ArticlePDF Available

Abstract

The introduction of black cherry (Prunus serotina) in northwest Europe has been driven in three main periods from different social needs. From 1623 the emphasis was on the aesthetic value. Late nineteenth century, the growing need for wood started dominating. From the first world war on intensive use by reforestation started. In each of these periods the tree species met the expectations. With the completion of reforestation, it lost its social utility and, nicknamed ‘forest pest’, eradication campaigns started. It seems that this narrow focus lengthy blocked research into the species and that objective assessments of its properties are still difficult to find.
1/21
De Amerikaanse vogelkers (
Prunus serotina
) als bosboom
Speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
Gepubliceerd in:
Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis 2011. Academia Press. Gent
Bart Nyssen
Bosgroep Zuid Nederland
Postbus 106
5660 AC Geldrop
040-2066360
b.nyssen@bosgroepen.nl
www.vogelkers.nl
Samenvatting
De introductie van de Amerikaanse vogelkers (
Prunus serotina
) in Noordwest-Europa heeft in
drie hoofdperioden plaatsgevonden gestuurd vanuit verschillende maatschappelijke
behoeften. Vanaf 1623 lag de nadruk op de esthetische waarde. Eind negentiende eeuw ging
de toenemende houtbehoefte domineren. Vanaf de eerste wereldoorlog kwam de massale
aanplant bij het herbebossen van heiden en stuifzanden op gang. In ieder van deze perioden
voldeed deze boomsoort aan de gestelde verwachtingen. Met het beëindigen van de
herbebossingen verloor zij haar maatschappelijk nut en werd onder het pejoratief ‘Bospest’
bestreden. Het lijkt erop dat deze eenzijdige aandacht langdurig het onderzoek naar de
soort geblokkeerd heeft en haar nuttige en hinderlijke eigenschappen nu nog steeds niet
objectief afgewogen kunnen worden.
Summary
The introduction of black cherry (
Prunus serotina
) in northwest Europe has been driven in
three main periods from different social needs. From 1623 the emphasis was on the
aesthetic value. Late nineteenth century, the growing need for wood started dominating.
From the first world war on intensive use by reforestation started. In each of these periods
the tree species met the expectations. With the completion of reforestation, it lost its social
utility and, nicknamed ‘forest pest’, eradication campaigns started. It seems that this narrow
focus lengthy blocked research into the species and that objective assessments of its
properties are still difficult to find.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
2//21
Wer da meint, bei einer fremden Pflanze geht es vor allem um eine Pflanze, irrt sich.
Unsere Aufmerksamkeit erregt nicht ihre Pflanzlichkeit,
sondern ihre Fremdheit’
(Dobler 2004)
Een eeuw geleden vond de eerste grootschalige aanplant van Amerikaanse vogelkers in
Noordwest-Europa plaats. Aanleiding om in 2011, het internationale jaar van het bos, in een
bosnummer van het
Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis
aandacht te besteden aan de
geschiedenis van deze nieuwe boomsoort in Noordwest-Europa.
1
In Europa komen twee vogelkersen voor, de struikvormende gewone vogelkers (
Prunus
padus)
en de boomvormende Amerikaanse vogelkers (
Prunus serotina
). In dit artikel wordt
met vogelkers steeds deze laatste bedoeld. De boomvormende vogelkers is een
intrigerende boomsoort. Hij levert het ‘kersen’ een van de waardevolste houtsoorten van de
gematigde klimaatzone. Tegelijkertijd wordt er geen boomsoort zo verketterd in Noordwest-
Europa. De opdracht van de Nederlandse provincie Noord-Brabant om een efficiënte
beheerstrategie te ontwikkelen voor bossen waarin deze vogelkers voorkomt bood me de
kans dieper op haar inburgeringgeschiedenis in te gaan.
2
Deze geschiedenis is eerder beschreven (Bakker 1963a; Muys & Maddelein 1993; Starfinger
e.a. 2003; Geudens e.a. 2009; Vanhellemont 2009). Bij het ordenen van de informatie bleek
al snel dat de vogelkers in deze publicaties, net als in vele andere, eigenschappen toegekend
of ontzegd krijgt die in de beheerpraktijk anders waargenomen worden. De drie meest
uitgesproken voorbeelden daarvan zijn gerelateerd aan houtproductie, bodemontwikkeling
en biodiversiteit.
De potentie van de vogelkers voor de houtproductie op zandgronden in Noordwest-Europa
wordt vrijwel altijd ontkend (Bakker 1963a; Muys & Maddelein 1993; Van den Meerschaut
1996a; Jacquemart e.a. 2010) terwijl bosbeheerders in hun praktijk goed gevormde
vogelkersen tegenkomen.
(Invoegen afbeelding 1)
De bodemverbeterende eigenschap was in de twintigste eeuw de belangrijkste motivatie
voor de massale aanplant van de vogelkers. In de praktijk wordt onder vogelkers vaak een
‘rijkere’ humusvorm waargenomen (Tonckens 2006), hetgeen ook wel het linde-effect
genoemd wordt (Hommel e.a. 2007). Na vrijwel eenduidige acceptatie in oudere publicaties
(Boudru 1946; von Wendorff 1952; Bakker 1963a) werd deze eigenschap vanaf de jaren
zeventig vaak in twijfel getrokken (Eijsackers & Oldenkamp 1976; Muys & Maddelein 1993;
van den Meerschaut 1996a) terwijl recente publicaties weer tenderen naar bevestiging
(Lorenz e.a. 2004; Verheyen e.a. 2007; Chabrerie e.a. 2010).
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
3//21
Tot voor kort gingen de meeste auteurs uit van een negatieve invloed van de vogelkers op de
biodiversiteit in bosecosystemen, meestal beperkt tot de flora in de kruidlaag (Bakker 1963a;
Starfinger 1990). Recenter literatuur sluit hier meer aan bij de praktijkervaring dat de
vegetatie onder vogelkers sterk overeenkomt met vergelijkbare schaduwdruk en
vochtconcurrentie onder andere boom- en struiksoorten (Starfinger e.a. 2003; Verheyen e.a.
2007). Met dat verschil dat onder oudere vogelkers vaak vegetatie voorkomt die thuishoort
bij rijkere bosecosystemen.
De discrepantie tussen waarneming en beschrijving, tussen historische en contemporaine
waarnemingen en de meningsverschillen tussen auteurs vraagt om opheldering. Aanleiding
om zelf op bronnenonderzoek uit te gaan. Deze zoektocht vertrok bij de referenties in
bovengenoemde publicaties. Voor de vroegste periode, de zeventiende, achttiende en
negentiende eeuw waren de enige beschikbare bronnen oude boeken, beschikbaar via
bibliotheken en Google Books. Vanaf eind negentiende eeuw komen daar Duitse, Belgische
en Nederlandse bosbouw- en dendrologische tijdschriften bij en een enkele proefopstand
die de tand des tijds doorstaan heeft. De gevonden bronnen zijn vergeleken met recente
waarnemingen en onderzoek- en beheergegevens. Dit artikel is daar het resultaat van.
De introductie van een curiositeit
De geschiedenis van de vogelkers in Europa begon met het verschijnen van de naam
Cerasus
americana latifolia
in de
Enchiridion isagogicum
van 1623, een Franse plantenlijst,
samengesteld door Jean Robin. De vogelkers werd in Europa voor het eerst afgebeeld in
Parkinson’s
Paradisi in sole Paradisus terrestris
in 1629 onder de naam
Laurea cerasa sive
Laurus virginiana
. De introductie in Europa kwam voort uit de toenemende curiositeit van
een steeds mobieler wordende mens. In de zeventiende eeuw, de Hollandse gouden eeuw,
ontsloot de wereld zich voor de wetenschap. De veel soortenrijkere bosecosystemen van
andere gematigde klimaatzones, vooral op het Amerikaans continent, spraken zeer tot de
verbeelding.
Reeds in de zestiende eeuw richtten Europeanen horta botanica, plant- of kruidtuinen, op
zowel in eigen land als in de koloniën. In de koloniën hadden de Europeanen behoefte aan
planten die ze kenden van thuis. In eigen land wilde men tuinen verrijken met nieuwe
soorten. In 1576 verscheen het eerste Nederlandse werk waarin exoten vernoemd werden.
De
Plantarum Historia
van Lobel beschrijft de aanwezigheid van de
Thuja occidentalis
in de
Leidse Hortus. De levensboom lijkt de eerste exotische boomsoort die in Europa
geïntroduceerd is: in 1536 in Frankrijk (Buis 1985). De drijfveren bij de introductie waren
nieuwsgierigheid, wetenschappelijke interesse en eerzucht. De eerste introductie in
Nederland van een boomsoort die later in de houtproductie een rol zou spelen werd
beschreven in 1646: de robinia (
Robinia pseudoacacia)
in de Leidse Hortus (Buis 1985).
(Invoegen afbeelding 2)
Ook de vogelkers is allereerst geïntroduceerd als boomsoort voor horta. In 1740 werd de
vogelkers voor het eerst in Nederland vermeld; in de Leidse Hortus. Dat was niet heel vroeg.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
4//21
In 1623 werd de soort al als sierboom, voornamelijk vanwege de attractieve bloei en
vruchten, aangeplant bij Parijs , in 1629 in de Hortus Kewensis in Engeland , in 1685 in
Duitsland . De Belgische auteur Poederlé schreef in 1792 dat deze mooie boom met
waardevol hout ‘mérite à tous égards d’être cultivé’ (Poederlé 1792). Vanaf het midden van
de achttiende eeuw verspreidde de Franse tuin- en parkcultuur zich over Europa en daarmee
ook het gebruik van vreemde boomsoorten.
