BookPDF Available

Sociaal ondernemen in Nederland: Stand van zaken 2019

Authors:

Abstract

In the Netherlands, there is as yet very limited knowledge of what is actually happening with regard to social enterprise. Research is still scarce. Moreover, there also is a lot of conceptual confusion as there is no specific legal form or policy framework yet. Every organisation can call itself a social enterprise, and many do, as the “social enterprise” label is seen as more modern than the older labels of “charity” or “foundation”. Because of the Netherlands’ long history of private initiative by non-profits in the provision of public goods and services, the Dutch third sector is notoriously fragmented and diverse, and it defies easy classifications. This is also true for social enterprises, which somehow remain ill-defined “new kids on the block”; indeed, even though one could say that the Netherlands already have a long tradition with social enterprises, they were not called that until very recently. This text gives a short overview of social enterprise in the Netherlands, as well as trends, discussions and developments. It is based on research undertaken as part of the ICSEM project. An English text about social enterprise in the Netherlands will be published as part of an ICSEM edited volume in 2020.
Sociaal
ondernemen
in
Nederland:
Stand van zaken 2019
P. M. Karré
P. M. Karré
Sociaal ondernemen in Nederland:
Stand van zaken 2019
P. M. Karré
Sociaal ondernemen in Nederland:
Stand van zaken 2019
oktober 2019
Grafisch ontwerp: René de Haan, Den Haag / renedehaan.net
Verzorging manuscript: Michelle Bax-Driehuijs
© P. M. Karré
Alle rechten voorbehouden.
1.
2.
3.
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
3.7
3.8
4.
4.1
4.2
5
.
Inhoud
Inleiding
Definitie
Trends en ontwikkelingen
Omvang en evolutie van de sector
Activiteiten
Omvang en rechtsvorm
Slagingspercentages
Leeftijd van ondernemers en ondernemingen
Financiële resultaten
Impact
Samenvatting en conclusies
Sociaal ondernemen en de overheid
Lokaal niveau
Nationaal niveau
Afsluiting
Literatuur
pag
4
9
10
11
12
13
14
16
18
20
21
Sociaal ondernemen in Nederland:
Stand van zaken 2019
P. M. Karré1)
1. Inleiding
Sociaal ondernemen is al enkele jaren onderwerp van discussie in
Nederland (De Brabander, Emmerik, & Peters, 2009; Schulz, Van der
Steen, & Van Twist, 2013; Sterk, Specht, Walraven, & Zweerts de
Jong, 2013). Dit document geeft op basis van het onderzoek naar so-
ciaal ondernemen dat ik bij Hogeschool Inholland heb verricht (Kar-
ré, 2018; Karré & Mossel, 2017; Karré & Vanmeerkerk, 2019), een
beknopte samenvatting van de stand van zaken van dit fenomeen
en van de discussie anno 2019. Het is als volgt opgebouwd: eerst ga
ik in op wat sociaal ondernemen is en hoe in Nederland en daarbui-
ten sociale ondernemingen gedefinieerd worden. Vervolgens schets
ik trends en ontwikkelingen in de sector van sociaal ondernemen
in Nederland en ga tenslotte uitgebreider in op de relatie tussen
sociaal ondernemen en de overheid op lokaal en nationaal niveau.
4
1) Philip Marcel Karré was op moment van schrijven associate lector bij het lectoraat
Dynamiek van de Stad van Hogeschool Inholland. Hij deed in die rol onderzoek naar
sociale ondernemingen en andere hybride organisaties en hun rol in processen van
sociale innovatie.
Zie www.inholland.nl/dynamiekvandestad voor meer informatie. Als onderdeel van zijn
betrokkenheid bij de cost Actie Empowering the Next Generation of Social Enterprise
Scholars (www.empowerse.eu) schreef hij het hoofdstuk over sociaal ondernemen in
Nederland voor een aankomend boek van het International Comparative Social
Enterprise Models Project (icsem, zie www.iap-socent.be/icsem-project). Dit boek
verschijnt begin 2020 als onderdeel van de reeks Routledge Studies in Social Enterprise
& Social Innovation (https://www.routledge.com/Routledge-Studies-in-Social-Enterprise-
-Social-Innovation/book-series/RSESI). Om de inzichten uit dit hoofdstuk ook in het
Nederlands en open access toegankelijk te maken, is deze tekst geschreven. Het bouwt
voort op eerder werk over sociaal ondernemerschap (Karré, 2018; Karré & Mossel, 2017;
Karré & Vanmeerkerk, 2019).
2. Definitie
Ondanks alle aandacht en discussie, is er in Nederland nog geen
specifiek beleidskader en geen afzonderlijke rechtsvorm voor soci-
ale ondernemingen. Dit leidt tot verwarring en veel discussie: zijn
sociale ondernemingen inderdaad een nieuw fenomeen in de Ne-
derlandse context en hoe verhouden zij zich tot andere organisaties
in het maatschappelijk middenveld? Nederland heeft immers een
lange traditie met publieke dienstverlening via andere partijen dan
de staat. Daarom zijn er veel organisaties die in beginsel voldoen
aan de definitie van een sociale onderneming door de Europese
Commissie2), die ook in Nederland gehanteerd wordt3):
- Onderneemt primair vanuit een maatschappelijke missie
(impact first).
