Technical ReportPDF Available

Studie ondernemerschapstrajecten SYNTRA-netwerk: Economisch effect van SYNTRA-opleidingen

Abstract and Figures

Deze studie beschrijft het economisch effect van ondernemerschapsopleidingen van SYNTRA. Voor een individu bestaat het effect van een opleiding uit arbeidsmarkteffecten die een cursist geniet na het volgen van een SYNTRAopleiding. We kunnen een SYNTRA-opleiding zo beschouwen als een extra scholing, die resulteert in de opbouw van menselijk kapitaal. Het extra menselijk kapitaal vertaalt zich op de arbeidsmarkt in hoger loon of hogere kans voor ondernemerschap. Door te analyseren wat het effect is van het volgen van een SYNTRA-opleiding voor een individu, kunnen we zo het economisch effect van een SYNTRA-opleiding onderzoeken. We beantwoorden volgende onderzoeksvragen: (1) leidt het succesvol afronden van een ondernemerschapsopleiding tot een groter kans om zelfstandig te worden?, (2) leidt het succesvol afronden van een ondernemerschapsopleiding tot een hoger inkomen voor de cursist?, en (3) hoe verhoudt zich het rendement van een ondernemerschapsopleiding aangeboden door SYNTRA Vlaanderen ten opzichte van het rendement van andere opleidingen aangeboden door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) en door de Centra voor Volwassenonderwijs (CVOs)?. Daarnaast biedt dit deelrapport een overzicht van de beschikbare literatuur rond de effecten van ondernemerschapsonderwijs.
Content may be subject to copyright.
Studie-opdracht voor
Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming
SYNTRA Vlaanderen
KU Leuven vertegenwoordigd door KU Leuven
Research & Development en optredend op
verzoek van Leuven Economics of Education
Research (LEER) en HIVA - Onderzoeksinstituut voor
Arbeid en Samenleving
De Witte, K., Mazrekaj, D., Schiltz, F.
De Leebeeck, K. en Struyven, L.
Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming
SYNTRA Vlaanderen, Vlaamse overheid
Studie ondernemerschapstrajecten SYNTRA-netwerk
Deelrapport: Economisch effect van Syntra-opleidingen
1
Het Rendement van Ondernemerschapsonderwijs op de
Vlaamse Arbeidsmarkt
1
DENI MAZREKAJ, KRISTOF DE WITTE, EN FRITZ SCHILTZ
LEUVEN ECONOMICS OF EDUCATION RESEARCH (LEER), KU LEUVEN
Versie 22/02/2019
Samenvatting
Deze studie beschrijft het economisch effect van ondernemerschapsopleidingen
van SYNTRA. Voor een individu bestaat het effect van een opleiding uit
arbeidsmarkteffecten die een cursist geniet na het volgen van een SYNTRA-
opleiding. We kunnen een SYNTRA-opleiding zo beschouwen als een extra
scholing, die resulteert in de opbouw van menselijk kapitaal. Het extra menselijk
kapitaal vertaalt zich op de arbeidsmarkt in hoger loon of hogere kans voor
ondernemerschap. Door te analyseren wat het effect is van het volgen van een
SYNTRA-opleiding voor een individu, kunnen we zo het economisch effect van
een SYNTRA-opleiding onderzoeken. We beantwoorden volgende
onderzoeksvragen: (1) leidt het succesvol afronden van een
ondernemerschapsopleiding tot een groter kans om zelfstandig te worden?, (2) leidt
het succesvol afronden van een ondernemerschapsopleiding tot een hoger inkomen
voor de cursist?, en (3) hoe verhoudt zich het rendement van een
ondernemerschapsopleiding aangeboden door SYNTRA Vlaanderen ten opzichte
van het rendement van andere opleidingen aangeboden door de Vlaamse Dienst
voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) en door de Centra voor
1
We danken de leden van de Stuurgroep van Syntra voor waardevolle suggesties en feedback op eerdere versie van de
tekst. We danken ook Chris Brijs voor het aanleveren van de gegevens. Corresponderend auteur: deni.mazrekaj@kuleuven.be
2
Volwassenonderwijs (CVOs)?. Daarnaast biedt dit deelrapport een overzicht van
de beschikbare literatuur rond de effecten van ondernemerschapsonderwijs.
Onderwijs om Ondernemen te Faciliteren
Ondernemerschap is een belangrijke drijfveer van de economische groei van een
land (Sternberg & Wennekers 2005). De innovatieve activiteiten van ondernemers
zijn niet alleen nuttig voor de ondernemers zelf, maar ze leiden tot belangrijke
kennis- en technologische bestuivingen voor de hele economie. Het is daarom niet
verrassend dat het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (2006),
“het gevoel van initiatief en ondernemerschap” als één van de acht
sleutelcompetenties hebben geïdentificeerd. Deze sleutelcompetenties worden door
de Vlaamse Regering opgenomen in de eindtermen zodat alle leerlingen in het
middelbaar onderwijs vanaf schooljaar 2019-2020 in aanraking zullen komen met
competenties die verwant zijn met initiatief en ondernemerschap.
Hoewel ondernemerschap cruciaal is voor de ontwikkeling van een land zijn niet
alle ondernemingen even succesvol. In 2016 bleven één op drie van de
ondernemingen in de Europese Unie minder dan drie jaar bestaan (Eurostat, 2019).
Slechts één op twee ondernemingen zijn nog actief vijf jaar na de oprichting.
Belgische ondernemers zijn in het algemeen meer succesvol dan ondernemers in
andere landen in termen van de levensduur van de onderneming. Alleen de
ondernemingen in Nederland, Zweden en Malta hebben een hogere
overlevingskans.
Om ondernemerschapscompetenties te bevorderen, stellen de meeste OESO
landen ondernemerschapsonderwijs ter beschikking. De OESO (2009) definieert
dit type onderwijs als “deel van het onderwijs dat zich bezighoudt met de inplanting
van een waaier aan competenties en eigenschappen, inclusief het vermogen om
3
creatief na te denken, om te samenwerken, om risico’s te managen en om met
onzekerheid om te gaan”. In Vlaanderen worden ondernemerschapsopleidingen
aangeboden door het netwerk van SYNTRA Vlaanderen. Dit netwerk bestaat uit
vijf opleidingscentra: Antwerpen en Vlaams-Brabant, Brussel, Limburg, Midden-
Vlaanderen, en West. De ondernemerschapsopleidingen zijn bedoeld voor jongeren
ouder dan 18 jaar en kennen twee aanbiedingsvormen, namelijk voltijdse
dagopleidingen en avondopleidingen.
2
De meeste dagopleidingen duren één jaar.
De avondopleidingen duren meestal van één tot drie jaar. Alle SYNTRA-
opleidingen zijn door de Vlaamse overheid erkend en geven aanleiding tot een
erkend certificaat.
In deze studie berekenen we het rendement van een ondernemerschapsopleiding
in Vlaanderen. Voor zover we weten, is dit de eerste keer dat dit gebeurt. Meer
specifiek, beantwoorden we in de volgende onderdelen drie onderzoeksvragen: (1)
leidt het succesvol afronden van een ondernemerschapsopleiding tot een groter
kans om zelfstandig te worden?, (2) leidt het succesvol afronden van een
ondernemerschapsopleiding tot een hoger inkomen voor de cursist?, en (3) hoe
verhoudt zich het rendement van een ondernemerschapsopleiding aangeboden door
SYNTRA Vlaanderen ten opzichte van het rendement van andere opleidingen
aangeboden door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en
Beroepsopleiding (VDAB) en door de Centra voor Volwassenonderwijs (CVOs)?.
2
Let wel, SYNTRA biedt ook opleidingen aan binnen de leertijd. Deze vallen buiten het bestek van deze studie.
4
Gemengde Conclusies in de Internationale Literatuur
De meeste wetenschappelijke studies die ondernemerschapsopleidingen
bestuderen, koppelen het volgen van een ondernemerschapsopleiding aan de
ontwikkeling van ondernemerschapscompetenties. De resultaten zijn in het
algemeen positief. In een meta-analyse van 34 studies vonden Martin, McNally, en
Kay (2013) een positief verband tussen het volgen van een
ondernemerschapsopleiding en ondernemerschapscompetenties zoals onder andere
ondernemerschapskennis (zoals bijvoorbeeld het schrijven van een business plan),
identificatie van ondernemerschapsopportuniteiten, en het omgaan met ambiguïteit
in het nemen van beslissingen. Ondanks het belang hiervan is de relatie tussen
ondernemerschapsonderwijs en ondernemerschapscompetenties niet de focus van
deze studie. Wij focussen op de kans om zelfstandig ondernemer te worden en het
inkomen van een cursist.