Kwaliteitshout op arme gronden
Eind achttiende eeuw werd de aanplant van nieuwe boomsoorten, waaronder de vogelkers,
voor houtproductie voor het eerst gepromoot. In deze tijd van industriële revolutie en
verlichting werd het praktische nut van de nieuwe boomsoorten benadrukt.
De verwachtingen ten aanzien van de vogelkers waren eind achttiende eeuw hooggespannen:
,Jeder Heideboden in der Mark Brandenburg, bringt sie nächst den Kiefern in kurzer Zeit zu
ansehnlichen Bäume
(von Burgsdorf 1783)
.
Der Wuchs dieser Baumart ist geschwind und
nach 30, oder 40 Jahren hat sie die Stärke, dass Bretter daraus geschnitten werden können
(von Wangenheim 1781).
Deze vroege aandacht voor de houtproductiemogelijkheden leidde in Duitsland tot
kleinschalige experimenten. De schaal waarop en de frequentie waarmee dit begin
negentiende eeuw gebeurde is niet duidelijk. Wanneer rond 1900 voorbeelden genoemd
worden van goed groeiende vogelkers is niet altijd duidelijk of het bos- dan wel parkbomen
betreft. John Booth beschreef in 1896 een boom met een diameter van 60 cm (Booth 1896).
En in 1907 vermeldde hij dat er in Lützburg bij Fürst Knyphausen 50 tot 60 jaar oude bomen
stonden van 15 m hoog met een dameter van 45 cm (Booth 1907). Paeske meldt in 1911 dat
hij in Brandenburg vijftig jarige vogelkersen gezien heeft van een voet dik met een foutloze
stamvorm (Paeske 1911).
Unwin gaf aan dat er nog geen uitspraak kon worden gedaan over
de houtkwaliteit van de vogelkers in Duitsland in vergelijking met deze uit Amerika
aangezien de houtkwaliteit van parkbomen altijd minder was (Unwin 1905). Het ziet er naar
uit dat de experimenten voor 1880 beperkt zijn gebleven tot adellijke landgoedbezitters die
hun ervaring in het park met de nieuwe boomsoorten uitbreidden met kleinschalige
aanplanten in bosverband.
De dreigende houtnood gaf in de tweede helft van de negentiende eeuw een nieuwe impuls
aan het gebruik van exotische houtsoorten in het Duitse Keizerrijk. Op aandringen van
Rijkskanselier Bismarck hebben de Duitse Staatsbosbedrijven zich de vraag gesteld ob und
in welchem Masse es möglich wäre , unsere Waldflora durch Einbürgerung fremder Holzarten
zu bereichern
(Schwappach 1907). De bosbouwkundige onderzoeksinstituten werd de
beantwoording van deze vraag toevertrouwd. In de jaren 1870 vonden de eerste pogingen
plaats deze hernieuwde aandacht in aanplantingen om te zetten.
Ook in Nederland en België neemt tegen het einde van de negentiende eeuw de
bosbouwkundige belangstelling voor nieuwe boomsoorten toe. Tholen beschreef in 1855
naast de inheemse boomsoorten de volgende houtsoorten tot nut en voordeel
aangekweekt: robinia en Canadese populier. Daarnaast gaf hij informatie over boomen,
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
5//21
waarvan het gebruik minder bekend is in ons vaderland, maar die om schoonheid of
deugdzaamheid van hun hout, die bekendheid verdienen. Onder deze categorie viel naast
een aantal in- en uitheemse boomsoorten ook de Virginische vogelkers (Tholen 1855)
.
Uit
de beschrijving blijkt dat we hier niet met de struikvormende
Prunus virginiana
maar met de
boomvormende
Prunus serotina
van doen hebben, een naamsverwarring die in oudere
literatuur vaker voorkwam. Tholen schreef: In eenige luwte staand groeit hij snel tot een
uiterst schoonen boom en Het hout der oude stammen, de kleur is ligtrood met bruine
vlekken en het is zeer fijn geaderd, daarom zeer geschikt voor oplagen van fraaije
meubelen. Blijkbaar was de soort halverwege de negentiende eeuw in Nederland nog
zeldzaam want: Men kan hier te lande niet altoos aan goed zaad komen, dewijl er weinig
bomen gevonden worden die den vereischten ouderdom bezitten
(Tholen 1855). In de
tweede helft van de negentiende eeuw vonden in Nederland kleinschalige experimenten
plaats met de teelt van exoten in bosverband (Staring 1862)waaronder ook de vogelkers.
De Belgische landbouwminister besliste in 1897 dat in bosrijke gebieden onderzoek moest
plaatsvinden naar de geschiktheid van uitheemse boomsoorten met een snelle groei en hoge
productiviteit om de rentabiliteit van de bossen te verhogen. In het Zoniënwoud te
Groenendaal was men toen al begonnen met de aanleg van een arboretum. In Tervuren werd
in 1902 begonnen met de aanleg van een arboretum. Tussen 1902 en 1910 zijn hier vijf
groepen vogelkers aangeplant van 5 à 25 exemplaren
3
. In België werd de Vogelkers toen
voornamelijk nog gebruikt in hakhoutcultuur (Rouffignon 1899).
Het lijkt erop dat van de Noordwest-Europese landen in het Duitse Keizerrijk, en dan vooral
in Pruisen, het meest en het best gedocumenteerd geëxperimenteerd werd. De Pruisische
minister van Landbouw, Domeinen en Bossen gaf de opdracht het grootschalig
experimenteren met buitenlandse boomsoorten op de agenda van het Verein deutscher
forstlicher Versuchsanstalten te plaatsen (Schwappach 1896). Inhoudelijk werd de aftrap
gegeven door de boomkweker en kenner bij uitstek van de exotische boomsoorten John
Booth, uit Klein-Flottbeck. Booth hield in opdracht van het Pruisische onderzoeksinstituut in
1880 te Baden-Baden hiertoe een voordracht op de bijeenkomst van de pas opgerichte
vereniging van Duitse bosbouwonderzoeksinstituten . Daarnaast werd in 1892 de Deutsche
Dendrologische Gemeinschaft opgericht, de DDG. De voorzitter daarvan, Fritz Graf von
Schwerin, formuleerde het hoofddoel van de vereniging als volgt: schöne und vor allem
nützliche Gehölze des Ausenlandes einzuführen, sie den Flora der deutschen Forsten
einzuverleiben und diese dadurch in nutzbringender Weise zu vervolständigen (von
Schwerin 1906). Deze hoofddoelstelling van de DDG was door de aandacht voor het
esthetische karakter van de nieuwe boomsoorten dus breder dan de zuiver
houtteelttechnische opdracht van de onderzoeksinstituten.
In 1881 werd op bevel van de directeur van het Pruisische onderzoeksinstituut,
Oberforstmeister Danckelmann, met de aanleg van de experimenten begonnen . Het
onderzoek werd gesystematiseerd toen in 1890 in het kader van een breed ‘Fremdländer’-
onderzoek proefvlakken aan werden gelegd. Het Pruisische onderzoeksinstituut plantte 47
exotische boomsoorten aan uit gebieden met een gematigd klimaat. De beplante
oppervlakken liepen uiteen van 144,56 ha voor de pekden,
Pinus rigida
tot 0,10 ha voor de
katsura,
Cercidiphyllum japonicum.
1,72 ha werden met de vogelkers beplant, verdeeld over
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
6//21
11 boswachterijen; 7 in het zandige deel van Pruisen (1,21 ha) en 4 in lössgebieden (0,51ha)
(Schwappach 1896).
(Invoegen afbeelding 3)
Naar de reden voor deze voorzichtige aanplant kunnen we nu slechts gissen. Bekend is dat
er gezocht werd naar boomsoorten die zich positief onderscheidden ten opzichte van de
inheemse boomsoorten, waarbij het belangrijkste criterium ‘veel hout in een korte
tijdspanne’ was (Lockow 2002). Van de vogelkers werd verwacht dat deze een grotere
houtproductie op arme groeiplaatsen zou leveren dan de inheemse boomsoorten.
Schwappach beschreef in 1896 deze experimenten. Hij verwachtte op de voedselarmere
bodems een grotere productie van vogelkers dan van eik (Schwappach 1896).
Graf von Schwerin verwachtte in 1906 van de vogelkers de Möglichkeit schlechten und
trockenen Sandboden in einen vorzüglich rentierenden Wald um zu wandeln
(von Schwerin
1906)
.
Schwappach daarentegen gaf op een DDG-discussie in 1907 aan dat de vogelkers een
betere en vochtigere bodem nodig had om een bruikbare stam te ontwikkelen (Schwappach
1907). Uit de discussie die daarop volgde, kwam naar voren dat meerdere deelnemers goede
ervaring hadden met de vogelkers op zand als ze maar dicht genoeg geplant werden. Bij het
doornemen van de Mitteilungen van het DDG kom je ook veel teleurgestelde boseigenaren
tegen. De vogelkers groeit niet recht, blijft achter bij de grove den en groeit op de
stuifzanden vrijwel niet. Dergelijke ervaringen worden door Schwappach bevestigd in zijn
tussentijdse rapportage uit 1911(Schwappach 1911).
Het merendeel van de boomsoorten in Schwappachs grootschalige experiment viel af. In zijn
leerboek Forstwirtschaft uit 1918 perkte hij de exotische boomsoorten die in
houtteeltexperimenten hoopvolle resultaten opleverden in tot een dozijn, waaronder de
vogelkers (Schwappach 1918). Wij weten nu dat van deze soorten alleen die met een hoge
houtproductie per oppervlakte overgebleven zijn, voornamelijk de douglas, de Japanse
lariks en de Amerikaanse eik en in mindere mate de sitkaspar en de weymouthden. Soorten
die waardevol hout leveren maar in kleinere hoeveelheden, zijn afgevallen. Naast de
vogelkers zijn dat voornamelijk de zwarte walnoot en de hickorynoot.
