ArticlePDF Available

De gedragsfactor. Het nut van nudging en gedragsinzichten in het coronabeleid

Authors:

Abstract

Gedrag is een cruciale factor in het coronabeleid. Gedragsverandering is echter een complex en moeizaam proces, dat zich niet eenvoudig laat kneden door beleidsinterventies en overheidscommunicatie. In dit artikel onderzoeken we hoe gedragsinzichten en nudging kunnen bijdragen tot gedragswetenschappelijk onderbouwd coronabeleid. We nemen België als casestudie, van de abrupte lockdown in maart tot aan de start van een lange exit in juni 2020. We bespreken een mix van beleidsinstrumenten die inspeelt op het bewuste en het onbewuste keuzeproces van burgers. We tonen hoe beleidsmakers gedragsinterventies kunnen ontwerpen met behulp van gedragsanalyses, nudges en een brede gedragslens. We breken een lans voor de verdere gedragswetenschappelijke onderbouwing van het coronabeleid door breed te monitoren, gericht te testen en de beschikbare gedragskennis binnen en buiten de overheid structureel te bundelen en te benutten.
71
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
De gedragsfactor
HET NUT VAN NUDGING EN GEDRAGSINZICHTEN IN HET
CORONABELEID
Pieter Raymaekers1
SAMENVATTING Gedrag is een cruciale factor in het coronabeleid.
Gedragsverandering is echter een complex en moeizaam pro-
ces, dat zich niet eenvoudig laat kneden door beleidsinterventies
en overheidscommunicatie. In dit artikel onderzoeken we hoe
gedragsinzichten en nudging kunnen bijdragen tot gedragswe-
tenschappelijk onderbouwd coronabeleid. We nemen België als
casestudie, van de abrupte lockdown in maart tot aan de start
van een lange exit in juni 2020. We bespreken een mix van be-
leidsinstrumenten die inspeelt op het bewuste en het onbewuste
keuzeproces van burgers. We tonen hoe beleidsmakers gedrags-
interventies kunnen ontwerpen met behulp van gedragsanalyses,
nudges en een brede gedragslens. We breken een lans voor de
verdere gedragswetenschappelijke onderbouwing van het corona-
beleid door breed te monitoren, gericht te testen en de beschikbare
gedragskennis binnen en buiten de overheid structureel te bunde-
len en te benutten.
Inleiding
Virologen, epidemiologen en gezondheids-
experts namen van meet af aan het voortouw in
de strijd tegen het COVID-19-virus (SARS-CoV-2).
Tijdens de lockdown (light) keek iedereen, inclu-
sief de politieke leiders, in hun richting. Vanaf
de exitfase betraden wetenschappers uit andere
kennisdomeinen en vakgebieden de scène om
elk vanuit hun eigen invalshoek iets toe te voe-
gen aan het crisisbeleid (Moreau et al. 2020). In
deze analyse combineren we twee disciplines:
beleidswetenschappen en gedragswetenschap-
pen. We argumenteren dat kennis van beleid,
kennis van gedrag en bovenal de wisselwerking
tussen beide, de huidige aanpak kunnen ver-
rijken. Deze crisis roept het beeld op van een
gigantisch gedragsexperiment met een virus dat
vraagt om individuele en collectieve gedragsver-
andering. Of zoals Hans Kluge, de Belgische
WHO Regio directeur voor Europa, het formu-
leerde: “our behaviour determines COVID-19
be haviour” (WHO 2020a). In dit artikel onder-
zoeken we hoe gedragsinzichten en nudging
kunnen bijdragen tot gedragswetenschappelijk
onderbouwd coronabeleid. We vertrekken van-
uit algemene principes en praktijken, die we ver-
der illustreren met en toepassen op de corona-
context in België van begin maart tot begin juni
2020.
De beleidsinstrumentenmix
Het coronabeleid is in essentie gericht op het
voorkomen van besmetting met het COVID-19-
virus en bouwt voort op een aantal conventio-
nele, publieke gezondheidsmaatregelen (Wilder-
Smith & Freedman 2020). Daarnaast wil de
overheid de negatieve effecten op de economie,
het psychosociaal welzijn en de fysieke gezond-
72
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
heid van haar burgers zoveel mogelijk beperken.
De overheid zet in op preventieve gedragsveran-
dering en moet, door de afwezigheid van een
effectieve behandeling of vaccin, steeds reke-
ning houden met zowel de korte als de lange
termijn. De belangrijkste gedragsregels in België
zijn: anderhalve meter afstand houden, sociaal
contact beperken, regelmatig de handen was-
sen, op aanbevolen plaatsen mondmaskers dra-
gen en bij het vertonen van symptomen tijdig de
huisarts bellen en thuis blijven (zie afbeelding 1).
Sinds de versoepeling van de lockdown is het in
toenemende mate aan de burger zelf om zich
conform deze voorschriften te gedragen. Vanuit
die optiek is de factor gedrag zonder meer cru-
ciaal.
Afbeelding 1 Poster met gedragingen die besmetting met het coronavirus helpen voorkomen
© Agentschap Zorg & Gezondheid
Een overheid kan verschillende instrumenten in-
zetten om het gedrag van burgers te beïnvloe-
den en zoveel mogelijk in overeenstemming te
brengen met het uitgestippelde beleid. Vaak
wordt het beeld gebruikt van de beleidsmaker
die beschikt over een gereedschapskist, een
toolbox met gedragsturende beleidsinstrumenten.
Daarin zitten dan traditioneel drie overkoepe-
lende typen: juridische instrumenten (zoals regel-
geving en verboden), economische of financiële
instrumenten (zoals belastingen en subsidies), en
communicatieve instrumenten (zoals informatie-
en sensibiliseringscampagnes) (Fobé, Brans &
Wayenberg 2015; van der Doelen 1989). Een
beeldrijke variant van deze klassieke driedeling
is het onderscheid tussen de stok, de wortel en
de preek (Vedung 1998). Hood (1984) voegt
er in zijn NATO-model nog een vierde cruciaal
instrument aan toe. Naast het verspreiden van
informatie (Nodality), het afdwingen van regels
(Authority) en het geven van financiële stimuli
(Treasure), kan de overheid ook zelf een aantal
taken op zich nemen en bijvoorbeeld publieke
diensten organiseren (Organisation). Het hui-
dige crisisbeleid draait om meer dan wortels,
stokslagen en preken. Andere organisatorische
beleidsmiddelen, zoals de hoeveelheid tests, de
beschikbaarheid van beschermend materiaal,
de capaciteit van ziekenhuizen, de implementa-
tie van contactonderzoek en de verspreiding van
mondmaskers, vormen stuk voor stuk essentiële
pijlers. Daarnaast spelen ook minder tastbare
factoren, zoals het vertrouwen in de overheid
en het publieke leiderschap, een belangrijke rol
(Verhoest, Van Dooren & De Vadder 2020).
73
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
Tabel 1 Typologieën van beleidsinstrumenten
Hood van der Doelen Vedung
Authority Juridische instrumenten Stok
Treasure Economische instrumenten Wortel
Nodality Communicatieve instrumenten Preek
Organization / /
Bron: Fobé, Brans & Wayenberg 2015: 31.
In dit artikel focussen we op de beleidsinstru-
menten voor rechtstreekse gedragsbeïnvloeding.
Gezien de omvang van deze pandemie hoeft
het niet te verbazen dat de Belgische overheid
tegelijkertijd alle klassieke tools uit de kast haal-
de. We zagen een beleidsinstrumentenmix van
harde regulering, financiële incentives en softere
communicatievormen. Zeker in de lockdown-
fase was de stok alom aanwezig. Zo kwam
er een verbod op samenscholing, een verbod
op niet-essentiële verplaatsingen en een verbod
op competitiesporten. De horeca ging op slot,
winkeldeuren en schoolpoorten moesten dicht
en speeltuinen werden verboden terrein. De
overheid stipuleerde van de ene op de andere
dag hoe we ons mochten verplaatsen, wanneer
we mochten werken, waar we naartoe mochten
gaan en met wie we omgingen. Deze maatre-
gelen werden aangevuld met non-stopcommu-
nicatie. Die zogenaamde preken kwamen in
verschillende vormen en werden gebracht door
verschillende boodschappers. De medische ex-
perten van Sciensano gaven ons dagelijks om
klokslag 11 uur een update over de cijfers. Vi-
rologen, epidemiologen, vaccinologen en mi-
crobiologen betraden letterlijk en figuurlijk het
podium om ons te informeren over hoe we de
crisis moesten bezweren (Van Dooren & Noor-
degraaf 2020). Politici brachten min of meer
dezelfde boodschap en belegden persconferen-
ties om de genomen beleidsmaatregelen aan te
kondigen en te verduidelijken. In Vlaanderen viel
op dat voor de maand april het vertrouwen in
de experten zeer hoog (tot circa 90 %) en het
vertrouwen in de politici relatief hoog (tot circa
70 %) lag (Verhoest, Van Dooren & De Vadder
2020). Wortels of financiële beleidsinstrumenten
werden doel(groep)gerichter ingezet en passen
binnen het bredere economische beleid. Denk
bijvoorbeeld aan de coronahinderpremie van de
Vlaamse overheid voor bedrijven die verplicht de
deuren moeten sluiten, of aan de tijdelijke verla-
ging van het btw-tarief in de horeca op federaal
niveau. De drie klassieke beleidsinstrumenten
hebben gemeen dat ze telkens uitgaan van een
burger die beslissingen maakt op basis van on-
begrensde, rationele gronden (Howlett 2018).
Wij stellen echter dat een effectief coronabeleid
ook rekening moet houden met de grenzen aan
het rationele, menselijke gedrag.
