Conference PaperPDF Available

Caroline Raat, Rechtsstaatlichkeit as an organizational virtue

Authors:

Abstract

In this paper, Caroline Raat combines the concepts of the Rule of Law and Public Sector Ethics to formulate the theory that Rechtsstaatlichkeit can be regarded as an organizational virtue.
:!TiyY.
'rt-
.
'VAE'WtYtq'
r.1
-
S..
.
.., .
n
-
nip-.e
t
-
!,
,',i»':
,
,
'
St
711112
krp~
Um
,,g tJM p
h
t
L•SI1I •JI.#.II..
uzh
IL'I
II,.. ;
,TT
• '''
JL1LJJi0!41
•.
•.g.Iig.
•c
stils
-.
sub ect to
pxtvate law, should comply w!th
the nules in the
CODSUtUUOn
or in other public laws? In
bel
•'.C•
(101 • 0
-
- •fl4Øf.fll.t
lili
1
1
-
S
0
1 S.S
SJ1
.-
p.
ii
iiiit_f
.L Up iiib •II
1 ti-I'L
IIC
C
It'
lIIltLIt
•1l'
tO
IJ Ir
Y
-
J,
)b1
. k
.
JL
-
11 .- Ii •1
JIJ
law
rcahn
Ie
.1
$i1
T
j
[I$....Ij I 1111R
J,
'
.-
L
..
J
t i
-,
SOlI
bi
i
-
s,ct
i
1 RiT
1
ji
iT
-
ïir
'
•çôI&I) 1
1 II
jl
ffl
1
'tJ
I
- .11_ •
0]
IVS4
~
or
SS)54I ".5
i
h'dt *:s
L
el-jb~on
S
the
IS liSt St &S Liii S;!
II
PC
1
fl
Iltc-
l •&
LttL
"
HIS
9
•"
tE S
tt\
•;
LIL!
#.II •LS 1 •
5 (5
E.g. Dommering 1982
The work of Van der Hoeven en this topje can be considered classic. Van der Hoeven 1970
art 3:1 of the Dutch General Administrative Law Act
Cottercil 1996, p. 466
Sclznick 1993, pp. 2989- 290
0
Selznick 1969. p. 259
-3-
r--
4ii.
1'i ,ItÇ'... ii Tv • T
•#. êil,
îirtï.. t
Mi
1
ikI
1hi..
i'.
!ii4JijLC.)jiçcca.j,sTjnwrrrzr,'1aIr
?rTT1flIi
-
• , •s
j
1
i
i Iki!j1!j.
.
!Ua-
.vI[
1.9
14R
.c
, •
1
t
1
j
r
1
"t
4IJ
- •
I
.i]]lFïfl
î4
1r6
ir'''
'ii' t.
'
''
isrrn'
'
ltt
fl
L
11
J
jg
authori
L ,1111 i
r
iL iJj
.
J .1 t
j9t1.ffki.
.
-
J._
Jf.j
ij
L..,
.
' ii
- "
r
1
i
.
..
t
Titf''
il['
..
,
:' •.'
•'.
'
:
"rjj:I:
:r:1
It2-
•'T
•.
11)
j•(_-f..
'rit
t
1
j-
gp.i'.
fl0!
-
-
4c
•njr"n •
..
LbMM - •.F.:
tc
t
t
»
1 EXflTOWeLI this term from Oosting, who used it in his artiele
De last van het recht: recht als opdracht en
als obstakel,
(tr.:The hurden of the law: law as a mission and as an obstacle), Oosting 1989, p. 171
V.
Selznick 1969,
p-
19
Hart 1965.p. 1292
'
Seliniek 1969. p. 18
5-
1 57i'
;a1ï,I(.pIr).
1Ilr-ppt1
.Ui1tTÇ
,
EIF!J
5t•)
,gsct';t.
tôc
1
'
11TIiS
4 FU ii
_______ • .
nhI.I
1 - •
-
• •
.