De wetenschappelijke literatuur is minder eenduidig over het verband tussen het
volgen van een ondernemerschapsopleiding en de kans om zelfstandig ondernemer
te worden. Sommige studies observeerden een positieve relatie (Bae et al., 2014;
Rauch & Hulsnik, 2015), andere studies vonden geen correlatie (Rosendahl Huber,
Sloof, & Van Praag, 2014; von Graevenitz, Harhoff, & Weber, 2010). In
tegenstelling tot de voorgaande studies observeerden Oosterbeek, Sloof, en Van
Praag (2010) een causaal negatief verband tussen het volgen van
ondernemerschapsopleidingen en de kans dat cursisten een onderneming opstarten.
Als verklaring gaven de auteurs aan dat het mogelijk is dat cursisten tijdens de
ondernemerschapsopleiding een beter beeld krijgen van wat het ondernemen
werkelijk inhoudt, waardoor sommige cursisten beslissen om niet zelfstandig te
worden.
Ten slotte vinden we ook gemengde conclusies in de wetenschappelijke literatuur
over het verband tussen het volgen van een ondernemerschapsopleiding en het
5
inkomen. De wetenschappelijke literatuur telt slechts drie studies die deze
onderzoeksvraag hebben beantwoord. In de Verenigde Staten observeerden
Charney en Libecap (2000) dat ondernemerschapsopleidingen het jaarlijks
inkomen van cursisten met 27% verhoogden. Een lager, maar niettemin positief,
effect werd ook geschat door Elert, Andersson, en Wennberg (2015) in Zweden.
Zij vonden dat door het volgen van een ondernemerschapsopleiding het jaarlijks
inkomen van cursisten met 10% toenam. In Tunesië daarentegen vonden Premand
et al. (2016) geen effect van het volgen van een ondernemerschapsopleiding op het
maandelijks inkomen één jaar na de opleiding. Gegeven deze tegenstrijdige
conclusies, en gegeven de specifieke Vlaamse context, is het interessant om te
bekijken hoe het rendement van ondernemerschapsopleidingen in Vlaanderen zich
verhoudt tegenover het rendement in de bovenstaande landen. In de volgende sectie
beschrijven we de gegevens en de methode die we gaan gebruiken om het
rendement van ondernemerschapsopleidingen te schatten.
Gegevens
Om het economisch effect van ondernemerschapsopleidingen op een individu te
analyseren, doen we een beroep op gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid (KSZ). Meer bepaald gebruiken we de gekoppelde administratieve
gegevens over de school- en arbeidsmarktloopbaan van jongeren van 2005 tot 2015.
Dit laat ons toe om precies te bepalen of en wanneer een persoon een
(ondernemerschaps)opleiding succesvol heeft beëindigd. Bovendien observeren we
door welke instelling de opleiding werd aangeboden. We maken een onderscheid
tussen opleidingen aangeboden door SYNTRA Vlaanderen, Centrum voor
Volwassen Onderwijs (CVO), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en
Beroepsopleiding (VDAB), en leerlingen in het leerplichtonderwijs in het technisch
secundair onderwijs (TSO) en het beroepssecundair onderwijs (BSO).
6
De gegevens werden als volgt geselecteerd uit de Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid op basis van de verworven kwalificatie van personen (beschikbaar via
de AHOVOKS LED databank) in de periode 2005-2015. We observeren bijgevolg
enkel personen die een kwalificatie (diploma, certificaat, wettelijk certificaat,
studiegetuigschrift en kwalificatiegetuigschrift) verworven hebben in deze
periode, en geen cursisten die voortijdig de studie hebben gestopt of nog bezig zijn
met het verwerven van de kwalificatie. Een representatieve steekproef werd
getrokken van 90% van het totale aantal cursisten uit SYNTRA Vlaanderen die een
kwalificatie hebben verworven in de periode 2005-2015. Daarnaast werden ook
willekeurig 80% van de personen met een VDAB kwalificatie, en 60% van de
personen met een kwalificatie van een CVO opleiding bij de SYNTRA cursisten
toegevoegd. Ten slotte werden er ook gegevens verzameld van 60% van de
studenten in TSO opleidingen en 60% van de studenten in BSO opleiding. Deze
leerlingen zullen in de analyse worden meegenomen als controlegroep, aangezien
ze geen bijkomend kwalificatie van een CVO, VDAB of SYNTRA hebben
verworven. De percentages voor de steekproeftrekking werden exogeen bepaald
door de KSZ omwille van de hoge confidentialiteit van de gegevens. Voor alle
geselecteerde personen in de steekproef observeren we ook de vooropleiding,
indien deze kwalificatie na 2005 werd behaald.
Om het economisch effect te analyseren van het volgen van een
ondernemerschapsopleidingen construeren we in de gegevens de onafhankelijke
variabele “ondernemerschapsopleiding” als een categorische variabele bestaande
uit 2 categorieën: geen ondernemerschapsopleiding en een
ondernemerschapsopleiding van SYNTRA Vlaanderen. We focussen hierbij
enkel op de ondernemerschapsopleidingen van SYNTRA, en laten de opleidingen
in de leertijd buiten beschouwing. Om de derde onderzoeksvraag te beantwoorden,
namelijk hoe verhoudt zich het rendement van een ondernemerschapsopleiding
aangeboden door SYNTRA Vlaanderen ten opzichte van het rendement van andere
7
opleidingen aangeboden door de VDAB en door CVO’s, voegen we later nog twee
bijkomende categorieën toe aan de variabele. Meer bepaald voegen we toe of een
cursist een opleiding succesvol afrondde bij een CVO of bij de VDAB. Als
referentiecategorie beschouwen we de categorie “geen
ondernemerschapsopleiding”. Dit zijn leerlingen die al dan niet een opleiding in het
secundair of hoger onderwijs succesvol hebben afgerond, maar geen bijkomende
kwalificatie hebben verworven van SYNTRA, CVO of VDAB.
Onze voornaamste uitkomstvariabele zijn de brutojaarinkomsten van een cursist,
uitgedrukt in logaritme. Deze inkomsten bevatten zowel inkomsten van werk in
loondienst (uit gegevens RSZ) als inkomsten van zelfstandig werk (uit gegevens
van Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen), uitkeringen
(uit gegevens van RIZIV) en additionele inkomsten (uit gegevens RSZ PPO).
Aangezien deze variabele categorisch wordt weergegeven in 16 schalen van 10 000
EUR
3
gebruiken we het midden van deze schaal. Deze benadering is consistent met
de internationale literatuur (Trostel, Walker, & Woolley, 2002). Zo krijgt de
categorie 10 tot 20 de waarde 15.
Als een tweede uitkomstvariabele beschouwen we de kans om zelfstandig te
worden. Dit is een dummy variabele met de waarde van 1 als de persoon zelfstandig
is en de waarde van 0 als de persoon niet zelfstandig is maar wel een job heeft en
dus niet werkloos of inactief is. We construeren deze variabele door te kijken of
een persoon inkomsten heeft verworven uit zelfstandig werk (uit gegevens
Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen). Indien een persoon
inkomsten heeft uit zelfstandig werk krijgt deze persoon de waarde van 1
toegewezen op deze uitkomstvariabele. We meten beide uitkomsten één jaar na het
beëindigen van de laatste opleiding in de hoofdanalyses. In bijkomende analyses,
3
De eerste schaal is “lager dan 10 000 EUR”, tweede schaal is “10 000 EUR tot 19 999 EUR”, ... , laatste schaal is “hoger
dan 150 000 EUR”.
8
schatten we ook de effecten twee en drie jaar na de laatste opleiding. Door gebrek
aan gegevens, zijn deze bijkomende analyses echter alleen mogelijk voor
SYNTRA-opleidingen en niet voor CVO en VDAB opleidingen.
