staat de volgende vraag centraal: Hoe kunnen grenspraktijken tussen opleiders en onderzoekers worden versterkt? De uitwerking van deze vraag luidt: Hoe werken opleiders en onderzoekers samen aan praktijkvraagstukken rond leren en ontwikkelen? Welke kwaliteiten zetten ze in? Hoe kunnen ze zich hierin ontwikkelen? Wat zijn opbrengsten? Welke condities zijn hierbij ondersteunend? Onder opleiders wordt hier verstaan: docenten, kennismanagers en innovatoren (al dan niet in opleiding) en hun eigen opleiders. Bij onderzoekers gaat het vooral om degenen die onderzoek doen in en met de praktijk: als praktijkonderzoeker, praktijkgericht onderzoeker of iets ertussenin. Uitgangspunt is dat zowel opleiders als praktijk(gericht)onderzoekers bepaalde kwaliteiten (wijsheid) nodig hebben om succesvol bij te dragen aan het doorgronden en oplossen van praktijkvraagstukken rond leren en ontwikkelen. Twee hoofdtypen boundary crossing kwaliteiten van opleiders en onderzoekers die worden onderscheiden zijn: - onderzoekend vermogen: in staat zijn om met een onderzoekende houding te werken, gebruik te maken van bestaand onderzoek en zelf onderzoek te doen, plus anderen ondersteunen bij het ontwikkelen van onderzoekend vermogen. - transdisciplinair vermogen: in staat zijn om over grenzen van theorie en praktijk heen samen te werken en wederzijds van elkaar te leren. Het gaat hierbij om gewoon goed onderzoek doen (valide en betrouwbaar), interactief samenwerken aan onderzoek en onderwijs geven over onderzoek. Daarbij is overigens ook de aard van praktijkvraagstukken van belang. Vooral bij complexe vraagstukken zou het kunnen helpen als opleiders en onderzoekers samen aan het werk gaan met het type ‘trage denken’ dat onderzoek heet. Het interactieve karakter van onderzoek is dan bepalend voor de relevantie en bruikbaarheid ervan, en vergroot de kans op daadwerkelijk gebruik. De onderzoeksagenda van het lectoraat richt zich vooral op die contexten waarin onderzoek, educatieve opleidingen en beroepspraktijk samenkomen en waarin het Modus 2- en het ETI-perspectief aan de orde (zouden kunnen) zijn. Dit zijn situaties waarin de kansen op transformatie als leermechanisme voor de betrokkenen het grootst zijn. Opleiders (in opleiding) hebben in deze contexten onder meer rollen als docent, docentonderzoeker, kennismanager, innovator en onderzoeker, spannende combinaties met tal van crossovers en bijbehorende dilemma’s. Heb je ideeën over het thema? Zin om mee te doen? Laat het weten! Why not jump in?
Article
Full-text available
This study aims to integrate the current proliferation of motivation theories in a Unified Model of Task-specific Motivation (UMTM). According to this model readiness for action results from an interaction between four relatively independent types of valences that can be classified as affective or cognitive, and positive or negative. Affective valences are expectations about feelings while doing an activity; cognitive valences are expectations about the value of the consequences of an activity. In current theories these types of valences are designated as intrinsic, respectively extrinsic motives. Valences, furthermore, can be positive, but also negative. Positive valences give rise to approach motivation, negative valences to avoidance motivation. Important factors that influence valences are autonomy, feasibility expectation, and relatedness, each of which can be distinguished in a personal and a contextual facet, and subjective norm. In conclusion, some theoretical and practical implications are suggested and some issues for future research are proposed.