L
t1
1
organtiafim the nne it
win
dislike the mies and the law In generaL T will tm an example fiom
nw
practice of Dutch alministiaüve law.
•1$
•.
iS,T.),,,¼I
!- -
tt•h ai
t
t
fr
gc .ç tgustt:
tIiispiz. S
t:
1c
21
Webb I9SS,p.137
22
Heffron 1989, pp. 20
- 30
-7-
-
I.d1
t,
ii •"ê-
'tI,
••,kc::
,j'.p •
t
"l7VTt
_Ttî/'T
,
-
ii.
ijLIIdI!L.
jirLj,c
does not
~ly w
it
h the la
w
J.tt.tiici,La
is a
of
IjIITILl!9Ijt?
11ÎT
' 1 flbe
nî"
F91
be~ it
.. '
.
Ç4 4
i - '
s s
-.
ic sissi,
.4fI?
ei v.r .
sla!
. t,,
J
MLJiWL
•L•. , ,
-
is •
1
asLLsLvI:4iL,.
Ilm
____
ii.
S4U$J
i_. JLPII
!Ig
1
!jç4LJ !L9!J
1
1,
4VitI41
n oe
M
..
wei
-
44
r
-
stt
•jsrI
-.
-
•Ui.1
. - .
air'
'.Cadfl
1JLlk,4
1
L. •
.
..
b,LLJL!JjUr; ,,1 II.ijL
SS
!!,S),SI1kLt Jsij.u,
MetsL,t.:aIt1jnJisj.ss
1$
Scheltema 1989, p. 20-22
Becausc their is no legal procedure open or because Liie organization knows by experience that the client
wil] not use it (because It Iacks bureaucratie competence).
27
Eg. Oosting 1989, p. 172
D'it4,,'b;tt
(ø1)1 •1E
rn. -
• j- _-. -•,•
1
ST77Y
,
tÂ.
rfl'? _x._
.i
d.
r
111 •
1
rj
ii*r
II
''t4
IL
ên
.iftpt.
t l.öt'
't
1
I!C1iI)U
-
1
r
j
IJIÏLJT
11
• ,•
-
t
•J lç
ts.1
t tt3
-
t
Ir
ipti ii Ii
•tflhilr
t
$tSiC'
gis.;.
u
u
Iii
i
!I
FI_lil
1
LIL1i
1
1.
1
Ii
r rri
t
1
flfl g
ir
r"
flt1fii •'
i
-
st
.
flffl •ijtTi
c
j.
--
Sse:Ii
Jçsn
xi
' V141Ç
1
iiIIY
EL'T
'
rr'
S1t-..
- -.1
'
-
1
-
and
•g..
-
!
.±rjÏ
1' LItS
II •tIIt
t
•S
•.
it
. ,
,
t,
°
Fuller 1969, p. 33
'
Eg. Graat 1998. This does not rnean that authors agrec on what human dignity means or implies. Bobbio.
for instanec, regards thrce values as the moral essence of the Rule of Law: (procedural) cquality, indivi-
dual autonomy and security. Conerell 1996. p. 459
32
Berlin 1969 p. 122
Berlin 1969, p. 131
-11-
.er ofTie
th
istnx, btn rt is •
special
• .
wiÈr N'
1 f
-
ie •
-±c
.iefççki;çi
.'r
jj
s
j
aii- - '
s
of ~ also deals
S
L
aitmT~ to tum to.
1
product
r'
without pos~
t's
put sorne~ in _,(_
fi
j.
--
J,Er'hs' te)(I
T
7e) !I91i.
F,. • .
-
.
r
•.
'ii .
-
ni'' 'ar.
-
.
liii'!
tiiT1it
£4k 1
1
1H
J
'juqj'
..EI1I1LJJJ1NflJ
r -
.
_____
MIMI
.
'It
, Lft
t
1Tt
'.
