ThesisPDF Available

Sense of belonging van universitaire studenten in Nederland

Authors:

Abstract and Figures

This study investigated the extent to which belonging to a minority or majority group influences the sense of belonging and experiences at the university with regard to exclusion, academic and interpersonal validation . Based on 440 students from twelve universities in the Netherlands, results from the descriptive and multilevel analysis showed that minority students experience less sense of belonging and validation, and more exclusion. These differences increased when intersections of minority groups increased, and this had a negative impact on students’ sense of belonging. However, how academic and interpersonal validation facilitate sense of belonging remains – contrary to expectations – somewhat unclear. This might has to do with the unexpected finding that the sense of belonging of minority students is more sensitive to experiences of validation and exclusion. Keywords: sense of belonging, academic validation, interpersonal validation, exclusion, university, students, diversity.
Content may be subject to copyright.
Running head: VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 1
Verbondenheid van Studenten met de Universiteit:
Een Kwestie van Validatie en Uitsluiting?
Geertje P. Hulzebos
Universiteit van Amsterdam
Studentnummer: 10759913
Vak: Scriptie
Docent: Anke Munniksma
Datum: 23 juni 2020
Woordenaantal: 8220
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 2
Abstract
This study investigated the extent to which belonging to a minority or majority group influences
the sense of belonging and experiences at the university with regard to exclusion, academic and
interpersonal validation. Based on 440 students from twelve universities in the Netherlands,
results from the descriptive and multilevel analysis showed that minority students experience
less sense of belonging and validation, and more exclusion. These differences increased when
intersections of minority groups increased, and this had a negative impact on students’ sense of
belonging. However, how academic and interpersonal validation facilitate sense of belonging
remains contrary to expectations somewhat unclear. This might has to do with the
unexpected finding that the sense of belonging of minority students is more sensitive to
experiences of validation and exclusion.
Keywords: sense of belonging, academic validation, interpersonal validation, exclusion,
university, students, diversity.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 3
De verbondenheid van studenten met de universiteit
De toegenomen deelname in het hoger onderwijs in welvarende landen sinds 1950 versluiert
volgens Piketty (2020) de ongelijkheid die hierachter schuilgaat. Om te onderzoeken of deze
ongelijkheid ook geldt voor de verbondenheid van studenten met verschillende achtergronden
is het huidige onderzoek opgestart. Onderzoeken uit de Verenigde Staten laten namelijk zien
dat studenten die tot de minderheid behoren zich minder verbonden voelen met de universiteit
dan studenten die tot de meerderheid behoren (Hurtado, Ruiz Alvarado, & Guillermo-Wann,
2015; Read, Archer, & Leathwood, 2003). Het gevoel van verbondenheid hangt voor een
belangrijk deel samen met ervaringen van academische en interpersoonlijke validatie dan wel
uitsluiting (Alcantar & Hernandez, 2020; Locks, Hurtado, Bowman, & Oseguera, 2008).
Dit onderzoek richt zich met name op de volgende vijf minderheidsgroepen: internationale
studenten, studenten met een functiebeperking, studenten met een migratieachtergrond,
studenten met een lagere sociaaleconomische status en studenten die tot de LGBTQAI+-
gemeenschap behoren. Een lagere sociaaleconomische status houdt in dat studenten uit de
arbeidersklasse komen en een hogere betreffen studenten uit de midden- en hogere klasse. De
LGBTQAI+-groep bestaat uit studenten met een niet-normatieve seksuele oriëntatie, trans- en
non-binaire studenten. Sekse is niet opgenomen, omdat het aantal mannen en vrouwen ongeveer
gelijk verdeeld is op universiteiten (Onderwijsinspectie, 2020). Met de meerderheidsgroep
worden Nederlandse, heteroseksuele studenten zonder functiebeperking en
migratieachtergrond en met een hogere sociaaleconomische status bedoeld.
Dat studenten met verschillende achtergronden verschillen in de mate waarin zij zich
verbonden voelen met de universiteit is onwenselijk, omdat een sterk gevoel van verbondenheid
gerelateerd is aan tal van gunstige uitkomsten. Studenten die zich meer verbonden voelen met
de universiteit behalen vaker hun diploma met betere resultaten (Edman & Brazil, 2009;
Johnson et al., 2007), participeren meer in sociale en academische activiteiten (Tinto, 1987),
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 4
voelen zich meer op hun gemak tijdens colleges (Hoffman, Richmond, Morrow, & Salomone,
2002) en ervaren meer psychisch welbevinden dan studenten die een gebrek aan verbondenheid
ervaren (Deci & Ryan, 2002). Gezien de bijdrage die het gevoel van verbondenheid levert aan
het academisch en psychosociaal functioneren van studenten, is het belangrijk om zicht te
krijgen in hoe universiteiten bijdragen aan de gevoelens van verbondenheid onder studenten
met verschillende achtergronden.
Tot op heden is het onderzoek hiernaar in Europa nauwelijks van de grond gekomen. In
Nederland zijn er twee studies gedaan naar de verbondenheid van universitaire studenten, maar
de omvang hiervan is beperkt. Zo beperkte de studie van Waldring, Labeab, Van den Hee, Crul
en Slootman (2020) zich tot de Vrije Universiteit Amsterdam en beperkte de studie van
Meeuwisse, Severiens en Born (2010) zich tot studenten met en zonder een
migratieachtergrond, waardoor er moeilijk conclusies getrokken kunnen worden over de
verbondenheid van studenten met verschillende achtergronden in heel Nederland. Opvallend is
dat de Nederlandse studies geen verschillen in verbondenheid naar migratieachtergrond vinden,
terwijl Amerikaanse studies dit systematisch wel vinden. Een verklaring van Meeuwisse et al.
(2010) is dat er nog weinig kennis is over de aspecten van verbondenheid, waardoor verschillen
mogelijk niet gedetecteerd zijn. Tenslotte is in beide studies niet gekeken naar intersecties van
minderheidskenmerken, waardoor het onbekend is hoe deze een rol spelen in de verbondenheid
met de universiteit.
Om tot een representatief beeld te komen heeft deze studie de verbondenheid van studenten
met verschillende achtergronden op twaalf Nederlandse universiteiten onderzocht. In dit
onderzoek is een range aan achtergrondkenmerken meegenomen om na te gaan in hoeverre de
mate waarin studenten tot de minderheid of meerderheid behoren invloed heeft op hun
verbondenheid met de universiteit. Om te bepalen hoe de universiteit de verbondenheid van
studenten met verschillende achtergronden beïnvloedt, is nagegaan welke rol validatie en
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 5
uitsluiting spelen in dit verband. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: ‘In welke mate ervaren
studenten met verschillende achtergronden verbondenheid met de universiteit en hoe spelen
kenmerken van de universiteit hierin een rol?’ De deelvragen luiden:
1. Welke verschillen zijn er in de verbondenheid met de universiteit voor studenten met
verschillende achtergronden?
2. Welke verschillen zijn er in de ervaringen van validatie en uitsluiting op de universiteit
voor studenten met verschillende achtergronden?
3. Hoe beïnvloedt het behoren tot meerdere minderheidsgroepen de verbondenheid met
de universiteit?
4. Hoe beïnvloedt het behoren tot meerdere minderheidsgroepen de ervaringen van
validatie en uitsluiting op de universiteit?
5. Welke rol spelen ervaringen van validatie en uitsluiting op de universiteit in de
verbondenheid van studenten met verschillende achtergronden?
Theoretisch kader
In dit onderzoek wordt met verbondenheid bedoeld dat studenten zich integraal onderdeel
voelen van de academische gemeenschap (Hoffman et al., 2002). Baumeister en Leary (1995)
hebben op basis van een literatuurstudie de belonging hypothesis ontwikkeld waarin zij laten
zien dat mensen een universele en inherente drijfveer hebben om zich verbonden te voelen met
anderen middels het aangaan van wederkerige, positieve en betekenisvolle relaties. Zonder
verbondenheid zijn mensen niet in staat zichzelf te ontwikkelen en dat kan zelfs leiden tot
sociale deprivatie, stress en psychopathologie.
Validatietheorie
Volgens de validation theory (Rendon, 1994; 2002) is een belangrijke determinant van
verbondenheid het ervaren van validatie, wat betekent dat studenten zich erkend, gewaardeerd
en ondersteund voelen door de universiteitsomgeving. Rendon (1994) onderscheidt twee
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 6
vormen van validatie, namelijk academische en interpersoonlijke validatie. Academische
validatie houdt in dat docenten studenten aanmoedigen om te geloven in hun “inherente
capaciteit tot leren en vertrouwen te hebben in zichzelf als universitair student” (Rendon, 1994,
p.40). Interpersoonlijke validatie betekent dat studenten erkend en gewaardeerd worden voor
wie zij zijn en kwalitatief goed contact hebben met docenten en medestudenten (Rendon, 1994).
Rendon (1994; 2002) toont aan dat studenten uit minderheidsgroepen structureel minder
validatie en meer uitsluiting ervaren en dat de universiteit een belangrijke rol kan vervullen in
het faciliteren van hun verbondenheid. Het is van belang om hierbij oog te hebben voor het
overlappen van minderheidskenmerken, ook wel intersectionaliteit genoemd (Wekker,
Slootman, Icaza, & Vazquez, 2016). Zo blijkt uit een onderzoek aan de Universiteit van
Amsterdam dat naarmate studenten tot meerdere minderheidsgroepen behoren, hun ervaringen
van discriminatie en uitsluiting toenemen en hun gevoel van erkenning en veiligheid afneemt
(Wekker et al., 2016).
Studentkenmerken in relatie tot verbondenheid
Uit het overgrote merendeel van de Amerikaanse studies komt naar voren dat studenten
die tot de minderheid behoren, zich minder verbonden voelen met de universiteit dan studenten
die tot de meerderheid behoren. Dit is in de Verenigde Staten het meest onderzocht bij studenten
met een migratieachtergrond (Locks et al., 2008) en studenten met een lagere
sociaaleconomische status (Read, Archer, & Leathwood, 2003), maar geldt ook voor
internationale studenten (Lau, Garza, & Garcia, 2019), LGBTQAI+-studenten (Garvey, Taylor,
& Rankin, 2015) en studenten met een functiebeperking (Mejias, Gill, & Shpigelman, 2014).