De grenzen van rationeel gedrag
De manier waarop onze hersenen informatie
verwerken beïnvloedt ons gedrag. Cognitieve
psychologen, zoals Daniel Kahneman, Paul
Slovic en Amos Tversky (1982), en gedrags-
economen, zoals Richard Thaler (2015) of Dan
Ariely (2008), betogen al veel langer hoe men-
sen onder condities van bounded rationality (te
weinig tijd, informatie of aandacht) redeneren
volgens een set mentale omwegen en shortcuts,
heuristieken en cognitieve biases, die afwijken
van het perfecte, rationele keuzemodel. Dank-
zij Kahnemans synthesewerk Thinking Fast and
Slow (2011) weten we bovendien dat er twee
denksystemen in onze hersenen opereren. Het
snelle, automatische en emotionele systeem 1
dat ervoor zorgt dat we dagelijkse keuzes onbe-
wust en routineus maken, en het tragere, reflec-
tieve systeem 2 dat ons helpt bij het maken van
weloverwogen en bewuste beslissingen. Facto-
ren als onzekerheid, financiële zorgen, stress en
angst kunnen in deze crisistijden de hersenen
echter extra belasten, waardoor de mentale
bandbreedte en cognitieve middelen die worden
ingezet om doordachte beslissingen te nemen,
afnemen (Starcke & Brand 2012). Hierdoor krij-
gen de automatische processen, meer nog dan
anders, de overhand, vervallen we sneller in ge-
woontegedrag en neemt de kans op cognitieve
biases toe (Denktaş et al. 2020).
74
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
Inzichten uit de psychologie en gedragsecono-
mie bieden een nieuwe invalshoek op sommige
hardnekkige gezondheidsproblemen, zoals on-
gezonde voeding, te weinig beweging, roken,
overdreven alcoholgebruik of het correct inne-
men van medicatie (Bickel, Moody & Higgins
2016; Crawshaw 2013; Ewert & Loer 2019).
In het licht van de coronacrisis kunnen een aan-
tal gedragsinzichten een mogelijke verklaring
bieden voor het gedrag van burgers en de
keuzes die daarmee gepaard gaan. Hoe komt
het bijvoorbeeld dat de ernst bij veel mensen,
onze bestuurders incluis, zo laat doordrong? De
optimism bias, die ervoor zorgt dat we denken
dat de negatieve effecten ons minder snel zul-
len treffen dan andere mensen, kan onze blik
vertekenen. Daardoor denken we dat we min-
der risico lopen om ziek te worden in vergelij-
king met anderen (Soofi, Najafi & Karami-Matin
2020). Ook de confirmation bias, waardoor
we geneigd zijn om meer aandacht te hebben
voor en meer waarde te hechten aan informatie
die onze eigen veronderstellingen ondersteunen,
kan dit versterken. Deze pandemie wordt tegelijk
bestempeld als een ‘infodemie’ van echt en fake
nieuws (Zarocostas 2020). Het is niet zo verba-
zingwekkend dat we de informatie eruit pikken
die ons aanstaat en die onze eigen keuzes en
gedrag ondersteunt. De present bias, ook wel
hyperbolic discounting genoemd, kan verklaren
waarom mensen aan de vooravond van de
quarantaine toch nog gretig zogenaamde lock-
downparty’s bijwoonden. We hebben immers
de neiging om een kleinere beloning op korte
termijn te prefereren boven meer substantiële
voordelen op langere termijn (O’Donoghue &
Rabin 2000). Veel gezondheidskwesties, zoals
roken of snoepen, bevatten een afweging tus-
sen het heden en de toekomst. Hetzelfde prin-
cipe geldt voor de balans tussen een plezierig
feestje dezelfde avond en een mogelijke, maar
allesbehalve gegarandeerde coronabesmet-
ting over enkele dagen of weken. En ook het
raadselachtige hamsteren van toiletpapier heeft
deels te maken met een perceptie van schaarste
in combinatie met kuddegedrag. Als de situatie
onduidelijk of dubbelzinnig is, kijken we naar
het gedrag van anderen en baseren we onze
keuzes daarop (Raafat, Chater & Frith 2009).
Hoewel deze psychologische mechanismen nog
maar weinig empirisch onderzocht werden in de
specifieke coronacontext, kan een beter begrip
van de rationele gronden én grenzen van het
gedrag van burgers een meerwaarde betekenen
voor de gereedschapskist van de beleidsmaker.
Gedragsinterventies definiëren, ana-
lyseren, ontwerpen en testen
Binnen beleidsonderzoek en beleidspraktijk is er
al langer sprake van een gedragswetenschap-
pelijke omslag, beter bekend als de behavioural
turn (Feitsma 2019; Raymaekers & Brans 2020;
Strassheim & Beck 2019). Er zijn ondertussen
verschillende modellen, kaders en zelfs gedrags-
wielen en gedragsverkenners beschikbaar die
beleidsmakers kunnen gebruiken om gedrag te
begrijpen en gedragsinterventies te ontwikkelen
(Kok et al. 2016; Raymaekers et al. 2019). In
grote lijnen moeten steeds dezelfde basisstappen
worden doorlopen: de definitiefase, de analyse-
fase, de designfase en de evaluatiefase. In de
eerste fase worden het gewenste doelgedrag en
de doelgroep zo helder mogelijk gedefi nieerd.
De tweede fase bevat een gedragsanalyse,
waarbij de gedragsbepalende factoren of de-
terminanten van het gedrag worden onderzocht.
Het COM-B-systeem biedt bijvoorbeeld een
eenvoudig model om de drivers en barrières
van gedrag te begrijpen (zie figuur 1). Gedrag
(Behaviour) wordt bepaald door de interactie
tussen drie componenten: Capaciteit, Opportu-
niteit en Motivatie (Michie, van Stralen & West
2011). Capaciteit kijkt naar de psychische en
fysieke mogelijkheden van mensen, naar de ver-
eiste kennis en vaardigheden om het gewenste
gedrag te stellen. Motivatie gaat over alle cog-
nitieve processen, zowel de automatische als de
reflectieve, die ons gedrag aansturen. Motivatie
bevat niet alleen het doordachte, analytische
beslissingsproces, maar ook onze routineuze,
emotionele en instinctieve reacties. Opportuniteit
heeft betrekking op alle factoren die zich buiten
het individu bevinden, zoals de fysieke en de
sociale omgeving, en die het gewenste gedrag
mogelijk maken of zelfs uitlokken.
75
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
Figuur 1 Het COM-B systeem: een kader om gedrag te begrijpen
Bron: Michie, van Stralen & West 2011: 4.
Voordat we zoeken naar een gedragsoplossing
voor een bepaald beleidsprobleem, wordt het
probleem zelf op basis van deze verschillende
gedragscomponenten geanalyseerd. Om bar-
rières te detecteren en gedrag te begrijpen, is
het belangrijk om de juiste vragen te stellen. Kij-
ken we bijvoorbeeld naar de maatregelen rond
handhygiëne, dan kunnen de volgende vragen
veel leren (Denktaş et al. 2020): Weet je waar-
om handenwassen belangrijk is en weet je hoe
en hoelang je jouw handen correct moet was-
sen (capaciteit – fysiek en psychologisch)? Zijn
er voldoende wasbakken en zeep beschikbaar
en hoe denkt jouw sociale omgeving over han-
den wassen (opportuniteit – fysiek en sociaal)?
Is het bij jou een gewoonte om vaak je handen
te wassen en vind je het belangrijk om vaak je
handen te wassen (motivatie – automatisch en
reflectief)? Ook voor andere maatregelen, zoals
het dragen van mondmaskers, kan een gelijkaar-
dige oefening gemaakt worden. De derde fase
is de designfase en omvat het selecteren en ont-
werpen van concrete gedragsinterventies om het
gewenste gedrag te bevorderen. De vierde of
evaluatiefase staat in het teken van testen. Op
basis van experimenteel onderzoek wordt geme-
ten of de gedragsinterventie werkt of niet.
Nudging als beleidsinstrument
Gedragsinterventies die mikken op dagelijkse
activiteiten, zoals handen wassen of afstand hou-
den, moeten één grote barrière overwinnen: ge-
woonten. Onze ingesleten gewoonten zijn auto-
matische en dus bijzonder efficiënte handelingen
die het mogelijk maken dat we onze tijd, energie
en aandacht aan andere zaken besteden. Ge-
woonten zijn onlosmakelijk verbonden met ons
automatische systeem 1 denken, en zijn net daar-
door moeilijk te veranderen via het meer rationele
systeem 2 interventies. Omdat nudging inspeelt
op het onbewuste denkproces, kan het nuttig zijn
om, alvast op korte termijn, gedragsverandering
te realiseren. Het begrip nudging werd gemunt
in het gelijknamige boek Nudge: Improving Deci-
sions Abouth Health, Wealth and Happiness door
Richard Thaler en Cass Sunstein in 2008. De titel
geeft al aan dat nudging mensen wil helpen om
gezondere levenskeuzes te maken. De definitie
van een nudge is “een duwtje in de goede rich-
ting dat betrekking heeft op alle mogelijke aspec-
ten van de keuzearchitectuur die het gedrag van
mensen op voorspelbare wijze veranderen zonder
opties te verbieden of de financiële stimulansen
aanzienlijk te wijzigen” (Thaler & Sunstein 2018:
14). Vooral het woord keuzearchitectuur spreekt
tot de verbeelding. De achterliggende idee is dat
een overheid als een keuzearchitect inspeelt op
systeem 1 denken van burgers, en de mogelijke
keuzes op een bepaalde manier ordent en pre-
senteert, om zo de individuele en maatschappe-
lijk meest gewenste keuze op een eenvoudige,
subtiele en niet-dwingende manier naar voren te
schuiven (de Ridder & Tummers 2019). Nudging
Capaciteit
Psychologisch - Fysiek
Motivatie
Automatisch - Reflectief
Opportuniteit
Fysiek - Sociaal
Behaviour
76
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
bouwt voort op de politieke filosofie van libertair
paternalisme: een softe vorm van overheidsingrij-
pen, die tegelijk de individuele keuzevrijheid vrij-
waart (Sunstein & Thaler 2003).
