Technical ReportPDF Available

Learning communities voor MMIP's: een schakel voor versnelling en opschaling

Authors:
  • Windesheim University of Applied Sciences
Verkenning
uitgevoerd door:
Erik Knol en Evert-Jan Velzing
Learning communities
voor MMIP’s:
een schakel voor
versnelling en
opschaling
Learning communities
voor MMIP’s:
een schakel voor
versnelling en
opschaling
Verkenning op verzoek van Topsector Energie
(Human Capital Agenda) en in opdracht van
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Finale versie.
Opdrachtnemer:
Verkenning uitgevoerd door:
Erik Knol en Evert-Jan Velzing
Knol, E. & Velzing, E-J. (2019). Learning communities voor MMIP’s: een schakel voor versnelling en opschaling. Verkenning
op verzoek Topsector Energie en in opdracht van RVO.
Pagina 2 uit 35
INHOUDSOPGAVE
Samenvatting .......................................................................................................................................................... 3
1. Inleiding .......................................................................................................................................................... 5
1.1. Achtergrond ......................................................................................................................................... 5
1.2. Doel van verkenning ............................................................................................................................ 7
2. Innovatiebeleid .............................................................................................................................................. 8
2.1. Missiegedreven innovatiebeleid .......................................................................................................... 8
2.2. Drie typen MIS ..................................................................................................................................... 9
2.3. Missiegedreven innovatieprogramma’s ............................................................................................ 10
3. Verspreiding van innovatie .......................................................................................................................... 11
3.1. Urgentie adoptie klimaatoplossingen = werken aan innovatieverspreiding ..................................... 11
3.2. Kennis en kunde belangrijk voor succesvolle innovatieverspreiding ................................................. 12
3.3. LC’s van betekenis voor ontwikkelen én uitrollen van kennis en kunde ........................................... 13
4. Condities learning communities................................................................................................................... 15
5. Verbinding MMIP’s en LC’s .......................................................................................................................... 18
5.1. Betrokkenheid beroepsonderwijs bij MMIP-innovatieprojecten ...................................................... 18
5.2. Tendercriteria .................................................................................................................................... 19
5.3. De MMIP-organisatie ......................................................................................................................... 20
5.4. Hulpmiddelen zoals learning communities-procestool ..................................................................... 21
5.5. Mogelijk potentieel van LC’s in relatie tot bevindingen beleidsevaluaties ........................................ 21
6. Conclusies .................................................................................................................................................... 23
7. Aanbevelingen ............................................................................................................................................. 25
Referenties ............................................................................................................................................................ 27
Bijlagen .................................................................................................................................................................. 30
Bijlage 1: Begeleidingscommissie, geïnterviewden en deelnemers expertworkshop.................................... 30
Bijlage 2: Overzicht Integrale Kennis- en Innovatie Agenda van het Klimaatakkoord ................................... 31
Bijlage 3: Tendercriteria ................................................................................................................................. 32
Pagina 3 uit 35
SAMENVATTING
Dit rapport is het resultaat van het verkennend onderzoek naar learning communities (LC’s) in relatie
tot MMIP’s (missiegedreven meerjarige innovatieprogramma’s), in opdracht van RVO (Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland) en op initiatief van de Topsector Energie.
Learning communities is als denkmodel verder ontwikkeld door de topsectoren om in een
veranderende context (samenleving, technologie, arbeidsmarkt, etc.) een nieuw perspectief te geven
op een ‘leven lang leren en ontwikkelen’. De gedachte achter learning communities is dat leren,
werken en innoveren in onderlinge interactie plaatsvinden met betrokkenheid van alle relevante
partijen. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om niet alleen de noodzakelijke vorderingen te maken
met opbouw van kennis, maar ook het grootschalig verspreiden van kennis en kunde onder andere
via het opleiden van professionals te stimuleren.
In de eerste helft van 2019 worden 13 MMIP’s uit het ontwerp-Klimaatakkoord uitgewerkt. Dit wordt
gedaan in opdracht van de ambtelijke commissie voor Klimaat en Energie en het Topteam Energie
van de Topsector Energie. Deze innovatieprogramma’s moeten niet alleen gericht zijn op het
stimuleren van onderzoek en ontwikkeling, maar juist ook gericht zijn op het stimuleren van
innovatieverspreiding. Alleen op die wijze wordt het mogelijk om de gestelde doelen (missies) te
realiseren. Daarbij is het nodig om learning communities bijdragen te laten leveren aan het realiseren
van de MMIP-doelstellingen, omdat learning communities zowel gericht zijn op kennisopbouw als op
het opleiden van professionals en overige vormen van verspreiding van kennis en kunde. Er is
enthousiasme bij hogescholen en ROCs om met het bovengenoemde aan de slag te gaan.
De centrale conclusie van de verkenning is:
Missiegedreven innovatie kan alleen succesvol zijn als er niet alleen wordt ingezet op het
ontwikkelen en voortdurend vernieuwen van kennis en kunde, maar er ook voldoende professionals
zijn met relevante kennis en kunde die nieuwe toepassingen kunnen ontwikkelen en op grote schaal
kunnen implementeren. Deze kennis en kunde raken veel aspecten, zoals: feiten, handelingen,
vaardigheden, ervaring en kennis van (sociale) systemen. Door de snel veranderende samenleving,
technologische ontwikkelingen en urgentie met betrekking tot klimaat- en energietransitie heeft
de arbeidsmarkt en met name het bedrijfsleven behoefte aan meer snelheid voor wat betreft het
opleiden van professionals, vanzelfsprekend met relevante en toekomstgerichte kennis en kunde.
Uit de verkenning blijkt dat learning communities een belangrijke schakel zijn in het opbouwen én
verspreiden van de benodigde kennis en kunde via initieel onderwijs, leven lang ontwikkelen en
andere kanalen. Het is zaak om slimme strategieën te ontwikkelen om learning communities te
bouwen. Alleen dan komen de missiegedreven innovatieagenda en de human capital agenda samen
en ontstaat een situatie waarbij met voldoende capaciteit impact wordt gemaakt met de
grootschalige uitrol van klimaatoplossingen (van een tiental gigawatts aan opgesteld vermogen van
windturbineparken op de Noordzee tot honderdduizenden woningen die verduurzaamd zijn) en
reductie van broeikasgassen wordt gerealiseerd.
Aanvullende conclusies:
Verder dient te worden onderkend dat het beroepsonderwijs onmisbaar is in innovatieverspreiding
en dat het daarom een integraal onderdeel moet zijn voor missiegedreven innovatiebeleid.
Meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s kunnen niet succesvol zijn zonder een slimme
strategie voor het aanjagen en het versterken van learning communities. Tegelijk moeten we nog
Pagina 4 uit 35
veel leren over hoe het beroepsonderwijs en learning communities kunnen bijdragen aan het
innovatiesysteem.
Aanbevelingen voor vertegenwoordigers van (de uitvoering van) MMIP-beleid en
vertegenwoordigers uit het beroepsonderwijs en samenwerkingen onderwijs-bedrijfsleven zijn:
Ontwikkel per MMIP een strategie om te komen tot een optimaal samenspel van leren, werken en
innoveren. Onderzoek daarbij de rol van het beroepsonderwijs en learning communities als schakels
in het innovatiesysteem, want op dat vlak is het nodig om meer inzichten te verkrijgen.
Aanbevelingen gericht op vertegenwoordigers van (de uitvoering van) MMIP-beleid:
Laat (innovatie)programma’s geïnitieerd vanuit verschillende geledingen elkaar (inhoudelijk en
financieel) versterken waar het gaat om innovatieverspreiding, de Human Capital Agenda (HCA) en
het aanjagen en opbouwen van learning communities.
Voor meer succes met het realiseren van MMIP-ambities is het zaak om per MMIP de rol en bijdrage
van het beroepsonderwijs in innovatiespreiding concreet te maken. Maak ook per MMIP het netwerk
van relevante actoren en initiatieven transparant die de potentie hebben MMIP-relevante learning
communities neer te zetten en door te ontwikkelen teneinde ondersteuning te leveren aan de
MMIP-ambities.
Ontwikkel een monitor over hoe vanuit de MMIP’s vorderingen worden gemaakt met het aanjagen
en versterken van MMIP-relevante learning communities. Reflecteer periodiek op knelpunten en
oplossingsrichtingen als het gaat om het betrekken van het beroepsonderwijs, bedrijfsleven en
learning communities bij MMIP-innovatieprojecten.
Neem in de tendercriteria de aspecten human capital, kennisuitwisseling en innovatieverspreiding
mee, zodat learning communities (en betrokken partijen) zich hierin herkennen.