Studenten met een hogere sociaaleconomische status voelen zich daarentegen ‘als een vis in het
water’ op de universiteit (Read et al., 2003). Een casestudy van Thomas (2002) aan een niet
nader genoemde modern university in het Verenigd Koninkrijk laat zien dat de universiteit de
verbondenheid van de meerderheidsgroep meer faciliteert, doordat de universiteit op deze groep
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 7
is ingesteld. Uitgaan van diversiteit en een inclusieve cultuur zijn dan ook belangrijke manieren
om de verbondenheid van alle studenten te vergroten (Thomas, 2002). Op basis van deze
voorgaande onderzoeken is de eerste hypothese in dit onderzoek dat de verbondenheid van
studenten die tot de meerderheid behoren groter is dan die van studenten die tot de minderheid
behoren (Hypothese 1). De tweede hypothese is dat studenten die tot meerdere
minderheidsgroepen behoren een lagere verbondenheid ervaren dan studenten die tot één
minderheidsgroepen behoren (Hypothese 2).
Studentkenmerken in relatie tot validatie en uitsluiting
Studenten die tot de minderheid behoren ervaren naast minder verbondenheid, ook
minder validatie dan studenten die tot de meerderheid behoren. Zo geven studenten met een
lagere sociaaleconomische status op een Amerikaans community college aan dat zij te maken
hebben met lage verwachtingen en stereotypen (Rendón, 2002). Volgens Hurtado et al. (2015),
die onderzoek deed onder eenzelfde populatie, heeft dit een negatieve invloed op hun validatie.
Het uiten van vertrouwen en het hebben van persoonlijk contact dragen bij aan het vergroten
van de validatie (Alcantar & Hernandez, 2020; Johnson et al., 2007). Ook uit Nederlands
onderzoek blijkt dat studenten die tot de minderheid behoren, waaronder internationale
studenten, studenten die tot de LGBTQAI+-gemeenschap behoren of een functiebeperking
hebben, zich vaker uitgesloten en gediscrimineerd voelen dan studenten die tot de meerderheid
behoren (Wekker et al., 2016). Dit onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam werd
gerepliceerd op de Vrije Universiteit Amsterdam (Waldring et al., 2020). Uit bovenstaande
onderzoeken kan de derde hypothese afgeleid worden, namelijk dat gevoelens van validatie van
studenten die tot de meerderheid behoren, groter zijn dan die van studenten die tot de
minderheid behoren (Hypothese 3). De vierde hypothese luidt dat studenten die tot meerdere
minderheidsgroepen behoren, minder validatie ervaren dan studenten die tot minder
minderheidsgroepen behoren (Hypothese 4). De vijfde hypothese is dat studenten die tot de
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 8
minderheid behoren meer uitsluiting ervaren dan studenten die tot de meerderheid behoren
(Hypothese 5). De zesde hypothese is dat studenten die tot meerdere minderheidsgroepen
behoren, meer ervaringen van uitsluiting hebben dan studenten die tot minder
minderheidsgroepen behoren (Hypothese 6).
Universiteitskenmerken in relatie tot verbondenheid
Een onderzoek onder bijna 20.500 Amerikaanse studenten met verschillende
achtergronden laat zien dat interpersoonlijke validatie een belangrijkere rol speelt in de
verbondenheid dan academische validatie (Hurtado et al., 2015). Daarnaast blijkt uit ditzelfde
onderzoek dat het ervaren van uitsluiting niet alleen een negatief effect heeft op de
verbondenheid, maar ook op beide vormen van validatie. Een longitudinale studie van Locks et
al. (2008) onder meer dan 1100 eerstejaarsstudenten aan public universities in de Verenigde
Staten laat zien dat het kunnen bespreken van discriminatie met medestudenten bijdraagt aan
de verbondenheid van alle studenten. De kwaliteit van sociale interacties tussen studenten met
verschillende etnische achtergronden is hierbij een doorslaggevende factor (Locks et al., 2008).
Uit Nederlands onderzoek komt een vergelijkbaar beeld naar voren: de verbondenheid
van studenten aan de Vrije Universiteit Amsterdam die uitsluiting en discriminatie ervaren of
observeren is 13% lager dan bij studenten die dit niet ervaren of observeren (Waldring et al.
2020). Geconfronteerd worden met stereotypen blijkt de meest voorkomende vorm van
uitsluiting te zijn, gevolgd door het observeren van discriminatie en oncomfortabel zijn met de
dominante cultuur. Een inclusieve omgeving waarin diversiteit aanwezig is en gewaardeerd
wordt, vergroot de verbondenheid juist (Waldring et al. 2020). Zo blijken studenten met een
migratieachtergrond en met lager opgeleide ouders aan de etnisch diverse Vrije Universiteit
Amsterdam zich meer thuis te voelen dan studenten die tot de meerderheid behoren. Overigens
vond Meeuwisse et al. (2010) geen verschillen in de verbondenheid naar migratieachtergrond,
maar zoals eerder vermeld wordt dit volgens de onderzoekster mogelijk veroorzaakt door
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 9
een te grofmazige conceptualisatie van verbondenheid. Uit bovengenoemde studies kan de
zevende hypothese afgeleid worden, namelijk dat de verschillen in verbondenheid van
studenten met verschillende achtergronden kleiner zijn naarmate zij meer validatie ervaren
(Hypothese 7). De hiermee samenhangende achtste hypothese is dat meer ervaringen van
uitsluiting de verschillen in verbondenheid vergroten (Hypothese 8).
Huidige studie
Deze studie richt zich op de mate waarin studenten met verschillende achtergronden aan
twaalf Nederlandse universiteiten verbondenheid ervaren en hoe validatie en uitsluiting hierin
een rol spelen. Op basis van het theoretische kader kan het volgende mediatiemodel afgeleid
worden, waarin verwacht wordt dat het verband tussen verbondenheid en het behoren tot een
minder- of meerderheidsgroep kan worden verklaard door de universiteitskenmerken.
Figuur 1. Mediatiemodel op basis van theoretisch kader.
Minderheidsgroep of
meerderheidsgroep
Universiteitskenmerken
1. Academische
validatie
2. Interpersoonlijke
validatie
3. Uitsluiting
4. Uitsluiting
Verbondenheid
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 10
Methode
Steekproef
Voor dit onderzoek zijn 1159 studenten benaderd en van hen vulden er 450 daadwerkelijk
de vragenlijst in. Van de 450 ingevulde vragenlijsten, werden er vier ingevuld door
hogeschoolstudenten en waren er zes gebruikt voor een pilotstudie. Besloten is deze tien niet
mee te nemen en daardoor bleven er 440 reacties over waarop de analyses zijn uitgevoerd.
Hiermee was de response rate 38% wat wijst op externe validiteit (Maruyama & Ryan, 2014).
Volgens Fosnacht, Sarraf, Howe en Peck (2017) zijn resultaten met een response rate vanaf
35% namelijk generaliseerbaar voor onderzoek in het hoger onderwijs. Uit een G*Power 3.1
analyse kwam een power van .83 naar boven en dat is hoog te noemen (Franklin & Agresti,
2009). De vragenlijst was Engelstalig, waardoor ook internationale studenten mee konden doen.
Aan dit onderzoek deden premasterstudenten (n = 13) bachelorstudenten (n = 241),
masterstudenten (n = 156) en recent afgestudeerden (n = 26) mee, vier studenten vielen onder
de categorie ‘anders’. Van alle studenten was 28% internationaal, had 8% een functiebeperking,
had 25% een migratieachtergrond, was 61% vrouw, had 18% een lagere sociaaleconomische
status en 5% gaf aan tot de LGBTQAI+-gemeenschap te horen. Wat betreft studiediscipline,
het aantal internationale studenten en studenten met een functiebeperking was de steekproef
representatief, maar wat betreft het aantal vrouwen, studenten met een lagere
sociaaleconomische status en studenten met een migratieachtergrond was er sprake van een
overrepresentatie (zie Bijlage 1). Het is belangrijk om hiermee rekening te houden bij het
interpreteren van de resultaten. Vanwege de kleine aantallen en overlap tussen groepen, is er in
de hoofdanalyse alleen gekeken naar migratieachtergrond en sociaaleconomische status. De
andere groepen zijn in de descriptieve en toetsende statistiek meegenomen.
Procedure
Voor het onderzoek is de onderzoekster tussen januari en maart 2020 één keer langs twaalf
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 11
algemene, bijzondere en technische universiteiten in Nederland geweest, welke samen 75% van
alle bekostigde universiteiten in Nederland beslaan (Vereniging van Universiteiten, n.d.). Per
universiteit deden gemiddeld 37 studenten (SD = 3.86) mee aan het onderzoek. Vanwege de
reisafstand enerzijds en de bekendheid van de onderzoekster met sommige campussen
anderzijds, zijn bepaalde universiteiten minder goed vertegenwoordigd dan andere. De
verdeling van de meerderheids- en minderheidsgroep en discipline naar universiteiten staat
samengevat in Bijlage 2.
Om de representativiteit zoveel mogelijk te waarborgen vond de werving van studenten
plaats in mensa’s middels het uitdelen van visitekaartjes met daarop een link en QR-code naar
de vragenlijst. Studenten werden geïnformeerd over de vrijwilligheid en anonimiteit van hun
deelname en konden op ieder gewenst moment stoppen. De vragenlijst nam ongeveer vijf tot
tien minuten in beslag. Er was geen beloning verbonden aan participatie.
Instrumenten
De afgenomen vragenlijst bestond uit 46 items en was een combinatie van gevalideerde
schalen uit eerder onderzoek. Om de validiteit na te gaan, dat wil zeggen dat de vragenlijst meet
wat hij moet meten (Hulzebos & Korrel, 2018), werd er een factoranalyse per schaal uitgevoerd.
Het laden van de items op één factor is een indicatie van constructvaliditeit en een verklaarde
variantie van 20% of meer is een indicatie van criteriumvaliditeit (Franklin & Agresti, 2009;
Maruyama & Ryan, 2014). Om de betrouwbaarheid vast te stellen, dat wil zeggen dat de
antwoorden op de vragenlijst stabiel en nauwkeurig zijn (Hulzebos & Korrel, 2018), is per
schaal een betrouwbaarheidsanalyse uitgevoerd op basis van Cronbach’s alfa. Vanaf een
Cronbach’s alfa van α = .60 kan gesproken worden van betrouwbaarheid (Vet, Mokkink,
Mosmuller, & Terwee, 2017). In Bijlage 3 is de afgenomen vragenlijst weergegeven inclusief
de betrouwbaarheid per item en factorlading per schaal.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 12
Afhankelijke variabele: gevoelens van verbondenheid met de universiteit. Voor het
meten van verbondenheid werd gebruik gemaakt van de Sense of Belonging schaal ontworpen
door Hurtado et al. (2015). Deze schaal bestond uit drie items, waaronder: I feel I belong to
this university” (1 = strongly agree, 5 = strongly disagree). Uit de factoranalyse bleek dat deze
schaal duidelijk uit één factor bestond met een Eigenwaarde van 2.28. De schaal is
gehercodeerd, zodat een hogere score met een hogere mate van verbondenheid correspondeert
(M = 3.94, SD = 0.88). De Cronbach’s alfa was α =.84 en de verklaarde variantie 76%. Deze
analyses wijzen op betrouwbaarheid, construct- en criteriumvaliditeit.