Vanaf 2008, in de nasleep van de financiële
crisis, vond het nudgenarratief geleidelijk ingang
binnen de overheid. Klassieke voorbeelden van
nudges zijn: het plaatsen van fruit op ooghoogte;
het aanbieden van groene energie of pensioen-
sparen als standaardpakket; het toevoegen van
een sociale norm – “negen op tien mensen be-
talen hun belastingen op tijd” – aan de belas-
tingbrief; het schilderen van voetstappen op de
grond richting de openbare vuilnisbak; het visu-
aliseren van informatie, zoals het Europese ener-
gielabel of de Nutri-score. Voor het ontwerpen
van nudges bestaan ook een aantal handige mo-
dellen en frameworks. Het meest gebruiksvrien-
delijke en allicht daarom ook populairste model
is EAST, in 2014 ontworpen door het Britse
Behavioural Insights Team (BIT 2014; Halpern
2015). De basisgedachte van EAST is simpel:
als je een bepaald gedrag wil aanmoedigen,
kan je dat het best zo Easy, Attractive, Social,
Timely, zo “EAST” mogelijk, maken.
We kunnen nudges onderverdelen in vier over-
koepelende typen: het aanpassen van de infor-
matieomgeving, het aanpassen van de fysieke
omgeving, het aanpassen van de sociale omge-
ving en het aanpassen van de standaardoptie
(House of Lords Science and Technology Select
Comittee 2011: 10; Mont, Lehner & Heiskanen
2015: 22; Raymaekers et al. 2019: 17). Het
eerste nudgetype heeft betrekking op het inrich-
ten van de informatieomgeving. De overheid
kan informatie vereenvoudigen en indien nodig
framen om het gewenste gedrag te stimuleren.
Denk bijvoorbeeld aan de flatten the curve-gra-
fiek, die in één oogopslag duidelijk maakt wat
het effect van de maatregelen is op de capaci-
teit van de ziekenhuizen en wat er op het spel
staat. Ook de check-check-checkcampagne van
de Vlaamse overheid, die zowel een heldere
als positieve boodschap brengt, pictogrammen
hanteert en daarbij Bekende Vlamingen en in-
fluencers in de strijd gooit, hoort hier thuis (zie
abeelding 2). Het framen van informatie neemt
een bijzonder plaats in. De manier waarop
boodschappen worden geformuleerd en geka-
derd kan een impact hebben. Dit bleek recent
uit een nudgingexperiment van de Hogeschool
Gent rond handhygiëne bij studenten (Meert
2020). Posters met een welbepaalde framing,
zoals “handen wassen met zeep vermijdt 47 %
ziektes”, deed het zeepverbruik met 43 % toene-
men (zie afbeelding 3).
Afbeelding 2 Poster van de check-check-
checkcampagne door de Vlaamse overheid
© Vlaamse overheid
Afbeelding 3 Poster met framingboodschap
uit het nudgingexperiment van de HOGENT
© HOGENT
77
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
Het tweede nudgetype heeft betrekking op het
inrichten van de fysieke omgeving. Heldere in-
formatie en motiverende boodschappen zijn niet
altijd voldoende. Ook de inrichting van de omge-
ving beïnvloedt ons gedrag. Hier zijn we bij de
meest letterlijke betekenis van keuzearchitectuur
aanbeland. Vandaag zien we in het straatbeeld
overal visuele prompts en cues opduiken die ons
er bewust en onbewust aan herinneren dat we
anderhalve meter afstand moeten bewaren en
die dat ook nog eens exact voor ons uitmeten
(Denktaş et al. 2020). We staan op cirkelvormige
stickers die perimeters voorstellen als we de metro
nemen, we blijven in onze afgelijnde vakken als
we wachten op onze bestelling in de frituur en we
volgen de pijlen die ons aan de gewenste kant
van de winkelstraat houden (zie afbeelding 4).
Ook voor handhygiëne speelt het bewust en on-
bewust trekken van aandacht en het faciliteren van
de gewenste handeling een belangrijke rol (Huis
et al. 2012). Het plaatsen van opvallende, kleur-
rijke handzeep op strategische plaatsen heeft een
positief effect op handhygiëne (Lunn et al. 2020).
Recent onderzoek heeft verder aangetoond dat
een nette omgeving, van openbare toiletten over
kantoren tot supermarkten, bijdraagt tot persoon-
lijke hygiëne (Hockley 2020). Dit kan gezien wor-
den als een variant op de criminologische broken
windows-theorie van Kelling & Wilson (1982),
die stellen dat omgevingen die reeds vervuild en
verwaarloosd zijn, nog meer vuil en uiteindelijk
ook criminaliteit aantrekken. De inrichting van de
omgeving kan mensen dus aanzetten tot gewenst,
maar ook tot ongewenst gedrag.
Afbeelding 4 Actieplan voor het winkelwandelgebied in Kortrijk met wachtzones en looplijnen op
de grond
© Stad Kortrijk
Het derde nudgetype heeft betrekking op het
inrichten van de sociale omgeving. Naast de in-
formatiestructuur en de fysieke omgeving speelt
ook de sociale factor een belangrijke rol. Be-
schrijvende sociale normen die feitelijk weerge-
ven hoe vaak het gewenste gedrag voorkomt,
beïnvloeden het gedrag van mensen (Cialdini &
Goldstein 2004). Zo bleek bijvoorbeeld uit de
78
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
Motivatiebarometer van de UGent (Vansteen-
kiste et al. 2020) dat bij het begin van de cri-
sis half maart ongeveer 80 % van deelnemers
aangaf zich (bijna) altijd aan alle maatregelen
te houden en deze ook te steunen. Het com-
municeren van deze sociale norm, waarbij de
overgrote meerderheid van de mensen het ge-
wenste gedrag vertoont, kan het gedrag van
burgers positief beïnvloeden. Toch moet de over-
heid voorzichtig omspringen met sociale normen.
We merken bijvoorbeeld sterke verschillen tussen
jongvolwassenen en ouderen, en zien over het
algemeen een dalende trend in het draagvlak
voor en opvolging van de maatregelen. Com-
municeren dat slechts de helft van de bevolking
de maatregelen steunt, kan zelfs contraproductief
werken. De overheid moet dus goed nadenken
welke sociale normen ze wil benadrukken. Ook
andere elementen uit de sociale omgeving, zoals
rolmodellen of netwerken, kunnen ingezet wor-
den. Een laatste specifieke nudgetechniek is de
zogenaamde default of standaardoptie. Door
in te spelen op de status quo bias, waardoor
mensen niet graag veranderen en kiezen voor
de weg van de minste weerstand, kan het ver-
anderen van de standaardoptie grote gevolgen
hebben (Loewenstein, Brennan & Volpp 2007).
In deze tijden zien we een digitale default op-
duiken, waarbij bijvoorbeeld digitaal betalen of
telewerken de standaard wordt.
Om het gedrag van mensen te veranderen moet
de overheid zowel systeem 1 als systeem 2 aan-
spreken. Terwijl de drie traditionele beleidsinstru-
menten uitgaan van de rationele burger, kunnen
elementen uit de nudgetheorie inspelen op de intu-
itieve dimensie van ons keuzeproces en onze her-
senen de gewenste prikkels voorschotelen (Denktaş
et al. 2020). Vanuit die invalshoek beschouwen
bestuurskundigen zoals Tummers (2019a) nudging
als een vierde, afzonderlijk type beleidsinstrument.
Een nudge sluit geen opties uit, zoals een stok, en
verandert de kosten van een keuze niet significant,
zoals een wortel. En in tegenstelling tot een preek
gaat een nudge niet uit van een perfecte, maar
van een begrensd rationeel beslissende burger.
Andere bestuurskundigen zoals Loer (2019) be-
schouwen nudges niet zozeer als een afzonderlijk
beleidsinstrument, maar meer als een verzameling
van technieken die als een soort hefboom of via
een zogenaamde behavioural spin de drie tra-
ditionele instrumenten effectiever kunnen maken.
Nudges worden dan complementair ingezet voor
een proces van refashioning, redesigning, refining
en reshaping van het bestaande instrumentarium
(Halpern 2015: 318-319; John 2018: 7).
Tabel 2 Een duwtje/nudge als vierde beleidsinstrument voor gedragsverandering
Stok Wortel Preek Duwtje/nudge
Discipline Rechten Economie Communicatie Psychologie
Verandering
via
Geboden en
verboden Prikkels Overtuiging Keuzearchitectuur
Slogan Maak ongewenst
gedrag illegaal! Beloon gewenst
gedrag! Vertel wat gewenst
gedrag is! Maak gewenst gedrag gemakkelijk!
Voorbeeld Verbod op samen-
scholing De coronahinder-
premie Dagelijkse update
van Sciensano Aanpassen van
1. de informatie-omgeving (heldere
en positieve campagnes o.b.v.
framing en met pictogrammen)
2. de fysieke omgeving (visuele
prompts en cues zoals lijnen op
de grond of toegankelijke hand-
zeep)
3. de sociale omgeving (“80 % van
de mensen steunt de maatrege-
len”)
4. de standaardoptie (digitaal beta-
len en telewerken)
Geïnspireerd op Tummers 2019a: 15; Mont, Lehner & Heiskanen 2015: 22.
79
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
Nudging biedt echter geen zaligmakende be-
leidsoplossing, zowel in pre- als in postcoronatij-
den. Nudging kan helpen om onze gewoonten,
aandacht en zelfs emoties tijdelijk in een andere
richting te sturen, maar biedt geen garantie dat
deze gedragingen een volwaardig onderdeel
worden van een nieuwe levensstijl en zich veran-
keren in onze dagelijkse routine. Verder houden
nudges onvoldoende rekening met de maatschap-
pelijke determinanten van gezondheid (MacKay
& Quigley 2018). Bovendien kan nudging de
andere beleidsinstrumenten niet zomaar vervan-
gen. Zo heeft de Britse Regering scherpe kritiek
gekregen op haar alternatieve aanpak in de be-
ginfase. Ze zou uit vrees voor sociaaleconomi-
sche schade te lang hebben vastgehouden aan
de strategie van groepsimmuniteit, die wordt
bereikt wanneer een groot deel van de bevol-
king dankzij antilichamen immuun is voor een
infectie. Daarnaast zou de Britse Regering ook
te veel hebben vertrouwd op nudgetechnieken
uit vrees voor zogenaamde behavioural fatigue
bij de bevolking. Mensen zouden al te drasti-
sche maatregelen snel beu zijn en deze daarom
niet meer opvolgen (Hahn et al. 2020; Sodha
2020; Yates 2020). Voor diepgaande gedrags-
verandering is meer nodig dan enkel nudging.