Als additionele uitkomstvariabelen beschouwen we de kans om voltijds
zelfstandig te worden, de kans om te werken in loondienst, en de kans om van sector
te veranderen. De kans om voltijds zelfstandig te worden is een dummy variabele
met de waarde van 1 als een persoon alleen inkomsten heeft verworven uit
zelfstandig werk en geen andere inkomsten. De kans om te werken in loondiest is
een dummy variabele met de waarde van 1 als een persoon alleen inkomsten heeft
verworven uit werk in loondienst, en geen andere inkomsten. Ten slotte, de kans
om van sector te veranderen is een dummy variabele met de waarde van 1 als een
persoon in een bepaalde sector heeft gewerkt in jaar T en in een andere sector heeft
gewerkt in jaar T+1.
Daarnaast kunnen we een aantal controlevariabelen construeren. Het opnemen
van deze variabelen laten toe om de geschatte effecten te corrigeren voor de
geobserveerde heterogeniteit. We construeren controlevariabelen voor
geboortejaar, geslacht, migratieachtergrond, gemeente, arbeidsintensiteit van het
huishouden en vooropleiding. Ten eerste construeren we een variabele voor
geslacht. Het is een dummy variabele met de waarde van 1 voor man en 0 voor
vrouw. We controleren hiervoor aangezien mannen en vrouwen potentieel andere
arbeidsmarktuitkomsten hebben (Mazrekaj, De Witte, & Vansteenkiste, 2018) en
ook een verschillende voorkeur voor het volgen van ondernemerschapsopleidingen
kunnen hebben.
Als benadering voor de socio-economische status van personen controleren we
voor drie variabelen: migratieachtergrond, gemeente, en arbeidsintensiteit van het
huishouden. Migratieachtergrond wordt berekend op basis van de eerste
geregistreerde nationaliteit van zowel de persoon zelf, als van de ouders en de
grootouders. Als één van deze nationaliteiten niet Belgisch is, wordt de persoon
9
beschouwd als van niet Belgische achtergrond. Verder controleren we voor de
gemeente waarin de persoon woont. Personen die in minder welvarende gemeenten
wonen hebben typisch lagere arbeidsmarktuitkomsten en zijn potentieel minder (of
juist meer) geneigd om een ondernemerschapsopleiding te volgen. De
arbeidsintensiteit van het huishouden is een index van 0 tot 100 en geeft het
werkelijk gepresteerde jaarlijkse arbeidsvolume in voltijds equivalenten ten
opzichte van het potentiële jaarlijkse arbeidsvolume in voltijds equivalenten op
huishoudniveau. Een hogere waarde voor deze index betekent dat er in het
huishouden meer arbeid wordt verricht. We controleren hiervoor aangezien
bijvoorbeeld een lage arbeidsintensiteit door werkloosheid in het huishouden een
negatieve invloed kan uitoefenen op de arbeidsmarktuitkomsten en personen
potentieel minder geneigd zullen zijn om een opleiding te volgen (Brandolini &
Viviano, 2016). Zowel gemeente als arbeidsintensiteit worden gemeten in het jaar
waarin een persoon ondernemerschapsonderwijs heeft gevolgd (en niet in latere
jaren) om vertekening door omgekeerde causaliteit te vermijden.
Als een laatste controlevariabele corrigeren we ook voor vooropleiding. Dit is
een categorische variabele die aangeeft of een persoon voor het behalen van het
SYNTRA, CVO of VDAB kwalificatie een opleiding in het ASO, TSO, BSO, KSO,
hoger onderwijs of geen enkele opleiding heeft afgerond. Studenten met
verschillende vooropleidingen hebben vaak andere arbeidsmarktuitkomsten
(Mazrekaj, De Witte, & Vansteenkiste, 2018) en hebben potentieel een
verschillende geneigdheid om een (ondernemerschaps)opleiding succesvol te
beëindigen (De Witte & Mazrekaj, 2016).
Voor de analyses bakenen we twee deelgroepen af: (1) personen tussen 18 en 25
jaar (wordt via de regressie-methode geanalyseerd; zie verder) en (2) oudere
personen (wordt via de individual fixed effects-methode geanalyseerd; zie
verder). De eerste deelgroep bestaat uit personen tussen 18 en 25 jaar. Dit is omdat
10
we de vooropleidingen observeren van 2005 tot 2015. Als iemand bijvoorbeeld in
2006 op 36 jarige leeftijd een ondernemerschapsopleiding bij SYNTRA heeft
gevolgd, zullen we de vooropleiding van deze persoon niet observeren omdat deze
(naar alle waarschijnlijkheid) voor 2005 werd behaald. De vooropleiding is echter
een belangrijke variabele aangezien dit ons toelaat om groepen van personen te
vergelijken die dezelfde vooropleiding hebben gevolgd (bijvoorbeeld beide
groepen hebben ASO gevolgd) en bijgevolg beschikken over gelijkaardige
cognitieve vaardigheden. Als we individuen met dezelfde vooropleiding maar met
een verschillend bijkomende kwalificatie vergelijken, kunnen we nagaan wat de
invloed is van deze bijkomende kwalificatie.
De beschrijvende statistieken worden weergegeven in Tabel 1. We observeren in
totaal 180 530 personen. Hiervan hebben 162 853 personen geen
ondernemerschapsopleiding (door SYNTRA), CVO of VDAB opleiding gevolgd.
Daarnaast bevatten onze gegevens de kenmerken van 14 587 personen die een
ondernemerschapsopleiding gevolgd hebben bij SYNTRA. We beschikken ook
over gegevens voor 1723 personen met een CVO opleiding en 1367 met een VDAB
opleiding.
4
Personen die een SYNTRA opleiding hebben gevolgd, zijn vooral van Belgische
afkomst. Zo heeft 16% van de SYNTRA cursisten een migratie-afkomst, terwijl dit
oploopt tot 28% voor VDAB en 48% voor de CVO cursisten in onze steekproef. In
de referentiegroep heeft 1 op 5 personen een migratie-achtergrond. In de steekproef
zijn 46% van de SYNTRA cursisten die een diploma behaalden man. Bij de CVO
cursisten in de steekproef is dit 40% en bij VDAB 95%. De cursisten van SYNTRA
in de steekproef hebben een hoge arbeidsintensiteit. In vergelijking met cursisten
van VDAB en CVO observeren we dat meer personen een ASO opleiding hebben
4
Bemerk dat het lagere aantal personen met een VDAB of CVO kwalificatie te maken heeft met de wijze waarop de
steekproef is getrokken en de afbakening van de gegevens (bijvoorbeeld op basis van leeftijd - zie hoger).
11
gevolgd (8%) voordat ze een SYNTRA-opleiding behaald hebben. Anderzijds
behaalden 17% van de CVO cursisten eerder een diploma hoger onderwijs, terwijl
dit slechts het geval is bij 9% van de SYNTRA cursisten en minder dan 1% van de
VDAB cursisten. Ten slotte lijkt het op het eerste zicht dat personen die een
SYNTRA-opleiding hebben gevolgd hogere brutojaarinkomsten hebben en meer
zelfstandig zijn dan personen die geen ondernemerschapsopleiding volgden. Deze
statistieken zijn echter slechts beschrijvend en kunnen vertekend zijn door
verschillende observeerbare en niet-observeerbare factoren. In de volgende sectie
ontwikkelen we een formele econometrische strategie om het rendement van een
ondernemerschapsopleiding te analyseren.
TABEL 1 BESCHRIJVENDE STATISTIEKEN (18 TOT 25 JARIGEN)
Geen OO
SYNTRA
CVO
VDAB
0.555
0.464
0.404
0.953
0.222
0.166
0.484
0.284
66.023
72.282
59.362
54.197
20.785
22.680
23.789
22.432
0.007
0.088
0.058
0.048
0.388
0.339
0.138
0.151
0.358
0.300
0.094
0.311
0.002
0.029
0.007
0.004
0.169
0.095
0.170
0.001
0.075
0.149
0.533
0.477
12.698
15.851
12.641
16.430
0.027
0.123
0.021
0.007
162 853
14 587
1 723
1 367
Noot: a Deze uitkomsten zijn gemeten één jaar na het beëindigen van de laatste opleiding.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Een tweede analysetechniek laat toe dat we focussen op oudere personen. De
beschrijvende statistieken voor cursisten die met de individual fixed effects
strategie worden bestudeerd (zie verder), zijn weergegeven in Tabel A1 in de
Appendix. Voor deze deelgroep beschouwen we omwille van beperkingen in de
12
gegevens enkel personen met SYNTRA-opleiding. Zoals verwacht, zien we dat
deze cursisten ouder zijn dan de cursisten die door een regressieanalyse werden
bestudeerd, met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar.