Universiteitskenmerk: academische validatie. Academische validatie werd gemeten
door middel van de Academic Validation in the Classroom schaal (Hurtado et al., 2015). Om
de rol van de universiteit voldoende uit te lichten, zijn er twee items over diversiteit en eerlijke
behandeling op de universiteit uit de vragenlijst van Wekker et al. (2016) toegevoegd. Eén van
de zes vragen uit de gecreëerde schaal was: “I feel my contributions are valued in class (1 =
strongly agree, 5 = strongly disagree). De schaal bestond uit één factor met een Eigenwaarde
van 2.54. Om te zorgen dat een hogere score correspondeert met een hogere academische
validatie is de schaal gehercodeerd (M = 3.37, SD = 0.64). De Cronbach’s alfa was α = .72 en
de verklaarde variantie 31%. Dit alles wijst op betrouwbaarheid, construct- en
criteriumvaliditeit van de schaal.
Universiteitskenmerk: interpersoonlijke validatie. Voor het meten van
interpersoonlijke validatie is de University Environment Scale van Gloria en Kurpius (1996) en
de schaal van de Organisation for Economic Co-operation and Development (Dukynaitė &
Dudaitė, 2017) gecombineerd. De gecreëerde schaal bestond in totaal uit negen items,
waaronder: There are enough facilities and services for students like me to function optimally
(1 = strongly agree, 5 = strongly disagree). Ten behoeve van de eenduidigheid van de vragenlijst
werd de zevenpuntschaal vervangen door een vijfpuntschaal. De schaal is gehercodeerd, zodat
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 13
een hogere score op de schaal correspondeert met een hogere interpersoonlijke validatie (M =
3.48, SD = 0.65). Hoewel de factoranalyse liet zien dat de items op twee factoren laadden
(Eigenwaarde 3.10 en 1.57), is er vanwege betrouwbaarheids- en inhoudelijke redenen gekozen
om de schaal niet op te splitsen. De gezamenlijke verklaarde variantie was 52% met een
Cronbach’s alfa van α = .74. Beide zijn voldoende voor de criteriumvaliditeit en
betrouwbaarheid.
Universiteitskenmerk: uitsluiting. Om uitsluiting te meten werd er gebruik gemaakt
van de Academic Contrapower Harassment Scale van DeSouza (2011). Deze schaal bestond
uit acht items, waaronder: “I have experienced that people at the university used stereotypes to
describe me (1 = always, 5 = never). Eén foutief item werd verwijderd. Ook deze schaal werd
gehercodeerd, zodat een hogere score een indicatie was van meer uitsluitingservaringen (M =
1.69, SD = 0.66). De schaal laadde op twee factoren (Eigenwaarde 3.62 en 1.18), maar werd
om eerdergenoemde redenen niet opgesplitst. De verklaarde variantie was 49% met een
Cronbach’s alfa van α = .83. Dit wijst op voldoende criteriumvaliditeit en betrouwbaarheid van
deze schaal.
Onafhankelijke variabele: demografische gegevens. Tenslotte waren er vragen
opgenomen over achtergrondkenmerken van studenten. De vragen over (inter)nationale status
(0 = Nederlandse student, 1 = internationale student) en het hebben van een functiebeperking
(0 = geen functiebeperking, 1 = wel een functiebeperking) konden studenten beantwoorden op
basis van ja/nee-antwoordcategorieën. Wat betreft gender konden studenten aangeven of zij
zich als vrouw, man of non-binair identificeerden (man = 0, vrouw = 1). Deze laatste categorie
is niet bij gender opgenomen, maar bij de LGBTQAI+-groep (0 = cis/heteroseksueel, 1 = niet-
normatieve seksuele oriëntatie, trans- of non-binaire genderidentiteit), die achteraf
samengesteld is op basis van de open antwoorden van studenten. Om sociaaleconomische status
te achterhalen werd gevraagd of studenten zich met de categorieën ‘arbeidersklasse’,
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 14
‘middenklasse’ of ‘hogere klasse’ identificeerden (0 = hogere sociaaleconomische status, 1 =
lagere sociaaleconomische status). Wat betreft etniciteit konden studenten een aantal meest-
voorkomende migratielanden aanvinken, maar vanwege te kleine aantallen is er gekozen voor
het wel/niet hebben van een migratieachtergrond (0 = geen migratieachtergrond, 1 = wel een
migratieachtergrond). Voor de hoofdanalyse zijn internationale studenten van kleur ingedeeld
bij studenten met een migratieachtergrond en witte internationale studenten bij studenten
zonder migratieachtergrond. Bij elk van deze vragen was het mogelijk om ‘anders, namelijk…
in te vullen.
Op basis van bovenstaande codering is er een meerderheids- en een minderheidsgroep
samengesteld (0 = meerderheidsgroep, 1 = minderheidsgroep). Waar de meerderheidsgroep
bestaat uit Nederlandse, heteroseksuele mannen en vrouwen zonder migratieachtergrond of
functiebeperking met hogere sociaaleconomische status, is de minderheidsgroep meer divers.
Deze bestaat grotendeels uit internationale studenten (54%), gevolgd door studenten met een
migratieachtergrond (47%), studenten met een lagere sociaaleconomische status (33%),
studenten met een functiebeperking (16%) en studenten behorend tot de LGTBQAI+-
gemeenschap (10%). Dat deze percentages tot boven de honderd procent optellen, komt doordat
een aantal studenten tot meerdere groepen behoren. Zo behoort 30% tot één minderheid, 21%
van de studenten behoort tot twee minderheden en 3% tot drie of vier minderheden.
Data-analyse
De resultatensectie is opgedeeld in descriptieve en toetsende analyses enerzijds en vier
multilevelanalyses anderzijds op basis waarvan de hypotheses zijn getoetst. Ten behoeve van
het overzicht is er in de multilevelanalyse alleen gekeken naar migratieachtergrond en
sociaaleconomische status. In de descriptieve analyses is wel naar alle vijf groepen gekeken en
is er middels een variantieanalyse en t-toetsen preliminair antwoord gegeven op de hypotheses
dat studenten die tot de meerderheid behoren meer verbondenheid (Hypothese 1) en validatie
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 15
(Hypothese 3), maar minder uitsluiting (Hypothese 5) ervaren dan studenten die tot de
minderheid behoren. Op basis van correlaties en een univariate regressienanalyse is nagegaan
of deze verschillen in verbondenheid afnemen bij meer ervaringen van validatie (Hypothese 7)
en toenemen bij meer ervaringen van uitsluiting (Hypothese 8). Aangezien de multilevelanalyse
controleert voor geneste data, achtergrondkenmerken en interactie-effecten zijn deze
hypotheses hier in hun geheel getoetst. Voor de hypotheses die stellen dat studenten die tot
meerdere minderheidsgroepen zich minder verbonden voelen (Hypothese 2), minder validatie
ervaren (Hypothese 4) en meer uitsluiting (Hypothese 6) ten opzichte van studenten die tot
minder minderheidsgroepen behoren, is de post-hoc Bonferroni toets gebruikt. Tenslotte wordt
ingegaan op een aantal open reacties van studenten met verschillende achtergronden. Gezien
de verkennende aard van dit onderzoek zijn ook p-waardes weergegeven op .10-niveau.
Resultaten
Descriptieve analyses
De meerderheids- en minderheidsgroep in relatie tot verbondenheid en
universiteitskenmerken. Om een eerste inzicht te krijgen of de meerderheidsgroep meer
verbondenheid (Hypothese 1) en validatie (Hypothese 3) ervaart en minder uitsluiting
(Hypothese 5) is er middels een variantieanalyse gekeken naar verschillen tussen de
meerderheids- en minderheidsgroep. Uit Figuur 2 is af te lezen dat gemiddeld genomen
studenten zich ‘meestal’ verbonden voelen en zich ‘de helft van de tijd’ tot ‘meestal’
gevalideerd voelen. Wat betreft uitsluiting is een algemeen beeld moeilijker te geven, doordat
de ervaringen uiteenlopen tussen studenten die tot de meerderheid en minderheid behoren. De
eerste groep geeft vaker aan ‘nooit’ tot ‘soms’ uitsluiting te ervaren, terwijl de laatste groep
aangeeft dit ‘soms’ tot ‘de helft van de tijd’ mee te maken. Op basis van de variantieanalyse
kan geconcludeerd worden dat meerderheidsstudenten zich significant meer verbonden (F =
4.23, p = .006), academisch (F = 2.14, p = .09) en interpersoonlijk gevalideerd (F = 4.09, p =
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 16
.007) voelen dan studenten die tot de minderheid behoren. Uitsluiting laat een tegengesteld
verband zien, hier scoren studenten die tot de minderheid behoren hoger op dan studenten die
tot de meerderheid behoren (F = 36.51, p < .000). Op basis van deze analyse kan voorzichtig
geconcludeerd worden dat Hypothese 1, 3 en 5 gestaafd kunnen worden. Hier wordt bij de
multilevelanalyse op teruggekomen.
Noot: 1 = nooit, 2 = soms, 3 = de helft van de tijd, 4 = meestal, 5 = altijd. Verbondenheid en de
universiteitskenmerken zijn op basis van de variantieanalyse significant bevonden. Sekse is niet meegenomen als
achtergrondvariabele, omdat dit niet als een kenmerk van de meerderheids- of minderheidsgroep is beschouwd.
Figuur 2. Overzicht van verschillen naar gemiddelde score tussen de meerderheids- en
minderheidsgroep wat betreft verbondenheid en universiteitskenmerken.
Ten behoeve van het inzicht in de verbondenheid, validatie en uitsluitingservaringen
van studenten met verschillende achtergronden is er gebruik gemaakt van t-toetsen zijn. De
gemiddelden (M) en standaarddeviaties (SD) staan samengevat in Tabel 1.