Tot slot moeten we ons ervan bewust zijn dat een
nudgende overheid steevast controverse uitlokt.
Dergelijke kritiek valt uiteen in drie grote dimen-
sies (Feitsma 2019; Raymaekers et al. 2019).
Tegenstanders bekritiseren nudging op basis van
methodologische grenzen (werkt het wel?), ethi-
sche risico’s (is dit geen manipulatie?) en ideolo-
gische bijbedoelingen (te paternalistisch voor de
een en te libertair voor de ander). De expliciete
kritiek op nudging heeft ervoor gezorgd dat de
term gaandeweg een controversiële connotatie
heeft gekregen. Zo gaan gedragsexperts van het
team gedragsinzichten van de Vlaamse overheid
of van het Nederlandse Behavioural Insights Net-
werk zich steeds vaker expliciet distantiëren van
nudging of minstens aangeven dat ze inzetten op
het bredere kader van de gedragsinzichten en
niet enkel op nudges (BIN NL 2017: 3; Nuyts
et al. 2018: 4).
Een brede gedragslens
We zien steeds vaker de metafoor opduiken van
een brede ‘gedragslens’, die beleidsmakers kun-
nen hanteren om naar het volledige beleidsplaat-
je te kijken. De idee van een gedragslens sluit
ook aan bij de opkomst van een breder Behav-
ioural Public Policy (BBP)-programma, dat vertrekt
vanuit een overheid die verschillende soorten ge-
dragsinzichten (waaronder nudges) kan toepas-
sen in alle fasen van de beleidscyclus, deze op
een vindingrijke manier combineert met andere
beleidsinstrumenten en de blik verruimt richting
meerdere stakeholders: niet enkel individuele
burgers, maar ook organisaties, bedrijven en
zichzelf (Ewert 2020; Oliver 2019; John 2018;
Raymaekers & Brans 2020). Politici en beleids-
makers worden immers beïnvloed door dezelfde
cognitieve biases die ze gebruiken om burgers
te beïnvloeden (Grimmelikhuijsen et al. 2017).
Lodge & Wegrich (2016) bedachten hiervoor de
term ‘rationaliteitsparadox’. Beleidsmakers kun-
nen bijvoorbeeld zichzelf overschatten (optimism
bias), ze interpreteren informatie en bewijsmate-
riaal die aansluiten bij hun eigen overtuigingen
(confimation bias) en ze zijn niet immuun voor de
kracht van groepsdruk en sociale normen (Bat-
taglio et al. 2019; Strassheim 2019). Kortom,
het beleidsproces zelf en zijn actoren zijn even-
zeer feilbaar en beïnvloedbaar. Overheden kun-
nen gedragsinzichten op zichzelf toepassen om
valkuilen te detecteren en hun interne werking te
optimaliseren. Potentiële pistes zijn: beleidsma-
kers bewustmaken van mogelijke biases, beleids-
problemen reframen, tegengestelde scenario’s
overwegen, werken met heterogene teams, van
bij het begin een interne advocaat van de duivel
toelaten of een externe observator vragen om
het beleidsproces vanop afstand te volgen en te
becommentariëren (Hallsworth et al. 2018). Een
brede gedragslens kan bijvoorbeeld helpen ver-
klaren waarom overheden in België, maar ook
in andere Europese landen, de ernst van een
potentiële pandemie pas relatief laat inzagen
en ernaar handelden (Bouckaert et al. 2020). Al
moeten we bij dit soort reconstructies zelf ook
alert blijven voor de zogenaamde hindsight bias,
waardoor we met de kennis van het heden kijken
naar het verleden en de voorspelbaarheid van
bepaalde gebeurtenissen achteraf hoger inschat-
ten (Redelmeier & Shafir 2020).
Kennis uit de gedragswetenschappen kan ook
diensten bewijzen aan overheidscommunicatie.
De vraag naar heldere en motiverende crisiscom-
80
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
municatie stond hoog op de politieke agenda. In
België toonden de verschillende persconferenties
van de Nationale Veiligheidsraad, die uitgroei-
den tot psychologische scharniermomenten, het
belang aan van eenvoudige, eenduidige en
eensgezinde boodschappen. Uit de Motivatie-
barometer van de UGent bleek namelijk dat de
verwarring rond het bezoek aan de woonzorg-
centra, de ambiguïteit omtrent mondmaskers en
de complexiteit van de bubbels nefast was voor
het draagvlak (Vansteenkiste et al. 2020). Een
overheid dient eerlijk en transparant te berich-
ten over de informatie die wel en niet gekend
is, en empathie te tonen voor de inspanningen
van de bevolking en voor de situatie van kwets-
bare groepen (Lunn et al. 2020; Van Bavel et
al. 2020). Ze focust het best op het positieve
gedrag en de positieve effecten daarvan waar
het kan en veroordeelt het negatieve gedrag en
de negatieve gevolgen daarvan als het moet.
Andere communicatiestrategieën beklemtonen
het vertellen van verbindende verhalen en het
spreken in collectieve bewoordingen: “we are
all in this together” (Van Bavel et al. 2020: 466;
Lunn et al. 2020: 14). Op die manier kan de
overheid een collectieve identiteit opbouwen
en altruïsme promoten (Drury 2018). Modellen
voor crisiscommunicatie bewijzen verder ook
dat risicoperceptie een sleutelbegrip is voor een
effectief en adequaat crisisbeleid (Reynolds &
Seeger 2005). Preventieve gedragsverandering
wordt in grote mate bepaald door risicopercep-
tie, de mate waarin mensen denken dat ze risico
lopen om de ziekte te krijgen en door te geven
aan anderen (Sheeran, Harris & Epton 2014).
In Vlaanderen bleek het besef van ernst in april
zeer hoog, tot 94 %, maar was niet iedereen
even ongerust dat ze zelf of hun naasten getrof-
fen zouden worden door COVID-19 (Verhoest,
Van Dooren & De Vadder 2020). Het gedrags-
wetenschappelijk onderzoek over risicoperceptie
biedt niet één kant-en-klaar antwoord, maar be-
nadrukt in ieder geval opnieuw de waarde van
waarheidsgetrouwe en transparante communica-
tie (Lunn et al. 2020).
De bredere gedragslens biedt ook mogelijkhe-
den om stil te staan bij andere effecten van de
crisis, zoals het verband tussen sociale (zelf-)
isolatie en psychisch welzijn. Social distancing
is een van de belangrijkste strategieën om het
virus in te dijken, maar botst met de evolutionaire
behoefte van mensen om zich met anderen te
verbinden (Nelissen 2015). Verschillende ge-
dragswetenschappers en organisaties zoals de
WHO pleiten ervoor om de term social dis-
tancing te vervangen door physical distancing,
om aan te tonen dat sociale verbondenheid via
technologische hulpmiddelen nog steeds moge-
lijk is, ondanks de fysieke afstand (Van Bavel et
al. 2020). Een recente review van 24 papers
laat er echter geen twijfel over bestaan dat qua-
rantaine negatieve psychologische gevolgen ver-
oorzaakt, zoals stress, angst en depressie (Brooks
et al. 2020). Duidelijkheid en zekerheid over de
duur van de isolatie zijn essentieel. Verder heb-
ben mensen nood aan betekenisvolle activitei-
ten. Het wordt aangeraden om tijdens isolatie
zoveel mogelijk te plannen en te anticiperen op
de negatieve gevolgen. Ook het aanhouden en
opbouwen van routines door schema’s te maken
voor slaap, werk, sport en sociaal contact kun-
nen helpen (RIVM Corona Gedragsunit 2020b).
Tot slot dient de overheid extra initiatieven en
hulplijnen te voorzien vanuit de geestelijke ge-
zondheidszorg om de psychsociale keerzijde
van (zelf)isolatie op korte en lange termijn op te
vangen (Brooks et al. 2020; Lunn et al. 2020)
Naar een gedragswetenschappelijk
coronabeleid
In dit laatste luik willen we een lans breken voor
het verder gedragswetenschappelijk onderbou-
wen van het coronabeleid, naar analogie en in
synergie met het medisch wetenschappelijk on-
derbouwd beleid. COVID-19 heeft het gebruik
van data, indicatoren en benchmarks helemaal
bovenaan de beleidsagenda gestuwd (George
et al. 2020). Evidence-based coronabeleid van-
uit gedragsperspectief vraagt om maatschappij-
brede monitoring, gericht experimenteel testen
en gecoördineerd inzetten van wetenschappe-
lijke expertise. Om een goed beeld te hebben
van drivers en barrières van gedragsverandering
en het psychosociaal welzijn van de bevolking,
is monitoring onontbeerlijk. Bevragingen zoals
de Grote Coronastudie (2020) van de UAntwer-
pen, de KU Leuven en de UHasselt, de Moti-
vatiebarometer van de UGent (Vansteenkiste et
al. 2020) en de COVID-19-gezondheidsenquê-
te van Sciensano (2020) bieden een schat aan
81
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
informatie over het mentale welzijn, het maat-
schappelijke draagvlak en de opvolging van de
maatregelen. Daarnaast vonden er nog een hele
reeks enquêtes plaats voor specifieke doelgroe-
pen, zoals die voor kinderen en jongeren vanuit
het Kinderrechtencommissariaat (2020), en voor
specifieke thema’s, zoals de internationale Coro-
naCookingSurvey over de omgang met voeding.
