ArticlePDF Available

Dwang bij misdrijven tegen de zeden in het afgelopen decennium. Gezichtspunten uit de rechtspraak met het oog op een toekomstig wetsvoorstel (DD 2019/59)

Authors:
756 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
L.E.M. Schreurs, J. van der Ham & L.E.M. Hamers1
Dwang bij misdrijven tegen de zeden in het afgelopen
decennium
Gezichtspunten uit de rechtspraak met het oog op een
toekomstig wetsvoorstel2
DD 2019/59
59.1 HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194, NJ 2019/241 m.nt.
Rozemond
“3.2. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte heeft 's
nachts, nadat hij zich enkele uren had schuilgehouden in een andere kamer, plotseling de slaapka-
mer van [slachtoffer] betreden, terwijl aan hem in het kader van een Veiligheidsplan de toegang
tot die woning was ontzegd. Daarop heeft hij [slachtoffer] gewekt en op dat moment een stuk
ducttape afgescheurd, waarna de verdachte haar telefoon heeft verstopt om te voorkomen dat zij
de politie zou bellen en heeft hij haar belet die slaapkamer te verlaten. Tijdens zijn aanwezigheid in
die slaapkamer was het gedrag van de verdachte onvoorspelbaar, had hij stemmingswisselingen,
en waren zijn uitlatingen zoals weergegeven in de bewezenverklaring zorgwekkend en moeilijk
te peilen. Daardoor kwam hij als gevaarlijk en bedreigend op [slachtoffer] over en wekte hij angst
bij haar. Zij heeft op hem ingepraat en vervolgens seks met hem gehad. Tijdens de bewezenver-
klaarde seksuele handelingen heeft de verdachte de polsen van [slachtoffer] vastgegrepen op het
moment dat zij diens hand probeerde weg te duwen en heeft hij haar hoofd naar zijn penis ge-
duwd. Aan deze feiten en omstandigheden heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat [slacht-
offer] zich door de bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van de verdachte gedwongen
heeft gevoeld tot het ondergaan en verrichten van seksuele handelingen, teneinde hem gunstig te
stemmen en zo erger te voorkomen.
3.3. De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is
voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand han-
delingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of
haar wil. Het Hof heeft, gelet op de onder 2.3 weergegeven overweging dat de verdachte bewust
de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slacht-
offer plaatsvonden, geoordeeld dat de verdachte met zodanig opzet heeft gehandeld. Daarin ligt
besloten dat het Hof met zijn overweging dat de verdachte heeft "kunnen en moeten begrijpen"
dat hij een zodanig bedreigende situatie heeft gecreëerd dat [slachtoffer] zich gedwongen voelde
seksuele handelingen te verrichten en te ondergaan, niet tot uitdrukking heeft gebracht dat dit
"kunnen en moeten begrijpen" reeds voldoende is voor het bewijs van het opzet, maar slechts - zij
het in minder gelukkig gekozen bewoordingen - heeft gereageerd op een namens de verdachte
gevoerd verweer.
1 L.E.M. Schreurs is promovenda aan Tilburg University, Department of Criminal Law, J. van der Ham was ten tijde
van het afronden van deze bijdrage docent straf(proces)recht aan Tilburg University en L.E.M. Hamers is Parketse-
cretaris bij het openbaar ministerie (de bijdrage is geschreven op persoonlijke titel).
2 Citeertitel: L.E.M. Schreurs, J. van der Ham & L.E.M. Hamers, ‘Dwang bij misdrijven tegen de zeden in het afge-
lopen decennium. Gezichtspunten uit de rechtspraak met het oog op een toekomstig wetsvoorstel’, DD 2019/59.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 756T3d_DD_1909_bw_V02.indd 756 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
757Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
3.4. Het oordeel van het Hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard
dat de bewezenverklaarde seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer] hebben plaats-
gevonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk
gelet op hetgeen het Hof blijkens zijn hiervoor onder 3.2 samengevatte bewijsvoering heeft vast-
gesteld, waaronder de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gebracht in
de bedreigende situatie waaraan zij zich niet kon onttrekken en waarin de seksuele handelingen
hebben plaatsgevonden. Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doet niet af dat [slachtoffer] zich
niet tegen al de bewezenverklaarde gedragingen en handelingen van de verdachte heeft verzet.”
59.2 Hof Amsterdam 21 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8995
“De verdachte heeft het bejaarde en veel kleinere slachtoffer 's nachts verrast in haar woning.
Hoewel hem duidelijk was, dat zij veel ouder was dan hij en enorm schrok van zijn ongenode en
plotselinge aanwezigheid, is hij direct op zijn doel afgegaan en heeft hij, als volstrekt onbekende
van het slachtoffer, vrijwel direct na binnenkomst seks met haar gehad. Hij heeft haar geen toe-
stem min g gevr aagd voo r zijn h andelin gen. G ezien de aa ngi fte was zij te bang om zi ch te verzet ten.
Door het slachtoffer onverhoeds en zonder woorden op te pakken, op het bed te leggen, te be-
tasten, haar benen te spreiden en haar te penetreren, heeft de verdachte naar 's hofs oordeel,
door zijn aan leeftijd gebonden fysiek en geestelijk overwicht druk uitgeoefend en een zodanig
bedreigende situatie veroorzaakt, dat het voor het slachtoffer zo moeilijk was om zich aan zijn
handelingen te onttrekken, dat zij zich gedwongen heeft gezien deze handelingen te ondergaan.
Het hof neemt hierbij mede in beschouwing de geringe weerbaarheid van dit door haar leeftijd
kwetsbare slachtoffer.
Het hof is van oordeel, dat de verdachte, door het uitblijven van verzet voor vrijwilligheid aan te
zien en zich er niet uitdrukkelijk van te vergewissen of het slachtoffer het zelfde doel voor ogen
had als hij (zij waren immers vreemden voor elkaar), de aanzienlijke kans heeft aanvaard, dat zij
zijn handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Het uitblijven van kenbaar verzet bij het slacht-
offer is immers geen indicatie dat geen sprake is geweest van dwang; doorslaggevend in dit geval
is het ontbreken van haar toestemming.
De verwijzingen van de verdachte naar de door hem zelf ervaren sfeer en de wijze waarop het
slachtoffer keek en haar lichaamstaal, zijn ontoereikend.
In het licht van de bovengenoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat wettig
en overtuigend bewezen kan worden, dat de verdachte mevrouw [slachtoffer 1] heeft verkracht.”
59.3 Rb. Amsterdam 20 april 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW3465
“Tussen verdachte en [aangeefster 1] bestond een aanzienlijk leeftijdsverschil. Hoewel niet ten las-
te gelegd, was [aangeefster 1] gedurende een deel van de ten laste gelegde periode zelfs minder-
jarig (17 jaar). Uit de verklaring van [aangeefster 1] blijkt daarnaast duidelijk dat tussen verdachte
en haar een afhankelijkheidsrelatie was ontstaan. De rechtbank concludeert, gelet op de hiervoor
onder 4.3.3 weergegeven algemene opmerkingen ten aanzien van verkrachting, echter dat deze
omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om het handelen van verdachte als verkrachting
aan te kunnen merken. Er moet dus worden beoordeeld of er nog andere omstandigheden of han-
delingen zijn die als 'feitelijkheid' in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht kunnen
worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.
Een groot deel van de seksuele handelingen die verdachte bij [aangeefster 1] heeft verricht, vonden
plaats in zijn woning, de eigen vertrouwde plek van verdachte, maar niet die van [aangeefster 1].
Bovendien heeft verdachte [aangeefster 1] onverhoeds geconfronteerd met pornografische beel-
den. Ten slotte heeft verdachte grote druk op [aangeefster 1] gelegd door meermalen tegen haar
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 757T3d_DD_1909_bw_V02.indd 757 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
758 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
te zeggen dat ze niets over de gebeurtenissen mocht zeggen, te zeggen dat hij alles zou ontkennen
en te zeggen dat hij haar leven een nachtmerrie zou maken. [aangeefster 1] heeft verklaard dat ze
bang was om tegen verdachte in te gaan omdat ze voor haar eetstoornis afhankelijk was van ver-
dachtes hulp en dat ze bang was om die hulp te verliezen. Met de hiervoor genoemde handelingen
en mededelingen heeft verdachte een zodanige psychische druk op [aangeefster 1] gelegd dat zij
daaraan geen weerstand meer kon bieden.
Verdachte wist dat [aangeefster 1] een fysiek en psychisch kwetsbaar meisje was. Op het mo-
ment dat verdachte voor het eerst over [aangeefster 1] hoorde, lag ze zelfs in een ziekenhuis op de
Intensive Care-unit vanwege haar eetstoornis. Hij had dus moeten beseffen welke druk hij met
zijn handelen en mededelingen op [aangeefster 1] legde. Gelet op voornoemde omstandigheden
mocht verdachte niet aannemen dat [aangeefster 1] de seksuele handelingen vrijwillig onderging.
Door zijn handelen heeft verdachte dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangeefster
1] de handelingen, waaronder begrepen het seksueel binnendringen van het lichaam, tegen haar
wil zou ondergaan, zodat er sprake is van voorwaardelijke opzet op dwang. De ten laste gelegde
verkrachting kan dus worden bewezen.
(…)
Tussen verdachte en [aangeefster 2] bestond een aanzienlijk leeftijdsverschil. Uit de verklaring van
[aangeefster 2] blijkt daarnaast duidelijk dat tussen verdachte en haar een af hankelijkheidsrelatie
was ontstaan. Zoals hiervoor al overwogen, zijn deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende
om het handelen van verdachte als verkrachting aan te kunnen merken. Er moet dus worden be-
oordeeld of er nog andere omstandigheden of handelingen zijn die als 'feitelijkheid' in de zin van
artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de
rechtbank is dat het geval.
De seksuele handelingen die verdachte bij [aangeefster 2] heeft verricht, vonden plaats in zijn
woning, de eigen vertrouwde plek van verdachte, maar niet die van [aangeefster 2]. Bovendien
heeft verdachte [aangeefster 2] onverhoeds geconfronteerd met pornografische beelden. Ten slot-
te heeft verdachte een grote druk op [aangeefster 2] gelegd door meermalen tegen haar te zeggen
dat ze niets over de gebeurtenissen mocht zeggen, te zeggen dat niemand haar zou geloven en dat
iedereen zou denken dat het haar schuld was en te zeggen dat ze het zelf had uitgelokt. Bovendien
zei verdachte, als [aangeefster 2] zei dat ze bepaalde dingen niet wilde doen, dat ze het wel wilde
en dat ze spelletjes aan het spelen was. Met de hiervoor genoemde handelingen en mededelin-
gen heeft verdachte een zodanige psychische druk op [aangeefster 2] gelegd dat zij daaraan geen
weerstand meer kon bieden en de handelingen daarom maar onderging.
Verdachte wist dat [aangeefster 2] een kwetsbaar meisje was vanwege haar eetstoornis. Hij had
dus moeten beseffen welke druk hij met zijn handelen en mededelingen op haar legde. Gelet op
voornoemde omstandigheden mocht verdachte niet aannemen dat [aangeefster 2] de seksuele
handelingen vrijwillig onderging. Door zijn handelen heeft verdachte dus bewust de aanmerke-
lijke kans aanvaard dat [aangeefster 2] de handelingen tegen haar wil zou ondergaan, zodat er
sprake is van voorwaardelijke opzet op dwang. De ten laste gelegde verkrachting kan dus worden
bewezen.
(…)
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de tevens cumu-
latief ten laste gelegde verkrachting van [aangeefster 4] niet wettig en overtuigend bewezen kan
worden. Uit haar verklaring blijkt namelijk niet dat sprake was van een psychisch bedreigende
situatie waardoor zij gedwongen is de seksuele handelingen te ondergaan. De afhankelijkheids-
relatie in combinatie met het leeftijdsverschil tussen verdachte en [aangeefster 4] is daarvoor
onvoldoende.
(…)
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 758T3d_DD_1909_bw_V02.indd 758 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
759Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte bij het
plegen van de seksuele handelingen met [aangeefster 5] niet een dusdanig overwicht op haar heeft
gehad dat zij gedwongen is om de handelingen te ondergaan. Ook zijn er geen andere omstandig-
heden aanwezig waaruit blijkt dat sprake was van dwang of onmacht bij [aangeefster 5] om zich
tegen de handelingen te verzetten. De afhankelijkheidsrelatie in combinatie met het leeftijdsver-
schil tussen verdachte en [aangeefster 5] is daarvoor onvoldoende.
(…)
Tussen verdachte en [aangeefster 6] bestond een aanzienlijk leeftijdsverschil ten tijde van de sek-
suele handelingen. [aangeefster 6] was zelfs nog minderjarig, 16 jaar. Uit haar verklaring blijkt
daarnaast duidelijk dat tussen verdachte en haar een afhankelijkheidsrelatie was ontstaan. Deze
omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om het handelen van verdachte als verkrachting
aan te kunnen merken. Er moet dus worden beoordeeld of er nog andere omstandigheden of han-
delingen zijn die als 'feitelijkheid' in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht kunnen
worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan van dwingen niet alleen sprake zijn als verzet wordt
gebroken, maar ook als het onverhoedse karakter van het handelen van verdachte het slachtoffer
overvalt en verzet voorkomt. Alleen al door [aangeefster 6] plotseling op haar rug te draaien en de
seksuele handelingen te verrichten, heeft verdachte zich daardoor schuldig gemaakt aan dwang.
