ArticlePDF Available
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University
Nijmegen
The following full text is a publisher's version.
For additional information about this publication click this link.
http://hdl.handle.net/2066/180912
Please be advised that this information was generated on 2021-04-15 and may be subject to
change.
413
2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
412
RES PUBLICA • 2017 – 4
De etnische politieke elite
van Nederland: gewoon
geworden door ongewoon
te zijn?
Roos van der Zwan en Tomas Turner-Zwinkels
ABSTRACT: An ethnic political elite in the Netherlands:
atypically typical?
This article compares the study and professional backgrounds of ethnic minority and
native Dutch MPs in the Netherlands using self-collected data from 2010-2016. We
build on previous studies and further develop and test the compensation and similarity
model. We expected that ethnic minorities compensate with regard to the duration of
their education and the length of their professional and pre-parliamentarian political
careers. Furthermore, in line with the similarity model, we expected greater similarities
between ethnic minority and Dutch MPs in terms of their educational and professional
backgrounds and political experience. The results show more evidence for the simila-
rity model than for the compensation model. We find that ethnic minority MPs have
similar educational levels and types of political experience as Dutch MPs, however,
contrary to the expectation they do not have more but less years of professional and
pre-parliamentarian political experience.
KEYWORDS: ethnic minorities, political representation, the Netherlands, com-
pensation, similarity
1. Inleiding
Hoewel de aanwezigheid van etnische minderheden in de Nederlandse Tweede
Kamer de afgelopen decennia gestaag groeide, is de groep nog steeds onderver-
tegenwoordigd. In 2012 had 16,6% van de Nederlanders een niet-Nederlandse
achtergrond (4,7% westers en 11,9% niet-westers; CBS, 2016). In datzelfde jaar
had 12% van de Kamerleden een niet-Nederlandse achtergrond, van wie 2,7%
414 415
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
westers en 9,3% niet-westers (van der Zwan, Lubbers & Eisinga, aanstaande).
Verklaringen voor de politieke ondervertegenwoordiging van minderheden wor-
den vooral gezocht in institutionele factoren (Bird, 2005) of groepsmobilisatie en
etnische organisaties (Celis et al., 2014; Michon & Vermeulen, 2013). Een andere
verklaring die naar ons inzicht te weinig aandacht heeft gekregen, is dat er bij de
werving van kandidaten wordt gezocht naar personen met vergelijkbare of betere
kwalificaties dan de selectiecommissie en gevestigde Kamerleden (Black & Erick-
son, 2000; Durose et al., 2012; Norris & Lovenduski, 1995). Personen die niet in
dit profiel passen, zullen minder snel op de kandidatenlijst komen, bijvoorbeeld
omdat partijen bang zijn stemmen te verliezen (Durose et al., 2012; Norris &
Lovenduski, 1995; Sobolewska, 2013). Wanneer deze veronderstelling klopt, dan
zou het resultaat daarvan te zien moeten zijn in de achtergrondkenmerken van
Tweede Kamerleden van niet-Nederlandse herkomst. Dat laatste is de focus van
deze bijdrage.
Uit onderzoek naar de achtergrondkenmerken van Kamerleden weten we dat
de standaard verkozen politicus een blanke, hoogopgeleide, heteroseksuele man
van middelbare leeftijd is (Black & Erickson, 2000; Bovens & Wille, 2010; Durose
et al., 2013; Norris & Lovenduski, 1995). In hoeverre Kamerleden met een niet-
Nederlandse achtergrond op andere dimensies dan etniciteit hetzelfde patroon la-
ten zien weten we echter niet. Een belangrijke redenen hiervoor is een gebrek aan
data. In dit onderzoek gebruiken we daarom een nieuwe, Nederlandse, dataset met
gegevens over de etnische achtergrond en gedetailleerde informatie over de studie-
en beroepskenmerken van Tweede Kamerleden uit de parlementaire cohorten van
2010 en 2012. Hiermee maken we, voor het eerst, een kwantitatieve vergelijking
tussen de studie- en beroepskenmerken van Tweede Kamerleden met een Neder-
landse en een andere etnische achtergrond.
We vergelijken het studie- en beroepsprofiel van Tweede Kamerleden van Ne-
derlandse en niet-Nederlandse herkomst en proberen deze verschillen tevens te
begrijpen. We baseren ons hierbij op het idee dat compensatie- en gelijkheidsdy-
namieken dergelijke verschillen in achtergrondkenmerken tussen meerderheids- en
minderheidsgroepen kunnen verklaren (Black, 2000; Black & Erickson, 2000). De
compensatiedynamiek veronderstelt dat kandidaten behorend tot een minderheids-
groep betere kwalificaties moeten hebben dan die van een meerderheidsgroep, ter-
wijl de gelijkheidsdynamiek impliceert dat ze voornamelijk dezelfde studie- en
beroepskenmerken hebben. Er is vooralsnog geen duidelijkheid over welke van
deze twee theoretische modellen de voorkeur verdient (Black & Erickson, 2000).
Hoewel eerder beschrijvend onderzoek suggereert dat ondervertegenwoordigde
groepen in veel opzichten lijken op standaard verkozenen (Durose et al., 2012;
Murray, 2016), zijn in deze studies compensatie-effecten niet onderzocht. Wij on-
derzoeken daarom de verschillen tussen Kamerleden met een Nederlandse en een
niet-Nederlandse achtergrond. De onderzoeksvraag is: ‘Wat zijn de belangrijkste
414 415
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
verschillen tussen de studie- en beroepskenmerken van Kamerleden met een Ne-
derlandse en een andere etnische achtergrond, en welke rol spelen compensatie en
gelijkheid in de totstandkoming van deze verschillen?’
Illustratief voor onze interesse is het opleidingsniveau van Kamerleden. In ver-
gelijking met de autochtone Nederlandse bevolking waren niet-westerse minder-
heden in de periode 2010-2016 lager opgeleid en westerse minderheden hoger op-
geleid (CBS, 2017). Onder Kamerleden in het algemeen heeft de meerderheid een
universitaire studie afgerond (Bovens & Wille, 2010; Cotta & Best, 2007). Er is dus
een kloof tussen Tweede Kamerleden en burgers wat betreft het opleidingsniveau
maar die is extra groot wanneer het Kamerleden en burgers met een andere etni-
sche achtergrond betreft. Alleen het beschrijven van dergelijke verschillen is niet
genoeg. Om barrières voor minderheden in de politiek op te heffen, is meer begrip
nodig over de mechanismes die tot deze ongelijkheid leiden.
Behalve een theoretische bijdrage levert dit onderzoek daarmee ook een bijdrage
aan het maatschappelijke debat. Het geeft nieuwe inzichten in de descriptieve ver-
tegenwoordiging in Nederland en in de kloof tussen politici en burgers (Bovens &
Wille, 2010; Cotta & Best, 2007). Als Tweede Kamerleden van niet-Nederlandse her-
komst sterk lijken op de autochtone Nederlandse politieke elite, dan kan de kloof
tussen etnische minderheden in de samenleving en Tweede Kamerleden daarom
immers nog groter zijn dan tussen autochtone Nederlandse burgers en Tweede
Kamerleden. Verschillen in achtergrondkenmerken tussen burgers en politici hoe-
ven niet problematisch te zijn, zolang de belangen van verschillende groepen bur-
gers maar behartigd worden. De specifieke kennis en ervaring van Kamerleden
uit ondervertegenwoordigde groepen kan echter leiden tot andere agendapunten,
inzichten en beleid (Phillips, 1995; Pitkin, 1967). Minderheden van niet-westerse
afkomst behoren ook relatief vaak tot een andere ondervertegenwoordigde groep:
de lagere sociaaleconomische klasse (Bovens & Wille, 2010; Cotta & best, 2007;
van Tubergen, 2006).1 Als blijkt dat voor etnische minderheden compensatie en/
of gelijkheid nodig zijn om een plek in de Kamer de bemachtigen, dan hebben zij
nog minder overeenkomsten met burgers met dezelfde etnische achtergrond. Zij
vormen dan mogelijk een etnische politieke elite, wier kennis en ervaring nog maar
matig overeenkomt met hun potentiële achterban.
