ArticlePDF Available

Heil zien in missionaire initiatieven. Een zoektocht naar de theologie achter nieuwe vormen van geloofsgemeenschap.

Authors:

Abstract

Lectorale rede, in verkorte vorm gehouden op 21 juni 2019 aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) Pionieren is ‘hot’. Er wordt veel nagedacht, onderzocht en geschreven. Maar het valt op dat fundamentele theologische vragen vaak wat onderbelicht blijven. Wat is bijvoorbeeld ‘heil’ in onze tijd? Wat ervaren mensen als ‘zin’? Het lectoraat Zingeving in Nieuwe Geloofsgemeenschappen kijkt achter de schermen van missionair werk, op zoek naar antwoorden op dit soort vragen.
Heil zien in missionaire initiatieven
dr. Sake Stoppels
Lectoraat ‘Zingeving in nieuwe (geloofs)gemeenschappen’
21 juni 2019
Een zoektocht naar de theologie achter nieuwe vormen
van geloofsgemeenschap
Foto voorzijde: pioniersweekend PKN, Soesterberg, oktober 2017, ‘Een kerk bouwen’
(Ronnie Zuidam)
Heil zien in missionaire
initiatieven
Lectorale Rede
dr. Sake Stoppels
Een zoektocht naar de theologie achter nieuwe vormen
van geloofsgemeenschap
4
Voorwoord 7
Heil zien in missionaire initiatieven 9
‘De kracht van relaties’ 9
Missionaire zoektochten 11
Sinek’s why 12
Doel van het onderzoek 14
Schuld, vergeving, verzoening en andere ‘heilswegen’ 17
‘Zieltjes winnen’ 28
Beleving van ‘heil’ aan de ontvangende kant 35
Van kenniskring naar kennisnetwerk 36
Deelprojecten 36
Samenwerking 41
Woorden van dank 41
Interesse in het onderzoek? 43
Aantekeningen 44
Inhoudsopgave
5
De opleidingen Theologie van de CHE richten zich op het opleiden van professionals die
werken in diverse gemeenschappen als onderwijs en geloofsgemeenschappen. Het lectoraat
ondersteunt de opleidingen Theologie door het praktijkonderzoek te richten op missionaire
initiatieven die waarneembaar zijn binnen de christelijke traditie. Het gaat daarbij zowel om
nieuwe geloofsgemeenschappen of pioniersplekken als om bestaande geloofsgemeenschap-
pen die nieuwe initiatieven ontwikkelen.
De CHE hecht waarde aan de ontwikkeling van (geloofs)gemeenschappen omdat zij vanuit
hun missie een bijdrage leveren aan zingeving en verbinding in de maatschappij. Voor de
Christelijke Hogeschool, gericht op kennisdeling, onderwijs en onderzoek, is het een voor-
recht kennis te ontwikkelen waarmee we een bijdrage kunnen leveren aan de verdere ont-
wikkeling van deze gemeenschappen en daarmee ook aan het bredere verband van kerken
en christelijke organisaties.
In een tijd met een groeiende vraag naar zingeving, zien wij het als onze maatschappelijke
opdracht vakbekwame theologen op te leiden die hierbij van betekenis kunnen zijn. Dit lec-
toraat Theologie hee de wens binnen de gelijknamige opleidingen kennis te ontwikkelen
met betrekking tot deze belangrijke, mooie opgave.
Uit het bovenstaande kan de onjuiste conclusie gemakkelijk getrokken worden dat dit nieu-
we lectoraat Theologie uitsluitend van belang is binnen de opleiding Theologie. Het nieuwe
lectoraatsthema is belangrijk voor alle opleidingen van de CHE die bezielde professionals
opleiden. Professionals waarvan we soms horen dat zij een glimp van God in de dagelijkse
werkelijkheid zijn en in dialoog met de ander Gods koninkrijk op aarde zichtbaar maken.
Kortom, het lectoraatsonderzoek Zingeving in nieuwe (geloofs)gemeenschappen, toegespitst
op ‘Heil zien in missionaire initiatieven’, raakt de kern van de missie en visie van de CHE.
Er is kennis nodig over de professionele context waar studenten werken voor wie de levens-
overtuiging een bron is van waaruit zij willen werken. Het lectoraat hoopt met deze kennis
een bijdrage te geven aan de samenleving waarbinnen geloofsgemeenschappen een samen-
bindende rol kunnen spelen.
Voorwoord
6
Het nieuwe lectoraat Theologie ziet zich geplaatst voor de uitdagende opgave in een samen-
leving waar de plek van geloofsgemeenschappen onder druk staat, missionaire initiatieven
te onderzoeken waarmee deze gemeenschappen er in slagen de missio Dei, het goede dat
God ons in Christus geschonken hee, op een nieuwe wijze te vertolken.
We hopen van harte dat het lectoraat Theologie zal bijdragen aan de voortgang van de com-
municatie van het Evangelie in onze hedendaagse Westerse cultuur.
We wensen de lector en het kennisnetwerk een goede start toe met dit lectoraat om zo dienst-
baar te kunnen zijn aan kerken en andere christelijke vormen van presentie in de vormgeving
van hun missionaire opdracht.
Drs. H.G.W. Bent
Directeur CHE
Werkveld, Onderwijs & Onderzoek
7
Waar zien we anno 2019 ‘heil’ in? Wat is ‘heil’ eigenlijk? En wat bedoelen we als we spre-
ken over ‘verlossing’ en ‘redding’? Wie moet er gered worden in een tijd waarin we geacht
worden vooral zelfredzaam te zijn? Als we de vraag wat breder trekken: wat is het eigene
van de bijdrage vanuit de christelijke traditie aan de bloei van mensenlevens? En aan het
oreren van samenlevingen? Is er op de moderne markt van welzijn en geluk een heel eigen
en mogelijk uniek aanbod? Meer toegespitst: is er iets dat onze buren alleen maar kunnen
vinden in de christelijke geloofsgemeenschap en nergens anders?1 En als dat er is, wat is het
dan en is er dan ook vraag naar? Is er reden om tot nieuwe, speciek christelijke geloofsge-
meenschappen te komen of moet juist worden gezocht naar iets als een ‘bronnen-oecumene’,
een ‘nieuw wij’?2 Met deze veelheid aan vragen zitten we direct in het hart van het nieuwe
lectoraatsonderzoek dat vandaag ocieel van start gaat onder de titel ‘Zingeving in nieuwe
geloofsgemeenschappen’
‘De kracht van relaties’
Sinds 2006 kent de theologieopleiding aan de CHE een lectoraat theologie, dat wil zeggen
een plek waar praktijkgericht onderzoek wordt gedaan ten behoeve van zowel de samenle-
ving als het onderwijs binnen de CHE. Dat onderzoek hee in de loop der jaren mooie resul-
taten opgeleverd, waaronder een aantal bundels met bijdragen van zowel CHE-docenten als
externe auteurs. De eerste substantiële bundel verscheen in 2010 onder de titel Praktijkge-
richt, de laatste bundel, getiteld Grensgangers, verscheen in 2016.3 Beide titels zetten ons
direct op het spoor van een belangrijke thematiek in het onderzoek, namelijk de voortgang
van de christelijke traditie in een sterk veranderde en nog steeds veranderende samenleving.
Die voortgang is allerminst vanzelfsprekend als we afgaan op de statistieken. Ik hoef daar
niet over uit te weiden, de cijfers zijn bekend. We zien in deze tijd een grote interesse in het
1 “What is it that our neighbours can only nd in the Christian community and nowhere else?”, Stefan Paas,
‘Challenges and Opportunities in Doing Evangelism’, in: Gerrit Noort et al, Sharing Good News. Handbook on
Evangelism in Europe, Geneva (WCC) 2017, p. 41
2 Zie de website van de gelijknamige beweging: https://www.nieuwwij.nl/ ‘De stichting hee ten doel het
bevorderen van verbindingen op het gebied van cultuur, religie(s) en levensbeschouwing(en) tussen verschil-
lende bevolkingsgroepen en burgers.’(website Nieuw Wij, geraadpleegd 26 april 2019))
3 Jan Hoek, Stefan Paas e.a. (red.), Praktijkgericht. Handboek voor de HBO-theoloog, Zoetermeer 2010 en René
Erwich & Jan Marten Praamsma (red.), Grensgangers. Pendelen tussen geloof en cultuur, Utrecht 2016
Heil zien in missionaire initiatieven
8
zoeken van nieuwe wegen als het gaat om de communicatie van het Evangelie en om kerk-
zijn. Missionair kerk-zijn zit in de lucht en manifesteert zich onder andere in allerlei pioniers-
initiatieven. In het lectoraatsonderzoek zijn vooral deze nieuwe ‘kerkplekken’ object van
onderzoek. We kunnen ze zien als exemplarische pogingen om ‘on the cutting edge’ vrucht-
bare verbindingen te zoeken met de cultuur. Dat wordt vooral zichtbaar in het zoeken naar
nieuwe vormen van presentie en het scheppen van gemeenschap. Als uitvloeisel hiervan is er
momenteel binnen de Protestantse Kerk in Nederland een proces gaande om ook kerkordelijk
tegemoet te komen aan de veranderde en nog steeds veranderende manier waarop mensen
zich verbinden en waarop (geloofs)gemeenschap wordt beleefd.4 Die zoektocht is wezenlijk
en ook noodzakelijk, maar raakt nog niet direct aan theologische inhouden. En juist die theo-
logische inhouden zijn een speerpunt van het lectoraat. Aan de CHE zijn we bepaald niet
de eersten die onderzoek gaan doen naar nieuwe gestalten van kerk-zijn, maar onze focus
hee binnen het hele veld van onderzoek wel een zekere eigenheid. We concentreren ons
op zingeving in deze nieuwe geloofsgemeenschappen. Dat is uiteraard een nog zeer globale
formulering van de focus. Aakening en precisering is dus nodig.
We doen dat door ons te concentreren op wat in de christelijke traditie ‘heil’ wordt genoemd.
De kerk wil immers een vertolker zijn van ‘heil’, het goede dat God in Jezus Christus geschon-
ken hee. Ze wil zich mee laten nemen in de Missio Dei, Gods verlangen dat deze wereld
een zinvolle plek van alomvattende vrede zal zijn. Dit zijn nog grote, abstracte woorden,
terwijl we zoeken naar een ervaarbare heilzame werkelijkheid. Concretisering is dus gebo-
den. Bij ‘heil’ denken we – voorlopig – vooral aan de relationele kwaliteit van individuele
mensenlevens en van samenlevingsverbanden en verbonden daarmee ook aan zinbeleving.
Met deze voorlopige toespitsing lopen we in de pas met het CHE-brede overkoepelende on-
derzoeksthema ‘De kracht van relaties’. ‘Relationaliteit’ is daarin een sleutelbegrip.5 Met
deze relationele insteek slaan we bovendien een brug naar ‘seculiere’ zoektochten naar wat
heilzaam is. Ook binnen dergelijke zoektochten spelen meervoudige relaties doorgaans een
belangrijke rol: de relatie van de mens tot de medemens, tot de wereld om hem heen en tot
4 Zie René de Reuver, Martijn Vellekoop, Mozaïek van kerkplekken. Over verbinding tussen bestaande en nieuwe
vormen van kerk-zijn, uitgave Protestantse Kerk in Nederland, Utrecht 2019 (vrij te downloaden)
5 Jan van der Stoep, De kracht van relaties. Ontwikkeling en herstel van maatschappelijke verbanden. Tekst van
hogeschool-breed onderzoeksprogramma in voorbereiding. CHE 2019
9
zichzelf. Binnen de christelijke traditie zijn er uiteraard bovendien de relatie tot God en de
onderlinge relaties binnen de geloofsgemeenschap. Hoe dragen nieuwe (geloofs)gemeen-
schappen daaraan ‘zin’-vol bij? Hoe kan ‘het leven in al zijn volheid’ gevonden en geleefd
worden (vgl. Johannes 10:10)?
Missionaire zoektochten
In het verleden kende hele delen van de kerk een helder denk- en handelingskader: zonder
Christus is er onheil en gaan mensen verloren. Dat gaf tot op zekere hoogte een scherp proel
aan haar missionaire optreden. Tegenwoordig is die helderheid op heel veel plekken ver-
dwenen. Dat is een belangrijk uitgangspunt voor het onderzoek en maakt het ook relevant.