Sinner gaf in een artikel uit 1926 een boeiend overzicht over de discussie in het eerste kwart
van de twintigste eeuw. Concluderend herleidde hij de negatieve ervaringen met de
vogelkers tot groeiplaats- en teeltproblemen. De vogelkers heeft, om een bruikbare stam te
vormen, behoefte aan een schaduwloze lemige groeiplaats en een veel zorgvuldigere
begeleiding in de jeugdgroei dan we van onze inheemse boomsoorten gewend zijn (Sinner
1926).
De experimenten met de vogelkers laten een ontwikkeling zien van de initieel zeer
hooggespannen verwachtingen op de armste zandgronden naar een afgewogen beoordeling
van de groeiplaatseisen. Ook ten aanzien van de teelteisen werd met vallen en opstaan
ervaring opgedaan. De warrige groei van de soort werd in eerste instantie toegeschreven aan
de herkomst. Later werd duidelijk dat de beschikbaarheid van direct licht en de bodem van
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
7//21
invloed was op de groeivorm. Ook werd duidelijk dat de vogelkers in tegenstelling tot de
bekende inheemse boomsoorten en de nieuw geïntroduceerde naaldbomen een goede
begeleiding in de jeugdgroei nodig had.
Deze ervaringen van een eeuw geleden komen niet overeen met de heersende opvatting in
de Noordwest-Europese literatuur dat de vogelkers hier ongeschikt zou zijn voor
houtproductie. Het lijkt erop dat deze mening gebaseerd is op de algemeen bekende
groeivorm van de vogelkers als onderstandige boomsoort.
4
Gebaseerd op deze historische
kennis en de aanwezigheid van waardevolle vogelkersen in Noordwest-Europese bossen zien
sommige auteurs dan ook mogelijkheden voor de vogelkers als productieboomsoort. Zij het
dat de benodigde bosbouwkundige kennis daartoe verder ontwikkeld moet worden (Haag &
Wilhelm 1998; Nyssen 1998, 2009; Starfinger e.a. 2003 )
(Invoegen: afbeelding 4)
Het lijkt erop dat deze ervaringen: niet geschikt voor de armste zandbodems, onvoldoende
hoge houtopbrengst en noodzakelijke begeleiding in de jeugdfase, ertoe leidden dat een
eeuw geleden van aanplant van de vogelkers voor de houtteelt afgezien werd.
Begeleidende boomsoort
De houtteeltexperimenten leidden niet tot massale aanplant van vogelkers maar zorgden er
wel voor dat Europese bosbouwers, voornamelijk in het Duitse Keizerrijk, eind negentiende
begin twintigste eeuw ervaring met de soort opdeden: goed opslagvermogen, goede
kwaliteit brandhout, niet gevoelig voor zomerdroogte en late vorsten, weinig wildvraat en
insectenschade, snelle jeugdgroei, verdraagt zonder probleem een licht scherm van dennen,
overvloedige en jaarlijkse zaadproductie, vlotte zaadverbreiding via vogels, gemakkelijke
natuurlijke verjonging ook onder scherm van grove den, interessante nevenproducten als
jam en likeur, uitstekende bodemverbeteraar met snelle strooiselafbraak. Kortom de ideale
soort om toe te passen in de heide- en landduinbebossingen (Muys & Maddelein 1993),
hetgeen dan ook gebeurde toen de systematische bebossingen op grote schaal van de grond
kwamen.
Het eerste bekende gebruik van de vogelkers als begeleidende boomsoort
5
vond in 1898
plaats in Nederland: in het Mastbos bij Breda onder leiding van Van Schermbeek (Bakker
1963a). Van Schermbeek had in Duitsland kennis gemaakt met de voordelen van gemengde
bosaanleg. Hij plantte de vogelkers niet alleen in loofhoutsingels tussen de
naaldhoutopstanden maar ook als vulhout
6
gemengd met de hoofdboomsoort (van
Schermbeek 1889, 1890, 1892). De hernieuwde aandacht voor de vogelkers beperkte zich
blijkbaar niet tot een enkele bosbouwer: in de tweede druk van het
Handboek tot de
praktische kennis der voornaamste boomen, heesters en conifeeren
van De Vos, uit 1887
werd vogelkers nog niet genoemd maar wel in het supplement uit 1890 (de Vos 1887,
1890).
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
8//21
De vogelkers werd, als begeleidende boomsoort, vooral gebruikt bij herbebossingen op
stuifzanden en heiden. Nederland liep voorop, zowel bij de herbebossing als bij het gebruik
van vogelkers daarbij. Na de eerste aanplant door Van Schermbeek in Breda werd in 1900
door de Boswachterij Kootwijk en Loobos op de Veluwe vogelkers aangeplant. Omstreeks
1905 werd in Drenthe met de stuifzandbebossingen een begin gemaakt en in 1911 werd in
het Odoorner Veld de eerste heide bebost. Op de hoge zandgronden in het Zuiden en op de
Veluwe begon de heidebebossing vrijwel gelijktijdig. De heidebebossingen in 1910 in
Zeeland en in 1911 in Erp waren de eerste (Bakker 1963a). Om de dennenopstanden van de
heidebebossingen werden loofhoutsingels aangelegd, die merendeels uit berk en grauwe els
bestonden. Vanaf 1912 werd hier ook vogelkers aan toegevoegd. Deze loofhoutsingels
moesten het risico op bosbrand verkleinen en als windkering het verdrogen van de jonge
aanplant verminderen. Daarnaast moesten de windsingels ook zorgen voor het uitzaaien van
loofhout in de bestanden. Men beoogde de kans op insectenplagen te verkleinen,
waterconcurrentie door ongewenste bodembedekkers als heide en grassen te beperken en
de afbraak van het naaldhoutstrooisel te bevorderen. Dit werd ook door de ervaring
bevestigd (Bakker 1963a). Ook in België werd de Vogelkers in de eerste helft van de vorige
eeuw gebruikt bij het vastleggen van landduinen en het bebossen van heiden en werden
dennenbossen omringd met loofhoutsingels waarin Vogelkers mee geplant werd (Masson
1920).
Vanaf 1920, met een hoogtepunt tussen 1930 en 1940, werd vogelkers in Nederland,
omwille van zijn bodemverbeterende eigenschappen, ook als vulhout gebruikt (Bakker
1963a; Iven & van Gerwen 1974) . Gebruik van de vogelkers als vulhout ben ik met
betrekking tot België niet tegengekomen.
Naast bovenbeschreven aanlegmethode werd vogelkers, zowel in België als in Nederland,
veelvuldig onderplant of onderzaaid in bestaande opstanden van meestal lichtboomsoorten
(Goblet d'Alviella 1922; van den Tweel & Krommendijk 1986). Misson schreef in 1930, met
een vooruitziende blik, dat: ‘het eeuwig voortbestaan van de soort en de voortdurende
bescherming van de bodem gegarandeerd zijn’ (Misson 1930).
Een bijzondere toepassing was die in Boswachterij Ruinen (Drenthe) waar vogelkers samen
met berk en grauwe els gebruikt werd als scherm boven eikenbezaaiingen, tegen
nachtvorstgevaar en voor het onderdrukken van grasgroei. Vrij algemeen was het gebruik
van de vogelkers als dekking voor het wild en broedgelegenheid voor vogels (Bakker 1963a).
Het zwaartepunt van de introductie van Vogelkers als begeleidende boomsoort in Duitsland
viel na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1950 en 1980 werden in Duitsland
honderdduizenden hectares (her)bebost. Op de zandige bodems in Noord-Duitsland werden
hiervoor vaak grove den en Japanse lariks gebruikt. Vogelkers was een onderdeel van het
klassieke beplantingsplan (Starfinger & Kowarik 2003). In het Klever Wald werd de Vogelkers
pas in de jaren zeventig geïntroduceerd.
7
In de jaren tachtig vond nog aanplant plaats in
Sleeswijk-Holstein, in Hessen, in Oost-Duitsland en in Beieren langs autosnelwegen
(Starfinger 1990).
Als we betrokkenen uit deze herbebossingperiode aan het woord laten blijkt dat de soort
prima voldeed voor de taken waarvoor ze ingehuurd was: In de bosschen van Nederland,
vooral die in Gelderland, spelen slechts enkele exoten een belangrijke rol. Dat zijn de
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
9//21
Amerikaansche eik, de Amerikaansche vogelkers, de douglasspar en de Japanse lork. En
deze boomen helpen den boschgroei zeer. (Blink 1929). Vele Brabantse boomkwekers
meldden dat de beste gedeelten van de boomkwekerij deze waren waar vogelkers gestaan
had. Bodemverbetering was een belangrijk motief om deze soort boven andere te verkiezen
(Bakker 1963a). De huidige aandacht in het onderzoek van bosbodems voor de humusvorm
als parameter voor de groeiplaatsontwikkeling lijkt de eerder waargenomen
bodemverbetering te bevestigen (Boudru 1946; von Wendorff 1952; Muys & Maddelein 1993;
Lorenz e.a. 2004; Verheyen e.a. 2007; Chabrerie e.a. 2010). Het ‘linde-effect’ lijkt ook door
de vogelkers bewerkstelligt te worden.
Begin jaren vijftig kwam de vogelkers in vrijwel alle Nederlandse en Belgische heide- en
stuifzandbebossingen voor. De aanwezigheid van deze nieuwe soort in onze bossen bleek
vrijwel niemand te storen. Opvallend is dat bijvoorbeeld het Nederlandse Bosbouwtijdschrift
tot begin jaren vijftig vrijwel geen aandacht aan de vogelkers besteedde anders dan terloops
in verslagen van excursies naar bebossingprojecten waarbij haar gebruik aan de orde kwam .