Tabel 1
Gemiddelden en standaarddeviaties voor de meerderheids- en minderheidsgroep op
verbondenheid en de universiteitskenmerken
Verbondenheid
Academische
validatie
Uitsluiting
1
2
3
4
5
Verbondenheid Academische validatie Interpersoonlijke validatie Uitsluiting
Meerderheidsgroep Minderheidsgroep
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 17
M (SD)
M (SD)
M (SD)
Sekse
Man
(N = 154)
3.95 (0.97)
3.42 (0.63)
1.680.62)
Vrouw
(N = 268)
3.96 (0.83)
3.35 (0.65)
1.66 (0.65)
LGTBQAI+
Niet
(N = 418)
3.95 (0.87)
3.37 (0.64)
1.67 (0.63)
Wel
(N = 22)
3.85 (0.97)
3.32 (0.54)
2.14 (1.02)**
Migratieachtergrond
Niet
(N = 325)
4.00 (0.85)*
3.37 (0.60)
1.590.59)***
Wel
(N = 107)
3.79 (0.92)
3.36 (0.74)
2.00 (0.79)
Sociaaleconomische status
Hoger
(N = 354)
3.99 (0.85)*
3.42 (0.62)**
1.630.63)***
Lager
(N = 74)
3.73 (0.97)
3.18 (0.68)
1.98 (0.74)
Functiebeperking
Niet
(N = 399)
3.95 (0.87)
3.38 (0.64)
1.65 (0.60)***
Wel
(N = 36)
3.80 (0.96)
3.30 (0.64)
2.12 (1.03)
Internationaal
Nederlands
(N = 314)
3.98 (0.88)
3.36 (0.62)
1.580.58)***
Internationaal
(N = 121)
-
3.84 (0.87)
3.41 (0.69)
1.96 (0.78)
Noot: Op sekse na verwijst de bovenste groep naar de meerderheidsgroep en de onderste groep naar de
minderheidsgroep. De gemiddelden zijn getoetst met behulp van t-toetsen. *** p < .001; ** p < .01; * p < .05
Uit Tabel 1 blijkt dat LGBTQAI+-studenten, studenten met een lagere
sociaaleconomische status, studenten met een functiebeperking en internationale studenten
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 18
minder interpersoonlijke validatie en meer uitsluiting ervaren dan studenten die tot de
meerderheidsgroep behoren. Studenten met een migratieachtergrond ervaren naast meer
uitsluiting, ook een lagere verbondenheid ten opzichte van studenten zonder
migratieachtergrond. Voor studenten met een lagere sociaaleconomische status geldt naast een
lagere verbondenheid, ook een lagere academische validatie. Zo bezien is een lagere
verbondenheid niet zozeer de gemene deler onder studenten met verschillende achtergronden,
maar zijn minder ervaringen van interpersoonlijke validatie en meer ervaringen van uitsluiting
dat.
Intersecties van minderheidskenmerken. In Tabel 2 staan de gemiddelden en
standaarddeviaties samengevat voor de meerderheidsgroep en studenten die tot één of meerdere
minderheidsgroepen behoren. Om de hypotheses te toetsen dat studenten die tot meerdere
minderheidsgroepen behoren minder verbondenheid (Hypothese 2) en validatie (Hypothese 4)
en meer uitsluiting (Hypothese 6) ervaren dan studenten die tot minder minderheidsgroepen
behoren, is een post-hoc Bonferroni toets uitgevoerd.
Tabel 2
Studenten behorend tot de meerderheidsgroep en studenten behorend tot één, twee, drie of vier
minderheidsgroepen
Verbondenheid
Academische
validatie
Uitsluiting
M (SD)
M (SD)
M (SD)
Meerderheidsgroep
(N = 194)
4.03 (0.87)
3.36 (0.58)
1.46 (0.46)
Studenten die tot één
minderheidsgroep behoren
(N = 125)
4.03 (0.73)
3.46 (0.65)
1.64 (0.55)***
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 19
Studenten die tot twee
minderheidsgroepen
behoren
(N = 86)
3.71 (1.04)*
3.31 (0.69)
2.14 (0.84)***
Studenten die tot drie of
vier minderheidsgroepen
behoren
(N = 14)
3.50 (0.70)
3.08 (0.72)
2.59 (0.88)*
Noot: tot de meerderheidsgroep worden Nederlandse, heteroseksuele studenten zonder functiebeperking en
migratieachtergrond met een hogere sociaaleconomische status gerekend. Met minderheidsgroepen worden
studenten bedoeld die in aantallen kleiner zijn, waaronder internationale studenten, studenten met een
functiebeperking, studenten met een migratieachtergrond, studenten met een lagere sociaaleconomische status en
studenten die tot de LGBTQAI+-gemeenschap behoren. Het verschil in gemiddelden is getoetst op basis van de
post-hoc Bonferroni toets. *** p < .001; ** p < .01; * p < .05
Tabel 2 geeft een overzicht van de verschillen tussen de meerderheidsgroep en de
verschillende minderheidsgroepen, maar op basis hiervan kunnen geen conclusies getrokken
worden. Uit de post-hoc Bonferroni toets kwam naar voren dat studenten die tot de meerderheid
en tot één minderheidsgroep behoren niet van elkaar verschillen in hun verbondenheid, maar
ze verschillen wel van studenten die tot twee minderheidsgroepen behoren (𝑀𝑑 = .31, SD = .11,
p = .032, en 𝑀𝑑 = .31, SD = .12, p = .066). Het verschil met studenten die tot drie of vier
minderheidsgroepen behoren was niet significant. Hypothese 2 kan gestaafd worden voor
studenten die tot twee minderheidsgroepen behoren. Anders dan vermoed werd, geldt een lagere
verbondenheid niet voor studenten die tot drie of vier minderheidsgroepen behoren.
Bij interpersoonlijke validatie geldt een vergelijkbaar patroon als bij verbondenheid.
Studenten die tot de meerderheidsgroep behoren en studenten die tot één minderheidsgroep
behoren verschillen niet significant van elkaar. Studenten die tot drie of vier
minderheidsgroepen behoren ervaren echter wel een lagere interpersoonlijke validatie dan
meerderheidsstudenten (𝑀𝑑 = -.47, SD = .18, p = .047) en dan studenten die tot één
minderheidsgroep behoren (𝑀𝑑 = .58, SD = .18, p = .008), maar niet met studenten die tot twee
minderheidsgroepen behoren. Voor academische validatie werden geen significante verschillen
gevonden. Hypothese 4 kan daarom alleen gestaafd worden voor interpersoonlijke validatie.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 20
Wat betreft uitsluiting geldt dat studenten die tot één minderheidsgroep behoren minder
uitsluiting ervaren dan studenten die tot twee (𝑀𝑑 = -.50, SD = .08, p < .000), drie of vier
minderheidsgroepen behoren (𝑀𝑑 = -.95, SD = .17, p < .000). Studenten die tot twee
minderheidsgroepen behoren ervaren op hun beurt weer minder uitsluiting dan studenten die
tot drie of vier minderheidsgroepen behoren (𝑀𝑑 = .45, SD = .17, p = .053). Hypothese 6 is
daarmee de enige hypothese die volledig gestaafd kan worden.
Universiteitskenmerken in relatie tot verbondenheid. Om inzicht te geven in de mate
van samenhang tussen de verbondenheid en de universiteitskenmerken voor de
meerderheidsgroep (bovendiagonaal) en de minderheidsgroep (onderdiagonaal) is er een
correlatiematrix uitgerekend, welke weergegeven is in Tabel 3. Hieruit blijkt dat de samenhang
tussen de verschillende variabelen voor de eerste groep zwakker is dan voor de tweede groep.
Tabel 3
Correlaties tussen de afhankelijke variabele en universiteitskenmerken voor
meerderheidsstudenten (bovendiagonaal) en minderheidsstudenten (onderdiagonaal)
1
2
3
4
1. Verbondenheid
-
.32**
.44**
-.37**
2. Academische validatie
.36**
-
.56**
-.17*
3. Interpersoonlijke validatie***
.54**
.65**
-
-.34**
4. Uitsluiting***
-.48**
-.39*
-.55**
-
Noot: de sterretjes bij de correlaties verwijzen naar de verbanden tussen de variabelen, de sterretjes bij
interpersoonlijke en academische validatie verwijzen naar de significante verschillen tussen meerderheids- en
minderheidsstudenten op basis van de univariate regressieanalyse. *** p < .001; ** p < .01; * p < .05
Om een voorlopig antwoord te formuleren op de hypotheses dat het verschil in
verbondenheid tussen de meerderheids- en minderheidsgroep kleiner is bij meer ervaringen van
validatie (Hypothese 7) en groter is bij meer ervaringen van uitsluiting (Hypothese 8), is er een
univariate regressieanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat interpersoonlijke validatie (F = 36.57,
p <.000) en uitsluiting (F = 30.26, p <.000) significant sterker samenhangen met de
verbondenheid van studenten die tot de minderheid behoren dan voor studenten die tot de
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 21
meerderheid behoren. Deze bevinding wijst er mogelijk op dat de verbondenheid van studenten
uit de minderheidsgroep als geheel gevoeliger is voor ervaringen van validatie en uitsluiting
dan die van de meerderheidsgroep. De grotere invloed van interpersoonlijke validatie op
verbondenheid voor de minderheidsgroep zorgt er mogelijk voor dat de verschillen tussen beide
groepen afnemen, waardoor Hypothese 7 op het eerste gezicht gestaafd kan worden voor
interpersoonlijke validatie. Hypothese 8 lijkt volledig gestaafd te kunnen worden. Hier wordt
bij de multilevelanalyse dieper op in gegaan.
Multilevelanalyse
Om de hypotheses in hun geheel te toetsen is er een multilevelanalyse uitgevoerd
(interclass correlation = .036). Omwille van de overzichtelijkheid is ervoor gekozen om het
aantal groepen te beperken tot migratieachtergrond en sociaaleconomische status. Tabel 4a
geeft de multilevelanalyse weer voor verbondenheid, Tabel 4b voor academische validatie,
Tabel 4c voor interpersoonlijke validatie en Tabel 4d voor uitsluiting. Aangezien het model
waarin migratieachtergrond en sociaaleconomische status samengenomen zijn niet afweek van
de aparte modellen voor deze twee groepen, zijn deze modellen in de verschillende tabellen
achterwege gelaten.