Aanbevelingen gericht op vertegenwoordigers uit het beroepsonderwijs en van
samenwerkingsverbanden onderwijs-bedrijfsleven:
Gebruik de MMIP’s als inhoudelijk uitgangspunt voor speerpunten binnen onderwijsinstellingen en
learning communities. Gebruik MMIP’s ook als impuls om in samenwerking met het bedrijfsleven en
overige actoren (onderzoekers, gebruikers, bewoners, etc.) in de regio te werken aan
onderwijsvernieuwing (inhoud, flexibiliteit, digitalisering, leerkolom) en innovatie-ecosystemen
(rekening houdend met toenemende implementatiecomplexiteit) en het leggen van bovenregionale
verbindingen.
Versterk als publiek-private samenwerkingen de condities (ten aanzien van focus, verbinding
agenda’s, leer- en onderzoekomgevingen, faciliteiten, lange termijn betrokkenheid en opschaling)
om door te groeien naar MMIP-relevante learning communities. In het kader daarvan: ontwikkel en
experimenteer met instrumentarium (zoals de learning communities-procestool) om publiek-private
samenwerkingen te helpen learning communities op te bouwen en te borgen.
Pagina 5 uit 35
1. INLEIDING
1.1. Achtergrond
Dit rapport is het resultaat van het verkennend onderzoek naar LC’s (learning communities) in relatie
tot MMIP’s (meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s), in opdracht van RVO (Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland) en op initiatief van de Topsector Energie. Dit rapport is opgesteld in
een context waarin meerdere ontwikkelingen parallel plaatsvinden:
- De overheid heeft in 2018 een nieuw innovatiebeleid geïntroduceerd: het zogenaamde
missiegedreven innovatiebeleid (MinEZK, 2018a);
- Vele partijen hebben gewerkt aan het ontwerp-Klimaatakkoord dat in december 2018 is
gepubliceerd (SER, 2018b);
- In het beroepsonderwijs (mbo en hbo) is in het afgelopen decennium hard gewerkt aan
diverse publiek-private samenwerkingen (onderwijsvernieuwing, praktijkgericht onderzoek
en leven lang ontwikkelen);
- De topsectoren hebben in 2017 een nieuw denkmodel voor een leven lang ontwikkelen
geïntroduceerd: learning communities, en samen met NWO in 2019 twee calls gepubliceerd:
Human capital - Leren in learning communities’ en ‘Human capital - Future of work’.
- De krapte op de arbeidsmarkt noopt partijen om vol in te zetten op innovatie (sociaal en
technologisch) om het werk slimmer en efficiënter (=minder arbeidsintensief) te organiseren.
Klimaatakkoord en missiegedreven innovatiebeleid
Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) stelt dat de uitdagingen omtrent
grondstoffenschaarste en energietransitie een ander innovatiebeleid vergt (MinEZK, 2018a). Het doel
is dat het innovatiebeleid dan zowel bijdraagt aan technologische oplossingen voor maatschappelijke
vraagstukken als aan kansen voor het Nederlands verdienvermogen. De missies die de minister
formuleert zijn de basis voor de innovatiebeleidsprogramma’s. Dit missiegedreven innovatiebeleid
richt zich op het innovatiesysteem in al zijn facetten: van fundamenteel onderzoek, het ontwikkelen
en toepasbaar maken van innovaties tot en met de grootschalige uitrol van innovatieve oplossingen.
In opdracht van de ambtelijke commissie voor Klimaat en Energie en de Topsector Energie (TSE)
werken teams in de eerste helft van 2019 de programmering uit van de dertien meerjarige
missiegedreven innovatieprogramma’s (MMIP’s) uit het ontwerp-Klimaatakkoord (MinEZK, 2018b;
SER, 2018b). Deze programmering vormt de basis voor de middeleninzet van 2020. Bijlage 2 geeft
het volledige overzicht van de Integrale Kennis- en Innovatie Agenda (IKIA) van het Klimaatakkoord,
inclusief details over de missies en de focusgebieden van de 13 MMIP’s. Dit jaar is het TKI Urban
Energy reeds gestart met een oproep (call) verbonden aan twee MMIP’s: MMIP-3 Versnelling
energierenovaties in gebouwde omgeving en MMIP-4 Duurzame warmte (en koude) in de
gebouwde omgeving (inclusief glastuinbouw) (MinEZK, 2019a).
Publiek-private samenwerkingen en initiatieven gekoppeld aan HCA Topsector Energie
Het onderwijs werkt veel samen met bedrijven aan kennisopbouw en -uitwisseling, opdat voldoende
gekwalificeerde professionals worden opgeleid. Inmiddels zijn er in Nederland 180 publiek-private
samenwerkingen in het mbo en het hbo waar wordt ingezet op het initiële onderwijs, het leven lang
ontwikkelen en praktijkgericht onderzoek. Circa 50 samenwerkingen zijn actief op het gebied van
duurzaamheid. Het initiatief Katapult, een netwerk van samenwerkingsverbanden tussen
beroepsonderwijs, bedrijfsleven, onderzoek en overheid, is betrokken voor onder andere uitwisseling
van kennis en ervaringen. Verder startte het Regieorgaan SIA in 2017 met lectorenplatforms
1
waar
lectoren van verschillende hogescholen thematisch samenwerken rondom urgente maatschappelijke
1
http://www.regieorgaan-sia.nl/netwerk+en+kwaliteit/lectorenplatforms
Pagina 6 uit 35
vraagstukken. Voor de energietransitie zijn drie platforms geïnitieerd: Urban Energy
2
,
Energievoorziening in Evenwicht
3
en Biobased Economy. In de afgelopen jaren is een nauwe
samenwerking ontstaan tussen de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) en deze platforms.
In het mbo wordt gewerkt met practoraten waar er nog maar een zeer beperkt aantal van bestaan.
4
Ook zijn er initiatieven opgezet om (op deelgebieden) de doelstellingen van de HCA (human capital
agenda) van de Topsector Energie te realiseren. Het gaat om CAREER
5
(o.a. verbonden aan TKI Wind
op Zee), Landelijk Biobased Kennisnetwerk
6
(o.a. verbonden aan TKI Biobased Economy) en
De Uitdaging(grootschalige samenwerking tussen beroepsonderwijs, bedrijven, gemeenten en
andere belanghebbenden om voldoende professionals op te leiden ten behoeve van de
energietransitie) (Topsector Energie, 2018a).
Learning communities
Samenleving en arbeidsmarkt transformeren. Technologie stelt het maatschappelijk en persoonlijk
aanpassingsvermogen op de proef, zeker waar het gaat om digitale technologie (automatisering en
robotisering). Ook globalisering en flexibilisering vereisen aanpassingsvermogen. Tegelijkertijd
schreeuwen bedrijven om personeel en zijn er aanzienlijke personeelstekorten. De verwachting is dat
het gebrek aan personeel verder gaat toenemen de komende jaren (o.a. ROA, 2017; SER, 2018c).
Om in deze veranderende context een nieuw perspectief te geven op een ‘leven lang leren en
ontwikkelen’ hebben de topsectoren een denkmodel ontwikkeld om leer-, werk- en innoveer-
omgevingen te kunnen stimuleren: learning communities (o.a. Topsectoren & PBT, 2017c).
Het uitgangspunt voor dit denkmodel is dat er in een learning community (LC) sprake is van een
krachtige verbinding tussen leren, werken én innoveren. Wanneer we specifieker kijken naar leren -
in relatie tot werken en innoveren - dan gaat het om:
1) Het behalen van de benodigde minimumeisen voor wat betreft kennis en kunde om als
(reeds werkende) professional volwaardig deel te kunnen nemen aan de arbeidsmarkt;
2) Leren om als professional en als groep van professionals te kunnen reageren op (snelle)
sociaal-culturele, technologische en economische veranderingen; en
3) Leren als proactief onderdeel van het proces van innoveren en gericht op het ingang zetten
van nieuwe ontwikkelingen.
Een LC moet succesvolle vormen van leren, werken en innoveren vast kunnen houden en door
kunnen geven (bestendig maken).
Er bestaat geen blauwdruk voor een LC. Het concept LC is een inspirerend en enthousiasmerend
denkmodel met de wens om bestaande en nieuwe leer-werkomgevingen tot hogere effectiviteit
te brengen. Voorbeelden van bestaande leer-werkomgevingen zijn Centra voor Innovatief
Vakmanschap (CIV) in het mbo en Centres of Expertise (CoE) in het hbo. Maar ook andere
aanduidingen van bedoelde leer-werkverbanden komen veelvuldig voor: fieldlabs, kenniskringen,
living labs, innovatielabs, campussen of hubs. Vaak hebben deze verbanden al meerdere
karakteristieken die beantwoorden aan het LC-model.