Hoe geven kerken en andere vormen van christelijke gemeenschappen vorm en inhoud aan
hun missionaire presentie in de huidige Nederlandse samenleving? Hoe willen ze bijdragen
aan de bloei van mensenlevens en aan de bloei van menselijk samenleven in kleinere en
grotere verbanden? Veel zoektochten zijn hier gaande en daarbij lopen pioniers en andere
missionaire werkers soms hard tegen zichzelf en de eigen traditie op.6 Pionieren zet veel
zaken op scherp, zeker ook het eigen leven en de eigen geloofsovertuiging. Mede daarom is
de pionierswereld voor onderzoek én beleid extra interessant: voorbij aan iedere vanzelf-
sprekendheid komen basale vragen op tafel te liggen.
Het zoeken naar nieuwe gestalten van geloofsgemeenschap vormt ook een boemerang die
terugkeert naar de kerk als geheel. We zien dat gebeuren binnen de Protestantse Kerk in Ne-
derland. Dit kerkgenootschap gee doelbewust veel ruimte aan kerkelijke vernieuwing en de
ervaringen daarmee slaan terug op de denominatie als geheel.7 De kerkelijke status quo – zo
die er nog is – raakt ontregeld en vraagt om aanpassing. Binnen de Protestantse Kerk betre
die aanpassing, zoals we al constateerden, nog vooral de vorm- en regelgeving. De vraag
is daarbij vooral binnen welke organisatorische randvoorwaarden de nieuwe zogenaamde
‘kerngemeenten’ – dat zijn pioniersplekken die doorgroeien tot een zekere mate van zelf-
standigheid - zo optimaal mogelijk kunnen functioneren. Ingrijpender wordt het als klassieke
vertolkingen van het Evangelie niet meer worden verstaan en er dus ook theologisch-
6 Zo bijvoorbeeld IFES-studentenpastor-pionier Maarten Vogelaar. Hij schrij over zijn ervaringen onder de
titel ‘Geduld hee een prijs’ in het tijdschri Wapenveld. Over geloof en cultuur, jrg. 68 (2018), nr. 3, p. 4-9
7 Vergelijk de Reuver, Vellekoop, Mozaïek van kerkplekken
10
inhoudelijk geschud gaat worden aan de boom. Juist dit laatste is de focus van het lectoraats-
onderzoek: is er grond voor theologisch-inhoudelijke vernieuwing in het zoeken naar verbin-
ding en communicatie met de huidige cultuur? En zo ja, hoe zou deze er uit kunnen zien?
Sinek’s why
Als het over onze samenleving gaat, spreken onderzoekers in het spoor van de cultureel
antropoloog Victor Turner wel van liminaliteit. We bevinden ons in een overgangsfase of een
tussenruimte. Het oude is voorbij, het nieuwe is nog niet uitgekristalliseerd.8 Liminale fasen
zijn per denitie spannend en uitdagend omdat het oude voorbij is en het nieuwe nog niet
daar is. De liminale fase is een tijd van zoeken. Dat geldt niet alleen voor de vormen, maar
ook voor de inhoud. We raken hier aan de kern van ons onderzoek. Om deze kwestie wat
scherper in beeld te krijgen, maak ik gebruik van de zogenaamde Golden Circle van Simon
Sinek.
The Golden Circle, Simon Sinek
8 Zo bijvoorbeeld Alan J. Roxburg, Missional Map-making. Skills for Leading in Times of Transition, San Francis-
co 2010 en Hans Schaeer en Henk Geertsema, ‘Gemeentestichting als lont in het kruitvat. Praktisch-theolo-
gische analyse van een debat’, in: Themanummer ‘Pionieren’, Handelingen. Tijdschri voor praktische theologie
en religiewetenschap, jrg. 44 (2017), nr. 3, p. 55-65
Why?
How?
What?
11
De cirkel is even simpel als behulpzaam. Sinek onderscheidt voor elk doen en laten drie vra-
gen: why – how – what. Hij constateert dat het centrum van de cirkel – het waarom van ons
handelen – vaak onderbelicht of zelfs helemaal buiten beschouwing blij. We doen dan van
alles – aan missionair what is momenteel geen enkel gebrek – maar dit loopt lang niet altijd
weg uit een scherp why.
Wat Sinek voor organisaties in het algemeen stelt, kunnen we ook toespitsen op allerlei mis-
sionaire initiatieven. We doen heel veel, maar vertrekken vanuit het hart van de missionaire
cirkel gebeurt lang niet altijd. Het why van ons missionair handelen blij dan wat diuus. Ik
geef daarvan een paar voorbeelden.
Ik begin met de hand in eigen boezem te steken. Al weer meer dan 10 jaar geleden waren
Gert Noort, Stefan Paas, Henk de Roest en ik bezig met het schrijven van het boek Als een kerk
opnieuw begint. Handboek voor missionaire gemeenschapsvorming.9 We hadden een mooie
opbouw bedacht met praktijkverhalen en aansluitende reecties, maar opeens realiseerden
we ons dat we helemaal geen aandacht hadden voor de vraag waarom je überhaupt mis-
sionair zou willen zijn. We hebben toen in allerijl hoofdstuk 17 toegevoegd, onder de titel
‘Waarom eigenlijk? Motieven voor gemeentestichting’. Van een organische verbinding van dit
ingelaste hoofdstuk over het why met de rest van het boek kon toen uiteraard geen sprake
meer zijn.
Een tweede voorbeeld ontleen ik aan een themanummer uit 2015 over ‘missionair kerk-zijn
in het dorp’ van het praktisch-theologische tijdschri Handelingen. Zes missionaire praktij-
ken van even zoveel dorpskerken worden er beschreven. In zijn evaluatie en analyse van
deze praktijken constateert Stefan Paas dat er weinig aandacht is voor de motivatie achter
de missionaire inzet. De aandacht gaat vooral uit naar activiteiten en structuren en veel
minder naar ‘menselijk en geloofskapitaal’, zoals hij dat noemt. Hij gaat dan als volgt verder:
“Tenslotte valt me op dat er in geen enkele gevalsstudie sprake is van missiologische bezin-
ning op de vraag wat nu het goede nieuws van Jezus Christus is voor deze specieke tijd en
plaats. (…) nergens krijgen we een indruk dat deze gemeenten een bezinningsproces hebben
9 Gert Noort, Stefan Paas, Henk de Roest, Sake Stoppels, Als een kerk opnieuw begint. Handboek missionaire
gemeenschapsvorming, Zoetermeer 2008
12
doorgemaakt waarin zij hebben ontdekt wat dit evangelie is in haar concrete tijd en plaats.”10
Van vrij recente datum is het derde voorbeeld, het boek Sporen van God in het dorp. Jacobine
Gelderloos promoveerde in 2018 op een onderzoek naar de plek van kerken in dorpen. Pa-
rallel daaraan schreef zij een popularisering.11 Het boek is een pleidooi om de luiken open te
gooien en gericht te raken op de eigen dorpsomgeving. Het boek daagt dorpskerken uit om in
een tijd van ‘religieus analfabetisme’ voorbij te komen aan ‘kerkelijke verlegenheid’, zoals ze
dat noemt. Het is een mooi boek en zeker bruikbaar voor zoektochten van kleine, vaak krim-
pende kerkelijke gemeenten. Maar wat dan mij dan verbaast, is dat er feitelijk geen aandacht
is voor het waarom van het verlangen naar een blijvende presentie. Waarom zou er in deze
tijd überhaupt een kerk op het dorp moeten zijn? En waarom zou die zich naar buiten moeten
richten? En als we dan kennelijk kerkelijke presentie zoeken, hoe eigen is dan die bijdrage?
Hebben we dat helder? Dit soort vragen blijven te vaak liggen.12
Doel van het onderzoek
Drie voorbeelden van een ontbrekend why. Het zijn geen uitzonderingen op de missionaire
regel. Dat brengt me bij de doelstelling van het onderzoek. We willen onderzoek gaan doen
naar dit why van missionaire presentie. De doelstelling van het lectoraatsonderzoek luidt als
volgt:
Het theologisch en sociaalwetenschappelijk beschrijven, doordenken en evalueren van ‘heil’ in
nieuwe vormen van (geloofs)gemeenschap,
/ zowel vanuit de intentie van de initiatiefnemers en andere dragers als
/ vanuit de beleving van de groep die betrokken raakt,
met het oog op een context-gevoelige voortgang van de christelijke traditie binnen de setting
van een ‘post-christendom’ samenleving.
10 Stefan Paas, ‘Missionair op z’n dorps’, in: Handelingen. Tijdschri voor praktische theologie en religieweten-
schap, jrg. 42 (2015), nr. 2, p. 55
11 Jacobine Gelderloos, Sporen van God in het dorp. Nieuwe perspectieven voor kerken op het platteland, Utrecht
2018
12 Vergelijk het commentaar van Alco Meesters (zelf dorpspredikant) bij de lancering van de Dorpskerkenbe-
weging waarvoor het boek van Gelderloos een belangrijke impuls is. Zie Kerk en Theologie, jrg. 69 (2018), nr.
4, p. 389 (Kroniek)
13
De doelstelling wil duidelijk maken dat de concentratie op nieuwe (geloofs)gemeenschappen
geen doel op zich is. Het gaat om de vraag op welke wijze de christelijke traditie langs de
weg van ‘identitaire’ gemeenschapsvorming bij kan dragen aan individuele mensenlevens en
aan onze samenleving als geheel. Vanuit situaties waarin vrijwel niets meer vanzelfsprekend
is – wat vaak het geval is in pionierssituaties – willen we met het onderzoek bijdragen aan
de voortgang van de communicatie van het Evangelie in onze Nederlandse, en breder, onze
Westerse cultuur. Zo wil het onderzoek ook dienstbaar zijn aan kerken en andere christe-
lijke vormen van presentie die nog meer in de modus van een zekere vanzelfsprekendheid
functioneren. Want ook daar staat – soms nog vooral onderhuids – veel op de tocht. Pio-
niersplekken kunnen we zien als kerkelijke voorposten in een complexe wereld waarbinnen
het christendom een van de vele denkbare opties is als het gaat om levensoriëntatie. In
theologisch-inhoudelijke zin kunnen we ze beschouwen als Research & Development afdeling
van de kerken.13
Van belang is hier ook de mogelijke spanning tussen wat de dragers van missionaire initia-
tieven beogen en wat deelnemers er aan beleven. Het zal niet de eerste keer zijn dat het kiert
tussen wat de initiatiefnemers willen en wat de doelgroep zoekt en ervaart. Een voorbeeld
daarvan vinden we in het onderzoek van Marinka Verburg naar de gemeenschapsopbouw in
pioniersplekken. Daar waar de initiatiefnemers van pioniersplek ‘Zinenmeer’ (ctieve naam)
mede gericht zijn op duurzame gemeenschapsvorming, blijkt een heel deel van de ‘bezoe-
kers’ daar niet voor te komen. Zij kijken primair naar activiteiten: als deze aantrekkelijk zijn,
komen ze, en anders niet.14 Deze ervaring is ook herkenbaar op veel andere plekken. De
opbouw van duurzame gemeenschap blijkt nogal eens te botsen met de ‘pick and choose’
mentaliteit van betrokkenen.
Een ander voorbeeld komt uit Engeland, waar de praktijk van een concrete ‘Messy Church’
werd onderzocht. De dragers van dit initiatief – maandelijkse laagdrempelige bijeenkomsten
van (groot)ouders met hun kinderen tot 11 jaar rond een bijbelverhaal, afgesloten met een
13 Stefan Paas, Church Planting in the Secular West. Learning from the European Experience, Grand Rapids 2016,
met name hoofdstuk 4
14 Marinka Verburg-Janssen, ‘Gemeenschap in de kerk van de toekomst’, in: Handelingen. Tijdschri voor prak-
tische theologie en religiewetenschap, jrg. 44 (2017), nr. 3, p. 35-43 (themanummer ‘pionieren’)
14
maaltijd – doen dit vanuit het verlangen ‘to be and make disciples’. Nadrukkelijk is er de
gerichtheid om de deelnemers ‘dichter bij Jezus’ te brengen. Veel ouders zoeken dat echter
helemaal niet. Ze ervaren volop gemeenschap, maar deze is niet religieus gekleurd. “Messy
Church is in danger of creating ‘Jesus-less community’”, schrij Bridget Sherpherd die als
beroepskracht betrokken is bij het initiatief.15 Ze nuanceert deze constatering echter ook
direct door in hetzelfde artikel ‘kerk-zijn’ te vergelijken met een zwembad: ook het ondiepe
deel – waar je helemaal niet kunt zwemmen – hoort volop bij het zwembad.16 Deze metafoor
zal herkenbaar zijn in de wereld van pioniers. Grenzen zijn niet gemakkelijk te trekken en
vaak wil men ook helemaal geen afgrenzingen.