Tabel 4a
Multilevelanalyse (stepwise) verbondenheid naar migratieachtergrond en sociaaleconomische
status
Model 1:
B (SD)
Model 2:
B (SD)
Model 3:
B (SD)
Constant
1.96
(0.07)***
2.08
(0.06)***
3.92
(0.61)***
Achtergrondkenmerken
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 22
Studenten met een
migratieachtergrond
-0.20
(0.10)**
-0.06
(0.09)
-0.06
(0.09)
Studenten met een
lagere sociaal-
economische status
-0.20
(0.11)𝑎
-0.03
(0.10)
-0.03
(0.10)
Universiteitskenmerken
Academische validatie
0.03
(0.05)
0.08
(0.06)
Interpersoonlijke
validatie
0.32
(0.05)***
0.29
(0.06)***
Uitsluiting
-0.23
(0.04)***
-0.26
(0.05)***
Interactievariabelen
Migratieachtergrond x
academische validatie
-0.16
(0.08)*
Migratieachtergrond x
interpersoonlijke
validatie
0.06
(0.08)
Migratieachtergrond x
uitsluiting
0.11
(0.07)
Sociaaleconomische
status x
academische validatie
-0.06
(0.09)
Sociaaleconomische
status x
interpersoonlijke
validatie
0.05
(0.09)
Sociaaleconomische
status x
uitsluiting
0.02
(0.09)
Noot: Model 1: achtergrondkenmerken van studenten (gecontroleerd voor elkaar), Model 2:
universiteitskenmerken gecontroleerd voor achtergrondkenmerken, Model 3: interacties (gecontroleerd voor alle
variabelen). Verklaarde variantie is 𝑅2 = 30%. Wanneer er bij Model 1 niet voor migratieachtergrond
gecontroleerd wordt, is dit verband ook op .05-niveau significant voor sociaaleconomische status.
𝑎p <.10. ***; p < .001; *** p < .01; ** p <.05 *.
Op basis van Tabel 4a kan de eerste hypothese, namelijk dat studenten die tot de
minderheid horen, zich minder verbonden voelen dan studenten die tot de meerderheid behoren
(Hypothese 1), gestaafd worden. Immers, (gecontroleerd voor achtergrondkenmerken) is de
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 23
verbondenheid van studenten met een migratieachtergrond (Model 1, β = -.20, SE = .010, p =
.033) en studenten met een lagere sociaaleconomische status (Model 1, β = -.20, SE = 0.11, p =
.073) significant lager is dan die van de meerderheidsgroep. Dit bevestigt de eerdere bevinding
van de variantieanalyse (Tabel 3).
Bij het meenemen van de universiteitskenmerken in Model 2 is te zien dat
interpersoonlijke validatie positief (β = .32, SE = 0.05, p < .000) en uitsluiting negatief (β = -
.23, SE = 0.04, p < .000) samenhangt met verbondenheid. Dat het hoofdverband voor studenten
met een migratieachtergrond (Model 2, β = -0.06, SD = 0.09, p = .518) en voor studenten met
een lagere sociaaleconomische status (Model 2, β = -0.03, SD = 0.10, p = .742) hier verdwijnt,
wijst mogelijk op mediatie (zie Figuur 1).
Om de verbanden die reeds bij de descriptieve analyses zijn getoetst complexer te
analyseren is er in Model 3 nagegaan of er sprake is van interactie-effecten. De grafische
weergave van Model 3 in Figuur 3 laat zien dat de lagere verbondenheid van studenten met een
migratieachtergrond (Model 3, β = -0.16, SD = 0.08, p = .021) verklaard kan worden, doordat
zij minder profiteren van academische validatie dan studenten zonder migratieachtergrond.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 24
Noot: Voor studenten met een migratieachtergrond geldt y = 2.84 + 0.28 * x en een verklaarde variantie van 𝑅2 =
5%. Voor studenten zonder migratieachtergrond geldt y = 2.20 + 0.54 * x en een verklaarde variantie van 𝑅2 =
14%.
Figuur 3. Grafische weergave van interactie-effect academische validatie studenten met een
migratieachtergrond (stippellijn) en voor studenten zonder migratieachtergrond
(doorgetrokken lijn).
Hypothese 7, dat wil zeggen dat de verschillen in verbondenheid kleiner zijn naarmate
studenten met verschillende achtergronden meer validatie ervaren, moet op basis van Tabel 4a
verworpen worden. Hoewel de descriptieve analyses erop wezen dat interpersoonlijke validatie
de verschillen tussen de meerderheids- en minderheidsgroep kleiner maakten (Tabel 3), laat
Figuur 3 zien dat academische validatie de verschillen tussen beide groepen in verbondenheid
juist groter lijken te maken. Hypothese 8, dat wil zeggen dat de verschillen in verbondenheid
toenemen naarmate er sprake is van meer uitsluiting, kan wel gestaafd worden.
De derde hypothese betreft twee soorten validatie die apart behandeld worden. Het
eerste deel van de hypothese, namelijk dat studenten die tot de minderheid behoren minder
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 25
academische validatie ervaren (Hypothese 3), is getoetst in tabel 4b. Het tweede deel, namelijk
dat studenten die tot de minderheid behoren minder interpersoonlijke validatie ervaren
(Hypothese 3), is getoetst in Tabel 4c.
Tabel 4b
Multilevelanalyse (stepwise) academische validatie naar migratieachtergrond en
sociaaleconomische status
Model 1:
B (SD)
Model 2:
B (SD)
Model 3:
B (SD)
Constant
0.06
(0.06)
-0.06
(0.07)
0.07
(0.07)***
Achtergrondkenmerken
Studenten met een
migratieachtergrond
0.02
(0.11)
0.04
(0.09)
-0.01
(0.10)
Studenten met een
lagere sociaal-
economische status
-0.38
(0.13)**
-0.01
(0.10)
-0.09
(0.11)
Universiteitskenmerken
Interpersoonlijke
validatie
0.66
(0.04)***
0.59
(0.05)***
Uitsluiting
-0.01
(0.04)
-0.06
(0.06)
Interactievariabelen
Migratieachtergrond x
interpersoonlijke
validatie
0.28
(0.10)**
Migratieachtergrond x
uitsluiting
0.14
(0.09)
Sociaaleconomische
status x
interpersoonlijke
validatie
-0.01
(0.12)
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 26
Sociaaleconomische
status x
uitsluiting
0.05
(0.12)
Noot: Model 1: achtergrondkenmerken van studenten (gecontroleerd voor elkaar), Model 2:
universiteitskenmerken gecontroleerd voor achtergrondkenmerken, Model 3: interacties (gecontroleerd voor alle
variabelen). Verklaarde variantie is 𝑅2 = 38%.
*** p < .001; ** p < .01**; p <.05 *.
Uit Tabel 4b blijkt dat studenten met een lagere sociaaleconomische status een lagere
academische validatie ervaren dan studenten die een hogere sociaaleconomische status hebben
(Model 1, β = -0.38, SD = 0.13, p = .004). Voor studenten met een migratieachtergrond is alleen
het interactieverband met interpersoonlijke validatie significant (Model 3, β = 0.28, SD = 0.10,
p = .006). Opvallend is daarnaast dat uitsluiting de academische validatie niet beïnvloedt
(Model 2, β = -0.01, SD = 0.04, p = .823). In tabel 4c wordt het tweede deel van Hypothese 3
getoetst.
Tabel 4c
Multilevelanalyse (stepwise) interpersoonlijke validatie naar migratieachtergrond en
sociaaleconomische status
Model 1:
B (SD)
Model 2:
B (SD)
Model 3:
B (SD)
Constant
0.22
(0.11)*
0.11
(0.09)
0.13
(0.09)
Achtergrondkenmerken
Studenten met een
migratieachtergrond
-0.04
(0.11)
0.13
(0.08)
0.13
(0.08)
Studenten met een
lagere sociaal-
economische status
-0.38
(0.12)**
-0.07
(0.09)
-0.04
(0.09)
Universiteitskenmerken
Academische validatie
0.51
(0.03)***
0.53
(0.04)***
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 27
Uitsluiting
-0.27
(0.04)***
-0.22
(0.05)***
Interactievariabelen
Migratieachtergrond x
academische validatie
-0.03
(0.08)
Migratieachtergrond x
uitsluiting
-0.05
(0.07)
Sociaaleconomische
status x
academische validatie
-0.07
(0.09)
Sociaaleconomische
status x
uitsluiting
-0.17
(0.09)*
Noot: Model 1: achtergrondkenmerken van studenten (gecontroleerd voor elkaar), Model 2:
universiteitskenmerken gecontroleerd voor achtergrondkenmerken, Model 3: interacties (gecontroleerd voor alle
variabelen). Verklaarde variantie R2 = 45%.
*** p < .001; ** p < .01**; p <.05 *.
Uit Tabel 4c blijkt dat uitsluiting in tegenstelling tot academische validatie negatief
samenhangt met interpersoonlijke validatie (Model 2, β = -0.27, SD = 0.04, p < .001). Daarnaast
blijkt dat studenten met een lagere sociaaleconomische status minder interpersoonlijk validatie
ervaren dan studenten met een hogere sociaaleconomische status (Model 1, β = -0.38, SD =
0.12, p = .002). Er is zelfs sprake van een interactieverband voor deze groep (Model 3, β = -
0.17, SD = 0.09, p = .055), Figuur 4 geeft dit grafisch weer.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 28
Noot: Voor studenten met een lagere sociaaleconomische status geldt y = 4.43 + 0.59 * x en een verklaarde variantie
van 𝑅2 = 37%. Voor studenten met een hogere sociaaleconomische status geldt y = 4.14 + 0.38 * x en een
verklaarde variantie van 𝑅2 = 14%.
Figuur 4. Grafische weergave van interactie-effect interpersoonlijk validatie voor studenten
met een lagere sociaaleconomische status (stippellijn) en studenten met een hogere
sociaaleconomische status (doorgetrokken lijn).
Figuur 4 wijst erop dat de interpersoonlijke validatie van studenten met een lagere
sociaaleconomische status gevoeliger is voor ervaringen van uitsluiting, aangezien het verband
voor hen sterker en negatiever is dan voor studenten met een hogere sociaaleconomische status.
Uit Tabel 4d zal eenzelfde soort verband gevonden worden voor studenten met een
migratieachtergrond. Dit bevestigt de resultaten in Tabel 3 waaruit bleek dat uitsluiting en
interpersoonlijke validatie sterker samenhingen voor de minderheidsgroep ten opzichte van de
meerderheidsgroep. Omdat studenten met een lagere sociaaleconomische status zowel minder
interpersoonlijke als minder academische validatie ervaren, kan Hypothese 3 gestaafd worden.
Aangezien de resultaten niet significant zijn voor studenten met een migratieachtergrond moet
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 29
bij Hypothese 3 de opmerking gemaakt worden dat de rol van validatie in verbondenheid niet
voor alle minderheidsgroepen hetzelfde is. Dit is in lijn met de cijfers in Tabel 1.
Tenslotte is de vijfde hypothese getoetst met behulp van de multilevelanalyse. Deze
luidt dat studenten die tot de minderheid behoren meer uitsluiting ervaren dan studenten die tot
de meerderheid behoren (Hypothese 5). De resultaten hiervan staan in Tabel 4d.