In wat volgt gaan we eerst in op de Nederlandse context. Vervolgens bespreken
we ons theoretische kader. De nadruk hier ligt op het selectieproces van Kamerle-
den en de mogelijke rol die compensatie en gelijkheid hierin spelen. Na een korte
omschrijving van de data en de methoden bestuderen we vervolgens op kwantita-
tieve wijze de verschillen in studie- en beroepskenmerken tussen politici met een
Nederlandse en een niet-Nederlandse achtergrond. In de discussie en de conclusie
komen we terug op compensatie en gelijkheid en beschouwen we welke van deze
twee dynamieken het meest dominant lijkt in Nederland.
416 417
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
2. De politieke integratie van etnische minderheden in
Nederland
Het jaar 1986 was belangrijk voor de politieke integratie van minderheden in Ne-
derland: sinds dat jaar mogen migranten stemmen voor de lokale verkiezingen;
ook werd toen het eerste Tweede Kamerlid met een niet-westerse achtergrond ver-
kozen. Dat was John Lilipaly, een onderwijzer van Molukse afkomst (Rath, 1990;
Tillie, 1998). Van de belangrijkste niet-westerse migrantengroepen in Nederland
(uit Turkije, Marokko, Suriname en de Antillen), blijken Nederlanders met een
Turkse achtergrond het meest actief (Fennema & Tillie, 1999; Michon & Vermeulen,
2013). De Partij van de Arbeid (PvdA) speelde vanaf het begin een belangrijke rol
voor migranten (Ensel, 2003). Zowel in hun partijprogramma als vanuit de partij
zelf ondersteunen zij migranten, zoals met een migrantennetwerk (Ensel, 2003).
Het is tevens een populaire partij onder etnische stemmers (Fennema & Tillie,
1999; Tillie, 1998; Michon & Vermeulen, 2013) en in de partij zijn veel etnische
minderheden actief (Rath, 1990).
We weten dus dat migranten politiek actief zijn in Nederland, maar verklarend
onderzoek naar hun politieke vertegenwoordiging is schaars. Studies die kijken
naar de selectie laten zien dat etnische organisaties, migrantennetwerken binnen
partijen en partijelites een rol spelen in de mate van vertegenwoordiging (Michon
& Vermeulen, 2013; Mügge, 2016). Uit meer beschrijvend onderzoek blijkt ook dat
het aantal Tweede Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond in Nederland
langzaam is toegenomen (Mügge, 2016). Of Kamerleden met een niet-Nederlandse
achtergrond ook de culturele en religieuze belangen van de eigen etnische groep
behartigen is nog een punt van discussie (Aydemir & Vliegenthart, 2016). Andere
achtergrondkenmerken van deze groep, zoals de relatieve oververtegenwoordiging
van vrouwen (Celis et al., 2014; Mügge, 2016) of een verschil in opleidingsniveau
en studieachtergrond, spelen hier waarschijnlijk een rol in.
3. Selectie, compensatie en gelijkheid
3.1. Selectie
Alvorens wij compensatie en gelijkheid verder uitwerken is het belangrijk om kort
stil te staan bij het selectieproces in brede zin. Voordat politici daadwerkelijk tot
Kamerlid verkozen worden, hebben zij immers al een uitgebreid selectieproces
doorlopen. Dat begint met het aanbod; niet alle burgers zijn lid van een politieke
partij en van diegenen die dat wel zijn, kunnen we aannemen dat zij in ieder ge-
val politiek geïnteresseerd zijn. Binnen partijen kunnen partijleden zich kandidaat
416 417
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
stellen of als kandidaat voorgedragen worden voor de kandidatenlijst (Lucardie &
Voerman, 2004). Vervolgens stellen selectiecommissies de kandidatenlijst van een
partij samen en bepalen daarmee op wie kiezers kunnen stemmen. Deze commis-
sies bepalen ook de lijstvolgorde waarbij rekening wordt gehouden met de veilige
lijstposities, ofwel het aantal zetels dat een partij verwacht te winnen. Omdat de
kandidaten die op de hoogste lijstposities worden geplaatst ook de grootste kans
hebben op een zetel, hebben selectiecommissies een bijzonder grote invloed op
wie er in de Tweede Kamer komt (Scarrow et al., 2000).2 In het laatste deel van het
selectieproces bepalen de kiezers alleen nog hoeveel zetels elke partij krijgt. Omdat
partijen een grote rol spelen in de politieke vertegenwoordiging van minderheids-
groepen (Norris & Lovenduski, 2005) focussen wij redelijkerwijs op de selectie van
kandidaten door selectiecommissies.
Ons theoretische startpunt is ten eerste dat partijen risicomijdend zijn en ten
tweede dat ze zo veel mogelijk stemmen willen behalen. Partijen zullen daarom
kandidaten selecteren van wie ze denken dat ze succesvol zijn en kiezers aantrek-
ken (Norris & Lovenduski, 1995). Een kandidaat uit een minderheidsgroep selecte-
ren kan een strategie zijn om nieuwe kiezers aan te trekken, maar kan tegelijker-
tijd ook kiezers afstoten die liever geen etnische minderheden in de politiek zien
(Norris & Lovenduski, 1995; Sobolewska, 2013). Selectiecommissies balanceren
logischerwijs tussen deze twee overwegingen en kiezen daarom kandidaten die
‘acceptabel anders’ zijn. Minderheidsgroepen worden dan wel vertegenwoordigd
maar de kandidaten zijn niet zo anders dat de partij denkt dat het haar stemmen
zal kosten (Durose et al., 2012).
Dat roept echter de vraag op wat ‘acceptabel anders’ precies is. Informatie over
daadwerkelijke strategieën en ideeën daarover van leden van de selectiecommis-
sies is er nauwelijks. Het is lastig te achterhalen hoe het eraan toegaat tijdens de
selectieprocedure.3 We kunnen echter wel kijken naar de uitkomst van die proce-
dure en bestuderen wie de uiteindelijke Kamerleden zijn. Daarbij zijn specifieke
uitkomsten die wijzen op compensatie- of gelijkheidsdynamieken van belang.
3.2. Compensatie en gelijkheid
Zowel compensatie als gelijkheid kunnen verklaren welke leden van minderheids-
groepen politiek succesvol zijn. Het compensatiemodel stelt dat om politiek suc-
cesvol te zijn, mensen uit minderheidsgroepen een sterker profiel moeten hebben
dan standaard verkozenen (Black & Erickson, 2000). Zij stellen dat negatieve as-
sociaties en vooroordelen over minderheidsgroepen een rol spelen in het wervings-
proces. Hierdoor kunnen alleen de kandidaten met buitengewoon goede compe-
tenties hun ‘anders zijn’ compenseren (Black, 2000). Volgens het gelijkheidsmodel
zullen personen die op een van de kenmerken van de standaard verkozene afwij-
418 419
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
ken en politiek succesvol willen worden, op overige kenmerken meer in het profiel
moeten passen (Black, 2000; Black & Erickson, 2000). Dit model gaat daarbij niet
zozeer uit van de selectiemethodes van selectiecommissies maar van de achter-
grondmerken, zoals opleidings- en beroepsachtergrond, van potentiële Kamerle-
den. Ze stellen dat alleen de leden uit de minderheidsgroep die lijken op de meer-
derheidsgroep genoeg kans hebben om Kamerlid te worden.