Onderzoeksmethode
We gebruiken twee econometrische strategieën om het rendement van
ondernemerschapsopleidingen te bepalen. Ten eerste gebruiken we de traditionele
regressieanalyse op basis van de kleinstekwadratenmethode (OLS, “Ordinary Least
Squares”). Hierbij relateren we de kans om zelfstandig te worden en het logaritme
van de brutojaarinkomsten op de onafhankelijke variabele
“ondernemerschapsopleiding” en de controlevariabelen zoals gespecifieerd in de
vorige sectie. Deze analysemethode kunnen we toepassen op de eerste deelgroep,
namelijk personen van 18 tot 25 jaar.
Deze strategie heeft echter twee belangrijke minpunten (zie De Rick, Mazrekaj,
& De Witte, 2016). Ten eerste kan een regressieanalyse alleen corrigeren voor
observeerbare factoren waarvoor we een variabele kunnen construeren,
bijvoorbeeld geslacht. Niet-observeerbare factoren kunnen niet in de
regressieanalyse worden opgenomen. Het is immers zo dat personen die een
ondernemerschapsopleiding hebben gevolgd meer (of minder) gemotiveerd zijn
dan personen die een ondernemerschapsopleiding niet hebben gevolgd. Dit zou
leiden tot een vertekening van de coëfficiënten naar boven (respectievelijk naar
onder). Ten tweede kunnen we door databeperkingen enkel focussen op de eerste
deelgroep, namelijk personen tussen 18 en 25 jaar oud. Immers, voor oudere
personen observeren we de vooropleiding niet, waardoor de analyses sterk
vertekend zouden zijn.
13
Om voor beide minpunten te corrigeren gebruiken we als tweede methode de
Individual Fixed Effects (IFE) strategie. Deze methode kan geschat worden op
de tweede deelgroep, namelijk de oudere personen. Bovendien vergelijkt deze
methode de uitkomsten van een bepaalde persoon voor en na het volgen van een
ondernemerschapsopleiding in drie stappen. Stel bijvoorbeeld dat een persoon een
ondernemerschapsopleiding heeft gevolgd in 2009. In een eerste stap berekenen we
het gemiddelde van de uitkomst en van de onafhankelijke variabele voor deze
persoon over de jaren heen. In stap twee, verminderen we de uitkomst en de
onafhankelijke variabele in elk jaar met deze gemiddelden. In de laatste stap,
vergelijken we het gemiddelde van de waarden uit de vorige stap, voor en na 2009
voor deze persoon.
Het voordeel van deze strategie is dat het rekening houdt met verschillen tussen
personen in niet-observeerbare factoren zolang deze factoren niet veranderen
doorheen de tijd voor dezelfde persoon. Een nadeel is echter dat er gegevens nodig
zijn overheen de tijd voor iedere uitkomst. Dit betekent dat een persoon zowel voor
als na de opleiding werk moet hebben zodat we lonen kunnen observeren. Hoewel
dit een belangrijk nadeel is van deze strategie, laat het ons dus ook toe om het effect
van ondernemerschapsopleidingen te bekijken voor oudere personen. Bijgevolg is
deze strategie complementair aan de vorige strategie die zich vooral focust op
jongere personen tussen 18 en 25 jaar. We observeren iedere persoon drie jaar voor
en drie jaar na een ondernemerschapsopleiding. Door gebrek aan gegevens voor
CVOs en de VDAB, kunnen we deze analyse alleen uitvoeren voor de SYNTRA
opleidingen.
Het Rendement van Ondernemerschapsonderwijs
In deze sectie bespreken we de resultaten van de regressieanalyse en van de
individual fixed effects. In een eerste stap schatten we het effect van
14
ondernemerschapsopleidingen op de kans om zelfstandig ondernemer te worden.
Vervolgens schatten we het effect van ondernemerschapsopleidingen op de
brutojaarinkomsten. Waar mogelijk maken we het onderscheid tussen SYNTRA
opleidingen, CVO opleidingen en de VDAB opleidingen.
Ondernemerschapsonderwijs en Kans om Zelfstandig te Worden
Tabel 2 vergelijkt via een regressieanalyse de kans om zelfstandig te worden
tussen personen van 18 tot 25 jaar die een ondernemerschapsopleiding hebben
gevolgd en personen die dit niet hebben gedaan. We corrigeren hierbij niet (in
kolom 1) en wel (kolom 2) voor de eerder beschreven controlevariabelen. We
observeren dat de kans om zelfstandig te worden significant toeneemt met ongeveer
9% als een persoon een SYNTRA-opleiding succesvol heeft beëindigd. Dit is een
aanzienlijke toename gegeven dat de gemiddelde kans om zelfstandig te worden
voor 18 tot 25 jarigen die geen ondernemerschapsopleiding hebben gevolgd slechts
2,7% bedraagt. Om dit percentage in context te plaatsen vergelijken we dit ook met
de kans op zelfstandig worden voor cursisten die een CVO of VDAB diploma
behaalden. De kans om zelfstandig ondernemer te worden stijgt niet als een persoon
een CVO-opleiding heeft gevolgd, terwijl personen die VDAB-opleidingen hebben
gevolgd ongeveer 2% minder geneigd zijn om zelfstandig te worden. De resultaten
voor deze twee laatste groepen zijn niet onverwacht en intuïtief gezien het profiel
van deze opleidingen. Kolom (3) en (4) maakt de analyse apart voor mannen en
vrouwen, terwijl kolom (5) en (6) de analyse herhaalt voor personen met en zonder
een migratieachtergrond. We observeren eenzelfde patroon voor de subgroepen als
voor de hoofdanalyse. Namelijk, de kans om zelfstandig te worden neemt toe als
een persoon een SYNTRA opleiding succesvol heeft beëindigd, het blijft
onveranderd na een CVO opleiding, en het neemt af na een VDAB opleiding.
15
Bovendien tonen de resultaten aan dat mannen (11%) meer dan vrouwen (7%)
geneigd zijn om zelfstandig te worden na een SYNTRA opleiding.
TABEL 2 ONDERNEMERSCHAPSONDERWIJS EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN EEN
JAAR NA DE OPLEIDING VOOR 18 TOT 25 JARIGEN REGRESSIEANALYSE
Zonder
controle
variabelen
Met
controle
variabelen
Man
Vrouw
Niet Belg
Belg
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
Ondernemerschapsopleiding
Geen OO
(referentiecategorie)
(referentiecategorie)
(referentiecategorie)
SYNTRA
0.096***
0.092***
0.117***
0.070***
0.094***
0.092***
(0.003)
(0.003)
(0.004)
(0.004)
(0.007)
(0.003)
CVO
-0.006
-0.002
-0.000
-0.004
-0.002
-0.003
(0.004)
(0.004)
(0.006)
(0.005)
(0.005)
(0.005)
VDAB
-0.020***
-0.019***
-0.016***
-0.026***
-0.023***
-0.017***
(0.002)
(0.003)
(0.003)
(0.003)
(0.004)
(0.003)
Controle variabelena
Neen
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Aantal personen
160,287
160,287
87,581
72,658
33,216
127,029
Noot: Robuuste standaardfouten geclusterd op het gemeenteniveau zijn weergegeven tussen haakjes.
a Controlevariabelen zijn geboortejaar, geslacht, etniciteit, gemeente, arbeidsintensiteit van het huishouden en
vooropleiding.
