ArticlePDF Available

De formele zijde van strafuitsluitingsgronden. Over uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, uitdrukkelijk voorgedragen verweren en responsieplichten (DD 2020/59)

Authors:
777Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
L.E.M. Schreurs & J.A.M. van der Vleuten1
De formele zijde van strafuitsluitingsgronden. Over
uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, uitdrukkelijk
voorgedragen verweren en responsieplichten2
DD 2020/59
59.1 HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1156
“3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het namens de verdachte aan-
gevoerde beroep op noodweerexces.
3.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 26 februari 2017 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht die
[slachtoffer] in het gezicht te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met het hoofd op de
grond is gevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en een
stolsel onder de breuklijn in de schedel en één of meerdere kneuzingshaarden in de hersenen
ten gevolge heeft gehad.”
3.2.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van
de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is
gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“Het hoger beroep richt zich niet zozeer tegen de veroordeling van de meer subsidiair ten laste
gelegde variant, maar meer tegen de verwerping van het beroep op noodweer/exces.
(...)
Noodweer/exces
Voor wat betreft het beroep op noodweer/exces geldt het volgende:
Zoals in eerste aanleg betoogd, was aangever die avond behoorlijk recalcitrant en agressief, zo-
wel binnen in de [A] als buiten. Niet alleen zijn agressieve houding heeft een rol gespeeld bij de
wijze waarop cliënt heeft gereageerd, ook de volgende omstandigheden maken dat van cliënt
niet kon en mocht worden gevergd dat hij zich onttrok aan de situatie:
1) Aangever wilde in eerste instantie met een mes binnen komen. Client had in zijn achter-
hoofd dat als je al zo gek bent om een mes mee naar binnen te nemen, wie weet wat er dan
nog meer te verwachten valt bij zo een persoon. Tegenwoordig wordt er om het minste of
geringste op je geschoten. Die angst voor een aanval met een wapen was er dus niet voor
niets; aangever heeft een behoorlijke reputatie waar je serieus rekening mee moet houden.
Het is niet een of andere pannenkoek zoals cliënt verklaart.
2) Aangever is compleet buiten zinnen, er valt niet meer met hem te praten. Hij scheurt zijn
shirt kapot, wil vechten met andere portiers en wil koste wat kost terug naar binnen.
1 L.E.M. Schreurs is promovenda en J.A.M. van der Vleuten is docent en onderzoeker straf(proces)recht aan Tilburg
University, Department of Criminal Law.
2 Citeerwijze: L.E.M. Schreurs & J.A.M. van der Vleuten, ‘De formele zijde van strafuitsluitingsgronden. Over
uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, uitdrukkelijk voorgedragen verweren en responsieplichten’, DD
2020/59.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 777T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 777 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
778 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
3) Op het moment dat aangever buiten door het lint gaat, begint het publiek naar buiten te
stromen. Ook dat levert een direct gevaar op en cliënt was bang dat aangever in deze toe-
stand tussen de bezoekers zou komen.
4) Juist omdat cliënt aangever met normaal praten en wegduwen niet rustig kreeg en niet op
andere gedachten kon brengen, wordt het vrijwel onmogelijk om op een andere manier het
probleem op te lossen. De politie was er niet, overlaten aan collega portiers was ook geen
optie omdat cliënt de situatie juist van hen had overgenomen. Hij stond dus in zijn eentje
tegenover een compleet losgeslagen, niet voor rede vatbaar persoon die koste wat kost te-
rug wilde en op de vuist wilde gaan.
5) Tot overmaat van ramp begint aangever dan zelf met fysiek geweld. Hij geeft cliënt met
gebalde vuist een stoot die bij toeval gelukkig op de schouder landt en niet in het gezicht. In
een fractie van een seconde reageert cliënt dan door een zwieper te geven met open hand,
bewust niet met gebalde vuist.
De rechtbank heeft het beroep op noodweer verworpen met de overweging dat aangever zijn armen
stil langs zijn lichaam had en er dus geen enkele dreiging meer van hem uitging richting cliënt, de
andere portiers en de bezoekers. Dat lijkt mij niet juist. Immers op de beelden is duidelijk te zien dat
hij koste wat kost terug wil. Hij probeert zelfs door en om cliënt heen te lopen. Het feit dat hij een
fractie van een seconde een rustmoment heeft en zijn armen langs zijn lichaam heeft, wil niet zeggen
dat daarmee de dreiging voorbij was. Gelet op zijn agressie en de omstandigheden die ik zojuist heb
uiteengezet, en dan met name het feit dat aangever zelf de grens heeft overschreden door een stoot
uit te delen, had van cliënt niet kunnen worden en mogen verwacht dat hij dan maar de volgende
klap zou afwachten. Of dat aangever alsnog om hem heen zou rennen richting de portiers. Vergelijk
het met de situatie dat iemand een pistool tegen je hoofd zet. Moet je dan recht in de loop kijken en
wachten tot de trekker wordt overgehaald om te reageren? Dat kan de wetgever niet bedoeld hebben
met een geslaagd beroep op noodweer. Kortom, in deze situatie dreigde er nog wel degelijk gevaar,
ook al had aangever een fractie van een seconde zijn armen langs zijn lichaam. Als aangever een paar
minuten na zijn stoot op afstand stond van cliënt en zijn armen langs zijn lichaam had gehouden, dan
was er inderdaad geen noodweersituatie, maar dat is niet het geval. Ik denk dat de uitspraak van de
Hoge Raad van 22 november 2011 een op een van toepassing is op de zaak van vandaag.
Het Hof had volgens de Hoge Raad ten onrechte de verwerping van het beroep op noodweer
gesteund op de grond dat geen sprake is geweest van een noodzaak tot verdediging omdat ver-
dachte, die naar het oordeel van het Hof de ruimte had om zich te bevrijden uit de greep van het
slachtoffer en naar achteren was gelopen, weg had kunnen lopen in plaats van naar het slacht-
offer uit te halen. De Hoge Raad oordeelt echter dat “in aanmerking genomen dat het slachtoffer
het gezicht van verdachte heeft weggeduwd, verdachte een trap tegen zijn borst heeft gegeven
en hem bij de keel heeft gegrepen, terwijl verder geweld van de kant van het slachtoffer dreigde,
is het kennelijke oordeel van het Hof dat van verdachte onder de gegeven omstandigheden
mocht worden gevergd zich te onttrekken aan de confrontatie, niet begrijpelijk”.
3.2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt verder onder meer het
volgende in:
“De raadsman geeft op dat de verdachte van oordeel is dat het beroep op noodweer in eerste
aanleg ten onrechte is verworpen. Voorts deelt de raadsman mede dat hij een strafmaatver-
weer zal voeren.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat de door de rechtbank in haar von-
nis vastgestelde bewezenverklaring, inclusief het door de mishandeling veroorzaakte medische
letsel van aangever, niet wordt betwist.”
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 778T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 778 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
779Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
3.3 Het hof heeft het beroep op noodweer gemotiveerd verworpen. Het heeft het door de
raadsman aangevoerde kennelijk niet tevens opgevat als een voldoende duidelijk beroep op nood-
weerexces waarop overeenkomstig het bepaalde in artikel 358 lid 3 van het Wetboek van Straf-
vordering bepaaldelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een on-
juiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op het verloop van de terechtzitting in hoger
beroep alsmede in aanmerking genomen dat de raadsman in dat verband in zijn pleitnota alleen
“een beroep op noodweer/exces” heeft genoemd zonder dat daar ten aanzien van noodweerexces
enige nadere toelichting of onderbouwing bij is gegeven.
3.4 Het cassatiemiddel faalt.”
59.2 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y.
Buruma
“Reikwijdte van het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv
3.4. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet bekennende verdachte zou – mede
gelet op het destijds bestaande, hiervoor onder 3.2 weergegeven wettelijk systeem – steun kun-
nen geven aan de opvatting dat de wijziging van art. 359, tweede lid, Sv slechts op twee doelein-
den was gericht, te weten:
a. codificatie van de motiveringsvoorschriften die de Hoge Raad reeds in zijn jurisprudentie had
ontwikkeld, zulks in aansluiting op de wettelijke voorschriften van art. 359, tweede lid, in
verbinding met art. 358, derde lid, Sv inzake onder meer strafuitsluitingsgronden, alsmede op
art. 360, eerste lid, Sv inzake de betrouwbaarheid van de daar genoemde bewijsmiddelen. Op
grond van die jurisprudentie was de feitenrechter al gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd
te beslissen omtrent een aantal bewijsverweren.
b. het – in geval van afwijking van de vordering ten aanzien van de bewezenverklaring en de
op te leggen straf en/of maatregel – verschaffen van aanspraak aan het openbaar ministerie
op een gemotiveerde beslissing omtrent dienaangaande naar voren gebrachte "uitdrukkelijk
onderbouwde" standpunten. Die aanspraak zou vergelijkbaar zijn met de aanspraak die de
verdachte in geval van veroordeling aan art. 358, derde lid, in verbinding met art. 359, tweede
lid, Sv kan ontlenen op een uitdrukkelijke en met redenen omklede beslissing omtrent verwe-
ren als in eerstgenoemde bepaling bedoeld.