Twee onderzoeksthema’s in beeld
We staan nog helemaal aan het begin van het onderzoek en daarom zijn er uiteraard veel
meer vragen dan antwoorden, maar dat is ook eigen aan (goed) onderzoek. Ik concentreer me
op twee onderzoekthema’s die bij het nadenken over ‘heil’ actueel en relevant zijn. Er zijn er
uiteraard meer, maar om niet te verdwalen in het missionaire landschap, kies ik er twee uit.
Het eerste thema is de klassieke verzoeningsleer: Jezus Christus die in onze plaats de straf
draagt en zo voor ons verzoening bewerkt en de weg naar God heropent. Hoe herkenbaar is
dat motief in onze tijd? Hebben ‘moderne’ mensen daar een existentiële antenne voor? Het
tweede thema is ‘zieltjes winnen’; welke plek hee het winnen van nieuwe gelovigen in het
missionaire denken en handelen van de kerken? Zouden we dat nog moeten willen? Nog-
maals, het lectoraatsonderzoek is uiteraard breder dan deze beide thema’s, maar het is goed
ons vandaag wat te beperken. Ik kies voor het zoeklicht op deze twee thema’s omdat ze ook
heel direct raken aan identiteitsvragen en aan fundamentele theologische posities. In beide
gevallen staat er veel op het spel, want hier liggen keuzes die het werk wezenlijk kleuren.
Rond deze beide thema’s gaan de keuzes van pioniersplekken en andere vernieuwende ini-
tiatieven ook uiteen en dat maakt ze extra interessant. Tegelijk is het goed hierbij aan te te-
kenen dat de keuze voor beide thema’s een wat binnenkerkelijk karakter hee. We beginnen
‘binnen’ en niet ‘buiten’. Die beweging is op zich legitiem, maar in het lectoraatsonderzoek
15 Clare Watkins, Bridget Shepherd, ‘The Challenge of ‘Fresh Expressions’ to Ecclesiology. Reections from the
Practice of Messy Church’, in: Ecclesial Practices, jrg. 1 (2014), p. 99. Het Nederlandse equivalent van ‘Messy
Church’ is ‘Kliederkerk’.
16 Watkins, Shepherd, a.a., p. 101
15
willen we ook uitdrukkelijk van ‘buiten’ naar ‘binnen’ kijken. Empirisch onderzoek is daarbij
onmisbaar. Daarover verderop meer. We richten ons nu eerst op de twee genoemde thema’s.
Schuld, vergeving, verzoening en andere ‘heilswegen’
Ik begin met de klassieke verzoeningsleer en neem daarbij mijn vertrekpunt in een van de
bijdragen uit de lectoraatsbundel Grensgangers. Het is het artikel van de rooms-katholieke
cultuurtheoloog Frank Bosman.17 Hij reageert op het EO programma Adieu God waarin Tijs
van den Brink spreekt met kerkverlaters. Als Van den Brink in 2015 terugkijkt op een groot
aantal uitzendingen, ziet hij vier hoofdmotieven voor kerkverlating.18 Het eerste motief is het
falen van kerkelijke leiders en andere vertegenwoordigers van de kerk. Het gaat hier zowel
om domheid, oppervlakkigheid en botheid als om zeer kwalijke zaken als seksueel misbruik.
Er is mensen veel kwaads aangedaan vanuit de kerk. Een tweede motief is de ongeloofwaar-
digheid van de wonderverhalen in de Bijbel. Een zee die op commando splijt en een heel
volk droogvoets door laat gaan, Jezus die over het water loopt, het wil er bij velen niet in.
Een derde motief is het lijden in de wereld. De af en toe gruwelijke ongerijmdheid van het
bestaan valt niet te rijmen met een goede God. Een laatste motief betre een kernelement
uit de christelijke traditie, namelijk het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus. Veel
mensen begrijpen het nut en de noodzaak daarvan niet.
Bosman loopt in zijn artikel de motieven langs, maar daarbij valt het op dat hij geen aan-
dacht besteedt aan de moeite die er bestaat rond het idee dat Jezus Christus in onze plaats
de straf op de menselijke zonde hee gedragen. Dat is opmerkelijk voor een theoloog, zou je
zeggen. Waarom pakt Bosman uitgerekend deze bij uitstek theologische thematiek niet op?
Een artikel vraagt uiteraard om beperking, maar zou het kunnen zijn dat het niet helemaal
toevallig is dat Bosman dit punt laat liggen? Kan ook hij als cultuurtheoloog – oneerbiedig
gezegd – geen chocola maken van deze ‘ruil’? Het is goed om hier wat uitvoeriger bij stil te
staan, want met die omissie van Bosman raken we aan een centrale onderzoek focus in het
lectoraatsonderzoek. Hoe zit het eigenlijk met de theologie, of specieker, de soteriologie in
en achter pioniersplekken en andere nieuwe gestalten van (geloofs)gemeenschap?
17 Frank Bosman, ‘Adieu God? Cultuurtheologische overpeinzingen bij de prominente kerkverlaters uit het
EO-programma Adieu God, in: Erwich, Praamsma, Grensgangers, p. 53-70
18 http://www.eo.nl/geloven/nieuws/item/4-lessen-van-de-kerkverlater/ (geraadpleegd 20 februari 2019)
16
Verzoening door voldoening?
Om de spanning die hier kan liggen tussen beleden geloof en geleefd geloof wat in het vizier
te krijgen, begin ik met de veelgebruikte dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van
der Kooi. Zij spreken uiteraard ook over heil en gebruiken voor het heil in Jezus Christus het
beeld van de binnentuin. Vanuit de verschillende ramen of wandelend in een kloosterom-
gang zie je de tuin steeds op een andere manier. Zo is het ook met het heil in Christus, stellen
ze. Elke invalshoek of elke context biedt een eigen beeld. Het hee geen zin die verschillende
perspectieven tegen elkaar uit te spelen. “Het hoort bij het werk van de Heilige Geest dat
de inhoud van wat er in leven, sterven en opstaan van Jezus Christus gebeurd is, in nieuwe
contexten en culturen op steeds weer nieuwe wijzen wordt vertolkt.”19 Wel is de tuin daarbij
primair de tuin van verzoening, want met dat woord is volgens hen de kern van Christus’
leven en werk het meest kernachtig aan te geven. Ze onderscheiden daarbij verzoening door
overwinning (waar Jezus komt, moet de macht van het kwade wijken en del onheil het
onderspit), verzoening door voldoening (Jezus lijdt plaatsvervangend, wij gaan vrijuit) en
verzoening door omvorming (we worden meegenomen in het verzoeningsproces en daarmee
andere mensen).20 De tweede vorm van verzoening – door voldoening – noemen ze ‘de harde
pit van de verlossing’.21 Jezus Christus hee niet enkel paradigmatische betekenis, maar in
zijn leven, lijden en sterven is er een beweging die we ‘plaatsvervanging’ kunnen noemen.
“Hij doet iets in onze plaats, iets wat wij niet doen en niet kunnen doen.”22 Zonde is een te
serieuze zaak om ongestra door de vingers te zien. Er moet iets mee gebeuren. Gelovigen
worden opgeroepen Christus na te volgen, maar hier hee die navolging nadrukkelijk ook
een grens. We kunnen het niet en het hoe ook niet. In Christus hee God zelf de verstoorde
verhouding rechtgezet. Via Anselmus’ Cur Deus Homo is verzoening langs de weg van vol-
doening ook in de Heidelbergse Catechismus terechtgekomen. Daarmee hee het eeuwen
protestantisme gekleurd.
Voor onze thematiek is de vraag van belang of en zo ja, hoe die ‘harde pit van de verlossing’
–verzoening door voldoening – terugkeert in de praktijk van geleefd geloof en daarbinnen
19 G. van den Brink, C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Zoetermeer 2012, p. 406
20 Van den Brink, van der Kooi, Christelijke dogmatiek, p. 403 ev.
21 Van den Brink, van der Kooi, a.w., p. 420
22 Idem
17
binnen het missionaire proel van oude en nieuwe geloofsgemeenschappen. En dan moet ik
concluderen dat dit lang niet altijd het geval is. Beleden geloof en geleefd geloof blijken niet
zonder meer samen te vallen. Ik geef twee praktijkervaringen.
De theologe Jannet van der Spek deed onderzoek onder 12 werkers die zijn aangesloten bij
het Netwerk Urban Mission. Hoe zien zij hun werk? Daarbij hanteerde ze een – op basis van
literatuurstudie ontstane – theologische checklist van ruim zestig begrippen. Deze gebruikte
ze, indien nodig, om de interviews nog wat meer theologisch toe te spitsen. Opmerkelijk
daarbij is dat woorden als ‘verlossing’, ‘verzoening’ en ‘redding’ er niet in voorkomen.23 Ken-
nelijk worden deze begrippen niet als heel geëigend ervaren als het gaat om een typering
van het werk.
Een tweede praktijkbericht vind ik in de dissertatie van Gert-Jan Roest, gemeentestichter
in Amsterdam en tegenwoordig ‘missionair denker’ binnen de Dienstenorganisatie van de
Protestantse Kerk. Hij ontdekte tijdens het pionieren onder Amsterdamse jonge mensen,
vaak single en hoog opgeleid, dat de gedachte van verzoening via de kruisdood van Christus
niet of nauwelijks resoneert. Dat er bloed moet vloeien, wekt zelfs weerstand.24 Persoonlijke
schuld wordt niet als diepe nood beleefd, is de Amsterdamse ervaring van Roest.25 We her-
kennen hier de ervaring van Tijs van den Brink in zijn gesprekken met kerkverlaters.
Dat Jezus Christus buiten ons om al lang geleden heil verworven hee door zijn lijden en zijn
sterven, wordt vaak niet verstaan in een individualistische samenleving waarin ‘plaatsbekle-
ding’ geen dominant thema is.
‘Wat bedoelen jullie met: hij is voor mijn zonden gestorven? Dat was bijna
tweeduizend jaar geleden en toen leefde ik nog niet. Ik snap het dus niet.
26
23 Jannet van der Spek, De kramp voorbij. Theologische noties bij zending, presentie en kerk, Gorinchem 2010,
p. 236, 297, 346, 347
24 Gert-Jan Roest, The Gospel in the Western context. A missiological reading of Christology in dialogue with
Hendrikus Berkhof and Colin Gunton, z.p. 2016, p. 2
25 Gert-Jan Roest, ‘Repliek’, in: J. van ‘ t Spijker, P.L.D. Visser (red.) (2018). Een ander evangelie? Contextualisatie
in een verschuivende westerse cultuur. Apeldoornse Studies, nr. 72: Theologische Universiteit Apeldoorn 2018,
p. 84
26 De verbazing van een jongere die meedeed in een jeugdkerk. Aangehaald in Suzanna Blackmore, ‘Niet-chris-
tenen adviseren jeugdkerk’, in: Idea. Gemeenteopbouwblad van de Evangelische Alliantie, jrg. 26 (2005), nr. 1,
p. 8,9
18
Blijvende schuld(gevoelens)
De genoemde praktijkberichten doen een belangrijke vraag rijzen: beweegt de geleefde so-
teriologie zich weg van de klassieke beleden soteriologie? Als we het toespitsen op zaken
als schuld en vergeving, dan lijkt het bijvoorbeeld lastig te zijn om verstaanbaar te spreken
over Jezus Christus als ‘voertuig’ voor vergeving, verzoening en vernieuwing. Daar waar het
Nieuwe Testament naadloos kan aansluiten bij de oercultus van het Oude Testament – denk
aan Jezus als ‘het lam Gods’ in het verlengde van het oerlam op de berg in Moria (Genesis
22:8) – ontbreekt die verbinding binnen onze cultuur. Wij kennen geen geritualiseerde vorm-
geving van ‘plaatsbekleding’. Tegelijk zijn schuld, schuldbesef en het heilzame karakter van
vergeving existentialen27 van alle plaatsen en alle tijden. Kerkelijke pioniers komen dat ook
telkens weer tegen in hun werk. Ik geef er een paar voorbeelden van.