De behoefte om dergelijke verbanden verder te ontwikkelen tot succesvolle LC’s is groot. De
topsectoren hebben in hun onderzoeksrapport ‘Wat maakt dat het werkt’ (Topsectoren & PBT,
2017c) inzichten verzameld over hoe een effectieve LC kan worden ontwikkeld. Deze inzichten zijn
echter nog onvoldoende onderbouwd. Eén van de belangrijkste aspecten van een succesvolle LC is
de mate waarin deze aansluit bij de manier waarop mensen leren. Daarover gaan de
eerdergenoemde NWO-calls (NWO, 2019a, 2019b).
2
http://nlurbanenergy.nl
3
https://specials.han.nl/sites/leve
4
https://www.practoraten.nl
5
https://www.windcareer.nl
6
https://www.biobasedeconomy.nl/landelijk-biobased-kennisnetwerk
Pagina 7 uit 35
1.2. Doel van verkenning
Het doel van dit verkennend onderzoek is om partijen die actief zijn in het innovatiebeleid en MMIP’s
en partijen uit het beroepsonderwijs en learning communities (inclusief bedrijfsleven) op
hoofdlijnen:
1. Inzichten te geven in hoe deze twee ‘werelden zich tot elkaar verhouden; en
2. Aanbevelingen te geven over hoe MMIP’s en LC’s te verbinden.
De scope in deze verkenning is afgebakend tot het beroepsonderwijs (mbo en hbo) en de publiek-
private samenwerkingen die zij heeft opgebouwd met bedrijven in de regio. Desalniettemin zijn
onderwijspartners, zoals het wo, private opleiders, en meer op afstand ook het po en het vo,
onderdeel van het innovatie-ecosysteem en daarmee eveneens relevant. Dit geldt ook voor overige
actoren zoals overheden, intermediaire organisaties en (eind)gebruikers.
Bij het uitvoeren van het onderzoek zijn we begeleid door een stuurgroep bestaande uit leden van
het Human Capital Agenda-team van de Topsector Energie (zie bijlage 1). Voor het onderzoek zijn
interviews afgenomen en is er een expertworkshop met parallelsessies gehouden (zie bijlage 1).
Tijdens de uitvoering van de verkenning was het noodzakelijk om de initiële opdracht van RVO
aangepast te interpreteren. Dit had te maken met het feit dat de verkenning zich richt op (beleids)
gebieden die momenteel volop in ontwikkeling zijn (zie paragraaf 1.1). Noodzakelijke informatie over
MMIP-uitwerkingen, MMIP-tendercriteria en de LC-procestool voor nadere analyses waren niet tijdig
of volledig beschikbaar. Deze verkenning is uiteindelijk onderdeel gemaakt van het ondersteunende
proces aan de kwartiermakers van de MMIPs voor het uitwerken van het aspect human capital
(learning communities) in de MMIP’s. Het ondersteunende proces omvat een aantal activiteiten:
1) een expertworkshop waarbij hogescholen, ROC’s, topsectoren en kwartiermakers van de
MMIP’s met elkaar een dialoog hebben kunnen voeren, 2) interviews met belanghebbenden en
3) de TSE Energy Outlook Conference waar de MMIP-vertegenwoordigers hun conceptuitwerking
breed kunnen toetsen.
Dit rapport is het resultaat van het verkennend onderzoek naar LC’s in relatie tot de MMIP’s.
Het rapport behandelt de volgende onderwerpen: innovatiebeleid (hoofdstuk 2), verspreiding van
innovatie (hoofdstuk 3), condities voor learning communities (hoofdstuk 4) en analyse van LC’s in
relatie tot MMIP’s, inclusief aspecten zoals tendercriteria en een learning communities-procestool
(hoofdstuk 5).
7
De laatste twee hoofdstukken geven achtereenvolgens de conclusies en
aanbevelingen.
7
Een groot deel van de thema’s in dit hoofdstuk komen voort uit de oorspronkelijke interpretatie van de opdracht van RVO.
Pagina 8 uit 35
2. INNOVATIEBELEID
Innovatiebeleid beoogt innovatie bij met name bedrijven te stimuleren. Innovatie zien we als iets
nieuws voor een bepaalde actor met als doel om economische en/of maatschappelijke waarde toe
te voegen (o.a. Rogers, 2003, Jacobs & Snijders, 2008). In het algemeen zijn er drie typen
instrumenten om een dergelijk doel te bereiken: 1) regelgeving, 2) economische en financiële
stimulans en 3) ‘zachte’ instrumenten (Borrás & Edquist, 2013). Om zo effectief mogelijk te zijn is het
zaak om een slimme mix van instrumenten in te zetten die aansluit op de nationale, regionale en
eventueel sectorale context. Waarbij in een open economie als de Nederlandse de Europese en
wereldcontext altijd relevant is. In de praktijk zijn beleidsinstrumenten evenwel vooral gericht op het
stimuleren van technologisch onderzoek (R&D) en steeds meer op het stimuleren van samenwerking
tussen bedrijven en kennisinstellingen (Velzing, 2013; SER, 2018a). Frenken en Hekkert (2017)
hebben het dan over innovatiebeleid 1.0 & 2.0.
Om de aanpak van de MMIP’s te kunnen duiden gaan we in paragraaf 2.1 in op missiegedreven
innovatiebeleid, dat ook wel wordt getypeerd als innovatiebeleid 3.0. Vervolgens bespreken we
in paragraaf 2.2 drie typen missiegedreven innovatiesystemen en geven we aan welk spectrum aan
initiatieven er momenteel is. In paragraaf 2.3 bespreken we MMIP’s en wat dit betekent voor de
huidige initiatieven.
2.1. Missiegedreven innovatiebeleid
Traditioneel is het doel van innovatie en dus ook van innovatiebeleid om in economische zin
meer toegevoegde waarde te creëren. Daarnaast is er vaak ook aandacht geweest voor sociaal-
maatschappelijke doelen, wat in het innovatiebeleid op bescheiden wijze aan de orde kwam
(Velzing, 2013; Frenken & Hekkert, 2017). In 2014 zette de Europese Commissie (EC) zogenaamde
societal challenges centraal in haar research & innovation-beleid en bij het ontwikkelen van het
nieuwe EC-kaderprogramma wordt steeds meer gesproken over wat bekend staat als missiegedreven
innovatiebeleid (o.a. Mazzucato, 2018). De missie is dan om maatschappelijke vraagstukken op te
lossen, zoals energie- en klimaatambities. In het verlengde van de EC geeft ook het regeerakkoord
aan dat maatschappelijke uitdagingen het uitgangspunt moeten zijn van het innovatiebeleid.
De Topsector Energie heeft vanaf de start als doel dat de samenleving in 2050 CO2-neutraal zou zijn;
een doel dat ook is te zien in het ontwerp-Klimaatakkoord (SER, 2018b).
Voor innovatiebeleid en dus ook voor missiegedreven innovatiebeleid geldt dat instrumenten
moeten passen bij de problemen van het innovatiesysteem (Borrás & Edquist, 2013). De ambities en
uitdagingen omtrent missies zeker voor energie, klimaat en grondstoffenefficiëntie zijn van dien
aard dat een land zich geen traditionele aanpak (innovatiebeleid 1.0 & 2.0) kan veroorloven. Het
huidige innovatiebeleid schiet namelijk tekort, omdat het niet goed rekening houdt met alle aspecten
die relevant zijn voor het stimuleren van innovatie (Velzing, 2013; Frenken & Hekkert, 2017). Daarbij
komt dat de ontwikkeling en implementatie van nieuwe technologieën een transitie vergt waarvoor
instrumenten nodig zijn die eraan bijdragen dat de economie zich in een gewenste richting
ontwikkelt (Rehfeld & Dankbaar, 2015).
De Borgingscommissie Energieakkoord (SER, 2018a) stelt dat voor het verwezenlijken van
missiegedreven innovatiebeleid het nodig is om het missiegedreven innovatiesysteem (MIS) in de
gewenste richting te ontwikkelen. Een valkuil is echter om dat proces als rationeel te beschouwen.
Het beleidsproces is beter te zien als een proces van proberen en doormodderen (o.a. Lindblom &
Woodhouse, 1993). Dat houdt in dat het ontwikkelen van beleid, innovatiesystemen en
instrumenten een complex en interactief proces is, zonder (duidelijk) begin of eind. Uit verschillende
evaluaties komen ook duidelijke conclusies waar de beleidsontwikkeling van kan profiteren
Pagina 9 uit 35
(o.a. AWTI, 2016; Dialogic & SEO, 2017; Frenken & Hekkert, 2017). Tabel 1 geeft op compacte wijze
een beeld van de conclusies.
1) Het budget voor energie-innovatie is laag, zeker internationaal gezien.
2) Het huidig ‘stop-en-go’ beleid leidt tot grote financiële onzekerheid bij met name kennisinstellingen.
