ArticlePDF Available

Figures

Content may be subject to copyright.
162
RES PUBLICA • 2012 – 2
163
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Tweede Orde Personalisering:
Voorkeurstemmen in
Nederland
Joop J.M. Van Holsteyn en Rudy B. Andeweg
ABSTRACT: Second Order Personalization: Preference Voting
in the Netherlands
If the impact of party leaders on the electoral fate of their parties may be called first
order personalization, this paper addresses second order personalization: a preference
for an individual candidate having to do with that person embedded in a prior choice
for the candidate’s party. Using survey data and election results with respect to intra-
party preference voting in The Netherlands, this study explores the characteristics of
both voters casting a vote for a candidate other than the party leader and candidates
receiving preference votes. Given the increase in intraparty preference voting, sec-
ond order personalization has increased considerably in recent decades. Moreover,
the correlates of second order personalization differ from those identified for first order
personalization: intraparty preference votes are cast more often by higher educated,
politically interested and efficacious female voters. Intraparty preference voting also
seems to be a form of expressive rather than instrumental electoral behaviour: female
candidates, and to a lesser extent ethnic candidates, receive more preference votes,
but such votes are cast predominantly for the highest placed female (or ethnic) can-
didate on the list – candidates who would be elected on the basis of their position on
the party list anyway.
KEYWORDS: preference voting, personalization, Dutch national elections, ex-
pressive voting
1. Inleiding: Tweede Orde Personalisering
De Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni 2010 hadden voor de politicologe en
politica Mei Li Vos (Partij van de Arbeid, PvdA) een minder aangename verras-
sing in petto: ze werd niet herkozen. Op de kandidatenlijst van haar partij had zij
164
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
165
2012 – 2 • RES PUBLICA
als zittend Kamerlid een relatief lage positie (38) gekregen. Dat was de aanleiding
geweest voor het opzetten van een persoonlijke verkiezingscampagne, die zij met
enkele vrienden en bekenden voerde onder de vlag Team Vos. In de peilingen
stond de PvdA in de aanloop van de verkiezingen op ongeveer 30 zetels (vgl. Van
Holsteyn, 2011). Vos wist dan ook dat ze de lijstvolgorde zou moeten doorbreken
om op eigen kracht opnieuw de Kamer in te komen. Met 10.200 stemmen slaagde
zij er echter niet in om door middel van voorkeurstemmen verkozen te worden1
en alsnog een van de 30 zetels van de PvdA in te nemen. Hoewel de uitkomst niet
was wat stellig gehoopt en misschien stilletjes verwacht werd binnen de gelederen
van Team Vos, was Vos overtuigd van de juistheid van haar aanpak. “Toch zou ik
het een volgende keer weer zo doen. Ik vind ook dat iedere kandidaat op een lijst
een persoonlijke campagne zou moeten voeren en streven naar voorkeurstemmen.
(...) Kandidaten die de regio of hun gemeente willen vertegenwoordigen voeren
een campagne rond hun postcodegebied, kandidaten die een bepaald type onder-
nemers, levensstijl of thema willen vertegenwoordigen hebben in dit mediatijdperk
een scala aan manieren om zich kenbaar te maken door heel Nederland” (Vos,
2011, pp. 216-217).
Mei Li Vos was in 2010 de eerste noch de enige die als complement van de
verkiezingscampagne van de politieke partij waarvoor men kandidaat staat een
eigen, persoonlijke campagne had opgezet. Haar ‘oproep’ aan toekomstige kandi-
daten om toch vooral in te zetten op een persoonlijke campagne en een verkiezing
via voorkeurstemmen − die in deze bijdrage de hoofdrol spelen − kan echter wel
worden beschouwd als een nadrukkelijke aanwijzing van politieke en electorale
veranderingen die zich in Nederland en elders hebben voorgedaan. Een van die
veranderingen betreft ‘de personalisering van de politiek’. Vanuit electoraal per-
spectief dient die personalisering gezien te worden tegen een achtergrond van
een zwakker worden van sociale banden tussen kiezers en partijen op basis van
bijvoorbeeld sociale klasse of religie. Oude sociale scheidslijnen zijn als gevolg
van diverse op elkaar ingrijpende ontwikkelingen van minder electorale beteke-
nis geworden (zie o.a. Jansen, 2011). De afgelopen decennia zijn dan ook steeds
meer kiezers daadwerkelijk beginnen te kiezen (Rose & McAllister, 1986). Voor de
Nederlandse situatie heeft de zogenoemde ontzuiling ertoe geleid dat verkiezin-
gen zich ontwikkelden ‘van volkstelling tot verkiezingsstrijd’ (Andeweg, 1981, p.
86). Voor individuele kiezers betekent dit dat zij gebruik zijn gaan maken van “a
new calculus to make their electoral decisions” (Dalton, 2002, p. 190), een afwe-
ging waarbinnen kortetermijnfactoren een prominente plaats zijn gaan innemen.
Daarbij komen politici in beeld. “As partisanship in the electorate has weakened,
it stands to reason that voters would have to substitute other factors in their
decision-making process. One such factor that has drawn considerably scholarly
attention is the role of the politicians them selves in affecting electoral outcomes”
(Dalton, McAllister & Wattenberg, 2000, p. 49). Er is geen goede reden te beden-
164
RES PUBLICA • 2012 – 2
165
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
ken waarom Nederland een uitzondering zou vormen op deze regel, die stelt dat
er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat van een toegenomen belang van poli-
tici binnen de individuele electorale calculus in het begin van de eenentwintigste
eeuw (vgl. Andeweg & Irwin, 2009, pp. 95-124; Irwin & Van Holsteyn, 2008a). Een
land hoeft immers geen personendemocratie te zijn (vgl. Van Holsteyn, 2004) om
toch met recht en reden aandacht te besteden aan personalisering en persoonsef-
fecten.
Het wetenschappelijk debat over en onderzoek naar personalisering heeft ove-
rigens te kampen met een gebrek aan conceptuele helderheid en eenduidigheid,
ondanks pogingen in dezen enige duidelijkheid te scheppen (o.a. Rahat & Sheafer,
2007; Poguntke & Webb, 2005a; Van Holsteyn & Andeweg, 2010). Die conceptuele
verwarring is er waarschijnlijk mede de oorzaak van dat er geen eensgezindheid
bestaat over de werking en dynamiek van het verschijnsel (electorale) persona-
lisering. De diverse schattingen van de omvang van persoonseffecten lopen ook
uiteen (zie voor recente overzichten van het debat over personalisering en empiri-
sche bevindingen: Aarts, Blais & Schmitt, 2011; Bittner, 2011; Blondel et al., 2010;
Karvonen, 2010: King, 2002; McAllister, 2009; Poguntke & Webb, 2005b). Daar
komt bij dat dit onderzoeks deelterrein gekenmerkt wordt door eenzijdigheid in
focus en daardoor eventueel door een vertekening in bevindingen en conclusies.
De aandacht gaat namelijk vooral uit naar politieke leiders − in de Nederlandse
context bovenal de personen die bij Tweede Kamerverkiezingen de kandidatenlijst
aanvoeren, de zogenoemde lijsttrekkers en hun invloed op de keuze van de
kiezers en/of op de uitslag bij verkiezingen. In de regel blijven overige kandidaten
en politici buiten beschouwing. Op deze ‘scheve’ situatie werd weliswaar al ruim
een kwarteeuw geleden gewezen, maar daarin is ondanks de toegenomen aan-
dacht voor personalisering nauwelijks verandering gekomen: “very little research
has been done on questions relating to intraparty preference voting” (Katz, 1986,
p. 87; onze cursivering). In deze bijdrage beogen wij precies dat te doen, met een
uitgebreide beschrijving en voorlopige poging tot verklaring van het kiezen voor
een andere politicus dan de politiek leider.
De constatering dat de aandacht zich waar het gaat om persoonseffecten mis-
schien niet exclusief maar toch zeker primair richt op de politieke leiders is even-
eens geldig voor Nederland (zie o.a. Aarts, 2001; Anker, 1992, pp. 83-106; Irwin &
Van Holsteyn, 1999; Van Wijnen, 2000). Echter, of uitsluitend de lijsttrekkers in het
bezit zijn van eigenschappen of kenmerken − de electorale X-factor − die bij ver-
kiezingen kiezers aantrekken of afstoten, is uiteindelijk een empirische vraag. Als
we meer inzicht wensen te krijgen in personalisering in de zin van electorale per-
soonseffecten is er geen enkele reden om simpelweg aan te nemen dat het slechts
lijsttrekkers zijn die ertoe doen. Voor een volledig beeld dienen alle of althans zo
veel mogelijk individuele kandidaten in beschouwing te worden genomen (vgl.
Karvonen, 2010). Dit is te meer het geval als het zo is dat een groeiende onvrede
166
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
167
2012 – 2 • RES PUBLICA
met politieke partijen een ontwikkeling in gang heeft gezet waarbij álle individuele
politici of volksvertegenwoordigers zich ten opzichte van hun kiezers dienen te
verantwoorden en het verantwoordingsproces niet (langer) exclusief gericht is op
het (eenhoofdig) politiek leiderschap (vgl. Carey, 2009, pp. 7-8).
Als we electorale effecten van politieke leiders of lijsttrekkers onder de noemer
eerste orde personalisering brengen, dan kan de kwalificatie second order perso-
nalization of tweede orde personalisering worden gereserveerd voor die electorale
invloeden die teweeg worden gebracht door andere kandidaten op de lijst. In deze
bijdrage staat tweede orde personalisering centraal, in een poging om dit onont-
gonnen onderzoeksterrein (vgl. Karvonen, 2004, p. 204) eerst zo volledig als moge-
lijk in kaart te brengen en vervolgens beter te begrijpen. Meer specifiek gebruiken
we de term tweede orde personalisering vanuit het idee dat het hier gaat om een
secundaire, ingebedde keuze. Hoewel het ontbreken van afdoende relevante onder-
zoeksbevindingen tot enige voorzichtigheid maant, gaan we op basis van het ons
bekende onderzoek uit van het vermoeden dat het bij tweede orde personalisering
gaat om persoonseffecten die volgen op een overigens bepaalde en bestaande voor-
keur voor een bepaalde partij (vgl. Marsh, 2007; Van Holsteyn & Andeweg, 2008;
2010). De keuze van een kandidaat op een lijst volgt volgens deze redenering op
de voorafgaande keuze voor de politieke partij als zodanig op eerdere en andere
gronden.
Bij eerste orde personalisering is die volgorde anders: daar gaat de voorkeur voor
de persoon vooraf aan de keuze voor de partij. Theoretisch is het overigens denk-
baar dat een voorkeurstem op een lager geplaatste kandidaat op de partijlijst een
vorm is van deze eerste orde personalisering, en in eerder onderzoek hebben wij
wel kiezers gevonden die een voorkeurstem hadden uitgebracht en de betreffende
kandidaat ook zouden steunen wanneer deze op de lijst van een andere partij zou
staan (Van Holsteyn & Andeweg, 2008; 2010). Omgekeerd is het in het Nederlandse
kiesstelsel eveneens denkbaar dat de stem op een lijsttrekker geen eerste orde per-
sonalisering betreft, maar ook een persoonskeuze is die secundair is aan de voor-
afgaande partijkeuze, of zelfs helemaal geen personalisering indiceert. In hetzelfde
eerdere onderzoek constateerden wij zelfs dat dit veel voorkomt. Gegeven de veel-
heid aan mogelijke motieven voor een stem op de lijsttrekker, en gegeven het feit
dat het gros van de voorkeurstemmen tweede orde personalisering betreft, richten
wij ons in dit artikel op de voorkeurstemmen als meest evidente manifestatie van
tweede orde personalisering. Na een schets van het fenomeen voorkeurstem in
Nederland gaan we in op de twee zijden die ook deze medaille kent. Welke groe-
pen kiezers spreken om wat voor redenen of oorzaken bij verkiezingen voor het
voornaamste volksvertegenwoordigende orgaan in Nederland, de Tweede Kamer,
een voorkeur uit voor een andere kandidaat dan de nummer 1 op de kandidaten-
lijst, de lijsttrekker? En wat maakt anderzijds die lagergeplaatste kandidaten dan zo
aantrekkelijk voor kiezers die op hen een voorkeurstem uitbrengen?