Het uitroeien van een ongewenste soort
De bezwaren tegen de Amerikaanse vogelkers komen vooral van de zijde van de bosbouw.
Het vraagstuk speelt vooral een rol waar de waarde van het bos in de 1e plaats wordt bepaald
door de houtproductie. In jonge cultures is hier bestrijding, of op zijn minst een regelmatige
verpleging van de prunus vereist, wil het hoofdplantsoen er geen schade van ondervinden
(vooral douglas schijnt van vocht- en voedselconcurrentie te lijden te hebben). In oudere
bossen heeft de hoofdhoutsoort er meestal weinig hinder van (in lariksbossen bv. is de
vochtonttrekking door grassen veel groter dan die door prunus). Doch voor de exploitatie is
regelmatig afzetten nodig. Op vele plaatsen wordt de betekenis van het bos voor de recreatie
steeds groter, t.k.v. de betekenis als leverancier van productiehout. Hoewel ook daar veel
prunus als een probleem wordt beschouwd, staat het minder in het brandpunt van de
belangstelling dan in de productiehoutgebieden. In oudere bossen wordt er niets meer aan
gedaan en op sommige terreinen wordt hij zelfs dienstbaar gemaakt aan de
(massa)recreatie, omdat het een weinig eisende en veel verdragende soort is. Indien de
tendens van een toenemende functie van het bos voor de recreatie zich voortzet, zal het
probleem voor de bosbouw van minder groot belang worden dan nu, tenzij men dit
recreatiebos een speciaal karakter wenst te geven waarin exoten niet passen
(Bakker
1963a).
Bovenstaand lang citaat is de conclusie van een grootschalige bevraging van beheerders van
het Staatsbosbeheer. Bosbeheer was in die tijd in Nederland nog vrijwel synoniem met het
Staatsbosbeheer. Concurrentie was er op dit vakgebied nog nauwelijks, met uitzondering
van de bosaanleg, waarin de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij (KNHM)
domineerde. De naam ‘bospest’ waarmee in de jaren zeventig en tachtig, de bloeiperiode
van de Nederlandse bestrijding, de vogelkers aangeduid werd, verscheen voor het eerst in
1963 in het kader van ditzelfde onderzoek bij het Staatsbosbeheer (Bakker 1963b).
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
10//21
De vogelkers werd, in deze beginperiode van de bestrijding, vooral als een probleem ervaren
waar de waarde van het bos in de eerste plaats wordt bepaald door de houtproductie
(Bakker 1963a). Dat was gezien de toenmalige bosbouwpraktijk niet zo verwonderlijk. Men
had een voorkeur voor overzichtelijke monoculturen zonder struiklaag. Bovendien nam het
belang van vulhout voor de bodemverbetering af. De bodemvruchtbaarheid werd vanaf de
jaren vijftig door bosbemesting met compost en kunstmest op peil gehouden (Bakker
1963a). Hinderlijk loofhout als de berk, de lijsterbes, de vuilboom en de vogelkers werd dan
ook bestreden (Janssen 1952; van Goor 1952).
Van den Tweel & Eijsackers stelden in 1987 dat vrijwel onmiddellijk na de eerste melding van
de negatieve effecten van vogelkers in de jaren 1950 en 1960 in Nederland de eerste
bestrijdingsmethodes uitgetest en toegepast werden (van den Tweel & Eijsackers 1987).
Daarnaast ging echter ook de aanplant door. In 1954 en 1956 verschenen deel 1 en deel 2
van dé klassieker van generaties Wageningse Bosbouwers: Houtteelt der gematigde
luchtstreken. Hierin beval Hoogleraar G. Houtzagers het gebruik van de vogelkers als
vulhout aan bij aanleg en als onderbouw (Houtzagers 1954, 1956). Zijn aanbevelingen
hadden toen nog maar weinig impact. In de jaren vijftig namen de heidebebossingen in
Nederland sterk af, en daarmee ook het massale aanplanten van de vogelkers. Dit betekent
echter niet dat het bosbouwkundig gebruik van vogelkers daarmee volledig afgelopen was.
De Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij verklaarde in 1963: Waar niet in de eerste
plaats een zo hoog mogelijke houtproductie wordt voorgestaan wordt zonder bezwaar
prunus geplant. Ook in de boswachterijen van SBB had de Heidemij grote invloed op wat er
geplant werd. In 1963 plantte het Staatsbosbeheer in het Mastbos in Breda nog vogelkers
aan als vulhout. Het was dus niet zo dat plots van aanplant op bestrijden overgegaan werd.
Beiden gingen samen; aanplant waar dat nuttig was en bestrijding daar waar loofhout
hinderlijk was. Dat laatste was vooral het geval bij herbebossing na kaalkap (Bakker 1963a).
Daarnaast werd na de tweede wereldoorlog de vogelkers nog volop gebruikt als wilddekking,
zowel door het Staatsbosbeheer als door particulieren. Ook het landschappelijk gebruik van
vogelkers ging lang door, als erfbeplanting, om sportterreinen, bij camouflage van militaire
opslagplaatsen of op uitzichthoeken voor het verkeer. Maar: In grote objecten worden
Prunus en Amelanchier niet geplant omdat de staat (SBB) geen subsidie verleent op de
aanplant van exoten (Bakker 1963a).
In dit uitgebreide overzicht uit 1963 van de problemen waar de vogelkers het
Staatsbosbeheer mee opzadelde, staan enkele voorbeelden van natuurterreinen en
landschapselementen waarin vogelkers een probleem veroorzaakte: heideterreinen op de
hoge zandgronden; de strubbenbosjes in Drenthe; eikenhoutwallen in het algemeen; de
eiken- berkenbossen in het Hollandse strandwallenlandschap en enkele bosreservaten en
een recreatiebos waarin alleen inheemse boomsoorten gewenst waren. In de beschrijving van
de problematiek van de aanwezigheid van de vogelkers in deze landschapselementen door
Bakker (1963a) wordt nergens benoemd welke waarden bedreigd worden. Uit de context valt
af te leiden dat het gaat om behoud van de esthetische waarde; het vertrouwde beeld, angst
voor verdringing van inheemse boomsoorten door exotische en het verdwijnen van de rijke
ondergroei. Resultaten van recent onderzoek laten overigens zien dat de toename van
boomsoorten met een rijk strooisel, als de vogelkers, een positief effect kunnen hebben op
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
11//21
de ontwikkeling van de biodiversiteit in de kruidlaag . Een inventarisatie op de Noordes van
Uffelte in Drenthe laat het volgende beeld zien: ‘De ontwikkeling van de kruidlaag is
opmerkelijk rijk met tientallen vierkante meters aaneengesloten begroeiingen van Dalkruid
en Lelietje der dalen en Salomonszegel abundant. Dit moet kennelijk worden toegeschreven
aan het goed verterende strooisel van de vogelkers. Onder eiken zorgt het slecht verterende
eikenblad voor een zure, dikke strooisellaag die veel minder kruiden bevat’ (Tonckens 2006).
(Invoegen afbeelding 5 en6)
In de kringen van veldbiologen rustte er niet onmiddellijk een taboe op de vogelkers. Een
mooi voorbeeld hiervan is de beschrijving uit 1947 in de levende natuur (Korringa 1947).
Vegetatiekundigen namen de vogelkers als een gewone soort in hun onderzoek mee (Leys
1964). Naast de zorg om de invloed van de vogelkers op de inheemse vegetatie leek ook het
ecologisch onderzoek naar de plaats van de vogelkers in onze bosecosystemen van de grond
te komen.
Onder invloed van de toenemende aandacht voor soortbescherming in de jaren zeventig en
tachtig ontwikkelden bos- en natuurbeheerders de opvatting dat de aanwezigheid van de
vogelkers in bosecosystemen een negatieve impact had op de biodiversiteit in bossen. De
negatieve perceptie van de vogelkers, ontstaan in de houtteelt, werd kritiekloos
overgedragen op de bosecologie. Gezien het ontbreken van wetenschappelijk onderbouwing
lijkt dit meer een rechtvaardiging voor het gekozen beheer dan een onderbouwing daarvan.
Of zoals Starfinger het uitdrukt: Stellingname voor of tegen de acceptatie van de vogelkers
wordt meer bepaald door politieke keuzen dan door ecologische argumenten (Starfinger
1990).
Halverwege de jaren zeventig voerde Staatsbosbeheer een interne studie uit naar de
mogelijkheid de vogelkers uit te roeien. De auteur Niek Borsboom kwam tot de conclusie dat
dit niet haalbaar was. Volgens Hans Jansen, destijds bij het Staatsbosbeheer werkzaam,
betrof dit vooral de financiële onhaalbaarheid: de kosten werden geraamd op 100 miljoen
gulden.
8
Borsboom kreeg opdracht zijn rapport te herschrijven. Naar eigen zeggen omdat
deze conclusie door Staatsbosbeheer niet wenselijk geacht werd gezien de grote
subsidiebelangen.
9
Op dit herschreven rapport werd het Nederlandse beleid ten aanzien van
de vogelkers gebaseerd; met name het opnemen van de bestrijding van de vogelkers in de
Bosbijdrageregeling. Jaarlijks werd hiertoe, tot 1992, een bedrag in de grootteorde van twee
miljoen gulden, ongeveer een miljoen Euro beschikbaar gesteld. Dit was het startsein voor
de massale bestrijding in Nederland.