3.5. Nochtans moet op grond van de bewoordingen van art. 359, tweede lid, Sv, waarop de-
genen die bij een strafproces zijn betrokken moeten kunnen afgaan, alsmede op grond van op-
merkingen in het verdere verloop van het wetgevingsproces worden aangenomen dat ook andere
dan de hiervoor bedoelde betogen nopen tot motivering indien zij niet worden aanvaard. In die
opmerkingen wordt onder meer gewezen op de belangen van de procesdeelnemers en de samen-
leving bij inzicht in de motivering van strafvonnissen alsmede op het belang van zelfcontrole door
de rechter en controle door de hogere rechter van de oordeelsvorming van de lagere rechter. (vgl.
Kamerstukken II 2003-2004, 29 271, nr. 1, blz. 10, alsmede 29 255, nr. 3, blz. 1 en nr. 8)
3.6. Het systeem van de wet komt na de invoering van het huidige art. 359, tweede lid, Sv op het
volgende neer. Omtrent de verwerping van een verweer met betrekking tot de zogenoemde voorvra-
gen van art. 348 Sv en de kwalificatie van het bewezenverklaarde alsmede omtrent een beroep op
een wettelijke strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond moet op grond van art. 358, derde lid,
Sv in het vonnis uitdrukkelijk worden beslist. Die beslissing moest ook voorheen reeds – op grond
van art. 359, tweede lid (oud), Sv – zijn gemotiveerd. Nu is daar bij gekomen dat indien het openbaar
ministerie ter zake van die onderwerpen (de voorvragen, de kwalificatie en de strafbaarheid van feit
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 779T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 779 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
780 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
en dader) "uitdrukkelijk onderbouwde standpunten" heeft ingenomen en de rechter daarvan afwijkt,
de beslissing dienaangaande nader moet zijn gemotiveerd. Voorts moeten nu ook de bewijsbeslis-
sing en de beslissing over de oplegging van straf en/of maatregel nader worden gemotiveerd, indien
de rechter daarbij afwijkt van door of namens de verdachte dan wel door het openbaar ministerie
"uitdrukkelijk onderbouwde standpunten". Opmerking verdient dat het hier gaat om een "nadere"
motivering, omdat voorheen en nu op grond van de voorschriften van de art. 359, tweede lid (oud,
respectievelijk nieuw eerste zin), alsmede het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende (nieuw) en achtste
(oud) lid en 359a, derde lid, Sv reeds algemene motiveringseisen golden onderscheidenlijk gelden.
“Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”
3.7.1. De wet noch de wetsgeschiedenis geeft uitsluitsel over wat verstaan moet worden onder
“uitdrukkelijk onderbouwde standpunten” noch hoe dit begrip zich – wat betreft de verdachte –
verhoudt tot de term verweer.
Op grond van de door de wetgever gebezigde woorden “uitdrukkelijk onderbouwde standpun-
ten” moet evenwel worden aangenomen dat niet ieder ter terechtzitting ingenomen standpunt bij
niet-aanvaarding noopt tot een nadere motivering. Tevens moet op grond van die bewoordingen
worden aangenomen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel het openbaar ministerie, wil het
ingenomen standpunt de – uiteindelijk in cassatie te toetsen – verplichting tot beantwoording
scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbel-
zinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te brengen. In dat opzicht
gelden overeenkomstige eisen als worden gesteld aan een beroep op schending van een vorm-
voorschrift in de zin van art. 359a Sv (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376).
3.7.2 . Bij het vorenstaande moet worden aangetekend dat het proces-verbaal van de terechtzitting
en de naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting gewezen uitspraak de enige kenbronnen
zijn van hetgeen op die zitting is aangevoerd. Wat betreft de verweren in de zin van art. 358, derde
lid, Sv geldt volgens vaste rechtspraak dat de raadsman die daaromtrent een uitdrukkelijke beslis-
sing door de rechter verlangt, ervoor moet zorgen dat het verweer schriftelijk wordt vastgelegd.
Dat kan hij doen door een pleitnota over te leggen waarin het onderbouwde verweer is weergege-
ven, dan wel overeenkomstig art. 326, vierde lid, Sv te verzoeken dat het gevoerde verweer en de
gronden waarop het berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting worden aangetekend (bijv.
HR 22 april 1997, NJ 1998, 52). Ook op dit punt bestaat geen goede grond anders te oordelen ten
aanzien van “uitdrukkelijk onderbouwde standpunten” in de zin van art. 359, tweede lid, Sv en een
beroep op art. 359a Sv. Dat brengt mee dat de raadsman onderscheidenlijk de vertegenwoordiger
van het openbaar ministerie die meent dat zijn standpunt van zodanige aard is dat de rechter die
daarvan afwijkt, in het bijzonder de redenen dient op te geven die daartoe hebben geleid, dient te
bewerkstelligen dat zijn standpunt schriftelijk komt vast te liggen.
Aldus bevordert hij dat die motivering niet achterwege blijft. Het vorenstaande komt erop neer
dat indien voor de hogere rechter niet controleerbaar is wat in eerdere instantie is aangevoerd,
niet met vrucht kan worden geklaagd over de niet-naleving van art. 359, tweede lid, Sv.
In dit verband verdient nog opmerking dat, zo de verdachte of het openbaar ministerie in cassatie
klaagt over schending van art. 359, tweede lid, Sv, in het cassatiemiddel met voldoende precisie
moet worden aangeduid op welk met argumenten onderbouwd standpunt de klacht het oog heeft.
Omvang van de motiveringsplicht
3.8.1. Het nieuwe ar t. 359, twee de lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de re chter die over
de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal
alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of
de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 780T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 780 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
781Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te
worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen
algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan
de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.
3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rech-
ter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.
Dit neemt niet weg
(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in
de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een
aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;
(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit – mede in het licht van het verhan-
delde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het
openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht – geen afbreuk behoeft te doen aan
de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;
(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit
verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt.
3.8.3. Bij het voorgaande past de kanttekening dat in het geval dat wordt volstaan met een ver-
korte uitspraak in de zin van art. 365a, eerste lid, Sv, de vereiste nadere motivering daarin behoort
te worden opgenomen. Dit is evenwel anders indien het "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt"
betrekking heeft op de bewijsbeslissing, waaronder mede begrepen de bewijsvoering. De weer-
legging daarvan mag worden opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv
(vgl. HR 18 april 2000, NJ 2001, 352).
3.8.4. Uit het vorenoverwogene volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede
lid, Sv onder meer
a. dat de motiveringsplicht slechts geldt bij de niet-aanvaarding van een ter terechtzitting inge-
nomen en "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt";
b. dat de motiveringsplicht niet geldt indien in de einduitspraak niet wezenlijk wordt afgeweken
van zo een standpunt. Dat kan zich voordoen in het geval van een afwijking van de eis van
het openbaar ministerie of het standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging,
welke afwijking van beperkt belang is;
c. dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de
mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een
"uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van het openbaar ministerie of van de verdediging
met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan in-
dien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft;
d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk
onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.”
1. Inleiding
Binnen het Nederlandse strafrechtsysteem wordt bijzondere waarde gehecht aan de we-
derrechtelijkheid van het gedrag en de verwijtbaarheid van de dader. Deze begrippen vor-
men de basis voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid en limiteren de toepassing van
het strafrecht, en de daaraan gelieerde sancties, tot het ‘schuldige’ individu.3 Binnen deze
3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 193 en 209.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 781T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 781 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
782 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
context komt een belangrijke positie toe aan strafuitsluitingsgronden, die een extra waar-
borg vormen voor het uitblijven van toepassing van het strafrechtelijke sanctiearsenaal
op degene die niet zowel wederrechtelijk als verwijtbaar heeft gehandeld.4 De schuld- en
rechtvaardigingsgronden functioneren als een correctiemechanisme in de gevallen waarin
de verweten gedraging door de verdachte is verricht maar door bijzondere omstandighe-
den niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid dient te leiden. Met enige regelmaat wordt
dan ook door de verdediging een beroep op een strafuitsluitingsgrond gedaan, waardoor de
feitenrechter met dit leerstuk wordt geconfronteerd.
Deze bijdrage richt zich op de formele, ofwel strafprocessuele, zijde van strafuitsluitings-
gronden meer in het bijzonder de voorwaarden die worden gesteld aan een verweer
van de verdediging met betrekking tot een strafuitsluitingsgrond, een beroep door het
openbaar ministerie daarop en de responsieplicht voor de rechter.5 Binnen het huidige
wettelijke kader kan een beroep op een strafuitsluitingsgrond langs twee van elkaar te
onderscheiden wegen tot een (aanvullende) motiveringsplicht leiden, te weten: i) via een
uitdrukkelijk onderbouwd standpunt indien de bestreden wederrechtelijkheid en/of ver-
wijtbaarheid besloten liggen in de tenlastelegging en ii) via een uitdrukkelijk voorgedra-
gen verweer in alle andere gevallen.6 De twee sporen zijn ieder onderworpen aan afzon-
derlijke maatstaven die in de jurisprudentie van de Hoge Raad van een nadere uitwerking
zijn voorzien. In deze bijdrage worden de reikwijdte en invulling van het uitdrukkelijk
voorgedragen verweer en het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt geanalyseerd aan de
hand van (recente) rechtspraak. Daarbij zullen wij zowel aandacht besteden aan de vraag
wat van de verdediging en het openbaar ministerie wordt verwacht als de vraag waartoe
de rechter gehouden is bij zijn respons daarop. Aanleiding daarvoor is de uitspraak 59.1
waarin wellicht een aanscherping van de tot dusver geldende maatstaf aangaande respon-
sieplichtige verweren besloten ligt nu de Hoge Raad voor het eerst (expliciet) vereist dat
een uitdrukkelijk voorgedragen verweer voldoende duidelijk dient te zijn. Daarmee rijst de
vraag of het verschil in de stelplicht tussen ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunten’ en
‘uitdrukkelijk voorgedragen verweren’ wellicht aan verandering onderhevig is. In deze bij-
drage wordt onderzocht welke gevolgen deze uitspraak met zich brengt voor het geldende
kader aangaande verweren en de daaraan gerelateerde responsieplicht inzake strafuit-
sluitingsgronden – mede in het licht van het moderniseringstraject van het Wetboek van
Strafvordering.