De literatuur zet deze modellen tegenover elkaar, waarbij wordt aangenomen
dat of het ene model of het andere model het meest relevant is. In een onderzoek
onder vrouwelijke politieke kandidaten in Canada laten Black en Erickson (2000)
bewijs zien voor zowel het compensatiemodel als voor het gelijkheidsmodel. In
hun onderzoek blijkt voor bepaalde aspecten, zoals preparlementaire politieke er-
varing, het compensatiemodel op te gaan terwijl voor andere aspecten, zoals oplei-
dingsniveau, het gelijkheidsmodel meer van toepassing is.
Wij verwachten echter dat zowel compensatie- als gelijkheidsdynamieken voor-
komen en dat beide dus relevant zijn. Hierbij putten we uit literatuur over discri-
minatie op de arbeidsmarkt die stelt dat discriminatie niet altijd voortkomt uit ra-
cisme, maar als een rationele keuze beschouwd kan worden (Arrow, 1971; Phelps,
1972). Een werkgever moet met beperkte informatie een inschatting maken of de
potentiële werknemer voldoende gekwalificeerd is voor de baan. De kosten om
uitgebreide informatie over potentiële werknemers te verkrijgen zijn vaak hoog.
Er wordt verondersteld dat werkgevers daarom indirecte aanwijzingen gebruiken,
bijvoorbeeld een niet-Nederlandse naam op een cv, om een inschatting te maken
van individuele potentiële werknemers. Als duidelijk is dat het gaat om iemand
met een andere etnische achtergrond, kunnen subjectieve overtuigingen over die
etnische groep van invloed zijn op de keuzes van de werkgever. Als een werkgever
het idee heeft dat etnische minderheden in het algemeen minder gekwalificeerd
zijn of minder hard werken, wordt wellicht de voorkeur gegeven aan een autoch-
tone Nederlandse kandidaat. Door beperkte informatie over sollicitanten is het dus
mogelijk dat niet de meest gekwalificeerde kandidaat wordt aangenomen (Zschirnt
& Didier, 2016).
Selectiecommissies zijn in het geval van politieke selectie de werkgever; ze be-
palen welke kandidaten het meest geschikt zijn om op de kandidatenlijst te worden
geplaatst. Een belangrijke bijkomstigheid in het politieke domein is hierbij dat
diversiteit voor politieke partijen steeds belangrijker wordt. Hoewel dat per partij
verschilt, zullen veel commissies dus een prikkel hebben om ten minste enkele
kandidaten met een andere etnische achtergrond te selecteren. Kortom, het is voor
politieke partijen nauwelijks een optie om geen etnische minderheden te selecteren
voor de kandidatenlijst. Dat verlegt de aandacht van het aantal minderheden in de
Tweede Kamer, naar wie er geselecteerd wordt.
Politieke selectiecommissies moeten dus met beperkte informatie een inschat-
ting maken van de kwalificaties van de potentiële kandidaat. Selectiecommissies
418 419
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
zullen de kandidaten kiezen van wie ze denken dat ze het meest succesvol zul-
len zijn. Dat zijn kandidaten die niet alleen populair zijn bij de kiezer maar van
wie ze ook verwachten goed te presteren in de Tweede Kamer. Voor kandidaten
met een andere etnische achtergrond verwachten we hierbij dat, door beperkte
informatie, subjectieve overtuigingen over etnische minderheden als groep op het
individu kunnen worden geprojecteerd. In de politieke context kunnen dat bijvoor-
beeld aannames over politieke en bestuurlijke kennis van Nederland zijn, maar
ook aannames over de populariteit van de kandidaat bij de kiezers. Hieruit volgt
dat er wel kandidaten met een andere etnische achtergrond worden aangenomen,
maar in overeenstemming met het compensatiemodel zou een kandidaat die, om-
dat zijn/haar etniciteit niet binnen het standaard profiel valt, daarvoor moeten
compenseren met sterkere studie- en beroepskenmerken. We verwachten dus dat
wanneer selectiecommissies kiezen voor een kandidaat met een niet-Nederlandse
achtergrond, de kwalificaties van deze persoon nog beter zijn dan die van het
standaard Tweede Kamerlid. De belangrijkste dimensies waarop selectiecommis-
sies kandidaten met elkaar kunnen vergelijken zijn hun opleiding (Bovens & Wille,
2010), werkervaring (Fennema, 2003) en politieke achtergrond (Keane & Merlo,
2007). Hieruit volgt de volgende verwachting: bij binnenkomst in de Tweede Kamer
zijn Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond vaker hoger opgeleid (H1a),
hebben ze meer werkervaring (H1b) en meer politieke ervaring (H1c) dan het stan-
daard Kamerlid.
Het is niet altijd gemakkelijk om te bepalen wat betere kwalificaties zijn. Geluk-
kig is dat waar het compensatiemodel en het gelijkheidsmodel elkaar aanvullen.
Kandidaten kunnen wel hoger opgeleid zijn dan een standaard Kamerlid (com-
pensatie), maar het is echter lastig te compenseren op studieachtergrond. Bijvoor-
beeld, als de meeste Tweede Kamerleden een sociale studie hebben gedaan, wat is
dan de betere studie? Daarom verwachten we dat bij het ‘type’ studie- of beroeps-
kenmerk (opleidingsachtergrond, beroepsachtergrond en type politieke ervaring)
niet compensatie maar gelijkheid de dominante dynamiek is. De geschiktheid van
een kandidaat is voor een selectiecommissie beter in te schatten als deze kandidaat
lijkt op de standaard verkozene. Als een commissie bijvoorbeeld ervaring heeft
met Kamerleden die een sociale studie hebben gedaan, uit de publieke sector ko-
men en vooral in de lokale politiek actief waren, levert dat extra informatie die ze
kunnen gebruiken om beter in te schatten hoe kandidaten met een vergelijkbare
achtergrond in de Kamer zullen presteren. Vooral als een kandidaat door zijn etni-
sche achtergrond afwijkt van het standaard profiel en niet kan compenseren, zal
het een veilige keuze zijn om voor kandidaten te gaan die wat betreft andere ken-
merken bekend zijn. Onze tweede hypothese is daarom dat: Kamerleden met een
niet-Nederlandse achtergrond bij binnenkomst in de Tweede Kamer vaker dezelfde
studieachtergrond (H2a), dezelfde beroepsachtergrond (H2b) en hetzelfde type poli-
tieke ervaring (H2c) hebben als het standaard Kamerlid.
420 421
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Op basis van het compensatie- en gelijkheidsmodel verwachten we dus dat
‘acceptabel anders’ in de praktijk verwijst naar zowel betere kwalificaties, als ster-
ker vergelijkbare kwalificaties. Het is bovendien waarschijnlijk dat compensatie
en gelijkheid zich tegelijkertijd voordoen. Als dat het geval is, dan zal ongelijk-
heid (een ongewoon type ervaring) gewoonlijk gecompenseerd moeten worden
met meer ervaring. Om te onderzoeken of dat klopt, toetsen wij of Kamerleden van
niet-Nederlandse herkomst die wat betreft hun type ervaring – oftewel, studieach-
tergrond, beroepsachtergrond en type politieke ervaring – afwijken van de norm
in de Tweede Kamer hiervoor moeten compenseren met de duur van hun ervaring
in deze domeinen. Bijvoorbeeld, als de meeste Kamerleden uit de publieke sector
komen dat een Kamerlid van niet-Nederlandse herkomst die uit de private sector
komt, hiervoor moet compenseren met meer professionele werkervaring. We tes-
ten daarom tevens de derde en laatste hypothese dat: Kamerleden met een niet-
Nederlandse achtergrond die niet de meest voorkomende studieachtergrond (H3a),
beroepsachtergrond (H3b) of politieke ervaring hebben (H3c) hiervoor compenseren
met respectievelijk een hoger opleidingsniveau en meer professionele en politieke
ervaring. Als we in onze resultaten empirisch steun voor deze hypothese vinden,
dan is dat een indicatie dat de compensatie en gelijkheid niet elkaars theoretische
tegenpolen hoeven te zijn, maar elkaar ook kunnen aanvullen. Dat zou een verkla-
ring bieden voor de wisselende resultaten uit eerder onderzoek.