166
RES PUBLICA • 2012 – 2
167
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
2. De voorkeurstem
Het gebrek aan conceptuele helderheid waarop is gewezen voor het verschijn-
sel personalisering als geheel, komen we nogmaals tegen, in het klein, bij wat in
de internationale (Engelstalige) literatuur de preference vote of preferential voting
wordt genoemd (vgl. Toplak, 2009; Karvonen, 2004). In de Amerikaanse literatuur
wordt in dit verband vooral gesproken van de personal vote. In het laatste geval
gaat het in een van de standaardwerken over dit fenomeen om “that portion of
a candidate’s electoral support which originates in his of her personal qualities,
qualifications, activities, and record” (Cain, Ferejohn & Fiorina, 1987, p. 9). In de
onderzoekspraktijk wordt deze zeer ruime opvatting van factoren die verantwoor-
delijk zouden zijn voor de ‘persoonlijke stem’ veelal ingeperkt, tot bijvoorbeeld de
individuele eigenschappen en de record van de betreffende kandidaat (o.a. Shugart,
Valdine & Suominen, 2005, p. 437) of, vaker nog, tot enkel de record en dan in het
bijzonder de verdiensten van een zittende kandidaat voor de eigen kiezersaanhang
in het eigen kiesdistrict (o.a. Ansolahebere, Snyder Jr. & Stewart III, 2000, p. 18;
Desposato & Petrocik, 2003, p. 18).
Uit deze omschrijving van de personal vote mag wellicht al blijken dat de mo-
gelijkheden alsook de precieze betekenis van een dergelijke persoonlijke stem of
voorkeurstem nauw samenhangen met de institutionele en procedurele context
van het specifieke geval (vgl. Carey & Shugart, 1995). Dat maakt vergelijkend on-
derzoek naar het verschijnsel preferential vote/personal vote/voorkeurstem en een
oordeel over empirische bevindingen in vergelijkend perspectief lastig, maar dat
is simpelweg een gegeven op het onderhavige onderzoeksterrein. Typisch voor de
Nederlandse situatie, bijvoorbeeld, is dat bij verkiezingen alle stemmen op een in-
dividuele politicus worden uitgebracht. Bij verkiezingen presenteren partijen zich
middels hun kandidatenlijsten in kieskringen die primair administratief belang
hebben, en de kiezer kan zijn of haar politieke voorkeur enkel en alleen kenbaar
maken door te stemmen op één van de op de lijsten opgenomen kandidaten. Zo
bezien is elke stem een persoonlijke stem die op een individuele kandidaat wordt
uitgebracht. Aldus geldt voor Nederland dat “(...) the expression of an intraparty
preference is an inescapable part of voting” (Katz, 1986, p. 88). In de specifieke
Nederlandse context is het echter ongebruikelijk, en vanwege het gebrek aan on-
derscheidend vermogen vruchteloos, om de term voorkeurstemmen te gebruiken
voor alle op kandidaten uitgebrachte stemmen. Wie in deze Nederlandse politieke
en electorale context spreekt van voorkeurstemmen, heeft het over stemmen die
zijn uitgebracht op een andere kandidaat dan de eerstgenoemde kandidaat op de
lijst (de lijsttrekker).2
Dergelijke voorkeurstemmen zijn niet zonder betekenis of gevolgen, zij het dat
er in de afgelopen honderd jaar herhaaldelijk gesleuteld is aan het gewicht van
de voorkeurstem binnen het sterk proportionele Nederlandse kiesstelsel voor het
168
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
169
2012 – 2 • RES PUBLICA
bepalen van de uitslag en de vraag of een kandidaat al dan niet verkozen wordt
verklaard (zie hiervoor o.a. Andeweg, 2008; Jacobs & Leyenaar, 2011; Van der Kolk,
2007). Momenteel geldt de regelgeving zoals deze voor het laatst in 1996 in gewij-
zigde vorm is vastgesteld.3 De Kieswet (artikel P15, lid 1) bepaalt sindsdien met
betrekking tot de toekenning van zetels (van de Tweede Kamer)4 het volgende:
”In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn gekozen die
kandidaten die op de gezamenlijke lijsten waarop zij voorkomen, een aantal stem-
men hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijsten-
groep, het niet van een lijstengroep deel uitmakend stel gelijkluidende lijsten of de
op zichzelf staande lijst voldoende zetels zijn toegewezen. Indien aantallen gelijk
zijn, beslist zo nodig het lot”. Kortom, met minimaal een kwart van de kiesdeler
verkrijgt een kandidaat het recht op een Kamerzetel, als althans zijn of haar partij
of lijst ten minste de kiesdeler en daarmee een zetel heeft behaald.
We zagen dat Mei Li Vos er in 2010 niet in slaagde om met voorkeurstemmen
verkozen te worden. Anderen hadden meer succes, in 2010 en voorgaande jaren.
Bij de eerste Kamerverkiezingen (1998) na de wijziging van 1996 haalden 26 kandi-
daten voldoende stemmen om op basis van voorkeurstemmen verkozen verklaard
te worden. Merk hierbij echter direct op dat deze groep kandidaten 9 lijsttrekkers
telde en dat van de overige 17 kandidaten er nog eens 15 toch wel verkozen zou-
den zijn op basis van hun (voldoende hoge) positie op de kandidatenlijst. In 2003
haalden 27 kandidaten voldoende stemmen om met voorkeur verkozen te zijn,
onder wie 9 lijsttrekkers, terwijl slechts 2 kandidaten ‘echt’ via voorkeurstemmen
de Kamer in wisten te komen. In 2006 ging het om 27 kandidaten met voldoende
voorkeurstemmen (onder wie 10 lijsttrekkers), die op een enkele kandidaat na
toch al verkozen zouden zijn. En in 2010 wisten 30 kandidaten (10 lijsttrekkers)
de drempel te halen die voor Vos te hoog bleek.5 Hierbij zaten 2 politici die niet op
basis van hun plaats op de kandidatenlijst maar vanwege het aantal voorkeurstem-
men verkozen werden verklaard.
Omdat elk kiesstelsel anders in elkaar steekt, ook ten aanzien van mogelijkhe-
den en effecten van de voorkeurstem, is het moeilijk te zeggen of bij die recente
Kamerverkiezingen veel of weinig kandidaten erin slaagden om op eigen kracht de
Kamer in te komen. Op basis van de geldende regels en een drietal daaraan ont-
leende indicatoren - de mate van controle van het partijleiderschap over de samen-
stelling van de kandidatenlijst, het al dan niet optellen van uitgebrachte stemmen
voor de partij als geheel, en het stemmen op het niveau van de partij of op een on-
dergeschikt niveau − stellen Carey en Shugart (1995; zie ook Farrell & McAllister,
2006; Grofman, 2005) dat het Nederlandse stelsel vanuit vergelijkend perspectief
geen krachtig stimulerende omgeving biedt aan kandidaten om in te zetten op een
directe, eigenstandige route naar de Kamer via voorkeurstemmen. Op basis van
vergelijkbare criteria komt ook Karvonen tot de slotsom dat het Nederlandse sys-
teem kan worden getypeerd als “‘weak’ preferential voting in list systems. List or-
168
RES PUBLICA • 2012 – 2
169
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
der or similar considerations play a role parallel with preference voting and clearly
limit its effects” (Karvonen, 2004, pp. 207-208). En hoewel het zo is dat de aan-
zienlijke grootte van het ene kiesdistrict dat Nederland bij Kamerverkiezingen is,
waarbinnen alle 150 zetels te vergeven zijn, een positieve prikkel zou bieden aan
het streven naar het verkrijgen van voorkeurstemmen (o.a. Mitchell, 2000), dient
het eindoordeel toch te luiden dat de voedingsbodem in Nederland voor voorkeur-
stemmen schraal is en dat in “the Netherlands (...) preference votes alone do not
decide who gets elected. Although in theory voters alone might decide, party order-
ing plays a direct role in the allocation of seats” (Marsh, 1985, p. 367).
Hier komt nog bij dat partijen bepaald niet aanmoedigen dat elke individuele
kandidaat probeert de eigen electorale akker te ontginnen. Sommige partijen vra-
gen van hun kandidaten zelfs te verklaren geen gebruik van hun formele recht op
een zetel te maken, mochten zij via voorkeurstemmen en dus tegen de tevoren be-
paalde lijstvolgorde in verkozen blijken te zijn. Maar het bloed van die kandidaten
kruipt waar het institutioneel moeilijk gaan kan en partijpolitiek soms niet gaan
mag. Team Vos is niet uniek. In een onderzoek onder Tweede Kamerleden uit 2006
(zie voor dit zogeheten parlementsonderzoek Andeweg & Thomassen, 2007) gaf
35 procent van de 113 respondenten aan weleens activiteiten te hebben ontplooid
gericht op het verkrijgen van voorkeurstemmen. Aldus is er aan de kant van de
kandidaten enig pogen zichtbaar zich als individuele kandidaat bij de kiezer ken-
baar en aantrekkelijk te maken, in een zoals aangegeven weerbarstige setting. Ver-
volgens is het de vraag of die pogingen aanslaan en of kiezers inderdaad gebruik
maken van de mogelijkheid een voorkeurstem uit te brengen.
3. De voorkeurstem in de praktijk
We gaven al aan dat ten aanzien van het vraagstuk van de personalisering de aan-
dacht primair naar politieke kopstukken is uitgegaan. Deze exclusiviteit lijkt mede
ingegeven door het idee dat het electorale lot van een lijst of partij bij verkiezingen
meer dan ooit afhangt van die personen (vgl. Van Holsteyn & Andeweg, 2008, pp.
105-107). Echter, anders dan ook in wetenschappelijke kringen wordt beweerd (vgl.
Fiers & Krouwel, 2005, pp. 146-148), is het niet zo dat het aandeel van de stemmen
van lijsttrekkers recentelijk is toegenomen. Het tegendeel is het geval: bij Tweede
Kamerverkiezingen zien we voor de periode 1946-2010 een stijgend aandeel voor-
keurstemmen (zie Figuur 1). Bij de eerste naoorlogse verkiezingen zien we dat
lagergeplaatsten op de lijst een zeer bescheiden deel van de kiezers voor zich
weten te winnen, niet meer dan enkele procenten van alle stemmen op de partij.
In de jaren zestig en vroege jaren zeventig loopt dit aandeel op tot ongeveer 10
procent om vervolgens licht af te nemen, waarbij moet worden aangetekend dat de
170
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
171
2012 – 2 • RES PUBLICA
cijfermatige vergelijkbaarheid doorheen de tijd gecompliceerd is onder meer omdat
diverse partijen in het pre-televisietijdperk met meerdere lijsttrekkers opereerden.
In 1967 was de Katholieke Volkspartij (KVP) de laatste gevestigde partij die werkte
met een meerhoofdig lijsttrekkerschap, een viertal regionale lijstaanvoerders onder
wie een vrouw (Marga Klompé), waarna vanaf 1971 de periode van het eenhoof-
dige lijsttrekkerschap aanbrak (Toonen, 1992).6
De groei in het aandeel voorkeurstemmen lijkt vanaf de jaren negentig van de
vorige eeuw het verschijnsel op een hoger plan getild te hebben met ongeveer één
voorkeurstem op elke vijf uitgebrachte stemmen, een ontwikkeling die niet eenvou-
dig of een-op-een gerelateerd kan worden aan wijzigingen in de systematiek van en
regelgeving rondom de voorkeurstem. Bij de spectaculaire Kamerverkiezingen van
2002 zien we een (voorlopig?) hoogtepunt in het aandeel voorkeurstemmen: 27 pro-
cent. Niet te zien in Figuur 1 is dat in dat jaar voor de eerste maal in de tijd van het
eenhoofdig lijsttrekkerschap een lijsttrekker (Hans Dijkstal) van een gevestigde par-
tij (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, VVD) er niet in slaagde om een meer-
derheid van de stemmen op zijn of haar lijst te behalen. Vier jaar later deed zich een
in dit verband eveneens interessant unicum voor, toen in 2006 de nummer 2 van
de kandidatenlijst van de VVD, Rita Verdonk, er met 620.555 stemmen in slaagde
om meer stemmen te halen dan lijsttrekker Mark Rutte, die bleef steken op 553.200
stemmen. Al met al ontwikkelingen die in ieder geval vanuit kwantitatief perspectief
voldoende reden opleveren voor onderzoek naar tweede orde personalisering.
1946
1948
1952
1956
1959
1963
1967
1971
1972
1977
1981
1982
1986
1989
1994
1998
2002
2003
2006
2010
0
5
10
15
20
25
30
FIGUUR 1. Percentage voorkeurstemmen Tweede Kamerverkiezingen 1946-2010.