Tabel 4d
Multilevelanalyse (stepwise) uitsluiting naar migratieachtergrond en sociaaleconomische
status
Model 1:
B (SD)
Model 2:
B (SD)
Model 3:
B (SD)
Constant
-0.24
(0.07)**
-0.19
(0.05)***
-0.14
(0.05)**
Achtergrondkenmerken
Studenten met een
migratieachtergrond
0.60
(0.11)***
0.58
(0.10)***
0.58
(0.10)***
Studenten met een
lagere sociaal-
economische status
0.46
(0.12)***
0.30
(0.11)**
0.26
(0.11)**
Universiteitskenmerken
Academische validatie
-0.03
(0.05)***
-0.10
(0.07)
Interpersoonlijke
validatie
-0.41
(0.05)***
-0.28
(0.07)***
Interactievariabelen
Migratieachtergrond x
academische validatie
0.17
(0.12)
Migratieachtergrond x
interpersoonlijke
validatie
-0.32
(0.13)*
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 30
Sociaaleconomische
status x
academische validatie
0.16
(0.14)
Sociaaleconomische
status x
interpersoonlijke
validatie
-0.29
(0.13)**
Noot: Model 1: achtergrondkenmerken van studenten (gecontroleerd voor elkaar), Model 2:
universiteitskenmerken gecontroleerd voor achtergrondkenmerken, Model 3: interacties (gecontroleerd voor alle
variabelen). Verklaarde variantie was R2 = 19%.
*** p < .001; ** p < .01**; p <.05 *.
Model 3 laat zien dat het interactie-effect tussen interpersoonlijke validatie en
uitsluiting, welke eerder in Figuur 4 werd weergegeven voor sociaaleconomische status, ook
opgaat voor studenten met een migratieachtergrond (Model 3, β =
-0.32, SD = 0.12, p = .013). Zowel studenten met een migratieachtergrond (Model 1, β = 0.60,
SD = 0.11, p < .001) als studenten met een lagere sociaaleconomische status (Model 1, β = 0.46,
SD = 0.12, p < .001) ervaren meer uitsluiting dan studenten zonder migratieachtergrond of met
een hogere sociaaleconomische status. Dit bevestigt de resultaten van eerder uitgevoerde de
variantieanalyse en t-toetsen (Tabel 1). Hypothese 5 kan net als eerder gestaafd worden.
Open reacties
Om inzicht te bieden in hoe studenten de universiteitsomgeving ervaren en hoe dit invloed
heeft op hun verbondenheid, worden er tot slot een aantal open reacties weergegeven. Aan deze
reacties viel op dat zij positiever werden naarmate het aantal minderheidsgroepen waar
studenten tot behoren afnamen. Op de open vraag of studenten een positieve ervaring willen
delen is bijvoorbeeld nauwelijks gereageerd door studenten die tot drie of vier
minderheidsgroepen behoren. Slechts twee van hen gaven een positieve reactie op deze vraag.
Studenten die tot twee minderheidsgroepen behoren waren negatiever dan studenten die tot de
meerderheid behoren. Zo was een reactie van een student met een migratieachtergrond en met
een lagere sociaaleconomische status: It was really hard for me to find a friend group from the
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 31
start and it still is”; en een andere reactie was: “I never felt like I belonged during the entire
time I was doing my bachelor”. Positieve reacties waren er uiteraard ook, zoals: “Lecturers take
initiative to include everyone in discussions”; en: “People are interested in talking and learning
about different cultures and perspectives.” De reacties van studenten die tot de meerderheid
behoren waren overwegend positief, wat bleek uit reacties als: I made lot of friends which I
consider my best friends still”; “I never had negative experiences, I think the uni [sic] is fine
like it is”; “During work groups you are encouraged to participate in discussions”; en It’s nice
to be here”.
Concluderend kan gesteld worden dat de multilevelanalyse in de richting wijst van het
mediatiemodel weergegeven in Figuur 1. De hypotheses tussen de descriptieve en
multilevelanalyse komen daarnaast grotendeels overeenkomen. Alleen Hypothese 7 moest
verworpen worden voor academische validatie. De meeste hypotheses konden gestaafd worden,
maar bij twee moet een kanttekening geplaatst worden. Zo vertoonde de hypotheses over het
afnemen van verbondenheid (Hypothese 2) en validatie (Hypothese 4) met het toenemen van
het aantal minderheidsgroepen geen lineair verband en is de rol van validatie voor studenten
met verschillende achtergronden niet eenduidig (Hypothese 3). Bij deze resultaten moeten
echter een aantal beperkingen geplaatst worden waar nu op ingegaan zal worden.
Discussie
De toegenomen deelname in het hoger onderwijs in welvarende landen sinds 1950, versluiert
volgens Piketty (2020) de ongelijkheid die hierachter schuilgaat. Om te onderzoeken of deze
ongelijkheid ook geldt voor de verbondenheid van studenten met verschillende achtergronden
is het huidige onderzoek opgestart. Op basis van Amerikaans onderzoek naar verbondenheid
werd verwacht dat de verbondenheid voor studenten uit vijf minderheidsgroepen lager zou zijn
dan die voor studenten van de meerderheidsgroep, dat wil zeggen heteroseksuele, Nederlandse
studenten zonder functiebeperking of migratieachtergrond en met een hogere
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 32
sociaaleconomische status. Vanuit de validatietheorie van Rendon (1994; 2002) werd
beargumenteerd dat dit te maken heeft met een verschil in ervaringen van validatie en uitsluiting
van studenten met verschillende achtergronden. Dit is onderzocht onder 440 studenten
afkomstig van twaalf universiteiten verspreid over Nederland.
Belangrijkste bevindingen
Aangezien verbondenheid in Nederland en Europa nog maar op kleine schaal is
onderzocht, heeft deze studie zich erop toegelegd om de verbondenheid van studenten met
verschillende achtergronden in kaart te brengen en hoe de universiteitsomgeving hierin een rol
speelt. De meeste bevindingen van het onderzoek zijn in lijn met de validatietheorie (Rendon,
1994). Zo werd gevonden dat studenten die tot de minderheid behoren minder verbondenheid
(Hypothese 1 gestaafd) en validatie ervaren (Hypothese 3 gestaafd), maar meer uitsluiting
(Hypothese 5 gestaafd). Studenten die tot twee minderheidsgroepen behoren hebben een lagere
verbondenheid dan studenten die tot één minderheidsgroep behoren (Hypothese 2 gedeeltelijk
gestaafd) en studenten die tot drie of vier minderheidsgroepen behoren hebben een lagere
interpersoonlijke validatie dan studenten die tot minder minderheidsgroepen behoren
(Hypothese 4 gedeeltelijk gestaafd). De ervaringen van uitsluiting nemen toe met het aantal
minderheidsgroepen waartoe studenten behoren (Hypothese 6 gestaafd) en dit vergroot
mogelijk de verschillen in verbondenheid tussen studenten met verschillende achtergronden
(Hypothese 8 gestaafd). Hoewel academische validatie bijdraagt aan de verbondenheid van
studenten met een migratieachtergrond, profiteren studenten zonder migratieachtergrond meer
van deze validatie in hun verbondenheid, waardoor de verschillen niet kleiner, maar groter
worden (Hypothese 7 verworpen). Tenslotte zijn er twee onverwachte bevindingen. De eerste
is dat academische validatie een minder grote rol lijkt te spelen in verbondenheid dan
interpersoonlijke validatie. De tweede is dat verbondenheid van studenten uit
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 33
minderheidsgroepen gevoeliger lijkt voor ervaringen van validatie en uitsluiting dan die van
studenten uit de meerderheidsgroep.
Een aantal bevindingen is niet in lijn met de validatietheorie, waarvoor alternatieve
verklaringen gevonden kunnen worden. De bevinding dat academische validatie een minder
grote rol speelt in de verbondenheid van studenten die tot (meerdere) minderheden behoren,
kan mogelijk verklaard worden doordat de effecten hiervan klein zijn (Hurtado et al., 2015) en
daardoor onder de radar zijn gebleven. De bevinding dat meerderheidsstudenten minder last
hebben van uitsluiting in hun interpersoonlijke validatie en sterker profiteren van academische
validatie in hun verbondenheid, kan mogelijk verklaard worden doordat deze groep meer
geprivilegieerd is, waardoor zij een voorsprong hebben op studenten die tot de minderheid
behoren (Wekker et al., 2016; Waldring et al., 2020).
De hoofdvraag, dat wil zeggen ‘In welke mate ervaren studenten met verschillende
achtergronden verbondenheid met de universiteit en hoe spelen kenmerken van de universiteit
hierin een rol?’, kan drieledig beantwoord worden. Ten eerste is uit het onderzoek gebleken dat
niet zozeer verbondenheid als wel de interpersoonlijke validatie en uitsluiting de
gemeenschappelijke deler is van de verschillende minderheidsgroepen onderling. Ten tweede
blijkt dat de universiteitsomgeving een belangrijke rol speelt in de verbondenheid en dat deze
lager is voor studenten met een migratieachtergrond, studenten met een lagere
sociaaleconomische status en studenten die tot twee minderheidsgroepen behoren. Ten derde
lijken studenten die tot de minderheidsgroep behoren gevoeliger voor de universiteitsomgeving
dan studenten die tot de meerderheid behoren en dit beïnvloed hun validatie en verbondenheid
negatief.
Dit onderzoekt draagt op meerdere manieren bij aan het onderzoeksveld over
verbondenheid op universiteiten. Ten eerste is het één van de eerste studies in Nederland en
Europa die op nationaal niveau inzicht geeft in de verbondenheid van universitaire studenten.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 34
Ten tweede laat deze studie zien dat het belangrijk is om naar een range van
achtergrondkenmerken te kijken en de intersecties hiervan om recht te doen aan de
werkelijkheid van studenten. Ten derde is er in het kader van deze studie een betrouwbare
vragenlijst samengesteld die grotendeels voldoet aan criterium- en constructvaliditeit en die
past bij de Nederlandse en mogelijk ook Europese situatie.