De indeling is als volgt. In de volgende paragraaf volgt een uiteenzetting van de wettelijke
grondslagen omtrent de formele zijde van strafuitsluitingsgronden. In paragraaf 3 wordt de
jurisprudentiële inkadering van die grondslagen nader besproken evenals de invloed van
uitspraak 59.1 daarop. Vervolgens komt de Modernisering van het Wetboek van Strafvor-
dering en de toekomstige gevolgen voor verweren en responderen inzake strafuitsluitings-
gronden in de vierde paragraaf aan bod. Een besluit volgt in paragraaf 5.
2. Wettelijke grondslagen
In deze paragraaf volgt een uiteenzett ing van de relevante wettelijke grondslagen betreffende
het beslissen en motiveren naar aanleiding van een beroep op een strafuitsluitingsgrond.
4 De Hullu 2018, p. 295-296.
5 De strafuitsluitingsgronden worden daarbij als inkadering van dit onderzoek gebezigd, doch er zal geen nadere
aandacht worden besteed aan de materiële invulling van deze leerstukken. Zie voor een nadere beschouwing
over de materiële invulling van de strafuitsluitingsgronden De Hullu 2018, p. 295-389 en C. Kelk & F. De Jong,
Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 323-410.
6 Dit ligt evenwel anders voor de officier van justitie. Zie paragraaf 2 van deze bijdrage.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 782T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 782 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
783Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
Hierbij wordt zowel stilgestaan bij de achtergrond van de wettelijke regeling als de invul-
ling die door de wetgever aan deze wettelijke grondslagen is toebedeeld.
Strafrechtelijke beslissingen brengen vergaande gevolgen met zich mee. Derhalve wordt
van de rechter verlangd dat hij uitlegt op welke beweegredenen het oordeel is gestoeld.
Deze motivering van de rechterlijke beslissing geldt in het bijzonder als de verdachte een
bepaalde omstandigheid betwist in de vorm van een deugdelijk onderbouwd verweer. Het
motiveren van concrete beslissingen zou dan ook het gezag van de genomen beslissingen
kunnen vestigen.7 De strafrechtelijke motiveringsplicht vervult een drietal functies, te we-
ten: 1) de inscherpingsfunctie: door zijn oordeel te motiveren, wordt de rechter geconfron-
teerd met zijn gedachtegang en de verantwoording daaromtrent; 2) de explicatiefunctie:
door de rechterlijke motivering worden de procespartijen alsmede derden ingelicht over
de beweegredenen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing; en 3) de controle-
functie: door de beslissingen deugdelijk te motiveren wordt toetsing door de appel- en de
cassatierechter vergemakkelijkt.8
De wettelijke responsieplichten liggen besloten in de artikelen 358 en 359 Sv. Voor deze
bijdrage zijn voornamelijk artikel 358 lid 2 en 3 en artikel 359 lid 2 Sv van belang omdat
deze specifieke artikelleden de wettelijke grondslagen behelzen voor de responsieplichtige
verweren in het kader van strafuitsluitingsgronden. Artikel 358 Sv bevat een aantal ver-
plichtingen tot opname van beslissingen in het vonnis. Op grond van het tweede lid van dit
artikel dienen de beslissingen over de hoofdvragen van artikel 350 Sv in het vonnis te zijn
opgenomen. In het geval van verwerping van bepaalde uitdrukkelijk voorgedragen verwe-
ren verplicht artikel 358 lid 3 Sv vermelding van deze beslissing in het vonnis. De motive-
ringsplichten ten aanzien van die beslissingen zijn vervat in artikel 359 Sv. Het tweede lid
van dit artikel schrijft in de eerste volzin voor dat beslissingen vermeld in artikel 358 lid 3
Sv gemotiveerd dienen te worden. De tweede volzin van hetzelfde artikellid verduidelijkt
dat de beslissing op (één van) de hoofdvragen van een nadere motivering moet worden
voorzien in het geval dat de rechter afwijkt van een aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd
standpunt – mits het verweer niet binnen het bereik van artikel 358 lid 3 Sv valt. Uit het
voorgaande vloeit voort dat ten aanzien van een beroep op een strafuitsluitingsgrond zich
twee wettelijke regimes kunnen voordoen: het beroep op een strafuitsluitingsgrond kan
worden aangemerkt als zijnde gericht op (1) de eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv – of
bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan – of (2) op de derde hoofdvraag van
artikel 350 Sv – of de verdachte strafbaar is.9 Dit onderscheid is van belang omdat de om-
vang van de stel- en responsieplicht bij beide regimes van elkaar verschilt. Beide wettelijke
regimes komen hieronder aan bod.
(1) Eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv: beroep op een strafuitsluitingsgrond
dat wordt aangemerkt als een bewijsverweer
Zoals bekend, is het afhankelijk van de inhoud van de tenlastelegging of een beroep op
een strafuitsluitingsgrond kan worden aangemerkt als een bewijsverweer. Dit is het ge-
val indien de aangevoerde strafuitsluitingsgrond is gericht op een tenlastelegging waarin
‘wederrechtelijkheid’ of ‘culpa’ is opgenomen. Wanneer sprake is van een tenlastelegging
7 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, Deventer: Wolters
Kluwer 2018, p. 780-781.
8 Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 782-783.
9 In de literatuur bestaat een verschil in opvatting omtrent de behandeling van rechtvaardigingsgronden bij de
tweede dan wel derde materiële vraag van art. 350 Sv. Vgl. De Hullu 2018, p. 297; Corstens/Borgers & Kooijmans
2018, p. 911 en Kelk & De Jong 2019, p. 326. Voor de uiteindelijke beslissing maakt het evenwel niet uit welke
route wordt gekozen.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 783T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 783 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
784 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
waarin het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ (impliciet) is opgenomen, zal een beroep op een
rechtvaardigingsgrond zich immers richten tegen de te bewijzen tenlastelegging en der-
halve neemt het de vorm van een bewijsverweer aan. Hetzelfde geldt wanneer het bestand-
deel culpa is opgenomen in de tenlastelegging: indien de verdediging zich dan beroept op
een rechtvaardigings- of een schulduitsluitingsgrond, zal dit verweer worden aangemerkt
als een bewijsverweer. Dientengevolge richt het verweer zich in dergelijke gevallen op de
eerste vraag van artikel 350 Sv.
Uit artikel 358 lid 2 Sv volgt de plicht tot opname van de beslissingen omtrent de hoofd-
vragen van artikel 350 Sv in het vonnis. Deze beslissingen dienen ingevolge artikel 359
lid 2 en 3 Sv met redenen te zijn omkleed. Deze algemene motiveringsplicht strekt echter
niet zover dat een verplichting ontstaat tot het ambtshalve opnemen van een bewijsover-
weging omtrent onder andere de eventuele aan- of afwezigheid van een strafuitsluitings-
grond. Veelal kan in het geval van een bewezenverklaring worden volstaan met opname
van de redengevende bewijsmiddelen in het vonnis, hetgeen aansluit bij de vrijheid van
de feitenrechter ten aanzien van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. In het
kader van een vrijspraak is een algemene overweging waaruit blijkt dat het tenlastegelegde
niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard afdoende.10 Het voorgaande ligt
evenwel anders als door de verdediging dan wel door het openbaar ministerie in dit kader
een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen en de beslissing van de feiten-
rechter daarvan afwijkt. Ingevolge artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv is de feitenrechter in
die gevallen gehouden tot een (aanvullende) motivering. Deze tweede volzin is sinds 1 ja-
nuari 2005 opgenomen in het Wetboek van Strafvordering11 en heeft tot gevolg dat “de door
de verdediging en/of door de officier van justitie ingenomen en onderbouwde standpunten
expliciet moeten worden besproken in het vonnis als ze niet worden gevolgd”.12 De achter-
liggende gedachte van deze aanscherping van de motiveringsplicht is dat de rechter zich
toespitst op hetgeen de partijen verdeeld houdt, waarmee aansluiting wordt gezocht bij het
contradictoire karakter van het strafproces, aldus de wetgever.13 Waar voor 1 januari 2005
geen wettelijke responsieplicht14 bestond ten aanzien van bewijsverweren waarin een be-
roep op een strafuitsluitingsgrond besloten lag, is dat met de invoering van de tweede
volzin van artikel 359 lid 2 Sv gewijzigd.