Heel pregnant is de ervaring die pionier Rikko Voorberg opdeed in Amsterdam. In zijn pio-
nieren zocht hij in het begin vooral contact met kunstenaars en anderen in de ‘creatieve klas-
se’. Zo waren er theateravonden, waarbij hij vanuit de christelijke theologie reecteerde op
wat de kunstenaars inbrachten aan thema’s, vragen en inzichten. Daarbij ging hij regelmatig
grensverleggend te werk. In het Nederlands Dagblad vertelde hij bijvoorbeeld het volgende:
‘Op een van die avonden hadden we het Onze Vader in een Word-document op een beamer
geprojecteerd. Iedereen mocht daarin wijzigingen aanbrengen. Onze Vader werd al gauw
Onze Moeder en even later Het eeuwig Al. Aan het einde van de avond was alles doorge-
streept en veranderd, behalve één zin: ‘vergeef ons onze schulden’. Dat raakte me. Hier staan
we naast elkaar, dacht ik. Niet alleen de christen weet dat hij zondig is; ieder mens bese
dat. We hebben allemaal het evangelie nodig. (…) Christenen en niet-christenen verschillen
niet zoveel van elkaar. We gebruiken andere woorden, maar hebben dezelfde maniertjes
om onszelf te redden en overeind te houden. Het evangelie is bevrijdend voor iedereen en
bedoeld voor iedereen.’28
27 Vergelijk hier de vijf existentialen die Henk Vroom onderscheidt in zijn boek Religies en de waarheid, Kam-
pen 1988, p. 247-257. Een van deze vijf is de ervaring van falen.
28 Maurice Hoogendoorn, ‘Rikko Voorberg: bijna alles kan’, in: Nederlands Dagblad, 4 mei 2013. Iemand legde
overigens dit gebeuren op een heel andere manier uit: de bede om vergeving stond zover van deze mensen af
dat men niet eens begon aan het veranderen van deze zin.
19
Een tweede ervaring zet ons op een vergelijkbaar spoor. Bas van der Graaf, jarenlang ge-
meentepredikant in Amsterdam en tegenwoordig pionierbegeleider, las met mensen buiten
de kerk de Bijbel. Daarbij deed hij voor hem verrassende ervaringen op. Psalm 23 vonden
de deelnemers mooi, maar dit lied met zijn agrarische achtergrond resoneerde minder dan
van der Graaf had verwacht. In Amsterdam zijn geen herders en schapen. Tot zijn verbazing
deed de ‘zware’ Psalm 32 de deelnemers meer. In de psalm gaat het over zonde, schuld
en vergeving. ‘Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven, van wie de zonden
worden bedekt’, zo begint de Psalm. De dichter spreekt van de bevrijdende kracht van de
schuldbelijdenis die een einde kan maken aan krachteloosheid en lichamelijke stress. ‘Het
idee dat de hedendaagse mens niets meer hee met het begrip ‘schuld’ werd tijdens deze
avond drastisch gelogenstra. De psalm resoneerde tot in de diepste hoeken van het hart’,
schrij Van der Graaf.29
Boeiend in dit verband is ook de aandacht die het weekblad De Groene Amsterdammer in
het extra dikke winternummer – eerder heette dit nummer doorgaans ‘het kerstnummer’ –
van 2018 besteedde aan het thema ‘schuld en vergeving’.30 Het laat zien dat tekortschieten,
schuld en vergeving existentieel zijn binnen ons mens-zijn. Het is dus allerminst een chris-
telijke preoccupatie. In het nummer komt onder meer de rechtslosofe Dorien Pessers aan
het woord.
Ze vraagt nadrukkelijk aandacht voor onze milieuschuld.31 We maken deel uit van een in-
tergenerationele keten, waarbij we verantwoordelijkheid ‘verschuldigd’ zijn aan de genera-
ties die nog gaan komen. Zo licht ‘schuld’ op een nieuwe manier op. Tegelijk ziet ze dat de
schuldervaring, in de zin van ‘verschuldigd zijn’, in bepaalde opzichten afneemt. Apres moi
le déluge, is dan de gedachte, na mij de zondvloed. Die ontkenning van verantwoordelijkheid
hee mogelijk ook te maken met een gevoel van machteloosheid. Het probleem is simpelweg
te groot om te kunnen aanpakken.
29 Bas van der Graaf, ‘De Bijbel in de levens van jonge Amsterdammers’, in: Floor Barnhoorn e.a. (red.), De
Bijbel in Nederland. De plaats van de Bijbel in kerk en samenleving, uitgave NBG 2018, p. 168
30 De Groene Amsterdammer, jrg. 14, nr. 51/52, 20 december 2018
31 Marcel ten Hooven, ‘Na mij geen zondvloed. Interview Het rentmeesterschap van Dorien Pessers’, in: De
Groene Amsterdammer, jrg. 14, nr. 51/52, 20 december 2018, p. 34-47
20
Schuldbesef vinden we ook terug in het denken van de historicus Wilfred M. McClay. Hij stelt
dat Nietzsche’s verwachting dat met het wegvallen van de (christelijke) godsdienst ook het
schuldbesef zou afnemen, niet is uitgekomen. Integendeel, schuldbesef is juist springlevend.
Wel lijkt het op te schuiven van het individu naar het collectief, zo bijvoorbeeld in de klimaat-
discussie. We zijn overgeleverd aan ‘schuldige’ structuren en patronen waar we individueel
weinig aan kunnen doen. Dat hee te maken met de enorme technologische ontwikkeling
die we hebben doorgemaakt en de schade die deze hee teweeggebracht in bijvoorbeeld
ons leefmilieu. De globalisering hee gemaakt dat we op de hoogte zijn van het leed op deze
hele wereld en dat doet een appel op ons. Als dat appel overigens te groot, te onhanteerbaar
wordt, kunnen we doorschuiven naar de slachtoerpositie.32
Van belang hier is ook de al dan niet vermeende beweging van een schuld- naar een schaam-
tecultuur. In onze veeleisende samenleving kunnen gemakkelijk gevoelens van schaamte
ontstaan als we verwachtingen niet waar kunnen maken. Maatschappelijke druk maakt dat
wij de lat ook voor onszelf hoog moeten leggen. We schamen ons als we er vervolgens niet
overheen kunnen komen. Het gaat hier overigens om een zeer complex veld van menselijke
emoties die niet zo eenvoudig goed in kaart te brengen zijn.33
Falen, schuld en het kruis
Het bovenstaande leert ons dat schuld en de erkenning daarvan zeker niet weg zijn, maar een
bevrijdende verbinding met de kruisdood van Jezus Christus wordt bepaald niet automatisch
gelegd en is voor velen in onze ‘doe-het-zelf’ samenleving zelfs volstrekt uit beeld. Het zal
vermoedelijk herkenbaar zijn wat de onderzoeker Joep de Hart hierover schrij: “‘Boete’ of
‘verlossing’ zullen tegenwoordig toch vooral worden opgevat als een nuchtere uitnodiging
niet naast je schoenen te lopen, als de bereidheid te erkennen dat je fouten hebt gemaakt
(steeds vaker publiekelijk), en meer algemeen als een uitnodiging om ‘aan jezelf te blijven
werken’.
32 Wilfred M. McClay, ‘The Strange Persistence of Guilt’, in: The Hedgehogreview, vol. 19 (2017) , nr. 1. Zie
https://iasc-culture.org/THR/THR_article_2017_Spring_McClay.php (geraadpleegd 6 maart 2019)
33 Zie hiervoor Ruard Ganzevoort, Jan Visser, Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pas-
torale begeleiding, Zoetermeer 2007, hoofdstuk 13, ‘Schuld en schaamte’. De ervaringen van de Amerikaanse
missionaris Norman Kraus in Japan – een land met vooral een schaamtecultuur – zijn hier interessant, met
name op het punt van de soteriologie. Zie Mark D. Baker, Joel B. Green, Recovering the Scandal of the Cross.
Atonement in the New Testament and Contemporary Contexts, Downers Grove 2011, hoofdstuk 7
21
Wat dan eerder als een vorm van zelfontwikkeling en het benutten van je potentiële mo-
gelijkheden wordt geïnterpreteerd dan als een oproep te vertrouwen op de genade van de
Schepper van hemel en aarde.”34
Hoe herkenbaar misschien ook, het is toch niet het hele verhaal. Is het mogelijk dat De Hart
toch te zeer uitgaat van ‘de brave burger’? Er verschijnen in onze tijd ook boeken die in mo-
derne en verstaanbare taal aandacht vragen voor het menselijk tekort en het goede van de
vergeving die het Evangelie biedt. Ik noem hier twee buitenlandse auteurs die ook in Neder-
land de aandacht hebben getrokken. Wat ze delen, is het vermogen om in een heel eigen taal,
dus buiten geijkt kerkelijk jargon om, te spreken over de genoemde thema’s.
De eerste auteur is de Lutherse predikante Nadia Bolz-Weber (USA). “Ik heb nooit helemaal
begrepen hoe het christendom ooit zo tam en keurig hee kunnen worden, gezien haar oor-
sprong bij dronkaards, prostituees en tollenaars”, schrij ze.35 Samen met anderen begint ze
een nieuwe kerk, The House for All Sinners and Saints. De naam van de gemeente is op zich al
veelzeggend! Zelf hee ze een ruig verleden van verslaving en verkeerde afslagen, maar ze is
gegrepen door het Evangelie. Woorden als vergeving, schuld, genade en verzoening krijgen
in haar geloofsgemeenschap en in haar boek Vrijspraak voor losers een nieuwe, existentiële
lading.
Nadia Bolz-Weber trekt door wie ze is – haar tatoeages zijn goed zichtbaar – allerlei mensen
aan die in een gemiddelde gemeente zich niet thuis zouden voelen. Met verzoening door
voldoening kan ze niet uit de voeten, maar wel lee ze van de ‘gezegende uitwisseling’ aan
het kruis. “God verzamelt al onze zonden, al ons falen, vallen en bedonderen, neemt dit alles
in zichzelf op en vormt deze dood om tot leven. Jezus neemt onze shit en gee er leven voor
terug.”36
34 Joep de Hart, onderzoeksrapport Christenen in Nederland, uitgave SCP 2018, p. 145. Zie https://www.scp.nl/
Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2018/Christenen_in_Nederland (geraadpleegd 6 maart 2019)
35 Nadia Bolz-Weber, Vrijspraak voor losers. Ieder mens kan zowel zondaar als heilige zijn, Utrecht 2018. Verge-
lijk ook Nadia Bolz-Weber, ‘House for All Sinners and Saints’, in: Ryan Bolger (ed.), The Gospel aer Christen-
dom. New Voices, New Cultures, New Expressions, Grand Rapids 2012, p. 251-259
36 Bolz-Weber 2018, a.w., p. 27
22
De tweede auteur die ik hier wil noemen is de Britse schrijver Francis Spuord. Hij keerde
na 22 jaar atheïsme terug naar het christendom. In 2012 verscheen zijn boek Unapologetic.
Een jaar later kwam de Nederlandse vertaling uit onder de titel Dit is geen verdediging! In
Spuords boek is de onuitroeibare ‘menselijke neiging om dingen te verkloten’ – afgekort tot
MNoDtV – een steeds weerkerend refrein. Het gaat hier niet om ongelukjes en vergissingen,
maar om onze actieve neiging om kapot te maken. Spuord citeert instemmend Leonard
Cohen die in zijn lied ‘Anthem’ onder andere zingt dat ‘there is a crack in everything’. Niets
en niemand is helemaal gaaf. Cohens volgende zin – ‘That’s how the light gets in’ neemt
Spuord ook graag voor zijn rekening, maar bij hem gaat het dan wel primair om het licht
van Jezus Christus. “Hij is hier om de MNoDtV te repareren (…) Vrees niet, zegt Yeshua. Er kan
meer worden gerepareerd dan je denkt.”37
Een gemengd beeld
Het voorgaande leert ons dat er rond ‘verzoening door voldoening’ heel verschillende wegen
worden gegaan. Het laat daarmee zien dat de pionierspraktijk bepaald niet uniform is. Dat is
uiteraard ook geen verrassing, want de pionierswereld weerspiegelt de theologische breed-
te van de kerken. Maar juist omdat veel pioniersplekken geen vanzelfsprekend theologisch
stramien hebben, is onderzoek naar het hoe en het wat van het gezochte en gedeelde ‘heil’
belangrijk. Waar weten nieuwe (geloofs)gemeenschappen te raken aan de existentialen van
hun ‘bezoekers’ en op welke wijze worden deze laatsten daarin geholpen?
