ArticlePDF Available

Abstract

We horen voortdurend berichten over de “onacceptabele” ongelijkheid in het onderwijs, maar de gymnasium lijkt daarin een blinde vlek.
Wat is het probleem met gymnasia?
Boterman: ‘In de jaren zeventig bestond al veel discussie over de mogelijke afschaffing van
gymnasia. Onder andere de PvdA vond dat ze niet goed waren voor kansengelijkheid –
hetzelfde punt dat wij nu inbrengen. Op gymnasia heerst nu eenmaal een specifieke cultuur
met impliciete regels die het voor kinderen uit arbeidersmilieus moeilijker maakt. Zo is er
weinig begrip voor kinderen die bepaalde termen niet kennen, terwijl dat meer te maken heeft
met opvoeding dan met intelligentie. De uitval van kinderen met een niet-westerse
achtergrond of van kinderen uit arbeidsmilieus is dan ook hoger. Op categorale gymnasia, die
geen andere opleidingsniveaus verzorgen, zijn ook geen brede brugklassen, terwijl zulke
tools juist worden ingezet om kansenongelijkheid te verminderen. Kinderen komen weinig
kinderen van andere niveaus tegen, en het is ook nog eens minder gebruikelijk dat kinderen
vanaf een derde klas vwo bijvoorbeeld nog instromen. Gymnasia hoorden vroeger bij het
hoger onderwijs, en het idee dat ze eigenlijk niet bij het ‘gewone’ voortgezet onderwijs horen
maar een elitestatus hebben, is nooit echt verdwenen.’
Merry: ‘Dan wordt het gymnasiumsysteem ook nog eens gefinancierd door de overheid. We
horen voortdurend berichten over de “onacceptabele” ongelijkheid in het onderwijs, maar dit
lijkt daarin een blinde vlek. Ik kan me voorstellen dat academici en politici die zelf van het
gymnasium komen denken dat het een school is zoals alle andere. Er wordt verrassend weinig
wetenschappelijk onderzoek naar gedaan.’
‘Voor kinderen uit Twente of Zeeland zijn categorale gymnasia vrijwel ontoegankelijk. Het is
dus niet gek dat wordt gesproken van de grachtengordelelite’
Jullie schrijven ook over de geografische spreiding van gymnasia.
Boterman: ‘De categorale gymnasia staan vooral in grote steden, met veel hoogopgeleiden –
dat is immers de doelgroep. Voor kinderen uit Twente of Zeeland zijn ze daarom vrijwel
ontoegankelijk. Het is niet gek dat wordt gesproken van de grachtengordelelite, want een
groot deel van de kinderen op het Barlaeus en het Vossius Gymnasium komt uit de buurten
waar de gymnasia staan: in Zuid, Centrum of de duurdere wijken elders. Natuurlijk wordt
gymnasiumonderwijs ook aangeboden op brede scholengemeenschappen, maar dat heeft niet
dezelfde status: het is vaak een gymnasiumklasje waar wat vwo’ers aan meedoen.’
Merry: ‘Het categoraal gymnasium heeft historische prestige. Het gaat dan ook vaak niet om
het onderwijsniveau – er is geen reden om aan te nemen dat een gymnasium superieur
onderwijs geeft, want veel scholen zijn goed – maar om het doorgeven van gedrag, status en
cultuur. Dit terwijl een vwo-diploma juridisch gelijkstaat aan een gymnasiumdiploma. Het
idee dat een gymnasium “nodig” is voor studenten met meer talent vind ik lastig te
verdedigen.’
Het aantal leerlingen op categorale gymnasia in Amsterdam is de laatste vijftien jaar
verdubbeld. Hoe komt dat?
Boterman: ‘Er zijn enkele nieuwe gymnasia gesticht, maar ook meer vwo-scholen hebben een
gymnasiumafdeling geopend. Dat heeft met geografie te maken: het aantal hoogopgeleiden is
in de stad enorm gestegen. Meer dan de helft van de Amsterdamse kinderen heeft
hoogopgeleide ouders en er moet geloot worden voor gymnasia. Daarom zie je er ook veel
andere vwo-concepten bijkomen, die dezelfde markt bedienen maar uit een ander vaatje
tappen: onderwijs met programmeerklassen, of waarbij je veel naar het buitenland gaat. Zo’n
7 procent van de Amsterdamse scholieren zit nu op een categoraal gymnasium.’
Wat doen gymnasia zelf om ongelijkheid te voorkomen?
Boterman: ‘Gymnasia kennen het probleem en willen eraan werken, maar het is inherent aan
een elitaire, specifieke opleiding. De focus op exclusie zit erin gebakken. Het is de vraag hoe
– en of – je dat kunt hanteren zonder het unieke karakter van de school overboord te gooien.
Er zijn wel stappen gemaakt, een aantal gymnasiumleerlingen heeft nu een niet-westerse
achtergrond. Gymnasia waren altijd heel wit.’
Wat zou er moeten gebeuren, volgens jullie?
Boterman: ‘Ik heb zelf een ontzettend leuke tijd gehad op het gymnasium, maar ik moet
bekennen dat de rol ervan in het Nederlands onderwijsbestel ongunstig is. Het exclusieve
karakter zorgt voor een social closure: het wordt ingewikkelder om tot de Nederlandse elite
toe te treden. Dat raakt direct aan diversiteitsdebatten en frustratie over de dominante rol van
Amsterdam in de media en politiek veel types daar zaten op gymnasia. Je moet je afvragen
of het goed is om dit systeem te handhaven, ik zou zeggen dat het goed zou zijn als er meer
brede scholen zouden zijn.’
Merry: ‘We moeten het behandelen zoals racisme en een eerlijk gesprek aangaan. Als we
ongelijkheid willen terugbrengen, maar sommige mensen krijgen prestigieuzer onderwijs
omdat ze uit een ander nest komen, dan is dat problematisch. Een van mijn voorstellen is om
het helemaal af te schaffen, maar er gaan ook geluiden op voor het uitstellen van de citotoets
tot zestienjarige leeftijd. Dat zou ongelijkheid kunnen verminderen, maar het zijn kleine
stukjes in de puzzel. We moeten er allereerst een serieuze discussie over voeren.
Correctie: in een eerdere versie van dit artikel stond dat scholieren van het Barlaeus
Gymnasium en van het Vossius Gymnasium vooral in de grachtengordel wonen. Dat is
onjuist – wel wonen de scholieren vaker in Zuid, Centrum of in de duurdere wijken van de
stad.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.