Beperkingen
Deze studie kent een aantal sterke en zwakkere punten. Een eerste sterk punt van dit
onderzoek is dat de power goed is, waardoor het waarschijnlijk is dat bestaande effecten ook
daadwerkelijk gevonden zijn. Een tweede sterk punt is dat de response rate voldoende is om te
spreken van representativiteit. In samenhang hiermee is er een zo aselect mogelijke groep
bereikt door het bezoeken van mensa’s. Door deze externe validiteit kunnen de conclusies
grotendeels gegeneraliseerd kunnen worden naar alle universitaire studenten in Nederland. Er
moeten echter ook kanttekeningen geplaatst worden bij de resultaten. Eén van de belangrijkste
beperkingen is dat de multilevelanalyse alleen is uitgevoerd voor studenten met een
migratieachtergrond en studenten met een lagere sociaaleconomische status. Dit is een
tekortkoming, omdat uit het onderzoek is gekomen dat intersecties van minderheidskenmerken
een bepalende factor is gebleken in uitsluiting, validatie en verbondenheid. Een tweede
belangrijke beperking betreft de vertegenwoordiging: sommige universiteiten zijn
ondervertegenwoordigd, terwijl vrouwen, studenten met een migratieachtergrond en studenten
met een lagere sociaaleconomische status oververtegenwoordigd zijn. Hierdoor zijn de
resultaten mogelijk vertekend. Een derde beperking is het cross-sectionele design, waardoor er
slechts van correlatie, maar niet van causatie gesproken kan worden.
Aangezien dit onderzoek zich hoofdzakelijk heeft gericht op studenten met een
migratieachtergrond en studenten met een lagere sociaaleconomische status, zou
vervolgonderzoek aandacht kunnen besteden aan intersectionaliteit en de groepen die in dit
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 35
onderzoek onderbelicht zijn gebleven. Dit zou gedaan kunnen worden op basis van
focusgroepen, maar ook door gebruik te maken van een dataregister, waardoor het onderzoek
niet afhankelijk is van studenten die op een bepaalde tijd in de mensa waren. Een tweede
aanbeveling is om mediatie- en interactieverbanden verder te onderzoeken, zodat er een beter
inzicht verkregen wordt in hoe de universiteit de verbondenheid beïnvloedt. Een laatste
aanbeveling is om verbondenheid longitudinaal te onderzoeken, zodat inzicht verkregen wordt
in hoe validatie en uitsluiting op de langere termijn de verbondenheid van studenten met
verschillende achtergronden faciliteren en belemmeren.
Desondanks, wijzen de resultaten van dit onderzoek op het belang van validatie door de
universiteit voor de verbondenheid van studenten. Zo zou de interpersoonlijke validatie
gefaciliteerd kunnen worden door het waarderen en stimuleren van diversiteit en het faciliteren
van positief contact tussen docenten en studenten en studenten onderling (Maestas, Vaquera, &
Zehr, 2007). Wat betreft de academische validatie zijn een gestructureerde leeromgeving, het
stimuleren van actieve participatie en inzetten op samenwerking belangrijk (Thomas, 2002).
Hoewel ervaringen van validatie lijken bij te dragen aan een gevoel van inclusie, zouden
universiteiten aparte maatregelen kunnen nemen om uitsluiting tegen te gaan. Enkele
aanbevelingen hiervoor zijn het openen van een discriminatiemeldpunt, representatief
beeldmateriaal, een (etnisch) diverse studenten- en docentenpopulatie en het creëren van een
inclusieve omgeving (Waldring et al., 2020; Wekker et al., 2016).
Afsluitend kan geconcludeerd worden dat het vergroten van validatie en het
verminderen van uitsluiting een belangrijke rol vervullen in de verbondenheid van alle
studenten. Om de verbondenheid van studenten die tot minderheden behoren te vergroten, ligt
een belangrijke verantwoordelijkheid bij de universiteit om hen te begeleiden en hen het gevoel
te geven dat zij wel degelijk een waardevolle bijdrage leveren aan de academische
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 36
gemeenschap. Volgens Piketty (2020) is ongelijkheid namelijk geen natuurlijk gegeven, maar
wordt die bepaald door de keuzes die mensen maken.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 37
Referenties
Acevedo-Gil, N., Santos, R. E., Alonso, L., & Solorzano, D. G. (2015). Latinas/os in
community college developmental education: Increasing moments of academic and
interpersonal validation. Journal of Hispanic Higher Education, 14(2), 101-127.
Alcantar, C. M., & Hernandez, E. (2020). “Here the professors are your guide, tus guías”:
Latina/o student validating experiences with faculty at a hispanic-serving community
college. Journal of Hispanic Higher Education, 19(1), 3-18.
Baumeister, R. F., & Leary, M. R. (1995). The need to belong: Desire for interpersonal
attachments as a fundamental human motivation. Psychological Bulletin, 117(3), 497.
Vet, H. C., Mokkink, L. B., Mosmuller, D. G., & Terwee, C. B. (2017). SpearmanBrown
prophecy formula and cronbach's alpha: Different faces of reliability and opportunities
for new applications. Journal of Clinical Epidemiology, 85, 45-49.
Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2002). Overview of self-determination theory: An organismic
dialectical perspective. Handbook of Self-Determination Research, , 3-33.
DeSouza, E. R. (2011). Frequency rates and correlates of contrapower harassment in higher
education. Journal of Interpersonal Violence, 26(1), 158-188.
Dukynaitė, R., & Dudaitė, J. (2017). Influence of school factors on students’ sense of school
belonging. The New Education Review, 47(1), 39-52.
Edman, J. L., & Brazil, B. (2009). Perceptions of campus climate, academic efficacy and
academic success among community college students: An ethnic comparison. Social
Psychology of Education, 12(3), 371-383.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 38
Fosnacht, K., Sarraf, S., Howe, E., & Peck, L. K. (2017). How important are high response
rates for college surveys? The Review of Higher Education, 40(2), 245-265.
Franklin, C. A., & Agresti, A. (2009). Statistics: The art and science of learning from data
New York, NY: Pearson Prentice Hall.
Garvey, J. C., Taylor, J. L., & Rankin, S. (2015). An examination of campus climate for
LGBTQ community college students. Community College Journal of Research and
Practice, 39(6), 527-541.
Gloria, A. M., & Kurpius, S. E. R. (1996). The validation of the cultural congruity scale and
the university environment scale with chicano/a students. Hispanic Journal of Behavioral
Sciences, 18(4), 533-549.
Hoffman, M., Richmond, J., Morrow, J., & Salomone, K. (2002). Investigating “Sense of
belonging” in first-year college students. Journal of College Student Retention, 4(3), 227-
256.
Hulzebos, G. P., & Korrel, P. G. (2018). Elementaire statistiek voor de humaniora.
Amsterdam, Nederland: Uitgeverij Melkman
Hulzebos, G.P., Konings, B., & Coppiëns, P. (2020). Internationalisering en de
toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs. Tijdschrift Hoger Onderwijs
Management, 16-19.
Hurtado, S., Ruiz Alvarado, A., & Guillermo-Wann, C. (2015). Creating inclusive
environments: The mediating effect of faculty and staff validation on the relationship of
discrimination/bias to students’ sense of belonging. Journal Committed to Social Change
on Race and Ethnicity, 1(1), 60-80.
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 39
Inspectie van het Onderwijs. (2019). Internationalisering van het hoger onderwijs en de
toegankelijkheid voor Nederlandse studenten. Retrieved from:
https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/themaonderzoeken/documenten/rapporte
n/2019/12/05/internationalisering-en-de-toegankelijkheid-van-het-hoger-onderwijs-voor-
nederlandse-studenten
Inspectie van het Onderwijs. (2020). De Staat van het Onderwijs. Retrieved from:
documenten/rapporten/2020/04/22/staat-van-het-onderwijs-2020
Johnson, D. R., Soldner, M., Leonard, J. B., Alvarez, P., Inkelas, K. K., Rowan-Kenyon, H.,
& Longerbeam, S. (2007). Examining sense of belonging among first-year
undergraduates from different racial/ethnic groups. Journal of College Student
Development, 48(5), 525-542.
Lau, J., Garza, T., & Garcia, H. (2019). International students in community colleges: On-
campus services used and its effect on sense of belonging. Community College Journal of
Research and Practice, 43(2), 109-121.
Locks, A. M., Hurtado, S., Bowman, N. A., & Oseguera, L. (2008). Extending notions of
campus climate and diversity to students' transition to college. The Review of Higher
Education, 31(3), 257-285.
Maestas, R., Vaquera, G. S., & Zehr, L. M. (2007). Factors impacting sense of belonging at a
hispanic-serving institution. Journal of Hispanic Higher Education, 6(3), 237-256.
Maruyama, G., & Ryan, C. S. (2014). Research methods in social relations. Hoboken, NJ:
Wiley-Blackwell
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 40
Mejias, N. J., Gill, C. J., & Shpigelman, C. (2014). Influence of a support group for young
women with disabilities on sense of belonging. Journal of Counseling Psychology, 61(2),
208.
Piketty, T. (2020). Capital and Ideology. Cambridge, MA: Harvard University Press
Onderwijs in cijfers. (2017). Onderwijsdeelname naar sociaaleconomisch milieu. Retrieved
from: https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/onderwijs-algemeen/leerlingen-en-
studenten/aantallen-onderwijsdeelname-naar-sociaaleconomisch-milieu
Read, B., Archer, L., & Leathwood, C. (2003). Challenging cultures? Student conceptions of
'belonging' and 'isolation' at a post-1992 university. Studies in Higher Education, 28(3),
261-277.
Rendon, L. I. (1994). Validating culturally diverse students: Toward a new model of learning
and student development. Innovative Higher Education, 19(1), 33-51.
Rendón, L. I. (2002). Community college puente: A validating model of education.
Educational Policy, 16(4), 642-667.
Thomas, L. (2002). Student retention in higher education: The role of institutional habitus.
Journal of Education Policy, 17(4), 423-442.
Tinto, V. (1987). Leaving college: Rethinking the causes and cures of student attrition.
Chicago, IL: University of Chicago Press.
Van den Broek, A. (2012). Studeren met een functiebeperking. ResearchNed. Retrieved from:
http://www.researchned.nl/2013/05/studeren-met-een-functiebeperking/?type=project
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 41
Vereniging van Universiteiten. (2019). Feiten en cijfers. Retrieved from:
https://www.vsnu.nl/nl_NL/feiten-en-cijfers.html
Vereniging van Universiteiten (n.d.). Leden van de VSNU. Retrieved from:
https://www.vsnu.nl/Universiteiten.html
Waldring, I., Labeab, A., Van den Hee, M., Crul, M. R. J. (2020). Belonging@VU. Diversity
Office Vrije Universiteit Amsterdam. Retrieved from: https://www.vu.nl/en/Images/
BelongingVU_EN_version_tcm270-940749.pdf
Wekker, G., Slootman, M. W., Icaza, R., & Vazquez, R. (2016). Diversiteit is een werkwoord.