170
RES PUBLICA • 2012 – 2
171
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Het totaalbeeld van een toegenomen gebruik van voorkeurstemmen in Figuur 1 ver-
hult verschillen in voorkeurstemmen per verkiezingsjaar per partij; in Tabel 1 zijn
deze gegevens opgenomen. De diversiteit in voorkeurstemmen die hier naar voren
komt, kan het gevolg zijn van factoren die zich aan de vraagkant van het electorale
proces bevinden, zoals specifieke kiezersgroepen die in mindere of meerdere mate
gebruik maken van de voorkeurstem, en/of te maken hebben met de aanbodkant,
waarbij gedacht kan worden aan meer of minder aantrekkelijke lijsttrekkers ver-
geleken met overige kandidaten op de betreffende lijst. Voor beide mogelijkheden
lijkt iets te zeggen. Zo kent de orthodox-protestantse Staatkundig Gereformeerde
Partij (SGP) voor de periode 2002-2010 een relatief laag aandeel voorkeurstemmen
en geldt dit eveneens voor de rechts-populistische Partij voor de Vrijheid (PVV),
maar dit vergelijkbare resultaat is mogelijk het gevolg van uiteenlopende redenen
van de twee kiezersgroepen. Voor kiezers van de SGP zal de aantrekkingskracht
van de partij gelegen zijn in de specifieke religieuze beginselen ervan en in haar
programma, meer dan in de persoonlijke aantrekkingskracht van individuele kan-
didaten onder wie de lijsttrekker. Aanhangers van de PVV zullen zich daarentegen
wellicht sterk aangetrokken gevoeld hebben door de persoon van de lijsttrekker,
Geert Wilders, die nog in 2006 de verkiezingen inging met een expliciet naar zich-
zelf vernoemde lijst, Groep Wilders/Partij voor de Vrijheid.
TABEL 1. Voorkeurstemmen (%) bij Tweede Kamerverkiezingen per partij, 2002-
2010.
2002 2003 2006 2010
GroenLinks (GL) 29 13 14 8
Socialistische Partij (SP) 18 20 18 14
Partij van de Arbeid (PvdA) 44 17 17 18
Democraten 66 (D66) 23 28 50 23
Partij voor de Dieren (PvdD) nvt. nvt. 17 19
Christen Democratisch Appèl (CDA) 14 13 16 26
ChristenUnie (CU) 33 23 13 17
Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) 51 29 62 16
Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) 10 10 8 7
Leefbaar Nederland (LN) 24 nvt. nvt. nvt.
Lijst Pim Fortuyn (LPF) 16 14 nvt. nvt.
Partij voor de Vrijheid (PVV) nvt. nvt. 2 5
*Bron: de gegevens zijn berekend op basis van verkiezingsuitslagen zoals geregistreerd in de door de
Kiesraad opgemaakte processen-verbaal (zie http://www.kiesraad.nl/nl/Verkiezingen/Verkiezingen-Verkie-
zingsuitslagen.html).
Het lijken minder specifieke kiezersgroepen van een bepaalde politieke kleur of
stroming die al dan niet veelvuldig de voorkeurstem hanteren, maar het is de
staalkaart aan kandidaten op de lijst over de jaren die kiezers dan eens wel en een
172
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
173
2012 – 2 • RES PUBLICA
volgende keer weer niet een voorkeurstem doet uitbrengen. Een dergelijk perspec-
tief kan verklaren dat binnen partijen van links tot rechts – uitzonderingen als de
PVV en de SGP daargelaten – het aandeel voorkeurstemmen zelfs in een periode
van krap tien jaar zo sterk varieert. Zo kreeg de PvdA met Ad Melkert als lijsttrek-
ker in 2002 44 procent voorkeurstemmen, maar was dat met Wouter Bos in 2003
nog maar 17 procent. Met Rutte op plaats 1 en Verdonk op 2 telde de VVD in 2006
62 procent voorkeurstemmen, terwijl een Verdonkloze VVD7 met nogmaals Rutte
als lijsttrekker in 2010 16 procent voorkeurstemmen had. Dit laatste voorbeeld lijkt
mede te duiden op een vaker te signaleren reactie van kiezers op een venijnige
interne strijd binnen partijen om het leider- en lijsttrekkerschap, zoals ook bij D66
in 2006 zichtbaar is.
4. Kiezer en kandidaat – it takes two to tango
4.1 Kiezers: karakteristieken van voorkeurstemmers
Alom wordt het onderzoek naar preferential voting gehinderd door een gebrek aan
gegevens op individueel niveau. Bevindingen zijn veelal het resultaat van “ecologi-
cally-based inferences and speculations”; relatief weinig is bekend over kenmerken
van individuele kiezers die deze vorm van kiesgedrag vertonen (Katz, 1985, p. 231;
André, Wauters & Pilet, 2010, p. 171). Hoewel ook wij later in deze bijdrage gebruik
maken van ecologische data, kunnen we tevens een beeld van voorkeurstemmers
presenteren op basis van survey-onderzoek. We gebruiken de geïntegreerde dataset
die is geconstrueerd op basis van afzonderlijke Nationale Kiezersonderzoeken voor
de periode 1971-2006 (zie voor de opzet en verantwoording van het onderzoek en
de dataset, gestelde vragen, en een groot aantal rechte tellingen: Todosijevic, Aarts
& Van Der Kaap, 2010). Dit bestand bevat voor 1998, 2002, 2003 en 2006 gegevens
met betrekking tot het kiesgedrag bij Kamerverkiezingen van Nederlandse kiesge-
rechtigden, onder meer voor de ruim 26 procent (N = 1.701) van alle responden-
ten (N = 6.259) die aangaven bij die verkiezingen een voorkeurstem te hebben
uitgebracht. Dat maakt het mogelijk te bekijken in welke mate het uitbrengen van
een dergelijke stem gerelateerd is aan achtergrond- of sociaaldemografische ken-
merken van kiezers dan wel aan houdingen en opvattingen, inclusief de redenen
die zij zelf gaven voor het uitbrengen van hun voorkeurstem.
Voor een beter begrip van het gedrag van voorkeurstemmers is geen arsenaal
van beproefde (potentiële) verklaringen voorhanden. En als er al verwachtingen
bestaan ten aanzien van kiezers die relatief vaak of weinig gebruik maken van
de voorkeurstem, zijn die verwachtingen weinig eensluidend, soms tegengesteld
(o.a. Marsh, 1985; André, Wauters & Pilet, 2010; Van Der Kolk, 2003). Neem het
172
RES PUBLICA • 2012 – 2
173
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
kiesgedrag van allochtonen en etnische minderheden. Volgens de ene redenering
zou deze groep politiek relatief weinig geïnteresseerd en minder gesofisticeerd zijn,
met een geringer gebruik van de voorkeurstem als gevolg. Volgens een andere re-
denering zou bij deze groep kiezers de aanzienlijke behoefte om ‘eigen’ mensen in
vertegenwoordigende posities te krijgen zich vertalen in een disproportioneel groot
aantal voorkeurstemmen (vgl. André, Wauters & Pilet, 2010, p. 177).
TABEL 2. Achtergrondkenmerken kiezers en voorkeurstemmen, 1998-2006.
Kenmerken kiezer
Stem op:
Lijsttrekker Andere kandidaat Totaal N=
Geslacht
man
vrouw
76
72 24
28 100%
100% 3170
3359
Electoral cohort
1946 en eerder
1948
1952
1956
1959
1963
1967
1971
1972
1977
1981
1982
1986
1989
1994
1998
2002
2003
2006
88
83
85
82
80
76
72
72
75
71
74
78
73
69
69
72
66
84
72
12
17
16
19
21
25
28
28
25
29
26
23
27
31
31
28
34
16
28
100%
100%
101%
101%
101%
101%
100%
100%
100%
100%
100%
101%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
187
92
193
286
190
383
613
577
595
667
596
182
531
411
396
288
198
25
115
Hoogst genoten opleiding
lager of basisonderwijs
(lager) beroepsonderwijs
vervolgonderwijs, mavo, havo
middelbaar beroepsonderwijs, vwo
hoger beroepsonderwijs, universiteit
84
81
76
73
68
16
19
25
27
32
100%
100%
101%
100%
100%
507
897
924
1718
2332
Urbanisatiegraad woonplaats
zeer sterk stedelijk
sterk stedelijk
matig stedelijk
weinig stedelijk
niet stedelijk
69
75
75
76
72
31
25
25
24
28
100%
100%
100%
100%
100%
1012
1649
1365
1438
1065
Bron: Geïntegreerde dataset NKO 1971-2006; zie voor de dataset, gebruikte vragen en operationalisaties
Todosijevic, Aarts & Van Der Kaap, 2010; gepresenteerde verschillen zijn significant bij .05.
Ondanks de onzekerheid ten aanzien van op basis van literatuur en eerdere bevin-
dingen te formuleren verwachtingen, suggereert die literatuur enkele hypothesen.
174
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
175
2012 – 2 • RES PUBLICA
Zo zouden vrouwen vaker een voorkeurstem uitbrengen dan mannen (o.a. Van der
Kolk, 2003, p. 17), een vermoeden dat steun vindt in onze data, al is het verschil
tussen mannen (24 procent) en vrouwen (28 procent) gering (zie Tabel 2). Met
betrekking tot leeftijd is eerder een curviliniair verband gevonden (Van der Kolk,
2003, p. 17) maar ook een positief verband met meer voorkeurstemmen onder ou-
dere kiezersgroepen (André, Wauters & Pilet, 2010, pp. 182-183). In onze analyse
hebben we niet leeftijd maar electoraal cohort opgenomen en vinden we weer een
ander patroon: meer voorkeurstemmen naarmate groepen recenter voor de eerste
maal van hun kiesrecht gebruik mochten maken.8
Onze gegevens steunen de verwachting van een positieve relatie tussen het
opleidingsniveau en het uitbrengen van een voorkeurstem, mogelijk omdat “edu-
cated people are (...) more able to use the electoral system” (Van Der Kolk, 2003,
p. 17). Kiezers met het hoogste opleidingsniveau brengen twee keer zo vaak een
voorkeurstem uit ten opzichte van kiezers met het laagste opleidingsniveau (32
respectievelijk 16 procent). Dit is een opmerkelijk verschil dat kan wijzen op de
andere aard van tweede orde personalisering. Immers, in onderzoek naar leider-
schapseffecten werd geen verschil naar opleiding aangetroffen: “it seems to make
little difference to the weight that leader evaluations carry when it comes to the
vote choice. Leaders appear to matter as much to the electoral calculus of uni-
versity graduates as they do to those with only primary school education (...)”
(Gidengil, 2011, p. 158).
Ten aanzien van de urbanisatiegraad van de woonplaats van de kiezer treffen we
geen rechtlijnig verband aan. Relatief de meeste voorkeurstemmen zijn uitgebracht
door kiezers woonachtig in de meest verstedelijkte omgeving (31 procent), gevolgd
door kiezers in de minst verstedelijkte (28 procent). Het aandeel voorkeurstem-
men in de drie tussenliggende categorieën ligt op een lager niveau van ongeveer
25 procent. Nadere analyse van woonplaats naar aantal inwoners (gegevens niet
gepresenteerd) wijst uit dat het patroon nog gecompliceerder is: het minste aantal
voorkeurstemmen vinden we onder kiezers in de kleinste woonplaatsen met hoog-
uit 5.000 inwoners (23 procent) en met afstand het grootste aandeel in Amsterdam
(38 procent), terwijl kiezers uit Rotterdam en Den Haag slechts 24 respectievelijk
27 procent voorkeurstemmen uitbrachten.9
Het positieve verband tussen opleidingsniveau en voorkeurstemmen kan duiden
op een vorm van sophisticated stemgedrag van een electorale ‘elite’. Die interpreta-
tie wordt gesteund door gegevens die betrekking hebben op enkele houdingen en
meningen van kiezers (zie Tabel 3). Zo zien we een positief verband met politieke
interesse, wat niet verrassend is: “People not interested in politics will probably
never consider affecting the selection of individual candidates” (Van Der Kolk,
2003, p. 17; zie ook André, Wauters & Pilet, 2010, pp. 182-183; Katz, 1985). Meer
specifiek zien we dat naarmate kiezers met grotere frequentie campagnenieuws
volgen in de krant, zij vaker een voorkeurstem uitbrengen (vgl. André, Wauters &
174
RES PUBLICA • 2012 – 2
175
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Pilet, 2010, pp. 182-183). Voor kiezers die dit nieuws vrijwel altijd of vaak lezen ligt
het percentage voorkeurstemmen met bijna 30 procent bijna tien procentpunten
hoger dan bij kiezers die dit nieuws zelden of nooit lezen, of die helemaal geen
krant lezen. Ook politieke kennis is positief gerelateerd aan voorkeurstemmen:
terwijl een derde van de kiezers met de hoogste kennisscore een voorkeurstem
heeft uitgebracht, geldt dit voor minder dan een kwart van de kiezers met de twee
laagste kennisscores.