Om de internationale vergelijking en uitwisseling
van nationale data te bevorderen, kunnen lan-
den een beroep doen op internationale tools,
zoals de WHO tool for behavioural insights
on COVID-19 (WHO 2020c, 2020b) en het
Duitse Weekly COVID-19 Snapshot Monitoring
COSMO-project (Betsch, Wieler & Habersaat
2020).
Naast monitoring vormt ook testing een belang-
rijk element van wetenschappelijk onderbouwd
coronabeleid. Dit betekent concreet dat een
overheid op kleine schaal de effecten van ge-
dragsinterventies en communicatietechnieken
gaat uittesten om te kijken wat werkt en wat niet.
De behavioural turn in beleid is nauw verbonden
met een zogenaamde experimental turn en een
sterk geloof in evidence-based policy making
(Feitsma 2019; Tummers 2019b). Onder impuls
van het Britse Behavioural Insights Team groei-
den veldexperimenten op basis van Randomised
Controlled Trials (RCT) de voorbije jaren uit tot de
dominante methode voor de toepassing van ge-
dragsinzichten (Halpern & Mason 2015; Hansen
& Tummers 2020; Haynes et al. 2012). Een RCT
is inderdaad een krachtige methode om causale
effecten van interventies ten opzichte van een
controlegroep te bepalen. Al moeten we steeds
rekening houden met de specifieke context van
een interventie en de algehele complexiteit van
de samenleving. RCT’s bewijzen niet per definitie
wat altijd en overal werkt, maar vertellen meer
iets over ‘wat werkte’ in een specifieke setting
(Biesta 2007). Om de maatschappelijke context
en de gedragsbepalende factoren in kaart te
brengen, worden RCT’s in de praktijk idealiter
aangevuld met niet-experimentele en kwalitatieve
onderzoeksmethoden, zoals interviews, partici-
patieve observatie of focusgroepen. Ondanks
de krappe timing, de onvoorspelbaarheid van
het virus, de nood aan snelle beleidsacties en het
belang van ethische standaarden moeten zelfs in
coronatijden een aantal experimenten in labo’s
en in het veld, on- en offline mogelijk zijn (Everett
et al. 2020).
Het Britse Behavioural Insights Team heeft tijdens
de eerste maanden van de coronacrisis meer
dan veertig online-experimenten uitgevoerd bij
80.000 mensen (BIT 2020a). Een eerste RCT
vroeg aan 2.600 Britten om zeven verschillende
posters voor handhygiëne met elkaar te vergelij-
ken. Deze posters waren afkomstig uit het Ver-
enigd Koninkrijk, Singapore, Italië, Zuid-Korea,
Spanje, Taiwan en de WHO. De drie best pres-
terende posters maakten alle gebruik van opval-
lende infographs, een duidelijk stappenplan en
zo weinig mogelijk tekst (BIT 2020c; Hallsworth
2020). Een andere RCT bij 4.099 volwassen
Britten vergeleek drie infographics die tonen hoe
je een mondmasker moet dragen. Opnieuw kre-
gen de meest eenvoudige en de meest visuele
posters de hoogste scores op het vlak van ge-
bruiksvriendelijkheid, betrouwbaarheid, en ont-
houdbaarheid of recall (BIT 2020b). Het Britse
Behavioural Insights Team werkt ondertussen ook
samen met verschillende Amerikaanse steden als
Fayetteville, Kansas City, Newark, Portland en
New Orleans om te testen welke boodschappen
mensen kunnen overtuigen om zoveel mogelijk
thuis te blijven en afstand te houden. De meest ef-
fectieve boodschap varieerde van stad tot stad,
maar over het algemeen bleken de eenvoudig-
ste boodschappen goed te werken. Ook bood-
schappen met een verwijzing naar de specifieke,
lokale situatie of boodschappen die een beroep
deden op de burgerzin van mensen, haalden
hogere scores (Bloomberg Cities 2020). Uit het
merendeel van de tests in het Verenigd Koninkrijk
en de Verenigde Staten bleek ook dat mannen
en jongeren minder ontvankelijk waren voor de
verschillende communicatievormen. Het segmen-
teren van de boodschap op basis van leeftijd
kan in sommige situaties een oplossing bieden
(Utych & Fowler 2020).
Een derde stap in de verdere gedragsweten-
schappelijke onderbouwing van het corona-
beleid, naast monitoring en testing, betreft het
rechtstreeks betrekken en coördineren van ge-
dragsexpertise in de aanpak van de crisis. In
onze buurlanden krijgen gedragsdeskundigen
een adviserende rol in het beleid. In het Verenigd
Koninkrijk maken gedragswetenschappers en le-
82
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
den van het Behavioural Insights Team, zoals di-
recteur en medeoprichter David Halpern, deel uit
van de de Scientific Pandemic Influenza Group
on Behaviours (SPI-B) en van de Scientific Adviso-
ry Group for Emergencies (SAGE), die het Britse
crisisbeleid mee uitstippelen (Government Office
of Science 2020). Al moeten we er meteen aan
toevoegen dat de positie van David Halpern niet
onbesproken is, omdat hij als een van de eersten
publiekelijk over het risico op behavioural fa tigue
bij de bevolking zou hebben gesproken (BIT
2020a; Sodha 2020). Ook de Nederlandse
overheid geeft gedragsinzichten een prominente
plaats in de exitstrategie. Zo laten de gedrags- en
beleidsexperts van het Rijksinstituut voor Volksge-
zondheid en Milieu (RIVM) zich op transparante
wijze informeren en ondersteunen door een We-
tenschappelijke Adviesraad Corona Gedrags-
unit, die bestaat uit gedragswetenschappers uit
verschillende Nederlandse universiteiten en ho-
gescholen (RIVM Corona Gedragsunit 2020a).
Naast het afnemen en analyseren van nationale
enquêtes, leveren ze quickscans van gedragswe-
tenschappelijke literatuur rond thema’s als isolatie
en mondmaskers en stelden ze een stappenplan
op voor het beleid en de communicatie met het
oog op gedragsverandering (RIVM Corona Ge-
dragsunit 2020c).
In vergelijking met andere landen bleef de meer-
waarde van gedragswetenschappers in België
lange tijd onderbelicht en onderbenut, zowel
voor als achter de schermen. De Vlaamse Ver-
eniging van Klinische Psychologen, bij monde
van hun directeur en psycholoog Koen Lowet,
riep bijvoorbeeld half april nog expliciet op om
een gedragswetenschapper toe te voegen aan
de GEES, de expertengroep die de Nationale
Veiligheidsraad advies geeft over de exitstrate-
gie. De Vlaamse overheid kon wel ad hoc een
beroep doen op het team gedragsinzichten van
het Departement Kanselarij en Bestuur (De Smedt
et al. 2018) en voortbouwen op de beleids-
experts communicatie, maar ook hier ontbreekt
een structurele inbedding van wetenschappelijke
gedragskennis in het coronabeleid. Sinds be-
gin mei stellen we vast dat de rol van gedrags-
experts toeneemt. Een nieuwe werkgroep “men-
tal health” met onder andere klinisch psycholoog
Elke Van Hoof (VUB) ondersteunt de GEES bij
het psychosociale luik. Daarvoor was ook al een
gelijkaardige werkgroep onder het voorzitter-
schap van Elke Van Hoof actief binnen de Hoge
Gezondheidsraad (2020). Naast een economi-
scherelancecomité richtte de Vlaamse Regering
half mei ook een maatschappelijkerelancecomité
op waar onder andere cognitief psycholoog en
onderwijsexpert Wouter Duyck (UGent) deel van
uitmaakt.
Ondertussen ontstond in de loop van mei ook
een informele werkgroep Psychologie & Corona.
Deze bottom-up- en ad-hocgroep is voornamelijk
samengesteld uit Nederlandstalige en Franstali-
ge academici met expertise in klinische psycholo-
gie, ontwikkelingspsychologie, gezondheidspsy-
chologie en sociale psychologie (Lowet 2020).
Enkele opvallende leden van deze groep zijn
de al eerder vermelde klinische psychologen
Koen Lowet en Elke Van Hoof, gezondheids-
psycholoog Omer Van den Bergh (KU Leuven),
professor socia le psychologie Karen Phalet (KU
Leuven) en professor motivatiepsychologie Maar-
ten Vansteenkiste, die ook instaat voor de Mo-
tivatiebarometer van de UGent. Deze groep is
gegroeid vanuit de vaststelling “dat het perspec-
tief van psychologische wetenschap grotendeels
verwaarloosd was in de verschillende experten-
panels zoals de GEES en dus ook op het poli-
tieke niveau waar de beleidsbeslissingen geno-
men worden” (Lowet 2020). De expertengroep
Psychologie & Corona vertrekt vanuit een con-
ceptueel model dat streeft naar permanente ge-
dragsverandering op basis van zes pijlers: een
helder mentaal model; zelfeffectiviteit; planning;
vrijwillige verantwoordelijkheid; een verbindend
project en tot slot nudging (Vansteenkiste, Pha-
let & Van den Bergh 2020). Eind mei leverde
deze zelfverklaarde “nationale ad-hocwerkgroep
Psychology & Corona” op vraag van de GEES
een advies rond het versoepelen van de bub-
bels van vier personen. Daarin pleiten ze o.a.
voor een gedragsanalyse rond contactopspo-
ring; het gebruik van visuals, het invoeren van
een knipperlichtensysteem (groen, oranje, rood)
om het dreigingsniveau te symboliseren, en het
uitwerken van een wervende en verbindende
overheidscampagne op basis van gedragswe-
tenschappelijk advies (Vansteenkiste, Phalet &
Van den Bergh 2020). Sommige van deze aan-
bevelingen zagen we opduiken bij de cruciale
persconferentie van de Nationale Veiligheids-
83
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
raad op 3 juni 2020, waar premier Sophie Wil-
mès aankondigde dat de Belgische overheden
vanaf 8 juni de redenering omdraaien: voortaan
is niet langer alles verboden, behalve specifieke
activiteiten die zijn toegestaan, maar vertrekt
men vanuit de gedachte dat alles is toegestaan,
behalve activiteiten die specifiek worden uitge-
sloten. Tegelijk introduceerde de regering zes
gouden regels van individueel gedrag rond hy-
giëne, afstand, open- en verse lucht, omgang
met risicogroepen en bubbels van tien personen.