Commissie Diversiteit Universiteit van Amsterdam. Retrieved from:
https://www.uva.nl/content/nieuws/nieuwsberichten/2016/10/eindrapport-commissie-
diversiteit-‘let’s-do-diversity’-gepresenteerd.html
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 42
Bijlage 1: Representativiteit steekproef naar landelijke cijfers
Studiediscipline
Bron: VSNU (2019)
- 40% Sociale wetenschappen
- 40%
- 26% Bètawetenschappen
- 25%
- 18% Geesteswetenschappen
- 20%
- 5% Geneeskunde
- 9%
- 11% Interdisciplinair
- 6% (overig)
-
-
Internationale studenten
Bron: Hulzebos, Konings, & Coppiëns (2020)
- 28%
- 25-27%
-
-
Studenten met een functiebeperking
Bron: Van den Broek (2012)
- 8%
- 11%
-
-
Studenten met een
lagere sociaaleconomische status
Bron: Onderwijs in cijfers (2017)
- 17%
- 7-9%
-
-
Geslacht
Bron: Onderwijsinspectie (2020)
- 61% vrouw
- 50-55%
-
-
Migratieachtergrond
Bron: Onderwijsinspectie (2019)
- 25%
- 12%
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 43
Bijlage 2: Steekproef naar universiteiten en discipline
Noot: Ten behoeve van de anonimiteit zijn de universiteiten genummerd.
Figuur 5. Meerderheidsstudenten (>) en minderheidsstudenten (<) studenten naar discipline
en universiteit.
Van alle studenten die meededen studeert 27% (n = 113) aan de universiteit 1, 6% aan
universiteit 2, 13% (n = 54) aan de universiteit 3, 6% (n = 25) aan universiteit 4 en eveneens
aan 6, 7% (n = 31) aan universiteit 5, 4% (n = 18) aan universiteit 7, 2% (n = 10) aan universiteit
8, 4% (n = 17) aan universiteit 9, 3% (n = 12) aan de universiteit 10, 13% (n = 53) aan
universiteit 11 en tenslotte 4% (n = 15) aan universiteit 12. Zes procent heeft niet aangegeven
waar hij/zij studeert.
0
10
20
30
40
50
60
70
1
(>) 1
(<) 2
(>) 2
(<) 3
(>) 3
(<) 4
(>) 4
(<) 5
(>) 5
(<) 6
(>) 6
(<) 7
(>) 7
(<) 8
(>) 8
(<) 9
(>) 9
(<) 10
(>) 10
(<) 11
(>) 11
(<) 12
(>) 12
(<)
Alfa Bèta Gamma Medisch Interdisciplinair
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 44
Bijlag 3: Betrouwbaarheid en validiteit schalen
Construct
Factorlading
Cronbach’s α
Verbondenheid
.842
- I see myself as part of the academic community
.907
- I feel I am a member of this university
.836
- I feel a sense of belonging to this university
.667
Academische validatie
.717
- I feel my contributions are valued in class
.537
- We learn about non-western perspectives and
scientists in the curriculum
.382
- If I need help I will receive it from the lecturer
.612
- Most of my lecturers treat me fairly
.575
- Lecturers show concerns about my progress
.587
- Lecturers encourage me to participate in
discussions
.624
Interpersoonlijke validatie
.740
- Lecturers believe in my potential to succeed
academically
.578
- At least one lecturer has taken an interest in my
development
.547
- I make friends easily at the university
.332
- I feel that students from all backgrounds interact
with each other
.516
- Most of the university staff (lecturers, study
advisors, exam committee) really listen to what I
.619
VERBONDENHEID VAN UNIVERSITAIRE STUDENTEN 45
have to say
- I feel that the university values groups with
different characteristics
.551
(.375 factor 2)
- There are enough facilities and services for students
like me to function optimally
.413
(.450 factor 2)
- The student population at my university is diverse
.780
- The teaching staff at my university is diverse
.706
Uitsluiting
.832
- I feel like an outsider (or left out of things) at the
university
.752
- I feel that I have to change myself to fit in at the
university
.748
- I feel my language and/or appearance makes it hard
for me to fit in with other students
.401
(.632 factor 2)
- I have experienced that people at the university
made jokes/comments about my appearance,
sexual orientation, gender beliefs and/or traditions
.667
- I have experienced that people at the university
used stereotypes to describe me
.776
- I have experienced that people at the university
treated me differently because of the way I look or
talk
.710
(.325 factor 2)
Noot: voor schalen die op één factor laden geldt constructvaliditeit (Maruyama & Ryan, 2014).
Een Cronbach’s alfa vanaf .60 wijst op betrouwbaarheid (Vet et al., 2017)
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Book
Full-text available
In dit boek wordt geprobeerd om statistiek toegankelijk te maken voor geïnteresseerden uit de humaniora ofwel geesteswetenschappen, zoals rechten, letterkunde, filosofie en religiewetenschappen, die in hun opleiding geen inleiding in de statistiek gehad hebben. Met dit boek willen wij onze waardering tonen voor Wouter Buikhuisen, die door een onvervalste hetze door Hugo Brandt Corstius in Vrij Nederland de wetenschap heeft moeten verlaten en antiquair is geworden. In deze monografie ligt de nadruk niet op ingewikkelde wiskundige formules en hun afleiding, maar eerder op het uitleggen van waarom een bepaalde formule of toets in een bepaalde situatie wordt gebruikt, geïllustreerd met praktische voorbeelden. Een dergelijk elementair statistiekboek speciaal voor de humaniora was er nog niet en deze uitgave probeert in die lacune te voorzien. Dit boek bestaat uit twee delen. In deel 1 wordt een inleiding gegeven in de beschrijvende statistiek en in deel 2 komt de inductieve statistiek aan bod. Als het begrip van empirisch onderzoek met zijn statistische tabellen en toetsen door dit boek bevorderd wordt is aan onze doelstelling grotendeels voldaan.
Article
Full-text available
While the enrollment trends of international students studying in universities and four-year colleges have been well documented over the recent years, there is evidence that international students are also enrolling at higher rates in community colleges. Although the issues and student service needs and trends of international students studying at four-year universities and colleges have received much attention in the literature over the years, there appears to be a dearth of literature that focuses on international students studying in community colleges. Thus, in response to this gap in the training literature, this study examined the prevalence of on-campus services used and their contribution to the development of sense of belonging for international students studying in US community colleges. Utilizing the Community College Survey of Student Engagement (CCSSE) as our data collection instrument, results of this study suggest that services used by international students in US community colleges are varied. Furthermore, results of multiple regression analyses indicate that academic advising services most contributed to international students’ sense of belonging on US community college campuses. Based on the findings of this study, recommendations on working with international students are provided for community college faculty and student affairs personnel including special recommendations and counseling considerations for college counselors who work with international students.
Article
Full-text available
Sense of school belonging is related to school/classroom social membership. Students’ sense of school belonging depends on teachers, classmates and parents, and arises from a positive interpersonal relationship based on care and support, which contributes to students’ sense of community. The scientific problem analysed in the article is defined by the following question: which factors of school educational environment are significant for the sense of school belonging and social membership to arise? The databases of tests, student and school questionnaires of the OECD PISA worldwide study were used for the survey. 4618 students aged 15 from 216 general and vocational schools of Lithuania participated in the survey. Analysis of data showed that some factors of school educational environment have a positive, while other ones - negative relation to the sense of school belonging.
Article
Full-text available
This study examines campus climate for lesbian, gay, bisexual, transgender, and queer (LGBTQ) undergraduate students at community colleges. Data for the study originates from Rankin, Blumenfeld, Weber, and Frazer’s (2010) State of Higher Education for LGBT People. We analyzed both quantitative data generated from closed-ended survey questions and qualitative data gleaned from open-ended survey questions. Results suggest that classroom climate plays a large role in determining students’ perceptions of campus climate. Findings also indicate that first-generation LGBTQ students experience a more hostile campus climate. Based on the findings, we offer recommendations for future research and potential best practices for working with LGBTQ community college students.
Article
This study reexamines notions of student integration given continuingexperiences of discrimination and bias on college campuses. Building on thescholarship on inclusion, the authors test the mediating effect of studentexperiences with faculty and staff validation on the relationship of discriminationand bias to students’ sense of belonging. The Diverse Learning EnvironmentsSurvey was used to assess the model among 20,460 students attending broadaccess and selective institutions. Results show direct effects of validatingexperiences with faculty and staff on students’ sense of belonging, and that suchexperiences mitigate the effects of discrimination and bias. Creating inclusiveenvironments for student development remains a responsibility of faculty andstaff, which we rarely assess even as research begins to uncover principles fortransformative practice.
Article
This paper examines some of the issues surrounding student retention in higher education. It is based on the case study of a modern university in England that has good performance indicators of both widening participation (i.e. increasing the diversity of the student intake) and student retention. The two-fold nature of this success is significant, as it has been asserted that greater diversity will necessarily lead to an increase in student withdrawal. Furthermore, changes to student funding in the UK put greater financial pressures and stress on students, especially those from low-income groups. Nevertheless, many students cope with poverty, high levels of debt and significant burdens of paid work to successfully complete their courses of study. Drawing on the work of Reay et al. (2001), this paper adopts and explores the term ‘institutional habitus’, and attempts to provide a conceptual and empirical understanding of the ways in which the values and practices of a higher education institution impact on student retention.
Article
Objectives There are similarities between the different forms of reliability, such as internal consistency (internal reliability) and interrater and intrarater reliability. Reliability coefficients that are based on classical test theory can be expressed as intraclass correlation coefficients (ICCs), such as Cronbach's alpha. The Spearman–Brown prophecy formula (SB formula) is used to calculate the reliability when the number of items in a questionnaire is changed. This paper aims to increase insight into reliability studies by pointing to the assumptions of reliability coefficients, similarities between various coefficients, and the subsequent new applications of reliability coefficients. Design, Settings and Results The origin and assumptions of Cronbach's alpha and the SB formula are discussed. Cronbach's alpha is written as an ICC formula, using the well-known property that taking the average value of a number of ratings increases the reliability of a measurement. We illustrate with an example that the ICC formulas for average measurements of multiple raters and the SB formula give similar results. This implies that the SB formula can be used to decide on the number of measurements to be averaged and thus on the number of raters required, for obtaining measurements with acceptable reliability, even if the variance components of the ICC formula are not known. Using the same example, we illustrate the principle of “Cronbach's alpha if item deleted” to decide on the poorest performing raters in a set of raters. Conclusion These applications have different assumptions: the principle of “Cronbach's alpha if item deleted” is based on the assumption of a fixed set of items/raters and the SB formula is based on the assumption of random raters. The example also emphasizes the need for more raters in the design of the reliability study to obtain a robust estimation of reliability.