Terwijl Van der Kolk (2003, p. 18) voor Denemarken wel en voor Noorwegen
en Nederland geen steun vond voor het vermoeden dat een sterkere band met een
partij het aandeel voorkeurstemmen opstuwt, en Karvonen (2011) voor Finland een
negatief verband vond, treffen wij voor Nederland geen verband tussen voorkeur-
stemmen en partijverbondenheid. Anders dan bevindingen elders kunnen doen
vermoeden (André, Wauters & Pilet, 2010, pp. 182-183; Katz, 1985), vinden we
evenmin een verband met partijlidmaatschap. Opmerkelijk is vervolgens dat late
beslissers relatief vaak gebruik maken van de mogelijkheid een voorkeurstem uit
te brengen, met name zij die zeggen de laatste dagen voor de verkiezingen of op
de verkiezingsdag zelf de electorale knoop te hebben doorgehakt. Deze bevinding
wijkt af van wat we weten van eerste orde personalisering oftewel de impact van
politieke leiders op kiesgedrag: “It was early deciders, not late deciders, who were
the most affected by leader evaluations. (...) There is not a single instance of lead-
ers mattering more for late deciders” (Gidengil, 2011, p. 156). De bevinding dat
het juist late beslissers zijn die zich als gesofisticeerde kiezers laten kennen, staat
weliswaar haaks op het idee dat het hier om kiezers zou gaan die ‘indifferent and
lacking in knowledge’ zijn, maar sluit aan bij bijvoorbeeld onderzoek naar stra-
tegisch stemgedrag, een vorm van kiesgedrag die eveneens een aanzienlijke mate
van politieke kennis en betrokkenheid veronderstelt (vgl. Irwin & Van Holsteyn,
2008b).
Een bewuste keuze voor een persoon zou tevens ingegeven kunnen zijn door
een gering vertrouwen in politieke partijen: “(...) reduced trust in parties could pro-
vide an explanation for increasing preferential voting (...)” (Marsh, 1985, p. 372).
Onze data steunen deze gedachte echter niet. Zo blijkt er geen verband te bestaan
tussen de mening over de noodzaak van partijen voor het democratisch functio-
neren van het bestel en het uitbrengen van een voorkeurstem, en is de relatie met
politiek cynisme statistisch (net aan) significant (p =.031) en in de te verwachten
richting, maar zeer zwak. Van meer belang is het intern politiek zelfvertrouwen
of efficacy van de kiezer, dat wil zeggen “beliefs about one’s own competence to
understand and participate actively in politics” (Craig, Niemi & Silver, 1990, p.
290). Het uitbrengen van een voorkeurstem komt duidelijk vaker voor naarmate
dit politiek zelfvertrouwen groter is.
176
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
177
2012 – 2 • RES PUBLICA
TABEL 3. Houdingen en opvattingen kiezers en voorkeurstemmen, 1998-2006.
Kenmerken kiezer
Stem op:
Lijsttrekker Andere kandidaat Totaal N=
Politieke interesse score
0 laag
1
2
3
4 hoog
80
77
73
72
67
21
23
27
28
33
101%
100%
100%
100%
100%
298
2548
1684
1320
679
Leest campagnenieuws in de krant
(vrijwel) altijd
vaak
zo nu en dan
zelden of nooit
leest geen krant
72
71
75
78
80
28
29
25
22
20
100%
100%
100%
100%
100%
1362
1705
2185
771
163
Politieke kennis score
0 laag
1
2
3
4 hoog
77
78
73
68
67
23
22
27
32
33
100%
100%
100%
100%
100%
1480
1317
1229
776
529
Aanhanger partij*
aanhanger
geen aanhanger
74
74 26
26 100%
100% 1834
3477
Lid partij*
lid
geen lid
70
74 30
26 100%
100% 313
5017
Tijdstip bepalen partijkeuze
op verkiezingsdag
enkele dagen voorde verkiezingen
enkele weken voor de verkiezingen
enkele maanden voor de verkiezingen
langer tevoren
69
71
76
76
75
31
29
24
24
25
100%
100%
100%
100%
100%
616
1233
1099
789
2775
Politieke partijen noodzakelijk voor
functioneren democratie*
1 politieke partijen noodzakelijk
2
3
4
5 politieke partijen niet noodzakelijk
72
76
75
66
74
28
24
25
35
26
100%
100%
100%
101%
100%
2764
1102
267
110
43
Politiek cynisme score
0 laag
1
2
3 hoog
74
72
75
77
26
28
25
24
100%
100%
100%
101%
536
2761
2013
1208
Intern politiek zelfvertrouwen score
0 laag
1
2
3 hoog
79
76
72
67
21
24
29
33
100%
100%
101%
100%
1418
2239
1840
1028
Bron: Geïntegreerde dataset NKO 1971-2006; zie voor deze dataset en de gebruikte vragen inclusief ope-
rationalisaties Todosijevic, Aarts & Van Der Kaap, 2010.
* niet significant bij .05; overige relaties zijn op dit niveau statistisch significant.
176
RES PUBLICA • 2012 – 2
177
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
TABEL 4. Kenmerken kiezers en voorkeurstemmen (1998-2006; multivariate logisti-
sche analyse).
Kenmerken Wald Sign. Exp (B)
geslacht 26,844 .000 1,418
electoraal cohort 23,972 .000 1,012
hoogst genoten opleiding 19,046 .000 1,137
politieke interesse score 10,246 .001 1,119
tijdstip bepalen partijkeuze 3,327 .068 0,958
politiek cynisme score 0,247 .619 0,982
intern politiek zelfvertrouwen (efficacy) score 7,161 .007 1,107
politieke kennis score 11,903 .001 1,101
Een multivariate analyse waarin die kiezerskenmerken zijn opgenomen die biva-
riaat een significant verband vertoonden met voorkeurstemmen10 maakt duidelijk
dat het moment waarop de partijkeuze is bepaald niet langer van belang blijkt (zie
Tabel 4). Alle andere factoren laten nog steeds een statistisch significant verband
zien, met het sterkste effect voor geslacht. Onderlinge vergelijking laat verder zien
dat sociaaldemografische kenmerken zeker zo relevant zijn als politieke houdingen
en opvattingen. Tegelijkertijd roept dit extra nadrukkelijk de vraag op waar deze
voorkeurstemmers dan op letten bij het kiezen van hun kandidaat. Wat maakt die
kandidaten, door hun eigen partij niet op de hoogste positie van de kandidatenlijst
geplaatst, zo aantrekkelijk dat er − in het bijzonder door hoger opgeleide vrouwe-
lijke kiezers met politieke interesse, kennis en het nodige zelfvertrouwen − toch
een stem op wordt uitgebracht? Hierover handelt de volgende paragraaf.
4.2 Kandidaten: karakteristieken van ontvangers van voorkeurstemmen
“It would be interesting to know more about candidates elected out of list order”
(Marsh, 1985, p. 376). Inderdaad roept de aanbodkant van de voorkeurstemmen-
problematiek interessante vragen op. Welke factoren doen ertoe? Wat is het relatieve
gewicht van die factoren? Het zicht op de aanbodkant van het vraagstuk is echter
beperkt, onder meer doordat relevante gegevens over door individuele kandidaten
ondernomen persoonlijke campagneactiviteiten, gegenereerde media-aandacht en
mogelijk hieraan ten grondslag liggende campagne-uitgaven ontbreken.11 De enige
informatie die wij hierover hebben betreft het Parlementsonderzoek 2006 waarin
zittende Kamerleden (dus niet alle kandidaten) gevraagd is of zij bij de verkiezin-
gen van 2003 activiteiten hadden ondernomen om voorkeurstemmen te verwerven
(zonder verdere navraag naar aard en omvang van die activiteiten). Deze karige
informatie lijkt erop te wijzen dat campagnes voor voorkeurstemmen zoals die van
178
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
179
2012 – 2 • RES PUBLICA
Mei Li Vos wel degelijk invloed hebben. De 40 Kamerleden die aangaven dergelijke
activiteiten te hebben ontplooid vergaarden gemiddeld 5.601 voorkeurstemmen,
terwijl 70 Kamerleden die dat niet hadden gedaan (uitgezonderd de lijsttrekkers)
bleven steken op gemiddeld 3.958 voorkeurstemmen.
Naast campagne-activiteiten wijst de literatuur op de invloed van kenmerken
van kandidaten. Zo merkt Marsh op: “Candidate characteristics may be particu-
larly salient where parties are composites of clearly defined subgroups. These may
be ideological, and many derive from group identity − ethnic, religious, class, lo-
cality − or may be more personal: incumbents, for instance, may be perceived as
potentially more effective deputies than their challengers” (1985, p. 371). Voor de
Nederlandse situatie krijgen we een eerste indruk van relevante kandidaatkarak-
teristieken op basis van de redenen die kiezers die een voorkeurstem uitbrachten
zelf, in reactie op een zogenoemde gesloten vraag, hebben aangegeven (zie Tabel
5).
TABEL 5. Redenen voorkeurstem, 1989-2010.
1989 1998 2002 2003 2006 2010
Redenen:
de kandidaat is een vrouw
de kandidaat is een man
de kandidaat is de beste/zo’n goede kandidaat
de kandidaat komt op voor een bepaald belang
de kandidaat komt uit de buurt/plaats/provincie
de kandidaat is iemand die de kiezer persoonlijk kent
de kandidaat is van een etnische minderheid
andere redenen
totaal
n=
percentage voorkeurstemmers
30
2
19
14
17
8
nvt.
15
---
205
15%
29
nvt.
21
4
10
20
nvt.
31
---
382
24%
33
3
25
8
7
3
nvt.
20
99%
482
32%
44
3
14
7
11
5
1
15
100%
597
25%
30
nvt.
22
12
9
4
nvt.
23
100%
519
24%
34
nvt.
11
5
14
5
nvt.
29
98%
321
16%
Bron: Nationaal Kiezersonderzoek (NKO), diverse jaren
In opeenvolgende NKO’s zijn soms kleine wijzigingen aangebracht in de exacte formulering van de
antwoordcategorieën.
In het NKO 1994 is de vraag naar de redenen van de voorkeurstem niet opgenomen.
In de NKO’s van 1989 en 1998 konden respondenten meer dan een reden geven voor de voorkeurstem
en telt het percentage redenen op tot boven de 100%; in de NKO’s van 2002, 2003, 2006 en 2010 had
de vraag betrekking op de belangrijkste reden voor het uitbrengen van een voorkeurstem.
Met ongeveer 30 tot (in 2003) ruim 40 procent van de voorkeurstemmers die ernaar
verwijzen, is het gegeven dat de kandidaat een kandidate is de belangrijkste factor
(vgl. Marsh, 1985, p. 374). Dat is minder evident dan het kan lijken, gezien het feit
dat in ander onderzoek het feit dat het om een vrouw gaat minder duidelijk of niet
van belang lijkt te zijn (o.a. Wauters, Weekers & Maddens, 2010). En “the impact
of gender is contingent. The role that candidate sex plays in voting behavior is
undoubtedly complex; it involves an intricate interaction of voter characteristics,
candidate characteristics, partisan concerns, and contextual influences” (McElroy
178
RES PUBLICA • 2012 – 2
179
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
& Marsh, 2010, p. 824). In Nederland althans blijkt in dat ingewikkelde samenspel
van factoren het vrouwelijke geslacht van belang, mogelijk omdat dit kenmerk kie-
zers op eenvoudige wijze een aanwijzing geeft voor specifieke beleidsvoorkeuren
en -posities (vgl. Cutler, 2002). De factor geslacht wordt gevolgd door de reden
dat de voorkeurskandidaat simpelweg zo’n goede of de beste kandidaat is. Anders
dan verwacht (o.a. Marsh, 1985, p. 374) speelt geografische nabijheid, waarover
evenals ten aanzien van het geslacht van de kandidaat het Nederlandse stembiljet
informatie bevat, volgens de kiezers zelf een bescheiden rol, in ruwweg dezelfde
orde van grootte van de rol die wordt toegekend aan het feit dat iemand bepaalde
belangen zou vertegenwoordigen, en van meer gewicht dan dat de kandidaat een
persoonlijke bekende van de kiezer is.