3) Huidige publieke inzet is gefragmenteerd en weinig radicaal.
4) Impact van innovatiebeleid is door slechte aansluiting bij implementatiebeleid beperkt.
5) Er zijn geen aanwijzingen dat de deelnemende bedrijven aan regelingen meer innoveren dan wel meer
omzet of export realiseren of meer werkgelegenheid bieden.
Tabel 1: Compacte weergave van conclusies van enkele beleidsevaluaties
(o.a. AWTI, 2016; Dialogic & SEO, 2017; Frenken & Hekkert, 2017)
2.2. Drie typen MIS
Bij een missiegedreven innovatiesysteem (MIS) is er in het innovatiebeleid niet alleen aandacht voor
de verbinding tussen de vraagkant en de aanbodkant van innovaties. Er is ook expliciet aandacht
voor de wensen van de samenleving ten aanzien van oplossingen op het vlak van bijvoorbeeld
klimaat en energie (SER, 2018a; AWTI, 2018). Vandaar ook dat men het heeft over een ander
innovatiebeleid (innovatiebeleid 3.0.), waarbij vier implementatiestappen te onderscheiden zijn
(SER, 2018a):
1) Het formuleren van maatschappelijke missies met concrete doelen gestoeld op draagvlak;
2) Het identificeren van het type missiegedreven innovatie-ecosysteem;
3) Het identificeren van de fase van ontwikkeling van het innovatie-ecosysteem; en
4) Het inrichten, monitoren en bijsturen van het innovatie-ecosysteem.
Voor wat betreft stap 1: het ontwerp-Klimaatakkoord laat zien welke vijf missies op het vlak van
energie, klimaat en grondstoffenefficiëntie centraal staan (zie bijlage 2). Voor wat betreft de tweede
stap zijn drie typen MIS-en te onderscheiden (SER, 2018a):
I. Ontwikkeling en verspreiding van één specifieke technologische oplossing (MIS-type I);
II. Een probleem oplossen door het integreren van verschillende technologische innovaties
(systeemintegratie) (MIS-type II);
III. Een breder scala aan oplossingen voor een maatschappelijk probleem ontwikkelen die
mogelijk diepgaande veranderingen in consumentengedrag, financiering (inclusief
businessmodellen), samenwerking tussen verschillende actoren, regels en
coördinatiestructuren vragen (MIS-type III).
Naast een verschil in complexiteit is er een onderscheid te maken in de ontwikkelfase de derde
stap van een innovatie-ecosysteem (SER, 2018a). Dit zijn: a) ontwikkelen en experimenteren,
b) vroege marktintroductie en c) marktopschaling. Ontwikkelen en experimenteren is gericht op het
werkend krijgen van de innovaties die kunnen bijdragen aan het oplossen van het maatschappelijke
probleem. Vroege marktintroductie gaat om het vinden en ondersteunen van de eerste gebruikers in
de meest geschikte marktsegmenten en om het beleidsmatig ondersteunen van deze segmenten.
Marktopschaling kenmerkt zich door het creëren van een massamarkt. In relatie tot deze drie
ontwikkelfasen is het van belang om naast de technology readiness levels (TRL) ook invalshoeken
behorende bij societal readiness levels (SRL; o.a. NWO, 2019b) en methoden op het vlak van
user-oriented innovation en citizen-centred innovation (Arnkil et al., 2010) te betrekken.
Tot slot (stap 4) dient er een innovatiebeleid te worden ingericht, waarbij monitoring en de
mogelijkheid tot bijsturing van groot belang zijn. Daarbij moet onderkend worden dat een proces
van bijsturen in een setting van grote maatschappelijke vraagstukken meer een proces is van
concertation: coordination by mutually taking actions of others into account and pro-actively
adjusting, thus creating the basis for concerted action” (Kuhlmann & Rip, 2018, p. 6). Een aspect
Pagina 10 uit 35
daarvan is de samenhang tussen de verschillende initiatieven. Kijkend naar het veld van actoren uit
de Topsector Energie zijn er al veel initiatieven te zien (zie tabel 2). Daarbij is er een gebrek aan
samenhang, waardoor de verschillende acties elkaar niet (altijd) versterken. Een oorzaak lijkt te
liggen in het feit dat initiatieven vanuit verschillende instanties worden georganiseerd.
- Initiatieven geïnitieerd vanuit onderzoek en innovatie.
- Initiatieven geïnitieerd vanuit branches en bedrijven: inhoudelijke ontwikkelingen volgen en benutten.
- Initiatieven specifiek gericht op het stimuleren van innoveren in het mkb.
- Initiatieven geïnitieerd vanuit wijk- en regioaanpakken (o.a. aardgasvrije wijken).
- Initiatieven geïnitieerd vanuit tekorten aan professionals (er is grote behoefte aan professionals voor met
name de implementatie en het onderhoud van (technologische) innovaties).
- Initiatieven geïnitieerd vanuit het bij elkaar brengen van onderwijs en bedrijfsleven.
- Initiatieven op het vlak van actueel en toekomstgericht onderwijs.
- Initiatieven waar het gaat om digitale hulpmiddelen voor leren en kennisdeling.
Tabel 2: Voor de beeldvorming een overzicht van verschillende initiatieven
2.3. Missiegedreven innovatieprogramma’s
Op dit moment worden MMIPs ontwikkeld om de missies van het ontwerp-Klimaatakkoord te
bereiken. Dat raakt de Topsector Energie en zal (deels) voortbouwen op wat de TKIs (Topconsortia
voor Kennis & Innovatie) in deze topsector doen. Tegelijk heeft het raakvlakken met andere
topsectoren. De opzet van de MMIPs is een uitgelezen kans om verbinding te leggen tussen
allerhande initiatieven die er nu zijn, zodat er synergie kan ontstaan tussen de verschillende
doelstellingen.
In bijvoorbeeld de Kennis- en Innovatie-Agenda Gebouwde Omgeving (Topsector Energie, 2018b)
staat de volgende omschrijving: Een MMIP is een langlopend programma, met relatief hoge
complexiteit en gericht op de lange termijn, typische commitmentperiode 5 jaar, met een integrale
programmering, waar een veelvoud aan innovaties voor sociale, technologische en
systeemvraagstukken in samenhang ontwikkeld worden en waarmee een grote bijdrage wordt
geleverd aan de invulling van de maatschappelijke opgave.
Bijlage 2 maakt duidelijk welke dertien MMIPs het ministerie van Economische Zaken en Klimaat
vaststelde en aan welke missies iedere MMIP zou moeten bijdragen. In principe gaat ieder MMIP
in de eerste helft van 2019 deelprogrammas uitwerken in relatie tot de vier fases van het
innovatietraject: 1) onderzoek, 2) ontwikkeling, 3) demonstratie en 4) implementatie (SER, 2019).
Wat uit de Integrale Kennis- en Innovatie-Agenda voor Klimaat en Energie (SER, 2019) opvalt is dat
bepaalde MMIP’s deelprogramma’s definiëren met koppelingen met alles vier fases. Echter, er zijn
in de agenda ook MMIP’s beschreven die op dit moment nog geen of beperkte suggesties geven voor
programma’s die te koppelen zijn aan de innovatiefase implementatie.
Om in 2020 ook een goed innovatieprogramma uit te kunnen voeren (per MMIP-domein, per MMIP-
deelprogramma en over de MMIP-domeinen heen), gaan we in het volgende hoofdstuk nader in op
het belang van het ontwikkelen van kennis en kunde voor de verspreiding en adoptie van innovatie.
Pagina 11 uit 35
3. VERSPREIDING VAN INNOVATIE
Missiegedreven innovatie is een lastig vraagstuk, omdat het gaat om zowel technische als sociaal-
maatschappelijke veranderingen. Daarbij komt dat processen in een complex systeem niet lineair
zijn, maar dat er typisch sprake is van positieve of negatieve feedback en onvoorspelbare uitkomsten
(Mitchell, 2009; Boulton et al, 2015). Wanneer het geheel te complex is om te overzien, dan is
vereenvoudiging vereist. Om die reden beschouwen wij in het kader van deze verkenning wat er
nodig is voor de verspreiding van innovatie, waarbij we ons specifiek focussen op het ontwikkelen
van relevante kennis en kunde en het inzetten van relevante kennis en kunde. We laten daardoor
in deze verkenning overige onderdelen of functies van het innovatiesysteem buiten beschouwing
(zie Hekkert et al., 2007, 2011). Onze focus op innovatieverspreiding sluit goed aan bij het advies van
de Adviesraad voor Wetenschap Technologie & Innovatie (AWTI, 2018): het thema verspreiding van
innovatie is onderbelicht en behoeft meer aandacht.