L
•t.
. nifl1
-
t. 'i.
-
i_tIt
fl
tj.
ie);.
Ii Jtt.
.
,.
mies,
Jk
: i
__. - .I!d11ptLniIJjI1l,t
ve
r
y
34
See the writings en business clhics, eg. Hoffmann and Frederick 1995
-13-
• •
•Il
S
•'.
t,.
--
-
•Il
u
t
1,-
JIk!14. .
1
Rh.JJIiS!aI!LÎl
,
EE.1.LLL
1.Mgr
!1!I__
?9'
ff
k -
« '
inn
...
Ii •' -
1
T •
. !ILI
£1frug.IurM
II
-
S•i
'_,-, -
1
.
bas
re
Ir
i..1
S t'
(.)i!i-.
t
tCji..dM t
Lii ..1t .:c
Mq
-
C&m.
Ir '.i)ffltitss
i
ii
S_I
,
.
Ö15 $5
'C'tj
15 t
S
1t'fd
tS)J tjt_i5t,riIt lii
StES
.41
S
1.--....
S'
ii
L.
ii t.
r'.i.tnun'
•tflciü
r
i.:hrii
y..
iIil
k
.J1
"it IsSS
til
)ruj U jL.
!
L
11
FU
rJr
•t?SfJJ.L
L-.,u.
St
alt
SItlilt'
5!
S
IC
t
.
fP4.-
J.i,
•..s.
s.&
:j
'
Bovens 1989, p. 17
In ethical literacure fliere is no agreement on what ii is. The discussion focusses on fonnal issues: whether
an organization can be held responsible and under wint conditions an actor is responsible.
°
Hart 1968, pp. 211-230
"
Bovens 1990, p. 33
Bovens 1990. pp. 34 and 35
'
Bovens 1989, p. 30
"
Witteveen 1989, p. 83
-15-
11%J
.
flrrin'
. .
5.
Cocujsiopi AND AGENDA
-,
J00 P7d'r
! IP1LIiLIU¼
.
____
a
j
j-
,!,•
rt'L fljj
.b.
•'i
...-.
.i1l
i '.
fl_1
ir
.
r-
-
..
...- -
jij
11111111
111111
;111111
Ijl
11
1
11 '
~
1
,
0
0
, 4
1
0
rk
1 11
-- 0 m
e
~
Ijl
- j,'ï
r'çrii',
juIsi
li
-
•:.)E.
-
.
-
i':l
jijI0'01,jl
!#It Jfjiii
Redits~ Mits soit of l
mus
dorle
Sd
ailek tn
1969.
he
37
In
this paper t
focussed on (he traditions of the
Rechtsstaat
and the responsible organization. In the rest of
in>'
research 1 wil] introduce the third tradition further: that
or
organizational culture.
'
Selznick 1993, p. 237. The development of organizations
from
being
goal-driven i
n
to valueriven he
calls (thick) institutionalization.
-17-
Hal 1965
H.LK Hait 'Dook &vlew, lai Ftifler liie Morality of IatV, frt
Hazwzi Law
lttv
1965, pp 1281 -
1296
Heffron 1989
Tan
'
Hoffiman & F~ 1995
MeGras-M kn, Ncw York 19%
44#
bit
't,
,
in
rirzi
14
t
lEs)]
-19-
1.
Inleiding
De angst voor de computer zoals men die in het begin van de zeventiger jaren kon waarnemen lijkt
voorbij. In februari 1971 ontaardde de voikstelling, waarbij burgers werden verplicht zich te laten
registreren, nog in een staaltje van onvervalste burgerlijke ongehoorzaamheid. Opinieweekbladen als De
Groene Amsterdammer en de Nieuwe Linie spraken destijds van een ware angst voor de computer'. Het
"Big Brother" gevoel speelde een grote rol bij de protesten tegen de volkstelling. De computer was toen
nog een relatief onbekend en ongrijpbaar fenomeen waaraan allerlei mogelijkheden werden toegedicht.