- Realiseert impact als zelfstandige onderneming die een dienst
of product levert.
- Heeft een verdienmodel.
- Ziet winst als middel, niet als doel.
- Is transparant en fair naar iedereen.
- Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd.
- Baseert bestuur en beleid op evenwichtige zeggenschap van
alle betrokkenen.
Om van sociale ondernemingen een eigen categorie te maken die
zich onderscheidt van burgerinitiatieven en traditionele non-pro-
fits, heeft Social Enterprise nl, een pleitbezorger van sociaal onder-
nemen, bovenstaande definitie verfijnd. Van Social Enterprise nl
kunnen alleen organisaties lid worden die minimaal 75% van hun
inkomsten uit de markt halen. Deze keuze leidt tot een onderscheid
van sociale ondernemingen tegenover burgerinitiatieven en tradi-
tionele non-profits enerzijds en reguliere bedrijven anderzijds, zo-
als weergegeven in het continuüm in Figuur 1.
5
2) https://ec.europa.eu/growth/sectors/social-economy/enterprises_en
3) https://www.social-enterprise.nl/over-sociaal-ondernemen/wat-zijn-het
Dit model oogt duidelijk, maar heeft ook zijn beperkingen. Enerzijds
is het getal van 75% dat sociale ondernemingen minimaal uit de
markt moeten halen, arbitrair. Het komt voort uit de (vanuit or-
ganisatiebelang begrijpelijke) wens van Social Enterprise nl haar
leden te kunnen onderscheiden van de grote groep ondernemende
middenveldorganisaties, die Nederland van oudsher kent, en soci-
aal ondernemen als nieuw soort fenomeen te doen voorkomen. En
anderzijds veronderstelt dit model dat er maar één type sociale on-
dernemingen bestaat, namelijk die tussen markt en gemeenschap.
Buiten Nederland wordt een minder restrictief model gebruikt om
de diversiteit van sociaal ondernemerschap te duiden. Het gaat om
de driehoek van Defourny en Nyssens; zie Figuur 2. Dit model be-
staat uit meer dan één as en geeft ruimte om ook ondernemende
non-profits en verzelfstandigde overheidsorganisaties als sociale
ondernemingen te duiden, ook als zij minder dan 75% van hun in-
komsten uit de markt halen.
6
Figuur 1. Continuüm van organisaties tussen maatschappelijke en financiële
waardecreatie (Sociaal-Economische Raad, 2015, p. 13)
Defourny en Nyssens (2017) beschrijven in dit model vier typen
sociale ondernemingen in de driehoek tussen de overheid met haar
focus op het algemeen belang (‘general interest’), de markt met zijn
focus op het financieel belang (‘capital interest’) en de gemeen-
schap met haar focus op wederkerigheid (‘mutual interest’):
- Sociale Coöperaties (Social Cooperative Model): organisaties die
voortkomen uit de gemeenschap, maar zich van meer klassieke
coöperaties en verenigingen daardoor onderscheiden, dat zij naast
de particuliere belangen van hun leden ook het algemeen belang
nastreven.
- Sociale Bedrijven (Social Business Model, SB): marktbedrijven,
die economische en sociale belangen nastreven.
- Ondernemende Non-Profits (Economic Non-Profits, ENP): hier
gaat het om alle vormen van non-profit organisaties, zoals
verenigingen, die hun sociale missie nastreven door op de markt
actief te zijn.
- Publieke Sector Sociale Ondernemingen (Public Sector Social
Enterprise Model, PSE): sociale ondernemingen die voortkomen
uit de publieke sector, bijvoorbeeld verzelfstandigde overheids-
organisaties.
7
Figuur 2. Vier typen sociale ondernemingen (Defourny & Nyssens, 2017, p. 2479)
In Nederland vinden we voorbeelden van alle vier de modellen om-
dat sociale ondernemingen elke juridische vorm kunnen hebben en
elke organisatie zichzelf een sociale onderneming kan noemen. Af-
hankelijk van de definitie die wordt gehanteerd (de stringente van
Social Enterprise nl of een bredere, die alle mogelijke variaties van
sociale ondernemingen omvat uit het model van Defourny en Nys-
sens) varieert het aantal sociale ondernemingen in Nederland van
enkele honderden tot enkele duizenden; zie paragraaf 3.1. De vraag
welke organisaties kunnen en/of moeten worden geteld als sociale
ondernemingen is dan ook nog steeds een twistpunt in politiek,
praktijk en wetenschap. Hierdoor gaat het helaas in die discussies
vaak nog onvoldoende om de vraag wat sociale ondernemingen (in
welke definitie of vorm dan ook) daadwerkelijk kunnen bijdragen
aan de aanpak van prangende maatschappelijke vraagstukken. Om
deze impasse te overwinnen, hebben oeso en eu onlangs Nederland
in een gemeenschappelijk rapport geadviseerd op korte termijn met
een werkbare en realistische definitie te komen van wat een sociale
onderneming in de Nederlandse context inhoudt (oecd & European
Union, 2017).
8
3. Trends en ontwikkelingen
Er zijn drie rapporten die inzicht geven in recente trends en ont-
wikkelingen omtrent sociaal ondernemen in Nederland: een rapport
van managementconsultants McKinsey (Keizer, Stikkers, Heijmans,
Carsouw, & Van Aanholt, 2016), een ander door de bank abn amro
(abn amro, 2017), en een derde door Social Enterprise nl (Social
Enterprise nl, 2018). De informatie in deze paragraaf is gebaseerd
op alle drie de rapporten.