Om meer zicht te krijgen op het voorkeurstemmenvraagstuk, is een databestand
geconstrueerd waarin de daadwerkelijke uitslagen van de Kamerverkiezingen van
2010 zijn opgenomen op individueel niveau per gemeente, verrijkt met informatie
ten aanzien van de naam, het geslacht, de etnische herkomst,12 de woonplaats
en de positie op de lijst van alle kandidaten.13 Tevens is opgenomen de naam van
partij of lijst,14 of de kandidaat de hoogst geplaatste vrouw of representant van een
etnische minderheid was, en of de kandidaat in de voorafgaande periode Kamerlid
was of als staatssecretaris dan wel minister deel uitmaakte van de meest recente
regeringscoalitie van CDA, CU en (tot februari 2010) PvdA.
Het valt bij analyse van dit bestand op, dat in een proportioneel stelsel met één
district (voor 150 zetels) en met relatief sterke partijen, incumbency van kandida-
ten, dat wil zeggen het al dan niet reeds als Kamerlid of bewindspersoon actief zijn
in de voorgaande periode, sterk samenhangt met het aantal voorkeurstemmen (zie
Tabel 6). Informatie dienaangaande is niet op het stembiljet aanwezig en veronder-
stelt de nodige kennis bij de kiezer. Hierbij is het wellicht eenvoudiger om de 27
leden van het kabinet te (her)kennen dan een der 150 Kamerleden, mede omdat
het voor bewindspersonen gemakkelijker is om (vaker) de media te halen.15 Ana-
lyse van de aantrekkingskracht van kandidaten namens de drie coalitiepartijen van
het kabinet-Balkenende toont aan dat, als lijsttrekkers buiten beeld blijven, een
niet-zittend kandidaat gemiddeld 813 stemmen kreeg, een zittend Kamerlid 3.973,
en een lid van het kabinet 33.338 stemmen.16 Het verband tussen incumbency en
voorkeurstemmen blijft vervolgens bestaan als de relatie bekeken wordt voor alle
lijsten of partijen, en nog afgezien van het verband dat bestaat tussen incumbency
en de plaats die een kandidaat op de lijst heeft ingenomen (r =.29). In een multi-
variate regressie blijft incumbency met afstand de beste voorspeller van het aantal
voorkeurstemmen (zie Tabel 6; vgl. McElroy & Marsh, 2010, p. 826).
Ter verklaring van het aantal voorkeurstemmen komt iemands lijstpositie op
de tweede plaats, maar de waarde van de gebruikte correlatiecoëfficiënt geeft een
enigszins vertekend beeld, omdat deze is berekend onder de aanname dat sprake is
van een lineair verband, wat niet het geval blijkt te zijn. Zoals Figuur 2 laat zien,17
180
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
181
2012 – 2 • RES PUBLICA
neemt het aantal voorkeurstemmen gestaag af in het hoogste gedeelte van de lijst,
vanaf positie 2 tot ongeveer positie 5 tot en met 8. Voor kandidaten lager op de lijst,
in het bijzonder zij die een positie innemen vanaf plek 15, zien we geen verband
meer tussen de positie en het aantal voorkeurstemmen. Voorkeurstemmers richten
zich blijkbaar primair op topkandidaten van de lijst; de correlatie tussen de positie
op de lijst en een kandidatuur op de plaatsen 2 tot en met 8 bedraagt -.123, wat
voor dit beperkte hoogste deel van de lijst een relatief sterk verband betekent tus-
sen plaats en aantal voorkeurstemmen.
TABEL 6. Kandidaatkenmerken en voorkeurstemmen, 2010.
bivariate correlatie (R) nultivariate correlatie (Beta)
Geslacht -.042 -.024
Etnische herkomst .048 .040
Geografische nabijheid .012 -.004
Positie op kandidatenlijst -.082 -.032
Incumbency .185 .172
Merk op:
Lijsttrekkers zijn niet in de analyse meegenomen.
Vanwege de wijze van coderen duidt een negatief verband van geslacht met voorkeurstemmen erop,
dat vrouwelijke kandidaten meer voorkeurstemmen ontvangen; ten aanzien van etnische herkomst wijst
om een zelfde reden van codering een positief verband op meer voorkeurstemmen voor een lid van
een, althans afgaande op de achternaam, etnische minderheid.
Geografische nabijheid is bepaald aan de hand van het aantal kilometers tussen de woonplaats van de
voorkeurstemmers en de woonplaats van de kandidaten.
Een hogere positie op een kandidatenlijst wordt uigedrukt door een lager cijfer.
Ten aanzien van Incumbency was de codering als volgt: 0 = niet-zittende kandidaat; 1 = zittend Kamer-
lid; 2 = minister of staatssecretaris die is afgetreden bij de kabinetcrisis van februari 2010; 3 = minister of
staatssecretaris op het moment van de verkiezingen.
100
90
80
70
60
50
40
30
20
10
0
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
FIGUUR 2. Gemiddeld aantal stemmen (x 1.000) per kandidaat voor de posities
2-30, 2010.
180
RES PUBLICA • 2012 – 2
181
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Een niet-lineair verband tussen lijstpositie en het aantal voorkeurstemmen mag
verwacht worden aan het staartje van de lijst, als althans een door velen binnen
en buiten partijen aangenomen lijstduwerseffect bestaat. In Nederlands politiek
jargon is de kandidaat die de laatste positie inneemt op de kandidatenlijst maar
tevens veelal niet beoogt om verkozen te worden de lijstduwer, en partijen kandi-
deren daar soms min of meer bekende, spraakmakende personen in de hoop extra
stemmen te vergaren. Zo nam in 2010 Lodewijk de Waal, voormalig voorzitter van
de grootste vakbond in Nederland, de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV),
de 70ste en daarmee laatste plaats in op de kandidatenlijst van de PvdA. Een verge-
lijking van het aantal stemmen op de laatste met die op de een-na-laatste positie
van alle lijsten wijst op het bestaan van een lijstduwerseffect. Over het geheel be-
zien krijgt de lijstduwer tweeënhalf maal zoveel stemmen als de pal boven hem of
haar staande kandidaat. Maar een blik op het absolute aanstal stemmen waarover
we dan spreken relativeert dit op het eerste gezicht indrukwekkende effect. Opge-
teld stemden in totaal niet meer dan 12.078 kiezers op een van de 18 lijstduwers,
een bescheiden aantal in het licht van een kiesdeler in 2010 van 62.774 stemmen
en een hierop te baseren drempel voor verkozenverklaring via voorkeurstemmen
van 15.694 stemmen (zie ook noot 1).
Keren we terug naar de kandidaatkenmerken (Tabel 6), dan is het zwakke ver-
band tussen geslacht en het aantal voorkeurstemmen vermeldenswaard, zeker ge-
zien de eerdere constateringen dat vrouwen vaker dan mannen een voorkeurstem
uitbrengen en de prominente positie die het motief ‘de kandidaat is een vrouw’
innam bij door voorkeurstemmers gegeven redenen voor hun kiesgedrag. Het
idee dat vrouwen op vrouwen stemmen is min of meer gevestigd (zie echter voor
de complexiteit van de aanname McElroy & Marsh, 2010), wat te meer de vraag
oproept waarom of waardoor dan toch het verband tussen het geslacht van de
kandidaat en het aantal voorkeurstemmen zo zwak is. Afgezien van lijsttrekkers,
haalden de 214 vrouwelijke kandidaten in 2010 in totaal 788.672 (voorkeur)stem-
men, meer dan de 705.051 stemmen die alle 444 mannelijke kandidaten in totaal
verkregen. Gemiddeld kreeg een kandidate 3.685 stemmen, meer dan het dubbele
van het gemiddelde (1.588) voor mannelijke kandidaten. Maar dit gemiddelde is
misleidend: het leeuwendeel van de op vrouwen uitgebrachte voorkeurstemmen
gaat namelijk naar de hoogst geplaatste vrouw op de lijst, die in 2010 gemiddeld
41.861 stemmen wist te trekken.18 Het gemiddelde stemmental voor overige vrou-
welijke kandidaten wijkt nauwelijks meer af van het gemiddeld aantal voorkeur-
stemmen van mannelijke kandidaten.
Een vergelijkbaar verschijnsel zien we bij kandidaten van een etnische minder-
heid. Als expliciet stemmotief speelt deze factor (in 2003; zie Tabel 5) geen rol,
maar onder meer vanwege de ondervertegenwoordiging van leden uit dergelijke
groepen in survey-onderzoek als het NKO en terughoudendheid om aan afkomst
te refereren als stemmotief kan het om een onderschatting van het belang van dit
182
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
183
2012 – 2 • RES PUBLICA
aspect gaan. De ecologische data wijzen wel degelijk op effect van herkomst of
etniciteit, al duidt de correlatie op een zwak verband. En weer zet het gemiddelde
aantal voorkeurstemmen voor een ‘allochtoon’ (7.516) vergeleken met het gemid-
delde voor een ‘autochtoon’ (2.064) ons op het verkeerde been, omdat de hoogst
geplaatste allochtoon met een gemiddelde van 16.280 voorkeurstemmen het alge-
hele gemiddelde zo fors opkrikt.19
Geografische nabijheid, ten slotte, heeft, anders dan een kwarteeuw geleden
het geval leek te zijn (Hessing, 1985, pp. 168-170) van de door ons bekeken fac-
toren het zwakste effect. Kieskringen in Nederland hebben primair administratief
belang, en een kiezer die wenst vertegenwoordigd te worden door een kandidaat
‘uit de buurt’ vindt op de kandidatenlijst relevante informatie, namelijk de woon-
plaats van kandidaten. De behoefte hiervan gebruik te maken blijkt gering, wat
opmerkelijk is tegen een achtergrond van politici en andere politiek commentato-
ren die juist in de afwezigheid van geografische representatie een zwakke plek in
de Nederlandse institutionele orde meenden te ontwaren die zou bijdragen aan de
vermaledijde kloof tussen burger en politiek, en pogingen hebben ondernomen om
op een of andere manier via districten deze geografische representatie te constitu-
eren. De constatering van het Burgerforum (2006: 13) dat precies de afwezigheid
van iets als districten een sterk punt van het bestaande bestel was, werd dan ook
met bevreemding aangehoord - maar kan goed begrepen worden in het licht van
onze bevindingen, die wijzen op een heel beperkte behoefte in dezen.20
5. Slotopmerkingen
Deze bijdrage kan worden gezien als een aanzet en oproep tot nadere bestudering
van het verschijnsel second order personalization of tweede orde personalisering,
dat wil zeggen de keuze bij verkiezingen voor een specifieke individuele kandidaat
in het verlengde van de algemene, voorafgaande keuze voor de partij of lijst waar-
voor die persoon kandidaat is. Het betreft een afgeleide keuze voor een persoon,
ingebed in de keuze voor een partij. Juist de Nederlandse casus leent zich uitste-
kend voor een exploratie van dit verschijnsel tweede orde personalisering, omdat
alle stemmen die niet op de nummer 1 van de kandidatenlijst, de lijsttrekker, zijn
uitgebracht, worden beschouwd en benoemd als voorkeurstemmen.
In het verleden was het aandeel voorkeurstemmen bij Tweede Kamerverkiezin-
gen op het totaal van alle stemmen bescheiden, maar zo goed als onafhankelijk
van wijzigingen in de electorale institutionele ordening, is het verschijnsel voor-
keurstemmen zodanig in omvang toegenomen dat bij Kamerverkiezingen van de
eenentwintigste eeuw ongeveer een op de vijf kiezers op deze wijze gebruik maakt
van het stemrecht. Ook vanuit kwalitatief perspectief verdient tweede orde perso-
182
RES PUBLICA • 2012 – 2
183
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
nalisering aandacht. Immers, onze analyse wijst erop dat het gaat om kiesgedrag
dat zich anders laat begrijpen dan wat we eerste orde personalisering in de zin van
persoonseffecten van politiek leiders of lijsttrekkers willen noemen. Anders dan in
de literatuur is vermeld voor de verklaring van die eerste orde persoonseffecten,
worden voorkeurstemmen vaker uitgebracht door vrouwelijke, hoog opgeleide en
geïnteresseerde kiezers met politiek zelfvertrouwen, die pas op een laat moment
hun keuze bepalen. Eerste en tweede orde personalisering dienen aldus conceptu-
eel en empirisch te worden gezien als afzonderlijke, onderscheiden aspecten van
personalisering in electorale zin (vgl. Rahat & Sheafer, 2007) of de personal vote in
de bredere betekenis van het woord (vgl. Cain, Ferejohn & Fiorina, 1987).