Dit hoofdstuk geeft de analyse weer van verspreiding van innovatie en de rol van LC’s hierin. We
bespreken eerst de noodzaak die wordt gezien (paragraaf 3.1). Vervolgens gaan we in op kennis en
kunde in relatie tot verspreiding van innovatie (paragraaf 3.2). In paragraaf 3.3 zetten we uiteen wat
binnen de Topsector Energie de uitdagingen zijn om kennis en kunde ook daadwerkelijk impact te
laten hebben, waarbij LC’s van betekenis zijn.
3.1. Urgentie adoptie klimaatoplossingen = werken aan innovatieverspreiding
Uit de verkenning komt naar voren dat het essentieel is om de adoptie van klimaatoplossingen (fors)
te stimuleren, ook kijkend naar de trends in energiegebruik en CO2-emissies (inclusief CO2-
equivalenten) (o.a. IEA, 2019). Deze urgentie is in lijn met de noodzaak om op meerdere
(beleids)niveaus meer werk te maken van verspreiding van innovaties, inclusief versnelling van
verspreiding. Deze versnelling mag zich richten op vele vlakken, zoals:
1) Versnelling in het toepasbaar maken van innovaties;
2) Versnelling in het opschalen van de toepassing van innovaties;
3) Versnelling in curriculumaanpassingen van opleidingen en cursussen en
op het vlak van onderwijsinnovatie (flexibilisering, digitalisering, etc.).
In relatie tot innovatieverspreiding adviseert de AWTI (2018) allereerst om de vraag naar innovatie
te stimuleren. In de context van missiegedreven innovatie hangt dit nauw samen met urgentiebesef,
want pas wanneer de urgentie van een missie wordt ingezien zullen organisaties en individuen
anders of sterker handelen. Daarbij speelt op de achtergrond dat er verplichtingen lijken te gaan
komen om de klimaatdoelen van de overheid te bereiken. Denk daarbij aan CO2-heffingen.
De urgentie dat meer effectieve beleidsinstrumenten noodzakelijk zijn om de doelen uit het
missiegedreven innovatiebeleid te behalen wordt onderkend. Dit leidt tot meer ingewikkelde
programma’s, omdat de doelen uit het ontwerp-Klimaatakkoord vereisen dat het beleid zich richt
op het hele innovatiesysteem (zie hoofdstuk 2) en dat het zich niet kan beperken tot afzonderlijke
technologieën c.q. innovaties. Ook kan beleidsaandacht ‘omgekeerd’ worden: meer nadruk op het
toepassen van oplossingen die beschikbaar zijn en het versneld bijscholen van werkende
professionals waardoor op korte en middellange termijn positieve duurzaamheidsresultaten worden
geboekt
8
, in plaats van sterk de nadruk te leggen op onderzoek en ontwikkeling om nieuwe typen
concepten en oplossingen te ontwikkelen.
8
Een voorbeeld is de substantiële impact die reeds beschikbare digitale oplossingen hebben op productiviteitsverbeteringen in de
procesindustrie en daarmee ook op het vlak van energiegebruik en CO2-emissies. Belemmeringen zitten o.a. op het vlak van gebrek aan
kennis over de potentie van digitale oplossingen.
Pagina 12 uit 35
De beleidsprogrammas krijgen dan een ander karakter dan voorheen. Het is niet meer vol te houden
dat de focus blijft liggen op kennisontwikkeling via onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en dan
aannemen dat dit vanzelf innovatie stimuleert (lees: geen koppeling tussen innovatiebeleid en
implementatiebeleid). Een lineaire kijk op innovatie is niet in overeenstemming met hoe nieuwe
ontwikkelingen zich in de praktijk verspreiden of zich zouden moeten verspreiden, gezien de
klimaatdoelstellingen en toenemende implementatiecomplexiteit (zie bijvoorbeeld MIS-type III).
Adoptie moet een integraal onderdeel zijn van de (innovatie-)activiteiten. Om het proces ook te
kunnen versnellen worden onderwijsinstellingen en samenwerkingsverbanden van onderwijs-
instellingen en bedrijfsleven veelal gezien als onmisbare schakels in een aanpak om die adoptie
te stimuleren, te versnellen en te realiseren. Zij zijn actief waar het gaat om (leren over)
innovatietoepassingen in de praktijk.
3.2. Kennis en kunde belangrijk voor succesvolle innovatieverspreiding
De verspreiding van innovatie is dus een complex proces, helemaal wanneer het MIS en de vraag-
stukken in het MIS omvangrijker zijn en wanneer de urgentie van gestelde missies (zie bijlage 2)
maakt dat versnelling van innovatieadoptie vereist is. Alleen kennis ontwikkelen is ontoereikend.
Het ontwikkelen van kennis en kunde én het organiseren van kennis en kunde ter bevordering van
innovatieadoptie (op meso- en microniveau) zijn belangrijke voorwaarden om de verspreiding van
innovaties te kunnen versnellen (o.a. Rogers, 2003).
De verkenning naar verspreiding van innovatie en kennis en leren in relatie tot het innovatieproces
(o.a. Lundvall & Johnson, 1994; Nonaka & Takeuchi, 1995; Rogers, 2003), heeft een ruime definitie
voor het ontwikkelen en inzetten van kennis en kunde - op meso- en microniveau - voor missie-
gerichte innovatie opgeleverd. Tabel 3 geeft onze indeling van deze definitie weer, waarin naar voren
komt dat het onder andere gaat om zaken als feitenkennis, handelingen, vaardigheden, ervaring,
kennis van (sociale) systemen en verschillende stadia van kennisontwikkeling. Naast aandacht voor
know what, know why en know how, is in de context van innovatiebevordering ook know who van
belang (Lundvall & Johnson, 1994).
A. Kennis op het niveau van signalling: kenbaar maken dat een oplossing (innovatie) bestaat
B. Kennis wat de betekenis van een oplossing kan zijn voor een domein of een setting
C. Diepgaande kennis en kunde t.b.v. en over (de inhoudelijke kant van) de oplossing:
- Kennis t.b.v. en door fundamenteel onderzoek, praktijkgericht onderzoek en praktijkexperimenten om
de oplossing te ontwikkelen voor een domein of een setting
- Kennis over de relatie tussen de oplossing en gerelateerde oplossingen/systemen en over integratie van
de oplossing in een groter (technologisch en non-technologisch) systeem
- Kennis t.b.v. en door engineering: de oplossing geschikt maken voor fabricage en toepassing
- Kennis en kunde over (grootschalig) implementeren en toepassen van de oplossing, inclusief kennis en
kunde die te maken hebben met gedrag(swijzigingen) van relevante actoren (zoals eindgebruikers)
D. Kennis t.b.v. het besluitvormingsproces:
- Kennis wat betreft de (maatschappelijke en economische) business case van de oplossing
- Kennis hoe gebruikers (en overige actoren, bijvoorbeeld in de keten) te betrekken (o.a. voor draagvlak en
co-design)
- Tacit knowledge m.b.t. het besluitvormingsproces
E. Kennis en kunde die te maken hebben met de bredere context van het integreren en toepassen van de
oplossing (MIS III-onderwerpen):
- Maatschappelijk en economisch belang van de oplossing
- Innovatieve karakter van de oplossing
- Systeemcontext, implementatiecomplexiteit en systeemintegratie-aspecten m.b.t. de oplossing
Pagina 13 uit 35
- Belangen van verschillende actoren en het (vroegtijdig) betrekken van relevante actoren (inclusief
burgers, bewoners en eindgebruikers)
- Maatschappelijk verantwoord innoveren
- Businessmodellen, financieringsinstrumenten, subsidie-instrumenten
- Regelgeving
- Ruimtelijke en ecologische aspecten
- Etc.
Tabel 3: Ontwikkelen en inzetten van kennis en kunde op meso- en microniveau voor missiegerichte innovatie
3.3. LC’s van betekenis voor ontwikkelen én uitrollen van kennis en kunde
Kennis en kunde zijn cruciaal om missies zoals uit het Klimaatakkoord te realiseren. LC’s zijn een
schakel om kennis en kunde te ontwikkelen én grootschalig beschikbaar te maken voor het realiseren
van (beleids)doelstellingen.
LC’s zijn opgebouwd langs twee dimensies met daartussen een sterke of minder sterke koppeling.
Ten eerste het op niveau brengen en houden van het palet aan relevante kennis en kunde (tabel 3).