*** Significant op het 1% niveau.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
In een volgende stap maken we de analyse in een intertemporeel perspectief om
zo na te gaan of er overheen de tijd variatie optreedt in de kans op werk. In
Figuur 1a zien we dat de correlatie tussen het succesvol beëindigen van een
SYNTRA-opleiding en de kans om zelfstandig te worden voor 18 tot 25 jarigen
varieert doorheen de jaren
5
. Met name in het derde jaar na de opleiding is er een
lichte daling op de kans op zelfstandig werk. In jaar twee blijft de coëfficiënt
5
In Figuur 1a en Figuur 1b houden we rekening met controlevariabelen en hebben we geselecteerd op cursisten tussen
18 en 25 jaar. Dit is belangrijk aangezien het verschil in de kans om zelfstandig te worden tussen personen die een SYNTRA-
opleiding hebben gevolgd en andere personen vertekend kan zijn door achtergrondvariabelen zoals bijvoorbeeld
vooropleiding en migratieachtergrond. Om vertekening en censoring te vermijden is het bovendien nodig om ieder persoon
even lang in de gegevens te observeren. Daardoor hebben we geselecteerd op 18 tot 25 jarigen. Niettemin hebben we ter
informatie in Figuur A1a en Figuur A1b in de Appendix de resultaten ook weergegeven zonder controlevariabelen en zonder
selectie op leeftijd.
16
nagenoeg onveranderd. De betrouwbaarheidsintervallen rond de puntschattingen
geven echter aan dat de daling nauwelijks significant is. Zoals eerder vermeld
hebben we niet voldoende gegevens om de evolutie te bekijken voor de CVO- en
de VDAB-opleidingen.
In Figuur 1b plaatsen we de marginale effecten in perspectief en berekenen we
op basis van de marginale effecten het cumulatieve verschil tussen personen met
een SYNTRA-opleiding en zonder SYNTRA-opleiding. We observeren dat,
hoewel de kans om zelfstandig te worden steeds hoger is indien een persoon een
SYNTRA-opleiding succesvol heeft beëindigd, dit verschil afneemt drie jaar na de
opleiding. Dit is in lijn met de algemene vaststelling dat veel ondernemingen al
binnen de drie jaar ontbonden worden (zie inleiding; Eurostat, 2019).
FIGUUR 1A SYNTRA-OPLEIDINGEN EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN PER
JAAR VOOR 18 TOT 25 JARIGEN (MARGINALE EFFECTEN)
Noot: Aantal observaties is 160 287 in jaar 1, 128 068 in jaar 2 en 103 548 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
0
0,02
0,04
0,06
0,08
0,1
0,12
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Marginaal Effect
17
FIGUUR 1B SYNTRA-OPLEIDINGEN EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN PER
JAAR VOOR 18 TOT 25 JARIGEN (CUMULATIEVE EFFECTEN)
Noot: Aantal observaties is 160 287 in jaar 1, 128 068 in jaar 2 en 103 548 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
De bovenstaande resultaten kunnen vertekend zijn door niet-observeerbare
factoren zoals bijvoorbeeld motivatie. Daarom schatten we in Tabel 3 een
individual fixed effects model voor oudere cursisten. We observeren nog steeds
een significant positief effect van ongeveer 13% dat zelfs groter is dan de correlatie
in het regressiemodel van 9%. Hieruit blijkt dat de niet-observeerbare factoren
zoals motivatie tot weinig vertekening hebben geleid in de geschatte effecten voor
kans o zelfdstandig te worden. Personen die een SYNTRA opleiding succesvol
hebben beëindigd, hebben 13% meer kans oom zelfstandig te worden, dan personen
zonder een SYNTRA diploma. Ook de aparte analyses voor mannen en vrouwen,
en per migratiestatus, leiden tot vergelijkbaar geschatte coëfficiënten.
0
2
4
6
8
10
12
14
16
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Zelfstandig (%)
SYNTRA-opleiding Geen SYNTRA-opleiding
18
TABEL 3 ONDERNEMERSCHAPSONDERWIJS EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN EEN
JAAR NA DE OPLEIDING VOOR OUDERE CURSISTEN INDIVIDUAL FIXED EFFECTS
Zonder
controle
variabelen
Met
controle
variabelen
Man
Vrouw
Niet Belg
Belg
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
SYNTRA-opleiding
0.136***
0.131***
0.156***
0.099***
0.134***
0.130***
(0.001)
(0.001)
(0.002)
(0.002)
(0.004)
(0.001)
Controle variabelena
Neen
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Aantal personen
25,296
25,296
13,846
11,450
4,154
21,142
Noot: Robuuste standaardfouten zijn weergegeven tussen haakjes.
a Controlevariabelen zijn gemeente en arbeidsintensiteit van het huishouden.
*** Significant op het 1% niveau.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Ondernemerschapsonderwijs en Inkomen
In Tabel 4 schatten we de correlatie tussen het volgen van een
ondernemerschapsopleiding en de bruto-inkomsten één jaar na de opleiding voor
cursisten van 18 tot 25 jaar. We observeren dat de bruto-inkomsten significant
toenemen met ongeveer 27% als een persoon een SYNTRA
ondernemerschapsopleiding succesvol heeft beëindigd. Dit geldt ongeacht het
geslacht (kolom 3 en 4) en migratiestatus (kolom 5 en 6). Deze correlatie is exact
even groot als de correlatie gevonden door Charney en Libecap (2000) in de
Verenigde Staten. Zij gebruikten ook een regressieanalyse en kwamen tot een
correlatie van 27%.
Echter, niet alleen een SYNTRA ondernemerschapsopleiding leidt tot een
merkbaar hoger inkomen, maar ook het behalen van een CVO en VDAB
kwalificatie. Door de verschillende groottes van de steekproeven moeten deze
resultaten evenwel met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Door
onze steekproefselectie tellen we immers veel meer personen die een SYNTRA-
opleiding hebben gevolgd dan de andere twee types opleidingen. Dit is te zien in
de grotere standaardfouten bij de CVO en de VDAB opleidingen. Deze verschillen
19
moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Bovendien
kunnen nog diverse niet-geobserveerde kenmerken een rol spelen in deze geschatte
coëfficiënten. Zo kunnen cursisten een opleiding aanvatten met specifieke, en in dit
onderzoek, niet-geobserveerde motivatie. De analyse via individual fixed effects
(zie verder) biedt daarom een meer betrouwbaar beeld van de effecten omdat er in
deze meer geavanceerde analyse wel rekening kan worden gehouden met de niet-
geobserveerde effecten.
TABEL 4 ONDERNEMERSCHAPSONDERWIJS EN LOG BRUTO-INKOMSTEN EEN JAAR NA DE
OPLEIDING VOOR 18 TOT 25 JARIGEN REGRESSIEANALYSE
Zonder
controle
variabelen
Met
controle
variabelen
Man
Vrouw
Niet Belg
Belg
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
Ondernemerschapsopleiding
Geen OO
(referentiecategorie)
(referentiecategorie)
(referentiecategorie)
SYNTRA
0.250***
0.271***
0.281***
0.261***
0.281***
0.273***
(0.006)
(0.007)
(0.010)
(0.008)
(0.018)
(0.007)
CVO
0.131***
0.269***
0.321***
0.213***
0.293***
0.248***
(0.020)
(0.017)
(0.031)
(0.026)
(0.031)
(0.024)
VDAB
0.260***
0.350***
0.349***
0.323***
0.316***
0.376***
(0.020)
(0.020)
(0.021)
(0.095)
(0.036)
(0.026)
Controle variabelena
Neen
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Aantal personen
160,287
160,287
87,581
72,658
33,216
127,029
Noot: Robuuste standaardfouten geclusterd op het gemeenteniveau zijn weergegeven tussen haakjes.
a Controlevariabelen zijn geboortejaar, geslacht, etniciteit, gemeente, arbeidsintensiteit van het huishouden en
vooropleiding.
*** Significant op het 1% niveau.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Opnieuw kunnen we de analyse uitbreiden voor meerdere jaren zodat we kunnen
nagaan wanneer de grootste stijging in de bruto-inkomsten plaats vindt. In
Figuur 2a zien we dat de correlatie tussen het succesvol beëindigen van een
SYNTRA-opleiding en bruto-inkomsten voor 18 tot 25 jarigen voornamelijk in het
eerste jaar na het behalen van het diploma plaats vindt. Na het tweede en derde jaar
observeren we een daling in de geschatte impact van het behalen van een SYNTRA-
20
diploma op het brutoloon, al blijft de impact met 17% na het derde jaar nog steeds
relatief hoog. In tegenstelling tot de kans om zelfstandig (Figuur 1a) te worden is
de daling reeds te merken vanaf het tweede jaar na de opleiding. Bovendien is de
daling er sterker wat er op wijst dat cursisten vooral vlak na het behalen van een
diploma een loonsprong maken. Drie jaar na de opleiding is de correlatie
gereduceerd met 33%. Niettemin blijven de coëfficiënten significant positief in alle
drie jaren.