Daarmee zijn uiteindelijk de eerste, zichtbare
en tastbare stappen gezet om de expertise rond
gedrag, psychologie en gezondheid die België
rijk is, te benutten in beleid. Met of zonder vac-
cin hebben we echter nog een lange weg uit
deze crisis af te leggen en zal ons gedrag dat
van het virus mee blijven bepalen. Daarom stel-
len we voor om de informele ad-hoctoepassing
van gedragskennis op te waarderen tot een
structureel, gecoördineerd en transparant ge-
dragswetenschappelijk coronabeleid. Hier kan
de Nederlandse Wetenschappelijke Adviesraad
Corona Gedragsunit inspiratie bieden. De aca-
demische leden van deze tijdelijke raad zijn niet
verbonden aan de RIVM, maar ondersteunen de
gedrags- en communicatiespecialisten binnen
de RIVM. Op eenzelfde manier kan in België
een tijdelijke expertengroep Gedrag & Corona
wetenschappelijk advies verlenen aan publieke
instellingen en organen die het coronabeleid zelf
en de communicatie daarrond vormgeven. Deze
expertengroep bestaat idealiter uit een kernteam
en losse leden die, afhankelijk van het thema, het
beleidsdomein en het overheidsniveau, kunnen
worden ingeschakeld. Op die manier kan deze
groep permanente input leveren aan centrale
sleutelspelers zoals de GEES, Sciensano en de
FOD Volksgezondheid. Tegelijk blijft er voldoen-
de ruimte om ook ad-hocadvies te verlenen aan
regionale administraties zoals het Departement
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en in te
spelen op de noden van de lokale besturen.
Besluit
Gedrag is een cruciale factor in het coronabe-
leid. Gedragsverandering is echter een complex
en moeizaam proces, dat zich niet zomaar laat
kneden door beleidsinterventies en overheids-
communicatie. Toch bestaan er een aantal ge-
dragsinzichten en hefbomen die het traditionele
beleid kunnen aanvullen en versterken. In de
eerste plaats is er nood aan een mix van be-
leidsinstrumenten die inspeelt op de gronden en
grenzen van rationeel gedrag en die rekening
houdt met zowel het bewuste als het onbewuste
keuzeproces van burgers. Een uitgebreide ge-
dragsanalyse kan de psychologische drivers
en barrières van het gewenste gedrag in kaart
brengen. Op basis van die analyse kunnen be-
leidsmakers gedragsinterventies ontwerpen en
eventueel gebruik maken van nudges die gedrag
subtiel sturen door in te grijpen in de informa-
tieve, fysieke en sociale omgeving. Nudges zijn
nuttig in de acute fase, als een laatste duwtje
in de gewenste richting, maar bieden geen ga-
ranties voor structurele gedragsverandering. Op
langere termijn zal de intrinsieke motivatie van
burgers steeds belangrijker worden. Daarom valt
er meer hoop te verwachten van een bredere ge-
dragslens op beleidsinterventies, stakeholders en
communicatiestrategieën, in combinatie met de
verdere wetenschappelijke onderbouwing van
het beleid door breed te monitoren en gericht te
testen. De oprichting van een formele en wend-
bare expertengroep Gedrag & Corona zou een
belangrijke opstap kunnen bieden in de richting
van een structureel, gecoördineerd en transpa-
rant gedragswetenschappelijk coronabeleid.
84
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
EINDNOOT
1 Pieter Raymaekers is onderzoeker en vormings-
coördinator bij het KU Leuven Instituut voor de
Overheid. Zijn onderzoek focust op de toepas-
sing van gedragsinzichten en nudging in beleid.
Contact: pieter.raymaekers@kuleuven.be.
Deze studie kwam tot stand dankzij de onder-
steuning van het Steunpunt Bestuurlijke Vernieu-
wing (SBV) 2016- 2020.
Hier past een woord van dank aan de reviewers
die met snelle, grondige en waardevolle feed-
back het artikel naar een hoger niveau hebben
getild.
85
BIT (2020c). Testing the efficacy of corona-
virus messaging. Experiment: ‘How to wash
your hands’ March 2020. Londen: BIT UK.
Bloomberg Cities (2020). “Messaging that
hits home: 5 tips from tests underway in U.S.
cities”. https://medium.com/@Bloomberg-
Cities/messaging-that-hits-home-5-tips-from-
tests-underway-in-u-s-cities-9e4f37b4ba63.
Bouckaert, G. et al. (2020). “European
Coronationalism? A Hot Spot Governing
a Pandemic Crisis”. In Public Administra-
tion Review. https://doi.org/10.1111/
puar.13242.
Brooks, S.K. et al. (2020). “The psychologi-
cal impact of quarantine and how to reduce
it: rapid review of the evidence”. In The Lan-
cet 395 (10227), 912-920. http://dx.doi.
org/10.1016/S0140-6736(20)30460-8.
Cialdini, R.B. & Goldstein, N.J. (2004).
“Social Influence: Compliance and
Conformity”. In Annual Review of Psychology
55 (1), 591-621.
Crawshaw, P. (2013). “Public health policy
and the behavioural turn: The case of social
marketing”. In Critical Social Policy 55 (1),
616-637.
Denktaş, S., Merkelbach, I., Shagiwal, S. &
Mamede, A. (2020). “Gedragsverandering
cruciaal in strijd tegen COVID-19”. In Neder-
lands Tijdschrift voor Geneeskunde
164 (D5026), 1-5.
de Ridder, D. & Tummers, L. (2019).
Nudging. Makkelijke oplossingen voor
moeilijke keuzes. Amsterdam: Prometheus.
De Smedt, P., Beyst, V., Vandenberghe, P. &
Nuyts, S. (2018). “Beter beleid maken met
gedragsinzichten , een nieuw team binnen
de Vlaamse overheid”. In Vlaams Tijdschrift
voor Overheidsmanagement 23 (4), 7-20.
Drury, J. (2018). “The role of social identity
processes in mass emergency behaviour: An
Referenties
Ariely, D. (2008). Predictably Irrational. The
Hidden Forces That Shape Our Decisionsle.
New York, NY: Harper Colins USA.
Battaglio, R.P., Belardinelli, P., Bellé, N. &
Cantarelli, P. (2019). “Behavioral Public
Administration ad fontes: A Synthesis of
Research on Bounded Rationality, Cognitive
Biases, and Nudging in Public Organiza-
tions”. In Public Administration Review
79 (3), 304-320.
Betsch, C., Wieler, L.H. & Habersaat, K.
(2020). “Monitoring behavioural insights
related to COVID-19”. In The Lancet
395 (10232), 1255-1256. http://dx.doi.
org/10.1016/S0140-6736(20)30729-7.
Bickel, W.K., Moody, L. & Higgins, S.T.
(2016). “Some current dimensions of the
behavioral economics of health-related be-
havior change”. In Preventive Medicine 92,
16-23. http://dx.doi.org/10.1016/
j.ypmed.2016.06.002.
Biesta, G. (2007). “Why ‘what works’ won’t
work: evidence-based practice and the
democratic deficit in educational research”.
In Educational Theory 57 (1), 1-22.
BIN NL (2017). Rijk aan gedragsinzichten
editie 2017. Den Haag.
BIT (2014). EAST: Four Simple Ways to Ap-
ply Behavioural Insights. Londen: BIT UK.
BIT (2020a). “Behavioural Insights, the
WHO and COVID-19. Blog 21 May
2020”. https://www.bi.team/blogs/
behavioural-insights-the-who-and-covid-19/.
BIT (2020b). “How to wear a facemask –
results from an experiment with 4,099 UK
adults. Blog 19 May 2020”. https://www.
bi.team/blogs/how-to-wear-a-facemask-
results-from-an-experiment-with-4099-uk-
adults/.
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
86
“Grote Coronastudie” (2020). https://
www.uantwerpen.be/nl/projecten/corona-
studie/.
Hahn, U. et al. (2020). “Why a Group
of Behavioural Scientists Penned an Open
Letter to the U.K. Government Questioning
Its Coronavirus Response. 16 march
2020”. In Behavioural Scientist. https://
behavioralscientist.org/why-a-group-of-
behavioural-scientists-penned-an-open-letter-to-
the-uk-government-questioning-its-coronavirus-
response-covid-19-social-distancing/.
Hallsworth, M. (2020). “Handwashing
Can Stop a Virus—So Why Don’t We
Do It? 4 march 2020”. In Behavioural
Scientist. https://behavioralscientist.org/
handwashing-can-stop-a-virus-so-why-dont-we-
do-it-coronavirus-covid-19/.
Hallsworth, M., Egan, M., Rutter, J. &
McCrae, J. (2018). Behavioural Govern-
ment. Using behavioural science to improve
how governments make decisions. Londen:
BIT UK.
Halpern, D. (2015). Inside the nudge unit:
How small changes can make a big dif-
ference. Londen: WH Allen.
Halpern, D. & Mason, D. (2015). “Radical
Incrementalism”. In Evaluation 21 (2), 143-
149.
Hansen, J.A. & Tummers, L. (2020). “A
Systematic Review of Field Experiments in
Public Administration”. In Public Administra-
tion Review. https://doi.org/10.1111/
puar.13181.
Haynes, L., Service, O., Goldacre, B. &
Torgerson, D. (2012). Test , Learn , Adapt:
Randomised Controlled Trials. Londen: BIT
UK.
Hockley, T. (2020). “A reciprocal exercise
in hygiene habit formation. 1 may 2020”.
In Behavioural Public Policy - blog. https://
integrative review”. In European Review of
Social Psychology 29 (1), 38-81. https://
doi.org/10.1080/10463283.2018.
1471948.