Ten tweede is het van belang om volume aan relevante kennis en kunde te organiseren. Volume is
daarbij te relateren aan het volgende: er is een tekort aan gekwalificeerd personeel (SER, 2018c;
EC, 2019) en het is een noodzaak om relevante kennis en kunde op verschillende niveaus en in vele
hoeken tot uiting te laten komen (sectoren, branches, regio’s, netwerken, samenwerkingsverbanden,
bedrijven en overige organisaties, afdelingen, teams en individuele professionals). Want als relevante
kennis en kunde slechts in kleine kring beschikbaar blijft, zal grootschalige verspreiding van
(klimaat)oplossingen zeer moeizaam verlopen. Deze twee zaken hebben we in een assenstelsel
weergegeven (figuur 1).
Figuur 1: Verbintenis van op niveau brengen relevante kennis en kunde en
organiseren volume aan relevante kennis en kunde
De verticale as in figuur 1 heeft sterke verbindingen met de wereld van onderzoek en
experimenteren, idealiter in samenwerking met onderwijs (o.a. curriculum vernieuwen en actueel
houden) en bedrijfsleven (articulatie van behoefte aan kennis en kunde). Bij een enge benadering
van kennis (lees: sterk gericht op de (technisch) inhoudelijke kanten van een oplossing) is bij deze as
Organiseren van volume aan relevante kennis en kunde
Bijvoorbeeld via:
Initieel onderwijs (inclusief instroombevordering)
Leven lang ontwikkelen
Overige manieren voor inbedden kennis en kunde
in netwerken en organisaties
Op niveau brengen palet aan
relevante kennis en kunde
A. Signalling
B. Kennis over betekenis
oplossing voor domein
C. Diepgaande kennis en kunde
over oplossing, incl. over
implementeren en
toepassen
D. Kennis t.b.v. het
besluitvormingsproces
E. Kennis en kunde die te
maken hebben met bredere
context van integreren en
toepassen van oplossing
Optimaal
samenspel
leren, werken en
innoveren t.b.v.
MMIP-ambitie
Pagina 14 uit 35
met name over het algemeen veel betrokkenheid te zien van universiteiten en TO2-instellingen
9
(kijkend naar de TKI’s van de afgelopen periode). Echter, wanneer kennis en kunde breed wordt
aanschouwd (tabel 3), dan is het essentieel dat hbo-instellingen, mbo-instellingen, bedrijven en
PPS-vormen zoals fieldlabs en innovatielabs, actief betrokken worden bij het ontwikkelen en op
niveau houden van relevante kennis en kunde. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor
praktijkgericht onderzoek (door lectoraten én practoraten), dat als schakel fungeert tussen
kennisontwikkeling en kennistoepassing (in o.a. het onderwijs) en onderwijsvernieuwing. In de
setting van de verticale as in figuur 1 gaat het ook om het betrekken van stakeholders van buiten
de traditionele disciplines, zeker wanneer de focus is gericht op complexe vraagstukken behorende
bij een complexe context (zie MIS-typen in hoofdstuk 2). Vanzelfsprekend is het van belang om
belanghebbenden zoals burgers, bewoners en eindgebruikers te betrekken.
De horizontale as heeft verbindingen met:
1) Initieel opleiden, inclusief bevorderen reguliere instroom van met name jongeren én
zijinstroom naar het onderwijs;
2) Na- en bijscholing met behulp van onderwijsinstellingen en (commerciële) opleiders;
3) Zijinstroom van professionals (inclusief omscholing) en zijinstroom van (out-of-the-box)
kennis en kunde naar de sector; en
4) Overige vormen van verspreiden van kennis en kunde: conferenties, bijeenkomsten,
werkgroepen, commerciële en gesubsidieerde kennisdragers en adviseurs (met name gericht
op het mkb), regelingen voor het mkb
10
, digitale hulpmiddelen voor kennisverspreiding en
leren etc..
Kijkend naar de urgentie (zie paragraaf 3.1) gaat het bij de bovengenoemde punten om de nationale
uitdaging voor het opleiden van vele tienduizenden professionals de komende jaren (o.a. ROA, 2017;
SER, 2018c).
In relatie tot verspreiding van innovatie is het de uitdaging om in het assenstelsel (figuur 1) in het
kwadrant rechtsboven te belanden. In dit kwadrant komen de innovatieagenda en de human capital
agenda. Hier zit dus ook het optimale effect voor wat betreft ontwikkeling, uitwisseling en inbedding
van kennis en kunde (qua inhoud en qua volume) en impact, mede op basis van (maatschappelijk)
draagvlak. In dit kwadrant van het assenstelsel versterken initiatieven elkaar, zodat bijvoorbeeld niet
binnen één initiatief een tiental professionals bijscholing genieten, maar dat meerdere initiatieven
synergie opleveren in de opschaling van het bijscholen van vele honderden professionals of zelfs
meer. Dit vereist binnen een specifiek domein enige vorm van regie (zonder overigens een gremium
toe te voegen hiervoor). Daarbij is het van waarde dat de initiatieven goede kwaliteiten en
voldoende capaciteiten (slagkracht) hebben om zich - binnen een domein - te verbinden op het
niveau van:
1) Ambitie en strategie;
2) Programmering en programma’s;
3) Concrete projecten; en
4) Behaalde resultaten en impact.
Recente publicaties over learning communities (Topsectoren & PBT, 2017a, 2017b, 2017c, 2017d;
NWO, 2019a) en de uitgevoerde verkenning schetsen in dit hoofdstuk het beeld dat met learning
communities een mechanisme is ontwikkeld dat een sterke bijdrage kan leveren aan de verspreiding
van innovaties via de dimensies van 1) ontwikkelen van kennis en kunde en 2) het grootschalig
inzetten van kennis en kunde. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op de condities van
learning communities.
9
Toegepast Onderzoek Organisaties zoals TNO, NLR, MARIN en DELTARES.
10
Een voorbeeld is de actuele regeling MKB Idee: de overheid wil met deze subsidieregeling mkb-bedrijven stimuleren meer te investeren
in scholing en ontwikkeling van huidige en toekomstige werkenden.
Pagina 15 uit 35
4. CONDITIES LEARNING COMMUNITIES
Hoofdstuk 3 maakt duidelijk dat de verspreiding van innovatie een belangrijk onderdeel is van
missiegedreven innovatiebeleid. Tevens laat het hoofdstuk zien dat beleidsaandacht niet uitsluitend
gericht dient te zijn op ontwikkeling van kennis en kunde. Het gaat ook om het organiseren van
volume aan kennis en kunde. In dat proces van ontwikkelen en grootschalig inzetten van kennis en
kunde spelen LC’s een belangrijke rol. Dit hoofdstuk geeft een analyse van condities voor LCs om en
aan kennisopbouw én aan het verspreiden van kennis en kunde te kunnen realiseren.
Bestaande samenwerkingen tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven laten zien dat met LC’s succes
geboekt kan worden in het verder stimuleren van innoveren in combinatie met het vernieuwen van
onderwijs en het bevorderen van leven lang ontwikkelen. Hierdoor komen er meer gekwalificeerde
professionals beschikbaar voor het realiseren van de energietransitie.
11
Om meer impact te
realiseren met LC’s moet er hard gewerkt worden aan een aantal belangrijke condities, waardoor
LCs een succesvolle beweging kunnen maken naar het kwadrant rechtsboven in figuur 2. Die
condities zijn momenteel nog niet goed ingeregeld, waardoor de gewenste impact niet ten volle
tot uiting komt.
Figuur 2: Werken aan een succesvolle beweging naar het kwadrant rechtsboven
Ten eerste moeten LCs een duidelijke focus hebben, die (mede) wordt bepaald door
maatschappelijk uitdagingen. Het is ondoenlijk voor een netwerk om zich te richten op diverse
thematische gebieden, onder andere vanwege beperkte omvang van de beschikbare middelen in
combinatie met het feit dat inhoudelijke kwaliteit op een focusgebied (thema) essentieel is voor
het leveren van toegevoegde waarde. Een (thematische) focus van een LC is bijvoorbeeld te vinden in
een specifiek hoger doel in een sector of keten, of door de praktische omgeving waarin het opereert
(regio met gerichte ambities, nabijheid van infrastructuur voor innoveren en leren, beschikbaarheid
van netwerken, etc.). De behoefte, bijvoorbeeld vanuit het bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties, zou hierbij de drijvende kracht moeten zijn.
11
In de afgelopen jaren zijn vele ervaringen met PPS-en vastgelegd door Platform Bètatechniek (o.a. PBT, 2016, 2017). Tevens zijn er
publicaties die nader ingaan op de ervaringen met praktijkgericht onderzoek en PPS-en verbonden aan het hbo (o.a. Onderwijsraad,
2014; AWTI, 2017; SIA, 2017; Vereniging Hogescholen, 2018a, 2018b; Degenaar, 2019).
Op niveau brengen palet aan
relevante kennis en kunde
Organiseren van volume aan relevante kennis en kunde
Optimaal
samenspel
leren, werken en
innoveren t.b.v.