Opnieuw kunnen we deze marginale effecten in context plaatsen door de
cumulatieve vergelijking te maken tussen personen met en zonder een SYNTRA-
opleiding. In lijn met de marginale effecten toont Figuur 2b dat personen die een
SYNTRA-opleiding succesvol hebben beëindigd hogere bruto-inkomsten genieten
dan personen zonder een SYNTRA-opleiding in alle drie jaren na de opleiding. Het
verschil in bruto-inkomsten neemt echter af doorheen de jaren.
FIGUUR 2A SYNTRA-OPLEIDINGEN EN LOG BRUTO-INKOMSTEN PER JAAR VOOR
18 TOT 25 JARIGEN (MARGINALE EFFECTEN)
Noot: Aantal observaties is 160 287 in jaar 1, 128 068 in jaar 2 en 103 548 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
0
0,05
0,1
0,15
0,2
0,25
0,3
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Marginaal Effect
21
FIGUUR 2B SYNTRA-OPLEIDINGEN EN INKOMSTEN PER JAAR VOOR 18 TOT 25
JARIGEN (CUMULATIEVE EFFECTEN)
Noot: Aantal observaties is 160 287 in jaar 1, 128 068 in jaar 2 en 103 548 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Voorgaande correlationele analyses laten niet toe om rekening te houden met
niet-observeerbare factoren zoals motivatie, ervaring, etc. Bij de schatting van het
effect van ondernemerschapsopleidingen op inkomsten zijn deze factoren echer van
groot belang. Het individual fixed effects model voor oudere cursisten in Tabel 5
houdt wel rekening met deze niet-geobserveerde kenmerken. Hoewel de
coëfficiënten kleiner zijn dan de coëfficiënten in het regressiemodel van Tabel 4
merken we nog altijd een significant positief effect van ongeveer 10%. Met andere
woorden, na controle voor alle tijdsinvariante niet-observeerbare factoren, stijgen
de bruto-inkomsten van een cursist die een SYNTRA opleiding succesvol heeft
afgerond met 10%. Dit effect is exact even groot als het effect van bekomen door
Andersson, en Wennberg (2015) in Zweden. Zij hebben een causaal verband
geschat via Propensity Score Matching (PSM) en kwamen tot een effect op
inkomen van 10%.
0
5000
10000
15000
20000
25000
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Bruto-inkomsten (EUR)
SYNTRA-opleiding Geen SYNTRA-opleiding
22
TABEL 5 ONDERNEMERSCHAPSONDERWIJS EN LOG BRUTO-INKOMSTEN EEN JAAR NA DE
OPLEIDING VOOR OUDERE CURSISTEN INDIVIDUAL FIXED EFFECTS
Zonder
controle
variabelen
Met
controle
variabelen
Man
Vrouw
Niet Belg
Belg
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
SYNTRA-opleiding
0.123***
0.101***
0.106***
0.093***
0.088***
0.102***
(0.002)
(0.002)
(0.003)
(0.003)
(0.006)
(0.002)
Controle variabelena
Neen
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Aantal personen
25,296
25,296
13,846
11,450
4,154
21,142
Noot: Robuuste standaardfouten zijn weergegeven tussen haakjes.
a Controlevariabelen voor OLS zijn geboortejaar, geslacht, etniciteit, gemeente, arbeidsintensiteit van het huishouden
en vooropleiding. Controlevariabelen voor IFE zijn gemeente en arbeidsintensiteit van het huishouden.
*** Significant op het 1% niveau.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Ondernemerschapsonderwijs en Andere Uitkomsten
Tabel 6 vergelijkt via zowel een regressieanalyse voor 18 tot 25 jarigen als
individual fixed effects voor oudere cursisten drie andere uitkomsten tussen
personen die een ondernemerschapsopleiding van SYNTRA hebben gevolgd en
personen die dit niet hebben gedaan. In kolommen (1) en (2) beschouwen we de
kans om voltijds zelfstandig te worden. Dit betekent dat een persoon niet in
loondienst heeft gewerkt, maar alleen zelfstandig werk heeft verricht. We
observeren gelijkaardige resultaten als in Tabel 2 en Tabel 3. De kans om voltijds
zelfstandig te worden voor 18 tot 25 jarigen neemt met 4,1% toe als een persoon
een SYNTRA-opleiding succesvol heeft beëindigd. Als we in het individual fixed
effects model voor oudere cursisten (kolom 2) rekening houden met de niet-
geobserveerde kenmerken, stijgt de kans op voltijds zelfstandige verder tot 7% na
het behalen van een SYNTRA-kwalificatie. Als bijkomende benchmark
vergelijken we de kans op voltijds zelfstandige voor 18 tot 25 jarigen na het behalen
van een diploma in een CVO of bij VDAB. De kans om voltijds zelfstandig te
worden stijgt niet als een persoon een CVO-opleiding heeft gevolgd, terwijl
23
personen die VDAB-opleidingen hebben gevolgd 1,3% minder geneigd zijn om
zelfstandig te worden. Hoewel de resultaten gelijkaardig zijn voor voltijds
zelfstandig als zelfstandig in het algemeen, zijn de coëfficiënten voor voltijds
zelfstandig lager. Dit suggereert dat een deel van het effect van verschillende
opleidingen wordt gedreven door personen die deeltijds zelfstandig werk
verrichten.
In kolommen (3) en (4) schatten we de kans om te werken in loondienst. We zien
dat personen tussen 18 tot 25 jaar die een SYNTRA-opleiding hebben gevolgd een
lagere kans hebben om in loondienst te werken dan personen die dit niet hebben
gedaan. Meer bepaald daalt de kans op werken in loondienst met 5,2% na het
behalen van een SYNTRA-diploma. Als in het individual fixed effects model voor
oudere cursisten rekening wordt gehouden met de niet-geobserveerde kenmerken
(zoals motivatie) daalt de kans op loondienst na een SYNTRA-diploma verder tot
-13,4%. Als benchmark vergelijken we ook de kans op werken in loondienst voor
18 tot 25 jarigen na het behalen van een CVO en VDAB diploma. De kans om in
loondienst te werken verandert niet significant als een persoon een CVO opleiding
heeft gevolgd, terwijl personen die een VDAB opleiding hebben gevolgd een 3,1%
hogere kans hebben om in loondienst te werken. Deze resultaten zijn intuïtief
gegeven de doelgroep en finaliteit van de kwalificaties.
Ten slotte beschouwen we ook de kans om van tewerkstellingssector te
veranderen. Dit is alleen mogelijk indien deze personen werkelijk hebben gewerkt
in de voorbije jaren. Daarom schatten we voor deze uitkomst alleen een individual
fixed effects model voor oudere cursisten. We observeren dat de kans om van sector
te veranderen afneemt met ongeveer 2% als een persoon een SYNTRA opleiding
heeft beëindigd. Dit is niet verrassend gegeven de verbondenheid tussen SYNTRA-
opleidingen en de sectoren (bv. vaak wordt er een akkoord van de werkgever
gevraagd om te kunnen starten met de opleiding of om de opleiding terugbetaald te
krijgen vanuit sectorale middelen).
24
TABEL 6 ONDERNEMERSCHAPSONDERWIJS EN ANDERE UITKOMSTEN EEN JAAR NA DE
OPLEIDING
Voltijds zelfstandig
Werk in loondienst
Sectorverandering
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
Ondernemerschapsopleiding
Geen OO
referentie
referentie
SYNTRA
0.041***
0.070***
-0.052***
-0.134***
-0.019***
(0.002)
(0.001)
(0.003)
(0.001)
(0.002)
CVO
-0.002
-0.008
(0.003)
(0.009)
VDAB
-0.013***
0.031***
(0.002)
(0.007)
Controle variabelena
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Methode
OLS
IFE
OLS
IFE
IFE
Aantal personen
160 287
25 296
160 287
25 296
25 296
Noot: Robuuste standaardfouten zijn weergegeven tussen haakjes.
a Controlevariabelen zijn gemeente en arbeidsintensiteit van het huishouden.