De Nederlanders H. Eijsackers en L. Oldekamp stelden in 1976 vast dat Duitse, Poolse en
Belgische collega’s ‘telkens weer verbaasd zijn over het feit dat Prunus serotina in ons land
wordt bestreden (Eijsackers & Oldenkamp 1976). Borrmann riep in 1987 in de toenmalige
Duitse Democratische Republiek op tot bestrijding van de vogelkers. Hij noemde daarbij als
argumenten dat het vellen en uitslepen van hout 40% duurder was en dat de verzorging van
de jonge aanplant het tienvoudige kostte bij aanwezigheid van vogelkers (Borrmann 1987).
De Duitse vegetatiekundige Uwe Starfinger sloeg in de Bondsrepubliek Duitsland in 1990
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
12//21
alarm in zijn dissertatie vanwege: ihre Eigenschaft, sehr dichte Strauchschichten
aufzubauen, die einerseits die einheimische Waldbodenvegetation gefährden, anderseits
Probleme für die Forstwirtschaft mit sich bringen (Starfinger 1990). Starfinger stelde vast
dat in Nederland, in tegenstelling tot in Duitsland eine ganze Reihe von Veröffentlichungen
über ökologische und angewandte Aspektebeschikbaar is. Hij verwees hierbij expliciet naar
de beknopte publicatie van Bakker (1963b), Eijsackers & Oldenkamp (1976) en Van de Tweel
& Eijsackers (1987). Daarmee gaf hij aan dat er in Duitsland op dat moment minder kennis
over de invloed van de vogelkers op de biodiversiteit aanwezig was dan de waarnemingen
beschreven in deze drie artikelen. Hij stelde zich dan ook ten doel om de invloed van de
soort op de vegetatie te beoordelen. Hij concludeerde aan de hand van een uitgebreid
vegetatieonderzoek in bossen, dat er sprake was van een verarming van de kruidlaag bij
aanwezigheid van vogelkers. Dies ist auf ein verändertes Lichtklima der bestände
zurückzuführen. Daarnaast stelt hij in een laboratoriumexperiment vast dat een extract uit
bladeren van de vogelkers het kiemen van de tuinkers (
Lepidium sativum
) afremde. Dat zou
erop kunnen wijzen dat de vogelkers in ecosystemen de vestiging van andere planten
afremt, een zogenaamd allellopathisch effect.
Vanaf de jaren 1990 werd naar het werk van Starfinger verwezen als onderbouwing voor de
bedreiging van de biodiversiteit door de vogelkers (Muys & Maddelein 1993; Anoniem 1996;
Van den Meerschaut 1996b). Bestrijding van de vogelkers kwam toen in Vlaanderen op gang,
met veel financiële overheidssteun. De achterliggende motivatie was verhoging van de
biodiversiteit door omvorming van de dennenbossen op zandgronden in gemengde
loofbossen. Aangenomen werd dat deze omvorming niet mogelijk was bij aanwezigheid van
vogelkers (Anoniem 1996). Dit beleid was ontwikkeld door de Afdeling Bos en Groen van de
Vlaamse overheid, naast beleidsorgaan vooral ook de beheerder van de openbare bossen in
Vlaanderen. Naast de nagestreefde bosomvorming naar structuurrijk loofbos was er ook de
zorg dat: Een dichtgesloten onderetage van Amerikaanse vogelkers werkt als een barrière
die het vlotte verloop van bosbeheersmaatregelen hindert (Anoniem 1996). Een opvallend
argument, een struiklaag in het bos wordt als hinderlijk ervaren terwijl een structuurrijk bos
nagestreefd wordt. Daarnaast werd de soort ook als hinderlijk op de heide ervaren.
Bovendien was streven naar kwaliteitshout met Amerikaanse vogelkers een waanbeeld
(Anoniem 1996).
In 2003 kwam Starfinger in het tijdschrift Biological Invasions, samen met Kowarik, Rode en
Scheper terug op de negatieve invloed die de vogelkers zou hebben op de soortenrijkdom.
De angst bij beheerders dat zich onder vogelkers geen andere boomsoorten kunnen vestigen
klopte volgens de auteurs niet. Zij verwachtten dat de huidige, soms dominante,
aanwezigheid van de vogelkers ten gevolge van de successie in bosecosystemen
gereduceerd zou worden tot een beperkte aanwezigheid (Starfinger e.a. 2003). De
allellopathische invloed van de vogelkers, onderdeel van Starfingers studie uit 1990, bleek in
2003 geen thema meer te zijn. Resteerde: de schaduwwerking van deze boomsoort op de
kruidlaag, een algemeen verschijnsel van elke verjongingseenheid van boom- en
struiksoorten of van de aanwezigheid van schaduwboomsoorten in het bos.
En toch; volgens een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Nederlandse ministerie van
Landbouw Natuur en Voedselveiligheid en het Bosschap in 2008 vormt De Amerikaanse
vogelkers een bedreiging voor de biodiversiteit (de Kleijn e.a. 2008). Bronnen zijn, naast
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
13//21
drie beleidsstukken twee bosbeheerders en een aannemer, alle drie ervaren in het bestrijden
van de vogelkers. Op mijn vraag aan een van de beheerders waarom de vogelkers een
bedreiging voor de biodiversiteit was kreeg ik als spontaan antwoord: ‘om de
projectsubsidies voor bestrijding veilig te stellen’.
Hiermee handig inspelend op de huidige aandacht voor invasieve exoten. Door het
ontbreken van, of onbekend zijn met, wetenschappelijk onderzoek naar de precieze rol van
exotische soorten in ecosystemen worden waargenomen negatieve effecten van een exoot
vaak veralgemeend naar een bedreiging door alle exoten. Ten aanzien van de vogelkers
staan de gehanteerde ecologische argumenten om in bossen tot bestrijding over te gaan
echter onder druk. Na een eerste aanzet tot ecologisch onderzoek in Nederland (Wallis de
Vries 1986) en Duitsland (Starfinger 1990) komt recentelijk in Vlaanderen, Wallonië en
Noord-Frankrijk ecologisch basisonderzoek op gang naar de actuele en toekomstige rol van
de vogelkers in bosecosystemen, de invasiviteit van de soort en haar impact op de
biodiversiteit (Verheyen e.a. 2007); (Closset-Kopp e.a. 2007; Decocq 2007; Pairon 2007;
Chabrerie e.a. 2008; Vanhellemont 2009; Chabrerie e.a. 2010).
Een poging met het verleden en de werkelijkheid in het reine te komen
Terwijl in het bos- en natuurbeheer in de tweede helft van vorige eeuw de poging tot
uitroeien domineerde, werd in vrijwel alle reflecterende artikelen de behoefte geuit aan een
meer gedifferentieerde aanpak. Het R.I.V.O.N-rapport uit 1963 stelde als kernvraag; op
welke plaatsen en in hoeverre moet de bestrijding ter hand worden genomen (Bakker
1963a). Eijsackers en Oldekamp stelden in 1976 in hun artikel
Amerikaanse vogelkers,
aanvaarding of beperking ?
dat de gevolgen van de aanwezigheid van de vogelkers konden
verschillen naar gelang het gebruiksdoel van het betreffende stuk bos (Eijsackers &
Oldenkamp 1976).
Het Staatsbosbeheer voerde in 1984 een gedifferentieerde aanpak van de vogelkers in
(Anoniem 1984); Het Staatsbosbeheer acht uitroeiing van de Amerikaanse vogelkers niet
haalbaar en voorziet in 1984 voor haar eigen terreinen een afronding van de bestrijding
binnen enkele jaren. Een poging tot uitroeiing is niet meer aan de orde. Kennis van
groeiplaats, begroeiingtype en voorkomen van prunus moet ertoe leiden dat uiteindelijk
bestrijding alleen daar plaatsvindt, waar dit noodzakelijk is (van den Tweel & Krommendijk
1986).
(Invoegen afbeeldingen 7 en 8)
Deze beleidswijziging werd in bosbouwend Nederland niet massaal opgevolgd, ook niet
binnen het Staatsbosbeheer zelf. Dit is het gevolg van een samenloop van omstandigheden.
Het Staatsbosbeheer had halverwege de jaren tachtig niet meer de dominante positie in de
sector die ervoor zorgde dat haar beleid automatisch door de andere actoren overgenomen
werd. Bovendien was het bosbeheer begrotingstechnisch in sterkere mate afhankelijk van
inkomsten uit houtproductie daar waar de grootste problemen met de vogelkers ervaren
werden. Doorslaggevend was dat de vergoeding voor het bestrijden van de vogelkers in de
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
14//21
Bosbijdrageregeling gehandhaafd bleef, een situatie waarin herbezinning op het gevoerde
beheer niet voor de hand ligt. Toen de vergoeding voor het bestrijden begin jaren negentig
wegviel was het debat over het beheer van de vogelkers uitgewoed en was de bestrijding een
beheerautomatisme geworden.
De tendens naar een doelgericht beheer van de vogelkers werd, niettegenstaande de
heropleving van de ongedifferentieerde bestrijding in de tachtiger en negentiger jaren, daar
voortgezet waar getracht werd bosbedrijfsdoelen efficiënt te realiseren. Hieronder enkele
voorbeelden.
Het Diergarter Wald is een groot Duits particulier boseigendom in Brüggen, nabij Roermond.
Rentmeester Richard Holthausen en de Nederlandse beheerder John Janssen hebben een
aanpak van de vogelkers ontwikkeld die uitgaat van omvorming van de dennenbossen naar
productiebossen bestaand uit loofboomsoorten. Zij bestrijden de vogelkers niet, maar
stellen op de verjongingseenheden de gewenste verjonging vrij zodat deze de vogelkers
onderdrukt.