4. Methode
4.1. Data
Voor de empirische analyse in dit artikel maken we gebruik van een recent samen-
gestelde dataset. Deze nieuwe dataset (Turner-Zwinkels, aanstaande) bevat gede-
tailleerde carrièredata van alle Tweede Kamerleden sinds 1945. Ten grondslag aan
deze dataset ligt het online archief van het parlementair documentatiecentrum.
Informatie wat betreft de etnische achtergrond van Kamerleden is afkomstig uit
een dataset van van der Zwan (Zie: van der Zwan, Lubbers & Eisinga, aanstaande).
Deze dataset bevat informatie over alle Kamerleden die bij de verkiezingen van
2010 of 2012 een zetel behaalden in de Tweede Kamer. Omdat betrouwbare infor-
matie over de etnische achtergrond van Kamerleden in eerdere parlementen ont-
breekt, gebruiken we voor onze analyses de populatie met daarin alle (N=217)
Tweede Kamerleden die in de kabinetsperiode van 2010 tot 2012 (al dan niet tij-
delijk) zitting hebben gehad in de Tweede Kamer. Object van studie is het profiel
(etnische achtergrond, politieke en professionele achtergrond) van politici op het
moment dat zij voor het eerst de Kamer binnenkomen.
420 421
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
4.2. Variabelen
4.2.1. Etnische achtergrond
We meten etnische achtergrond op basis van het land van herkomst. Wij volgen
hierbij de definitie van het CBS en beschouwen een Tweede Kamerlid als hebbende
een niet-Nederlandse achtergrond wanneer die zelf en/of de ouders niet in Neder-
land zijn geboren. Dat omvat de eerste en de tweede generatie en alle Nederlanders
met een andere etnische achtergrond, dus zowel westerse als niet-westerse Ka-
merleden.4 Een focus op niet-westerse achtergrond verandert de bevindingen niet
(analyse beschikbaar op verzoek). In totaal hebben 28 Kamerleden in onze data
(12,90%) een niet-Nederlandse achtergrond. Hiervan zijn er 5 (2,30%) met een
westerse achtergrond en 23 (10,60%) met een niet-westerse achtergrond.
4.2.2. Opleidingsniveau
Heeft een Kamerlid (ja = 1, nee = 0) aan een (binnenlandse of buitenlandse) uni-
versiteit gestudeerd voor binnenkomst in de Kamer en een diploma behaald. Dat is
het geval voor 76,50% van alle Kamerleden in de data.
4.2.3. Hoeveelheid professionele werkervaring
Het aantal jaren werkervaring in betaalde beroepen van een Kamerlid bij binnen-
komst in de Kamer (M = 13,92, SD = 9,79). Dat omvat zowel parttime- als full-
timebanen op basis van het volledige cv.
4.2.4. Hoeveelheid politieke werkervaring
Het aantal jaren politieke ervaring van een Kamerlid bij binnenkomst in de Kamer
(M = 8,39, SD = 10,93). Dat omvat zowel electoraal verkozen (bv. lid gemeen-
teraad, Statenlid) als niet-electoraal verkozen politieke functies (bv. partijbestuur-
der) en betaalde en niet-betaalde functies, gebaseerd op het complete cv.
4.2.5. Studieachtergrond
Vakgebied van de (universitaire) studie (gebaseerd op de internationale ISCED13-F
‘Field of Study’-standaard). We coderen het hoogst behaalde niveau. Er zijn tien
422 423
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
categorieën: 0 Algemene kwalificaties,5 1 Lerarenopleiding, 2 Geesteswetenschap-
pen, 3 Sociaal(wetenschappelijke) opleiding, 4 Bestuurskunde/rechten, 5 Natuur-
kunde/wiskunde/biologie/statistiek, 6 Informatietechnologie, 7 Techniek & Bouw-
kunde, 8 Landbouwwetenschappen, 9 Levenswetenschappen, 10 Dienstgerichte
opleidingen.
4.2.6. Beroepsachtergrond
De sector waarin een Kamerlid primair actief was voor binnenkomst in de Tweede
Kamer. Een klein aantal observaties maakt een simpele classificatie van preparle-
mentaire carrières hier analytisch noodzakelijk. De gekozen indeling komt voort
uit een gedetailleerde ‘sequentieanalyse’ van de complete beroepsachtergrond van
Tweede Kamerleden (Turner-Zwinkels & Mills, aanstaande). Op basis van deze
analyse richten wij ons op de 1) de journalistiek, 2) militaire achtergrond, 3) priva-
te sector, 4) publieke sector, 5) vakbondsachtergrond. Voorts is er een restcategorie
(6) van Kamerleden die niet consistent in een van deze sectoren gewerkt hebben.
Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld André Bosman, die voordat hij de Kamer in
kwam af en aan zowel als commerciële als als militaire piloot werkte.
4.2.7. Type politieke ervaring
De politieke arena waarin een Kamerlid primair actief was voor binnenkomst in
de Kamer. Dat omvat een onderscheid tussen 1) geen politieke ervaring, 2) lokaal,
3) lokaal en regionaal, 4) nationaal (Eerste Kamer en ondersteunende posities in
Tweede Kamer), 5) overige (bv. Europees) en 6) regionaal. Gemeten over de gehele
preparlementaire carrière. Posities in het buitenland worden ook meegenomen.
4.2.8. Controlevariabelen
Er wordt gecontroleerd voor geslacht (man (‘m’) of vrouw (‘v’)) en leeftijd (in
jaren).
4.3. Analytische strategie
In de kwantitatieve analyse die volgt onderzoeken we verschillen in de studie- en
beroepskenmerken van Tweede Kamerleden van Nederlandse en niet-Nederlandse
herkomst. Om te beoordelen of de Nederlandse situatie in overeenstemming is met
422 423
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
de geformuleerde hypothesen gebruiken we zowel beschrijvende als verklarende
statistiek. We gebruiken noodgedwongen modellen met weinig variabelen omdat
de hoeveelheid Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond statistisch ge-
zien klein is.
In het eerste deel van de analyse ligt de focus op de compensatiedynamiek (H1);
hier vergelijken we de hoeveelheid ervaring van Kamerleden met een niet-Neder-
landse achtergrond met die van autochtone Nederlandse Kamerleden. Hiervoor ge-
bruiken we kruistabellen, box-plots en een aantal eenvoudige multivariate regres-
siemodellen. De afhankelijke variabele in deze analyses is de hoeveelheid politieke
en professionele ervaring en het opleidingsniveau. De onafhankelijke variabele is
de etnische achtergrond van Kamerleden. Wat betreft het opleidingsniveau moet
alvast opgemerkt worden dat de meerderheid van de Kamerleden een universitaire
studie heeft gedaan.
In het tweede deel van de analyse, waar de gelijkheidsdynamiek (H2) centraal
staat, volgen we steeds twee stappen. In de eerste stap stellen we vast wat de meest
voorkomende achtergrond is van Tweede Kamerleden (de ’norm’), oftewel: de stu-
die-, beroeps- of politieke achtergrond die de meeste Kamerleden in de Tweede
Kamer hebben. Meer technisch gedefinieerd: we stellen vast welke minimale set
aan categorieën samen meer dan 50% van de gehele onderzoekspopulatie dekt.6
Bijvoorbeeld, als 60% van de Kamerleden uit de private sector komt dan is dat
de ‘norm’. De norm kan echter ook een combinatie van achtergronden omvatten,
als 35% van de Kamerleden bijvoorbeeld een bedrijfskunde achtergrond heeft en
25% heeft rechten gestudeerd dan beschouwen we het als de norm om deze twee
studies gedaan te hebben. We testen de robuustheid van onze resultaten met alter-
natieve specificaties van de norm. Omdat het merendeel van de Kamerleden een
Nederlandse achtergrond heeft, definieert deze groep de norm. Analytisch is dat
geen probleem. Onze hypothese gaat immers over de mate waarin Kamerleden met
een niet-Nederlandse achtergrond aan deze norm voldoen.