Everett, J.A.C. et al. (2020). “The ef-
fectiveness of moral messages on public
health behavioral intentions during the
COVID-19 pandemic”. In PsyArXiv, 1-23.
https://10.0.122.2/osf.io/9yqs8.
Ewert, B. (2020). “Moving beyond the
obsession with nudging individual behaviour:
Towards a broader understanding of Behav-
ioural Public Policy”. In Public Policy and
Administration 35 (3), 337-360.
Ewert, B. & Loer, K. (2019). Behavioural
Policies for Health Promotion and Disease
Prevention. Bazel: Birkhauser Verlag AG.
Feitsma, J. (2019). Inside the Behavioural
State. Den Haag: Eleven International
Publishing.
Fobé, E., Brans, M. & Wayenberg, E.
(2015). Beleidsinstrumenten: theoretische
perspectieven en keuzemodellen. Brussel:
Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek.
George, B., Verschuere, B., Wayenberg, E.
& Zaki, B.L. (2020). “ A Guide to Benchmar-
king COVID-19 Performance Data”. In Public
Administration Review, 1-19. https://doi.
org/10.1111/puar.13255.
Government Office of Science (2020).
“Transparency data. List of participants of
SAGE and related sub-groups.” https://
www.gov.uk/government/publications/
scientific-advisory-group-for-emergencies-
sage-coronavirus-covid-19-response-
membership/list-of-participants-of-sage-and-
related-sub-groups.
Grimmelikhuijsen, S., Jilke, S., Olsen, A.L. &
Tummers, L. (2017). “Behavioral Public Ad-
ministration: Combining Insights from Public
Administration and Psychology”. In Public
Administration Review 77 (1), 45-56.
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
87
Kok, G. et al. (2016). “A taxonomy of
behaviour change methods: an intervention
mapping approach”. In Health Psychology
Review 10 (3), 297-312.
Lodge, M. & Wegrich, K. (2016). “The
Rationality Paradox of Nudge: Rational Tools
of Government in a World of Bounded Ratio-
nality”. In Law and Policy 38 (3), 250-267.
Loer, K. (2019). “The enzymatic effect of
behavioural sciences – What about policy-
maker’s expectations?”. In H. Strassheim &
S. Beck (Red.). Handbook of behavioural
change and public policy. Cheltenham:
Edward Elgar Publishing, 180-194.
Loewenstein, G., Brennan, T. & Volpp, K.G.
(2007). “Asymmetric paternalism to improve
health behaviors”. In Journal of the American
Medical Association 298 (20), 2415-2417.
Lowet, K. (2020). “Expertengroep Psychol-
ogy and Corona. Vlaamse Vereniging
van Klinische Psychologen. 4 juni 2020”.
https://vvkp.be/dossiers/expertengroep-
psychology-and-corona.
Lunn, P.D. et al. (2020). “Using Behavioral
Science to help fight the Coronavirus”. In
Journal of Behavioral Public Administration
3 (1), 1-15.
MacKay, K. & Quigley, M. (2018). “Ex-
acerbating Inequalities? Health Policy and
the Behavioural Sciences”. In Health Care
Analysis 26 (4), 380-397. https://doi.
org/10.1007/s10728-018-0357-y.
Meert, K. (2020). “HOGENT krikt
handhygiëne op met nudgingexperiment”.
https://www.hogent.be/nieuws-info/
newsflash/hogent-krikt-handhygiene-op-met-
nudgingexperiment/.
Michie, S., van Stralen, M.M. & West, R.
(2011). “The behaviour change wheel: A
new method for characterising and design-
ing behaviour change interventions”. In
Implementation Science 6 (42).
bppblog.com/2020/05/01/a-reciprocal-
exercise-in-hygiene-habit-formation/.
Hoge Gezondheidsraad (2020). Psychoso-
ciale opvang tijdens de covid-19 pandemie.
Advies nr. 9589. Brussel: HGR.
Hood, C. (1984). The tools of government.
New Jersey, NJ: Chatham House.
House of Lords Science and Technology Se-
lect Committee (2011). Behaviour Change.
Science and Technology Select Comitee.
2nd report of session 2010-2012. Londen:
Authority of the House of Lords.
Howlett, M. (2018). “Matching policy tools
and their targets: Beyond nudges and utility
maximisation in policy design”. In Policy and
politics 46 (1), 101-124.
Huis, A. et al. (2012). “A systematic review
of hand hygiene improvement strategies: a
behavioural approach”. In Implementation
Science 7 (1), 1-14.
John, P. (2018). How Far to Nudge? Asses-
sing Behavioural Public Policy. Cheltenham:
Edward Elgar Publishing Limited.
Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and
Slow. Londen: Penguin.
Kahneman, D., Slovic, P. & Tversky, A.
(1982). Judgment Under Uncertainty: Heu-
ristics and Biases. Cambridge: Cambridge
University Press.
Kelling, G.L. & Wilson, J.Q. (1982). “Broken
Windows: The Police and Neighborhood
Safety”. In Atlantic Monthly 249 (3), 29-38.
Kinderrechtencommissariaat (2020).
Rapport - kinderrechtenperspectief in de
coronacrisis #jongerenovercorona. https://
www.kinderrechtencommissariaat.be/sites/
default/files/bestanden/20200525_
rapport_jongeren_over_corona.pdf.
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
88
2019-2021. http://dx.doi.org/10.1016/
S2468-2667(20)30096-7.
Reynolds, B. & Seeger, M.W. (2005).
“Crisis and emergency risk communication
as an integrative model”. In Journal of Health
Communication 10 (1), 43-55.
RIVM Corona Gedragsunit (2020a). Basis-
document preventiegedrag en welzijn: RIVM
Corona Gedragsunit. Bilthoven: RIVM.
RIVM Corona Gedragsunit (2020b). Ge-
dragswetenschappelijke literatuur met betrek-
king tot thuisisolatie. Een quickscan van de
wetenschappelijke literatuur. Bilthoven: RIVM.
RIVM Corona Gedragsunit (2020c). Stap-
penplan overheidscommunicatie en interven-
ties. Bilthoven: RIVM.
Sciensano (2020). “De COVID-19 gezond-
heidsenquête”. https://www.sciensano.be/
nl/pershoek/de-impact-van-covid-19-op-de-
gezondheid-van-de-belgen-sciensano-roept-
jouw-hulp.
Sheeran, P., Harris, P.R. & Epton, T. (2014).
“Does heightening risk appraisals change
people’s intentions and behavior? A meta-
analysis of experimental studies”. In Psycho-
logical Bulletin 140(2), 511-543.
Sodha, S. (2020). “Nudge theory is a poor
substitute for hard science in matters of life
or death”. In The Guardian. https://www.
theguardian.com/commentisfree/2020/
apr/26/nudge-theory-is-a-poor-substitute-for-
science-in-matters-of-life-or-death-coronavirus.
Soofi, M., Najafi, F. & Karami-Matin, B.
(2020). “Using Insights from Behavioral
Economics to Mitigate the Spread of
COVID-19”. In Applied Health Economics
and Health Policy 18 (3), 345-350.
Starcke, K. & Brand, M. (2012). “Decision
making under stress: A selective review”.
In Neuroscience and Biobehavioral Re-
Mont, O., Lehner, M. & Heiskanen, E.
(2015). Report 6643 – Nudging – A tool
for sustainable behaviour? ISBN 978-91-
620-6643-7.
Moreau, Y. et al. (2020). Maatschappelijke
exit-strategie. Inbreng van academische
expertise. Version 2.0 April 20, 2020.
https://www.cartaacademica.org/post-
covid.
Nelissen, M. (2015). De bril van Darwin:
op zoek naar de wortels van ons gedrag.
Tielt: Uitgeverij Lannoo.
Nuyts, S., Beyst, V., Vandenberghe, P. &
De Smedt, P. (2018). “Meer dan nudging
gedragsinzichten in de vlaamse overheid
en daarbuiten”. In Vlaams Tijdschrift voor
Overheidsmanagement 23 (4), 3-6.
O’Donoghue, T. & Rabin, M. (2000). “The
economics of immediate gratification”. In
Journal of Behavioral Decision Making
13 (2), 233-250.
Oliver, A. (2019). “Towards a New Political
Economy of Behavioral Public Policy”. In Pub-
lic Administration Review 79 (6), 917-924.
Raafat, R.M., Chater, N. & Frith, C. (2009).
“Herding in humans”. In Trends in Cognitive
Sciences 13 (10), 420-428.
Raymaekers, P. & Brans, M. (2020).
“Nudging in perspectief. De verbreding
van gedragsinzichten in beleid”. In Be-
leidsonderzoek Online. DOI: 10.5553/
BO/221335502020000004001.
Raymaekers, P., Fobé, E., van Acker, W. &
Brans, M. (2019). Nudging in perspectief.
Een verkennend kader voor de toepassing
van gedragsinzichten in beleid. Leuven:
Steunpunt Bestuurlijke Vernieuwing.
Redelmeier, D.A. & Shafir, E. (2020). “Pitfalls
of judgment during the COVID-19 pandem-
ic”. In The Lancet Public Health 2019 (20),
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
89
Vansteenkiste, M., Phalet, K. & Van den
Bergh, O. (2020). Advies GEES. https://
vvkp.be/sites/default/files/Advies GEES_
final_NL.pdf.
Van Bavel, J.J. et al. (2020). “Using
social and behavioural science to support
COVID-19 pandemic response”. In Nature
Human Behaviour 4 (5), 460-471. http://
dx.doi.org/10.1038/s41562-020-
0884-z.
van der Doelen, F.C.J. (1989). Beleidsin-
strumenten en energiebesparing. Enschede:
Universiteit Twente.
Van Dooren, W. & Noordegraaf, M.
(2020). “Staging Science: Authoritativeness
and Fragility of Models and Measurement
in the Covid-19 Crisis”. In Public Adminis-
tration Review. https://doi.org/10.1111/
puar.13219.
Vedung, E. (1998). “Policy instruments: ty-
pologies and theories”. In E. Vedung (Red.).