Andere ‘heilswegen’
Rondom de beleving van verzoening zien we dus een gevarieerd beeld, dat deels ook zal
samenhangen met ieders persoonlijke biograe. Maar als het klopt dat onze huidige samen-
leving een minder goede antenne hee voor het ‘heil’ dat langs de weg van verzoening via
voldoening op ons aomt, wat betekent dat dan voor de communicatie van het Evangelie?
Zijn er andere aanvliegroutes van ‘heil’ denkbaar? Die zijn er zeker. Ik geef twee praktijkvoor-
beelden, opnieuw uit de wereld van pioniers.
De Anglicaanse pionier Andrew Dunlop, die werkte op een soort van Vinex-locatie in de En-
gelse stad Northampton, komt uit bij een ‘cross-shaped church’ die het van Jezus Christus
37 Francis Spuord, Dit is geen verdediging, Utrecht 2013, p. 135, 149. Vergelijk ook Stefan Paas, ‘Gezien en
beoordeeld: God ontmoeten in onze schuld’, in: Wapenveld, jrg. 64 (2014), nr. 2, p. 13-19
23
moet hebben.38 Centraal daarbij staat de door God gerealiseerde atonement, verzoening.
Dunlop benadrukt daarbij de kosmische Christus Victor dimensie, zoals we die al tegenkwa-
men bij van den Brink en van der Kooi. Deze dimensie hee oude kerkelijke papieren en werd
binnen onze contreien recent nog weer afgesto door Reinier Sonneveld.39 In de dood en de
opstanding van Christus hee God de dood en de toekomstloosheid overwonnen. Deze kos-
mische benadering is een andere dan een meer juridische als die van Anselmus. Ook Dunlop
constateert dat we in onze tijd en onze cultuur voor deze laatste manier van denken niet
echt een goede antenne hebben. Het accent in zijn pionierswerk lag in het opbouwen en zo
nodig herstellen van relaties. Onze samenleving lijdt aan relatieloosheid en juist daar ligt in
de ogen van Dunlop voor de kerk een belangrijke uitdaging. Ze lee immers bij de gratie van
een God die relaties bouwt, herstelt en vernieuwt. De gemeenschap in de nieuwbouwwijk
blij klein. In kwantitatieve zin is het daarmee niet echt succesvol. Dunlop wil zich echter
niet laten ringeloren door getallen, hij kijkt met name naar de vruchten (‘fruit’) van het werk:
in hoeverre worden mensen hersteld in hun relationaliteit, zowel met anderen als met God
als met zichzelf? In dit herstel ligt voor hem een belangrijke maatstaf.
Een tweede voorbeeld komt uit een andere context, die van urbane hoogopgeleide jonge
mensen. Het gaat hier om de wereld van wat we ‘de sterken’ zouden kunnen noemen. Pionier
Gert-Jan Roest, we kwamen hem al tegen, is in zijn Amsterdamse jaren als voorganger van
geloofsgemeenschap Via Nova (gestart in 2002) uitgekomen bij een soteriologie die raakt
aan de afgoderij in onze westerse context. Concreet gaat het daarbij om onze overwaarde-
ring van menselijke kracht, de adoratie voor autonomie en zelfvervulling en onze xatie op
zekerheid en veiligheid. Jezus Christus wil ons daarvan bevrijden. Roest noemt het gebed als
heilzame tegenhanger van de overwaardering van onze eigen kracht, vervolgens de (leren-
de) gemeenschap als gezonde correctie op autonomie en zelfvervulling, en opoeringsge-
zindheid als expressie van een missionaire manier van leven die het niet moet hebben van
zekerheid en veiligheid.40
38 Andrew Dunlop, Out of Nothing. A Cross-Shaped Approach to Fresh Expressions, London 2018
39 Reinier Sonneveld, Het vergeten evangelie, Amsterdam 2018
40 Gert-Jan Roest, The Gospel in the Western context. A missiological reading of Christology in dialogue with
Hendrikus Berkhof and Colin Gunton. Uitgave in eigen beheer 2016, p. 355-365 en Gert-Jan Roest, ‘Een ander
evangelie? Contextualisatie in een verschuivende westerse cultuur’, in: van ‘t Spijker, Visser (red.), a.w., p. 11-
32. Vergelijk hier ook Wim Dekker, Verbonden en vervreemd. Over de God van Paulus op de Areopagus, Utrecht
2018, met name hoofdstuk 5
24
Theologische contextualisering
Beide hierboven besproken vormen van contextualisering – het scheppen van gemeenschap
en het bevrijden van mensen uit ‘afgodische mindsets’ – doen er toe. Ze sluiten aan bij
de groep waarop het initiatief zich richt. Zonder een dergelijke aansluiting is er ook geen
vruchtbare kerkelijke presentie mogelijk. Een ‘suitcase theology’ pakt doorgaans slecht uit.41
Daarmee wordt bedoeld een theologie die keurig opgevouwen in de koers van de acade-
mie is ingepakt en kreukvrij tevoorschijn wordt gehaald in een missionaire situatie binnen
een heel andere setting. Dat levert vaak miscommunicatie op. De zendingsgeschiedenis kent
daar ook tal van voorbeelden van.42
Contextualisering is altijd een spanningsvolle aangelegenheid. Het gebeurt in het spannings-
veld van enerzijds recht doen aan het speciek eigene van het Evangelie en anderzijds het
zoeken naar de verstaanbaarheid ervan. Paulus probeerde het al op de Areopagus in Athene
(Handelingen 17) en sinds die tijd zijn die zoektochten telkens weer opnieuw ondernomen.
Het gaat immers telkens opnieuw om maatwerk. Als we kijken naar beide genoemde vormen
van soteriologische toespitsing – het scheppen van gemeenschap in Northampton en de be-
vrijding uit min of meer dwingende denk- en gedragspatronen in Amsterdam – dan zijn deze
bepaald niet het monopolie van de kerk. Er zijn tal van andere bronnen, groepen en bewegin-
gen die zich hier ook voor inzetten. Soms zijn anderen daar ook veel meer bedreven in dan de
kerk. Dat op zich is uiteraard primair verheugend – coalities van alle mensen van ‘goede wil’
zijn immers een groot goed! – maar het is ook een uitdaging aan de christelijke traditie. Hee
ze een eigen, unieke bijdrage aan het welzijn van mens en samenleving? Zowel Dunlop als
Roest antwoorden daar positief op. Hun theologische drive kleurt de eigen bijdrage, ook als
deze niet altijd in speciek religieuze taal wordt geformuleerd. Bij Roest speelt bijvoorbeeld
het gebed en ook de eschatologische dimensie van het leven een rol. Ook Dunlop hecht zeer
aan het behoud van het eigene van het Evangelie. Zo keert hij zich bijvoorbeeld tegen de
vervlakking van het zogenaamde ‘koninkrijksdenken’. ‘Het Koninkrijk van God’ wordt dan een
41 Baker, Green, Recovering the Scandal of the Cross, p. 192
42 Bij wijze van voorbeeld: Philip Quarles van Uord , ‘Verantwoordelijkheid als valkuil. Drie crises in de rela-
tie tussen de gereformeerde zending en de kerk van Midden Java’, in: Jaap Breetvelt, Philip Quarles van Uord,
Als uw leerlingen tussen de volken. Op zoek naar de missionaire roeping van de Protestantse Kerk in Nederland,
Zoetermeer 2010, p. 189-208
25
term die wordt toegepast op elk positief menselijk streven. Instemmend citeert hij George
Lings: “Without the King, the kingdom is vacuous …. Without Christ’s incarnation, atonement
and the spiritual transformation brought by an encounter with him, kingdom language is in
danger of becoming powerless idealism.”43
Bij beide auteurs zien we dus vanuit een concrete pioniersreis een intensieve theologische
zoektocht groeien. De praktijk ‘dwingt’ tot stevige theologische reectie die hen fundamen-
teel bepaalt bij het eigene van de christelijke traditie. “Missie is de moeder van de theolo-
gie”, zei de Duitse theoloog Martin Kähler al weer ruim een eeuw geleden en dat zien we
terug in de missionaire praktijk van zowel Dunlop als Roest.44 Hun theologie groeit op het
maaiveld, niet daarboven. Dat maakt het tot een spannend proces. Moeten bijvoorbeeld klas-
sieke grenzen rond religie en levensbeschouwing worden doorbroken of is het juist nodig om
die grenzen en de eigenheid daarbinnen weer wat meer te markeren? In onze ‘synthetise-
rende’ samenleving is dat echt een urgente vraag. Het rapport God in Nederland laat zien dat
er druk interreligieus gebricoleerd wordt en dat mensen met gemak spirituele en religieuze
elementen combineren die voorheen elkaar min of meer uitsloten.45 We zien op dit vlak in
de wereld van de pioniers heel verschillende posities en dat maakt onderzoek hiernaar ook
boeiend en belangrijk.
43 Dunlop, a.w., p. 88
44 M. Kähler, Schrien zur Christologie und Mission, München 1971 (repr.), p. 190
45 Bijna een kwart van de onderzochten gaf aan zich verwant te voelen met twee of meer religies. Zie Ton
Bernts, Joantine Berghuijs, God in Nederland 1966-2015, Utrecht 2016, p. 133. We moeten daarbij wel aante-
kenen dat hier ook de verwantschap van christenen met het jodendom is meegenomen. Dat is een vorm van
verwantschap die al met één van de bronnen van de christelijke traditie, te weten de Tenach, is gegeven. Ik
wijs hier ook op een recente eenmalige Glossy die geheel en al was gewijd aan dit thema: MIX. Flexibel gelo-
ven, uitgave Dominicaans Studiecentrum en Vrije Universiteit, Amsterdam 2017
26
‘Zieltjes winnen’
Ik ga over naar het tweede thema, de plaats van Jezus in de theologie van nieuwe geloofs-
gemeenschappen. Is er reden om niet-gelovigen uit te nodigen zich met Hem te verbinden?
Anders gezegd: hee werving een plek binnen nieuwe geloofsgemeenschappen?
Jerry Gort schrij dat het soteriologisch motief het kloppend hart is van de zendings- en
missiewetenschap. Vervolgens stelt hij dat de christologie het brandpunt is van de soterio-
logie. Jezus Christus staat centraal binnen Gods heilsplan voor deze wereld.46 Dat God door
Hem beslissend hee gehandeld in deze wereld, is een theologische positie die breed wordt
erkend en gedeeld. Iemand als bijvoorbeeld de praktisch theoloog Henk de Roest zet er een
dikke streep onder: “Wanneer we Jezus uit de kerk zouden halen, blij er niets van over. Een
kerkelijke gemeenschap, hoe klein ook, die voluit christelijk wil zijn, kan niet anders dan op
een niet-opdringerige manier over haar eerste liefde, Jezus, beginnen.”47 Hij is het hart van
de christelijke gemeente. De diepste identiteit van de kerk ligt daarom ook niet in wat zij
allemaal doet, maar in haar verbondenheid met Jezus Christus. Daar zullen vele missionai-
re werkers mee in kunnen stemmen, maar dat betekent niet automatisch een eenstemmige
praxis. De plaats van Jezus Christus in de pionierswereld is minstens even gevarieerd als in
de bredere kerk. Hij komt voor als ‘voorbeeld’ of ‘inspirator’, maar ook als ‘zaligmaker’, ‘hei-
land’ en ‘verlosser’. Jan Martijn Abrahamse c.s. ontdekten in hun peiling van de drive van een
zestal pioniers dat zij “het Evangelie vooral verbinden met de ‘historische Jezus’. Bijna allen
laten zich inspireren door woorden van Jezus (onder andere de Bergrede, het liefdegebod,
de werken van barmhartigheid, de zendingsopdracht). Daarmee krijgt met name de sociale
betekenis van het Evangelie nadruk: barmhartigheid, naastenliefde, zorgzaamheid voor de
schepping. De nadruk op het kruisgebeuren (‘Hij stierf voor onze zonden en dat moet je
weten’) is hier meer op de achtergrond.”48 Opnieuw raken we hiermee aan soteriologische
vragen.
46 Jerry Gort, ‘Onheil, heil en bemiddeling’, in: A. Camps e.a. (red.), Oecumenische inleiding in de missiologie.
Teksten en konteksten van het wereldchristendom, Kampen 1988, p. 203, 206
47 Henk de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer 2010, p. 137
48 Jan Martijn Abrahamse, Leon van den Broeke, Teun van der Leer en Henk Witte, Pionierend leiderschap:
Een verkenning, nog niet gepubliceerd artikel, bedoeld voor een nog te verschijnen bundel over religieus lei-
derschap.
27
Eerherstel voor ‘bekering’?