In de tweede stap vergelijken we vervolgens het percentage Kamerleden van
Nederlandse en niet-Nederlandse herkomst dat aan deze norm voldoet. Hiervoor
gebruiken we kruistabellen en een aantal eenvoudige multivariate (logistische)
regressiemodellen. Alle dimensies van (on)gelijkheid betreffen categorische vari-
abelen. De afhankelijke variabele in deze analyses is daarom simpelweg het vol-
doen aan de norm (ja = 1, nee = 0). De onafhankelijke variabele is de etnische
achtergrond van Kamerleden. In het derde en laatste deel van de analyses bekijken
we vervolgens het samenspel tussen deze twee dynamieken (H3). Om dat te testen
voegen we een interactie-effect tussen norm (de afhankelijke variabele uit het eer-
ste deel van de analyse) en etniciteit toe aan de regressiemodellen uit stap 2. Als
H3, ‘de samenspelhypothese’ klopt, dan zal het geschatte effect van deze interactie
term positief zijn. In de analyses controleren we voor leeftijd en geslacht. In bijlage
1 presenteren we descriptieve statistieken van de individuele variabelen.
424 425
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
5. Resultaten
5.1. Hoeveelheid ervaring: compensatie?
We onderzoeken eerst of er sprake is van een compensatiedynamiek. Onze theo-
retische verwachting is dat Tweede Kamerleden met een niet-Nederlandse achter-
grond meer ervaring hebben bij binnenkomst in de Kamer. We verwachten dat spe-
cifiek te zien wat betreft het aantal jaren professionele en politieke werkervaring en
mogelijk ook qua opleidingsniveau. De resultaten hierna geven verrassend genoeg
geen aanleiding om te geloven dat compensatie plaatsvindt.
5.1.1. Opleidingsniveau
De descriptieve resultaten in tabel 1 en de logistische regressieanalyse in tabel 2
laten zien dat er geen (meetbaar) verschil is in het percentage Kamerleden met een
niet-Nederlandse en een Nederlandse achtergrond met een universitaire opleiding.
We vinden hier geen bevestiging voor hypothese 1a. Wij schrijven dat toe aan een
plafondeffect. Bijna alle Kamerleden zijn zeer hoog opgeleid; het is dus lastig om
daarmee te compenseren.
TABEL 1. Percentage universitair opgeleiden (kolompercentages).
5.1.2. Jaren professionele werkervaring
Wat betreft het aantal jaren professionele werkervaring (H1b), lijken de beschrij-
vende (figuur 1) en de verklarende (tabel 6) resultaten te wijzen op een effect in
onverwachte richting. We zien in tabel 6 dat het gemiddelde autochtone Neder-
landse Kamerlid ongeveer 14,93 [13,23 – 16,64] jaar professionele werkervaring
heeft. Het gemiddelde Kamerlid van niet-Nederlandse herkomst heeft daarentegen
ongeveer 12,25 [8,43 – 16,06] jaar professionele ervaring. Dat is minder, niet méér,
zoals H1 stelt. Ook deze resultaten ondersteunen het idee dat Kamerleden met een
niet-Nederlandse herkomst moeten compenseren dus niet.
424 425
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
TABEL 2. Geschatte kans op een universitaire opleiding.
FIGUUR 1. Jaren professionele werkervaring.
426 427
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
FIGUUR 2. Jaren politieke werkervaring.
5.1.3. Jaren politieke werkervaring
Ook wat betreft het aantal jaren politieke werkervaring (H1c) vinden we een on-
verwacht negatief effect. Opnieuw zien we dat (figuur 2 & tabel 7) Kamerleden
met een niet-Nederlandse herkomst aanzienlijk, en in dit geval ook significant,
minder politieke ervaring hebben bij binnenkomst in de Kamer. Waar het gemid-
delde (mannelijke) autochtone Kamerlid ongeveer 10,15 [8,27 – 12,02] jaar poli-
tieke ervaring heeft, is dat slechts 4,88 [0,67 – 9,08] voor Kamerleden van niet-
Nederlandse herkomst.
Alles bij elkaar genomen vinden we dus weinig steun voor het idee dat Kamerle-
den van niet-Nederlandse herkomst meer politieke ervaring moeten hebben (H1c).
De resultaten wijzen zelfs richting een effect in tegenovergestelde richting.
5.2. Type ervaring: gelijkheid?
We onderzoeken vervolgens hypothese 2, de gelijkheidsdynamiek. Hiervoor kij-
ken we naar het type ervaring. Een eerste blik op de resultaten laat zien dat het
gemiddelde Tweede Kamerlid in de periode 2010-2016 een hoogopgeleide Neder-
426 427
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
landse man van 41 was, met een sociaalwetenschappelijke, bestuurskunde- of
rechtenopleiding. Hij werkte meestal in de private of publieke sector en deed
voor binnenkomst in de Tweede Kamer vooral ervaring op in de lokale politiek.
Als een gelijkheidsdynamiek zich voordoet dan zou dit profiel, los van het Ne-
derlanderschap, het sterke dominante profiel moeten zijn onder Kamerleden met
een niet-Nederlandse achtergrond. De tabellen 3, 4 en 5 laten zien in hoeverre
dat klopt.
5.2.1. Studieachtergrond
TABEL 3. Studieachtergrond (kolompercentages).
De resultaten voor de studierichting in tabel 3 lijken7 hypothese H2a te ondersteu-
nen. Kamerleden van niet-Nederlandse herkomst hebben vaker dezelfde studie-
achtergrond als het standaard Kamerlid. De meeste Tweede Kamerleden hebben
een achtergrond in de sociale wetenschappen (38%) of bestuurskunde of rechten
(23%). In totaal volgt 71% (46% + 25%) van de Kamerleden met een niet-Ne-
derlandse achtergrond deze norm. Van de Kamerleden van Nederlandse herkomst
volgt 60% (37% + 23%) deze norm. Dat is een klein effect in de verwachte
richting.
5.2.2. Beroepsachtergrond
Tabel 4 test hypothese H2b. Een arbeidsverleden in de publieke dan wel pri-
vate sector is de norm. We zien – zoals verwacht – dat een (net) iets groter
percentage Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond inderdaad uit de
publieke sector komt. Dit effect (b)lijkt echter verwaarloosbaar klein. Tevens
werken Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond maar zelden in de
private sector. De resultaten ondersteunen H2b (het gelijkheidsmodel) daarmee
428 429
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
niet. Dit gezegd hebbende, de beroepsachtergrond van Kamerleden met een niet-
Nederlandse achtergrond blijkt lastig te classificeren (36% versus 15% niet een-
duidig voor autochtone Nederlandse Kamerleden). Dat vertekent de interpretatie
van de resultaten. Als we, post-hoc want ongepland, naar de relatieve margi-
nale percentages kijken, dan blijkt van de succesvol geclassificeerde carrières
81% van de autochtone Nederlanders aan de norm te voldoen versus 85% van
de Kamerleden met een andere etnische achtergrond,
8
ondanks het lage aantal
Kamerleden van niet-Nederlandse herkomst uit de private sector. Een tweede
kanttekening in het voordeel van de hypothese is tevens dat bij de PvdA een
publieke carrière wel de norm is: van alle 35 succesvol geclassificeerde PvdA-
Kamerleden komen er 22 (63%) uit de publieke sector. Bovendien zitten daar
veel Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond: 10 van de 28 (36%) van
de etnische minderheden in de populatie zijn PvdA-Kamerlid terwijl slechts 21%
van de populatie PvdA-Kamerlid is. Al met al interpreteren wij deze resultaten
als gebrek aan steun voor enige conclusie wat betreft hypothese 2b, positief dan
wel negatief.