Dat deze handelingen plaatsvonden na een lang gesprek, zoals door de raadsvrouw is betoogd,
doet niet af aan de onverhoedsheid van het handelen van verdachte omdat [aangeefster 6] niet
hoefde te verwachten dat verdachte van masseren plotseling zou overgaan naar het verrichten
van seksuele handelingen.
Daarnaast zijn er nog meer feitelijkheden aanwezig. De seksuele handelingen die verdachte bij
[aangeefster 6] heeft verricht, vonden plaats in zijn woning, de eigen vertrouwde plek van ver-
dachte, maar niet van [aangeefster 6]. Bovendien heeft verdachte [aangeefster 6] onverhoeds
geconfronteerd met pornografische beelden en haar onverwacht zijn naakte lichaam en stijve
geslachtsdeel laten zien. Met de hiervoor genoemde handelingen heeft verdachte een zodanige
psychische druk op [aangeefster 6] gelegd dat zij daaraan geen weerstand meer kon bieden en de
handelingen daarom maar onderging.
Verdachte wist dat [aangeefster 6] een kwetsbaar jong meisje was. Hij had dus moeten beseffen
welke druk hij met zijn handelen op haar legde. Gelet op voornoemde omstandigheden mocht ver-
dachte niet aannemen dat [aangeefster 6] de seksuele handelingen vrijwillig onderging Door zijn
handelen heeft verdachte dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangeefster 6] de han-
delingen tegen haar wil zou ondergaan, zodat er sprake is van voorwaardelijke opzet op dwang.
De ten laste gelegde verkrachting kan dus worden bewezen.”
59.4 Hof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2013,
ECLI:NL:GHARL:2013:8410
“Uit het dossier volgt dat aangeefster [benadeelde] in augustus 2012 aan verdachte heeft aange-
geven van hem te willen scheiden. Desondanks is er in eerste instantie de afspraak gemaakt dat
er nog wel seksueel contact tussen hen beiden zou zijn. Op 14 september 2012 heeft [benadeelde]
verdachte te kennen gegeven geen seks meer met hem te willen en apart te willen slapen. Omdat
er toch seksuele contacten bleven plaatsvinden, is [benadeelde] op 12 oktober 2012 naar de zeden-
politie gestapt. Tegenover de zedenrechercheur heeft zij verklaard geen seks meer met verdachte
te willen. Uiteindelijk heeft [benadeelde] op 16 oktober 2012 de echtelijke woning verlaten. In een
tweede gesprek met de zedenpolitie op 9 november 2012 heeft [benadeelde] aangegeven dat ze
zich schaamde omdat er toch weer seks tussen verdachte en haar had plaatsgevonden. [benadeel-
de] verbleef op dat moment uit angst voor verdachte op een voor hem geheim adres. Na wederom
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 759T3d_DD_1909_bw_V02.indd 759 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
760 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
een melding van [benadeelde] over ongewenst seksueel contact met verdachte in de periode van
18 tot en met 19 december 2012 heeft de politie verdachte op 21 december 2012 op het politie-
bureau ontboden voor een gesprek. In dit gesprek heeft verdachte de politie te kennen gegeven
dat er na de scheiding afspraken zijn gemaakt over seks, waar [benadeelde] in het begin mee in-
stemde. Later wilde zij soms niet, maar dan kneedde hij net zo lang tot hij haar wel zover kreeg,
aldus verdachte. Verdachte gaf voorts aan dat hij nu wel begreep [benadeelde] pijn te hebben ge-
daan. Verdachte heeft met de politie de afspraak gemaakt dat hij [benadeelde] met rust zou laten,
niet naar haar woning zou gaan en geen seks meer met haar zou hebben.
Twee weken later, op 5 januari 2013, is verdachte gewapend met een gasrevolver, een mes en een
stroomstootwapen naar de woning van [benadeelde] in [plaats1] gegaan. Verdachte was op dat
moment woedend op [benadeelde]. Buiten de woning heeft hij de komst van [benadeelde] afge-
wacht. Op het moment dat [benadeelde] op de oprit uit haar auto wilde stappen, dwong verdachte
haar onder bedreiging van de gasrevolver en het mes plaats te nemen op de passagiersstoel in haar
auto, waarna verdachte op de bestuurdersstoel plaatsnam en vervolgens wegreed. Doordat [bena-
deelde] vanwege haar angst voor verdachte op een eerder moment 112 onder de ‘direct bellen
knop’ had gezet, lukte het haar om nog voordat verdachte haar telefoon had afgepakt meteen 112
te bellen. Het gesprek in de auto is hierdoor - zonder medeweten van verdachte - opgenomen. Uit
de weergave van de 112-gesprekken blijkt dat verdachte tegen [benadeelde] heeft gezegd dat ze
met elkaar naar bed zouden gaan, dat hij dat eiste, dat zij een afspraak hadden, dat hij tot alles in
staat was, dat zijn pistool op scherp stond en als hij het niet vertrouwde gelijk schoot, dat zij geen
poging meer moest doen om te bellen want dan zou ze het niet overleven en dat hij geweld moest
gebruiken. Toen verdachte en aangeefster na een autorit naar [plaats2] weer teruggekeerd waren
bij de woning van [benadeelde] in [plaats1], is verdachte - onder medeneming van zijn revolver,
mes en stroomstootwapen - met [benadeelde] de woning binnengegaan. Dit ondanks [benadeel-
de] uitdrukkelijke verzoek de revolver in de auto te laten. In de woning hebben verdachte en [be-
nadeelde] met elkaar gesproken.
Volgens verdachte was dit een goed gesprek en ontstond er na verloop van tijd een atmosfeer van
vr iends chap en b egr ip en toonde a angee fster zich welw illen d toen hij opp erde naa r de slaapkamer
te gaan. Aangeefster heeft te kennen gegeven dat zij op dat moment erg bang was voor verdachte
en alles in het werk heeft gesteld om hem op zijn gemak te stellen en verdere escalatie te voor-
komen. Zij voelde zich genoodzaakt verdachte zijn zin te geven toen hij met haar naar bed wilde.
Uit angst voor verdachte heeft [benadeelde] zich vervolgens niet verzet tegen de handelingen van
verdachte die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
Het hof volgt verdachte niet in zijn stelling dat het voorval onder feit 1, te weten de vrijheidsbene-
ming en de bedreigingen die in dit kader jegens aangeefster zijn geuit, geheel los moet worden
gezien van hetgeen direct daarop volgend in de woning van aangeefster is gebeurd.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, bestaande uit de voorgeschie-
denis en de omstandigheden waaronder het seksueel contact heeft plaatsgevonden, acht het hof
wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten
laste gelegde. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.”
59.5 Rb. Den Haag 3 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11636
“In dit geval was sprake van een relatief groot leeftijdsverschil tussen de zeventienjarige verdachte
en het twaalfjarige slachtoffer, hetgeen op zichzelf reeds een lichamelijk en geestelijk overwicht
van de verdachte op het slachtoffer meebracht. Bovendien was het slachtoffer dronken, hetgeen
haar, mede gelet op haar jonge leeftijd, weerloos en kwetsbaar maakte. De verdachte heeft zowel
tegenover de politie als ter terechtzitting aangegeven dat hij wist dat het slachtoffer dronken was
en nauwelijks meer op haar benen kon staan. Met die wetenschap heeft de verdachte het slacht-
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 760T3d_DD_1909_bw_V02.indd 760 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
761Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
offer mee naar boven genomen en gezegd dat zij haar broek moest uit doen. Het slachtoffer moest
van hem met haar handen tegen de muur gaan staan. Hij heeft vervolgens haar rug naar voren
gebogen en heeft, achter het slachtoffer staand, zijn penis in haar vagina gebracht. Gelet op de
geringe weerbaarheid van het slachtoffer waarvan verdachte op de hoogte was, de hiervoor om-
schreven gedragingen en mondelinge uitlatingen van verdachte, levert dit naar het oordeel van
de rechtbank een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht op dat het slachtoffer daaraan geen
weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde aan verdachtes seksuele wensen te voldoen.
De rechtbank is dan ook van oordeel, alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend, dat
moet worden vastgesteld dat de verdachte door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot
het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam (vergelijk Hoge Raad 10 oktober
2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6940). Anders dan de officier van justitie en de raadsman, is de recht-
bank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich
heeft schuldig gemaakt aan de hem bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde verkrach-
ting van [slachtoffer].”
59.6 Rb. Rotterdam 9 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9988
“De rechtbank is niet overtuigd geraakt van het feit dat verdachte zich bewust is geweest van
het tegen de wil ondergaan van seksuele handelingen door aangeefster. Hoewel aangeefster in
het begin heeft gezegd dat verdachte moest stoppen, acht de rechtbank, gelet op de verklaring
van verdachte over het wederzijds opzoeken van elkaars grenzen en de daarop volgende pas-
sieve en gelaten houding van aangeefster het voor verkrachting vereiste opzet op het gedwongen
voelen door aangeefster niet bewezen. De rechtbank heeft hierbij ook acht geslagen op hetgeen de
psycholoog over verdachte heeft gerapporteerd. Deze schrijft dat de bij verdachte geconstateerde
onrijpe persoonlijkheid met zich meebrengt dat hij onvoldoende overziet wat de gevolgen van zijn
gedrag zijn voor een ander, en dat, zeker wanneer het gaat om subtiele nuances in interacties, er
een grote kans bestaat dat verdachte deze nuances zal missen.”
59.7 Rb. Gelderland 8 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1686
“Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat er niet alleen een groot leeftijdsver-
schil is tussen verdachte en [naam 8] enerzijds en [slachtoffer 5] anderzijds, maar dat bij [slachtoffer
5] ook sprake was van een geestelijke beperking. [naam 8] en verdachte waren niet alleen numeriek,
maar ook fysiek en geestelijk in overwicht. [naam 8] en verdachte waren daarvan op de hoogte. Het
was ook duidelijk dat [slachtoffer 5] dit niet wilde, zo blijkt uit de verklaring van [naam 8].
Door [slachtoffer 5] te overrompelen met de vragen over de boxershorts en door de manier van han-
delen van verdachte en [naam 8] hebben zij naar het oordeel van de rechtbank misbruik gemaakt van
de geestelijke beperking en het beperkte vermogen van [slachtoffer 5] om weerstand te bieden. De
rechtbank acht daarom de primair tenlastegelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.”
59.8 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 5 juli 2017,
ECLI:NL:OGEAC:2017:1243
“De aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] waren allen tussen de 19 en 23 jaar
gedurende de ten laste gelegde perioden, dus meerderjarig. Zij hebben alle drie verklaard dat zij
zich destijds niet uitdrukkelijk mondeling of fysiek hebben verzet tegen de seksuele contacten met
de verdachte. De aangeefster [slachtoffer 7] heeft zelfs verteld dat ze seksueel opgewonden raakte
3 Onder weglating van voetnoten.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 761T3d_DD_1909_bw_V02.indd 761 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
762 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
als ze in de nabijheid van de verdachte verkeerde en op enig moment ook verliefd op hem werd. Er
is op geen enkel moment door de verdachte geweld gebruikt tegen de aangeefsters of gedreigd met
geweld, zodat van dwang in die zin geen sprake is geweest. Naar het oordeel van het gerecht is in
alle drie de gevallen echter wel sprake geweest van dwang in de vorm van ‘door andere feitelijk-
heden dwingen’. Vooropgesteld wordt dat dit zich slechts kan voordoen als de verdachte door die
feitelijkheden opzettelijk heeft veroorzaakt dat de aangeefsters de seksuele handelingen tegen hun
wil hebben ondergaan. Hiervan kan sprake zijn als de verdachte de aangeefsters in een zodanige
afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen
die handelingen hebben kunnen verzetten.(3) Dit is het geval geweest ten aanzien van de aangeef-
sters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]. Het gerecht licht dit als volgt toe. In de ten
laste gelegde periode waren zij alle drie lid van de kerkgemeenschap waarvan de verdachte de
oprichter en fulltime organisatorisch en geestelijk leidsman was. Uit de verklaringen in het dossier
komt het beeld naar voren van een goed georganiseerde en hechte religieuze gemeenschap met een
intense geloofsbeleving en met aan het hoofd de verdachte als charismatisch leider. Ter zitting is
een opname getoond van een deel van een kerkdienst onder leiding van de verdachte. Het zojuist
geschetste beeld klopt met de, op de opname zichtbare, intensiteit waarmee de verdachte de dienst
leidt en het publiek zijn woorden ontvangt. Vanuit zijn hoedanigheid als fulltime kerkleider binnen
een dergelijke geloofsgemeenschap is de verdachte bij uitstek degene aan wie de zorg voor de kerk-
leden is toevertrouwd en draagt hij verantwoordelijkheid voor hun geestelijke en fysieke welzijn.
Gelet op dit alles kan het niet anders zijn dan dat de verdachte een groot vertrouwen genoot van
de kerkleden. Het is een feit van algemene bekendheid dat uit dit soort vertrouwensrelaties in de
regel ook emotionele afhankelijkheidsrelaties voortvloeien. Dit blijkt ook uit de verklaringen van
de aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]. Ze waren allemaal net meerderjarig
toen ze lid werden van de kerk van de verdachte en minstens 26 jaar jonger dan hij.