Book
Actieonderzoek is bezig aan een opmars. Steeds vaker kiezen professionals in zorg, welzijn, wonen, onderwijs en HRM ervoor om zelf met actieonderzoek aan de slag te gaan. De Kern van participatief actieonderzoek biedt deze professionals, of zij die dit willen worden, een beproefd model voor het doen van actieonderzoek. Actieonderzoek Actieonderzoekers richten zich al meer dan veertig jaar op maatschappelijk relevante thema’s. Actieonderzoek is een methode die is ontstaan vanuit de wens naar dienstbaar onderzoek voor maatschappij en beroepspraktijk. Actieonderzoek is onderzoek waarbij het gaat om de participatieve creatie van kennis én actie. In tegenstelling tot ‘traditioneel’ onderzoek dat alleen een kennisdoel heeft, leidt actieonderzoek ook tot verandering. Actieonderzoek is participatief onderzoek. Actieonderzoekers werken actief samen met de deelnemers. Zij beschikken door het actieonderzoek over meer inzicht in hun doen en laten in bepaalde situaties en tegelijkertijd over kennis voor het verbeteren van hun handelen. Ontstaan boek Dit nieuwe boek is ontstaan uit de onderwijs- en onderzoekspraktijk met het vorige boek (Actieonderzoek voor professionals in zorg en welzijn). In dit boek zijn de ervaringen van de auteur, zijn collega’s en die van honderden studenten en onderzoekers verwerkt. Het boek sluit aan bij de actuele ontwikkelingen in actieonderzoek en neemt een duidelijk standpunt in over wat actieonderzoek is. Het is een compleet en praktisch boek meteen geschikt voor actieonderzoek door studenten en professionals in hun beroepspraktijk. In dit nieuwe boek Het boek geeft benaderingen, ideeën, werkwijzen, handvatten en praktische aanwijzingen voor het ontwerpen, uitvoeren en begeleiden van actieonderzoek. Verspreid over vier delen komen o.a. aan de orde - kenmerken van actieonderzoek - actieonderzoek en theoriegericht-wetenschappelijk onderzoek - klassieke onderzoekscriteria validiteit en betrouwbaarheid en specifieke actieonderzoek kwaliteitscriteria - Wetenschappelijke kennis én ervaringskennis in actieonderzoek - samenwerken en participeren in actieonderzoek - veranderen in actieonderzoek - actieonderzoek als een cyclus met zes fasen: de voorfase, de oriëntatiefase, de diagnostische fase, de ontwikkelingsfase, de actiefase en de evaluatiefase. - methoden en technieken van systematisch onderzoek: o.a participerende observatie, discussie en dialoog in groepen - ervaringsgerichte methoden voor het ontsluiten en delen van ervaringskennis, o.a. krachtenveld-analyse, wereld-cafe’s en PhotoVoice. Ondersteuning Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met verwerkingsopdrachten en/of praktische toepassingsopdrachten. Op de ondersteunende website staan voorbeelden, extra handreikingen, opdrachten, formats, en hulpmiddelen voor de gebruikers van dit boek.
Article
Policymakers, funders, and researchers today view research–practice partnerships (RPPs) as a promising approach for expanding the role of research in improving educational practice. Although studies in other fields provide evidence of the potential for RPPs, studies in education are few. This article provides a review of available evidence of the outcomes and dynamics of RPPs in education and related fields. It then outlines a research agenda for the study of RPPs that can guide funders’ investments and help developing partnerships succeed.
Article
Feedback is one of the most powerful influences on learning and achievement, but this impact can be either positive or negative. Its power is frequently mentioned in articles about learning and teaching, but surprisingly few recent studies have systematically investigated its meaning. This article provides a conceptual analysis of feedback and reviews the evidence related to its impact on learning and achievement. This evidence shows that although feedback is among the major influences, the type of feedback and the way it is given can be differentially effective. A model of feedback is then proposed that identifies the particular properties and circumstances that make it effective, and some typically thorny issues are discussed, including the timing of feedback and the effects of positive and negative feedback. Finally, this analysis is used to suggest ways in which feedback can be used to enhance its effectiveness in classrooms.
Article
In our chapter in the first edition of this Handbook (see record 1994-98625-005), we presented two tables that summarized our positions, first, on the axiomatic nature of paradigms (the paradigms we considered at that time were positivism, postpositivism, critical theory, and constructivism, p. 109, Table 6.1); and second, on the issues we believed were most fundamental to differentiating the four paradigms (p. 112, Table 6.2). These tables are reproduced here as a way of reminding our readers of our previous statements. The axioms defined the ontological, epistemological, and methodological bases for both established and emergent paradigms. The issues most often in contention that we examined were inquiry aim, nature of knowledge, the way knowledge is accumulated, goodness (rigor and validity) or quality criteria, values, ethics, voice, training, accommodation, and hegemony. An examination of these two tables will reacquaint the reader with our original Handbook treatment. Since publication of that chapter, at least one set of authors, J. Heron and P. Reason, have elaborated on our tables to include the participatory/cooperative paradigm (Heron, 1996; Heron & Reason, 1997, pp. 289-290). Thus, in addition to the paradigms of positivism, postpositivism, critical theory, and constructivism, we add the participatory paradigm in the present chapter (this is an excellent example, we might add, of the hermeneutic elaboration so embedded in our own view, constructivism). Our aim here is to extend the analysis further by building on Heron and Reason's additions and by rearranging the issues to reflect current thought. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)
Vragenlijst onderzoeksparadigma
  • D Andriessen
Andriessen, D. (2010). Vragenlijst onderzoeksparadigma. Verkregen op 18 december 2018 via http://www.onderzoekscoach.nl/wp-content/uploads/2012/12/Onderzoeksparadigma.pdf
Onderzoekend vermogen van masterstudenten: Kwaliteit van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek. Gepresenteerd tijdens het congres 'Kwaliteit van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek
  • D Andriessen
Andriessen, D. (2017, 15 februari). Onderzoekend vermogen van masterstudenten: Kwaliteit van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek. Gepresenteerd tijdens het congres 'Kwaliteit van professionele masteropleidingen: onderzoek en didactiek', Hogeschool Windesheim, Zwolle.