(2) Derde hoofdvraag van artikel 350 Sv: verweer gericht op de aanwezigheid
van een strafuitsluitingsgrond
Indien sprake is van een tenlastelegging die niet de wederrechtelijkheid of culpa omvat,
geldt sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926 een wettelijke res-
ponsieplicht ten aanzien van verweren in het kader van strafuitsluitingsgronden die, bij
honorering, tot ontslag van alle rechtsvervolging leiden.15 Indien de verdediging een beroep
doet op een strafuitsluitingsgrond volgt op grond van artikel 358 lid 3 Sv de verplichting
tot het opnemen van de beslissing daaromtrent in het vonnis indien sprake is van een
10 Zie Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 887-888.
11 Wet van 10 november 2004, Stb. 580 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpas-
sing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte.
12 Kamerstukken II 2003/04, 29255, 8, p. 2.
13 Vgl. M.S. Groenhuijsen en G. Knigge, ‘Afronding en verantwoording: Algemeen deel’, in: M.S. Groenhuijsen en
G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording. Eindrapport onderszoeksproject Strafvordering 2001, Deventer:
Kluwer 2004, p. 62.
14 Destijds bestond enkel in specifieke gevallen een jurisprudentiële responsieplicht. Zie bijvoorbeeld de kaders
betreffende de Meer-en-Vaart-verweren, Dakdekkersverweren, betrouwbaarheidsverweren en rechtmatig-
heidsverweren (Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 898).
15 Stb. 1925, 465.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 784T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 784 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
785Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’. Deze plicht geldt echter enkel indien de feitenrech-
ter het verweer verwerpt.16 Deze beslissing dient ingevolge artikel 359 lid 2, eerste volzin,
Sv met redenen te zijn omkleed.
Volledigheidshalve dient te worden benadrukt dat artikel 358 lid 3 Sv is beperkt tot ver-
weren. In de (uitzonderlijke) situatie waarin de officier van justitie een beroep doet op
een strafuitsluitingsgrond is artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv van toepassing. Derhalve
dient het aangevoerde door de officier van justitie te worden gegoten in de vorm van een
uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarmee hij hetzelfde effect, te weten een gemoti-
veerde beslissing bij afwijking van hetgeen is voorgedragen, kan bewerkstelligen.17 Het-
geen hiervoor ten aanzien van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is opgemerkt, is
in dit kader eveneens van toepassing.
Beide wettelijke regimes aangaande de strafuitsluitingsgronden hebben gemeenschappe-
lijk dat de ingangsvereisten voor een (aanvullende) motivering, te weten enerzijds het uit-
drukkelijk onderbouwde standpunt indien de bestreden wederrechtelijkheid en/of verwijt-
baarheid besloten liggen in de tenlastelegging en anderzijds het uitdrukkelijk voorgedragen
verweer in alle andere gevallen18 , in de rechtspraak van nadere invulling zijn voorzien. In de
volgende paragraaf wordt de jurisprudentiële invulling van deze begrippen en de gevolgen
daarvan voor de responsieplicht van de feitenrechter verder uitgediept.
3. Invulling van de huidige wettelijke grondslagen door de
rechtspraak
Uit de wettelijke regelingen omtrent de responsieplicht valt af te leiden wanneer de fei-
tenrechter dient over te gaan tot het vermelden van beslissingen en motiveringen in zijn
uitspraak, op straffe van nietigheid.19 Daaruit valt evenwel de inhoudelijke reikwijdte van
de wettelijke grondslagen niet af te leiden. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan
de geldende maatstaven ontwikkeld in de jurisprudentie en de praktische uitwerking daar-
van. De Hoge Raad heeft zich reeds in 2007 expliciet uitgelaten over de verhouding tussen
de eerste en tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv.20 De inwerkingtreding van de tweede
volzin, relaterend aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, “heeft geen verandering
gebracht in de motiveringseisen die reeds op grond van art. 358, derde lid, Sv in verbinding
met artikel 359, tweede lid (oud), Sv bestonden ten aanzien van de in eerstgenoemd arti-
kellid bedoelde verweren”.21 De introductie van de nadere motiveringsplicht in de tweede
volzin van artikel 359 lid 2 Sv heeft in dit verband ‘slechts’ relevantie voor het beroep op
een strafuitsluitingsgrond dat zich presenteert als een bewijsverweer dan wel hetgeen de
officier van justitie omtrent de aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond bepleit.22 Gelet
op het voorgaande vindt de bespreking hieronder wederom plaats aan de hand van de twee
sporen die in de vorige paragraaf zijn aangeduid.
16 Niettemin zal in de gevallen waarin een strafuitsluitingsgrondverweer wordt gehonoreerd de plicht tot op-
name van de beslissing voortvloeien uit artikel 358 lid 2 Sv.
17 Zie 59.2, r.o. 3.6.
18 Zoals eerder beschreven geldt voor het openbaar ministerie ook hier de weg van artikel 359 lid 2, tweede vol-
zin, Sv.
19 Zie artikel 358 lid 5 en artikel 359 lid 8 Sv.
20 HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5717, NJ 2007/146.
21 HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5717, NJ 2007/146, r.o. 3.4. Zie in gelijke zin HR 29 april 2008
ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009/130 m.nt. Buruma.
22 Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Machielse van 20 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ5717, NJ
2007/146.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 785T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 785 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
786 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
3.1 Eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv: beroep op een strafuitsluitingsgrond
dat wordt aangemerkt als een bewijsverweer
De wetgever heeft bij gelegenheid van de invoering van de tweede volzin van artikel 359
lid 2 Sv in 2005 nagelaten het begrip ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ van een af-
doende invulling te voorzien voor de rechtspraktijk. De Hoge Raad heeft zich dientenge-
volge in 2006, mede na diverse aansporingen tot verduidelijking,23 genoodzaakt gezien tot
het wijzen van een standaardarrest, het zogenaamde Hennepkwekerij-arrest: 59.2. In dit
arrest verduidelijkt de Hoge Raad dat een verweer pas als een uitdrukkelijk onderbouwd
standpunt kan worden aangemerkt als dit “duidelijk, door argumenten geschraagd en voor-
zien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren” is
gebracht – waarmee de Hoge Raad expliciet aansluiting zoekt bij verweren in het kader van
vormverzuimen.24 Verdere inkadering van het concept ‘uitdrukkelijk onderbouwd stand-
punt’ via algemene regels is volgens de Hoge Raad niet mogelijk vanwege de verwevenheid
met de feiten en omstandigheden van het geval.25 Buiten de inhoud van hetgeen is aange-
voerd, komt daarbij tevens belang toe aan de context waarin dat beroep is gedaan.26
Artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv heeft volgens de Hoge Raad geen wijziging gebracht in
de vrijheid van de feitenrechter omtrent de selectie en waardering van bewijsmateriaal
doch houdt enkel in dat de rechter in feitelijke aanleg in sommige gevallen verplicht is
tot het geven van een nadere motivering.27 Die plicht tot motivering ontstaat pas indien
het aangevoerde wordt aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt én, zoals
reeds is opgemerkt in paragraaf 2, louter in de gevallen waarin de beslissing afwijkt van dat
ingenomen standpunt. De Hoge Raad heeft toegelicht dat in de situatie waarin ‘niet wezen-
lijk wordt afgeweken’ van een dergelijk standpunt een (nadere) motivering niet vereist is.
In de gevallen waarin naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt een
motivering vereist is, behoeft de feitenrechter niet op ieder detail van het uitdrukkelijk
onderbouwde standpunt te reageren. Ten aanzien van de omvang van de motiveringsplicht
komt het uiteindelijk aan op een beargumenteerde weerlegging die afhankelijk is van de
“aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen stand-
punt”.28 In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad besloten dat buiten de inhoud van het
aangevoerde, belang kan toekomen aan de materiële en procedurele context van de zaak
voor wat betreft de reikwijdte van de motiveringsplicht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
gekeken naar de procespositie van de verdediging en de vertegenwoordiger van het open-
baar ministerie alsmede de ernst van hetgeen is bewezen verklaard en de mate waarin de
uitspraak afwijkt ten opzichte van het vonnis in eerste aanleg.29
Als in cassatie wordt bestreden dat de feitenrechter ten onrechte een verweer niet heeft
aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, geldt dat het bestreden arrest
en het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbronnen zijn voor toetsing door de Hoge
Raad. Het is derhalve de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie dan wel de ver-
dediging om te verzoeken dat het aangevoerde schriftelijk wordt vastgelegd.30 Ten aanzien
van de verdachte die zichzelf verdedigt, geldt dit vereiste niet nu die “erop [mag] vertrou-
wen dat het door de voorzitter en de griffier vastgestelde proces-verbaal de kern weergeeft
23 Zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Knigge van 11 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9130 en
de conclusie van advocaat-generaal Vellinga van 18 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU8913.
24 59.2, r.o. 3.7.1.
25 59.2, r.o. 3.8.1.
26 Zie HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5250, NJ 2011/107.
27 HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072; 59.2.
28 59.2, r.o. 3.8.4.