10
Ook in Vlaanderen ontwikkelen enthousiaste beheerders aanzetten tot efficiënt
beheer van de vogelkers, waarbij het streven is door successie de kwetsbaarheid van het
bosecosysteem voor invasie van de vogelkers te verkleinen (Geudens e.a. 2009).
Landschap Erfgoed Utrecht concludeert in 2010 dat het uitroeien van de vogelkers geen
realistische strategie is en gaat daarom over op beheren (Meijers 2010).
In de 29.000 ha grote Berlijnse bossen wordt de bestrijding van de vogelkers na de
grotendeels mislukte pogingen uit de jaren tachtig en negentig opnieuw opgepakt. In
tegenstelling tot deze eerdere pogingen is het doel nu niet meer op zoveel mogelijk
hectaren vogelkers te bestrijden. Net als in bovengenoemde experimenten is het doel door
middel van het omvormen van structuurloze dennenbossen naar gemengde structuurrijke
loofbossen de niche van de vogelkers te verkleinen (Münte 2009). De vogelkers zal niet meer
uit hun bossen verdwijnen, ze maken hun bossen daarom ‘vogelkers-tolerant’.
Eenzelfde aanpak van omvorming naar gemengd loofhout vinden we in het Käfertaler Wald,
het stadsbos van Mannheim. Ook daar wordt niet langer bestreden maar omgevormd.
Aangezien bij eerdere bestrijdingsmaatregelen mooie vogelkersen waren geveld die 200 tot
1000 mark, 100 tot 500 Euro, opbrachten, vonden de beheerders het zonde om genoegen te
nemen met brandhoutprijzen en werd ervoor gekozen een concept te ontwikkelen waarbij
een generatie vogelkers als zaaghout verkocht zou kunnen worden (Haag & Wilhelm 1998;
Nyssen 1998, 2009).
(invoegen afbeelding 9)
De constatering dat de vogelkers definitief deel uitmaakt van de Noordwest-Europese flora,
maakt de houtproductiekwaliteiten van de vogelkers deel van de oplossing (Starfinger e.a.
2003). Nu echter niet om unsere Waldflora durch Einbürgerung fremder Holzarten zu
bereichern
zoals Schwappach dit een eeuw geleden motiveerde, maar omdat het in het
bosbeheer nu eenmaal efficiënter is om met dan tegen de natuur te werken.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
15//21
Bernhard Heukamp, voormalig verantwoordelijke voor het bosbeheer in Noordrijn-Westfalen
pleit ervoor om, indien houtproductie onderdeel uit gaat maken van het beheerconcept, een
herkomstselectie door te voeren
11
. Het Franse Station d’Amélioration des Arbres Forestiers
doet hier sinds 1979 onderzoek naar (Arbez & Lacaze 1999).
Aan de Université Catholique de Louvain werd vastgesteld dat de genetische variatie in de
populatie vogelkers in Nederland, Vlaanderen en Duitsland vergelijkbaar is met die in de
omgeving van het Allegheny-gebergte kerngebied van de kwaliteithoutproductie in de VS
(Pairon e.a. 2010).
Ook aan het Landeskompetenzzentrum Eberswalde, de thuisbasis van Adam Schwappach, is,
in de negentiger jaren het experimenteren met vogelkers weer opgepakt. Doelstelling is vast
te stellen of de soort unter den gegebenen standörtlichen Bedingungen positive
ertragskundliche und waldbauliche Eigenschaften aufweisen(Noack 2010).
Ondanks een halve eeuw intensieve bestrijding is de vogelkers nu wijder verbreid in het
Noordwest-Europese laagland dan aan het eind van de massale introductie. De vogelkers is
zelfs de soort die zich het meest frequent verjongt in Vlaamse bossen (Waterinckx &
Roelandt 2001). De vogelkers heeft zich een plaats veroverd -of liever: gekregen- in de
Noordwest-Europese flora. Over het feit dat we de vogelkers ecologisch als ingeburgerd
kunnen beschouwen bestaat dan ook niet veel discussie meer.
12
Conclusie
In de inleiding constateerde ik een discrepantie tussen waarneming en beschrijving, tussen
historische en contemporaine waarnemingen en tussen auteurs in dezelfde historische
periode.
Uit dit historisch overzicht ontstaat de indruk dat zowel waarnemingen als wetenschappelijk
onderzoek gekleurd zijn door de tijdgeest waarbinnen zij plaatsvonden. Zolang de vogelkers
voldoet in de functie waartoe zij ingezet wordt: een mooie parkboom, een goede
productieboomsoort, een geschikte begeleider bij bebossing van arme gronden, worden de
daarvoor relevante soorteigenschappen positief beschreven. Wanneer de soort na de tweede
wereldoorlog haar bosbouwkundig nut verliest, de heidebebossingen lopen ten einde en de
houtteeltexperimenten zijn vergeten, worden ook de hiervoor relevante eigenschappen,
vergeten of ontkend. De door bosbouwers ervaren overlast leverde de vogelkers de bijnaam
Bospest op. Onder dit pejoratief werd de soort daarna, zonder wetenschappelijke
onderbouwing, geleidelijk aan de meest gevreesde ‘invasieve exoot’.
De algemene weigering dan wel het onvermogen van bos- en natuurbeheerders sinds de
jaren zestig van vorige eeuw om de aanwezigheid van de vogelkers als een gegeven te
accepteren heeft ertoe geleid dat de aandacht in beheer en onderzoek hoofdzakelijk
gefocust bleef op de meest efficiënte bestrijdingswijze. Onderzoek naar de rol van de soort
in onze ecosystemen, haar invloed op de biodiversiteit binnen deze ecosystemen en het
gebruik van de soort bij het realiseren van de gestelde beheersdoelen is van recente aard en
nog onvolledig. Onbevooroordeeld ecologisch onderzoek is essentieel om een goede
inschatting te kunnen maken van de rol van deze nieuwe soort in onze ecosystemen en de
daaraan gekoppelde noodzaak tot bestrijding, of juist te komen tot een gefundeerde
acceptatie van vogelkers.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
16//21
Complicerende factor bij onderzoek naar de ecologie van de vogelkers is de zeldzaamheid
van ongestoorde populaties vogelkers in bossen (Walraven & van Loon 1982). Dergelijke
ongestoorde situaties zijn onontbeerlijk voor onderzoek naar de ontwikkeling van de
vogelkers in Noordwest-Europese ecosystemen en verdienen dan ook volle bescherming.
Literatuur
ANONIEM 1984: Prunus serotina Ehrh. Beleid en beheer van het Staatsbosbeheer ten aanzien
van Prunus serotina.
SBB Rapport,
jg.1984/nr.6
ANONIEM 1996:
Amerikaanse vogelkers vogelvrij, richtlijnen tot integrale bestrijding.
(Brussel)
ARBEZ, M. EN J. LACAZE 1999:
Les ressources génétiques forestières en France: Tome 2. Les
feuillus.
BAKKER, J. 1963a:
De ontwikkelingsgeschiedenis van Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers)
en Amelanchier leavis (Drents krenteboompje) in Nederland.
(Wageningen)
BAKKER, J. 1963b: De ontwikkelingsgeschiedenis van Prunus serotina Ehrh.
Nederland.
Nederlands Bosbouwtijdschrift,
jg.35/nr.
BLINK, H. 1929:
Woeste gronden: ontginning en bebossching in Nederland voormaals en
thans.
BOOTH, J. 1896:
Die nordamerikanischen Holzarten und ihre Gegner.
BOOTH, J. 1907:
Die Douglasfichte seit ihrer einführung nach Europa, 1828-1906.
BORRMANN, K. 1987: Einbürgerung, Ausbreitung und Vorkommen der Späten Traubenkirsche
(Padus serotina Borkh.) in der Oberförsterei Lütkenhagen (Kreis Neustrelitz).
Botanischer Rundbrief für den Bezirk Neubrandenburg,
jg.19
BOUDRU, M. 1946: Influence de l'introduction des feuillus sur la couverture morte et le sol, au
Dilserbiosch.
Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique,
jg.53
BUIS, J. 1985:
Historia forestis.
(Wageningen) A.A.G. bijdragen 26 en 27.
CHABRERIE, O., J. LOINARD, S. PERRIN, R. SAGUEZ EN G. DECOCQ 2010: Impact of Prunus serotina
invasion on understory functional diversity in a European temperate forest.
Biological
Invasions,
jg.12/nr.6
CHABRERIE, O., K. VERHEYEN, R. SAGUEZ EN G. DECOCQ 2008: Disentangling relationships between
habitat conditions, disturbance history, plant diversity, and American black cherry
(Prunus serotina Ehrh.) invasion in a European temperate forest.
Diversity and
distributions,
jg.14/nr.2
CLOSSET-KOPP, D., O. CHABRERIE, B. VALENTIN, H. DELACHAPELLE EN G. DECOCQ 2007: When Oskar
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
17//21
meets Alice: Does a lack of trade-off in r/K-strategies make Prunus serotina a
successful invader of European forests?
Forest Ecology and Management,
jg.247/nr.1-3
DE KLEIJN, M., S. VAN KLAVEREN, J. ZWEERS EN T. GRIMMIUS 2008
Bestrijding van invasieve exoten,
onderzoek naar het sturingsinstrumentarium.
Zoetermeer Research voor Beleid.
DE VOS, C. 1887:
Handboek tot de praktische kennis der voornaamste boomen, heesters en
conifeeren voor den vrijen grond geschikt.
DE VOS, C. 1890:
Supplement op het handboek tot de praktische kennis der voornaamste
boomen, heesters en conifeeren voor den vrijen grond geschikt.
DECOCQ, G. 2007
Dynamique invasive du cerisier tardif, Prunus serotina L., en système
forestier tempéré: déterminants, mécanismes, impacts écologiques, économiques et
socioanthropologiques.