Gert Noort schrij in de uitleiding van de bundel Sharing Good News. Handbook on Evange-
lism in Europe (uitgave Wereldraad van Kerken) dat er een zeker consensus groeit rond ‘de
legitimiteit’ van de oproep tot bekering.49 Decennia lang was dit een gevoelig punt binnen
de christelijke traditie. Nu zien we dus dat in missionair-theologische publicaties de ruimte
voor een oproep tot bekering toeneemt. Als voorbeeld noem ik de beleidsnota ‘Kerk 2025’
van de Protestantse Kerk. Als wordt nagedacht over de agenda van de kerk, komen we onder
meer het volgende fragment tegen: “Bij getuige zijn hoort dat mensen zonder gêne worden
geworven voor de kerk. ‘Treed in, of treed weer in!’ Het taboe hierop (‘zieltjes winnen’) hee
te lang verlammend gewerkt.”50
Het papier van deze nota is gewillig, het stribbelt niet tegen. Dat geldt feitelijk voor elke mis-
sionaire nota. Voor het ontdekken van een eventuele werkelijke kentering op dit vlak hebben
we er te weinig aan. We zullen dus de praktijk moeten onderzoeken. Dat is dan ook een van
de speerpunten van het onderzoek: in welke mate zijn nieuwe (geloofs)gemeenschappen
gericht op ‘bekering’ en hoe werkt dit uit in hun praktijken? Tot nu toe is op dit vlak nog
weinig onderzoek gedaan. In empirische zin is hier dus ook nog niet veel over te zeggen. Als
opmaat voor dit empirische onderzoek laat ik hier verschillende stemmen en pleidooien de
revue passeren.
Ik begin dicht bij huis. In 1996 verdedigde ik mijn proefschri, getiteld Gastvrijheid. Het in-
loopcentrum als gestalte van kerkelijke presentie.51 Het onderzoek ging over kerkelijke inloop-
centra die destijds als paddenstoelen uit de grond schoten. Pionieren is dus bepaald niet
van vandaag of gisteren! Wat ik merkte tijdens het onderzoek was dat er een grote terughou-
dendheid was in de verbale communicatie van het Evangelie. Het geloof van de medewerkers
was primair een bron van eigen inspiratie, niet iets dat ze vooral graag wilden communiceren
met de gasten. Alles dat ook maar zweemde naar ‘zieltjes winnen’ en opdringerigheid was
verdacht. Daar zat ook bijna iets antithetisch in.
49 Gerrit Noort, ‘Towards a Common Understanding of Evangelism’, in: Gerrit Noort, Kyriaki Avtzi, Stefan Paas
(Eds.), Sharing Good News. Handbook on Evangelism in Europe, Geneva 2017 (uitgave WCC), p. 331-342
50 Kerk 2025. Waar een Woord is, is een weg, uitgave Protestantse Kerk in Nederland, Utrecht 2016, p. 10
51 Sake Stoppels, Gastvrijheid. Het inloopcentrum als gestalte van kerkelijke presentie, Kampen 1996
28
Een van de doelen van het onderzoek was reectie op principiële zaken binnen dit werk
en het zoeken naar goed beleid. In dat kader kwam ik aan het einde van het boek tot elf
bouwstenen voor beleidsontwikkeling. Een daarvan was ‘een geopende deur naar Christus’.
Daarbij maakte ik heel voorzichtig ruimte voor de uitnodiging aan gasten om zich te verbin-
den met Jezus Christus.52 Mijn promotor, prof. dr. Gerben Heitink, vroeg zich direct al af of
deze move wel verstandig was. Daar was ook wel grond voor, zo bleek al gauw. Er stak een
storm van protest op. ‘Onderzoeker wil zieltjes winnen’, ‘het inloopcentrum als fuik’ en meer
van dat soort kwalicaties kwam ik tegen. Met soms grote felheid werd ik gewezen op het
overschrijden van theologische en missionaire fatsoensgrenzen.
Ik haal deze herinnering op omdat we – in lijn met de constatering van Gert Noort hierbo-
ven – in onze tijd op dit punt een behoorlijke kentering zien.53 Illustratief is bijvoorbeeld de
retorische vraag van de man die mij waarschuwde, Gerben Heitink. Hij schreef in zijn boek
Kerk met karakter uit 2007 onder andere dit: ‘Zieltjes winnen, wat is er eigenlijk tegen?’54
Interessant in dit verband is ook de katholieke theoloog Erik Borgman. In zijn boek Waar
blij de kerk? uit 2015 voert hij een pleidooi voor het winnen van mensen voor het christelijk
geloof. Jezus wilde zijn leerlingen tot vissers van mensen maken (zie Mattheus 4:19) en in
het verlengde hiervan schrij Borgman dat wij elkaar moeten opvissen. Je merkt in het boek
dat hij ergens nog moet wennen aan zijn eigen stellingname, maar hij wil toch serieus werk
maken van dat ‘zielen winnen’. We mogen de zielen van tijdgenoten niet aan zichzelf overla-
ten, schrij hij. ‘De ziel, die in het Grieks wordt aangeduid als psychè, is inderdaad dat wat
een mens leven doet. En juist aan deze ziel leiden hedendaagse mensen massaal schade’55.
52 Ik liet me daarbij inspireren door de theoloog F.J. Pop. Hij schreef in zijn boek Zo is God bij de mensen onder
meer dit: “Zij (de missionair-diaconale werkers, SS) zijn voor hen niet zelf een Christus, want dan zouden zij
het hun onmogelijk maken te eniger tijd zelf een persoonlijke relatie tot Hem te krijgen. Neen, zij lopen alleen
voor Hem uit om hen te laten zien hoe Hij bij hen, met hen, vóór hen, tegen hen is. Zij vertegenwoordigen Hem
onvolledig, omdat Hij veel meer voor hun medemensen is dan zij ooit zouden kunnen worden. Zij nemen zijn
plaats slechts in onder voorwaarde dat Hij zelf zal komen.” (Den Haag 1967, p. 113)
53 Meer hierover in Nynke Dijkstra-Algra en Sake Stoppels, Back to basics. Zeven cruciale vragen rond missio-
nair kerk-zijn, Utrecht 2017, hoofdstuk 2
54 Gerben Heitink, Kerk met karakter. Tijd voor heroriëntatie, Kampen 2007, p. 192
55 Erik Borgman, Waar blij de kerk? Gedachten over opbouw in tijden van araak, Baarn 2015, p. 123
29
Hij schrij dit tegen het maatschappelijke decor van onder meer economische dwang, burn-
out en suïcides. De eeuwigheid speelt hier geen rol, althans Borgman rept er niet over. Zijn
motivatie voor ‘het opvissen’ hee primair te maken met de kwaliteit van het leven hier en
nu.
Een min of meer verwant geluid valt te horen bij de eveneens Rooms-katholieke theoloog
Frans Wijsen. Hij ziet weinig heil in een kerk die vooral naar binnen gericht is en daarbij
ook nog eens vooral in een verzorgingsmodus werkt. Hij pleit voor een sterkere apostolaire
gerichtheid. De kerk zal meer dan nu appellerend moeten zijn en de publieke ruimte moeten
opzoeken. In dat verband refereert hij aan het optreden van Paulus in Athene op de Areopa-
gus (Handelingen 17). Onze eigen Areopagus is vooral een virtuele omgeving en daar ligt dan
ook een grote uitdaging voor de kerken. “Onze verzakelijkte en pragmatische samenleving
hee behoee aan waardenoriëntatie”, zo motiveert Wijsen deze nieuwe oriëntatie.56 Ook
hier zien we dus een immanente focus.
Borgman en Wijsen zijn van dezelfde babyboom generatie en ‘groot geworden’ in een tijd
waarin er grote beduchtheid was voor het winnen van mensen voor het Evangelie. Ze lijken
die beduchtheid nu achter zich te hebben gelaten. Dat is opmerkelijk, zeker bezien vanuit
hun Rooms-katholieke achtergrond. Binnen de Rooms-katholieke traditie in Nederland is er
nooit een sterke concentratie geweest op ‘het winnen van zielen’.57 Zijn we met de genoemde
theologen en ook anderen die pleiten voor meer vrijmoedigheid in het werven van mensen
voor het christelijk geloof door de wervingsbocht?58 Dat is nog maar de vraag.
56 Frans Wijsen, ‘Einde verhaal? Secularisatie, pluralisatie en evangelisatie in Nederland’, in: Handelingen.
Tijdschri voor praktische theologie en religiewetenschap, jrg. 46 (2019), nr. 1, p. 63-70
57 Grensverleggend op dit punt is het boek van James Mallon, Als God renoveert. De parochie van onderhoud
naar bloei, Baarn/Antwerpen 2019. Geïnspireerd door onder meer de Alpha-cursus en het denken van Bill
Hybels en Rick Warren, is er bij hem veel aandacht voor het werven van nieuwe gelovigen.
58 Zie bijvoorbeeld de stelling van PThU-theoloog Henk de Roest: ‘Bij missionaire communicatie overweegt
het appèl. Centraal staat het initiatief om anderen in contact te brengen met het evangelie. Wie getuigt wil een
ander motiveren tot bepaald gedrag, namelijk om God in Jezus te leren kennen. Wie getuigt is er op uit een
ander te involveren in de beweging die van Jezus is uitgegaan. Missionaire communicatie gaat om werving.’
In: En de wind steekt op. Kleine ecclesiologie van de hoop, Zoetermeer 2005, p. 142,143
30
Behoedzaamheid
Boeiend in dit verband is de pioniersbeweging binnen de Protestantse Kerk in Nederland.
In een van haar beleidsnota’s lezen we onder meer dat alle pioniersplekken één verlangen
delen: “een netwerk of gemeenschap vormen waar mensen kunnen ontdekken dat God lief-
de is en nabij wil zijn. Zonder het mensen op te dringen, gunnen wij het hen de waarde
van het christelijk geloof te ontdekken.” Pioniersplekken zijn daarbij volgens dezelfde nota
“nieuwe vormen van kerkzijn voor mensen die niet (meer) naar een kerk gaan. Belangrijke
uitgangspunten zijn afstemming op de context, werken vanuit gedeeld geloof, en het gericht
zijn op duurzame gemeenschapsvorming.”59 De woordkeuze maakt duidelijk dat ‘werving’
zeer zeker deel uitmaakt van de losoe achter de pioniersbeweging, maar ook dat hier heel
behoedzaam wordt bewogen. Dat laatste wordt nog eens onderstreept door de weergave van
Moynagh’s zogenaamde serving rst journey in het Nederlands. Michael Moynagh is de gezag-
hebbende huistheoloog van de Britse fresh expressions beweging. Hij hee ook diepe sporen
getrokken in het Nederlandse pionierslandschap. Zo wordt in Nederland veel gewerkt met
zijn serving rst journey. In zijn boek Church for Every Context ontvouwt hij deze ‘pioniersreis’
die bestaat uit elkaar opvolgende ‘trajecten’:
A serving-rst journey, Michael Moynagh60
Het gaat hier niet om een strak lineaire route waarin de trajecten elkaar van links naar rechts
automatisch opvolgen. Elk traject hee waarde en integriteit in zichzelf en is dus niet slechts
het opstapje naar een volgende fase. Tegelijk gaat het wel om een doorgaande route.
59 Nota PIONIEREN VERKENNEN vanuit de Protestantse Kerk in Nederland, Utrecht z.j., uitgave PKN. Zie
https://www.lerenpionieren.nl/wp-content/uploads/2017/09/A4-Pionieren-vanuit-de-PKN-2018.pdf, p.5
(geraadpleegd 17 april 2019)
60 Michael Moynagh, Church for Every Context. An Introduction to Theology and Practice, London 2012, p. 208
listening loving and
serving
building
community
exploring
discipleship
church taking
shape
do it
again
31
Het is Moynagh te doen om een empathische, contextgevoelige ‘pioniersreis’ die telkens op-
nieuw wordt ondernomen. Elk ‘einde’ is hier een nieuw begin. ‘Exploring discipleship’ hoort
nadrukkelijk in deze reis. ‘Discipleship’ is bij Moynagh direct verbonden met Jezus Christus
en het in zijn spoor willen gaan. Idealiter ontstaat er van daaruit een geloofsgemeenschap
die je ‘kerk’ kunt noemen.
Zoals gezegd, Moynaghs ‘pioniersreis’ is overgenomen door de Protestantse Kerk. Maar daar-
bij is deels gekozen voor ander bewoordingen en die keuzes zijn ergens indicatief voor het
wat andere missionaire klimaat in Nederland.