29 Zie bijvoorbeeld HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953, NJ 2015/60 m.nt. B.F. Keulen.
30 Eventueel gepaard met het overleggen van pleitaantekeningen. 59.2, r.o. 3.7.2.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 786T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 786 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
787Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
van eventuele door hem naar voren gebrachte verweren en onderbouwde standpunten die
tot een gemotiveerde beslissing nopen”.31
De toetsing in cassatie richt zich in de zaken waarin een middel klaagt over het ontbreken
van een nadere motivering in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt veelal
op de begrijpelijkheid van het kennelijke oordeel van de feitenrechter dat geen sprake is
van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het geval een gemotiveerde weerlegging
van dat standpunt ontbreekt en of hetgeen is aangedragen bezwaarlijk anders dan als een
uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden opgevat.32 Daarbij dient zich allereerst de
vraag aan of in de onderliggende zaak een verweer is gevoerd dat ‘duidelijk, door argumen-
ten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feiten-
rechter naar voren’ is gebracht. Het (impliciete) oordeel van de feitenrechter hieromtrent
wordt in cassatie aan de zojuist genoemde begrijpelijkheidstoets onderworpen. Is geen
sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dan geldt het motiveringsvereiste van
artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet. Is wel voldaan aan de stelplicht dan beziet de Hoge
Raad of het ontbreken van een (nadere) motivering dient te leiden tot vernietiging van de
uitspraak.33 In bepaalde gevallen behoeft het ontbreken van een motivering namelijk niet
tot nietigheid van de uitspraak te leiden. Dit is het geval indien de motivering reeds be-
sloten ligt in de uitspraak of als de afwezigheid ‘de toereikendheid en begrijpelijkheid van
de motivering van de uitspraak’ niet aantast. Als laatste kan zich ook de situatie voordoen
waarin het motiveringsgebrek van dusdanig ondergeschikt belang is dat het niet tot vernie-
tiging van de uitspraak hoeft te leiden.34
3.2 Derde hoofdvraag van artikel 350 Sv: verweer gericht op de aanwezigheid
van een strafuitsluitingsgrond
Indien sprake is van een beroep op een strafuitsluitingsgrond en de wederrechtelijkheid
dan wel culpa niet is opgenomen in de tenlastelegging dienen zich, zoals besproken in pa-
ragraaf 2, verschillende wegen aan voor de verdediging en het openbaar ministerie. Als
de officier van justitie een beroep doet op een strafuitsluitingsgrond, ongeacht de inhoud
van de tenlastelegging, geldt sinds 1 januari 2005 de in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv
opgenomen regeling betreffende de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het zojuist
onder 3.1 besprokene heeft derhalve gelding in dat geval. Voor de verdediging geldt de re-
geling van artikel 358 lid 3 jo. 359 lid 2, eerste volzin, Sv. In dat geval dient het aangevoerde
te zijn vervat in een uitdrukkelijk voorgedragen verweer, wil de plicht tot het opnemen van
een beslissing en nadere motivering in het vonnis worden geactiveerd.
Voordat een verweer kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer
dient aan het vormvereiste van mondelinge voordracht ter terechtzitting te zijn voldaan.
Dit dient uitdrukkelijk te geschieden en is dienstig aan ‘de helderheid van de procesvoe-
ring’. Tevens biedt het de mogelijkheid aan het openbaar ministerie tot respons.35 Dit vorm-
vereiste heeft als procedurele consequentie dat de raadsman, om zeker te stellen dat in een
hogere instantie met succes kan worden geklaagd over de (afwezigheid van de) beslissing
of de motivering, dient te verzoeken tot aantekening van het gevoerde verweer via arti-
kel 326, vierde lid, Sv waarbij tevens wordt vermeld dat, bijvoorbeeld, overeenkomstig de
31 HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9203, NJ 2007/53, r.o. 3.5.
32 Vgl. HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1283, r.o. 2.3; HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:541, r.o. 2.3; HR 17 april
2018, ECLI:NL:HR:2018:614.
33 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 195-196.
34 59.2, r.o. 3.8.2.
35 HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1675, NJ 2006/82 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.3. Zie ook HR 3 januari
198 4, NJ 1984/443; HR 30 juni 1998, NJ 1999/60; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 787T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 787 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
788 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
pleitnota het woord is gevoerd of het verweer mondeling is gehandhaafd.36, 37 Indien de
verdacht geen bijstand van een raadsman geniet, heeft dit vereiste geen gelding.38
Wat betreft de inhoudelijke vereisten in het kader van uitdrukkelijk voorgedragen verwe-
ren kan worden vastgesteld dat deze, zeker in vergelijking met het eerder besproken uit-
drukkelijk onderbouwde standpunt, laag zijn. Hoewel niet kan worden volstaan met een
‘kale’ mededeling dat, bijvoorbeeld, een beroep wordt gedaan op een strafuitsluitingsgrond,
blijkt de aanwezigheid van een (zeer) summiere toelichting reeds doeltreffend. Afdoende
om te spreken van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer is bijvoorbeeld de mondelinge
verklaring van verdachte dat hij uit zelfbescherming heeft gehandeld omdat hij eerst werd
geslagen op zijn achterhoofd en geen “andere mogelijkheid meer zag” dan de aangever te-
rug te slaan in combinatie met het door de verdediging aangevoerde dat de oorzaak van de
escalatie is gelegen in het gedrag van het slachtoffer en daarmee “de vraag is of het nood-
weer was of niet”.39
Ook ten aanzien van de inhoudelijke vereisten wordt een onderscheid gemaakt tussen de
verdachte zelf en diens raadsman.40 Dat betekent echter niet dat ieder verweer van een ver-
dachte dusdanig welwillend dient te worden opgevat door de feitenrechter dat hij daaruit
altijd een responsieplichtig verweer moet afleiden. Zo werd bijvoorbeeld het oordeel van
het hof ’s-Gravenhage dat het verweer van de verdachte, luidende “dat zijn rechten zijn
geschonden nu er onvoldoende rekening is gehouden met het Europese recht. Verdachte
voert hierbij aan dat zijn Europese rechten belangrijker zouden zijn dan de Nederlandse
wet, daar Nederlandse recht onder Europees recht staat”, niet voldoet aan de eisen van een
uitdrukkelijk gevoerd verweer door de Hoge Raad in stand gelaten.41
Als de rechter besluit dat een bepaalde strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is terwijl de
verdediging dit in een uitdrukkelijk voorgedragen verweer heeft aangevoerd, dient het
vonnis een gemotiveerde beslissing te bevatten ex artikel 358 lid 3 jo. 359 lid 2, eerste vol-
zin, Sv. Voor wat betreft die motivering is het van belang of het verweer een juridisch en/
of feitelijk karakter heeft, omdat de verwerping (veelal) hetzelfde karakter zal aannemen.
In het geval van een feitelijke verwerping zijn de feiten en omstandigheden die ten grond-
slag liggen aan het verweer niet aannemelijk geworden. De feitenrechter kan daarbij in de
regel volstaan met de motivering dat de feitelijke aan het verweer ten grondslag gelegde
omstandigheid ‘niet aannemelijk is geworden’.42 De juridische verwerping houdt in dat de
aangevoerde feiten en omstandigheden niet leiden tot het aangevoerde juridische gevolg.
In dit geval dient de feitenrechter meer inzicht te geven in de gevolgde redenering.43
HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1156 (59.1): een (voorzichtige) koerswijziging?
Uit het voorgaande volgt dat de Hoge Raad betrekkelijk weinig inhoudelijke eisen heeft
gesteld aan het begrip uitdrukkelijk voorgedragen verweer en dat die eisen een casuïstisch
36 HR 22 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0692, NJ 1998/52, r.o. 6.3.
37 Het vereiste van uitdrukkelijke voordracht brengt voor de appelfase met zich dat een algemene ver wijzing naar
de in eerste aanleg gevoerde verweren niet afdoende is. Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1431, r.o.
2.3. Onder bepaalde omstandigheden kan worden volstaan met een specifieke verwijzing. Zie HR 26 mei 2015,
ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 m.nt. N. Rozemond.
38 Zie Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 913.
39 HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1125.
40 HR 4 juni 1991, NJ 1991, 809; HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7553, NJ 2006/85; HR 20 februari 2007,
ECLI:NL:HR:2007:AZ5717, NJ 2007/146. Vgl. ook de conclusie van advocaat-generaal Machielse van 20 februari
2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ5717, NJ 2007/146.
41 HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9805.
42 Zie HR 27 juni 1972, NJ 1972/495 m.nt. Th.W. van Veen.
43 Zie Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 913-915 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 788T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 788 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
789Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
karakter hebben. Naar aanleiding van 59.1 doemt de vraag op, in ieder geval voor een uit-
drukkelijk voorgedragen verweer inzake strafuitsluitingsgronden, of aan het hiervoor be-
sprokene kan worden vastgehouden.
In de voorliggende zaak is de verdachte in feitelijke aanleg veroordeeld wegens mishande-
ling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Uit de bewijsmiddelen44 kan worden opge-
maakt dat sprake is van een mishandeling in het uitgaanscircuit; de verdachte is werkzaam
bij de uitgaansgelegenheid als beveiliger en het slachtoffer is een bezoeker van die gelegen-
heid. Op enig moment is het slachtoffer de nachtclub uitgezet. Uit de camerabeelden valt
af te leiden dat rond vijf uur ’s nachts de situatie escaleert als het slachtoffer tezamen met
drie beveiligers – onder wie de verdachte – aan de voorzijde van de uitgaansgelegenheid
staat. Het slachtoffer poogt de nachtclub opnieuw te betreden door de verdachte opzij te
duwen. De verdachte reageert daarop door het slachtoffer van zich af te duwen. Dit geduw
gaat over en weer alvorens verdachte na het ontvangen van een duw op zijn schouder “met
kracht een slag in het gezicht” van dat slachtoffer geeft. De klap heeft tot gevolg dat het
slachtoffer knock-out gaat, met zijn hoofd op de grond terechtkomt en een schedelbreuk
oploopt.