Amiens
DOBLER, G. 2004: Daheim ist das Fremde wir und die Neobiota.
LFW aktuell,
jg.2004/nr.24
EIJSACKERS, H. 1978: Mogelijke nadelige invloeden van het onkruidbestrijdingsmiddel 2, 4, 5-
T op de bodemfauna.
Nederlands Bosbouwtijdschrift
.
EIJSACKERS, H. EN L. OLDENKAMP 1976: Amerikaanse vogelkers, aanwaarding of beperking.
Landbouwkundig tijdschrift,
jg.56.
GEUDENS, G., M. VANHELLEMONT EN B. NYSSEN 2009: De wisselende rol van Amerikaanse vogelkers
in het bosbeheer.
Bosrevue,
jg.29
GOBLET D'ALVIELLA, F. 1922:
Prunus serotina
et
Prunus virginiana
.
Bulletin de la Société
Centrale Forestière de Belgique,
jg.25/nr.
HAAG, C. EN U. WILHELM 1998: Arbeiten mit unerwünschter Baumart oder Verschleppung einer
Katastrophe.
AFZ,
jg.53/nr.
HOMMEL, P., R. WAAL, B. MUYS, J. OUDEN EN T. SPEK 2007: Terug naar het lindewoud.
Strooiselkwaliteit als basis voor ecologisch bosbeheer. KNNV Uitgeverij, Zeist
.
HOUTZAGERS, G. 1954:
Houtteelt der gematigde luchtstreek. Deel 1: De houtsoorten.
HOUTZAGERS, G. 1956:
Houtteelt der gematigde luchstreek. Deel 2: Het bos.
IVEN, W. EN T. VAN GERWEN 1974: Lind dè is de sgonste plats.
Natuur en landschap van Leende,
een oost-brabants dorp
.
JACQUEMART, A.L., G. DECOCQ, M. VANHELLEMONT EN K. VERHEYEN 2010: Faut-il lutter ou vivre avec
? Le cas de l’invasion par le cerisier tardif, Prunus serotina.
Silva Belgica,
jg.117/nr.3
JANSSEN, J.J.M. 1952: Over regeneratie van gedegradeerde boschgronden.
Nederlands
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
18//21
Bosbouw Tijdschrift,
jg.24/nr.
KORRINGA, P. 1947: Nachtelijk bezoek aan Prunus serotina.[Visiting Prunus serotina at night].
De levende natuur,
jg.50.
LEYS, H. 1964: Een onderzoek naar de botanische waarde van enkele grove dennenbossen op
stuifzand bij Kootwijk.
De levende natuur,
jg.67/nr.6
LOCKOW, K. 2002: Ergebnisse des Anbauversuche mit amerikanischen und japanischen
Baumarten, (red.),
Ausländische Baumarten in Brandenburgs Wäldern.
LORENZ, K., C.M. PRESTON, S. KRUMREI EN K.H. FEGER 2004: Decomposition of needle/leaf litter
from Scots pine, black cherry, common oak and European beech at a conurbation
forest site.
European Journal of Forest Research,
jg.123/nr.3
MASSON, J. 1920: Chronique forestière.
Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique,
jg.27.
MEIJERS, R. 2010
Mededeling aan de medewerkers en vrijwilligers van de beheerploegen.
Utrecht .
MISSON, R. 1930: Une conception nouvelle de la sylviculture de Campine.
Bulletin de la Société
Centrale Forestière de Belgique,
jg.37.
MÜNTE, M. 2009: Spätblühende Trauben-Kirsche in Berlin.
AFZ-DerWald,
jg.13.
MUYS, B. EN D. MADDELEIN 1993: Amerikaanse vogelkers: van troefkaart tot bospest.
Groene
Band,
jg.91/nr.92
NOACK, M. 2010
Wachstum und Entwicklung der Spätblühenden Traubenkirsche.
Eberswalde
Landeskompetenzzentrum Forst.
NYSSEN, B. 1998: Bospest bestrijden met de Zwarte kers: de Amerikaanse vogelkers (
Prunus
serotina
Ehrh.).
Nederlands Bosbouw Tijdschrift,
jg.70.
NYSSEN, B. 2009: Kwaliteitshout van Amerikaanse vogelkers, 13 jaar ervaring in Duitsland.
Vakblad Natuur Bos Landschap,
jg.18.
PAESKE, F. 1911: Waldbäume für schlechteste Böden.
Mitteilungen der Deutschen
Dendrologischen Gesellschaft,
jg.1911/nr.20
PAIRON, M. 2007 Ecology and population genetics of an invasive forest tree species: Prunus
serotina Ehrh. Louvain-La-Neuve, UCL. PhD.
PAIRON, M., B. PETITPIERRE, M. CAMPBELL, A. GUISAN, O. BROENNIMANN, P. BARET, A. JACQUEMART EN G.
BESNARD 2010: Multiple introductions boosted genetic diversity in the invasive range
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
19//21
of black cherry (Prunus serotina; Rosaceae).
Annals of Botany
.
POEDERLE, E.O. 1792:
Manuel de l'herboriste et du forestier belgiques. Troisième édition,
augmentée de plusieurs articles curieux et soigneusement corrigée par l'auteur.
ROUFFIGNON 1899: Une visite du parc du domaine de la guerre à Beverloo.
Bulletin de la
Société Centrale Forestière de Belgique,
jg.6.
SCHWAPPACH, A. 1896:
Ergebnisse der Anbauversuche mit japanischen und einigen
neuerenamerikanischen Holzarten in Preussen.
SCHWAPPACH, A. 1907: Über die wichtigsten für deutsche Forsten geeigneten Laubholzarten.
Mitteilungen der Deutschen Dendrologischen Gesellschaft,
jg.16/nr.126
SCHWAPPACH, A. 1911: Die weitere Entwicklung der versuche mit fremdländischen Holzarten in
Preussen.
Mitteilungen der Deutschen Dendrologischen Gesellschaft,
jg.20.
SCHWAPPACH, A.F. 1918:
Forstwissenschaft.
SINNER 1926: Die Spätblühende traubenkirsche als Waldbaum
Mitteilungen der Deutschen
Dendrologischen Gesellschaft,
jg.36.
STARFINGER, U. 1990:
Die Einbürgerung der Spätblühenden Traubenkirsche (Prunus serotina
Ehrh.) in Mitteleuropa.
STARFINGER, U. EN I. KOWARIK 2003: Prunus serotina Ehrh.
Rosaceae), Späte Traubenkirsche.
Neoflora fact sheet (in German)[www. floraweb.
de/neoflora/handbuch/prunusserotina. pdfAccessed on,
jg.20/nr.05
STARFINGER, U., I. KOWARIK, M. RODE EN H. SCHEPKER 2003: From desirable ornamental plant to
pest to accepted addition to the flora?the perception of an alien tree species through
the centuries.
Biological Invasions,
jg.5/nr.4
STARING, W. 1862:
Huisboek voor den landman in Nederland.
THOLEN, N. 1855:
Handleiding voor boomkweekers en eigenaren van bosschen in Nederland.
TONCKENS, J. 2006
Flora- en Faunaonderzoek Weg achter de Es te Uffelte (Dr.).
Groningen.
UNWIN, A. 1905:
Future forest trees.
(London).
VAN DEN MEERSCHAUT, D. 1996a:
Amerikaanse vogelkers vogelvrij.
(Brussel)
VAN DEN MEERSCHAUT, D. 1996b: Amerikaanse vogelkers vogelvrij.
AMINAL, Bos en Groen,
jg.39.
VAN DEN TWEEL, P.A. EN H. EIJSACKERS 1987: Black cherry, a pioneer species or'forest pest'.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
20//21
Proceedings of the Royal Dutch Academy of Sciences,
jg.90.
VAN DEN TWEEL, P.A. EN G. KROMMENDIJK 1986
Prunusonderzoek in de boswachterijen Dorst
(N.Br.) en Appelscha (Fr.).
Driebergen Staatsbosbeheer, sector Bosbouw, afd.
bosontwikkeling
VAN GOOR, C.P. 1952: Degeneratie en regeneratie.
Nederlands Bosbouw Tijdschrift,
jg.24.
VAN SCHERMBEEK, A.J. 1889
Ontwerp- bedrijfsplan voor het Mastbosch.
VAN SCHERMBEEK, A.J. 1890
Beschrijving van het Ulvenhoutsche bosch.
VAN SCHERMBEEK, A.J. 1892
Inrichting van het Liesbosch onder Prinsenhage.
VANHELLEMONT, M. 2009 Present and future population dynamics of Prunus serotina in forests
in its introduced range. Gent, Universiteit Gent. PhD.
VERHEYEN, K., M. VANHELLEMONT, T. STOCK EN M. HERMY 2007: Predicting patterns of invasion by
black cherry (Prunus serotina Ehrh.) in Flanders (Belgium) and its impact on the forest
understorey community.
Diversity and distributions,
jg.13/nr.5
VON BURGSDORF, F.A.L. 1783:
Anleitung zur sichern erziehung und zweck-massigen
anpflanzung der einheimischen und fremden holzarten welche in Deutschland und
unter ahnlichen klima im freyen fortkommen.
VON SCHWERIN, F. 1906: Prunus serotina Ehrhardt.
Mitteilungen der Deutschen
Dendrologischen Gesellschaft
jg.15.
VON WANGENHEIM, F.A.J. 1781:
Beschreibung einiger nordamericanischen Holz-und Buscharten,
mit Anwendung auf teutsche Forsten.
VON WENDORFF, G. 1952:
Die Prunus serotina in Mitteleuropa: Eine waldbauliche Monographie.