Carrots, sticks and sermons: policy instru-
ments and their evaluation. New Brunswick:
Transaction Publishers, 21-58.
Verhoest, K., Van Dooren, W. & De Vadder,
S. (2020). Vertrouwen in het COVID-19
beleid. https://www.uantwerpen.be/im-
ages/uantwerpen/container57464/files/
GOVTRUST Onderzoeksnota - update (5 Juni
2020) Vertrouwen in het COVID-19 beleid.
pdf.
WHO (2020a). “Statement to the press by
Dr Hans Henri P. Kluge, WHO Regional
Director for Europe. Behavioural insights
are valuable to inform the planning of
appropriate pandemic response measures.
14 may 2020”. https://www.euro.who.
int/en/health-topics/health-emergencies/
coronavirus-covid-19/statements/statement-
behavioural-insights-are-valuable-to-inform-the-
planning-of-appropriate-pandemic-response-
measures.
views 36 (4), 1228-1248. http://dx.doi.
org/10.1016/j.neubiorev.2012.02.003.
Strassheim, H. (2019). “Behavioural
mechanisms and public policy de-
sign: Preventing failures in behavioural
public policy”. In Public Policy and
Administration, 1-18. https://doi.
org/10.1177/0952076719827062.
Strassheim, H. & Beck, S. (2019). Hand-
book of Behavioural Change and Public
Policy. Cheltenham, UK: Edward Elgar
Publishing.
Sunstein, C.R. & Thaler, R.H. (2003). “Liber-
tarian Paternalism Is not an Oxymoron”. In
University of Chicago Law Review 70 (4),
1159-1202.
Thaler, R.H. (2015). Misbehaving. The
Making of Behavioral Economics. New York,
NY: W.W. Norton & Company.
Thaler, R.H. & Sunstein, C.R. (2008).
Nudge: Improving Decisions About Health,
Wealth and Happiness. Londen: Penguin.
Thaler, R.H. & Sunstein, C.R. (2018).
Nudge. Naar betere beslissingen over
gezondheid, geluk en welvaart. Amsterdam/
Antwerpen: Uitgeverij Business Contact.
Tummers, L. (2019a). “Gedragen gedrags-
verandering”. In Bestuurskunde 29 (2),
83-90.
Tummers, L. (2019b). “Public Policy and
Behavior Change”. In Public Administration
Review 79 (6), 925-930.
Utych, S.M. & Fowler, L. (2020). “Age-
based messaging strategies for communica-
tion about COVID-19”. In Journal of Behav-
ioral Public Administration 3 (1), 1-14.
Vansteenkiste, M. et al. (2020). “Corona-
studie: hoe stel jij het in ‘uw kot’?”. https://
www.ugent.be/epg/nl/onderzoek/
coronastudie.
Pieter Raymaekers De gedragsfactor
90
WHO (2020b). Survey tool and guidance.
Rapid, simple, flexible behavioural insights
on COVID-19. Monitoring knowledge, risk
perceptions, preventive behaviours and
trust to inform pandemic outbreak response.
http://www.euro.who.int/en/health-topics/
health-emergencies/coronavirus-covid-19/
technical-guidance/who-tool-for-behavioural-
insights-on-covid-19/survey-tool-and-
guidance-behavioural-insights-on-covid-19,-
17-april-2020.
WHO (2020c). “WHO tool for behavioural
insights on COVID-19”. http://www.
euro.who.int/en/health-topics/health-
emergencies/coronavirus-covid-19/
technical-guidance/who-tool-for-behavioural-
insights-on-covid-19.
Wilder-Smith, A. & Freedman, D.O. (2020).
“Isolation, quarantine, social distancing
and community containment: Pivotal role for
old-style public health measures in the novel
coronavirus (2019-nCoV) outbreak”. In Jour-
nal of Travel Medicine 27 (2), 1-4.
Yates, T. (2020). “Why is the
government relying on nudge theory to
fight coronavirus?”. In The Guardian.
https://www.theguardian.com/
commentisfree/2020/mar/13/why-is-the-
government-relying-on-nudge-theory-to-tackle-
coronavirus.
Zarocostas, J. (2020). “How to fight an info-
demic”. In The Lancet 395 (10225), 676.
VTOM / 2020 / 03 Wetenschappelijke bijdrage
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
Theorieën en methoden uit de gedragswetenschappen betreden steeds nadrukkelijker de beleidsscene. Gedragsinzichten en nudging beloven beleid te verrijken en te versterken. Het begin van deze gedragswetenschappelijke omslag of behavioural turn laat men doorgaans samenvallen met de publicatie van het boek Nudge van Richard Thaler en Cass Sunstein in 2008. In dit artikel plaatsen we nudging in perspectief en argumenteren we dat het concept zowel een zegen als een vloek betekent, en zowel een katalysator als een rem is voor de bredere toepassing en verankering van gedragsinzichten in beleid. Ondanks het aantrekkelijke narratief botst nudging op functionele limieten en ethische bezwaren. Om de gedragswetenschappelijke, experimentele en evidence-based beleidsbeloften alsnog in te lossen, zien we een strategie van steeds verdere verbreding. Het programma van de Behavioural Insights-beweging op basis van vijf pijlers leek in eerste instantie een oplossing te bieden, maar kampt door een eendimensionale interpretatie met interne spanningen. De nog bredere en ambitieuzere Behavioural Public Policy-agenda biedt nieuwe perspectieven, maar moet op functioneel en ethisch vlak nog verder onderbouwd worden.
Article
Full-text available
The COVID-19 pandemic represents a massive global health crisis. Because the crisis requires large-scale behaviour change and places significant psychological burdens on individuals, insights from the social and behavioural sciences can be used to help align human behaviour with the recommendations of epidemiologists and public health experts. Here we discuss evidence from a selection of research topics relevant to pandemics, including work on navigating threats, social and cultural influences on behaviour, science communication, moral decision-making, leadership, and stress and coping. In each section, we note the nature and quality of prior research, including uncertainty and unsettled issues. We identify several insights for effective response to the COVID-19 pandemic and highlight important gaps researchers should move quickly to fill in the coming weeks and months.
Article
Full-text available
Responding to the COVID-19 crisis across the world has required a massive and sudden shift in human behaviors, with an end goal of slowing the spread of the disease. Importantly, this type of behavioral change requires messaging from governmental agencies and officials. However, we are uncertain about what types of messages are most influential at inducing behavioral change. In this study, we find that messages highlighting the risk to older adults have little additive power in influencing attitudes and behaviors beyond the effect of a broad informational message. However, messages highlighting risks to younger adults, in addition to risks to older adults, make individuals perceive COVID-19 as a more serious threat, though this effect seems to be limited to areas where infection rates are high.
Article
Full-text available
Field experiments have become popular in public administration. By allowing for the identification of causal effects in realistic settings, field experiments may become central in several research agendas of relevance to the field. Conducting field experiments is difficult and problems often occur along the way. However, researchers new to the method have few resources in public administration to consider the problems that arise when conducting field experiments. This systematic review identifies 42 field experiments in public administration and serves as an introduction to field experiments in public administration. The article discusses how field experiments developed over time and highlights trends in field experimentation in public administration. It then discusses issues to consider when designing field experiments. Among these are costs, practicality, ethics, and validity. Finally, the authors suggest a future research agenda for public administration field experiments.
Article
The COVID‐19 crisis has shown that European countries still remain poorly prepared for dealing and coping with health crises and for responding in a coordinated way to a severe influenza pandemic. Within the EU, the response to the COVID‐19 virus has a striking diversity in its approach. By focusing on Belgium, France, Germany and Italy, four countries which represent different models of administrative systems in Europe, the analysis shows that major similarities and convergences have become apparent from a cross‐countries perspective. Moreover, coping with the crises has been first and foremost an issue of the national states whereas the European voice has been weak. Hence, the countries' immediate responses has appeared to be Corona‐nationalistic, which we label as Coronationalism. The paper shows to what extent the four countries adopted different crisis management strategies and which factors explain this variance, with a special focus on their institutional settings and administrative systems. This article is protected by copyright. All rights reserved.
Article
The outbreak of 2019 coronavirus disease (COVID-19) has become a public health emergency of international concern. The number of COVID-infected individuals and related deaths continues to rise rapidly. Encouraging people to adopt and sustain preventive behaviors is a central focus of public health policies that seek to mitigate the spread of COVID-19. Public health policy needs improved methods to encourage people to adhere to COVID-19-preventive behaviors. In this paper, we introduce a number of insights from behavioral economics that help explain why people may behave irrationally during the COVID-19 pandemic. In particular, present bias, status quo bias, framing effect, optimism bias, affect heuristic, and herding behavior are discussed. We hope this paper will shed light on how insights from behavioral economics can enrich public health policies and interventions in the fight against COVID-19.
Article
In the Covid‐19 crisis, society pins its hope on science to play an authoritative role in reducing uncertainty and ambiguity. But is science up to the task? We argue that this far from self‐evident. The demands on science in times of crisis run counter to the values of good, normal science. Crisis science needs to be fast, univocal, personalized and direct, while normal science is slow, contentious, collective and sensitive to complexity. Science can only play its atypical role if it is staged in the public arena. Some patterns of staging stand out; personalisation, visualisation and the connection to lived experiences. So far, the staging of science has been successful but is fragile. The Covid‐19 crisis shows the potential of well‐staged forms of alliance between science and policy, but when the general assumption is that scientists will ‘solve’ societal ‘problems’, the staging of science has gone too far. This article is protected by copyright. All rights reserved.
Article
Public health measures were decisive in controlling the SARS epidemic in 2003. Isolation is the separation of ill persons from non-infected persons. Quarantine is movement restriction, often with fever surveillance, of contacts when it is not evident whether they have been infected but are not yet symptomatic or have not been infected. Community containment includes measures that range from increasing social distancing to community-wide quarantine. Whether these measures will be sufficient to control 2019-nCoV depends on addressing some unanswered questions.