De aangeefsters bezochten de kerkdiensten en ontmoetten de verdachte ook buiten die diensten
om. Ze spraken dan onder andere met hem over hun persoonlijke problemen. De aangeefsters
hadden geen of moeizaam contact met hun vader en de verdachte vulde die leegte op. De aangeef-
ster [slachtoffer 7] heeft verklaard dat de verdachte expliciet heeft gezegd dat hij voor haar zou
zorgen als een vader en dat zij de verdachte ook als zodanig zag.
De andere twee aangeefsters hebben eveneens verklaard dat de verdachte door hen als een va-
derfiguur werd gezien. Alle drie vertrouwden ze de verdachte volkomen. Op een gegeven moment
nam de verdachte het initiatief om de relatie met deze drie aangeefsters te seksualiseren. Daar-
mee heeft de verdachte de strafrechtelijke grenzen overschreden. Onder de zojuist geschetste om-
standigheden was de kans aanmerkelijk dat zij inmiddels in een zodanige af hankelijkheidsrelatie
waren gebracht dat ze zich daardoor, ook als jongvolwassenen, naar redelijke verwachting niet
(meer) tegen het seksuele contact met de verdachte konden verzetten en zich dus in een dwang-
situatie bevonden. Het ontbreken van instemming is met de dwangsituatie gegeven. De verdachte
moet zich destijds hebben gerealiseerd dat die aanmerkelijke kans bestond. Door zijn keuze om
het seksuele contact met de drie aangeefsters toch aan te gaan, heeft hij dat risico bewust aan-
vaard.”
59.9 Rb. Midden-Nederland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3404
“Dwang
Volgens vaste jurisprudentie kan sprake zijn van dwingen door een feitelijkheid indien de ver-
dachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zoda-
nige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke ver-
4 De voetnoten bij dit arrest zijn in deze bijdrage weggelaten.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 762T3d_DD_1909_bw_V02.indd 762 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
763Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
wachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer
heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer
zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een
dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de
concrete omstandigheden van het geval (HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494).
Deze ‘concrete omstandigheden van het geval’ leidt de rechtbank af uit hetgeen de aangeefsters
daaromtrent hebben verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de volgende omstandigheden relevant
geacht: (1) de positie van de verdachte, (2) de wens van de modellen, (3) de bijzondere situatie, (4)
de opstelling van verdachte tijdens de fotoshoots en (5) het onverhoedse karakter. Ter illustratie
van deze omstandigheden zal de rechtbank steeds een aantal verklaringen van aangeefsters (te-
vens bewijsmiddelen) citeren.
(…)
(1) Positie van de verdachte(53)
Verdachte heeft zijn werk gemaakt van het fotograferen van modellen, veelal in het kader van
zogeheten ‘missverkiezingen’. Zo had de vrouw van verdachte een modellenbureau en was ver-
dachte samen met zijn vrouw ook betrokken bij de organisatie van een missverkiezing op de Do-
minicaanse Republiek, zijn land van herkomst.
(…)
(2) Wens van de modellen
Voor een deel van de aangeefsters geldt dat zij de wens hadden om model te worden, waren be-
naderd door de vrouw van verdachte of, in het geval van [slachtoffer 4], de wens hadden om be-
dreven te raken in fotografie van modellen.
(…)
(3) Bijzondere situatie
Meerdere aangeefsters hebben verklaard dat de fotoshoots anders verliepen dan dat zij van te
voren hadden verwacht.
(…)
(4) Opstelling van de verdachte
Diverse aangeefsters hebben verklaard over de druk die zij tijdens en rondom de fotoshoots heb-
ben ervaren.
(…)
(5) Onverhoe ds
Ten slotte verklaren de aangeefsters over het onverhoedse karakter van de aan verdachte ten laste
gelegde feitelijke handelingen.
(…)
Conclusie
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte vanuit zijn hoedanigheid als modellenfoto-
graaf een bijzondere positie innam. Verdachte heeft zich aan de, veelal jonge, modellen – waarvan
de meerderheid een modellencarrière als uitdrukkelijke wens koesterde – gepresenteerd als ie-
mand die hen verder kon helpen en stelde een aantal van hen, bij goed functioneren, deelname
aan een missverkiezing in de Dominicaanse Republiek in het vooruitzicht. Verdachte heeft daar-
mee een afhankelijkheidsrelatie gecreëerd. Uit de afgelegde verklaringen volgt bovendien dat ver-
dachte druk op de aangeefsters uitoefende, door hen, bij het niet uitvoeren dan wel ondergaan
van bepaalde handelingen, een uitzichtloze carrière in het vooruitzicht te stellen, of door hen
voor te houden dat deze handelingen ‘normaal’ zijn in de modellenwereld. In diverse verklaringen
komt terug dat verdachte de modellen drank aanbood en dat hij met hen een Latijns-Amerikaans
dans deed en/of hun benen dan wel lichaam met olie of lotion insmeerde, gedragingen die al tot
lichamelijk contact leidden.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 763T3d_DD_1909_bw_V02.indd 763 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
764 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
De aangeefsters werden vervolgens verrast doordat verdachte bij het insmeren van hun benen of
bij het dansen hen ineens betastte en of met zijn vingers de vagina binnendrong. Aangeefsters
verwachten in de relatie model-fotograaf geen seksuele handelingen en waren gelet op het onver-
hoedse karakter ervan niet direct in de gelegenheid hiertegen weerstand te bieden.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de gegeven omstandig-
heden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voort vloeiend overwicht had op de aangeefsters
en bij hen heeft ingespeeld op hun wens om carrière te maken als model en/of in die hoedanig-
heid naar het buitenland te gaan. Dit heeft een zodanige druk opgeleverd in combinatie met het
onverhoedse handelen, dat het voor de aangeefsters zo moeilijk was om zich aan de handelin-
gen te onttrekken, dat sprake was van door de verdachte uitgeoefende dwang door een andere
feitelijkheid.
Kenbaarheid
Anders dan de raadsman heeft betoogd is het plegen van verzet geen noodzakelijk vereiste om
van dwang te spreken. Het is slechts een indicatie dat de seksuele handelingen tegen de wil van de
aangeefster plaatsvonden. Uit het uitblijven van verzet volgt dan ook niet dat de aangeefsters met
de seksuele handelingen instemden. Daarbij kan - en dat speelt in de onderhavige zaken - de on-
verhoedsheid en het onverwachte karakter van het optreden van de verdachte maken dat verzet
niet of nauwelijks mogelijk is.
Voor het vaststellen van opzet op de gedragingen is aldus niet vereist dat verdachte, eerst na
kenbaar verzet, is voortgegaan met zijn handelen.”
59.10 Rb. Midden-Nederland 16 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3309
“Bewijsoverweging
Uit de verklaringen van [slachtoffer 4] volgt dat zij met verdachte had afgesproken zodat hij kon
oefenen voor zijn massage-opleiding. Zij ging aldus naar verdachte toe met de verwachting dat zij
gemasseerd zou worden. De setting zoals verdachte deze creëerde tijdens de massage, gaf echter
blijk van andere intenties van zijn kant. Allereerst heeft verdachte aan [slachtoffer 4] opgedragen
om zich volledig uit te kleden. Hiermee heeft verdachte [slachtoffer 4] in een kwetsbare positie
gebracht, doordat zij geheel naakt in zijn woning op een massagetafel kwam te liggen. Tijdens de
massage heeft verdachte zijn handen geleidelijk en onverhoeds verplaatst naar intiemere delen
van het lichaam van [slachtoffer 4], zoals de borsten en de vagina. [slachtoffer 4] geeft zelf aan dat
zij deze handelingen van verdachte niet had verwacht, dat zij geen seksuele intenties had en dat
zij deze seksuele handelingen niet wilde. De door verdachte gecreëerde setting heeft [slachtoffer
4] echter in de situatie gebracht dat zij hiertegen niet (meteen) weerstand kon bieden. Hierdoor
heeft [slachtoffer 4], tegen haar wil in, de seksuele handelingen van verdachte moeten dulden.
Zelfs toen het haar lukte om duidelijk te maken dat verdachte moest stoppen, hield hij niet meteen
op. Dit gebeurde pas toen zij overeind kwam. Verdachte had hierdoor niet alleen kunnen, maar
ook moeten weten dat zijn seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer 4] ingingen. Bij een
massage heeft het uitgangspunt te gelden dat – zonder ondubbelzinnige contra-indicaties – geen
seksuele handelingen worden verricht.
[slachtoffer 4] heeft nooit het signaal afgegeven deze seksuele handelingen te willen. Gelet op
hetgeen hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer 4] heeft ge-
dwongen seksuele handelingen te dulden die mede hebben bestaan uit het binnendringen van het
lichaam. Hierdoor acht de rechtbank de onder 3 ten laste gelegde verkrachting wettig en over-
tuigend bewezen.
(…)
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 764T3d_DD_1909_bw_V02.indd 764 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
765Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
Uit de aangifte van [slachtoffer 3] volgt dat zij met verdachte had afgesproken voor een massage
en dat zij met deze intentie naar zijn woning is gegaan. Terwijl verdachte haar aan het masseren
was, ver plaatste hij zijn handen geleidelijk en onverhoeds r ichting de schaamstreek en vagina van
[slachtoffer 3] . Zij verstijfde hierdoor en ondanks dat zij wilde dat hij ophield, kon [slachtoffer 3]
dit niet direct kenbaar maken. Ze verklaart zich bewust te zijn geweest van de setting – zij was
halfnaakt en alleen in zijn woning en was hierdoor bang om weerstand te bieden. Verdachte
heeft deze setting gecreëerd, door tijdens een normale massage onverhoeds seksuele handeling
te verrichten. Hiermee heeft verdachte [slachtoffer 3] gedwongen de seksuele handelingen te dul-
den.”
59.11 Rb. Amsterdam 18 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5314
“Andere feitelijkheid gecreëerd door onverhoeds gedrag
Verdachte is seksueel opgewonden geraakt van aangeefster, hij ‘wordt warm’. Hij heeft aangeef-
ster met een excuus meegenomen naar het magazijn, achterin de winkel. Hij was daarbij op ver-
trouwd, bekend terrein. Aangeefster gaat met hem mee in de veronderstelling dat zij in dat maga-
zijn een tas te zien zou krijgen. Verdachte heeft aangeefster vervolgens onverhoeds beetgepakt/
betast en gezoend. Aangeefster is hier heel erg van geschrokken omdat het voor haar heel onver-
wacht gebeurde. Haar eerste gedachte was om te vluchten maar omdat verdachte sterker is besluit
zij om mee te werken om erger te voorkomen. Verdachte heeft haar vervolgens naar het toilet
geleid, haar daar gevingerd en zich door haar laten pijpen. Aangeefster heeft zich gedwongen
gevoeld deze handelingen te ondergaan uit angst voor erger.
Door aa ngeefster zo plots eling en onverhoe ds te betasten en te zoenen heeft verdachte haar in e en
feitelijke situatie gebracht waarin zij zich niet bij machte heeft gevoeld zich aan zijn handelingen
te onttrekken en zich gedwongen heeft gezien deze te ondergaan. De rechtbank neemt verder in
aanmerking de leeftijd van verdachte, hij is 18 jaar ouder, dat hij fysiek sterker is dan aangeefster
en de benarde kleine ruimte waar zij zich bevonden op het moment dat hij haar uit het niets heeft
belaagd.
Voorwaardelijk opzet
Verdachte heeft het uitblijven van verzet voor vrijwilligheid aangezien en zich er niet uitdruk-
kelijk van vergewist of aangeefster het zelfde doel voor ogen had als hij. Gelet op het leeftijds-
verschil, de situatie voor het overige en de omstandigheid dat zij vreemden voor elkaar waren, is
de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanzienlijke kans heeft aanvaard, dat aangeefster zijn
handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Het uitblijven van kenbaar verzet bij aangeefster is
immers geen indicatie dat geen sprake is geweest van dwang; doorslaggevend in dit geval is het
ontbreken van haar toestemming.”
59.12 Rb. Den Haag 26 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:114785
“De feitelijkheden hebben in deze zaak bestaan uit het volgende. De verdachte is naast [slacht-
offer 1] op zijn hurken gaan zitten toen zij in bad zat, en heeft toen onverhoeds haar borsten en
vagina betast. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij toen verstijfde en niet wist wat te doen. Zij zat
in bad op dat moment en kon niet weg. Ook heeft de verdachte door [slachtoffer 1] door middel
van een appje geboden om naar boven te gaan en “iets leuks” aan te trekken. Vervolgens heeft
hij [slachtoffer 1] met haar armen en benen vastgebonden aan zijn bed, haar een slaapmasker
opgezet en haar kleding uitgetrokken. Deze handelingen vonden plaats tegen de achtergrond van
5 De voetnoten bij dit arrest zijn in deze bijdrage weggelaten.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 765T3d_DD_1909_bw_V02.indd 765 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
766 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
de familierelatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. De verdachte is haar ruim dertig jaar
oudere – stiefvader en hij beschouwde [slachtoffer 1] als zijn eigen dochter. Ook was sprake van
een afhankelijkheidsrelatie van [slachtoffer 1] ten opzichte van de verdachte. Dit wordt geïllu-
streerd door de schriftelijke verklaring die [slachtoffer 1] bij haar aangifte heeft gevoegd, waarin
zij schrijft dat zij graag liefde wilde voelen van de verdachte omdat zij geen contact meer had met
haar biologische vader en dat zij vaderliefde opzocht. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat
de verdachte zowel geestelijk als fysiek overwicht had op [slachtoffer 1], en dat de verdachte zich
hiervan ook bewust was.