3.1 Omvang en evolutie van de sector
Aangezien er geen aparte rechtsvorm is voor sociale ondernemingen
en alleen een brede definitie van het concept, verschilt informa-
tie over het aantal sociale ondernemingen in Nederland sterk en
kunnen de gegevens uit de drie rapporten niet gemakkelijk worden
vergeleken.
McKinsey schat volgens de definitie van de Europese Commissie in
dat er ongeveer 5.000 tot 6.000 sociale ondernemingen bestaan in
Nederland, met een totaal personeelsbestand van ongeveer 75.000
personen, die ¤ 3.5 miljard bijdragen aan het nationaal inkomen
(Keizer et al., 2016, p. 5).
abn amro hanteert een bredere definitie, die elke organisatie omvat
met zowel een sociale als een ondernemende dimensie. Opvallend
genoeg telt abn amro ondanks deze brede definitie maar 4.000 tot
5.000 sociale ondernemingen in Nederland, met een totaal per-
soneelsbestand van 50.000 tot 70.000 werknemers (abn amro,
2017, p. 17).
De Social Enterprise Monitor van Social Enterprise nl bevat infor-
matie afkomstig van 168 sociale ondernemingen, die deze zelf heb-
ben verstrekt door middel van een enquête (Social Enterprise nl ,
2018, p. 22).
9
Deze enquête wordt elk jaar verstuurd aan de 345 leden van So-
cial Enterprise nl, evenals aan sociale ondernemingen die geen lid
zijn van Social Enterprise n l maar die financiering ontvangen van
Stichting doen, en aan sociale ondernemingen die relaties hebben
met de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. De Social
Enterprise Monitor gaat niet in op welke wijze en op welke gronden
Stichting doen en de gemeenten hebben besloten welke organisa-
ties de enquête toegezonden wordt en geeft ook geen informatie
over het totale aantal sociale ondernemingen dat werd uitgenodigd
om de enquête in te vullen.
De Nederlandse se-markt is sinds 2010 dramatisch gegroeid, schrijft
McKinsey, om 2.000 tot 2.500 ondernemingen, een groei om 70%,
wat overeenkomt met ongeveer 1% van de totale toename van het
aantal bedrijven in Nederland sinds 2010 (Keizer et al., 2016, p. 5).
3.2 Activiteiten
Volgens McKinsey zijn Nederlandse sociale ondernemingen een
zeer diverse groep en actief in een breed scala van sectoren (Keizer
et al., 2016, p. 9). Het belangrijkste werkterrein is dat van ‘gezond-
heid en welzijn’; 31% van de sociale ondernemingen is actief in deze
sector. Een tweede groep sociale ondernemingen is actief in de sec-
tor ‘energie’ (17%) en een derde in de sector ‘financiële en zakelijke
diensten’ (16%). Ook vermeldenswaardig is dat meer dan 41% van
sociale ondernemingen actief is in twee of meer sectoren. Volgens
de Social Enterprise Monitor kunnen de missies van Nederlandse
sociale ondernemingen worden onderverdeeld in vier hoofdcatego-
rieën: werkintegratie, welzijn, milieu en internationale ontwikke-
ling (Social Enterprise nl, 2018, p. 7). Veertig procent van de 168
sociale ondernemingen die de enquête hebben ingevuld, noemen
het bieden van werkgelegenheid voor mensen met grote afstand tot
de reguliere arbeidsmarkt als hun missie; 26% geven aan een wel-
zijnsgerelateerde missie te hebben; 24% streeft een milieumissie
na; en 6% zegt dat hun missie ligt in internationale ontwikkeling.
10
3.3 Omvang en rechtsvorm
Met betrekking tot de omvang van sociale ondernemingen in Neder-
land onderzocht abn amro de steekproef van sociale ondernemin-
gen die wordt ondersteund door het Social Impact Fund (abn amro,
2017, p. 17). Bijna al deze initiatieven kunnen worden omschreven
als kleine tot middelgrote bedrijven, met een klein aantal werkne-
mers (1 of 2 werknemers in 29% van de gevallen, en 3 tot 9 perso-
neelsleden in 46% van de gevallen). Deze organisaties waren niet
beursgenoteerd en de meeste (71%) hadden de vorm van een beslo-
ten vennootschap (bv). 17% van de organisaties had de rechtsvorm
van een stichting en 8% waren coöperaties. Ongeveer 4% van de
vermelde sociale ondernemingen waren eenmansbedrijven, gerund
door zzp’ers. Uiteraard zijn deze cijfers niet representatief voor de
hele sector van sociale ondernemingen.
Van de 168 sociale ondernemingen die gegevens verstrekten voor
de Social Enterprise Monitor (Social Enterprise nl, 2018), had 51%
een personeelsbestand van 0 tot 5 voltijdsequivalenten (fte’s); 18%
had 6 tot 10; 14% 11 tot 20; 9% 21 tot 50; en 7% meer dan 50 fte’s.