TABEL 4. Beroepsachtergrond (kolompercentages).
5.2.3. Politieke achtergrond
TABEL 5. Politieke achtergrond (kolompercentages).
Wat betreft H2c (het derde type ervaring, de politieke achtergrond) ondersteunen
de resultaten het idee van een gelijkheidsdynamiek echter wel weer. Tweede Ka-
merleden met een niet-Nederlandse achtergrond hebben inderdaad vaker een meer
428 429
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
typisch type politieke carrière voor de Tweede Kamer. Tabel 5 laat zien dat het de
norm is om vooral ervaring in de lokale of nationale politiek te hebben. Van alle
Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond voldoet 61% (36% + 25%)
aan deze norm, versus 56% (30% + 26%) van de autochtone Nederlandse Ka-
merleden. Dat is een klein – en niet significant9 – verschil, maar het effect wijst
wel de juiste kant op. Het is ook interessant dat 36% van de Tweede Kamerleden
met een andere etnische achtergrond geen politieke ervaring heeft. Dit percentage
is relatief hoog.
Al met al interpreteren wij de resultaten wat betreft de standaardisering van het
type ervaring als lichte steun voor het gelijkheidsmodel. Door het relatief kleine
aantal Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond moeten we hier echter
wel een zekere slag om de arm te houden.
5.3. Interactiemodellen: compensatie van normafwijking met meer
ervaring?
We hebben zojuist vastgesteld dat er weinig steun is voor het idee dat Kamerle-
den met een niet-Nederlandse achtergrond in het algemeen meer ervaring moeten
hebben. We hebben voorts laten zien dat Kamerleden met een niet-Nederlandse
herkomst – grosso modo – inderdaad vaker typische ervaring hebben. In het laatste
deel van de analyses testen we hypothese 3, waarbij de nadruk ligt op het samen-
spel tussen deze twee factoren. Ondanks de gebrekkige steun voor hypothese 1
kan het immers nog steeds mogelijk zijn dat Kamerleden met atypische ervaring
hiervoor moeten compenseren met meer ervaring (zelfs wanneer de groep over
het algemeen gemiddeld beschouwd relatief onervaren is). De regressiemodellen
in tabel 6 en tabel 7 onderzoeken deze dynamiek. De gepresenteerde modellen
schatten steeds de hoeveelheid ervaring. Eerst de werkervaring (tabel 6) en dan de
hoeveelheid politieke ervaring (tabel 7).
Als er sprake is van een samenspel tussen de hoeveelheid ervaring en het type
ervaring dan zouden Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond die niet
het standaard (’normatieve’) type ervaring hebben hiervoor moeten compenseren
door meer ervaring te hebben.
De resultaten in tabel 6 en tabel 7 in ondersteunen dit idee (H3) echter niet.
De verwachte interactie tussen het hebben van een niet-typische achtergrond en
hoeveelheid is noch significant noch substantieel. Wij interpreteren dat als extra
bewijs tegen de validiteit van een – naïef – compensatiemodel. Waar het de onder-
vertegenwoordiging van etnische minderheden in de Tweede Kamer betreft lijkt er
meer aan de hand dan het ogenschijnlijk voor de hand liggende idee dat zij meer
ervaring nodig hebben.
430 431
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
TABEL 6. Regressiemodel, jaren prof. werkervaring bij binnenkomst in de Kamer.
TABEL 7. Regressiemodel, jaren politieke werkervaring bij binnenkomst in de Kamer.
430 431
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
6. Conclusie en discussie
Er is een toenemende aandacht voor diversiteit in politieke instituties en hoewel
we weten dat etnische minderheden politiek ondervertegenwoordigd zijn in zowel
Nederland als in andere landen, is er nog maar weinig bekend over de etnische
minderheden die wel in de politiek aanwezig zijn. Zijn het buitenstaanders of zijn
ze juist onderdeel van de politieke elite in Nederland? Moeten ze, omdat ze een an-
dere etnische achtergrond hebben, compenseren met meer ervaring of zijn er wei-
nig verschillen tussen Kamerleden met een Nederlandse en een niet-Nederlandse
achtergrond? Om deze twee dynamieken – de compensatiedynamiek en de gelijk-
heidsdynamiek – te onderzoeken, vergeleken we de verschillen in de studie- en be-
roepskenmerken van Kamerleden van Nederlandse en niet-Nederlandse herkomst
met unieke data van de parlementaire cohorten van 2010 en 2012.
Hoewel de resultaten variëren, lijkt er in Nederland meer bewijs te zijn voor de
aanwezigheid van een gelijkheidsdynamiek dan voor een compensatiedynamiek. De
resultaten ondermijnen het idee dat de politieke ondervertegenwoordiging van min
-
derheden voortkomt uit een vertekend beeld bij selectiecommissies waarvoor etni
-
sche minderheden moeten compenseren. We zien dat, hoewel Kamerleden van niet-
Nederlandse herkomst qua type ervaring veel op de bestaande politieke elite lijken,
dat expliciet niet zo is wat betreft de duur van deze ervaring. Onze bevindingen sug
-
gereren dat etnische minderheden een atypische politieke carrière doorlopen waarin
ze sneller dan autochtone Nederlandse politici in de Tweede Kamer terechtkomen.
Dat zien we ook terug in het aandeel Kamerleden van niet-Nederlandse herkomst dat
helemaal geen preparlementaire politieke ervaring heeft. Dat is een interessante be
-
vinding die meer empirische aandacht verdient. Het suggereert immers dat politieke
partijen niet-Nederlandse kandidaten minder uit de traditionele kanalen rekruteren
en tevens dat er mogelijk actiever naar geschikte kandidaten van niet-Nederlandse
herkomst wordt gezocht. Toekomstige studies zouden specifiek kunnen kijken naar
de zoekstrategieën van politieke partijen voor de werving van etnische kandidaten.
Op basis van onze resultaten verwachten wij dat de mogelijke uitkomst van een der
-
gelijke studie zal zijn dat er in Nederland positieve discriminatie plaatsvindt, waarbij
overeenkomsten in de studie- en beroepsachtergrond nog steeds belangrijk zijn maar
waar kandidaten met een niet-Nederlandse achtergrond minder professionele en po
-
litieke ervaring hebben.
Een aantal belangrijke kanttekeningen is op zijn plaats. Zo is de periode van on-
derzoek (2010 en 2012) relatief kort. Met 28 Kamerleden die een niet-Nederlandse
achtergrond hebben, is het lastig om met zekerheid uitspraken te doen op basis van
de statistische bevindingen. Hoewel eerder beschrijvend onderzoek in andere lan-
den zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (Durose et al., 2012; Murray, 2016)
ook laat zien dat de achtergrondkenmerken van politici met een andere etnische
achtergrond grotendeels overeenkomen met die van autochtone politici ontbreekt
432 433
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
het nog steeds aan een overkoepelend comparatief onderzoek. Alleen een onder-
zoek met afdoende onderscheidend vermogen om harde statistische uitspraken te
kunnen doen kan dit soort vragen echt beantwoorden. Toekomstig onderzoek zal
moeten uitwijzen of de conclusies waar onze resultaten naar wijzen ook overeind
blijven wanneer er empirisch wordt getoetst met meer data die verschillende con-
texten en een langere tijdsperiode omvatten.
Het is bovendien ook denkbaar dat andere achtergrondkenmerken van Kamer-
leden met een etnische achtergrond kunnen verklaren waarom wij geen aanwijzin-
gen voor een compensatiedynamiek vinden, zoals mediabekendheid of een groot
netwerk in de eigen etnische groep. Nader onderzoek moet uitwijzen of andere
individuele kenmerken kunnen verklaren waarom etnische minderheden minder
professionele en politieke ervaring nodig lijken te hebben dan autochtone Neder-
landse Kamerleden en/of welke partijstrategieën hier een rol in spelen.