Er bestond een wantrouwen tegen de overheid en tegen de computer die het mogelijk maakte om
gegevens over de burgers vast te leggen. Burgers waren bang dat de over hen geregistreerde gegevens
zouden worden misbruikt en dat hun vrijheid en privacy in gevaar zou worden gebracht. Inmiddels, in
de jaren negentig, maken de meeste burgers zich, vreemd genoeg, minder zorgen over de wijze waarop
informatie over hen wordt geregistreerd. Dit registreren gebeurt al lang niet meer alleen door
overheidsinstellingen. Elke burger is tegenwoordig voorzien van een goed gevulde portemonnee. Tegen-
woordig is die portemonnee echter niet gevuld niet contant geld maar met een scala aan pasjes: bank-
pasjes, idantenkaarten, creditcards, Ainniles-pasjes en pasjes waarmee men toegang heeft tot medische
voorzieningen. Het wordt intussen heel normaal gevonden dat persoonlijke informatie wordt gegeven
aan supermarkten, ziekenhuizen, verzekeringsmaatschappijen en andere voorzieningen en instellingen.
Soms worden deze gegevens zelfs graag afgestaan in ruil voor bonuspunten en aantrekkelijke kortingen
en aanbiedingen. Slechts weinigen maken zich zorgen over wat er met hun (persoonlijke) gegevens
gebeurt. Dit terwijl Big Brother juist nu meer op de loer ligt dan ooit en de door George Orwell in zijn
boek "1984" beschreven maatschappij vervaarlijke overeenkomsten vertoont met de werkelijkheid.
Protesten zoals we die in de zeventiger jaren hebben gekend komen er echter niet of nauwelijks. De
privacybescherming staat niet hoog op de politieke agenda en leeft niet of nauwelijks onder de burgers.
De burger lijkt meer waarde te hechten aan electronisch sparen dan aan de bescherming van privacy'.
In 1989 is de Wet Persoonsregistratie (WPR) ingevoerd, die de mogelijkheden van de burger om zich te
verweren tegen inbreuken op de privacy heeft vergroot. Van deze mogelijkheden is tot op heden niet of
nauwelijks gebruik gemaakt'. Er is tot nu toe slechts een beperkt aantal klachten ingediend over de
omgang met persoonsgegevens en het aantal verzoeken om inzage te krijgen in persoonsgegevens is even-
eens klein te noemen. De mogelijke oorzaak hiervan is dat de wet star en bureaucratisch is en dat het
accent meer ligt op procedures dan op de bescherming van de persoonlijke levenssfee?. De opvolger van
de WPR, de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WUP) legt de nadruk weliswaar wat meer op de
bescherming van de privacy maar nodigt de burger nu ook weer niet direct uit om een kritischer houding
aan te nemen.
Intussen voltrekt zich wat in de Memorie van Toelichting bij de WEP wordt genoemd "een nieuwe
industriële revolutie, die op langere termijn mogelijk niet onderdoet voor de vorige". De drang naar het
vergaren en het verspreiden van informatie is groot. Veel partijen hebben belang bij het vergroten van
1
J. Rolvast,
Op weg naar een risicoloze maatschappij?. diss. 1986, p. 147.
2
1.EJ. Prins,
De beschenning van persoonsgegevens: de betrokkene betrokken.
in: Privacy en informatie, 1998, rit
1. P. ?7?
3
D.W.F. Verkade,
De ontwikkeling van bescherming van persoonsgegevens in de rechtspraak,
Bundel
RerkvcnsiPrins. 2e druk, 1998, p. ???
4
J. Itolvasi, Wet Bescherming persoonsgegevens: overzicht en stappenplan,
in: Privacy en informatie, 1998. nr. t,
p.
4
.