In hoger beroep ligt de focus op het (gehandhaafde) verweer van de verdediging dat sprake
is van – in de woorden van de pleitnotitie – ‘noodweer/exces’. Ter onderbouwing van het
beroep voert de verdediging onder meer aan dat het slachtoffer een agressieve houding
aannam. Zo wilde hij bijvoorbeeld een mes mee naar binnen nemen, rukte hij zijn kleding
kapot en probeerde hij te vechten met andere beveiligers. In die toestand was het onmo-
gelijk om een gesprek met hem aan te gaan. De verdachte was bang om met een wapen
te worden aangevallen, het slachtoffer was immers “niet een of andere pannenkoek zoals
cliënt [heeft] verklaard”. Andere mogelijkheden tot de-escalatie zouden niet aanwezig zijn
geweest nu praten en wegduwen niet het gewenste effect sorteerden. In de woorden van de
pleitnota, “stond [hij] in zijn eentje tegenover een compleet losgeslagen, niet voor rede vat-
baar persoon die koste wat kost terug wilde en op de vuist wilde gaan”. Ook speelt volgens
de verdediging mee dat ten tijde van het voorval andere bezoekers de nachtclub begonnen
te verlaten. Dat tussen de laatste duw van het slachtoffer en de slag van de verdachte een
(kort) moment van rust zit, staat volgens de verdediging niet in de weg aan een geslaagd
beroep op noodweer dan wel noodweerexces. Gelet op het voorgaande is het handelen van
de verdachte beïnvloed door de houding en het gedrag van het slachtoffer, aldus de verde-
diging.
Het beroep op noodweer wordt door het hof gemotiveerd verworpen. Hoewel het gerechts-
hof aanneemt dat sprake is van een noodweersituatie, faalt het beroep omdat de verde-
diging disproportioneel is. De kracht van de slag van verdachte, hij sloeg het slachtoffer
knock-out, staat niet in een redelijke verhouding met de duw door het slachtoffer. Daarbij
neemt het hof in aanmerking dat de verdachte handelde in zijn hoedanigheid van beveiliger
– een overweging die verwijst naar de Garantenstellung.45 Een inhoudelijke reactie op het-
geen is aangevoerd ten aanzien van noodweerexces blijft in hoger beroep uit.
In cassatie klaagt de verdediging over het ontbreken van een beslissing in het arrest van
het hof op het verweer inzake noodweerexces. Advocaat-generaal Bleichrodt komt tot de
conclusie dat het middel slaagt op grond van de tot dusver geldende maatstaf in cassa-
tie, namelijk of het kennelijke oordeel van het hof dat geen sprake is van een uitdrukke-
lijk voorgedragen verweer de toets der begrijpelijkheid kan doorstaan. Ondanks dat niet
alle voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweerexces door de verdediging zijn
44 Zie de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:488.
45 Zie de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:488.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 789T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 789 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
790 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
doorlopen, heeft de raadsman “herhaaldelijk verwoord dat hij namens de verdachte een be-
roep doet op noodweerexces”.46 Daarnaast heeft het verweer zich toegespitst op de aanwe-
zigheid van de noodweersituatie aangezien dit in eerste aanleg het struikelpunt was – een
overweging die wijst op een contextuele benadering. Aldus is expliciet een beroep op nood-
weerexces gedaan en heeft de verdediging feiten en omstandigheden aangevoerd waarmee
“het namens de verdachte aangevoerde bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als
een beroep op een strafuitsluitingsgrond waarop het hof een uitdrukkelijke en met rede-
nen omklede beslissing als bedoeld in art. 358, derde lid, jo 359, tweede lid, Sv diende op
te nemen in zijn arrest.47 Gelet daarop concludeert de advocaat-generaal tot vernietiging
van het bestreden arrest.
De Hoge Raad komt tot een ander oordeel en voegt een nuancering toe aan de standaard-
toets: “Het [hof] heeft het door de raadsman aangevoerde kennelijk niet tevens opgevat als
een voldoende duidelijk beroep op noodweerexces waarop overeenkomstig het bepaalde
in artikel 358 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepaaldelijk een beslissing moet
worden gegeven”.48 Gelet op de enkele verwijzing naarnoodweer/exces in afwezigheid
van een nadere uitwerking en gelet op het procesverloop in hoger beroep, kan dit oordeel
de begrijpelijkheidstoets doorstaan en getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting,
aldus de Hoge Raad. Zien wij het goed, dan oordeelt de Hoge Raad met deze uitspraak voor
het eerst dat een uitdrukkelijk voorgedragen verweer een ‘voldoende duidelijk beroep’ dient
in te houden. Dat roept vragen op omtrent de betekenis van deze toevoeging.
Enerzijds kan worden betoogd dat de Hoge Raad hiermee het concept ‘uitdrukkelijk voor-
gedragen verweer’ van een nadere betekenis heeft voorzien en dat hij, wellicht enkel in het
kader van strafuitsluitingsgronden, zwaardere eisen is gaan stellen aan de feitelijke invul-
ling daarvan. In het arrest wordt geen expliciete aandacht besteed aan de vraag wanneer
een voldoende duidelijk verweer is gevoerd. Wel kan uit de daaropvolgende onderbouwing
in het arrest van de Hoge Raad worden afgeleid dat een nadere toelichting op het ver-
weer die specifiek was toegespitst op de strafuitsluitingsgrond noodweerexces, bijvoor-
beeld door het bespreken van de aanwezigheid van een hevige gemoedsbeweging en/of
de disproportionaliteit van de verdediging, naar alle waarschijnlijkheid tot een responsie-
plichtig beroep op deze strafuitsluitingsgrond had geleid.
Anderzijds kan worden beargumenteerd dat de toevoeging van de woorden ‘voldoende
duidelijk’ enkel een explicitering is van hetgeen reeds vaste rechtspraak is. Met andere
woorden: ten aanzien van de inhoudelijke toets treedt naar aanleiding van deze uitspraak
geen wijziging op. Hoewel verweren ex artikel 358 lid 3 Sv worden gekenmerkt door een
lichte stelplicht en er weinig (strenge) eisen worden gesteld aan de indringendheid van dit
type verweren,49 wordt in de literatuur wel bepleit dat een verweer in het kader van artikel
358 lid 3 Sv ‘duidelijk’ en/of ‘gemotiveerd’ moet worden gevoerd.50 Daaruit kan wellicht
worden afgeleid dat de Hoge Raad met het arrest 59.1 geen inhoudelijke wijziging teweeg
heeft willen brengen. Dat het arrest is gewezen door een zetel van drie en niet van vijf
raadsheren, maakt het plausibel dat geen fundamentele koerswijziging is nagestreefd.
46 Zie de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:488, punt 22.
47 Zie de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:488, punt 22.
48 Zaak 59.1, r.o. 3.3.
49 Zie J.W. Fokkens, ‘De wijziging van artikel 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoir strafproces’, in:
A. Hart eveld , D.H. de Jon g & E. F. St amhuis (red.), Systeem in ontwikkeling (Knigge-bundel), Nijmegen: Wolf Legal
Publishers 2005; van Dorst 2018, par. 7.1.2.-7.1.3.
50 Zie bijvoorbeeld Corstens/Borgers & Kooijmans p. 913; M.J. Borgers & F.G.H. Kristen, ‘Verweren en responderen’,
DD 2005/39. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jörg van 12 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN0581,
punt 11.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 790T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 790 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
791Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
Opmerking verdient dat ten aanzien van een beroep op artikel 41 Sr zich de situatie voor-
doet dat door de verdediging in de praktijk veelal een tweetrapsverweer zal worden aan-
gevoerd inhoudende primair een beroep op noodweer ex artikel 41 lid 1 Sr en subsidiair
een beroep op noodweerexces ex artikel 41 lid 2 Sr.51 Beide strafuitsluitingsgronden hebben
gemeen dat een wederrechtelijke aanranding en een noodzakelijke verdediging aanwe-
zig dienen te zijn. Indien de raadsman, zoals in de bovenstaande zaak, zich gemotiveerd
beroept op noodweer en daarnaast enkel benoemt dat tevens sprake kan zijn van nood-
weerexces doet zich de situatie voor dat het beroep op noodweer reeds ingaat op enkele
vereisten voor noodweerexces. Hoewel enkele bestanddelen van noodweerexces al zijn
aangehaald, blijft in deze concrete zaak vervolgens enige specifieke toelichting die onder-
scheidend kan werken tussen beide strafuitsluitingsgronden achterwege. De contextuele
benadering die Bleichrodt verkiest, wordt niet aangetroffen in het arrest van de Hoge Raad.