Een derde kanttekening is dat wij de aanname maken dat de norm in de gehele
Tweede Kamer van belang is. Het is echter ook mogelijk dat de typische profielen
die van belang zijn voor politici per partij verschillen, bijvoorbeeld met betrekking
tot beroepsachtergrond. De norm in de Tweede Kamer als geheel zal soms ver-
schillen van de norm binnen politieke partijen. Het zou interessant zijn om, als er
meer data beschikbaar zijn, theoretisch en empirisch te bestuderen of de norm op
Kamerniveau dan wel op partijniveau het meest van belang is.
Een laatste kanttekening is dat we alleen een vergelijking hebben kunnen ma-
ken tussen Tweede Kamerleden met een Nederlandse en een niet-Nederlandse her-
komst. Om daadwerkelijk selectiemechanismen en compensatie- en gelijkheidsdy-
namieken te onderzoeken zou het beter zijn om een vergelijking te maken tussen
kandidaten met verschillende etnische achtergronden. Data over de studie- en be-
roepskenmerken van alle kandidaten op de kandidatenlijst zijn echter niet beschik-
baar waardoor een dergelijke toetsing niet mogelijk is.
De resultaten van deze studie bevestigen opnieuw dat er een kloof bestaat tus-
sen burgers en politici (Bovens & Wille, 2010). Ook Kamerleden met een andere
etnische achtergrond verschillen van de burgers met een Nederlandse dan wel niet-
Nederlandse achtergrond in hun achtergrondkenmerken. Het blijft daarom cruciaal
om meer inzicht te krijgen in het belang van descriptieve vertegenwoordiging.
Noten
1. Overigens blijkt uit eerder onderzoek dat Kamerleden met een andere etnische
achtergrond ook relatief vaak vrouw zijn (Celis et al., 2014). De mate waarin etnische
minderheden als een homogene groep beschouwd kunnen worden is terecht onderwerp
van discussie. Verschillen in bijvoorbeeld etnische groep, geslacht en sociaaleconomi-
432 433
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
sche status hebben mogelijk invloed op hun politieke vertegenwoordiging, participatie
en status.
2. Het is mogelijk om door voorkeursstemmen een zetel te krijgen; dat is sinds 2002
slechts zeven keer gebeurd; Parlement & Politiek, 2016).
3. Mügge (2016) deed een studie naar de werving en selectie van kandidaten met een
andere etnische achtergrond in Nederland, daar ligt de nadruk echter op geslacht en
etnische achtergrond.
4. Theoretisch gezien is het hebben van een andere etnische achtergrond het be-
langrijkste verschil. Bovendien kunnen niet alleen uiterlijke kenmerken (‘zichtbare
minderheden’) een rol spelen, maar ook verwachtingen over de kennis van de taal of
culturele/bestuurlijke kennis van kandidaten kunnen van invloed zijn op de keuzes van
selectiecommissies.
5. Het gaat hier om opleidingen op het vlak van persoonlijke vaardigheden die zich
op een breed scala aan onderwerpen richten en niet op specifieke onderwerpen of
specialisaties.
6. De aanname hierbij is dat deze norm relatief stabiel is, oftewel, dat de meest voor-
komende achtergrond in 2010-2016 niet sterk verschilt van de norm in de parlementen
van voorgaande jaren en dat die niet aanzienlijk verschilt tussen partijen. Extra analy-
ses (beschikbaar op verzoek) bevestigen deze twee aannames.
7. De geschatte kans voor een Kamerlid met een niet-Nederlandse achtergrond om
aan de norm te voldoen is [54% – 88%] versus [52% – 67%] voor Kamerleden van
Nederlandse herkomst. Model beschikbaar op verzoek.
8. 85% voor autochtone Nederlandse Kamerleden, 64% voor Kamerleden met een
andere etnische achtergrond.
9. De geschatte kans voor een niet-Nederlands Kamerlid om aan de norm te voldoen
is [43% – 79%] versus [47% – 61%] voor autochtone Nederlandse Kamerleden. Model
beschikbaar op verzoek.
434 435
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Bibliografie
Arrow, K.J. (1971). Some Models of Racial Discrimination in the Labor Market. Santa
Monica: The Rand Corporation.
Aydemir, A. & Vliegenthart, R. (2016). ‘Minority Representatives’ in the Netherlands:
supporting, silencing or suppressing? Parliamentary Affairs, 69(1), 73-92.
Bird, K. (2005). The political representation of visible minorities in electoral demo-
cracies: a comparison of France, Denmark, and Canada. Nationalism and Ethnic
Politics, 11(4), 425-465.
Black, J.H. (2000). Entering the political elite in Canada: The case of minority women
as parliamentary candidates and MPs. The Canadian Review of Sociology, 37(2),
143-166.
Black, J.H. & Erickson, L. (2000). Similarity, compensation, or difference? Women Po-
litics, 21(4), 1-38.
Bovens, M. & Wille, A. (2010). The education gap in participation and its political con-
sequences. Acta Politica, 45(4), 393-422.
Celis, K., Erzeel, S., Mügge, L., & Damstra, A. (2014). Quotas and Intersectionality:
Ethnicity and Gender in Candidate Selection. International Political Science Review
35(1), 41-54.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2016, 26 februari). Bevolking; genera-
tie, geslacht, leeftijd en herkomstgroepering. http://statline.cbs.nl/StatWeb/
publication/?DM=SLNL&PA=37325.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017, 10juli). Bevolking; hoogstbehaald on-
derwijsniveau en onderwijsrichting. http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/
?VW=T&DM=SLnl&PA=82816NED&LA=nl.
Cotta, M. & Best, H. (Eds.) (2007). Democratic representation in Europe: diversity, chan-
ge, and convergence (pp.1-26). Oxford: Oxford University Press.
Dancygier, R.M., Lindgren, K.O., Oskarsson, S., & Vernby, K. (2015). Why are immi-
grants underrepresented in politics? Evidence from Sweden. American Political
Science Review 109(04), 703-724.
Durose, C., Richardson, L., Combs, R., Eason, C., & Gains, F. (2012). ‘Acceptable Diffe-
rence’: Diversity, representation and pathways to UK politics. Parliamentary Affairs,
66(2), 1-22.
Ensel, R. (2003). Multiculturalisme in de politieke partij.Migrantenstudies 3, 156-172.
Fennema, M. & Tillie, J. (1999). Political Participation and Political Trust in Amsterdam:
Civic Communities and Ethnic Networks. Journal of Ethnic and Migration Studies
25, 703-726.
Fennema, M. (2003). Over De Kwaliteit Van Politieke Elites. Amsterdam: Amsterdam
University Press.
Keane, M.P. & Merlo, A. (2010). Money, Political Ambition, and the Career Decisions of
Politicians. American Economic Journal: Microeconomics, 2(3), 186-215.
434 435
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Lucardie, P. & Voerman, G. (2004). Portaal tot het Parlement. Kandidaatstelling binnen
Politieke Partijen in acht Westerse landen. Den Haag/Groningen: Documentatiecen-
trum Nederlandse Politieke Partijen.
Michon, L. & Vermeulen, F. (2013). Explaining Different Trajectories in Immigrant Poli-
tical Integration: Moroccans and Turks in Amsterdam. West European Politics 36(3):
597-614.
Mügge, L.M. (2016). Intersectionality, Recruitment and Selection: Ethnic Minority Can-
didates in Dutch Parties. Parliamentary Affairs, 69(3), 512-530.
Murray, R. (2016). The political representation of ethnic minority women in France.
Parliamentary Affairs, 69(3), 586-602.
Norris, P. & Lovenduski, J. (1995). Political recruitment: Gender, race and class in the
British Parliament. Cambridge: Cambridge University Press.
Parlement en Politiek (2016, 30mei). Voorkeurstemmen. http://www.parlement.com/
id/vh8lnhrouwzc/voorkeurstemmen.