5
Kamerstukken 25892, Tweede Kamer, vcrgaderjaar 1997-1998, nr. 3, Memorie van Toelichting,
p.
3.
-3-
aan de inhoud van het begrip privacy een andere, ruimere opvatting toe te kennen. Het begrip privacy zou,
aldus deze schrijvers, te zeer zijn opgehangen aan een te eenzijdige invulling van privacy namelijk
informationele privacy. Hierbij wordt informationele privacy vertaald met de mogelijkheid van het
individu om autonoom controle uit te oefenen over wat er met zijn persoonsgegevens gebeurt. De huidige
privacywetgeving sluit zich bij deze invulling van de informationele privacy aan door aan het begrip
persoonsgegeven een strikte invulling te geven. Een individu kan slechts gebruik maken van de in de
privacywetgeving opgenomen beschermingsmaatregelen wanneer er sprake is van omgang met
persoonsgegevens welke zijn terug te voeren tot aanwijsbare, afzonderlijke personen. Door deze, te
beperkte, benadering van het begrip privacy wordt voorbij gegaan aan de mogelijkheden die de
informatie- en communicatietechnologie heden ten dage biedt. De schrijvers bepleiten een andere,
ruimere invulling van het privacybegrip die beter aansluit bij deze ontwikkelingen. Binnen het
privacybegrip zou ook plaats moeten worden ingeruimd voor categoriale privacy en categoriale privacy
zou bovendien moeten worden erkend als een schending van de privacy van individuele personen.
Het betoog is als volgt opgebouwd: na de inleiding wordt allereerst aandacht besteed aan (de geschiedenis
van) het begrip privacy en de wijze waarop dit begrip tot op heden wordt ingevuld in nationale en
internationale wetgeving. Vervolgens wordt ingegaan op het begrip categoriale privacy. Bij categoriale
privacy is er sprake van verwerking van gegevens over personen in groepsprofielen. Om inzicht te krijgen
in de mogelijkheden die er tegenwoordig bestaan om gegevens te vergaren, te analyseren en te verwerken
wordt er, na de introductie van het begrip categoriale privacy, aandacht besteed aan datamining. Aan de
hand van een casus wordt verduidelijkt hoe groepsprofielen in de praktijk gebruikt kunnen worden en met
welkdoel. Daarna wordt met behulp van jurisprudentie stil gestaan bij de wijze waarop het privacy-begrip
in de internationale grondrechten vorm heeft gekregen om vervolgens de vraag te beantwoorden of
categoriale privacy ook binnen de reikwijdte van dit privacy-begrip zou kunnen vallen. Nadat de
internationale regelgeving aan bod is geweest wordt stil gestaan bij de wijze waarop het grondrecht op
privacy is verankerd in onze nationale wetgeving en in hoeverre deze wetgeving voldoende bescherming
biedt tegen inbreuken op categoriale privacy. Vervolgens worden er enkele voorlopige conclusies
getrokken ten aanzien van de in de probleemstelling gestelde deelvragen.
Alvorens toteen definitieve afronding te komen wordt aandacht geschonken aan de mening van een aantal
schrijvers dat de ontwikkelingen in de informatietechnologie een nieuweinvulling van het privacy-begrip
noodzakelijk maken. Bekeken zal worden in hoeverre deze nieuwe interpretatie mogelijk gevolgen kan
hebben voor de bescherming van individuen wiens categoriale privacy wordt geschonden. Het betoog
wordt afgesloten met enkele beschouwingen en aanbevelingen.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Op weg naar een risicoloze maatschappij?. diss
  • J Rolvast
J. Rolvast, Op weg naar een risicoloze maatschappij?. diss. 1986, p. 147.
Wet Bescherming persoonsgegevens: overzicht en stappenplan
  • J Itolvasi
J. Itolvasi, Wet Bescherming persoonsgegevens: overzicht en stappenplan, in: Privacy en informatie, 1998. nr. t, p. 4.