Moynagh’s ‘pioniersreis’ in het Nederlands61
Op drie punten is gekozen voor een afwijkende overzetting van het Engels naar het Neder-
lands. Allereerst is ‘form community’ omgezet in ‘netwerk ontwikkelen’. Daarin lijkt de ver-
taling tegemoet te komen aan de behoee aan ‘lichte gemeenschappen’ die netwerkachtige
trekken hebben.62 We kwamen hierboven al signalen daarvan tegen. Wat in het kader van
‘werving’ vooral interessant is, is de tweede omzetting, de keuze voor ‘geloven verkennen
als weergave van ‘exploring discipleship’. De Engelse verwoording hee direct te maken met
het verkennen van de optie leerling te worden van Jezus Christus en hem na te volgen, terwijl
‘geloven verkennen’ een veel meer open, oriënterende connotatie hee. Met de vertaling
hee men als het ware meer ruimte en vrijheid willen scheppen. Mogelijk speelde daarbij
ook een zekere allergie voor het begrip ‘discipelschap’ in delen van de pionierswereld een
rol. Ook de derde en laatste omzetting – die van ‘church taking shape’ naar ‘kerkzijn ontdek-
ken – kan worden gelezen als expressie van de behoe aan een vrijere ruimte.
61 Zo bijvoorbeeld in de nota PIONIEREN VERKENNEN, genoemd in noot 59
62 Vergelijk hier het verslag dat PThU-promovenda Marinka Verburg gee over gemeenschapsvorming op pio-
niersplekken: ‘Gemeenschap in de kerk van de toekomst’, in: Handelingen. Tijdschri voor praktische theologie
en religiewetenschap, jrg. 44 (2017), nr. 3, p. 35-43
luisteren lieebben
en dienen
netwerk
ontwikkelen
geloven
verkennen
kerkzijn
ontdekken
nog een
keer
32
Waar Moynagh feitelijk spreekt van kerkwording, spreekt de Nederlandse versie opnieuw
meer oriënterend. Die oriëntatie zou – afgaande op de woordkeus – er ook toe kunnen leiden
dat er geen kerkwording op gang komt. In de praktijk gebeurt dat ook.
Al met al zien we in de Nederlandse versie van de pioniersreis een grotere beduchtheid voor
een al te scherp geproleerde pioniersreis waarin ‘werving’ (‘recruitment’) een min of meer
vanzelfsprekende plaats hee.
Dat spoort met zeer recent onderzoek uit zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Ko-
ninkrijk. Onderzoeksrapporten uit beide landen laten zien dat juist jonge mensen weer gere-
serveerd staan tegenover evangelisatie als ‘recruitment’. De Barna Group uit Amerika en de
Church of England rapporteerden afzonderlijk van elkaar dat christelijke jongeren bijna niets
zien in zending of evangelisatie.63 Het onderzoek van de Barna Group maakt duidelijk dat
christelijke millennials in overgrote meerderheid (94%) geloven dat het beste wat een mens
kan overkomen het leren kennen van Jezus Christus is, maar dat tegelijk bijna de hel van
hen (47%) het verkeerd vindt het christelijk geloof met iemand te delen die een ander geloof
aanhangt vanuit de hoop dat hij of zij zal kiezen voor het christelijk geloof.
Onder de generatie X en de babyboomers ligt dit percentage met 27% en 19% een stuk
lager.64 We zien onder de millennials dus zowel een duidelijke geloofsovertuiging als een
bepaalde terughoudendheid om dit – voor hen zonder meer kostbare – geloof te delen en te
verspreiden. Hee dat te maken met een samenleving die ze niet anders kennen dan uiterst
pluraal en waarin het vooral zaak is met alle mensen ‘van goede wil’ te zoeken naar barm-
hartigheid, vrede en recht? En zijn ze daarin wezenlijk anders dan de boven aangehaalde
‘babyboomers’ die zich ontworsteld lijken te hebben aan hun schuchterheid als het gaat om
werving? Het zou boeiend zijn de genoemde onderzoeken voor de Nederlandse context nog
eens te herhalen.
63 Zie artikel Martine Versteeg in Onderweg online: https://www.onderwegonline.nl/13985-is-zending-uit-de-
tijd (19 maart 2019)
64 Voor de Barna-group zie https://www.barna.com/research/millennials-oppose-evangelism/ (18 maart
2019)
33
Beleving van ‘heil’ aan de ontvangende kant
Ik maak de ‘oversteek’ naar het tweede aandachtspunt binnen de doelstelling van het lecto-
raatsonderzoek, namelijk de beleving van degenen die betrokken raken bij nieuwe (geloofs)
gemeenschappen. Onlangs is binnen de dienst Ondersteuning Gemeente van de Dienstenor-
ganisatie van de Protestantse Kerk een kleinschalig onderzoek gestart naar het eect van pi-
oniersarbeid. Wie worden bereikt en wat gebeurt er met deze mensen in hun verbinding met
een pioniersplek? Worden ze geholpen in hun (mede-)mens zijn en zo ja, op welke manier?
We zitten dan in de sfeer van zogenaamd impact-onderzoek. Dit type onderzoek is op zich
zinvol en vruchtbaar. Initiatieven worden immers genomen omdat er iets mee beoogd wordt.
Er zijn vrijwel altijd zekere verwachtingen en verlangens en het is goed te kijken of deze ook
uitkomen. Langs de weg van onderzoek kunnen we ontdekken wat er werkelijk gebeurt – of
niet gebeurt. Zo kunnen we ook voorbij komen aan mogelijke mythevorming en mistige be-
richtgeving. Er zijn dus goede redenen voor het doen van onderzoek, maar tegelijk betreden
we hiermee een complex en lastig te onderzoeken terrein.
In kwantitatieve zin is er zeker al wel wat zicht op het functioneren van pioniersplekken65,
maar kwalitatieve gegevens ontbreken nog vrijwel. Deze zijn ook moeilijker te verkrijgen.
Wat zouden we bijvoorbeeld willen registreren? En wanneer achten we ‘de opbrengsten’,
afgezet tegen de kosten, voldoende groot om door te gaan? Het Evangelie van Jezus Christus
kent iets als vruchtbare ineciëntie. Een vraag bij de gelijkenis van het verloren schaap uit
Lukas 10 kan dat wat verhelderen: wat is bijvoorbeeld de eciency van de schaapherder
die de 99 schapen in de steek laat om het ene schaap te vinden? De kracht van kerken ligt
mede in hun vermogen te investeren in initiatieven die zich mogelijk niet terug gaan betalen.
Dat neemt uiteraard niet weg dat het goed is projecten kritisch te evalueren, maar hier ligt
dus vanuit de kerkelijke identiteit wel een complicerende factor. Daar willen we binnen het
onderzoek dan ook plaats voor inruimen. Als natuurlijke aangrijpingspunt voor onderzoek
op dit punt zijn er de doelstellingen van nieuwe (geloofs)gemeenschappen. Wat beogen ze
en in welke mate worden de doelen ook gerealiseerd? We zagen hierboven (p. 15 en 16)
al dat het kan kieren tussen dat wat de initiatiefnemers beogen en dat wat ‘de doelgroep’
65 Zie bijvoorbeeld het rapport Op hoop van zegen. Ontwikkelingen, geleerde lessen en uitdagingen na acht
jaar pionieren, uitgave Protestantse Kerk in Nederland, Utrecht 2017. Zie https://lerenpionieren.nl/wp-content/
uploads/2017/01/Tussenstand-pionieren-januari-2017-Op-hoop-van-zegen.pdf (geraadpleegd 3 april 2019)
34
wil en ervaart. Beide gegeven voorbeelden zijn geen incident, maar wijzen op de (vaak?)
voorkomende discrepantie tussen aanvankelijke doelen en doelgroepen en de uiteindelijke
praxis.66 Onderzoek kan hier verhelderend werken en leiden tot bijstellingen. Beleidsmatig
gezien is impact-onderzoek dus een belangrijk instrument. Daarom is er alle reden hierop in
te zetten binnen het totale lectoraatsonderzoek.
Van kenniskring naar kennisnetwerk
Het CHE-lectoraat theologie werkte tot nu toe met een vaste kenniskring. Gedurende de hele
looptijd van een onderzoeksperiode liepen dezelfde onderzoekers mee in het onderzoek. Dat
is een op zich vruchtbare formule gebleken, maar voor de nieuwe onderzoeksperiode is toch
gekozen voor een meer exibele opzet. Vanuit de centrale doelstelling van het onderzoek is
aan docenten binnen de academie theologie de mogelijkheid geboden zich aan te melden
met een speciek onderzoeksvoorstel, rakend aan de centrale thematiek van het lectoraat.
Meerdere collega’s hebben dat gedaan en dat betekent dat de kring van bij het lectoraat
betrokkenen groter zal zijn dan de afgelopen jaren het geval was. Het kennisnetwerk zal
daarmee ook een meer exibel gebeuren zijn, waarbij docenten gedurende de looptijd van
hun eigen (deel)onderzoek zullen participeren in de kring van onderzoekers. Er is ruimte
voor onderzoeksvoorstellen die gaandeweg de onderzoeksperiode nog zullen opkomen. We
hopen op deze manier het lectoraat beweeglijk te houden, meer te integreren in de academie
theologie en ook de lijn naar het onderwijs te verstevigen.
Deelprojecten
De hierboven genoemde werkwijze hee geleid tot een behoorlijk aantal onderzoeksvoor-
stellen. Hieronder volgt een overzicht van de voorstellen die gehonoreerd zijn en in principe
ook zullen worden uitgevoerd. De eerste twee projecten zijn inmiddels begonnen. Het zijn
bredere onderzoekroutes waarin de CHE participeert. De daarop volgende projecten worden
in principe binnen de CHE uitgevoerd. Het overzicht laat zien dat we op heel verschillende
sporen aan de slag gaan. Maar verbindend in deze diversiteit is het zoeken naar verstaanbare
en heilzame vormen van de communicatie van het Evangelie van Jezus Christus. We doen dat
vanuit het geloof en de overtuiging dat ook in onze tijd het Evangelie van onschatbare waar-
66 Een goede illustratie is ook het bereik van de Protestantse pioniersplek ‘mijnkerk.nl’. De daadwerkelijke
‘digitale kerkganger’ blijkt ouder te zijn dan de beoogde doelgroep.
35
de is en dat het dus zaak is te blijven zoeken naar passende vormen en vertolkingen. In dit
verband trof me al weer jaren geleden een uitspraak van de niet-religieuze Joodse socioloog
Herman Vuijsje. Hij maakte in 1989 een pelgrimstocht van Santiago de Compostela naar
Amsterdam. In omgekeerde richting dus, het was voor hem een ‘atheïstische pelgrimage’.
Hij deed er verslag van in een boek dat hij besloot met de volgende woorden: “Eindeloos
versteld, vermaakt en opgekalefaterd, liggen de oude christelijke spulletjes in de uitverkoop,
voor ieder te grijp. De ontwerpen zijn bepaald niet op designers-leest geschoeid. Er is veel
onbruikbare ouwe troep bij, maar er liggen ook spullen tussen die ‘nog als nieuw’ zijn, of be-
ter dan nieuw, omdat die kwaliteit niet meer wordt gemaakt.67 Vooral die laatste constatering
is fascinerend en uitdagend. Kunnen we beddingen scheppen voor een kwaliteit van (samen)
leven die we uiteindelijk niet zelf kunnen en ook niet hoeven maken omdat deze kwaliteit
ons liefdevol wordt geschonken? Deze vraag is een belangrijke grondtoon in het onderzoek.
Kort noem ik de deelonderzoeken die in het kader van het lectoraat op stapel staan.
The Amsterdam Project
Momenteel is een grootschalig survey onderzoek gaande onder alle Amsterdamse christelij-
ke geloofsgemeenschappen. Het wordt uitgevoerd onder auspiciën van een groep van weten-
schappers van verschillende Nederlandse universiteiten (TU Kampen, VU Amsterdam, PThU)
en van de CHE. Het onderzoek wil tal van aspecten van geloofsgemeenschappen in kaart
brengen en is daarbij op zoek naar een typologie van kerken. Het onderzoek zal op parallelle
wijze in meerdere steden in de wereld worden gehouden zodat vergelijking mogelijk wordt.
Het bouwt voort op onderzoek dat is toegepast in de Amerikaans stad Seattle.68 De vraag
naar ‘heil’ maakt onderdeel uit van de vragenlijst. Als pilot wordt dit survey onderzoek mo-
menteel ook toegepast in Veenendaal.