Kan het zo zijn dat de Hoge Raad het verweer gelijk heeft gesteld aan het geval waarin de
verdediging simpelweg zegt ‘in deze zaak is de strafuitsluitingsgrond noodweerexces van
toepassing’ zonder nadere toelichting? Op grond van de bestendige rechtspraak rondom
uitdrukkelijk gevoerde verweren is het allerminst ondenkbaar dat een door de raadsman
gedane uitspraak van bovenstaande inhoud de drempel niet haalt.52 De feitenrechter dient
immers wel enig aanknopingspunt te hebben voor datgeen waarover hij een motivering
en beslissing dient op te nemen in de uitspraak – de niet onderbouwde benoeming van
een leerstuk biedt daarvoor in beginsel weinig sturing. Ook in vergelijking met de eer-
der aangehaalde rechtspraak53 inzake het in appel handhaven van in eerste aanleg gedane
uitdrukkelijk voorgedragen verweren blijkt dat de Hoge Raad specificiteit van de verdedi-
ging verlangt en een algemene verwijzing niet toereikend is. De uitspraak 59.1 kan in die
zin enkel betekenen dat de Hoge Raad vasthoudt aan de lijn dat de verdediging voldoende
specifiek dient te zijn in het verweer hetgeen zich bij een tweetrapsverweer inzake nood-
weer(exces) uit in een nadere uitwerking van de unieke onderdelen van artikel 41 lid 2
Sr – zijnde de disproportionele verdediging die het onmiddellijke gevolg is van een hevige
gemoedsbeweging.54
3.3 Tusse nbesc hou wing
Gelet op het bovenstaande kan vooralsnog worden geconcludeerd dat de concepten ‘uit-
drukkelijk onderbouwd standpunt’ en ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ ieder een
unieke betekenis en uitwerking hebben. Voor de verdediging is het derhalve van belang
om zich bewust te zijn van de twee verschillende sporen die zich aandienen.55 Ten aanzien
van de vormvereisten geldt voor zowel het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt als het
uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat dit mondeling ter terechtzitting dient te worden
gevoerd. Daarnaast is het niet onverstandig om te verzoeken tot aantekening van het ge-
voerde verweer in het proces-verbaal. Het uitblijven van enige schriftelijke vermelding van
het verweer heeft, in de regel, in cassatie immers fatale gevolgen.
Wat betreft de inhoudelijke eisen kan op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad wor-
den geconcludeerd dat aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hogere eisen worden
gesteld dan aan het uitdrukkelijk voorgedragen verweer. Uit rechtspraak volgt dat van een
51 In sommige gevallen nog aangevuld met putatief noodweer(exces).
52 Vgl. HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0580.
53 Zie voetnoot 37.
54 Zie HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510 m.nt. M.J. Borgers. Die uitwerking mag dan betrek-
kelijk summier zijn. Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3781.
55 Dit geldt niet voor het openbaar ministerie nu deze vertegenwoordiger altijd de route van artikel 359 lid 2,
tweede volzin, Sv zal moeten bewandelen.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 791T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 791 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
792 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
uitdrukkelijk voorgedragen verweer ex artikel 358 lid 3 Sv al sprake is wanneer dit naar
inhoud of strekking bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een dergelijk verweer
en de inhoudelijke eisen daarbij zijn ‘weinig streng’.56 Ten overstaan van deze ‘lichte’ stel-
plicht kan de ‘zware’ stelplicht ten aanzien van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ex
art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv worden geplaatst. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten
dienen immers ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzin-
nige conclusie ten overstaan van de feitenrechter’ naar voren te worden gebracht.57 Op grond
van de uitspraak 59.1 kan evenwel de vraag worden opgeworpen of de maatstaven dichter
tot elkaar zijn gebracht door ten aanzien van uitdrukkelijk voorgedragen verweren expliciet
te verlangen dat een voldoende duidelijk beroep is gevoerd. Het proces van nivellering tussen
beide sporen kan in ieder geval worden teruggevonden in de plannen voor de aanstaande
modernisering van het Wetboek van Strafvordering, waarover in de volgende paragraaf meer.
4. Modernisering
In de contourennota van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering is de in-
tentie uitgesproken om “het bestaande fijnmazige systeem van opeengestapelde motive-
ringsverplichtingen te vereenvoudigen”.58 Hoewel de ondoorgrondelijkheid van het huidige
wettelijke systeem wordt aangepakt, is de wetgever voornemens om de strenge eisen te
behouden die thans aan de motivering van rechterlijke uitspraken worden gesteld.59 Dit
heeft geleid tot deze voorgestelde formulering van artikel 4.3.21 Ambtelijke versie juli 2020
wetsvoorstel Wetboek van Strafvordering:
Artikel 4.3.21 [358, derde lid; 359, tweede lid]
1. De beslissingen die in artikel 4.3.20 zijn vermeld, zijn gemotiveerd voor zover dat voor de
begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is.
2. Indien de rechtbank in strijd met een door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen
standpunt aanneemt dat het tenlastegelegde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een be-
paalde strafuitsluitingsgrond of wettelijke strafverminderingsgrond niet van toepassing is, dan
geeft het eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen.
3. Indien een beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 zijn
vermeld afwijkt van een ander door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen standpunt, dan wel
van een standpunt dat door de officier van justitie uitdrukkelijk is voorgedragen, dan geeft het
eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen indien dat standpunt deugdelijk is
onderbouwd.
(…)
Uit de verwijzing naar artikel 4.3.20 in lid 1 van het voorgestelde artikel volgt dat on-
der andere de beslissingen omtrent de formele en materiële vragen gemotiveerd dienen te
56 Fokkens 2005. Vgl. de conclusie van advocaat-generaal Harteveld van 10 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:201,
punt 3.5 en 3.11; Keulen & Knigge 2016, p. 578-581.
57 59.2, r.o. 3.7.1.
58 Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 278, p. 34 en 85. Zie ook Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4
van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting, p. 78; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (ambtelijke versie juli 2020), p. 768.
59 Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 278, p. 34. Zie ook Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van
het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting, p. 78.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 792T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 792 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
793Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
worden indien dit noodzakelijk is. Enkel indien een motivering onmisbaar is met het oog
op de begrijpelijkheid van de uitspraak, is de feitenrechter gehouden tot het geven van een
motivering.60 In de Memorie van Toelichting verduidelijkt de wetgever dat de formele vra-
gen alsmede de tweede en derde materiële vraag bij afwezigheid van enig gevoerd verweer
in de regel niet van een (nadere) motivering hoeven te worden voorzien om aan het begrij-
pelijkheidscriterium te voldoen.61
In het geval van verweren inzake strafuitsluitingsgronden worden de twee sporen gehand-
haafd. Zo is de responsieplicht die van toepassing is in het geval van een beroep op een
strafuitsluitingsgrond dat zich richt tot een bestanddeel in de tenlastelegging (artikel 359
lid 2, tweede volzin, Sv) in het voorstel opgenomen in artikel 4.3.21 lid 3. In het kader van
laatstgenoemd artikellid dienen de formele (voorgesteld artikel 4.3.1) en materiële (voor-
gesteld artikel 4.3.3) vragen in bepaalde gevallen van een (nadere) motivering te worden
voorzien. In het tweede lid van artikel 4.3.21 is de huidige plicht tot respons van artikel
358 lid 3 jo. 359 lid 2, eerste volzin, Sv verwerkt. Overeenkomstig de thans geldende eisen
inzake verweren en respons wordt vastgehouden aan het afwijkende regime voor de ver-
dediging en het openbaar ministerie inzake strafuitsluitingsgronden die aan bod komen
bij de derde materiële hoofdvraag: het verweer van de verdachte dan wel zijn raadsman
valt binnen het toepassingsbereik van het tweede lid terwijl een beroep van de officier van
justitie onder het derde lid van artikel 4.3.21 valt.
Opvallend aan het voorgestelde artikel 4.3.21 is dat zowel het tweede als het derde lid
spreekt over een ‘uitdrukkelijk voorgedragen standpunt’. Het verschil in terminologie, in
de zin van enerzijds uitdrukkelijk voorgedragen verweer en anderzijds het uitdrukkelijk
onderbouwde standpunt, tussen beide sporen wordt daarmee verlaten. Van volledige ni-
vellering tussen de begrippen is echter geen sprake. Dit kan reeds worden opgemaakt uit
de tekst van artikel 4.3.21 lid 3 aangezien uitdrukkelijk voorgedragen standpunten in dat
kader deugdelijk dienen te worden onderbouwd alvorens een plicht tot nadere motivering
ontstaat. De Memorie van Toelichting ligt tevens toe dat in het kader van het derde lid van
het voorgestelde artikel 4.3.21 het concept ‘uitdrukkelijk voorgedragen standpunt’ inhou-
delijk bezien hetzelfde betekent als in het huidige recht ingevolge de uitspraak 59.2 wordt
verstaan onder het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Voor de uitdrukkelijk voorge-
dragen standpunten in het tweede lid geldt een minder zware plicht tot onderbouwing
voor de verdachte. Voldoende is dat een dergelijk standpunt uitdrukkelijk is voorgedragen
ter terechtzitting. Daarmee blijft de nu geldende toets leiden of hetgeen is aangedragen
bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een dergelijk verweer. Hoewel de letter
van de voorgestelde wet lijkt te duiden op eenzelfde benadering voor beide sporen, kan op
grond van de uitleg van het begrip ‘uitdrukkelijk voorgedragen standpunt’ in de Memorie
van Toelichting worden geconcludeerd dat (vooralsnog) wordt vastgehouden aan de hui-
dige invulling zoals besproken in paragraaf 3 van deze bijdrage.
Wat betreft de reikwijdte van de responsieplicht bestaat volgens de wetgever geen strikte
scheiding tussen de eerste drie leden van artikel 4.3.21.62 Opmerkelijk is dit ingenomen
standpunt niet, daar eerdere rechtspraak leert dat een dergelijke vaststelling – of sprake is
60 Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting,
p. 76; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
(ambtelijke versie juli 2020), p. 766-767.
61 Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting,
p. 77; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
(ambtelijke versie juli 2020), p. 767.