Als we de aanbodkant van tweede orde personalisering in de beschouwing be-
trekken en letten op kandidaatkarakteristieken zien we, vergelijkbaar met het be-
kendere verschijnsel tweede orde verkiezingen, dat het hier wellicht gaat om een
vorm van kiesgedrag die eerder door expressieve dan instrumentele drijfveren is in-
gegeven. Voorkeurstemmers lijken een logic of expressive choice (Schuessler, 2000a;
2000b) te volgen en in en met hun keuze mede de eigen identiteit tot uitdrukking
te willen brengen. “An expressively motivated individual (...) performs X not to
generate, or to do Y, but to be an X-performer” (Schuessler, 2000a, p. 91). Het feit
dat het overgrote deel van alle voorkeurstemmen wordt uitgebracht op kandidaten
die een relatief hoge lijstpositie hebben en op voorhand al zo goed als zeker van
verkiezing in de Kamer zijn, of uitsluitend op de hoogst geplaatste vrouw of al-
lochtoon, steunt het vermoeden dat het voorkeurstemmers niet primair gaat om
het effectief verkozen krijgen van die kandidaten. Dat is eigenlijk al een gegeven.
Het aantal kandidaten dat de lijstvolgorde weet te doorbreken en de uitverkiezing
werkelijk te danken heeft aan het verkregen aantal voorkeurstemmen, is tenslotte
keer op keer moeiteloos op de vingers van één hand te tellen. In 2010 haalden 20
van de verkozen kandidaten zonder lijsttrekker te zijn voldoende stemmen om
op basis van de voorkeursregeling verkozen te worden verklaard, van wie echter
slechts twee kandidaten het zonder dat stemmenaantal niet gehaald zouden heb-
ben.21 Een op tien.
In ander onderzoek is gewezen op de mogelijke spanning tussen de voorkeur
voor een kandidaat en de voorkeur voor een partij, in het bijzonder ook ten aan-
zien van vrouwelijke kandidaten (vgl. Plitzer & Zipp, 1996). Precies omdat het bij
tweede orde personalisering gaat om een voorkeur voor een persoon gekoppeld
aan en volgend op de keuze van een partij, biedt dit verschijnsel een passende
oplossing voor de “tension between partisal politics and identity politics” (Plitzer
& Zipp, 1996, p. 31). De ene voorkeur hoeft de andere niet te bijten, waarbij het
expressieve karakter van de stem deels gelegen is in de relatie en mogelijke over-
eenstemming tussen kenmerken van de kandidaat en van de kiezer. “Only if the
expressive concern is of personal nature, the expressive support may become the
driving force for the act of voting” (Lewisch, 2004, p. 449). Als onze redenering
184
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
185
2012 – 2 • RES PUBLICA
steek houdt − en we zijn de eersten om te erkennen dat verder doordenken van
het concept tweede orde personalisering nodig is en dat behoefte bestaat aan na-
der empirisch onderzoek22 − dan is de ontwikkeling van kiezers en verkiezingen
in Nederland er op het niveau van de kiezers mogelijk eerst en vooral een van
groepsidentiteit naar persoonlijke identiteit. Gegeven de voortschrijdende indivi-
dualisering in vele westerse democratische landen, zou het verschijnsel tweede
orde personalisering dan ook van beduidend ruimer belang kunnen zijn dan voor
slechts voor Nederland.
Noten
1. Om met voorkeurstemmen te worden verkozen waren bij de Kamerverkiezingen
van 2010 minimaal 15.694 stemmen nodig. Zie http://www.kiesraad.nl/nl/Actueel/
Nieuwsberichten/(2047)-Actueel-Nieuwsberichten-2010/Uitslag_verkiezing_leden_
Tweede_Kamer_van_9_juni_2010.html (geraadpleegd 5 februari 2012); zie ook Vos,
2011, p. 7.
2. Achterliggend lijkt het idee te zijn dat kiezers die de politieke partij als zodanig of
de kandidatenlijst als geheel wensen te steunen, dat kunnen en zullen doen door een
stem op de lijsttrekker uit te brengen. Dit idee verhult echter de mogelijkheid dat ook of
misschien wel juist de eerst geplaatste op de lijst (voorkeur)stemmen weet te vergaren
die primair verworven zijn vanwege de eigen, individuele kwaliteiten en verdiensten,
min of meer los van de partij waar hij of zij kandidaat voor is en afgezien van de gehele
lijst van kandidaten die door hem of haar wordt aangevoerd; we komen op deze in de
praktijk niet betekenisloze mogelijkheid terug.
3. Latere suggesties voor of pogingen tot wijziging, onder meer om meer gewicht toe
te kennen aan voorkeurstemmen, zijn gestrand, het meest recent (2008) een voorstel
dat vanwege een zogeheten Burgerforum tot ontwikkeling was gebracht en tot een situ-
atie zou leiden die sterk gelijkend zou zijn op de manier waarop in België na verkiezin-
gen zetels aan verkozenen worden toebedeeld (zie o.a. Andeweg, 2003; Burgerforum,
2006).
4. In deze bijdrage staan (voorkeurstemmen bij) landelijke verkiezingen voor de
Tweede Kamer centraal; zie voor een beschouwing over voorkeurstemmen op lokaal
niveau: Van der Kolk, 2003.
5. Strikt genomen haalden 32 kandidaten de voorkeursdrempel, maar twee van deze
kandidaten voerden een partij of lijst aan die in totaal te weinig stemmen behaalde om
184
RES PUBLICA • 2012 – 2
185
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
recht te hebben op een enkele Kamerzetel. Het ging hier om Rita Verdonk van Trots op
Nederland/Lijst Rita Verdonk en om Lea Manders van de Partij voor Mensen en Spirit
(MenS), die hun partijen zagen stranden op 52.937 respectievelijk 26.196 stemmen,
terwijl de kiesdeler op een totaal van ruim 62.773 stemmen was bepaald.
6. Van de politieke partijen met zetels in de Kamer was het later alleen nog Groen-
Links die een enkele keer, in 1994, de verkiezingen inging met een duo lijsttrekkers,
maar de uitslag bij de betreffende verkiezingen was ‘een grote teleurstelling’, wat niet
uitsluitend maar zeker deels aan de lijsttrekkers geweten werd en aan de verdeeldheid
die voorafging aan en naar boven kwam bij het kiezen van de politieke voorgangers
(vgl. Lucardie, Van Schuur & Voerman, 1999, pp. 162-163). GroenLinks noch andere
partijen zijn nadien afgeweken van het eenhoofdig lijsttrekkerschap.
7. Vanwege haar voortdurende kritiek op het leiderschap en de koers van de partij,
werd Rita Verdonk in september 2007 uit de Kamerfractie van de VVD gezet.
8. Aan het feit dat het electoraal cohort van 2003 afwijkt van dit patroon dient niet te
veel gewicht te worden toegekend, bovenal vanwege het feit dat het hier gaat om een
cohort dat slechts 25 respondenten telt.
9. Vanwege de complexiteit van deze relatie en onduidelijkheid ten aanzien van de
betekenis ervan, is urbanisatiegraad niet opgenomen in de navolgende multivariate
analyse (zie Tabel 3).
10. Vanwege het relatief sterke verband van de politieke interesse score met de fre-
quentie van het lezen van campagnenieuws (.547) is slechts de interesse score in de
analyse opgenomen. Merk nogmaals op dat urbanisatiegraad vanwege het gebleken
niet-lineaire, complexe verband met voorkeurstemmen eveneens uit de analyse is ge-
bleven.
11. Onder meer voor de Belgische situatie is bijvoorbeeld aannemelijk gemaakt dat
“individual campaign expenses appear to have a robust effect on the vote” (Maddens
et al., 2006, p. 167; zie ook Wauters, Weekers & Maddens, 2010). In vervolgonderzoek
naar de voorkeurstem in Nederland dient dan ook te worden geprobeerd op dit punt
meer informatie te verkrijgen.
12. Bij de codering van etnische herkomst is afgegaan op de achternamen van de kandi-
daten. Dat is een zeer ruwe indicator van herkomst, die overigens geen onderscheid heeft
toegelaten naar het specifieke land van herkomst; in toekomstig onderzoek zal deze vari-
abele nauwkeuriger dienen te worden bepaald, maar voor de exploratie die wij met deze
bijdrage beogen kan deze operationalisatie van etnische herkomst vooralsnog volstaan.
186
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
187
2012 – 2 • RES PUBLICA
13. Met dank voor de hulp van Harmen Van Der Veer bij de constructie van de data-
set.
14. In eerste instantie zouden 19 lijsten of partijen aan de Kamerverkiezingen van
2010 deelnemen, maar de nieuwe groepering ‘Partij Voor De Mens en alle overige aard-
bewoners’, die lijstnummer 11 had toegekend gekregen, slaagde er niet in voldoende
handtekeningen te verzamelen om mee te mogen doen.
Overigens deed zich in 2010 de uitzonderlijke situatie voor, dat alle partijen in alle 19
kieskringen identieke kandidatenlijsten aan de kiezers voorlegden.
15. Hier wreekt zich wederom dat we in onze analyse niet de beschikking hebben over
gegevens die expliciet een indruk geven van de media-aandacht voor individuele kandi-
daten, een factor waaraan in toekomstig onderzoek aandacht dient te worden besteed.
16. Waarbij het er niet toe deed of de betreffende bewindspersoon bij de val van het
kabinet in februari 2010 was teruggetreden of deel was blijven uitmaken van het kabinet
van CDA en CU tot de dag der verkiezingen.
17. Het betreft hier gegevens die betrekking hebben op de 10 partijen of lijsten die in
de Tweede Kamer vertegenwoordigd waren; kandidaten op lagere posities op lijsten met
meer dan 30 kandidaten zijn hier niet meegenomen.
18. Het electorale effect van de hoogst geplaatste vrouw is waarschijnlijk nog sterker
dan hier is aangegeven. Bij GroenLinks en de Partij voor de Dieren was de lijsttrekker
in 2010 namelijk vrouw, wat betekent dat we voor de berekening van het aantal voor-
keurstemmen voor de ‘hoogst’ geplaatste vrouw de tweede vrouwelijke kandidaat op
de lijst in de berekening hebben opgenomen.
Merk tevens op dat de SGP in het geheel geen vrouwen had gekandideerd.
19. Ook hier kunnen we bepaald niet uitsluiten dat dit effect is onderschat, onder meer
omdat we enigszins simplistisch voor de codering van deze factor etniciteit zijn afge-
gaan op de achternaam van de kandidaten en omdat alle kandidaten met een op het oog
‘niet-Nederlandse’ achternaam in een enkele groep zijn samengebracht, zonder nader,
mogelijk electoraal relevant onderscheid aan te brengen naar de specifieke herkomst of
etniciteit van de kandidaten (vgl. Tillie, 2006).
20. Nadere analyse laat zien dat buiten de zogenoemde Randstad in het Westen van
Nederland de behoefte aan geografische representatie zeker niet groter lijkt te zijn dan
in die Randstad, waar we juist in de grotere steden een relatief sterk verband vinden
tussen afstand en aantallen voorkeurstemmen. Het feit dat in de zuidelijke provincie
Limburg relatief veel voorkeurstemmen werden en worden uitgebracht, dient waar-
186
RES PUBLICA • 2012 – 2
187
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
schijnlijk eerder uit culturele factoren verklaard te worden dan volgens de redenering
die geografische representatie centraal stelt, een vermoeden dat niet weersproken wordt
door het feit dat ook in de buurprovincie Limburg in België een hoog percentage voor-
keurstemmen wordt uitgebracht (vgl. Wauters, 2010).
21. Het betrof hier Sabine Uitslag (CDA) en Pia Dijkstra (D66), al dan niet toevallig
twee vrouwen die al dan niet toevallig relatief veel bekendheid hadden en vrij gemak-
kelijk media-aandacht wisten te genereren als zangeres van de coverband Spinrock en
in mei 2010 althans door lezers van een groot omroepblad (Veronica) uitgeroepen tot
meest sexy politicus respectievelijk als (televisie)journaliste en voormalig nieuwsleze-
res van het veelbekeken NOS Journaal.