Bijna de helft (46%) van de organisaties in de Social Enterprise
Monitor had de juridische vorm van een besloten vennootschap
(bv). Een andere grote groep was die van stichtingen (21%). Min-
der gebruikelijk, althans onder deze groep sociale ondernemingen,
waren sociale ondernemingen die als eenmansbedrijven actief zijn
(10%), organisaties die de rechtsvorm van stichting combineren
met die van coöperatie (10%), coöperaties (4%) en vennootschap-
pen onder firma (vofs) (2%). Maar ook deze cijfers zijn niet repre-
sentatief voor de hele sector.
3.4 Slagingspercentages
Niet alle sociale ondernemingen zijn succesvol. Volgens McKinsey
waren ongeveer 700 sociale ondernemingen – ruwweg 20% van de
ondernemingen die in 2011 bestond – in 2016 opgehouden te be-
staan, voornamelijk omdat hun bedrijfsmodellen niet vol te houden
waren (Keizer et al., 2016, p. 5).
11
abn amro meldt dat, toen ze in 2016 de gegevens in hun database
up-to-date hadden gemaakt, bleek dat 15-20% van de sociale onder-
nemingen al sinds 2012 niet meer actief was (abn amro, 2017, p. 19).
3.5 Leeftijd van ondernemers en ondernemingen
De meeste sociale ondernemers in de abn amro-database zijn tussen
de 35 en 55 jaar oud (61%). Sommige zijn jonger (25%) en sommige
zijn ouder (14%), maar geen van hen is jonger dan 25 jaar (abn amro,
2017, p. 18). Maar het feit dat sociale ondernemers overwegend van
middelbare leeftijd zijn, betekent niet dat zij al lange tijd sociaal on-
dernemers zijn. Over het algemeen zijn de meeste sociale onderne-
mingen in Nederland vrij jong. Volgens abn amro bevindt ongeveer
40 tot 50% zich nog in een vroege fase van ontwikkeling, heeft nog
eens 40 tot 45% een iets meer geavanceerde fase van ontwikkeling
bereikt en is slechts 5 tot 15% met succes de opstartfase voorbij (abn
amro, 2017, p. 17). Dit komt overeen met gegevens uit het rapport
van McKinsey en is ook het beeld dat ontstaat uit de Social Enter-
prise Monitor. Van de 168 sociale ondernemingen die informatie ver-
strekten voor deze studie, was 51% opgericht in de vier jaar voor-
afgaand aan de enquête, en 43% tussen 2010 en 2014. Slechts 17%
bestond al meer dan 10 jaar, en slechts 7% al meer dan 20 jaar.
3.6 Financiële resultaten
Informatie over de omzet en winst van de sociale ondernemingen in
de abn amro Social Impact Fund-database ondersteunt het beeld dat
de meeste sociale ondernemingen in Nederland vrij jong zijn en zich
in een vroege ontwikkelingsfase bevinden (abn amro, 2017, p. 19).
Ongeveer 80% heeft minder dan ¤ 1,5 miljoen omzet en 58% minder
dan ¤ 500.000. Er zijn ook sociale ondernemingen die meer dan ¤ 5
miljoen omzet genereren, maar deze vertegenwoordigen slechts on-
geveer 4% van de steekproef (ongeveer 160 tot 200 ondernemingen);
het zijn de grootste sociale ondernemingen, zoals ethische chocola-
tier Tony’s Chocolonely, smartphoneproducent Fairphone en bio-
logische supermarkt Willem&Drees (voorheen Beebox).
12
De meeste sociale ondernemingen hebben slechts een relatief be-
scheiden omzet, wat grotendeels te wijten is aan het feit dat de
meeste sociale ondernemingen zijn opgericht om concrete sociale
problemen in een bepaald gebied en met een beperkte doelgroep aan
te pakken (abn amro, 2017, p. 19). Over het algemeen lopen de finan-
ciële prestaties van sociale ondernemingen in Nederland achter bij
die van for-profit ondernemingen. Minder dan één op de drie sociale
ondernemingen is winstgevend, stelt McKinsey (Keizer et al., 2016,
p. 13). Volgens abn amro (2017, p. 21) had 44% van de ondervraagde
sociale ondernemingen (nog) geen winst en 36% draaide quitte.
De Social Enterprise Monitor laat een enigszins ander beeld zien (So-
cial Enterprise nl, 2018, p. 10). Hier meldde 44% van de sociale on-
dernemingen winst te hebben gemaakt in 2017 (van 41% in 2016
en 36% in 2015). En terwijl de meeste sociale ondernemingen in de
Monitor in 2015 geld hadden verloren (43%) of slechts break-even
hadden gedraaid (20%), meldde in 2017 slechts 28% een verlies en
nog eens 28% een break-even. Een reden voor dit verschil in data zou
kunnen zijn dat vooral organisaties die financieel succesvol zijn over
voldoende tijd beschikken om enquêtes in te vullen, zoals die ten
grondslag ligt aan de Social Enterprise Monitor.
3.7 Impact
Sociale ondernemingen vinden het moeilijk om de impact van hun
activiteiten te meten. Volgens McKinsey meet slechts de helft van
de sociale ondernemingen enige vorm van impact en slechts 35% een
relevante eenheid, zoals co2-emissies. De andere helft sociale on-
dernemingen meet hun sociale impact nog niet (Keizer et al., 2016,
p. 11). Sociale ondernemingen die hun impact niet meten, geven, bij-
voorbeeld in een recente enquête van de Sociaal-Economische Raad
(2015), aan dat ze een goede methode missen om de impact die zij
boeken inzichtelijk te maken of dat ze niet over de financiële mid-
delen beschikken om dat te doen.