62 Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting,
p. 77; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
(ambtelijke versie juli 2020), p. 767.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 793T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 793 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
794 Afl. 9 - november 2020 DD 2020/59
Rechtspraakrubriek
DE FORMELE ZIJDE VAN STRA FUITSLUITINGSGRON DEN
van voldoende onderbouwing – zeer casuïstisch van aard is.63 Ten aanzien van alle drie de
leden zal het voor de reikwijdte van de motivering aankomen op de vraag of de uitspraak
begrijpelijk is.64
Het gebruik van de terminologie ‘uitdrukkelijk voorgedragen standpunt’ in de leden 2 en
3 van het voorgestelde artikel 4.3.21 (destijds nog artikel 4.3.4.3) is reeds in 2018 bekriti-
seerd door de Raad voor de rechtspraak. Doordat een gefundeerde uitleg voor de keuze om
dezelfde terminologie aan te hangen voor beiden leden ontbreekt, is de voorwaarde dat de
standpunten als bedoeld in het derde lid voorzien dienen te zijn van een ondubbelzinnige
conclusie niet meer zo vanzelfsprekend. Vanuit de Raad voor de rechtspraak is dan ook
het verzoek gekomen om deze eis aan het derde lid toe te voegen en de aanbeveling om de
formulering van het artikel te heroverwegen.65 In de Ambtelijke versie 20 juli 2020 wets-
voorstel Wetboek van Strafvordering is aan dit advies geen gehoor gegeven.66
Het aanhouden van dezelfde terminologie in artikel 4.3.21 voor twee afwijkende materiële
regimes schept onzes inziens onnodig onduidelijkheid voor de praktijk. Zeker in het licht
van het doel van het moderniseringsproject – de ondoorgrondelijkheid van het systeem
van beslissen en motiveren verbeteren – kan de vraag worden opgeworpen of het wen-
selijk is om het onderscheid tussen een beroep op een strafuitsluitingsgrond via het, naar
huidige terminologie, ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ en het ‘uitdrukkelijk onder-
bouwde standpunt’ te behouden. Volgens de Memorie van Toelichting is de lagere maatstaf
voor de verweren ex artikel 4.3.21 lid 2 ten opzichte van lid 3 van het voorstel erin gelegen
dat deze verweren direct verband houden met de schuldvraag. In dit kader wordt veel be-
lang gehecht aan de explicatiefunctie van de motivering.67 Toch kan onzes inziens worden
bediscussieerd of daarmee het onderscheid met een beroep op een strafuitsluitingsgrond
via het ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’ is gerechtvaardigd. Hoewel een dergelijk
aangevoerd standpunt geen direct verband houdt met de schuldvraag in zuivere zin, ziet
het wel op de in de tenlastelegging besloten wederrechtelijkheid en/of verwijtbaarheid.
In de inleiding van deze bijdrage is reeds opgemerkt dat deze begrippen de basis vormen
voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Nu de feitenrechter ingevolge artikel 359 lid 2
en 3 Sv veelal kan volstaan met de opname van de redengevende bewijsmiddelen in de
uitspraak en ambtshalve geen motivering hoeft op te nemen omtrent de aanwezigheid van
een strafuitsluitingsgrond (zie paragraaf 2), kan ook worden verdedigd dat de explicatie-
functie een belangrijke positie inneemt indien een beroep op een strafuitsluitingsgrond
in de zin van een bewijsverweer wordt gevoerd. Het onderscheid tussen de weg van het
uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en het uitdrukkelijk voorgedragen verweer is enkel
afhankelijk van de inhoud van de tenlastelegging. De vraag of in beide gevallen niet ge-
woonweg met dezelfde vereisten aan een beroep op een strafuitsluitingsgrond kan worden
volstaan verdient nader onderzoek. Een mogelijke implicatie die daarbij aan het licht kan
63 Zie ook De Raad voor de rechtspraak, Advies van de Raad voor de rechtspraak inzake de wetsvoorstellen tot vast-
stelling van de Boeken 3,4, 5 en 6 van het Wetboek van Strafvorder ing (Moder nisering Sv) 12 juli 2018, p. 39-40.
64 Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting,
p. 77; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
(ambtelijke versie juli 2020), p. 767.
65 De Raad voor de rechtspraak, Advies van de Raad voor de rechtspraak inzake de wetsvoorstellen tot vaststelling
van de Boeken 3,4, 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering (Modernisering Sv) 12 juli 2018, p. 40, 105. Zie in
gelijke zin Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, Advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
over de wetsvoorstellen boeken 3 tot en met 6 van het Wetboek van Straf vorder ing 31 juli 2018, p. 14.
66 Ook in de door de Raad voor de Rechtspraak bekritiseerde versie was het zinsdeel ‘standpunt deugdelijk is
onderbouwd’ reeds opgenomen in de formulering van artikel 4.3.21 lid 3 (toen nog artikel 4.3.4.3 lid 3).
67 Zie Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting,
p. 79; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
(ambtelijke versie juli 2020), p. 769.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 794T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 794 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
795Afl. 9 - november 2020
DD 2020/59
Rechtspraakrubriek DE FORMELE ZIJDE VAN STRAFUIT SLUITINGSGRONDEN
komen is dat het huidige systeem gebaseerd is op de inhoud van de materiële vragen van
artikel 350 Sv. Met het gelijkstellen van de ingangsvoorwaarden voor een beroep op een
strafuitsluitingsgrond ten aanzien van de eerste en derde vraag van artikel 350 Sv wordt
dit onderscheid ten aanzien van strafuitsluitingsgronden (wellicht) verlaten. In dit opzicht
rijst de vraag of uitspraak 59.1 van invloed zou kunnen zijn op het moderniseringstraject
en, zo ja, waaruit die invloed dan zou bestaan. Toch kan, vooruitlopend op toekomstige
rechtspraak van de Hoge Raad op dit gebied, worden bediscussieerd of de wetgever in deze
uitspraak aanleiding kan vinden tot het nader bijeenbrengen van de inhoudelijke verschil-
len tussen het tweede en derde lid van artikel 4.3.21 waardoor met dezelfde terminologie
kan worden volstaan.
5. Besluit
In deze bijdrage zijn we ingegaan op de formele zijde van strafuitsluitingsgronden. In para-
graaf 2 is besproken dat ten aanzien van strafuitsluitingsgronden twee verschillende spo-
ren bestaan: het beroep op een strafuitsluitingsgrond kan worden aangemerkt als 1) ge-
richt op de eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv; of 2) gericht zijnde op de derde hoofdvraag
van artikel 350 Sv. Beide sporen worden gekenmerkt door een eigen regime waarbij de
begrippen ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ en ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’
als ingangsvereisten zijn aan te merken. Aanleiding voor dit onderzoek betrof de uitspraak
59.1 waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof hetgeen was aangevoerd ten aanzien van
noodweerexces niet als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer hoefde op te vatten nu
het niet voldoende duidelijk als een zodanig beroep kon worden herkend. Op dit moment
kan geen uitsluitsel worden gegeven over de invloed van deze uitspraak op de bestendige
praktijk van artikel 358 lid 3 jo. 359 lid 2, eerste volzin, Sv en de aanstaande modernisering
van het Wetboek van Strafvordering.
Op grond van de huidige stand van zaken aangaande het moderniseringstraject blijkt dat
het verschil in terminologie wordt verlaten en beide sporen in de toekomst zullen gaan
opereren onder de ingangsvoorwaarde ‘uitdrukkelijk voorgedragen standpunt’. Desal-
niettemin zullen de bestaande inhoudelijke verschillen tussen de twee ingangsvereisten
worden behouden. Derhalve is van een volledige nivellering geen sprake en zorgt deze sa-
mensmelting van begrippen, terwijl inhoudelijk gezien geen verandering plaatsvindt, on-
zes inziens voor onnodige verwarring voor de praktijk. Bij ons doet dat dan ook de vraag
rijzen of de wetgever met het oog op het moderniseringstraject in uitspraak 59.1 wellicht
aanleiding kan vinden tot het verkleinen van de materiële verschillen, of zelfs een volledige
gelijkstelling, inzake de beroepen die leiden tot een motiveringsplicht op grond van het
tweede en derde lid van het voorgestelde artikel 4.3.21 waardoor onduidelijkheid (eventu-
eel) kan worden voorkomen.
T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 795T3d_DD_2009_bw_V2A.indd 795 10/29/2020 10:38:12 AM10/29/2020 10:38:12 AM
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
De wijziging van artikel 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoir strafproces
  • J W Zie
  • Fokkens
Zie J.W. Fokkens, 'De wijziging van artikel 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoir strafproces', in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E.F. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling (Knigge-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005; van Dorst 2018, par. 7.1.2.-7.1.3.
Zie ook Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting
  • I I Kamerstukken
Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 278, p. 34. Zie ook Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting, p. 78.
Zie in gelijke zin Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, Advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak over de wetsvoorstellen boeken 3 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering
De Raad voor de rechtspraak, Advies van de Raad voor de rechtspraak inzake de wetsvoorstellen tot vaststelling van de Boeken 3,4, 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering (Modernisering Sv) 12 juli 2018, p. 40, 105. Zie in gelijke zin Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, Advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak over de wetsvoorstellen boeken 3 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering 31 juli 2018, p. 14.
Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting, p. 79; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
  • Zie Memorie Van Toelichting
Zie Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting, p. 79; Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (ambtelijke versie juli 2020), p. 769.