*** Significant op het 1% niveau.
* Significant op het 10% niveau.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
Conclusie
In deze studie hebben we drie onderzoeksvragen beantwoord op basis van
administratieve gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ).
Ten eerste vroegen we ons af of het succesvol afronden van een
ondernemerschapsopleiding tot een groter kans leidt om zelfstandig te worden.
Onze resultaten tonen aan dat de kans om zelfstandig te worden significant
toeneemt met ongeveer 9% tot 13% als een persoon een SYNTRA-opleiding
succesvol heeft beëindigd. Dit effect daalt echter in beperkte mate doorheen de tijd.
Ten tweede wilden we weten of het succesvol afronden van een
ondernemerschapsopleiding tot een hoger inkomen leidt voor de cursist. Uit onze
resultaten blijkt dat de brutoinkomsten significant toenemen met 10% tot 27%
naargelang de econometrische strategie als een persoon een
ondernemerschapsopleiding bij SYNTRA Vlaanderen succesvol heeft beëindigd.
Zoals het geval is met de kans om zelfstandig te worden, daalt ook hier het effect
25
naarmate de tijd vordert. Ten slotte probeerden we te achterhalen hoe het rendement
van een ondernemerschapsopleiding aangeboden door SYNTRA Vlaanderen zich
verhoudt ten opzichte van het rendement van andere opleidingen aangeboden door
de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) en
door de Centra voor Volwassenonderwijs (CVOs). Uit de resultaten observeren we
dat alle drie groepen van opleidingen tot hogere brutoinkomsten leiden.
Daarentegen, en gezien het profiel van de opleiding niet onverwacht, stijgt de kans
om zelfstandig te worden alleen als een persoon een SYNTRA opleiding heeft
gevolgd. De kans om zelfstandig te worden blijft onveranderd als een persoon een
CVO-opleiding heeft gevolgd, terwijl personen die VDAB-opleidingen hebben
gevolgd ongeveer 2% minder geneigd zijn om zelfstandig te worden.
Er zijn ook enkele beperkingen verbonden aan het onderzoek. Ten eerste
corrigeerden we voor niet-observeerbare factoren alleen voor een bepaalde
subpopulatie van cursisten die al langer aan het werken zijn. Voor cursisten die kort
na hun studies een ondernemerschapsopleiding hebben beëindigd, konden we
alleen voor een beperkt aantal observeerbare factoren corrigeren. Ten tweede
konden we het rendement schatten tot drie jaar na een opleiding, en dit alleen voor
SYNTRA opleidingen. Het zou echter nuttig zijn om het rendement ook te schatten
voor een langere periode, zoals bijvoorbeeld tien jaar na het behalen van het
diploma. Ten derde drukken we het rendement van ondernemerschapsopleidingen
alleen uit in arbeidsmarktuitkomsten. Uiteraard kan het extra onderwijs aangeboden
in ondernemerschapsopleidingen ook een impact hebben op andere factoren die niet
louter in geldtermen uit te drukken zijn, zoals levensvoldoening, gezondheid en
welzijn, politieke participatie en dergelijke meer (Oreopoulos & Salvanes, 2011).
Ten slotte hebben we het rendement van het ondernemerschapsonderwijs bepaald
op het niveau van de individu. We doen hierbij geen uitspraken over het globaal
economisch en sociaal effect van het ondernemerschapsonderwijs. Toekomstige
studies kunnen ook deze factoren verder onderzoeken.
26
Appendix
TABEL A1 BESCHRIJVENDE STATISTIEKEN VOOR CURSISTEN DIE DOOR
INDIVIDUAL FIXED EFFECTS STRATEGIE WERDEN BESTUDEERD
SYNTRA
Geslacht (1=man, 0=vrouw)
0.547
Migratieachtergrond (1=niet Belg, 0=Belg)
0.164
Arbeidsintensiteit
79.986
Leeftijd
35.034
Brutojaarinkomstena
22.094
Zelfstandig (1=ja, 0=neen)a
0.249
Aantal personen
25 296
Noot: Voor de analyse van fixed effects bekijken we enkel personen die na verloop van tijd een
SYNTRA-diploma behaald hebben.
a Deze uitkomsten zijn gemeten één jaar na het beëindigen van de laatste opleiding.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
27
FIGUUR A1A SYNTRA-OPLEIDINGEN EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN
PER JAAR VOOR 18 TOT 25 JARIGEN (MARGINALE EFFECTEN) ZONDER CONTROLE
VARIABELEN EN ZONDER SELECTIE OP LEEFTIJD
Noot: Aantal observaties is 332 752 in jaar 1, 227 360 in jaar 2 en 186 593 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
0
0,05
0,1
0,15
0,2
0,25
0,3
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Marginaal effect
28
FIGUUR A1B SYNTRA-OPLEIDINGEN EN KANS OM ZELFSTANDIG TE WORDEN
PER JAAR VOOR 18 TOT 25 JARIGENZONDER CONTROLE VARIABELEN EN ZONDER
SELECTIE OP LEEFTIJD
Noot: Aantal observaties is 332 752 in jaar 1, 227 360 in jaar 2 en 186 593 in jaar 3.
Bron: Eigen bewerking op basis van de gegevens van het KSZ.
0
5
10
15
20
25
30
35
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3
Zelfstandig (%)
SYNTRA-opleiding Geen SYNTRA-opleiding
29
Bibliografie
Bae, T. J., Qian, S., Miao, C., & Fiet, J. O. (2014). The Relationship Between
Entrepreneurship Education and Entrepreneurial Intentions: A Meta-
Analytic Review. Entrepreneurship Theory and Practice, 38(2), 217-254.
Brandolini, A., & Viviano, E. (2016). Behind and beyond the (head count)
employment rate. Journal of the Royal Statistical Society Series A -
Statistics in Society, 179(Part 3), 657-681.
Charney, A., & Libecap, G. D. (2000). The Impact of Entrepreneurship Education:
An Evaluation of the Berger Entrepreneurship Program at the University
of Arizona 1985-1999. Kansas City, Missouri: Kauffman Center for
Entrepreneurial Leadership.
De Rick, K., Mazrekaj, D., & De Witte, K. (2016). Hoe kunnen we weten of
opleidingen in het beleidsdomein Werk renderen? Over.Werk. Tijdschrift
van het Steunpunt Werk, 26(2), 83-90.
De Witte, K., & Mazrekaj, D. (2016). Vroegtijdig schoolverlaten in het (deeltijds)
beroepsonderwijs. Over.Werk. Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 26(1),
111-119.
Elert, N., Andersson, F. W., & Wennberg, K. (2015). The impact of
entrepreneurship education in high school on long-term entrepreneurial
performance. Journal of Economic Behavior & Organization, 111, 209-
223.
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. (2006). Recommendation
of the European Parliament and of the Council of 18 December 2006 on key
competences for lifelong learning. Official Journal of the European Union,
L 394(10), 10-18.
30
Eurostat. (2019, Januari 16). Business demography statistics. Opgehaald van
Eurostat: Statistics Explained: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-
explained/index.php/Business_demography_statistics
Martin, B. C., McNally, J. J., & Kay, M. J. (2013). Examining the formation of
human capital in entrepreneurship: A meta-analysis of entrepreneurship
education outcomes. Journal of Business Venturing, 28, 211-224.
Mazrekaj, D., De Witte, K., & Vansteenkiste, S. (2018). Labour Market
Consequences of a High School Diploma. Applied Economics.
OESO. (2009). Evaluation of Programmes Concerning Education for
Entrepreneurship. Paris: OECD.
Oosterbeek, H., van Praag, M., & Ijsselstein, A. (2010). The impact of
entrepreneurship education on entrepreneurship skills and motivation.
European Economic Review, 54, 442-454.
Premand, P., Brodmann, S., Almeida, R., Grun, R., & Barouni, M. (2016).
Entrepreneurship Education and Entry into Self-Employment Among
University Graduates. World Development, 77, 311-327.
Rauch, A., & Hulsink, W. (2015). Putting Entrepreneurship Education Where the
Intention to Act Lies: An Investigation Into the Impact of Entrepreneurship
Education on Entrepreneurial Behavior. Academy of Management Learning
& Education, 14(2), 187-204.