Phelps, E.S. (1972). The Statistical theory of Racism and Sexism. American Economic
Review, 62(4), 659-661.
Phillips, A. (1995). The Politics of Presence: The Political Representation of Gender,
Ethnicity, and Race. Oxford: Oxford University Press.
Pitkin, H. (1967). The Concept of Representation. Berkeley: University of California
Press.
Rath, J. (1990). Political Participation of Ethnic Minorities in the Netherlands. Interna-
tional Migration Review, 17(3), 445-469.
Scarrow, S., Webb, P., & Farrell, D.M. (2000). From Social Integration to Electoral Conte-
station: The Changing Distribution of Power within Political Parties. In: Dalton, R.J.
& Wattenberg, M.P. (ed.), Parties without Partisans: Political Change in Advanced
Industrial Democracies. Oxford: Oxford University Press.
Sobolewska, M. (2013). Party Strategies and the Descriptive Representation of Ethnic
Minorities: the 2010 British General Election. West European Politics, 36(3), 615-633.
Tillie, J. (1998). Explaining migrant voting behaviour in the Netherlands. Combining
the electoral research and ethnic studies perspective. Revue europeenne des migrati-
ons internationales, 14(2), 71-95.
Turner-Zwinkels, T. (aanstaande). PolCa data: The Political Careers and Political Capital
of Dutch MP’S (Version as per 24th of June 2017).
Turner-Zwinkels, T. & Mills, M. (aanstaande). Pathways to Power: The Role of Political
Capital in the Obtainment of Cabinet Positions.
van der Zwan, R., Lubbers, M. & Eisinga, R. (aanstaande). The political representation
of ethnic minorities in the Netherlands: Ethnic minority candidates and the role of
party characteristics.
van Tubergen, F. (2006). Immigrant Integration: A Cross-National Study. New York: LFB
Scholarly Publishing.
436 437
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
Zschirnt, E. & Didier, R. (2016). Ethnic discrimination in hiring decisions: a meta-ana-
lysis of correspondence tests 1990-2015. Journal of ethnic and migration studies,
42(7), 1115-1134.
Bijlage 1: algemene beschrijvende statistiek
TABEL 8. Samenvatting continue variabelen.
FIGUUR 3. Details Kamerleden met een niet-Nederlandse achtergrond in de dataset.
436 437
DE ETNISCHE POLITIEKE ELITE VAN NEDERLAND
RES PUBLICA • 2017 – 4 2017 – 4 • RES PUBLICA
WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELEN
FIGUUR 4. Verdeling van de geselecteerde categorische variabelen.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
This article focuses on how often and in what ways ‘minority representatives’ address cultural and/or religious rights and freedoms by analysing parliamentary questions between 2002 and 2012. The research first analysed to what extent, if any, Member of Parliaments of minority origin highlight minority-related issues in their parliamentary questions. Thereafter, it analysed the content of those questions in more detail. Unlike much previous research, we did not take a favourable content for granted. The idea of ‘suppressive representation’ was introduced to describe those cases in which ‘minority representatives’ were restrictive towards cultural and/or religious freedoms of ‘immigrant minorities’. Representation patterns show differences across group- and individual-level identities.
Article
Understanding the rise to power is central to the study of politics. Yet, we still know little about the career paths of influential politicians like ministers. The literature assumes that dominant preparliamentary occupations (e.g., lawyer, local offices) predict promotion. We move beyond this potential ecological fallacy and suggest a perspective that emphasizes the role of gatekeepers and political human capital like national political experience and education. We leverage complete career data of all Dutch MPs (N = 1,263; 1945–2012) and study their (N = 4,966) opportunities to obtain a cabinet position. A sequence analysis with fuzzy clustering reveals eight career paths in both the professional and political domain. A logistic regression analysis that uses these career paths as predictors shows that prominent occupations and communicative experience do not constitute the pathway to ministerial power; a university education and preparliamentary national political experience do. Findings support the value of political human‐capital theory to understand political promotion.
Article
This article examines the extent to which political parties affect the descriptive representation of both Western and non-Western ethnic minority groups on the candidate lists of political parties in the Netherlands. It systematically tests the role of policy positions of Dutch parties, their ethnic minority support, and candidate selection methods. As list position is related to electoral success, we study the nomination of ethnic minority candidates as well as their position on the candidate list. Using ethnic background data of all candidates for the Dutch parliamentary elections in 2012, we find that minorities of Turkish and Moroccan origin are not underrepresented, and that descriptive representation is below parity for Western minorities. We observe neither effect from parties’ ethnic support on ethnic representation, nor do we find any relation between party selection procedure and ethnic minority representation. The position of parties on immigration issues, however, is shown to be important. The results indicate that parties with more restrictive positions on integration and migration not only nominate fewer ethnic minority candidates, they also place non-Western ethnic minority candidates in lower list positions than parties who are less restrictive towards migration and integration.
Book
In this compelling book Pippa Norris and Joni Lovenduski provide the first full account of legislative recruitment in Britain for twenty-five years. Their central concern is how and why some politicians succeed in moving into the highest offices of state, while others fail. The book examines the relative dearth of women, black and working-class Members of Parliament, and whether the evident social bias in the British political élite matters for political representation. Legislative recruitment concerns the critical step from lower levels (activists, local counsellors) to a parliamentary career. The authors draw evidence from the first systematic surveys of parliamentary candidates, Members of Parliament and party selectors, as well as detailed personal interviews. The study explores how and why people become politicians, and the consequences for parties, legislatures and representative government.
Article
We assess the impact of a variety of policies that may influence the career decisions of members of the US Congress. These policies alter incentives to run for re-election, run for higher office or leave Congress, by altering wages, non-pecuniary rewards and career prospects (both in and out of Congress). We find that the effect of most policies varies considerably across different types of politicians. For example, a reduction in the congressional wage would disproportionately induce exit from Congress by "skilled" politicians, Democrats, and politicians who were relatively young when first elected, but not by politicians who most value legislative accomplishments ("achievers").
Article
This article aims to contribute to explanations why ethnic minority women outnumber ethnic minority men in national parliaments of European immigration countries. Extending the intersectional lens it asks: which ethnic minority candidates are recruited and selected? Drawing on nine elections (1986–2012) in the Netherlands, I find that the success of ethnic minority women candidates is not related to a structural advantage: it changes over time and across and within groups. How gender and ethnicity intersect is informed by generation, (parental) birth country, a group's political starting position and how political parties in power incorporate gender or ethnic diversity.
Article
This article nuances the argument that ethnic minority women experience cumulative disadvantage within politics. Drawing on the French case study, I demonstrate a complex relationship between gender and ethnicity. The gender parity movement saw ethnicity as competing with gender and rejected claims for ethnic minority representation, but still drew attention to the homogeneity of French politics. Descriptive representation of minority women is now slowly progressing, as they simultaneously promote gender and ethnic diversity within politics. However, their inclusion is conditional on their willingness to act as symbols of secularity and assimilation. This particularly constrains the substantive representation of Muslim women.
Article
Widespread and persistent political underrepresentation of immigrant-origin minorities poses deep challenges to democratic practice and norms. What accounts for this underrepresentation? Two types of competing explanations are prevalent in the literature: accounts that base minority underrepresentation on individual-level resources and accounts that emphasize political opportunity structures. However, due to the lack of data suitable for testing these explanations, existing research has not been able to adjudicate between these theories. Using registry-based microdata covering the entire Swedish adult population between 1991 and 2010 our study is the first to empirically evaluate these alternative explanations. We examine election outcomes to municipal councils over the course of six elections and find that variation in individual-level resources cannot explain immigrants’ underrepresentation. Further, when comparing immigrants and natives who face comparable political opportunity structures a large representation gap remains. Instead, we argue that discrimination by party gatekeepers plays a more significant role in perpetuating the underrepresentation of immigrants than do individual resources or structural variables.