67 Herman Vuijsje, Pelgrim zonder God. Een voettocht van Santiago de Compostela naar Amsterdam, z.p.
1990, p. 234. Boeiend in dit verband is ook het boek van Yvonne Zonderop, Ongelofelijk. Over de verrassende
comeback van religie, Amsterdam 2018
68 Christopher B. James, Church Planting in Post-Christian Soil. Theology and Practice, New York 2018
36
Soteriologische biograeën pioniers
In samenwerking met het Kamper Centre for Church and Mission in the West (CCMW) is
inmiddels een onderzoek gestart naar wat we zijn gaan noemen ‘soteriologische biograe-
en’. Twintig pioniers worden geïnterviewd over hun theologische ontwikkeling, met daarbij
met name aandacht voor de vraag welke soteriologische verschuivingen in de loop van de
pioniersreis zich hebben voorgedaan. Zo willen we zicht krijgen op eventuele theologische
verschuivingen die ontstaan in de praktijk van missionaire presentie. Eventuele patronen
hierin zijn interessant, zeker vanuit het adagium van Kähler dat missie de moeder van de
theologie is.
Heil in het Nieuwe Testament
Aan de hand van de nieuwtestamentische geschrien en de bespreking daarvan in literatuur
uit het nieuwtestamentisch vakgebied (in het bijzonder nieuwtestamentische theologieën)
wordt ingegaan op (a) de vroegste christelijke belijdenissen, (b) de prediking van Jezus zoals
die in de evangeliën naar voren komt, (c) de evangelieverkondiging in de toespraken in Han-
delingen, en (d) de brieven van Paulus. Daarbij wordt telkens de vraag gesteld wat de theolo-
gische kern is van de evangelieboodschap zoals die in deze belijdenissen/verkondiging/etc.
naar voren komt. De nieuwtestamentische theologie laat zich in het algemeen typeren als
veelkleurig rondom een vaste kern. Het valt te verwachten dat dit ook geldt voor het spreken
over het heil. Onderzoeker: dr. Marco Rotman
Goede Vrijdag en Pasen in nieuwe geloofsgemeenschappen
De vraag is hoe in pioniersplekken ‘het kruis’ een plek wordt gegeven. Anders gezegd, hoe
krijgt de theologia crucis vorm binnen pionierende gemeenschappen in een post-christelij-
ke context? Een eerste indruk is dat de dwaze en aanstootgevende kant van de christelijke
verkondiging over Jezus (1 Kor. 1:18-2:5) naar de achtergrond lijkt te worden gedrongen. Dit
werpt de vraag op hoe met name de viering van Goede Vrijdag en Pasen vorm en inhoud
krijgt. Immers in deze vieringen verleent een gemeenschap ‘zin’ aan deze dagen en eta-
leert ze op welke manier de kruisdood en opstanding worden ontvangen en geïnterpreteerd.
Concreet betekent het dat we in de vorm van empirisch onderzoek gaan peilen hoe Goede
Vrijdag en Pasen theologisch-inhoudelijk worden gevuld in nieuwe geloofsgemeenschappen.
Onderzoeker: dr. Jan Martijn Abrahamse
37
Soteriologische biograeën studenten CHE
De theologische gang van CHE studenten theologie willen we gaan volgen. Met welke theolo-
gische overtuigingen komen ze binnen en hoe vertrekken ze na voltooiing (of het areken)
van de opleiding? Het betre dus longitudinaal onderzoek. Ook hier is er een spits richting
soteriologie. Mogelijk breidt het onderzoek zich – gedachtig de stelling van Martin Kähler –
ook nog uit richting alumni.
Heilzame kunst
Er is nu nog weinig zicht op de manier waarop kunst en populaire cultuur wordt gebruikt
in pioniersplekken en andere nieuwe geloofsgemeenschappen. Via dit onderzoek willen we
in kaart brengen op welke manier populaire cultuur en verschillende vormen van kunst al
dan niet worden gebruikt in nieuwe geloofsgemeenschappen om tot een verstaanbare ver-
tolking van het Evangelie te komen. We willen in dit onderzoek niet alleen de rol die kunst
en populaire cultuur nu al spelen in kaart brengen (zowel bij pioniers/vrijwilligers als bij de
bezoekers), maar ook komen tot een handleiding voor pioniers en andere kerkelijk werkers
om kunst en cultuur als vertolkers van ‘heil’ vruchtbaar in te zetten in het functioneren van
nieuwe (geloofs)gemeenschappen.
Onderzoeker: dr. Rinke van Hell
‘Heil’ in het onderwijs
De brede onderzoeksvraag van het lectoraat wijst het meest direct naar de kerkelijke praxis,
maar kan ook worden toegespitst op het praktijkveld van het christelijk onderwijs in het
algemeen en het Godsdienst & Levensbeschouwing-onderwijs in het bijzonder. Immers, ook
christelijke scholen – van welk type dan ook – hebben te maken met identiteitsvragen. De
vraag is of en zo ja, hoe zij zich bezinnen op de vertolking van het Evangelie binnen de set-
ting van maatschappelijke pluraliteit. Het onderzoek richt zich op drie niveaus.
Allereerst is er het microniveau van de concrete schoolpraktijk van elke dag. Welke waarden
zijn in de onderwijspraktijk te zien én welke bronnen kleuren deze waarden? Vervolgens is
er het mesoniveau van de woorden en waarden die we aantreen in visie- en missiedocu-
menten, op websites etc.. Wat wordt hier gecommuniceerd? Tenslotte is er het macroniveau
van het bredere debat, waar we de onderwijskundige en maatschappelijke discussies rond
38
de verhouding tussen onderwijs en religie analyseren en de verschillende wijzen van denken
op dit terrein in kaart worden gebracht.
Onderzoekers: drs. Hanneke de Pater, dr. Jan Marten Praamsma, drs. Corrie de With
Beelden van ‘heil’ in ‘seculiere’ en christelijke publicaties
Momenteel verschijnen er in het Nederlandse taalgebied veel boeken op het gebied van
zingeving en levensoriëntatie. Vanuit heel verschillende bronnen en overtuigingen bieden
auteurs inzichten en wijsheden die de kwaliteit van leven ten goede zouden moeten komen.
Een aantal bestsellers op dit terrein zullen worden geanalyseerd vanuit het perspectief van
‘heil’: welke wegen schetsen zij voor bloei van het menselijk bestaan?
Parallel hieraan kijken we naar recente publicaties waarin (de kern van) het christelijk geloof
wordt uitgelegd voor niet of nauwelijks ingewijden. Ook hier is er de vraag welk ‘heil’ daarbij
wordt geboden en langs welke weg mensen er toegang toe kunnen krijgen. Inhoudsanalyse
kan ons in dit deelonderzoek zicht geven op soteriologische lijnen en accenten in beide
typen publicaties. Belangrijke vraag daarbij is of we hier wegen zien samenkomen of dat er
juist fundamentele verschillen aan het licht komen.
Onderzoekers: drs. Anneke Kloosterman-van der Sluys, Harmen Jan Terwel, MEd
Onderzoek impact
Dit deelonderzoek is een onderzoeksmatige uitwerking van wat hierboven al werd geschre-
ven in de paragraaf over ‘Beleving van “heil” aan de ontvangende kant’. Pioniersinitiatieven
willen heilzaam zijn en dan komt onmiddellijk een tenminste drieledige vraag op: voor wie
blijken deze initiatieven dat te zijn, op welke wijze zijn ze het en hoe fundamenteel is de
‘opbrengst’ voor de betrokkenen? Impact-onderzoek is bepaald niet eenvoudig, vooral niet
omdat het gaat om lastig te registreren (en te isoleren) ‘opbrengsten’. Het beoogde CHE-on-
derzoek zal gaan aansluiten bij een beperkte impact-studie die in het najaar van 2019 vanuit
de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk zal worden verricht. Het lectoraat is bij dit
externe onderzoek betrokken.
Onderzoeker: dr. Bert Roor
39
Samenwerking
Het al genoemde Centre for Church and Mission in the West is een internationaal opererend on-
derzoekscentrum dat is gevestigd aan de Theologische Universiteit te Kampen69. Het wordt
geleid door prof. dr. Stefan Paas, die overigens de eerste lector theologie aan de CHE was
(2006-2010). Het onderzoeksprogramma voor de komende jaren is getiteld ‘Salvation in the
21st Century’. De thematiek van dit centrum en dat van het lectoraat hangen dus ten zeerste
samen. Als research fellow ben ik dan ook verbonden aan dit centrum. We spraken in de kring
van het CCMW al over een eerdere versie van deze lectorale rede en dat leverde goede cor-
recties en aanvullingen op. Via mijn andere werkgever, de Protestantse Kerk in Nederland,
is er al een nauwe verbinding met de afdeling Ondersteuning Gemeenten, in het bijzonder
met het missionair werk daarbinnen. Daarmee is er een directe betrokkenheid op de praktijk.
Beide verbanden zijn vruchtbaar voor het onderzoek binnen de CHE.
Woorden van dank
Er is alle reden voor woorden van dank op deze plek. Mijn dank gaat allereerst uit naar het
College van Bestuur van de CHE dat mij hee willen benoemen op deze plek en daarmee
mij de leiding hee toevertrouwd van het lectoraat binnen de academie theologie. In direct
verband hiermee moet mijn dank ook uitgaan naar de overheid die besloten hee de pensi-
oenleeijd zodanig te verhogen dat het voor de CHE mogelijk werd mij voor een substantiële
periode te benoemen. Zonder die verhoging had ik hier mogelijk niet gestaan. Mijn dank gaat
ook uit naar de vier leden van de tijdelijke kenniskring – Rinke van Hell, Jan Martijn Abra-
hamse, Jan Marten Praamsma en Bert Roor – met wie ik de lectoraatplannen in de steigers
heb kunnen zetten en met wie ik boeiende en leerzame gesprekken heb gevoerd over thema’s
rond het lectoraat. Ze hebben ook stevig meegedacht met dit verhaal.
Blij ben ik ook met de positieve ontvangst van het onderzoek binnen de kring van collega’s
van theologie en de onderzoeksplannen die daar uit voortvloeiden. Ik zie uit naar mooie
opbrengsten die ongetwijfeld gaan komen. Mijn dank gaat ook uit naar Harry Bent en Dirk
van Schepen, met wie ik telkens vriendschappelijk en stimulerende contacten had en heb
rond mijn werk. Bevoorrecht ben ik ook met de ondersteuning die ik voor het lectoraat krijg
van Marina van Hunen. Het is ook goed deel uit te maken van het lectorenberaad aan de CHE
69 https://churchandmission.nl/ (geraadpleegd 24 mei 2019)
40
waar ik mijn plek inmiddels gevonden heb. Er ligt daar de mooie uitdaging te komen tot een
geïntegreerde onderzoeksagenda.
Mijn dank gaat ook richting mijn andere werkgever, de Protestantse Kerk in Nederland. In
mijn aanstelling binnen haar Dienstenorganisatie is er ook een focus op pioniersplekken en
nieuwe gestalten van geloofsgemeenschap. En zo grijpen de beide banen prachtig in elkaar.
In de afgelopen maanden heb ik al gemerkt hoe vruchtbaar deze verbinding is. Het leidt er
wel toe dat er een redelijk structurele onduidelijkheid is over wat ik nu precies voor welke
werkgever doe, maar over sommige vormen van onduidelijkheid kan een mens zich alleen
maar verheugen.
41
Het onderzoek aan de CHE is nadrukkelijk gericht op de praktijk. Daarom nodigen we veld-
werkers en andere practici van harte uit zich te melden rond thema’s die te maken met het
lectoraatsonderzoek. Contact via sstoppels@che.nl
Interesse in het onderzoek?
Lectoraat ‘Zingeving in (geloofs)gemeenschappen’
Christelijke Hogeschool Ede
Oude Kerkweg 100
6717 JS Ede
0318-696300
www.che.nl
Article
Full-text available
There is a particular vulnerability to mission in the secularized societies of Western Europe. Much of this has to do with a loss of confidence, which hinders participation in the mission of God. This article presents an analysis of this vulnerability that comes from a loss of heart, and it offers possible solutions for a bold minority mission as participation in the missio Dei . This includes the de-instrumentalization of mission and rooting it in a doxological approach. Furthermore, the biblical metaphors of exile and priesthood are explored to redefine what it means to do mission from a position of joyful weakness.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.