Rosendahl Huber, L., Sloof, R., & Van Praag, M. (2014). The effect of early
entrepreneurship education: Evidence from a field experiment. European
Economic Review, 72, 76-97.
Sternberg, R., & Wennekers, S. (2005). Determinants and Effects of New Business
Creation Using Global Entrepreneurship Monitor Data. Small Business
Economics, 24, 193-203.
Trostel, P., Walker, I., & Woolley, P. (2002). Estimates of the economic return to
schooling for 28 countries. Labour Economics, 9, 1-16.
31
von Graevenitz, G., Harhoff, D., & Weber, R. (2010). The effects of
entrepreneurship education. Journal of Economic Behavior &
Organization, 76, 90-112.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
Jongeren die zonder diploma middelbaar onderwijs de schoolbanken verlaten, ondervinden gemiddeld genomen meer moeilijkheden doorheen hun leven dan jongeren met een middelbaar diploma. Toch is deze eerste groep van vroegtijdig schoolverlaters (vsv’ers) nog steeds omvangrijk. In 2015 bedroeg het percentage jongeren tot 24 jaar die geen diploma secundair onderwijs hebben en niet langer aan onderwijs of training deelnemen in Vlaanderen 7,2%. In vergelijking met andere landen uit de EU-28 staat Vlaanderen daarmee op de achtste plaats, terwijl het beter doet dan de Franstalige Gemeenschap (13,1%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (15,8%).
Article
Full-text available
This article compares the labour market outcomes of high school dropouts to high school graduates who did not enrol into higher education, but immediately entered the labour market. Using parental educational background as an instrument on a rich administrative dataset in the Flemish Region of Belgium, we find no returns to a high school diploma on average. However, these results hide considerable heterogeneity by gender and educational track. While females and individuals in vocational education may benefit from a diploma, male graduates and students holding a general education diploma may even be worse off on the labour market than dropouts. We show that sectoral heterogeneity acts as an underlying mechanism in the returns to a high school diploma.
Article
Full-text available
Via het beleidsdomein Werk wordt een breed gamma van opleidingen aangeboden aan werkzoekenden, werknemers en ondernemers. De aanbieders zijn in dit geval VDAB en SYNTRA Vlaanderen. Het Vlaams regeerakkoord benadrukt het belang van competentieontwikkeling voor (toekomstige) werknemers. Competentieontwikkeling moet er ten eerste voor zorgen dat mensen (gelijke) toegang krijgen tot de arbeidsmarkt en ten tweede dat werknemers lange en werkbare loopbanen hebben. Uiteindelijk moet er door een hogere toegankelijkheid van de arbeidsmarkt en door langere loopbanen een stijging komen van de werkzaamheidsgraad. Het is echter niet noodzakelijk zo dat door het organiseren van opleidingen de vooropgestelde doelen ook bereikt worden. Rendement is met andere woorden niet gegarandeerd. Tegelijk kost het organiseren van opleidingen veel geld, terwijl de overheidsmiddelen schaars zijn. De overheid heeft er dus alle belang bij om inzicht te hebben in de effectiviteit en efficiëntie van de opleidingen, om te kunnen beslissen over het al dan niet verder gaan met het gevoerde beleid (en over de manier waarop). Door degelijke rendementsmetingen krijgt men ook zicht op aanknopingspunten voor verbetering: wat werkt en wat werkt niet?
Article
Full-text available
The growing attention to entrepreneurship education has caused a debate about whether entrepreneurship education can affect entrepreneurial behavior. We use a quasiexperimental design, comparing a MSc entrepreneurship program with a comparison group from a MSc supply-chain management program to test the effectiveness of entrepreneurship education, relying on the theory of planned behavior (TPB). The findings suggest that entrepreneurship education is effective. Specifically, students participating in entrepreneurship education show an increase in attitudes and perceived behavioral control. Furthermore, they have higher entrepreneurial intentions at the end of the program. Finally, entrepreneurial intentions mediate the effect of entrepreneurship education on subsequent behavior associated with the creation of new business ventures. These results suggest that entrepreneurship education emphasizes increasing antecedents of intentions and behavior.
Article
Full-text available
This paper studies the long-term impact of entrepreneurship education and training in high school on entrepreneurial entry, performance, and survival. Using propensity score matching, we compare three Swedish cohorts from Junior Achievement Company Program (JACP) alumni with a matched sample of similar individuals and follow these for up to 16 years after graduation. We find that while JACP participation increases the long-term probability of starting a firm as well as entrepreneurial incomes, there is no effect on firm survival.
Article
Full-text available
The research on entrepreneurship education–entrepreneurial intentions has yielded mixed results. We meta-analyzed 73 studies with a total sample size of 37,285 individuals and found a significant but a small correlation between entrepreneurship education and entrepreneurial intentions (). This correlation is also greater than that of business education and entrepreneurial intentions. However, after controlling for pre-education entrepreneurial intentions, the relationship between entrepreneurship education and post-education entrepreneurial intentions was not significant. We also analyzed moderators, such as the attributes of entrepreneurship education, students' differences, and cultural values. Our results have implications for entrepreneurship education scholars, program evaluators, and policy makers.
Article
Full-text available
Effective human capital formation through the medium of entrepreneurship education and training (EET) is of increasing concern for governments, as EET is growing rapidly across the world. Unfortunately, there is a lack of consistent evidence showing that EET helps to create more or better entrepreneurs. We undertake the first quantitative review of the literature and, in the context of human capital theory, find that there is indeed support for the value of EET. Based on 42 independent samples (N = 16,657), we find a significant relationship between EET and entrepreneurship-related human capital assets (rw = .217) and entrepreneurship outcomes (rw = .159). The relationship between EET and entrepreneurship outcomes is stronger for academic-focused EET interventions (rw = .238) than for training-focused EET interventions (rw = .151). We find evidence of heterogeneity in many of our correlations, and recommend that future studies examine potential moderators to more clearly delineate EET effect sizes. We also find a number of methodological weaknesses among the studies analyzed and that those studies with lower methodological rigor are overstating the effect of EET. Recommendations to improve the quality of future work in the field are provided.
Article
The paper argues that we need more general statistical indices for the analysis of the European labour markets. First, the paper discusses some normative aspects that are implicit in the current definition of the employment rate, which is a fundamental policy target in the new strategy Europe 2020. Second, it proposes a class of generalized indices based on work intensity, as approximated by the total annual hours of work relative to a benchmark value. Third, it derives, in a consistent framework, household level employment indices. These indices provide a more nuanced picture of the European labour markets, which better reflects the diversity in the use of part-time and fixed term jobs as well as other factors affecting the allocation of work between and within households.
Article
The aim of this study is to analyze the effectiveness of early entrepreneurship education. To this end, we conduct a randomized field experiment to evaluate a leading entrepreneurship education program that is taught worldwide in the final grade of primary school. We focus on pupils' development of relevant skill sets for entrepreneurial activity, both cognitive and non-cognitive. The results indicate that cognitive entrepreneurial skills are unaffected by the program. However, the program has a robust positive effect on non-cognitive entrepreneurial skills. This is surprising since previous evaluations found zero or negative effects. Because these earlier studies all pertain to education for adolescents, our result tentatively suggests that non-cognitive entrepreneurial skills are best developed at an early age.
Article
The effect of the Berger Entrepreneurship Program at the University of Arizona from 1985 through 1988 is examined by comparing graduates of the school who participated in the program with a matched sample of non-entrepreneurship business graduates from the same school. Also evaluated are the effects of the program regarding technology transfer from the university to the private sector; the effect of the program on private donations to the business college; and the educational effect of the entrepreneurial curriculum on other disciplines of the college. Results indicate that entrepreneurship education fosters risk-taking and the creation of new business ventures; increases the likelihood of graduates being self-employed; causes a significant positive impact on the income of graduates; increases job satisfaction from increased income; contributes to the growth of businesses, especially small ones; promotes the transfer of technology from the university to the private sector; and promotes technology-based firms and products. A survey of 34 deans, department heads, and development officers at the university, reveals that educational innovations in the entrepreneurship program improve the curriculum of other business disciplines and the MBA program at the school.