Hiervan heeft de verdachte misbruik gemaakt. Door binnen die familie- en afhankelijkheidsrela-
tie bovengenoemde handelingen te verrichten – onverhoeds, op gebiedende wijze – heeft hij voor
[slachtoffer 1] een zodanig bedreigende sfeer doen ontstaan dat het voor haar zo moeilijk was
om zich aan de seksuele handelingen van de verdachte te onttrekken, dat kan worden gesproken
van dwang. Ook dit wordt treffend geïllustreerd door voornoemde verklaring van [slachtoffer 1],
waarin zij schrijft dat zij bang was dat de verdachte haar niet meer als dochter zou willen hebben
en zij hem dus kwijt zou raken, als zij nee zou zeggen tegen de seksuele handelingen.”
59.13 Hof ’s-Hertogenbosch 17 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5272
“Onder 1 is, onder meer aan de hand van de bekennende verklaringen van de verdachte, bewezen
verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer] - zonder zijn, verdachtes, identiteit aan haar bekend
te maken, maar zich juist voor te doen als een voor haar onbekende derde - onder andere onder
bedreiging van het op het internet openbaar maken van naaktfoto’s, die aangeefster tijdens haar
relatie met de verdachte aan hem had gestuurd, heeft gedwongen om seksueel getinte foto- en vi-
deo-opnamen te maken van zichzelf en van zichzelf samen met de verdachte. Uit de in het vonnis
van de rechtbank weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte aangeefster
telkens (anoniem) heeft voorgehouden dat zij het openbaar maken van haar naaktfoto’s slechts
kon voorkomen door uitvoering te geven aan de haar (door hem, verdachte) verstrekte opdrachten
om seksuele handelingen uit te voeren met zichzelf en met hem, verdachte. De door de verdachte
aan aangeefster gegeven opdrachten hielden voorts in dat aangeefster de seksuele handelingen op
foto en video moest vastleggen en deze opnames digitaal aan hem, verdachte, diende toe te stu-
ren. Het was aangeefster echter niet bekend dat de verdachte degene was die haar de opdrachten
verstrekte.
(...)
Reeds op grond van het onder 1 bewezen is verklaard, is naar het oordeel van het hof sprake van
een in artikel 242 Sr bedoelde ‘andere feitelijkheid’, waardoor aangeefster werd gedwongen om
de hiervoor bedoelde seksuele handelingen uit te voeren. Aangeefster verrichtte die handelingen
immers, ter voorkoming van het openbaar maken van naaktfoto’s, in het kader van de haar door de
verdachte gegeven opdrachten om seksueel getinte foto- en video-opnamen te maken van zichzelf
en van zichzelf samen met de verdachte. Door te dreigen haar naaktfoto’s openbaar te maken
heeft de verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk een zodanige psychische druk uitge-
oefend op aangeefster dat van haar redelijkerwijs niet verwacht kon en mocht worden dat zij zich
zou verzetten tegen het uitvoeren van de haar door de verdachte gegeven opdrachten.”
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 766T3d_DD_1909_bw_V02.indd 766 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
767Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
1. Inleiding
Het bestanddeel ‘dwingt’6 in de zedentitel (Titel XIV van Boek 2: artikel 239-254a Sr) is op-
nieuw onder de aandacht gekomen nadat de Minister van Justitie en Veiligheid (verder: de
minister) in mei van dit jaar het voornemen tot uitbreiding van de zedentitel kenbaar maak-
te. Eén van de voorstellen betreft de strafbaarstelling van seks tegen de wil, in zowel een
opzet- als culpavariant.7 Het gaat hierbij nadrukkelijk om een uitbreiding van de zedentitel;
het voorstel brengt als zodanig geen wijzigingen aan in de reeds bestaande delicten. De
minister stelt zich in de Kamerbrief op het standpunt dat de huidige regelgeving niet aan-
sluit op wat vanuit maatschappelijk oogpunt wordt gezien als grensoverschrijdend gedrag
en dat de strafrechtelijke bescherming met name ten aanzien van bevriezende slacht-
offers8tekortschiet. Hij acht de huidige wetgeving gebrekkig in die zin dat de ‘drempel
voor het bewijs van dwang bij aanranding en verkrachting betrekkelijk hoog [is]’.9 Dit zou
zijn gelegen in het vereiste verzet en/of de onmogelijkheid tot onttrekking. Hij stelt dat
onder de artikelen 242 en 246 Sr ‘vereist is dat bewezen kan worden dat de seksuele han-
delingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest.’10 Concluderend
wordt gesteld dat het bestanddeel ‘dwingt’, zoals dat nu leidend is voor artikel 242 en 246
Sr, impliceert dat het slachtoffer pas voor strafrechtelijke bescherming in aanmerking komt
wanneer uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest van verzet.11
Door in de nieuwe bepalingen het juridische accent niet op het dwingen te leggen maar
op de vrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer, wordt daarin verandering beoogd.
Daarbij wordt – in vergelijking met de huidige dwangbepalingen – naast een verlaging van
de bewijsdrempel ook een verschuiving van de verantwoordelijkheid in seksueel contact
nagestreefd door deze nadrukkelijk te plaatsen bij de initiatiefnemer.12 Het conceptwets-
voorstel hieromtrent wordt eind 2019 verwacht.13
Het voorstel lijkt met name van belang te zijn voor de situatie waarin zowel het slachtoffer
als de verdachte verklaren dat sprake is geweest van seksueel contact, maar waarbij het
geschil is gelegen in de vraag of de seks tegen de wil heeft plaatsgevonden. In deze situatie
zal in de regel voldoende wettig bewijs aanwezig zijn14 dat er seksueel contact is geweest,
maar er kunnen zich gevallen voordoen waarin dwang niet (wettig en) overtuigend kan
worden bewezen. De situatie waarin de verdachte volledig ontkent dat er seksueel contact
is geweest kan hiervan worden onderscheiden. In dat geval doen zich mogelijk bewijs-
problemen voor in het kader van de bewijsminimumregels.
Met het oog op het aanstaande wetsvoorstel zien wij aanleiding voor een nadere beschou-
wing van het bestanddeel ‘dwingt’ in het licht van de veronderstellingen in de Kamerbrief.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is bijvoorbeeld reeds in 2011 uitgemaakt dat het Hof
Arnhem een onjuiste betekenis had toegekend aan de in de tenlastelegging genoemde term
6 Waar in deze bijdrage wordt gesproken over dwang, wordt eveneens gedoeld op het bestanddeel ‘dwingt’ uit
artikel 242 en 246 Sr en niet op artikel 248f Sr.
7 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518.
8 Ook aangeduid als tonische immobiliteit.
9 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 2.
10 Het is onduidelijk of de minister dit ziet als een invulling van de onttrekkingsmogelijkheid of als bijkomende
eis.
11 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 2.
12 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 3. H et begr ip ini tiat iefnemer is ru imer dan degen e die d e eerste stap zet
in seksueel contact. Volgens de Kamerbrief kan het ook gaan om de persoon die, na aanvang van dat contact,
verdergaande seksuele handelingen initieert.
13 Kamerstukken II 2018/19, 35000 VI, 127.
14 Zie de huidige opvatting omt rent steunbewijs zoals is uitgedrukt in HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:20 09:BH3704,
NJ 2009/495 en HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496 m.nt. Borgers.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 767T3d_DD_1909_bw_V02.indd 767 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
768 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
‘dwingen’ door te overwegen dat ‘van dwang door geweld of een andere feitelijkheid of be-
dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, geen sprake kan zijn indien het slachtoffer
zich niet heeft verzet tegen de dader.15 Daaruit kan worden afgeleid dat het uitblijven van
verzet derhalve onder omstandigheden verenigbaar kan zijn met een bewezenverklaring
van het dwingen van categorische uitsluiting is, in tegenstelling tot wat de Kamerbrief
doet vermoeden, in elk geval geen sprake.16 Daarnaast blijkt uit de zaak die leidde tot HR
27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427 dat aan de onmogelijkheid tot ont-
trekking een beperkte betekenis toekomt.17 Gelet hierop is het de vraag of de minister er
niet een te enge interpretatie van het juridische begrip dwang op nahoudt of zelfs ‘onnodig’
een nieuwe wetsbepaling wil creëren.
De vaststelling of sprake is van dwang is bij uitstek een feitelijke aangelegenheid: het komt
aan op de (weging) van de feiten en omstandigheden van het geval. Is de door de minister
gehanteerde beperkte interpretatie wellicht terug te voeren op de benadering die de fei-
tenrechter hanteert? Hoe gaat de feitenrechtspraak om met gevallen waarin geen evident
verzet wordt gevoerd? En welke factoren spelen daarbij een rol? Aan de hand van recht-
spraak van het afgelopen decennium wordt in deze bijdrage bezien op welke wijze het
genoemde bestanddeel, waaronder het vermeende opzet van verdachte, wordt benaderd en
op welke manier de reactie van het slachtoffer – of het uitblijven daarvan – doorwerkt in
de bewijsoverweging. Deze bespreking spitst zich toe op artikel 242 (verkrachting) en 246
(aanranding) Sr.18 Uit de rechtspraak worden casuïstische maar voor bewijsconstructies in
verkrachtings- en aanrandingszaken richtinggevende gezichtspunten gedestilleerd. De be-
spreking van de rechtspraak geeft tevens aanleiding kort stil te staan bij de andere door
de minister opgeworpen knelpunten, te weten het onderscheid tussen dwang enerzijds en
vrijwilligheid anderzijds en het voornemen om zowel een opzet- als culpavariant van seks
tegen de wil strafbaar te stellen.
De eerstvolgende paragraaf vangt aan met een bespreking van de zaak 59.1, die als illu-
stratie van de problematiek wordt gebruikt. De huidige interpretatie van het bestanddeel
dwang wordt in de derde paragraaf toegelicht. In de vierde paragraaf wordt nader inge-
gaan op de praktische invulling daarvan. In paragraaf 5 worden de bevindingen omtrent
de feitenrechtspraak in het perspectief van het te verwachten wetsvoorstel geplaatst. In
paragraaf 6 wordt afgesloten met een conclusie.
15 Hoge Raad 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491, NJ 2011/ 264 , r.o . 2.3 . De ten las tel eg gin g in dez e za ak is t oeg e-
sneden op artikel 246 Sr. De invulling van het bestanddeel ‘dwingt’ in artikel 242 Sr is gelijk. Zie K. Lindenberg
& A.A. van Dijk, Her ziening van de Zedendelicten. Een analyse van Titel XIV, Tweede Boek, Wetboek van Straf-
recht met het oog op samenhang, complexiteit en normstelling, Uitgeverij Paris: Zutphen 2016, p. 220-223; Hof
’s-Hertogenbosch 25 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3326 en de bespreking van deze uitspraak in R.S.B. Kool &
M. Kuipers, ‘“Let’s talk about sex, baby”. Seks onder de 18: bescherming of (gegunde) autonomie?’, DD 2018/33
(p. 441-443); Conclusie advocaat-generaal Knigge 10 maart 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH5725, NJ 2009/307,
punt 14.
16 Deze opvatting kan eveneens worden herkend in een tijdens de beraadslaging over de wetswijziging van de
zedentitel in 1991 opgeworpen kwestie met betrekking tot (de uitbreiding van artikelen 242 en 246 Sr met)
‘andere feitelijkheden’. Zie Kamerstukken II 1988/89, 20930, 5, p. 11; Kamerstukken II 1989/90, 20930, 8, p. 7-8.
17 Zie r.o. 4.2.1. van dat arrest. Een vergelijkbare formulering kan onder meer worden gevonden in HR 12 decem-
ber 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Buruma.
18 Ook artikel 252 Sr (toedienen van bedwelmende drank) kent een bepaling geënt op ‘dwingt’. Dergelijke zaken
vallen buiten de reikwijdte van het aanstaande wetsvoorstel en blijven om die reden in deze bijdrage buiten
beschouwing.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 768T3d_DD_1909_bw_V02.indd 768 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
769Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
2. Een illustratie van de problematiek
Zaak 59.1 spitst zich toe op de vraag of in dit concrete geval van ‘dwang’ kan worden ge-
sproken. Nadat de verdachte zich enkele uren verborgen heeft gehouden in de woning van
het slachtoffer (terwijl hem in het kader van een ‘Veiligheidsplan’ een verbod om de wo-
ning te betreden was opgelegd), drong hij vroeg in de ochtend met een rol ducttape haar
slaapkamer binnen. Hij heeft vervolgens haar telefoon verstopt om te voorkomen dat zij de
politie zou bellen en het slachtoffer, nadat zij wakker was geworden, belet de slaapkamer
te verlaten. Het gedrag van de verdachte werd gekenmerkt door stemmingswisselingen
en zorgwekkende en moeizaam te peilen uitlatingen.19 Hiermee, concludeerden zowel de
rechtbank als het hof, creëerde de verdachte een ‘dwingende setting’.20 Om erger te voor-
komen heeft het slachtoffer de verdachte proberen gerust te stellen door te praten, maar
ook door seksueel contact te hebben. Nu uit de gedragingen van het slachtoffer niet direct21
kan worden afgeleid dat de seks tegen haar wil plaatsvond, omdat zij zich welwillend op-
stelde of zelfs het seksuele contact initieerde, zal moeten worden nagegaan welke andere
omstandigheden kunnen bijdragen tot het bewijs van verkrachting. In dat kader werd de
invloed van de dwingende setting door het hof anders gewaardeerd dan door de recht-
bank vanwege het aanzienlijke tijdsverloop van vier uur22– met een andere uitkomst als
gevolg. Volgens de rechtbank is de dwingende setting gedurende het gesprek ‘(in ieder
geval in verdachtes beleving) meer naar de achtergrond verdwenen’. Uit het handelen van
het slachtoffer, zowel verbaal als non-verbaal, was voor de verdachte niet af te leiden dat
zij zich gedwongen voelde tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Zodoende sprak
de rechtbank wegens het ontbreken van dwang vrij. Het hof betrok de dwingende situatie
die de verdachte in het leven had geroepen veel nadrukkelijker bij de beoordeling van de
voor verkrachting benodigde dwang. Het was juist díe situatie die ertoe heeft geleid dat
het slachtoffer zich gedwongen voelde om seks te hebben en dat had de verdachte kunnen
en moeten begrijpen. De dwingende situatie stond volgens het hof in voldoende directe
relatie tot de seksuele handelingen, waarmee de ten laste gelegde verkrachting kon worden
bewezen. In cassatie kwam advocaat-generaal Knigge tot de conclusie dat uit de bewijs-
voering niet kan worden afgeleid dat er opzet aan de zijde van de verdachte is geweest.