MMIP-ambitie
Learning communities
Pagina 16 uit 35
Ten tweede dienen LC’s nadrukkelijk de verbinding te maken tussen innovatieagenda’s (vanuit
nationale en internationale geledingen, vanuit sectoren, vanuit de regio’s) en HCA’s. De uitdaging
voor een LC is om (invalshoeken uit) diverse innovatie- en human capital agenda’s te vertalen naar
een eigen strategie. De verkenning laat zien dat het van belang is om periodiek die strategie af te
stemmen met relevante actoren (bijvoorbeeld met bedrijven, onderwijscollega’s, lectoren,
onderzoekers en koepels). Het is daarbij ook van belang om die afstemming te zoeken met de
MMIP-s’. Voor wat betreft de HCA-focus is het van belang dat het initiatief ook expliciet gericht is
op het betrekken en bedienen van de werkende professionals: (het meehelpen met) het organiseren
van leven lang ontwikkelen.
Er worden ten derde momenteel nuttige ervaringen opgedaan met andere onderwijsvormen, die
het onderwijs (inclusief praktijkgericht onderzoek) kunnen verbinden aan toekomstige vragen en
versnellen. Denk aan samenwerking in de ‘leerkolom’ mbo-hbo-wo, modulair leren, hybride
docenten
12
, teacher’s learning in energy-aanpak (Topsector Energie, 2016)
13
, hybride
leeromgevingen
14
, practoraten, om- en bijscholing van werkende professionals, digitale leervormen
zoals mooc’s of virtual reality
15
, lectorenplatforms, etc.. Soms lukt het om deze deels op te schalen
en/of te versnellen; vaak lopen initiatieven ook aan tegen grenzen. Denk daarbij aan bestaande
instituties, bestaande regels, onvoldoende financiën en/of capaciteit, gebrek aan leiderschap om
over de eigen schotten heen samen te werken, niet (kunnen) leggen van de relatie naar andere
disciplines, te sterk vasthouden aan bestaande werkmethodes en kennis. Verder is het gevolg van
rigide onderwijsprogrammering dat het lastig is om mobiliteit van specialisten te organiseren.
Het vierde aandachtspunt heeft te maken met (praktijk)faciliteiten (o.a. apparatuur, gereedschap
en werkplaatsen). Uit de verkenning blijkt dat het kunnen gebruiken van up-to-date faciliteiten voor
(praktijkgericht) onderzoek en prototyping- en demonstratie-activiteiten met en voor het
beroepsonderwijs van groot belang zijn. Dergelijke faciliteiten kunnen ondergebracht zijn bij
onderwijsinstellingen, maar ook bij bedrijven en instellingen (in de regio). Met deze (gedeelde)
faciliteiten kunnen netwerken van onderwijs- en kennisinstellingen (mbo-hbo-wo-TO2-instellingen en
wellicht ten dele ook het voorgezet onderwijs) en bedrijven (bijvoorbeeld innovatief mkb en
startups) gezamenlijk optrekken. Enerzijds om onderwijs te verzorgen (gericht op studenten én de
werkende professionals) en het onderwijsinhoudelijk te versterken. Anderzijds om met behulp van
proefopstellingen technologieën (van het toeleverend bedrijfsleven) te testen en te optimaliseren
voor (grootschalige) praktijkinzet. Binnen het onderwijs zijn de investeringsmiddelen voor faciliteiten
zeer beperkt zijn. Het is een nadrukkelijke kans om onderwijs en innovatie langs (gedeelde)
faciliteiten in de regio’s te organiseren (bijvoorbeeld met behulp van fieldlabs).
Vijfde punt is dat alle type actoren bij een LC op basis van wederkerigheid en meerjarige inzet c.q.
investeringen verbonden moeten zijn. Een treffend citaat is: “Het opbouwen én relevant houden
van een LC is het neerzetten van ambities én hard werken met elkaar. Daar hoort ook bij dat het
bedrijfsleven actief meedoet en investeert (o.a. beschikbaar stellen van leer-werk-plaatsen en
faciliteiten) en dat bijvoorbeeld de besturen van onderwijsinstellingen daadwerkelijk het belang zien
van de verbintenis van onderzoek en onderwijs, bijvoorbeeld in LC-verband. Additionele middelen
uit regelingen zoals RAAK, Interreg en Horizon2020 en provinciale ondersteuning zijn belangrijk om
voldoende kwalitatieve capaciteit te organiseren voor bijvoorbeeld praktijkgericht onderzoek (zie
ook Velzing & Knol, 2017). Het is van belang dat het initiatief daadwerkelijk op het niveau komt van
een community (‘wij-gevoel’) gericht op een duidelijk doel in een specifiek domein en op basis van:
1) deel met elkaar wat je wil leren, 2) durf van elkaar te leren en 3) zorg voor een balans in halen en
brengen.
12
Een hybride docent werkt deels als docent en is daarnaast werkzaam in een andere baan of als zelfstandig ondernemer.
13
Samenwerkende docenten (met onderzoeksrollen) ontsluiten binnen hogescholen onderwijsmateriaal rond energie.
14
Een setting die de authentieke beroepspraktijk zo dicht mogelijk benadert en is gericht op het verweven van leer- en werkprocessen.
15
Mooc (massive open online course): online cursus waarvoor iedereen zich mag inschrijven. Virtual reality (VR): virtuele of gesimuleerde
werkelijkheid.
Pagina 17 uit 35
Tenslotte is opschaling van wezenlijk belang. De essentie van een LC moet dan ook zijn dat het in
staat is om in samenwerking met anderen (actoren, initiatieven, netwerken) te werken aan
opschaling (en het versnellen van opschaling): het organiseren van volume aan kennis en kunde.
Waar in het verleden bepaalde initiatieven slechts een paar onderwijspartners hadden, wordt
aangegeven dat een LC substantieel meer onderwijspartners en overige partners aan boord zou
moeten hebben om qua inhoud en met name qua volume slagkracht te hebben. De insteek moet
zijn om met elkaar nationale ecosystemen op te bouwen en te verduurzamen, waarbij ook continu
handreikingen moeten worden geboden aan (onderwijs)partners die nog niet aangehaakt zijn of nog
even aan de zijkant staan en waarbij - meer op regionaal niveau - sterke verankeringen zijn met het
bedrijfsleven (grootbedrijf, innovatief mkb, volgend mkb, startups etc.). Gezien de MMIP-thematiek
moeten ook internationale verbindingen worden gelegd (bijvoorbeeld op het vlak van missies en
gedeelde belangen, ecosystemen, inhoud, onderwijs en commercie). Succes is niet meer het
opleiden van een dozijn professionals in een bepaald domein, maar het opleiden van vele honderden
of nog meer op de onderwerpen van morgen. Anders gezegd: met elkaar werken aan netwerken met
impactpotentieel.
Pagina 18 uit 35
5. VERBINDING MMIP’S EN LC’S
De ontwikkeling van de MMIP’s is ten tijde van het opstellen van dit rapport in volle gang. Wat
kunnen betrokkenen doen om het mechanisme van learning communities zo goed mogelijk te
benutten in de MMIP’s? Dit hoofdstuk heeft tot doel om daar verder op in de gaan. In paragraaf
5.1 gaan we in op het verhogen van de betrokkenheid van het beroepsonderwijs bij MMIP-
innovatieprojecten. Vervolgens bespreken we in paragraaf 5.2 het betrekken van het beroeps-
onderwijs bij innovatieprojecten vanuit het perspectief van tendercriteria. Paragraaf 5.3 geeft
reflecties over de MMIP-organisatie. Hulpmiddelen zoals learning communities-procestool komen
in laatste paragraaf 5.4 aan de orde. De laatste paragraaf introduceert het mogelijk potentieel van
LC’s in relatie tot enkele bevindingen van beleidsevaluaties.
5.1. Betrokkenheid beroepsonderwijs bij MMIP-innovatieprojecten
In de afgelopen jaren is de betrokkenheid van de hogescholen bij innovatieprojecten gefinancierd
door TKI’s toegenomen. De aansluiting kan beter en de relatie met onderwijsactiviteiten wordt
onvoldoende gelegd. Daarnaast komt naar voren dat ook meer betrokkenheid van het mbo relevant
is, maar nog niet is gerealiseerd. Op twee manieren zou de betrokkenheid van het beroepsonderwijs
bij MMIP-projecten te realiseren zijn: push en pull.
Enerzijds gaat het om het verplicht betrekken van het beroepsonderwijs bij MMIP-
innovatieprojecten en zo de betrokkenheid van het beroepsonderwijs te verhogen (push-aanpak).