WALLIS DE VRIES, M. 1986
De Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina): ecologie van een exoot
in nederlandse bossen.
Wageningen Landbouwhogeschool
WALRAVEN, M. EN E. VAN LOON 1982
Bossen met oude exemplaren van Amerikaanse vogelkers.
Wageningen Landbouwuniversiteit.
WATERINCKX, M. EN B. ROELANDT 2001: De bosinventaris van het Vlaamse Gewest.
Ministerie van
de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Bos en Groen, Brussels, Belgium
.
Noten
1
De Verenigde Naties hebben het jaar 2011 uitgeroepen tot het internationale jaar van het bos.
De vogelkers als bosboom, speuren naar vergeten en verzwegen bosgeschiedenis
21//21
2
Informatie over dit project en over de vogelkers is te vinden op www.vogelkers.nl.
3
Mondelinge mededeling W. Emmerechts 2009.
4
De topscheut van vogelkers is heel lichtgevoelig, bij de minste schaduwdruk groeit deze hiervan weg.
Dit verklaart grotendeels de slechte stamvorm van bomen die onderstandig opgroeien.
5
Van een begeleidende boomsoort wordt verwacht dat deze kwalitatief of kwantitatief bijdraagt aan de
groei van de hoofdboomsoort.
6
Met vulhout worden boom- en struiksoorten aangeduid die gezamenlijk met de hoofdboomsoort
aangeplant worden maar waarvan in tegenstelling tot deze laatste geen bijdrage aan de houtproductie
verwacht wordt.
7
Schriftelijke mededeling B. Heukamp 2009
8
Mondelinge mededeling J. Janssen 2010.
9
Mondelinge mededeling N. Borsboom 2010.
10
J. Janssen en R. Holzhausen, mondelinge mededelingen 2010.
11
Schriftelijke mededeling B. Heukamp 2009
12
Nederlandse soortenregister op www.nederlandsesoorten.nl, geraadpleegd 2 augustus 2010.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
Prunus serotina, a North American tree species, is considered one of the 100 worst invaders in Europe. Although an increasing number of studies has focused on P. serotina in Europe, several aspects of the species have remained unstudied. Moreover, most studies focused on heavily invaded areas. We wanted to gain insight into the radial growth and the spatiotemporal variation in the regeneration of P. serotina in forest understories, the patterns of long-term spontaneous P. serotina colonization in areas where the species had not been introduced intentionally, and long-term forest development with P. serotina. Prunus serotina growth and regeneration were studied in seven Pinus sylvestris stands in Flanders. Growth was reduced by 50 % compared to growth in full light conditions and was related to tree age and diameter and competition with neighbouring trees. The seedling bank with high densities of seedlings smaller than 20 cm and up to 6 years old stabilized the erratic early regeneration of P. serotina. We also reconstructed the P. serotina invasion for a pine forest in the Netherlands and a deciduous forest in Flanders that had not been managed for over 60 years and were located in areas with an initially low propagule pressure of P. serotina. Long-distance dispersal events and windows of opportunity triggered the P. serotina invasion. Further colonization was directed by connectivity to seed sources and light availability. The presence of native shrub species, dense herb layers, and quick canopy closure seemed to hamper further P. serotina establishment while high herbivore densities may have favoured P. serotina over native species such as Quercus robur. We used the model SORTIE-ND to simulate 500 years of forest development for a pine forest with P. serotina. The output suggested that if Q. robur was able to regenerate, the longer lifespan of Q. robur may enable the species to become dominant over P. serotina. With this thesis, we demonstrated that the invasiveness of a species depends on the characteristics of the invaded ecosystem and that models of forest development such as SORTIE-ND can be useful to simulate the future role of invasive tree species in forests.
Article
Full-text available
Prunus serotina, a forest tree of North American origin, was introduced to central Europe and planted for various purposes. In the course of the centuries it was regarded as a valuable timber tree by European foresters; subsequently, as a useful non-timber species in forestry, a forest pest, a controllable weed and, eventually, as a species we have to live with. All these perceived qualities served as motives for action by humans without seeking scientific evidence for them: millions of specimens of P. serotina were planted, later millions of euros were spent in attempts at control. The species, and its changing perception through time, may be an example of the need for science-based assessments as a basis for developing policies concerning non-native plants.
Article
Full-text available
We investigated the relationships between the overstory dominance of Prunus serotina, and the functional diversity of the understory plant communities, in a managed European forest. Vegetation, habitat characteristics and disturbance history were surveyed in 32 invaded stands vs. 32 paired uninvaded stands, after a random stratification. Community specialization and functional diversity indices were compared and a RLQ analysis was run to link species traits to environmental variables. The herb layer of invaded stands exhibited significantly more specialist species and a lower trait diversity compared to uninvaded stands, with respect of species richness and vegetation cover. Light arrival to the forest floor and soil properties explained most of the variation in the RLQ analysis, but 20% of the variation strongly correlated with P. serotina dominance and associated disturbances. Traits characterizing shade-tolerant, short-living ruderals and shade-avoiders (vernal geophytes) were significantly associated to invaded stands, while those associated to light-demanding graminoids characterized uninvaded stands. The establishment of functionally close species (seedlings and saplings of native woody species) tended to be lower in invaded stands. We concluded that the invader was becoming the new ecosystem engineer, first by inducing trait convergence and community specialization, thus promoting traits that enable species to capture resources in the new environment it was creating, and second by reducing the grain of local heterogeneities. KeywordsExotic plant invasions-Life-history traits-Functional diversity-Disturbance-Forest management-RLQ analysis
Article
Full-text available
Litter decomposition was studied for 2years in a mixed forest serving as a water protection area (Rhine-Neckar conurbation, SW Germany). Two experiments differing in initial dry weight equivalent in litterbags were set up: one to compare decomposition of European beech leaves (Fagus sylvatica) with common oak leaves (Quercus robur), and the other comparing decomposition of Scots pine needles (Pinus sylvestris) with black cherry leaves (Prunus serotina Ehrh.), respectively. Mass losses were greater for oak litter than for beech (75.0 versus 34.6%), and for cherry litter than for pine (94.6 versus 68.3%). In both experiments, a strong initial loss of soluble compounds occurred. The changes in litter N and P concentrations and the decrease in C-to-N ratio coincided with changes in residual mass. However, neither tannin and phenolic concentrations nor NMR could explain the pronounced variation in mass loss after 2years. Differences in litter palatability and toughness, nutrient contents and other organic compounds may be responsible for the considerable differences in residual mass between litter types. The fast decay of black cherry leaves appears to play a major role in the present humus dynamics at the studied site. Since black cherry has a high N demand, which is mainly met by root uptake from the forest floor, this species is crucial for internal N cycling at this conurbation forest site. These effects together may significantly contribute to prevent nitrate leaching from the forest ecosystem which is subject to a continuous N deposition on an elevated level.
Article
Whether non-native plant invasions are causes, consequences, or independent of the low species diversity in recipient ecosystems remains a debated question. We tried to test these three hypotheses in the special case of the American black cherry (Prunus serotina Ehrh.), a gap-dependent tree species, which is invading European temperate forests. We compared plant communities, soil properties, and disturbance history between P. serotina-invaded and uninvaded paired-stands in a managed mixed forest. Relationships between invasion, disturbances, plant communities, and environmental conditions were investigated using redundancy analyses with variation partitioning. Several soil characteristics differed between paired stands, but were rather components of stand invasibility than invasion effects, except for topsoil available phosphorus. The disturbance history was similar among paired stands except for the amount of storm-induced tree falls, which correlated with the invader's density. Wild boar-disturbed soil areas were more important beneath P. serotina canopies, suggesting a positive feedback on its own establishment. Overall, species assemblages in invaded and uninvaded stands were similar; their ecological inconsistency suggested a management-sustained non-equilibrium. Habitat conditions and disturbances explained most of the variation in both plant diversity and P. serotina density, the last two factors exhibiting a weak direct association. We conclude that in managed forest ecosystems where plant communities are mainly driven by non-interactive factors and immigration processes, non-native plant species can naturalize without being directly influenced by measured features of the plant community in the receiving environment on the short term.
Article
Alien plant invasions result from a complex interaction between the species life traits (i.e. ‘invasiveness’) and the recipient ecosystem attributes (i.e. ‘invasibility’). However, little is known about the demographical strategy of invaders and its plasticity among similar ecosystems. To assess the role of demographical attributes and their interaction with soil and light conditions on the durable integration of an exotic invasive tree species into a recipient forest, we analyzed population structure, sexual and clonal reproduction, and growth characteristics of the American black cherry (Prunus serotina Ehrh.) in a European forest.As seeds, P. serotina is able to enter closed-canopy forests and form a long-living sapling bank, according to the ‘Oskar syndrome’ (no height growth, diameter increment < 0.06 mm year−1). Suppressed saplings typically develop a ‘sit-and-wait’ strategy so that the invader had a head start on native species when a disturbance-induced gap occurs. Once released, suppressed saplings grow rapidly (height growth > 56 cm year−1) to reach the canopy, fill in the gap and produce numerous seeds (6011 per tree on average). During the self-thinning process characterizing the aggrading phase, overtopped saplings die back but subsequently resprout from roots and stumps, going back to ‘Oskar’ stage. This ‘Alice behaviour’ would enable individuals to decrease in size, delay mortality and locally self-maintain in the understories. These results suggest that P. serotina may successfully invade European forests thanks to a combination of traits which fits well the disturbance regime of the recipient ecosystems. It would behave as a shade-tolerant K-strategist in juvenile stages by giving priority to persistence, but as a light-demanding r-strategist once released, by allocating high energy in growth and reproduction. Initial stages of colonisation are weakly affected by soil but strongly by light conditions.