Uit de door de verdachte gebezigde dwangmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat
deze op seksueel contact tegen de wil van het slachtoffer waren gericht. Daarnaast had zij
alles in het werk gesteld om vooral niet de suggestie te wekken dat de seks tegen haar wil
plaatsvond zodat, volgens Knigge, bezwaarlijk tot het oordeel kan worden gekomen dat de
onvrijwilligheid aan de verdachte kenbaar was.23 Desalniettemin doorstond het arrest van
het hof de begrijpelijkheidstoets van de Hoge Raad. Ook was volgens de Hoge Raad geen
sprake van een onjuiste rechtsopvatting, al werd de ongelukkige formulering van ‘kunnen
19 Zie de overweging van het Hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7670.
20 Rb. Gelderland 3 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:631; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2017,
ECLI:NL:GHARL:2017:7670.
21 Wel heeft zij op enig moment de hand van de verdachte weggeduwd, wat zou kunnen duiden op enige vorm van
verzet. Zie 59.1, r.o. 3.2.
22 Van 4.30 uur (het moment dat de verdachte de slaapkamer van het slachtoffer binnenk wam) tot 8.30 uur (het
moment dat de politie ter plaatse kwam).
23 Conclusie advocaat-generaal Knigge 5 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:605, NJ 2019/241 m.nt. Rozemond, punt 5.3-5.8.
Knigge stelt zich op het standpunt dat ‘voor het bewijs van het opzet het echter doorgaans wel groot verschil
[maakt] of het gebezigde dwangmiddel op seks was gericht of niet’. Als dat niet kan worden vastgesteld, zal het
bewijs van opzet op de onvrijwilligheid wellicht (zoals hij aangeeft) moeilijker te leveren zijn, maar onmogelijk
is het niet. Ook als de dwangmiddelen primair gericht zijn op het doden van iemand, kan het aanwenden
daarvan meespelen in het aannemen van het opzet van het tegen de wil verrichten van seksuele handelingen.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 769T3d_DD_1909_bw_V02.indd 769 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
770 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
en moeten begrijpen’ (die veeleer lijkt te duiden op een niet bestaande culpoze variant van
het misdrijf) daarbij buiten beschouwing gelaten door het op te vatten als een reactie op
een verweer.24
Deze uitspraak laat zien dat het uitblijven van verzet geen beletsel voor een veroordeling
voor verkrachting hoeft te vormen. Zelfs de mogelijkheid dat het slachtoffer het seksuele
contact zelf heeft geïnitieerd, staat daar niet per definitie aan in de weg. Het bewijs dat het
slachtoffer desondanks is gedwongen tot het ondergaan of verrichten van seksuele han-
delingen, zal dan uit andere feiten en omstandigheden moeten worden afgeleid; in dit geval
leidde de situatie die aan de seks voorafgingen tot een dwingende setting. Na een uiteen-
zetting van de juridische betekenis van het bestanddeel dwang in de volgende paragraaf,
wordt in paragraaf 4 een nadere blik geworpen op een aantal zaken waarin het uitblijven
van (wezenlijk) verzet aan de orde is.
3. ‘Dwingt’ in de zedentitel: de huidige stand van zaken
Ter verduidelijking van de structuur en verschillende onderdelen van ‘dwingt’, wordt in
deze paragraaf een overzicht gegeven van de hoofdlijnen van dat bestanddeel.25 Een basis-
voorwaarde om te kunnen spreken van dwang is dat de seksuele handelingen (reeds op dat
moment) tegen de wil van het slachtoffer plaatsvinden.26 Het wettelijk vereiste dwingen
dient bovendien voort te vloeien uit één of meer van de in de bepaling voorgeschreven
dwangmiddelen en staat zodoende niet op zichzelf. Met andere woorden, het dwingen
dient in causaal verband te staan met i) geweld en/of ii) een andere feitelijkheid en/of iii)
een dreigingsvariant van één of beide. Daarbij is vereist dat de dwangmiddelen het ver-
mijden van de seksuele handelingen niet of nauwelijks mogelijk maken, wat uit de bewijs-
motivering dient te volgen.27 Of het gebruik van een van deze middelen in een specifiek
geval resulteert in dwang, hangt af van de omstandigheden van het geval.28 Wel geldt daar-
bij een bepaalde ondergrens, die in elk van de drie varianten op een andere wijze wordt
ingevuld. Ten aanzien van het dwangmiddel geweld (ad i)) is uitgemaakt dat dit ‘van vol-
doende kaliber [dient] te zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken’.29 Ook de
‘andere feitelijkheden’30 (ad ii)) dienen van een bepaald gewicht te zijn, wil men kunnen
spreken van dwingen: volgens vaste (meer recente31) jurisprudentie kan dwingen door een
feitelijkheid aan de orde zijn ‘indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk
heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht
dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen
heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige
door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke ver-
wachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken’.32 Voor de dreigingsvarianten
24 59.1, r.o. 3.3-3.4.
25 Zie voor een uitgebreide analyse Lindenberg & Van Dijk 2016.
26 Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 220.
27 Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 220.
28 Zie HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427, r.o. 4.2.1.
29 A.J. Machielse, ‘art. 242 Sr, aant. 1: Geweld en bedreiging met geweld’, in: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer & J.
Remmelink (red.), Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online in Kluwer Navigator).
30 Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 209-220. Advocaat-generaal Hofstee geeft in zijn conclusie van 16 april 2013,
ECLI:NL:PHR:2013:415, NJ 2013/427, onder punt 12-13 een overzicht van feitelijkheden in de rechtspraak.
31 Zie Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 212-220.
32 HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427, r.o. 4.2.1.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 770T3d_DD_1909_bw_V02.indd 770 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
771Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
(ad iii)) geldt dat, gegeven de feiten en omstandigheden, een gerechtvaardigde vrees aan de
zijde van het slachtoffer voor uitvoering van het dreigement dient te bestaan.33
Ook zal aan de zijde van de dader sprake moeten zijn van opzet, dat in ingeblikte vorm
uit het ‘dwingen’ is af te leiden. De Hoge Raad hanteert als standaardoverweging dat het
(voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die be-
staan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen de wil.34 Volgens
Lindenberg & Van Dijk dient het opzet derhalve te zijn gericht op zowel het onvrijwillige
karakter van het seksuele contact als op de ontbrekende of geringe mogelijkheid zich aan
de handelingen te onttrekken, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens wordt gehan-
teerd.35 Dit betekent dat zowel de onvrijwilligheid van het slachtoffer als diens gebrekkige
mogelijkheid zich van de situatie te verwijderen voor de verdachte kenbaar moeten zijn.
Een naar culpa tenderende handelwijze, waarbij de verdachte had moeten beseffen dat het
handelen ongewenst was door het slachtoffer, is daarmee ontoereikend om dwang aan te
nemen.36
Samenvattend impliceert dwang dat opzettelijk seksuele handelingen tegen de wil van het
slachtoffer worden begaan. Daarnaast kan alleen door de wettelijke dwangmiddelen de
dwang worden verwezenlijkt waarbij bepaalde ondergrenzen in de rechtspraak zijn ge-
formuleerd.
4. Bevindingen uit de feitenrechtspraak
Om inzicht te bieden in de feitelijke invulling van het bovenstaande kader omtrent het
dwingen en de verhouding daarvan tot de voornemens van de minister te onderzoeken,
zullen in deze paragraaf enkele zaken uit het afgelopen decennium de revue passeren op
grond waarvan meer overkoepelende en richtinggevende gezichtspunten kunnen worden
geformuleerd. Het zwaartepunt ligt op de zaken waarin dwang ter discussie wordt gesteld
omdat uitgesproken verzet is uitgebleven. Die discussie doet zich met name voor in zaken
waarbij het dwangmiddel (of een meervoud daarvan) onder de noemer van ‘andere feite-
lijkheden’ valt. Dat betekent dat zaken waarbij verzet uitblijft na (dreiging met) geweld hier
veelal onbesproken blijven. Over het algemeen zal het uitblijven van verzet immers geen
obstakel vormen voor een bewezenverklaring van dwang indien bijvoorbeeld uit de be-
wijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder dreiging van een imitatiewapen
twee (minderjarige) meisjes heeft gedwongen tot het ondergaan en verrichten van seksuele
handelingen.37 De onderzochte rechtspraak geeft aanleiding in paragraaf 4.3 stil te staan bij
dwang in vergelijking met vrijwilligheid en de verschuiving in subjectieve bestanddelen.
4.1 Gezichtspunten voor de bewijsoverweging
Indien wordt betwist dat de seksuele handelingen (opzettelijk) tegen de wil hebben plaats-
gevonden, zal het aankomen op een afweging van de feiten en omstandigheden van het ge-
val. De meest in het oog springende gezichtspunten die daarbij van belang zijn, zullen hier
worden besproken waarbij moet worden opgemerkt dat deze (enige) overlap vertonen
met de gedragingen en omstandigheden die onder het wettelijke dwangmiddel ‘andere fei-
33 Zie HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225, NJ 1988/785 m.nt. Van Veen, r.o. 6.1; HR 28 maart 1995,
E CL I: NL :H R :19 95: ZD 1118 , NJ 1995/454.
34 Zie onder meer 59.1, r.o. 3.4.
35 Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 220-223.
36 Lindenberg & Van Dijk 2016, p. 223.
37 Hof Arnhem 9 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX9606.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 771T3d_DD_1909_bw_V02.indd 771 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
772 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
telijkheden’ kunnen worden geschaard, gelet op de ruime betekenis die daaraan toekomt.38
Bij de bespreking wordt expliciet het uitblijven van uitdrukkelijk verzet betrokken. De om-
standigheden die in deze paragraaf worden besproken, dienen in samenhang te worden
bezien; in de regel is geen gezichtspunt op zichzelf voldoende om tot een bewezenver-
klaring van het begrip dwang te concluderen.
4.1.1 Overwicht
In een groot aantal zaken blijkt het overwicht dat de verdachte op het slachtoffer heeft
een aanzienlijk gewicht in de schaal te leggen om tot de bewezenverklaring van dwang te
komen. Het overwicht wordt op verschillende manieren geconstrueerd, namelijk op grond
van leeftijd, fysieke, psychische dan wel numerieke aspecten. Dit wordt per categorie hier-
onder nader toegelicht.
L e e f t i j d
In veel zaken blijkt de feitenrechter in belastende zin betekenis te hechten aan het bestaan
van een groot39 leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer. In veel gevallen was,
in relatie tot de verdachte, sprake van een (veel) jonger slachtoffer.40 Dat wil niet zeggen
dat deze overwichtssituatie daartoe beperkt blijft; ook indien de verdachte juist veel jonger
is dan het slachtoffer kan een overwichtssituatie worden aangenomen. Dat overwoog het
hof bijvoorbeeld in 59.2 waarin een bejaarde vrouw (81) slachtoffer was van ongewenste
seksuele handelingen die door een 37-jarige man werden gepleegd, hetgeen onder meer
bijdroeg aan de vaststelling van dwang.
F y s i e k o v e r w i c h t
Veelal, maar niet altijd, wordt het leeftijdsverschil in verband gebracht met fysiek over-
wicht van de verdachte op het slachtoffer. De Rechtbank Amsterdam gaf in 59.11 expli-
ciet aan waar het fysieke overwicht in was gelegen door te overwegen dat ‘verdachte niet
alleen aanzienlijk ouder maar ook sterker dan de aangeefster [was]’. In andere gevallen
beredeneert de feitenrechter het overwicht onder meer vanuit de kwetsbaarheid van het
slachtoffer. In de zaak met betrekking tot de bejaarde vrouw (59.2) werd bijvoorbeeld mede
overwogen dat ‘de geringe weerbaarheid van dit door haar leeftijd kwetsbare slachtoffer’
van belang was bij de vaststelling van dwang. De Rechtbank Den Haag nam in 59.5 in over-
weging dat het leeftijdsverschil op zichzelf al in lichamelijk en geestelijk overwicht resul-
teerde, maar bracht dit daarnaast ook in verband met de geringe weerbaarheid van het
slachtoffer die het resultaat was van haar dronken toestand. Ondanks dat de rechtbank bij
de beoordeling van het bewijs betrekt dat verdachte meerdere malen bij het slachtoffer
geverifieerd zou hebben of de seks wel vrijwillig was, kwam de rechtbank in deze zaak
tot een bewezenverklaring. In het vonnis 59.3 (feit 1) relateert de Rechtbank Amsterdam
de kwetsbaarheid van het slachtoffer onder meer aan de eetstoornis waarvoor zij bij ver-
dachte in behandeling was en waarvoor zij op de intensive care lag op het moment dat ze
de verdachte leerde kennen. De fysieke kwetsbaarheid kwam ook aan bod in de zaak 59.10,
38 Conclusie van advocaat-generaal Hofstee 16 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:415, NJ 2013/427, punt 11.