22. Het is vanwege het huidige gebrek aan de hoeveelheid onderzoeksbevindingen
lastig en minder productief om onze resultaten expliciet uitgebreid in vergelijkend per-
spectief te behandelen, om welke reden we daarvan in deze bijdrage, die een overwe-
gend conceptuele en descriptieve ambitie heeft, hebben afgezien.
Bibliografie
Aarts, K. (2001).The Impact of Leaders on Electoral Choice in the Netherlands – Revis-
ited, Acta Politica, 36 (4), 380-401.
Aarts, K., Blais, A. & Schmitt, H. (Eds.) (2011). Political Leaders and Democratic Elec-
tions. Oxford: Oxford University Press.
Andeweg, R.B. (1981). De burger in de Nederlandse politiek. In R.B. Andeweg, A.
Hooger werf & J.J.A. Thomassen (Eds.), Politiek in Nederland (pp. 79-103). Alphen
aan den Rijn/Brussel: Samsom Uitgeverij.
Andeweg, R.B. (2003). Proeve van een vernieuwd kiesstelsel, Nederlands Juristenblad,
78 (30), 1542-1547.
Andeweg, R.B. (2008). The Netherlands: The Sanctity of Proportionality. In M. Gal-
lagher & P. Mitchell (Eds.), The Politics of Electoral Systems (pp. 491-510). Paperback
edition. Oxford: Oxford University Press.
Andeweg, R.B. & Irwin, G.A. (2009). Governance and Politics of the Netherlands. 3rd ed.
Houndmills: Palgrave Macmillan.
Andeweg, R. & Thomassen, J. (2007). Binnenhof van binnenuit: Tweede Kamerleden
over het functioneren van de Nederlandse democratie. Den Haag: Raad voor het
openbaar bestuur.
André, A., Wauters, B. & Pilet, J.-B. (2010). Voorkeurstemmen bij de regionale verkie-
zingen van 2009: gebruik en motieven. In K. Deschouwer et al. (Eds.), De Stemmen
188
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
189
2012 – 2 • RES PUBLICA
van het Volk: Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni
2009 (pp. 169-199). Brussel: Brussels University Press.
Anker, H. (1992). Normal Vote Analysis. Amsterdam: Het Spinhuis.
Ansolabehere, S., Snyder Jr., J.M. & Stewart III, C. (2000). Old Voters, New Voters,
and the Personal Vote: Using Redistricting to Measure the Incumbency Advantage,
American Journal of Political Science, 44 (1), 17-34.
Bittner, A. (2011). Platform or Personality? The Role of Party Leaders in Elections. Oxford:
Oxford University Press.
Blondel, J., Thiébault, J.L. et al. (2010). Political Leadership, Parties and Citizens. The
Personalization of Leadership. New York and Abingdon: Routledge.
Burgerforum (2006). Met één stem meer keus: Advies van het Burgerforum Kiesstelsel
over het toekomstige kiesstelsel. Den Haag: z.u.
Cain, B., Ferejohn, J. & Fiorina, M. (1987). The Personal Vote. Constituency Service and
Electoral Independence. Cambridge and London: Harvard University Press.
Carey, J.M. (2009). Legislative Voting and Accountability. New York: Cambridge Uni-
versity Press.
Carey, J.M. & Shugart, M.S. (1995). Incentives to Cultivate a Personal Vote: A Rank
Ordering of Electoral Formulas, Electoral Studies, 14 (4), 417-439.
Craig, S.C., Niemi, R.G. & Silver, G.E. (1990). Political Efficacy and Trust: A Report on
the NES Pilot Study Items, Political Behavior, 12 (3), 289-314.
Cutler, F. (2002). The Simplest Shortcut of All: Sociodemographic Characteristics and
Electoral Choice, Journal of Politics, 64 (2), 466-490.
Dalton, R.J. (2002). Political Cleavages, Issues, and Electoral Change. In L. LeDuc, R.G.
Niemi & P. Norris (Eds.), Comparing Democracies 2: New Challenges in the Study of
Elections and Voting (pp. 189-209). London: Sage.
Dalton, R.J., McAllister, I. & Wattenberg, M.P. (2000). The Consequences of Partisan
Dealignment. In R.J. Dalton & M.P. Wattenberg (Eds.), Parties Without Partisans:
Political Change in Advanced Industrial Democracies (pp. 37-63). Oxford: Oxford
University Press.
Desposato, S.W. & Petrocik, J.R. (2003). The Variable Incumbency Advantage: New
Voters, Redistricting, and the Personal Vote, American Journal of Political Science,
47 (1), 18-32.
Farrell, D.M. & McAllister, I. (2006). Voter Satisfaction and Electoral Systems: Does Pref-
erential Voting on Candidate-Centred Systems Make a Difference?, European Journal
of Political Science, 45 (5), 723-749.
Fiers, S. & Krouwel, A. (2005). The Low Countries: From ‘Prime Minister’ to President-
Minister. In Th. Poguntke & P. Webb (Eds.), The Presidentialization of Politics: A Com-
parative Study of Modern Democracies (pp. 128-158). Oxford: Oxford University Press.
Gidengil, E. (2011). Voter Characteristics and Leader Effects. In K. Aarts, A. Blais & H.
Schmitt (Eds.), Political Leaders and Democratic Elections (pp. 147-164). Oxford:
Oxford University Press.
188
RES PUBLICA • 2012 – 2
189
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Grofman, B. (2005). Comparisons among Electoral Systems: Distinguishing between
Localism and Candidate-Centered Politics, Electoral Studies, 24 (4), 735-740.
Hessing, R.C. (1985). Bij Voorkeur: Een onderzoek naar het gebruik van voorkeurstem-
men, Acta Politica, 20 (2), 157-177.
Irwin, G.A. & Van Holsteyn, J.J.M. (1999). Parties and Politicians in the Parliamentary
Election of 1998, Acta Politica, 34 (1), 130-157.
Irwin, G.A. & Van Holsteyn, J.J.M. (2008a). Scientific Progress, Educated Guesses or
Speculation? On some Old Predictions with Respect to Electoral Behaviour in the
Netherlands, Acta Politica, 43 (2-3), 180-202.
Irwin, G.A. & Van Holsteyn, J.J.M. (2008b). What Are they Waiting for? Strategic Infor-
mation for Late Deciding Voters, International Journal of Public Opinion Research,
20 (4), 483-493.
Jacobs, K. & Leyenaar, M. (2011). A Conceptual Framework for Major, Minor, and Tech-
nical Electoral Reform, West European Politics, 34 (3), 495-513.
Jansen, G. (2011). Social Cleavages and Political Choices. Large-scale Comparisons of
Social Class, Religion and Voting Behavior in Western Democracies. Nijmegen: Rad-
boud Universiteit Nijmegen [proefschrift].
Karvonen, L. (2004). Preferential Voting: Incidence and Effects, International Political
Science Review, 25 (2), 203-226.
Karvonen, L. (2010). The Personalisation of Politics: A Study of Parliamentary Democra-
cies. Colchester: ECPR Press.
Karvonen, L. (2011). Preferential Voting in Finland: How much Do Candidates Matter,
and to whom and why? Paper prepared for the Annual Meeting of the American
Political Science Association, Seattle, Washington, USA, September 1-4, 2011.
Katz, R.S. (1985). Preference Voting in Italy: Votes of Opinion, Belonging, or Exchange,
Comparative Political Studies, 18 (2), 229-249.
Katz, R.S. (1986). Intraparty Preference Voting. In B. Grofman & A. Lijphart (Eds.),
Electoral Laws and Their Political Consequences (pp. 85-103). New York: Agathon
Press Inc.
King, A. (Ed.) (2002). Leaders’ Personalities and the Outcomes of Democratic Elections.
Oxford: Oxford University Press.
Lewisch, P. (2004). A Theory of Identification, International Review of Law and Eco-
nomics, 23 (4), 439-451.
Lucardie, P., Van Schuur, W. & Voerman, G. (1999). Verloren illusie, geslaagde fusie?
GroenLinks in historisch en politicologisch perspectief. Leiden: DSWO Press.
Maddens, B. et al. (2006). Effects of Campaign Spending in an Open List PR System:
The 2003 Legislative Elections in Flanders/Belgium, West European Politics, 29 (1),
161-168.
Marsh, M. (1985). The Voters Decide?: Preferential Voting in European List Systems,
European Journal of Political Research, 13 (4), 365-378.
190
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2012 – 2
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
191
2012 – 2 • RES PUBLICA
Marsh, M. (2007). Candidates or Parties? Objects of Electoral Choice in Ireland, Party
Politics, 13 (4), 500-527.
McAllister, I. (2009). The Personalization of Politics. In R.J. Dalton & H.-D. Klingemann
(Eds.), The Oxford Handbook of Political Behavior (pp. 571-588). Oxford: Oxford
University Press.
McElroy, G. & Marsh, M. (2010). Candidate Gender and Voter Choice: Analysis from a
Multimember Preferential Voting System, Political Research Quarterly, 63 (4), 822-
833.
Mitchell, P. (2000). Voters and their Representatives: Electoral Institutions and Delega-
tion in Parliamentary Democracies, European Journal of Political Research, 37 (3),
335-351.
Plutzer, E. & Zipp, J.F. (1996). Identity Politics, Partisanship, and Voting for Women
Candidates. Public Opinion Quarterly, 60 (1), 30-57.
Poguntke Th. & Webb, P. (2005a). The Presidentialization of Politics in Democratic
Societies: A Framework for Analysis. In Th. Poguntke & P. Webb (Eds.), The Presi-
dentialization of Politics: A Comparative Study of Modern Democracies (pp. 1-25).
Oxford: Oxford University Press.
Poguntke Th. & Webb, P. (Eds.) (2005b). The Presidentialization of Politics: A Compara-
tive Study of Modern Democracies. Oxford: Oxford University Press.
Rahat, G. & Sheafer, T. (2007). The Personalization(s) of Politics: Israel 1949-2003, Po-
litical Communication, 24 (1), 65-80.
Rose, R. & McAllister, I. (1986). Voters Begin to Choose: From Class-Based to Open Elec-
tions in Britain. London: Sage.
Schuessler, A.A. (2000a). Expressive Voting, Rationality and Society, 12 (1), 87-119.
Schuessler, A.A. (2000b). A Logic of Expressive Choice. Princeton and London: Prince-
ton University Press.
Shugart, M.S., Valdini, M.E. & Suominen, K. (2005). Looking for Locals: Voter Informa-
tion Demands and Personal Vote-Earning Attributes of Legislators under Propor-
tional Representation, American Journal of Political Science, 49 (2), 437-449.
Tillie, J. (2006). De strategieën van de allochtone kiezer, Socialisme & Democratie, 63
(12), 20-27.
Todosijevic, B., Aarts, K. & Van Der Kaap, H. (2010). Dutch Parliamentary Election Stud-
ies: Data Source Book 1971-2006. The Hague: DANS.
Toonen, S. (1992). Op zoek naar charisma: Nederlandse politieke partijen en hun lijst-
trekkers 1963-1986. Amsterdam: VU Uitgeverij.
Toplak, J. (2009). Preferential Voting: Definition and Classification. Paper Presented to
the Midwest Political Science Association’s National Conference, Chicago.
Van Der Kolk, H. (2003). Preferential Voting in European Local Elections: Opportunities,
Use, Justifications and Explanations in Denmark, Germany, the Netherlands and
Norway. Paper ECPR Marburg, September 2003.
190
RES PUBLICA • 2012 – 2
191
TWEEDE ORDE PERSONALISERING: VOORKEURSTEMMEN IN NEDERLAND
2012 – 2 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Van Der Kolk, H. (2007). Electoral System Change in the Netherlands: The Road from
PR to PR (1917-2006), Representation, 43 (4), 271-287.
Van Holsteyn, J. (2004). Nederland is geen personendemocratie, Socialisme & Democra-
tie, 61 (7-8), 79-83.
Van Holsteyn, J.J.M. (2011). The Dutch Parliamentary Election of 2010, West European
Politics, 34 (2), 412-419.
Van Holsteyn, J.J.M. & Andeweg, R.B. (2008). Niemand is groter dan de partij: Over
de personalisering van de Nederlandse electorale politiek. In G. Voerman (Ed.),
Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 2006 (pp. 105-134).
Groningen: Rijksuniversiteit Groningen/DNPP.
Van Holsteyn, J.J.M. & Andeweg, R.B. (2010). Demoted Leaders and Exiled Candidates:
Distentangling Party and Person in the Voter’s Mind, Electoral Studies, 29 (4), 628-
635.