13
Er zijn initiatieven om meer inzicht te krijgen in de impact van so-
ciale ondernemingen, zoals Het Impactpad4), ontwikkeld door de
Erasmus Universiteit Rotterdam. Totdat dergelijke instrumenten op
grote schaal worden gebruikt, is het gebrek aan gegevens over de re-
ele impact van sociale ondernemingen echter een probleem voor de
geloofwaardigheid van deze initiatieven.
3.8 Samenvatting en conclusies
Ondanks de verschillen tussen de drie rapporten, kan een aantal
algemene conclusies getrokken worden over de stand van zaken
omtrent sociaal ondernemen in Nederland. Hoeveel sociale onder-
nemingen in Nederland bestaan, is lastig te zeggen; het ontbreken
van een gemeenschappelijke definitie maakt analyses en vergelij-
kingen lastig. Schattingen over het aantal sociale ondernemingen
in Nederland lopen sterk uiteen van enkele honderden, die voldoen
aan de lidmaatschapseisen van Social Enterprise nl, tot 6.000 or-
ganisaties uit de schatting van McKinsey. Sommige kenmerken van
sociale ondernemingen in Nederland komen echter terug in alle drie
onderzochte rapporten: de meeste sociale ondernemingen zijn klei-
ne of middelgrote bedrijven die vrij recent zijn ontstaan. De meeste
bieden gezondheids- en welzijnsdiensten aan en werkgelegenheid
voor mensen met afstand tot de reguliere arbeidsmarkt is de meest
voorkomende sociale hoofdmissie. De meerderheid van de sociale
ondernemingen heeft, volgens zowel het rapport van McKinsey als
de Social Enterprise Monitor, de rechtsvorm van een besloten ven-
nootschap; de op één na meest voorkomende rechtsvorm is die van
stichting, gevolgd door coöperaties en eenmanszaken. Impactmeting
is momenteel voor de meerderheid van sociale ondernemingen nog
een uitdaging.
4) https://impactpad.nl/
14
Als we de vier modellen van sociaal ondernemen van Defourny en
Nyssens uit paragraaf 2 als lens gebruiken om naar de drie rappor-
ten te kijken, zouden we op het eerste gezicht kunnen concluderen
dat de meeste Nederlandse sociale ondernemingen lijken op wat
deze auteurs sociale bedrijven noemen, dus marktbedrijven die een
sociale en een economische missie combineren.
Maar dat komt vooral door de arbitraire Nederlandse definitie van
sociaal ondernemen als een combinatie van een non-profit en een
for-profit oriëntatie, waarbij organisaties die minder dan 75% van
hun inkomsten uit de markt halen, niet worden meegeteld. Zouden
we dat wel doen en dus een bredere definitie hanteren van sociaal
ondernemen en ook die organisaties meetellen die volgens Social
Enterprise nl vallen onder de noemer ‘traditionele non-profits’,
dan zouden ondernemende non-profits de grootste groep sociale
ondernemingen in Nederland vormen. Veel grote instellingen, zoals
universiteiten en ziekenhuizen, zouden daar dan ook onder vallen.
15
4. Sociaal ondernemen en de overheid
4.1 Lokaal niveau
In Nederland zijn sociale ondernemingen vooral actief op lokaal
niveau en zij hebben dan vooral van doen met gemeenten. Er zijn
algemene richtlijnen voor gemeenten hoe om te gaan met sociale
ondernemingen (Stedennetwerk G32, 2017), maar tot nu toe heeft
slechts ongeveer 40% van de lokale overheden een specifiek beleid
opgesteld met betrekking tot sociale ondernemingen (pwc, 2018, p.
10), waaronder de vier grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam,
Utrecht en Den Haag) die actieprogramma’s of actieplannen voor
sociaal ondernemerschap hebben ontwikkeld (Keizer et al., 2016, p. 7).
Deze actieplannen zijn gericht op het creëren van een ecosys-
teem waarin sociale ondernemingen kunnen floreren door (a) de
gemeentelijke organisatie responsiever te maken en de contacten
tussen sociale ondernemingen en gemeenten te vergemakkelijken,
(b) sociale ondernemingen te helpen manieren te ontwikkelen om
hun impact te meten en om passende manieren van financiering te
vinden, (c) sociale ondernemingen te helpen en bevorderen en (d)
partnerschappen aan te gaan met sociale ondernemingen. Deze ac-
tieplannen maken echter ook duidelijk dat sociale ondernemingen
geen voorkeursbehandeling mogen verwachten. In Nederland wor-
den sociale ondernemingen in de eerste plaats als ondernemingen
gezien en wordt er veel waarde gehecht aan het bestaan van een
level playing field met ‘reguliere bedrijven.
Sociaal ondernemers geven aan de relatie met de gemeente vaak als
lastig te ervaren. Er is vaak sprake van de volgende issues (Karré &
Vanmeerkerk, 2019; PwC, 2018; Sociaal-Economische Raad, 2015):
- Herkenning en erkenning: sociale ondernemingen voelen zich
vaak ondergewaardeerd en klagen dat de overheid hen nog niet
als haalbare alternatieven ziet voor samenwerking met non-profit-
organisaties of commerciële ondernemingen. Dit hangt vooral
samen met het ontbreken van een rechtsvorm en beleidskader.