39 Dat verschil hoeft niet per definitie ‘groot’ in aantal jaren te zijn maar kan ook afhankelijk zijn van de verschil-
lende levensfasen van slachtoffer en verdachte. De rechtbank Den Haag ging in een vonnis van 3 juli 2014 (59.5)
uit van het volgende leeftijdsverschil: het slachtoffer was twaalf, de verdachte zeventien jaren oud.
40 Zie bijv. Rb. Zwolle-Lelystad 4 februari 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3209; Rb. Leeuwarden 8 april 2011,
ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ0749; 59.3; HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427; 59.5; 59.8; 59.9;
59.11; 59.12.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 772T3d_DD_1909_bw_V02.indd 772 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
773Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
in die zin dat de slachtoffers door (deels) naakt een massage te ondergaan in een kwetsbare
positie verkeerden.41
Psychisch overwicht42
Het overwicht kan zich ook in psychische vorm manifesteren.43 Niet zelden is daarvan spra-
ke naast fysiek overwicht.44 In veel gevallen staat het psychische overwicht bovendien in
nauw verband met het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en slacht-
offer of anderszins een ‘uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’.45 Zo werd in
het geval van de verdachte die meerdere jonge vrouwen behandelde vanwege verschillende
stoornissen (59.3), ook geoordeeld dat hij in enkele gevallen psychisch overwicht had. De
behandelrelatie leidde immers aanvankelijk tot een vertrouwens- en afhankelijkheidsrela-
tie. Bovendien heeft verdachte ten aanzien van twee van de slachtoffers druk uitgeoefend
door hen op het hart te drukken niets over de gebeurtenissen te zeggen omdat anderen hen
toch niet zouden geloven en zouden denken dat ze het zelf hadden uitgelokt.
Ook kan psychisch overwicht in emotionele zin voorkomen. Dat was bijvoorbeeld het geval
in een zaak die zich afspeelde op Curaçao (59.8). Daar stelde het gerecht een (emotionele)
afhankelijkheidsrelatie vast: de verdachte was oprichter en geestelijk leidsman van een
kerkgemeenschap en genoot groot vertrouwen van de kerkgangers, waaruit ‘in de regel
ook emotionele afhankelijkheidsrelaties voortvloeien’. De (veel jongere) slachtoffers had-
den buiten de diensten in de kerk ook contact met de verdachte en hadden allemaal geen of
moeizaam contact met hun vader – verdachte vulde die leemte van de vaderfiguur in hun
leven op. Een vergelijkbare situatie was aan de orde in 59.12: het slachtoffer was dertien
jaar oud en zocht vaderliefde bij haar stiefvader. Zij verklaarde te verstijven toen verdachte
haar aanraakte, daarnaast neemt de rechtbank in de motivering van de bewezenverklaring
ook mee dat ‘zij bang was dat de verdachte haar niet meer als dochter zou willen hebben en
zij hem dus kwijt zou raken, als zij nee zou zeggen tegen de seksuele handelingen’ en dat
niet alleen fysiek maar ook een geestelijk overwicht in deze zaak aan de orde was.46 Een in
zekere mate overeenkomstig geval betreft een kwestie die diende voor de Rechtbank Leeu-
warden op 8 april 2011, waarbij het slachtoffer weliswaar had aangegeven het seksuele
contact niet te wensen, maar verdachte desondanks doorging. Doordat verdachte zich als
vader van het slachtoffer voordeed, nam de rechtbank aan dat zowel psychisch overwicht
als emotionele afhankelijkheid aanwezig waren.47
Niet alleen het bestaan van enige relatie tussen het slachtoffer en de dader wordt in de
bewijsvoering meegewogen, hetzelfde geldt voor het ontbreken daarvan, al valt dit laat-
ste strikt genomen buiten het gezichtspunt psychisch overwicht. De omstandigheid dat
verdachte en slachtoffer vreemden van elkaar waren, werd bijvoorbeeld door het hof in
59.2 – de verdachte bevond zich ’s nachts plotseling in haar aanleunwoningen de recht-
bank in 59.11 – de verdachte nam een klant van de winkel mee naar het magazijn – betrok-
ken. In een dergelijke context liggen consensuele seksuele handelingen tussen vreemden
41 De fysieke en psychische k wetsbaarheid staan in deze zaak dicht bij elkaar.
42 Met deze term wordt niet op het begrip van psychische druk zoals in paragraaf 3 aan bod is gekomen. Het
psychisch overwicht kan wel een invulling van de psychische druk zijn.
43
Rb. Zwolle-Lelystad 4 februari 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3209;Rb. Leeuwarden 8 april 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ0749;
59.2;59.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA3585; 59.4.;59.5; 59.8; 59.9; 59.12;
59.13; Hof Amsterdam 22 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:126.
44 59.2. Zie ook 59.3 en 59.5.
45 Zie bijv. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427.
46 Dat geestelijk overwicht wordt door de rechtbank overigens niet expliciet aan de afhankelijkheidsrelatie ge-
koppeld, maar lijkt daaruit wel voort te vloeien.
47 Rb. Leeuwarden 8 april 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ0749.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 773T3d_DD_1909_bw_V02.indd 773 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
774 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
niet bepaald in de lijn der verwachting. Er zijn vanzelfsprekend situaties waarin dit anders
kan zijn, bijvoorbeeld in het kader van een one-night stand.48
Psychisch overwicht werd ook vastgesteld in een kwestie waarin verschillende jonge vrou-
wen met een droom om te werken in de modewereld, werden verkracht of aangerand door
een fotograaf (59.9). Van aanzienlijke betekenis voor dat oordeel is de overweging dat ‘ver-
dachte druk op de aangeefsters uitoefende, door hen, bij het niet uitvoeren dan wel onder-
gaan van bepaalde handelingen, een uitzichtloze carrière in het vooruitzicht te stellen, of
door hen voor te houden dat deze handelingen ‘normaal’ zijn in de modellenwereld.49 De
verdachte had in zijn hoedanigheid als modefotograaf een bijzondere positie van waaruit
hij de vrouwen beloftes deed en doorgroeimogelijkheden in het vooruitzicht stelde, mits
zij de seksuele handelingen duldden. In het verlengde van deze zaak ligt het geval van 59.13
waarbij de verdachte zijn ex chanteerde door terwijl hij zich voordeed als onbekende
derde – te dreigen met het openbaar maken van foto’s als zij geen gehoor zou geven aan
de opdrachten (bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen) die zij met haar ex
moest uitvoeren. Het hof komt tot de conclusie dat verdachte hiermee zo’n grote psychi-
sche druk op het slachtoffer heeft gelegd ‘dat van haar redelijkerwijs niet verwacht kon en
mocht worden dat zij zich zou verzetten tegen het uitvoeren van de haar door de verdachte
gegeven opdrachten’.50
Numeriek overwicht
Ook overwicht vanuit numeriek oogpunt lijkt als factor te kunnen meewegen in het bewijs
van dwang. In het geval van een vermeende groepsverkrachting overwoog de rechtbank
dat sprake was van een numeriek overwicht. Ondanks de aanwezigheid daarvan, in com-
binatie met fysiek overwicht en het op gebiedende toon zeggen dat het slachtoffer moest
pijpen, kwam zij niet tot een bewezenverklaring van dwang.51 Dat lag anders in de zaak
59.7. Naast fysiek en geestelijk overwicht (het slachtoffer heeft een IQ van 48 en leidt aan
het Williamssyndroom) was er ook een numeriek overwicht op het slachtoffer. Op grond
van deze omstandigheden tezamen kwam de rechtbank, ondanks het uitblijven van verzet,
tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde verkrachting.
4.1.2 Benarde of onvertrouwde locatie
De locatie waar het een en ander zich afspeelt kan eveneens een relevante factor zijn. Zo
werd bijvoorbeeld in 59.11 overwogen dat de locatie een smalle, rommelige opslagruimte
was waarin de bewegingsruimte beperkt was. Bovendien was verdachte hier op voor hem
bekend terrein, in tegenstelling tot het slachtoffer. In het vonnis 59.3 werd overwogen dat
de handelingen hebben plaatsgevonden in de woning van verdachte, een voor het slachtof-
fer onbekende omgeving. De Rechtbank Midden-Nederland hanteert eenzelfde redenering
in 59.10. De verdachte verrichte seksuele handelingen bij meerdere slachtoffers terwijl zij
in zijn woning aanwezig waren voor een massage.
48 Rb. Oost-Brabant 31 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:4670.
49 De omstandigheid dat iemand iets in de carrière van een ander kan betekenen, betekent op zichzelf niet dat er
een overwichtssituatie is, zie Rb. Noord-Nederland 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4712.
50 Het hof heeft het over psychische druk (zie paragraaf 3) en niet uitdrukkelijk over psychisch overwicht. Wat
ons betreft kunnen de omstandigheden die het hof daarbij in overweging neemt ook onder de noemer van
psychisch overwicht worden geschaard. Vgl. Hof Amsterdam 7 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:672.
51 Rb. Zeeland-West-Brabant 15 februari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:622. Wellicht was dat anders geweest
als de chantage bewezen kon worden, maar daarvan was geen sprake. Zie ook Rb. Utrecht 3 april 2012,
ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2514.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 774T3d_DD_1909_bw_V02.indd 774 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
775Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
4.1.3 Onverhoeds karakter52
Het onverhoedse karakter van de handelingen wordt in de rechtspraak regelmatig betrok-
ken bij de overweging van dwang.53 In die omstandigheid ontbreekt ruimte voor het bieden
van weerstand door het slachtoffer. Van onverhoeds handelen was bijvoorbeeld sprake in
het geval van 59.9: de fotograaf danste met, masseerde of aaide de meisjes en overviel hen
door plotseling de vagina te betasten en met zijn vinger binnen te dringen. In 59.3 over-
woog de rechtbank dat de verdachte onverhoeds handelde door in sommige gevallen de
slachtoffer(s) onverwachts te confronteren met zijn naakte lichaam en/of erectie, beelden
van pornografische aard of betasting van intieme lichaamsdelen. Dergelijke handelingen
overvielen de slachtoffers zodanig dat zij daar derhalve geen verzet tegen konden bieden.
4.1.4 Situatie voorafgaand aan het seksueel contact
Tot slot blijkt de feitenrechter ook feiten en omstandigheden die voorafgaand aan de sek-
suele handelingen plaatsvinden bij zijn oordeel te betrekken, zonder dat deze omstandig-
heden primair gericht zijn op het seksuele contact. Dit gezichtspunt was bij uitstek aan de
orde in het arrest 59.1.54 Gedeeltelijk vergelijkbare omstandigheden worden aangetroffen
in de uitspraak 59.4.55 In die zaak achtte het hof de aan de seksuele activiteit voorafgaan-
de handelingen gericht op wederrechtelijke vrijheidsberoving – waarbij niet alleen verbale
bedreiging maar ook dreiging met een mes, een stroomstootwapen en een gasrevolver aan
de orde was – mede redengevend voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde ver-
krachting. Dat op enig moment een gesprek tussen beide partijen is ontstaan en ten tijde
van de seksuele handelingen niet van verzet is gebleken, stond daaraan volgens het hof niet
in de weg. In beide gevallen kan uit het oordeel van het hof worden afgeleid dat volgens
de verdachte (of wellicht in zijn algemeenheid) wel sprake kan zijn van een verandering
van de sfeer, maar dat de verdachte desalniettemin de ernst en invloed van de dreigende
situatie die daaraan voorafging op handelingen die zelfs tot enkele uren daarna kunnen
plaatsvinden, in het perspectief van de gehele situatie moet bezien. In de bovenstaande
omstandigheden kan het niet anders dan duidelijk zijn dat de door de verdachte gecreëerde
ernstig bedreigende situatie het gedrag van het slachtoffer zal beïnvloeden.
4.2 Beschouwing
Om tot een oordeel omtrent het ‘dwingen’ te komen in een situatie waarin het slachtoffer
zich niet heeft verzet, kan de feitenrechter acht slaan op de hierboven genoemde gezichts-
punten die uit de rechtspraak kunnen worden afgeleid. Deze factoren zijn onder andere
van belang voor de vraag of sprake was van opzet op het tegen de wil dulden of verrichten
van seksuele handelingen. De rechter zal aan de hand van de concrete feiten en omstan-
digheden opzet moeten bewijzen.56 De aanwezigheid van deze gezichtspunten zal door-
gaans in objectieve zin van belastende betekenis zijn omdat ze kunnen bijdragen aan de
52 Strikt genomen zou men kunnen stellen dat de juridische afgrenzing van de reikwijdte die aan het dwingen
toekomt met het meewegen van dit gezichtspunt enigszins wordt opgerekt. Juist vanwege het onverhoedse ka-
rakter van de handeling zal het slachtoffer zich pas (doorgaans wel kort) nadat de handelingen hebben plaats-
gevonden een visie vormen over de wenselijkheid ervan. Vgl. de opvatting van ‘officier 3’ in Lindenberg & Van
Dijk 2016, p. 468.
53 59.2; 59.3; 59.9; 59.10; 59.11; 59.12.