Van Wijnen, P. (2000). Candidates and Voting Behavior, Acta Politica, 35 (4), 430-458.
Vos, M.L. (2011). Politiek voor de leek: Een insideverslag van een outsider. Amsterdam:
Prometheus.
Wauters, B. (2010). Het gebruik van de voorkeurstem bij de federale parlementsverkiezin-
gen van 13 juni 2010. Onderzoeksnota Hogeschool Gent.
Wauters, B., Weekers, K. & Maddens, B. (2010). Explaining the Number of Preferential
Votes for Women in an Open-List PR System: An Investigation of the 2003 Federal
Election in Flanders (Belgium), Acta Politica, 45 (4), 468-490.
... A second line of research has, more empirically, explored which voters tend to cast preference votes more often, and for which reasons. Such an approach normally builds upon either voter surveys (Andeweg and Van Holsteyn 2012;Andre et al. 2012) or experimental data (Nagtzaam andVan Erkel 2017, Christensen et al. 2021). It has allowed to examine two things. ...
... Several factors have been isolated. In particular, it appears that established politicians, incumbents, tend to receive more preference votes (van Holsteyn and Andeweg, 2012, Thijssen, 2013, Maddens and Put 2013, Górecki and Kukołowicz 2014. It is even more salient for party leaders and the most prominent politicians such as ministers (Wauters et al. 2018). ...
... It could be a local mandate such as mayor, aldermen, CPAS presidents, local councillors, or a mandate at an upper level (regional, federal, and European) such as MP or minister. As elaborated above, it indeed appears that incumbent tend to attract more preference votes (van Holsteyn and Andeweg, 2012, Thijssen, 2013, Maddens and Put 2013, Górecki and Kukołowicz 2014. Established politicians, and in particular the more prominent, have also been shown to lead to some form of centralization or oligarchization of party competition (Wauters et al. 2018, Dodeigne andPilet 2021). ...
... Especially since the 1990s, more weight has been given to preferential votes, although the actual effects of these reforms often still remain limited (Renwick & Pilet, 2016: 249-265). Studies have also investigated which voters are more likely to cast preferential votes, finding that it are especially politically interested voters who make use of this type of voting and that it occurs more often when there is more proximity between candidates and voters -for instance when voters are familiar with candidates, either directly or through mediatized contact (André et al., 2013;André, Wauters, & Pilet, 2012;Van Holsteyn & Andeweg, 2012). Finally, studies have started investigating the question which candidates are more likely to be individually electorally successful and attract preferential votes, pointing towards factors such as ballot list position (Lutz, 2010;Marcinkiewicz, 2014), political experience and socio-demographic factors, most notably gender (McElroy & Marsh, 2010). ...
... Finally, the fifth dimension refers to the personalization of electoral behavior. Again we can make a distinction between centralized and decentralized personalization, although for this dimension also the labels first-and second-order personalization are used (Van Holsteyn & Andeweg, 2012). Centralized or first-order personalization refers to the increasing importance of political leaders in the vote decision. ...
... In addition, political experienced candidates can show their skills and in that sense build a reputation. It is therefore no surprise that studies on preferential voting indeed find evidence for an effect of political experience on the percentage of preferential votes obtained (see Thijssen, 2013;Thijssen & Jacobs, 2004;Van Holsteyn & Andeweg, 2012), although Maddens et al. (2006) only find an effect of candidates running for the senate, suggesting that the effect may be limited to experience in legislative bodies. ...
... Not only are these characteristics taken into account by real-life selectors (Put and Maddens 2013;Gallagher 1988), they are also predictors for the success of a candidate in terms of preference votes (e.g. Maddens et al. 2007;Van Holsteyn and Andeweg 2012). Subsequently, using this general concept list, we created candidate lists for each party with actual politicians from that party. ...
Article
Full-text available
A classical question of political science is to what extent electoral systems influence voting behaviour. Yet, many of these studies examine how different electoral systems affect the election results in terms of vote distribution across parties. Instead, we investigate how electoral rules affect intra party preference voting. Given the importance of the debate on the personalization of politics, insight into how electoral rules shape intra-party choice is a valuable contribution to the literature. In our study, we focus on the effect of two specific rules: the option to cast a list vote and on a single versus multiple preference votes. The results of experiments conducted in Belgium and the Netherlands show that electoral rules indeed influence voting behaviour with regard to intra party preference voting, although differences exist between the Netherlands and Belgium. Moreover, we find that the option to cast a list vote equally affects votes for the first candidate on the list, as well as lower positioned candidates. This suggests that preference votes might be less preferential than has often been assumed.
... It is elected in a single national electoral constituency by means of a semi-open list system. Preference voting is, effectively, not used by voters (Van Holsteyn and Andeweg 2012). Parliamentary behaviour is characterised by high levels of party unity and specialisation (Andeweg and Thomassen 2011: 12). ...
Article
Most theories of legislative behaviour explain the behaviour of MPs through electoral incentives. However, they fail to explain variation in parliamentary activity when individual electoral incentives are largely absent. This article studies MPs’ activity in such a parliament: the Dutch Tweede Kamer. It examines four clusters of incentives that may drive parliamentarians to be active. Party and committee environments provide the best explanation for the level of activity of individual MPs. Reselection and promotion prospects explain MPs’ behaviour, but only under more particular specifications. Re-election prospects were not found to affect activity levels.
Article
Full-text available
Although often theorised, empirical research concerning the relationship between parties’ candidate selection and MPs’ parliamentary activity is scarce. Our analysis focuses on the Dutch case, which features national party lists. It is therefore well-suited to examine the relationship between parliamentary activity (in terms of speeches, resolutions, amendments and questions) and candidate selection: are MPs reselected and do they move up or down the candidate list from one election to the next? We expect that more active MPs have a higher probability of reselection and promotion, i.e. moving up the candidate list. The empirical analysis of the Dutch lower house of Parliament between 1998 and 2017 combines data from the Dutch Parliamentary Behaviour Dataset with data on parliamentary speech-making. Our main finding is that speaking in the plenary is the parliamentary activity most strongly related to reselection and promotion.
Article
Full-text available
This article examines MPs’ constituency orientation in two of the most ‘extreme’ cases of proportional representation, Israel and the Netherlands. Both countries are considered as limiting cases, providing evidence of the type of geographically based representation we are likely to see when there are no electoral institutions which encourage a geographical link between voters and representatives. While the literature predicts the geographical connection between voters and representatives in extreme proportional electoral systems to be minimal, this article finds this to hold true for the Netherlands but not for Israel. It then seeks to find factors explaining variation in MPs’ constituency orientation in the absence of electoral incentives.
Article
Full-text available
Why do politicians react to some stories in the news and ignore others? We attempt to answer this question by integrating the micro-level politician perspective with a macro-level country approach. Using a unique experimental approach, we test when politicians in the Netherlands and Switzerland ( N = 80) take political action based on a (fictional) news report. We find that all politicians react more to negative coverage, but not if the information is merely presented as investigative reporting. Results also reveal a systematic variation that we ascribe to two key differences in the electoral systems. In The Netherlands, with its large single voting district, politicians react to news reports covering issues they are specialized in. In Switzerland, where between-party competition is more important, politicians are more likely to capitalize on the party’s profile. Overall, this study shows when and how politicians react to news coverage also depends on the institutional context.
Article
Ethnic affinity voting is the term for when political party candidates with an ethnic minority background receive a larger share of the vote in ethnically dense neighbourhoods. This study is one of the first to provide a detailed test for ethnic affinity voting during a national election in an open-list proportional representation system, with the same ballots in every polling station. It tests the conditions under which ethnic affinity voting is greater, studying the proportion of votes for ethnic minority candidates at neighbourhood level in the Netherlands in 2017, when a minority-interest party entered parliament and the traditional ethnic vote for the social democratic party (PvdA) imploded. This study disentangles party and candidate effects and finds evidence for (general and specific) ethnic affinity voting at candidate level. Even though ethnic minority candidates attract fewer votes, they perform better in neighbourhoods where more minorities live, especially when the group size of co-ethnics is larger. Ethnic affinity effects are relatively strong for candidates affiliated with minority-oriented and left-wing parties, and absent or negative for ethnic candidates of right-wing parties. Moreover, whether male or female ethnic candidates are more likely to attract the ethnic vote also depends on the ethnic background and party affiliation of the candidate.
Chapter
This chapter analyses the triggers of preferential voting in Belgium. Combining both contextual and candidate level information, the authors first test how features of the electoral and political competition (i.e. position on the list, district and party magnitude) influence preferential votes. Then, they focus on the role of individual characteristics of candidates, taking into account not only their socio-demographic background, but also their attitudinal and behavioural attributes. In particular, candidates’ ties with their own local constituencies, previous political experience, as well as the resources and tools they employed during the campaign are widely explored in the chapter.
Book
The new fifth edition of this leading textbook provides a clear and comprehensive account of governance and politics in the Netherlands. The book has been revised throughout to provide full coverage of recent developments and events, including the latest proposals for constitutional reform. The Netherlands has often been characterized as a place of political calm, with a culture of cooperation and compromise in dealing with key political issues. Now, at a time when climate change and immigration are high on the political agenda, the electorate is growing ever more unpredictable and political fragmentation makes forming majority coalitions increasingly difficult, it is vital to question how the Dutch system will continue to achieve consensus. With this in mind, the authors take a comparative and analytical approach as they examine the features of the country’s political system that have long made it a subject of study for political scientists. Governance and Politics of the Netherlands provides both students and scholars with a complete and reliable introduction to a country whose small size belies its importance in comparative political analysis.
Article
Legislatures are the core representative institutions in modern democracies. Citizens want legislatures to be decisive, and they want accountability, but they are frequently disillusioned with the representation legislators deliver. Political parties can provide decisiveness in legislatures, and they may provide collective accountability, but citizens and political reformers frequently demand another type of accountability from legislators – at the individual level. Can legislatures provide collective and individual accountability? This book considers what both kinds of accountability require and offers the most extensive crossnational analysis of legislative voting undertaken to date. It illustrates the balance between individualistic and collective representation in democracies and how party unity in legislative voting shapes that balance. In addition to quantitative analysis of voting patterns, the book draws on field and archival research to provide an extensive assessment of legislative transparency throughout the Americas.
Article
Social structure may historically have been of primary importance in accounting for the attitudes and behaviour of many citizens, but now changes in social structure have diminished the role played by class and religious affiliation, whilst the significance of personality in political leadership has increased. This volume explores, both theoretically and empirically, the increasingly important role played by the personalisation of leadership. Acknowledging the part played by social cleavages, it focuses on the personal relationships and psychological dimension between citizens and political leaders. It begins by examining the changes which have taken place in the relationship among citizens, the parties which they support and the leaders of these parties in a European context. The authors then assess how far the phenomena of 'personalised leadership' differ from country to country, and the forms which these differences take. The book includes comparative case studies on Britain and Northern Ireland, France, Italy, Poland, Japan and Thailand; it concentrates on eleven prominent leaders epitomising personalised political leadership: Thatcher, Blair, Mitterand, Chirac, Le Pen, Berlusconi, Bossi, Walesa, Lepper, Koizumi and Thaksin. This book will be of interest to students and scholars of political science, comparative politics and political leadership. © 2010 Jean Blondel and Jean-Louis Thiébault with Katarzyna Czernicka, Takashi Inoguchi, Ukrist Pathmanand and Fulvio Venturino. All rights reserved.
Article
Campaign organizers and the media appear to agree that voters' perceptions of party leaders have an important impact in elections: considerable effort is made to ensure that leaders look good, speak well, and that they are up in the polls. In contrast, the academic literature is much more divided. Some suggest that leaders play an important role in the vote calculus, while others argue that in comparison to other factors, perceptions of leaders have only a minimal impact. This study incorporates data from thirty-five election studies across seven countries with varying institutional environments, and takes both a broad and in-depth look at the role of leaders. A few noteworthy conclusions emerge. First, voters evaluate leaders' traits in terms of two main dimensions: character and competence. Second, voters perceive leaders within the framework of a partisan stereotype in which the party label of the leader imbues meaning; more specifically, leaders of Conservative parties are seen to be more competent while Left leaders are seen to have more character. Third, and most importantly, leaders matter: they affect voters' decisions and have a discernible effect on the distribution of votes in an election. Fourth, there are consistent differences in the perception of party leaders according to voters' level of political sophistication. While all voters evaluate party leaders and consider leaders in their vote calculus, the more sophisticated do so the most. This book argues that personality plays an important role in elections, and that in a healthy democracy, so it should.