16
- Financiering: omdat ze niet als alternatieven worden gezien,
is financiering voor sociale ondernemingen vaak moeilijk te
verkrijgen. In de sectoren waarin sociale ondernemingen het
meest actief zijn (gezondheid en welzijn, werkintegratie),
werken vooral door de overheid gesubsidieerde non-profits.
Gemeenten zijn zich er nog onvoldoende van bewust dat zij deze
diensten ook in kunnen kopen bij een (sociale) onderneming.
- Aanbesteden: ook al staat de wet toe af te wijken van dit
beginsel, toch beslissen veel gemeentelijke inkopers nog steeds
alleen op basis van de prijs waar een bepaalde dienst of product
wordt ingekocht. Dit is een probleem voor sociaal ondernemingen,
die, omdat ze naast commerciële doelstellingen ook sociale doelen
nastreven, vaak duurder zijn dan reguliere bedrijven met maar
één doelstelling.
- Wet- en regelgeving: sociale ondernemingen ervaren wet- en
regelgeving alsook financieringsstromen vaak als gefragmenteerd
en onsamenhangend. Dit belemmert hun meer integrale
benadering in de aanpak van sociale problemen, bijvoorbeeld
als er sprake is van weinig coördinatie of van botsende visies.
- Verantwoording: omdat zij verschillende en vaak tegenstrijdige
doelstellingen moeten combineren, is het voor sociale
ondernemingen lastiger goed verantwoording af te leggen over
de impact die zij boeken en de besteding van financiële middelen
dan voor ‘reguliere’ bedrijven. Verantwoordingsregimes met een
nadruk op kwantitatieve gegevens passen ook niet zo goed bij
de visie van sociaal ondernemers, die vooral gericht is op het
creëren van een bepaalde outcome.
- Culturele en institutionele logica: sociale ondernemingen en
(lokale) overheid spreken niet dezelfde taal. Er spelen
verschillende culturele en institutionele logica’s die ertoe leiden
dat beide partijen elkaar niet echt begrijpen.
17
4.2 Nationaal niveau
Onlangs is de nationale overheid meer betrokken geraakt bij de
discussie over sociaal ondernemen. In het regeerakkoord beloofden
de vier regeringspartijen de uitdagingen zoals hiervoor beschreven
aan te pakken.
Een eerste stap hierin zijn, geïnstigeerd door een motie van de
ChristenUnie, discussies over het creëren van een aparte rechts-
vorm voor sociale ondernemingen. De Universiteit Utrecht heeft
opdracht gekregen de mogelijkheden daartoe te verkennen (Bosma
et al., 2019). Veel sociale ondernemers ondersteunen dit initiatief,
omdat ze hopen dat dit zal leiden tot meer herkenning en erkenning
van het fenomeen sociaal ondernemen. Een afzonderlijke juridische
status zou echter ook uitdagingen creëren voor sociale onderne-
mingen. De Nederlandse overheid is tot nu toe niet bereid om hen
een speciale status te verlenen, omdat een sociale onderneming
volgens haar in de eerste plaats een onderneming is en er altijd
een gelijk speelveld met reguliere ondernemers moet bestaan. Dat
zou betekenen dat van sociale ondernemingen wordt verwacht dat
zij dezelfde verantwoordings- en fiscale regelingen volgen als elke
andere onderneming, wat nadelig voor hen zou zijn vanwege hun
relatief kleine omvang. Hiermee rekening houdend heeft de Neder-
landse regering besloten aanvullend onderzoek te verrichten voor-
dat de wet werd gewijzigd.
Een tweede discussie op dit moment draait om voorstellen gedaan
in een gezamenlijk rapport van eu en oeso over hoe sociaal onder-
nemen in Nederland kan worden gestimuleerd (oecd & European
Union, 2017). Dit rapport is kritisch over het introduceren van een
afzonderlijke rechtsvorm voor sociale ondernemingen, maar pleit
in plaats daarvan voor de creatie van een registratiesysteem geba-
seerd op een beknopte en duidelijke definitie van de term.
18
Het lijkt er echter op dat een dergelijk register ook niet op korte
termijn zal worden gerealiseerd, omdat de regering eerst wil onder-
zoeken hoeveel het opzetten van een dergelijk registratiesysteem
zou kosten, welke partij in staat zou zijn het te handhaven en wat
de voordelen ervan zouden zijn.
In de tussentijd wil de nationale overheid een constructieve dia-
loog starten over hoe herkenning en erkenning van sociale onder-
nemingen kan worden verbeterd, vooral door een beknopte, alom-
vattende en gedeelde definitie van het begrip sociale onderneming
te ontwikkelen. Zij is ook van plan om sociale ondernemingen en
hun potentiële klanten meer bewust te maken van de kansen die
wet- en regelgeving hen nu al biedt, vooral als het gaat om openbare
aanbestedingen. Een andere manier waarop de nationale overheid
sociale ondernemingen probeert te faciliteren, was de ontwikke-
ling van het reeds genoemde Impactpad als een specifiek op hen
gerichte impactmeetinstrument. De sector heeft zelf stappen on-
dernomen door een governancecode5) voor sociale ondernemingen
op te stellen, in de hoop dat dit hen aan de overheid zou laten zien
als waardevollere partners voor samenwerking en om het bewust-
zijn voor en de erkenning van sociale ondernemingen te vergroten.