54 Zie ook HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427; Rb. Noord-Holland 28 april 2014,
ECLI:NL:RBNHO:2014:3860.
55 Zie ook Rb. Rotterdam 20 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6065.
56 Dit gebeurt doorgaans aan de hand van objectivering. Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ
2003/552 m.nt. Buruma, r.o. 3.6; HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1498, NJ 2004/375 m.nt. Mevis, r.o.
4.6; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 775T3d_DD_1909_bw_V02.indd 775 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
776 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
kenbaarheid van de ongewenstheid van de handelingen. De beleving van de verdachte van
de situatie mag daarbij, juist vanwege die kenbaarheidseis, echter niet uit het oog worden
verloren.57 Uit de feitenrechtspraak blijkt dat verzet een indicatie is dat het seksuele contact
ongewenst was, maar dat uit het uitblijven daarvan niet rechtstreeks volgt dat het slacht-
offer met de handelingen instemde.58 Met andere woorden, de afwezigheid van verzet aan
de zijde van het slachtoffer mag door de verdachte niet zomaar worden opgevat als vrijwil-
ligheid. Daarbij moet overigens nogmaals worden benadrukt dat het gewicht van de in een
concrete zaak aanwezige gezichtspunten in hun onderlinge samenhang zal afhangen van
de concrete omstandigheden, zodat verdere richtlijnen moeilijk kunnen worden gegeven.
Het feit dat handelingen onverhoeds hebben plaatsgevonden, lijkt evenwel als gezichtspunt
zwaar te wegen.59
Uit verschillende uitspraken is gebleken dat positieve, welwillende uitlatingen en gedra-
gingen van de zijde van het slachtoffer ten aanzien van het seksueel contact niet in de weg
hoeven te staan aan een bewezenverklaring van dwang, al ligt het voor de hand dat deze in
beginsel – in elk geval door de verdediging – als indicatie van vrijwilligheid worden aange-
merkt. In die context staat bijvoorbeeld in 59.8 de verklaring van één van de slachtoffers,
dat zij seksueel opgewonden raakte van de verdachte en op enig moment gevoelens van
verliefdheid jegens hem had, niet in de weg aan de bewezenverklaring van verkrachting.
Ook een sms van het slachtoffer, gericht aan de verdachte, met daarin de tekst ‘ik ben best
al geil’ is verenigbaar met een bewezenverklaring.60
De vaststelling dat sprake was van opzet en dat de verdachte derhalve daadwerkelijk (al
dan niet in voorwaardelijke vorm) wist dat de seksuele handelingen tegen de wil van het
slachtoffer plaatsvonden, wordt bemoeilijkt indien het slachtoffer de handelingen niet al-
leen duldt – in die zin dat ze het over zich heen laat komen – maar ook zelf actief meewerkt
en/of initiatief neemt tot het contact dan wel de specifieke handelingen. Van een dergelijke
situatie was in 59.1 sprake. Het slachtoffer heeft er veel aan gedaan om te laten blijken dat
de seks vrijwillig was om te voorkomen dat de situatie een dodelijke afloop zou krijgen
(‘het is hij of ik’). Gesteld kan worden dat door de omstandigheid dat zij de verdachte op het
verkeerde been probeerde te zetten, zodat het voor verdachte niet kenbaar was dat de han-
delingen tegen haar wil ingingen, waardoor het opzet niet bewezen kan worden.61 Omdat
het hof in die context toch tot een bewezenverklaring kwam, had het op de weg van het hof
gelegen (bijvoorbeeld aan de hand van bovengenoemde gezichtspunten) duidelijk te maken
op welke wijze het voorwaardelijk opzet, en met name de kenbaarheid, op de onvrijwillig-
heid precies was geconstrueerd.62 Als alle omstandigheden naast elkaar worden gezet die
de dreigende situatie kenmerken – het zich onbevoegd in de woning bevinden, midden in
de nacht met een rol ducttape de slaapkamer binnenkomen, de weg versperren en voor-
komen dat de politie wordt ingelicht door de telefoon te verstoppen, het uiten van zeer
ernstige en verontrustende taal – kan het niet anders dan dat verdachte heeft geweten dat
dit een situatie is waarin seks tegen de wil plaatsvindt. Dat de verdachte bij binnenkomst
van de slaapkamer seks niet als primair doel voor ogen had, en zelfs het geval dat het plan
in zijn geheel nog niet bestond, doet daaraan niet af. Met andere woorden, het slachtoffer
kon nu eenmaal niet anders gezien de dreigende omstandigheden – ze moest kiezen tussen
57 59.1, r.o. 3.2-3.3.
58 59.2; 59.9; 59.11.
59 59.9; 59.10; Hof Amsterdam 22 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:126.
60 Hof Amsterdam 7 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:672.
61 Conclusie advocaat-generaal Knigge 5 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:605, NJ 2019/241 m.nt. Rozemond, punt
5.3-5.8.
62 Zie punt 1 van de noot van Rozemond bij 59.1.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 776T3d_DD_1909_bw_V02.indd 776 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
777Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
twee kwaden. Dat voor het slachtoffer wellicht een andere wijze van handelen openstond
maakte dat niet anders, nu de eis is dat iemand zich ‘naar redelijke verwachting’ niet aan
de handelingen kan onttrekken.
Dat zich situaties kunnen voordoen waarin het slachtoffer de verdachte op het verkeerde
been wil zetten door te doen alsof de seks gewenst is om zo snel mogelijk aan hem te ont-
komen, is voorstelbaar. De gedachte dat dit het strafwaardige karakter van het gedrag van
de verdachte niet uitsluit, zal ook maatschappelijk gezien op weinig weerstand stuiten.
Hoewel de rechter zich in een dergelijk geval voor een zware taak ziet gesteld, biedt het
huidige juridische kader de mogelijkheid aan de feitelijke situatie recht te doen. Onder
meer de hierboven uitgewerkte gezichtspunten kunnen bij het bewijs van verkrachting
worden betrokken, waarbij gewicht kan worden gehecht aan de door de verdachte zelf
gecreëerde sfeer – ook al is daarbij van een aanzienlijk tijdsverloop sprake en ontbreekt op
het eerste gezicht het rechtstreeks verband met de seksuele handelingen.
Al met al komt het erop neer dat in de Kamerbrief getrokken conclusie, dat een veroordeling
voor verkrachting enkel in de rede ligt indien verzet kan worden aangenomen, onjuist is. De
minister gaat uit van een te beperkte opvatting omtrent de vraag wanneer een bewezen-
verklaring van onder andere verkrachting mogelijk is.
4.3 Dwang en opzet
De onderzochte feitenrechtspraak geeft eveneens aanleiding om een blik te werpen op de
wijzigingen zoals aangekondigd in de Kamerbrief: de dwang an sich en de verschuiving
in de subjectieve bestanddelen. De eerste door de minister voorgestelde verandering ten
opzichte van de huidige zedentitel is gelegen in de invoering van een bepaling gebaseerd
op het ontbreken van ‘vrijwilligheid’ in tegenstelling tot ‘dwang’. Dwang blijft aldus on-
veranderd in artikel 242 en 246 Sr behouden; de bepalingen waarin de vrijwilligheid het
centrale aspect vormt, worden toegevoegd. Een door de minister voorgestelde invulling
van ‘vrijwilligheid’ is in de Kamerbrief nog niet gegeven. Het wetsvoorstel zal daar hopelijk
meer zicht op bieden. Een rechtstreekse vergelijking is hier derhalve onmogelijk. Op grond
van de onderzochte uitspraken kan wel reeds het volgende worden opgemerkt. Onderdeel
van dwang is, zoals uiteengezet in paragraaf 3, dat het seksuele contact plaatsvindt tegen
de wil van het slachtoffer. Een volledige discrepantie tussen de begrippen ligt niet in de
rede. Overwegingen die nadrukkelijk ingaan op de (on)vrijwilligheid van het seksuele con-
tact tussen dader en slachtoffer zijn de feitenrechter dan ook binnen de huidige zedentitel
verre van vreemd.63 Die vrijwilligheid wordt in de voorgestelde bepalingen overgenomen,
in tegenstelling tot het overkoepelende dwangbegrip en de dwangmiddelen – die laatsten
zullen in de nieuwe regeling niet terug te vinden zijn. Het verschil tussen de regelingen ligt
naar verwachting onder meer in de eis van de vereiste causale relatie tussen de dwang en
dwangmiddelen die momenteel wordt gesteld. Hoewel de minister dit enkel zijdelings ter
discussie stelt, lijkt hierin de te behalen winst te liggen van de voorgenomen regeling. Uit
de causale relatie vloeit immers voort dat niet iedere vorm van (dreiging met) fysiek geweld
of een andere feitelijkheid reeds de vereiste dwang oplevert. In 59.3 stelde de rechtbank
bijvoorbeeld dat alleen het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie en een leeftijdsver-
schil, onvoldoende waren voor de vaststelling van dwang. Door het causale verband – en
daarmee de wettelijke dwangmiddelen – los te laten, kan de bewijsrechtelijke lat in de ze-
dentitel daadwerkelijk worden verlaagd met het invoeren van een nieuwe strafbepaling.
Onder die bepaling zou een veroordeling in het geval van 59.3 naar verwachting kunnen
volgen als het ontbreken van vrijwilligheid wordt vastgesteld. Gelet op de ruime invul-
63 Zie bijv. 59.3; Rb. Rotterdam 20 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6065.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 777T3d_DD_1909_bw_V02.indd 777 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
778 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
ling van ‘andere feitelijkheden’ mag desalniettemin de betekenis van deze aanpassing niet
worden overschat – het gevarieerde scala aan gezichtspunten biedt in de meeste gevallen
soelaas. De eis dat het slachtoffer zich niet naar redelijke verwachting aan de ongewenste
handelingen kon onttrekken, zal met het aanstaande voorstel vermoedelijk tot de verleden
tijd behoren. Dit vereiste leidt naar ons beste weten in de feitenrechtspraak evenwel slechts
zeer zelden tot problemen.64 Het afstoten van de onttrekkingseis zal derhalve een beperkte
impact hebben op het verhogen van de strafrechtelijke bescherming. Uit het bovenstaande
kan worden geconcludeerd dat de opzettelijke variant van seks tegen de wil naar verwach-
ting heel dicht tegen de huidige praktijk ten aanzien van de dwangbepalingen aan komt te
liggen.
Een ander (wezenlijker) verschil is gelegen in een uitbreiding van subjectieve schakerin-
gen. Niet alleen een opzetvariant, die willen en weten impliceert, maar ook een culpoze
variant van het misdrijf waarbij het behoren te weten centraal staat, wordt voorgesteld
als grond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Ook ten aanzien van de aangekondigde
culpoze regeling dient van het ontbreken van vrijwilligheid aan de zijde van het slacht-
offer te zijn gebleken. Daarbij gaat het echter niet langer louter om de ‘kenbaarheid’ voor
verdachte daarvan – zoals dat nu in verband met het opzettelijke karakter wel wordt ver-
eist – de daadwerkelijke kennis van verdachte doet er voor de bewezenverklaring van het
voor te stellen delict niet toe; de omstandigheden waren van een zodanige aard dat hij het
op z’n minst hád moeten weten. Met enige regelmaat zijn in de feitenrechtspraak over-
wegingen aangetroffen die zijn geënt op ‘begreep of heeft moeten begrijpen’, waarbij het
laatste zinsdeel in de richting van culpoos handelen wijst.65 Wat de achtergrond is van deze
gedeeltelijk onzuivere redenering, is niet duidelijk. Wellicht moet deze worden gezocht in
de onjuiste toepassing van de maatstaf van dwang, of moet het worden opgevat als een
uitdrukking van de behoefte aan een culpoze variant, een zoals de Hoge Raad in 59.1
redeneerde – respons op een gevoerd verweer of toch als slip of the pen.
Het gevolg van de verschuiving van dwang door de dader naar het ontbreken van vrijwillig-
heid bij het slachtoffer zou, gelet op de Kamerbrief, betekenen dat ‘meer verantwoordelijk-
heid komt te liggen bij degene die het (verdergaande) seksuele contact initieert’.66 Daarmee
is het onderscheid ook van directe betekenis voor de vaststelling van opzet of culpa. De
verhoogde verantwoordelijkheid krijgt de vorm van een onderzoeksplicht.67 Opvallend is
dat ook nu al in een aantal zaken door de feitenrechter wordt gerefereerd aan een bij de
verdachte bestaande ‘onderzoeksplicht’. In sommige gevallen ontstaat door het samenstel
van de zojuist besproken gezichtspunten een dusdanig dwingende setting dat de verdachte
wel moet hebben geweten dat de handelingen tegen de wil van het slachtoffer plaatsvon-
den en dat het – nu verdachte aanvoerde dat hij desondanks van de vrijwilligheid van het
slachtoffer uitging – op de weg van verdachte had gelegen om te verifiëren of zich ervan
te vergewissen of de ander hetzelfde voor ogen had.68 Het uitblijven hiervan werd in die
uitspraken meegewogen bij de vaststelling of sprake was van opzet aan de zijde van ver-
dachte. Of het nalaten van verificatie daadwerkelijk van betekeniswaardig belang is voor
64 Een aantal voorbeelden van zaken die in dat kader tot problemen hebben geleid zijn: Rb. Roermond 26 ja-
nuari 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BL0661; Rb. Zeeland-West-Brabant 9 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1525;
HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5725, NJ 2009/307. In de zaken in feitelijke aanleg bestonden overigens
meerdere bewijsrechtelijke problemen ten aanzien van het bestanddeel ‘dwingt’ dan slechts het onttrekkings-
vereiste.
65 Zie bijv. 59.3; 59.10; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7670.
66 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 3.
67 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 4.
68 59.11. Zie ook 59.2; Hof Amsterdam 22 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:126; Rb. Rotterdam 20 juli 2017,
ECLI:NL:RBROT:2017:6065.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 778T3d_DD_1909_bw_V02.indd 778 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
779Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
het bewijs van opzet kan echter worden betwijfeld. Een dergelijk verwijt lijkt in nauwer
verband met culpa te staan: meer voorzichtigheid was geboden. Deze invulling is onder de
te verwachten culpa-regeling juridisch zuiverder.
5. Het voornemen van de minister nader bezien
Het onderzoek naar de feitenrechtspraak heeft uitgewezen dat de noodzaak tot invoering
van aanvullende zedendelicten niet rechtstreeks kan worden gevonden in een leemte rond-
om verzet, zoals de minister stelt. Mogelijk ligt de meerwaarde van de invoering van de
nieuwe bepalingen die zijn geënt op (het ontbreken van) vrijwilligheid op andere punten.
Hierboven is al betoogd dat het verwerpen van het causaal verband tussen de dwangmid-
delen en het opzettelijk tegen de wil ondergaan van seksuele handelingen een voorbeeld
daarvan is. In zaken zoals 59.1, waarbij zowel het causaal verband als het opzet ter dis-
cussie staat, kan een uitgebreidere tenlastelegging waarin primair verkrachting aan de ver-
dachte wordt verweten, subsidiair de ‘opzettelijk tegen de wil-variant’ en (meer subsidiair)
de culpoze variant daarvan wellicht welkom zijn.
Helemaal onproblematisch zijn de voorgestelde wijzigingen echter niet. Ten eerste zal
nader omschreven moeten worden wat het bestanddeel ‘tegen de wil’ omvat en waar de
grenzen liggen. Komt het aan op het effectief ‘willen’ van de seksuele handelingen, of zal
van seks tegen de wil (pas) sprake zijn als ook daadwerkelijk is gebleken dat de handelingen
ongewenst waren? Is iemand die (lichtjes) onder invloed is van alcohol of drugs nog wel in
staat de wil te bepalen? Onvermijdelijk zal de vrijwilligheid niet alleen betrekking hebben
op de algemene vraag of seks wel of niet tegen de wil is, maar ook onder meer over welke
handelingen dit zich uitstrekt, om maar een voorbeeld te noemen; het kan zijn dat orale
seks onder de (impliciete) instemming valt, maar dat anale seks een brug te ver is. En op
welke wijze dient de vrijwilligheid te blijken?
Soortgelijke vragen komen, ten tweede, op ten aanzien van de verantwoordelijkheid die de
initiatiefnemer volgens de minister dient te nemen om na te gaan of de seks wel op instem-
ming kan rekenen. In de Kamerbrief wordt al opgemerkt dat voorafgaande toestemming
voor het seksueel contact geen zekerheid biedt dat het seksueel contact consensueel is,
daarom wordt een onderzoeksplicht voorgesteld.69 Welke juridische waarde wordt aan het
nakomen daarvan toegekend? In (ernstig bedreigende) situaties waarin een slachtoffer de
onvrijwilligheid wil verbloemen, zal een onderzoeksplicht weinig uithalen. De kans is reëel
dat het slachtoffer bevestigend antwoordt op een vraag van de verdachte of het seksueel
contact wel gewenst is, nu dat in de lijn van het verhullingsplan past. Het is zelfs niet uit-
gesloten dat het voldoen aan de plicht het omgekeerde (en daarmee ongewenste) effect zou
kunnen hebben: juist omdat de verdachte zijn onderzoeksplicht niet heeft verzaakt mag hij
afgaan op de oprechtheid van het antwoord dat het slachtoffer hem heeft gegeven, ook al
komt die instemming voort uit een poging om een erger of ander scenario te voorkomen.
Kan daarmee worden verondersteld dat het contact vrijwillig heeft plaatsgevonden zodat
een veroordeling voor seks tegen de wil is uitgesloten? Dat zou leiden tot een paradoxale
situatie waarin culpa niet te bewijzen is, maar een veroordeling voor het zwaardere delict
verkrachting wel kan volgen.70 De mogelijkheid dat deze tegenstrijdige en onwenselijke
69 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 4.
70 59.1.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 779T3d_DD_1909_bw_V02.indd 779 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
780 Afl. 9 - november 2019 DD 2019/59
Rechtspraakrubriek
DWANG BIJ MISDR IJVE N TEGEN DE ZEDEN IN HET AFGELOPEN DECENNIU M
situatie zich kan voordoen, zal bij het (concept)wetsvoorstel in overweging moeten worden
genomen.71
Wie zich bovendien een voorstelling probeert te maken van de wijze waarop de onder-
zoeksplicht in de praktijk moet worden vormgegeven, kan niet anders dan tot de conclusie
komen dat de plicht in de kern neerkomt op het verifiëren of het slachtoffer de handelingen
wenst, en dus het vragen van toestemming. Is stilzwijgende toestemming (waaruit kan
dat worden afgeleid?) voldoende, of moet het in expliciete vorm geschieden? Dat laatste
ligt niet altijd in de rede. De realiteit van intiem contact mag niet uit het oog worden ver-
loren – een veelheid aan handelingen zullen zich in een grijs gebied bevinden, maar zijn
daarmee nog niet per definitie strafwaardig. Het is niet realistisch dat alle grenzen tot
in detail worden afgebakend voordat de seksuele handelingen plaatsvinden; zij het reeds
omdat die grenzen gedurende het contact niet altijd gelijk blijven. De aan de verdachte
verweten gedraging(en) en het oordeel van de rechter houden in essentie een juridische re-
ductie van de feitelijke werkelijkheid in. Dat betekent dat de feiten, omstandigheden en ge-
dragingen die in oneindig veel vormen in die feitelijke werkelijkheid kunnen voorkomen, in
het juridische kader worden beperkt tot het in de delictsomschrijving beschreven gedrag.
Het is daarbij van belang dat niet al bij voorbaat wordt geabstraheerd van de context waar-
in de handelingen plaatsvinden. De minister zal zich van deze specifieke omstandigheden
in het wetgevingsproces, zeker met betrekking tot de vormgeving van de onderzoeksplicht,
rekenschap moeten geven.
In de Kamerbrief wordt het aanstaande voorstel om de wet te wijzigen nadrukkelijk in het
kader van de #Metoo-discussie geplaatst. In die context is lichamelijk en seksueel over-
schrijdend gedrag onder een vergrootglas komen te liggen: de discussie legde bloot dat
grenzen van seksueel overschrijdend gedrag (te) ver zijn opgerekt en dat aangepaste nor-
men geboden zijn. Ook wij onderschrijven dat. Hoewel strafrechtelijke bepalingen daaraan
mogelijk een bijdrage leveren, zal het primair aankomen op morele inscherping van de
onderliggende norm. In dat proces is het van belang de functie van het strafrecht niet te
overschatten en symboolwetgeving te voorkomen.
Los van bovenstaande bespreking, zal het grootste dilemma dat over de hele breedte van de
zedenproblematiek reikt met de voornemens tot aanvullende straf baarstelling niet worden
opgelost: het blijft in veel gevallen het woord van de een tegen het woord van de ander.
Deze complicatie heeft zowel relevantie voor het wettelijk vereiste steunbewijs, als voor
de rechterlijke overtuiging. De maatstaf van seks tegen de wil ligt naar verwachting wel-
iswaar lager dan de momenteel vereiste dwang, maar dit lost de bewijsproblematiek die
inherent is aan zedendelicten niet op.72 Ten aanzien van de bewijsmiddelen die voor het
oordeel van de rechter van belang kunnen zijn, wordt gewezen op verklaringen van het
slachtoffer, de verdachte en getuigen.73 Nu is dat niet anders.
71 Hierbij kan bijvoorbeeld inspiratie worden ontleend aan internationale jurisprudentie: ‘Consent for this purpose
must be given voluntarily, as a result of the victim’s free will, assessed in the context of the surrounding circum-
stances’. Zie ICTY 24 maart 2016, No. IT-95-5/18-T, (Prosecutor v. Radovan Karadžić) par. 511; ICTY 22 februari
2001, No. IT-96-23 and IT-96-23/1, (Prosecutor v. Kunarac et al) par. 460. Zie ook artikel 36 lid 2 Verdrag van
Istanbul.
72 In de Kamerbrief (p. 3) wordt gesteld dat het doen van aangifte makkelijker wordt. Waarschijnlijk moet dat
worden opgevat als het aanstippen van de bewijskwestie – niet goed valt in te zien hoe het voorstel invloed
heeft op het doen van aangifte.
73 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 518, p. 3.
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 780T3d_DD_1909_bw_V02.indd 780 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
781Afl. 9 - november 2019
DD 2019/59
Rechtspraakrubriek DWANG BIJ MISDR IJVEN TEGEN DE ZEDEN IN HET AF GELOPEN DEC ENNIUM
6. Besluit
Als we de balans opmaken, kan worden geconcludeerd dat het bestanddeel ‘dwingt’ in
de huidige zedentitel een complex en divers karakter heeft. Het omvat een causaal ver-
band met de wettelijke dwangmiddelen en impliceert opzettelijk handelen dat tegen de
wil van het slachtoffer dient in te gaan. Hoewel de minister in de Kamerbrief concludeert
dat de bescherming van zich niet-verzettende slachtoffers (bijvoorbeeld door bevriezing of
zelfs enige vorm van medewerking) nog veel te wensen overlaat, kan diezelfde conclusie op
grond van de bovenstaande bespreking niet worden getrokken. Hoewel de bewijsvoering
in het geval van verzet wellicht minder problematisch is, staat het uitblijven daarvan niet
gelijk aan de onmogelijkheid – of (zeer) hoge bewijsrechtelijke lat – van een veroordeling.
Op grond van de geanalyseerde feitenrechtspraak blijkt het als zodanig geen onwerkbaar
bestanddeel te zijn. Het geheel van feitelijkheden is in een juridisch perspectief geplaatst,
waaruit wij enkele richtinggevende gezichtspunten hebben gedestilleerd. Door de ruime
opvatting van het bestanddeel is een casuïstische benadering mogelijk en daarmee kan
ook een bewezenverklaring voor de delicten verkrachting en aanranding volgen indien uit-
drukkelijk verzet uitblijft, of zelfs sprake is van (ogenschijnlijke) medewerking, aan de zijde
van het slachtoffer.
De besproken feitenrechtspraak bood aanknopingspunten om ook enkele andere punten
die de minister in de Kamerbrief opwierp, af te tasten. Zo wordt verondersteld dat het aan-
gekondigde voorstel een positieve invloed heeft op de problematiek van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid en daarmee leidt tot een verhoogde bescherming. Dit kan in beginsel
worden bevestigd: door de nadruk te leggen op de wil van het slachtoffer en daarmee het
huidige dwangbegrip (waaronder de causale relatie met de dwangmiddelen) los te laten
én de toevoeging van een culpoze variant, ligt daadwerkelijk een lagere drempel voor een
bewezenverklaring in het verschiet. Het is goed om te zien dat de minister naar aanleiding
van de gewaarwording van de opgerekte grenzen van seksuele omgang, door onder andere
de #Metoo-discussie, de huidige zedentitel onder de loep neemt en voortvarend wil op-
treden. Maar ongeacht de aard en ernst van het probleem, waar geen twijfel over bestaat, is
het ons inziens wel de vraag in hoeverre de nieuwe bepalingen ongewenste neveneffecten
ten aanzien van de feitelijke realiteit van seksueel contact in het leven roepen en of ze
daadwerkelijk aan de problematiek van de zedentitel tegemoetkomen, die momenteel nog
steeds veelal is geworteld in het gebrek aan (steun)bewijs en de benodigde overtuiging van
de rechter(s).
T3d_DD_1909_bw_V02.indd 781T3d_DD_1909_bw_V02.indd 781 11/8/2019 10:27:12 PM11/8/2019 10:27:12 PM
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
59.3; 59.10; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus
  • Zie Bijv
Zie bijv. 59.3; 59.10; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7670.
Consent for this purpose must be given voluntarily, as a result of the victim's free will, assessed in the context of the surrounding circumstances'
  • Hierbij Kan Bijvoorbeeld Inspiratie Worden Ontleend Aan Internationale Jurisprudentie
Hierbij kan bijvoorbeeld inspiratie worden ontleend aan internationale jurisprudentie: 'Consent for this purpose must be given voluntarily, as a result of the victim's free will, assessed in the context of the surrounding circumstances'. Zie ICTY 24 maart 2016, No. IT-95-5/18-T, (Prosecutor v. Radovan Karadžić) par. 511; ICTY 22 februari 2001, No. IT-96-23 and IT-96-23/1, (Prosecutor v. Kunarac et al) par. 460. Zie ook artikel 36 lid 2 Verdrag van Istanbul.
3) wordt gesteld dat het doen van aangifte makkelijker wordt
  • Kamerbrief In De
In de Kamerbrief (p. 3) wordt gesteld dat het doen van aangifte makkelijker wordt. Waarschijnlijk moet dat worden opgevat als het aanstippen van de bewijskwestie -niet goed valt in te zien hoe het voorstel invloed heeft op het doen van aangifte.