Er is ook een kwaliteitslabel dat speciaal is ontworpen voor sociale
ondernemingen die werken aan werkgelegenheid voor mensen met
een afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, het zogenaamde pso-
label6).
19
5) https://www.social-enterprise.nl/over-sociaal-ondernemen/code-sociale-ondernemingen
6) https://www.pso-nederland.nl/
5. Afsluiting
De laatste jaren is de belangstelling voor sociaal ondernemen in
Nederland alleen maar toegenomen. Maar er bestaat ook nog veel
verwarring over wat het precies is en inhoudt. Een manier om hier
verandering in aan te brengen, zou de invoering van een aparte
rechtsvorm voor sociale ondernemingen kunnen zijn. Of deze dis-
cussies echt tot veranderingen in de wet zullen leiden, blijft echter
twijfelachtig. Vanwege de geschiedenis van openbare dienstverle-
ning door hybride organisaties in Nederland, is de lijst van organi-
saties die als sociale ondernemingen kunnen worden bestempeld
vrij uitgebreid. Om sociale ondernemingen te onderscheiden van
zogenaamde ‘traditionele non-profitorganisaties’, worden sociale
ondernemingen vaak gedefinieerd als organisaties die meer dan
de helft van hun inkomsten op de markt genereren. Maar derge-
lijke onderscheidingen zijn grotendeels arbitrair. Een andere reden
waarom een aparte rechtsvorm voor sociaal ondernemen waar-
schijnlijk niet op korte termijn zal worden ingevoerd, is dat sociale
ondernemingen in Nederland eerst en vooral worden gezien als
ondernemingen die geen speciale behandeling verdienen. Hierdoor
zouden er in de praktijk maar weinig concrete voordelen verbonden
zijn aan zo’n aparte rechtsvorm. Om al deze redenen zal de ver-
warring en ambiguïteit rond sociale ondernemingen in Nederland
waarschijnlijk blijven voorbestaan.
20
Literatuur
abn amro (2017). De noodzaak van marktontwikkeling voor sociale
ondernemingen. De romantiek voorbij. Amsterdam: abn amro.
Bosma, N., Hummels, H., Manunza, E., Argyrou, A., Kamerbeek,
S., Meershoek, N., & Helder, R. (2019). Versnelling en verbreding
van sociaal ondernemerschap. Een onderzoek naar de
wenselijkheid van nieuwe juridische kaders.
Utrecht: Utrecht University Social Entrepreneurship Initiative.
De Brabander, R., Emmerik, R., & Peters, D. (2009). Een waardevolle
spagaat: Een verkenning van sociaal ondernemerschap.
Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Defourny, J., & Nyssens, M. (2017). Fundamentals for an
International Typology of Social Enterprise Models. VOLUNTAS:
International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations,
28(6), 2469-2497.
https://doi.org/10.1007/s11266-017-9884-7
Karré, P. M. (2018). Navigating between Opportunities and Risks:
The Effects of Hybridity for Social Enterprises Engaged in Social
Innovation. The Journal of Entrepreneurial and Organizational
Diversity, 7(1), 37-60.
https://doi.org/10.5947/jeod.2018.003
Karré, P. M., & Mossel, V. (2017). Sociaal én ondernemend. Een
essay over de kansen en risico’s van hybriditeit voor sociale
ondernemingen. Rotterdam: Inholland University of Applied
Sciences.
Karré, P. M., & Vanmeerkerk, I. (2019). Samen werken aan de wijk.
Een bestuurskundige reflectie op de relatie tussen wijk-
coöperaties en gemeente in Rotterdam.
Rotterdam: Kenniswerkplaats Leefbare Wijken.
21
Keizer, A., Stikkers, A., Heijmans, H., Carsouw, R., & Van Aanholt, W.
(2016). Scaling the impact of the social enterprise sector.
Amsterdam: McKinsey & Company.
oecd & European Union (2017). Boosting Social Enterprise
Development: Good Practice Compendium.
https://doi.org/10.1787/9789264268500-en
PwC (2018). Prille kansen: de samenwerking tussen sociale
ondernemingen en gemeenten in Nederland (p. 36).
Amsterdam: PwC.
Schulz, J. M., Van der Steen, M., & Van Twist, M. (2013).
De koopman als dominee: Sociaal ondernemerschap in het
publieke domein. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Sociaal-Economische Raad (2015). Sociale ondernemingen:
een verkennend advies. Den Haag: ser Sociaal-Economische Raad.
Social Enterprise nl (2018). De Social Enterprise Monitor 2018.
Amsterdam: Social Enterprise nl.
Stedennetwerk G32 (2017). Meer impact voor sociaal
ondernemerschap. Roadmap voor gemeenten.
Breda: Stedennetwerk G32.
Sterk, E., Specht, M., Walraven, G., & Zweerts de Jong, S. (2013).
Sociaal ondernemerschap in de participatiesamenleving:
Van de brave naar de eigenwijze burger.
Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
22
Article
Full-text available
This article addresses ways in which the scaling strategies of two Dutch non-profit organisations (NPOs) impact their pathways to social enterprise development. The NPOs under investigation seek to address the intertwined issues of hunger, food waste and environmental protection. Comparing and contrasting the two cases, the article discusses the strategies conducive to social enterprise development and the obstacles encountered. Underlying this analysis is a mixed embeddedness perspective which revolves around organisational structure in tandem with institutional pressures affecting the outcome of scaling strategies. So doing, this article makes a contribution to the burgeoning literature on impact scaling, in particular the significance of scaling strategies in the transition of NPOs to social enterprise.
Research
Full-text available
In Rotterdam zijn diverse wijkcoöperaties actief. Dit zijn bewonersinitiatieven waarbij ten behoeve van de leefbaarheid ondernemende activiteiten worden ontplooid die vaak innovatief of experimenteel zijn. In een wijkcoöperatie worden een sociale en een bedrijfsmatige manier van werken met elkaar verbonden, bijvoorbeeld door werkgelegenheid te bieden aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt of door het aanjagen en verbinden van initiatieven in de wijk. Gemeenten zijn vaak nog niet ingericht en ingespeeld om wijkcoöperaties te faciliteren. In opdracht van de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken hebben bestuurskundigen dr. Philip Karré en dr. Ingmar van Meerkerk onderzoek gedaan hoe deze relatie tussen wijkcoöperatie en gemeente versterkt kan worden waardoor zij op een productieve en duurzame manier bij kan dragen aan de aanpak van diverse maatschappelijke uitdagingen in de stad Rotterdam.
Article
Full-text available
This article focuses on the hybridity of social enterprises, organizations that strive to create social and economic value simultaneously. It analyses how social entrepreneurs and local government deal with the hybridity resulting from mixing these two opposing values and what it means for social enterprises’ contributions to processes of social innovation, e.g. new ways of dealing with societal problems using innovative constellation of organizations and other actors. The article discusses the results of a study of social enterprises in and around the cities of Rotterdam, The Hague and Dordrecht in the Netherlands and by doing so looks at an urban subset of social enterprises engaged in social innovation. In the underlying study, document analysis, interviews and a survey were used to identify what drives social entrepreneurs to engage in processes of social innovation, how they generate results and how they deal with the tensions due to hybridity. The article discuss- es the positive and negative effects of hybridity affecting social enterprises and describes avenues for further research on the subject.
Article
The quest for a widely accepted definition of social enterprise (SE) has been a central issue in the last two decades. However, it only seems feasible today to identify a few criteria that were most debated: the specific role of individual social entrepreneurs, the place of social innovation, the search for market income and the issue of governance. The arena of conceptualization efforts should now be fed with more contributions starting from bottom-up approaches built upon a hypothesis that could be termed “the impossibility of a unified definition”. In this paper, we develop a theoretical framework combining principles of interest (mutual, general and capital interest) and resource mixes to identify institutional trajectories generating four major SE models. We then show that all four SE models may address the actual diversity of SE’s social missions. Finally, we suggest that such social missions may be enhanced differently depending on the respective governance mechanisms. © 2017 International Society for Third-Sector Research and The Johns Hopkins University
Versnelling en verbreding van sociaal ondernemerschap. Een onderzoek naar de wenselijkheid van nieuwe juridische kaders
  • N Bosma
  • H Hummels
  • E Manunza
  • A Argyrou
  • S Kamerbeek
  • N Meershoek
  • R Helder
Bosma, N., Hummels, H., Manunza, E., Argyrou, A., Kamerbeek, S., Meershoek, N., & Helder, R. (2019). Versnelling en verbreding van sociaal ondernemerschap. Een onderzoek naar de wenselijkheid van nieuwe juridische kaders. Utrecht: Utrecht University Social Entrepreneurship Initiative.
Een waardevolle spagaat: Een verkenning van sociaal ondernemerschap
  • R De Brabander
  • R Emmerik
  • D Peters
De Brabander, R., Emmerik, R., & Peters, D. (2009). Een waardevolle spagaat: Een verkenning van sociaal ondernemerschap. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Sociaal én ondernemend. Een essay over de kansen en risico's van hybriditeit voor sociale ondernemingen
  • P M Karré
  • V Mossel
Karré, P. M., & Mossel, V. (2017). Sociaal én ondernemend. Een essay over de kansen en risico's van hybriditeit voor sociale ondernemingen. Rotterdam: Inholland University of Applied Sciences.
Scaling the impact of the social enterprise sector
  • A Keizer
  • A Stikkers
  • H Heijmans
  • R Carsouw
  • W Van Aanholt
Keizer, A., Stikkers, A., Heijmans, H., Carsouw, R., & Van Aanholt, W. (2016). Scaling the impact of the social enterprise sector. Amsterdam: McKinsey & Company.
Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland
  • Pwc
PwC (2018). Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland (p. 36). Amsterdam: PwC.
Sociale ondernemingen: een verkennend advies. Den Haag: ser Sociaal-Economische Raad
  • Sociaal-Economische Raad
Sociaal-Economische Raad (2015). Sociale ondernemingen: een verkennend advies. Den Haag: ser Sociaal-Economische Raad.
Sociaal ondernemerschap in de participatiesamenleving: Van de brave naar de eigenwijze burger
  • E Sterk
  • M Specht
  • G Walraven
  • S Zweerts De Jong
Sterk, E., Specht, M., Walraven, G., & Zweerts de Jong, S. (2013). Sociaal ondernemerschap in de participatiesamenleving: Van de brave naar de eigenwijze burger.