Deze aanpak betrekt het beroepsonderwijs bij de noodzaak om de verspreiding van innovaties te
stimuleren (zie hoofdstuk 3 en 4). Die verplichting zou tijdelijk kunnen zijn als die betrokkenheid
meer van nature gaat lopen na verloop van tijd. Ook kan met behulp van deze push-aanpak de
nadere samenwerking tussen wo- en TO2-instellingen en het beroepsonderwijs gerichter worden
gestimuleerd. De push-aanpak kan bovendien via de consortiumpartners uit de private sector en/of
publieke sector lopen: bedrijven en publieke organisaties kunnen meedoen met MMIP-
innovatieprojecten als ze investeren in onderwijs (eventueel via LC’s).
Anderzijds geven gesprekspartners aan dat die betrokkenheid van het beroepsonderwijs tot stand
moet komen op basis van een pull-aanpak. De insteek is dat onderwijsinstellingen samen met
bedrijfsleven, kennisinstellingen en overige partijen werken aan zwaartepunten, kwaliteiten ten
aanzien van praktijkgericht onderzoek en onderzoek-, prototyping- en demonstratiefaciliteiten
(in combinatie met bijvoorbeeld inhoudelijke onderwijsversterking en leven lang ontwikkelen).
En dat ze voorts werken aan het oplossen van organisatorische en institutionele belemmeringen
met name bij de onderwijsinstellingen om eventueel via LC’s – te participeren in MMIP-innovatie-
projecten (zie ook onderwerp ‘andere onderwijsvormen’ in paragraaf 4.2). Door deze proactieve
benadering zijn deze samenwerkingsverbanden sterker van toegevoegde waarde voor het
betreffende MMIP-domein en voor het behalen van de MMIP-doelstellingen en daarmee voor
consortia die voornemens zijn om projectvoorstellen in te dienen in het kader van de MMIP-
regelingen.
Vanuit MMIP-perspectief is het zinvol om te overwegen welke manier mogelijk van waarde zou
kunnen zijn om de inzet van het beroepsonderwijs (inclusief praktijkgericht onderzoek) in relatie
tot de MMIP-ambities effectief te borgen. Daar waar reeds een basis is voor het betrekken van het
beroepsonderwijs en LC’s bij het MMIP-systeem zou de nadruk kunnen liggen op de pull-aanpak.
De push-aanpak is meer te overwegen in situaties waar nog weinig verbinding tussen beroeps-
onderwijs en MMIP-regelingen vormgegeven of tot stand gekomen is. In dit kader is het relevant om
te kijken hoe verschillende typen onderwijs- en kennisinstellingen (mbo-hbo-wo-TO2-instellingen)
elkaar kunnen versterken qua onderzoek en onderwijs (in de gehele ‘leerkolom’). MMIP-ambities zijn
Pagina 19 uit 35
immers zowel gericht op onderzoek en ontwikkeling als op verspreiding van innovatie (demonstratie-
en implementatieprogramma’s). Een dergelijk actie gericht op synergie tussen verschillende typen
onderwijs- en kennisinstellingen vormt één van de strategieën om LC’s te ontwikkelen richting het
rechtsboven kwadrant in figuur 2.
5.2. Tendercriteria
De TKI-regelingen van de afgelopen jaren waren voor een groot deel gericht op onderzoek en
ontwikkeling en daarmee in lijn met de activiteiten van onderzoeksafdelingen van universiteiten en
TO2-instelingen. De bestaande TKI-regelingen maken gebruik van tendercriteria, waarbij de set aan
criteria afhankelijk is van de TKI-tender.
Bij de (toekomstige) MMIP-regelingen dient er (structurele) aandacht te zijn voor praktijkgericht
onderzoek, de verspreiding van innovatie (inclusief bijvoorbeeld marktcreatie) en human capital. Dan
kunnen de regelingen namelijk van meer betekenis zijn voor het realiseren van de MMIP-ambities.
De huidige RVO-handleiding voor regelingen (RVO, 2019; zie bijlage 3) laat al wel duidelijk zien dat
diverse tendercriteria verbindingen hebben of kunnen hebben met onderwerpen als human capital,
kennisuitwisseling en innovatieverspreiding:
- Tendercriteria a: herhalingspotentieel (binnen 5 jaar na implementatie) in andere projecten
binnen of buiten de sector; duurzaamheidheidseffecten op het aspect people van people,
planet & profit.
- Tendercriteria b: toepassing van innovatie; visie op implementatietraject; delen van geleerde
lessen met relevante doelgroepen; aandacht voor niet-technologische aspecten bij
technologietoepassing; aandacht voor nieuwe competenties die nodig zijn voor gebruik van
technologie.
- Tendercriteria c: hoe lessen uit demonstratieprojecten worden geleerd en worden geborgd
en toegepast in vervolgontwikkelling en toepassing binnen en buiten project; versterken
Nederlandse kennispositie.
Recent is er een oproep gedaan (call) voor het insturen van voorstellen om invulling te geven aan
twee MMIP’s: MMIP-3 ‘Versnelling energierenovaties in de gebouwde omgeving’ en MMIP-4
‘Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving (individuele en collectieve systemen)’
(MinEZK, 2019a; zie bijlage 3). Deze oproep heeft de volgende toetspunten die tot op zekere hoogte
in verband zijn te brengen met human capital, kennisuitwisseling en innovatieverspreiding:
- Bijdrage aan doelstelling MMIP: impact op de markt, focus op welke marktsegmenten.
- Slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij: daadwerkelijke toepassing door
afnemers en (eind)gebruikers; visie op implementatietraject; geleerde lessen delen met
relevant doelgroepen.
- Innovatie: open innovatiemodel; hoe lessen die worden geleerd, worden geborgd en
toegepast in vervolgontwikkeling en toepassing binnen en buiten het project.
De huidige oproep (MMIP-3 en MMIP-4) laat zien dat er zeker gekeken wordt naar aspecten die
te maken hebben met human capital, kennisuitwisseling en innovatieverspreiding. Het is echter op
dit moment nog te vroeg om een goed overall beeld te hebben welke specifieke tendercriteria en
toetspunten aan de orde (moeten) komen bij de MMIP-regelingen. De huidige oproep (MMIP-3 en
MMIP-4) biedt perspectief om te leren. Er zal trouwens niet één regeling komen voor de invulling
van het gehele MMIP-beleid. Het gaat om meerdere regelingen die vanuit diverse bronnen
gefinancierd zullen gaan worden.
Uit de verkenning komt naar voren dat het mogelijk is om additionele criteria (met punten-
toekenning) in te brengen waar het gaat om human capital (inclusief betrekken beroepsonderwijs),
kennisdeling (ten behoeve van onderwijsvernieuwing) en innovatieverspreiding (organiseren volume
aan kennis en kunde). Echter, voorzichtigheid op dit vlak is geboden om regelingen niet te zwaar te
Pagina 20 uit 35
maken voor indieners. Een andere mogelijkheid is om met open vragen consortia uit te nodigen
hoe zij eventueel buiten de scope van het (subsidie)project mogelijk ook bijdragen kunnen
leveren aan de hierboven genoemde aspecten.
In het kader van tendercriteria is het interessant om te kijken naar publicaties die gaan over
ervaringen bij innovatiesubsidieregelingen in het buitenland. Een beknopte zoektocht leverde
vooralsnog geen resultaten op. Wel zijn de nodige publicaties gevonden over het stimuleren van
innovatie op het vlak van duurzaamheid via inkoopprocessen van overheden (o.a. Rolfstam, 2009;
Witjes & Lozano, 2016; Alhola et al., 2018). In dergelijke publicaties is gekeken naar bruikbare
aanbevelingen. Er zijn vooralsnog geen relevante aanknopingspunten gevonden op het niveau van
(tender)criteria.
5.3. De MMIP-organisatie
Tijdens de verkenning werd de MMIP-organisatie genoemd als zijnde de (toekomstige) organisatie
per MMIP die de uitvoering verzorgt van het betreffende MMIP-innovatieprogramma, in afstemming
met aanpalende MMIP-organisaties en met MMIP-overstijgende geledingen. Een MMIP-organisatie
kan een bestaande TKI-organisatie zijn; de governance voor de MMIP’s is nog niet bekend.
In of bij de MMIP-organisatie is naast regie op het inhoudelijke (innovaties en regelingen gericht op
innovaties), ook (enige) regiecapaciteit noodzakelijk over zaken als HCA en innovatieverspreiding.
Tevens is het noodzakelijk dat het beroepsonderwijs (inclusief praktijkgericht onderzoek) eventueel
via netwerken, koepels en/of specifieke aanspreekpunten periodiek afstemming heeft met de
MMIP-organisatie. Zodat op het niveau van programmering en programma’s op gezette momenten
consultaties zijn (o.a. inhoudelijke themas en programmering op basis van innovatiebehoeften uit
de praktijk, maar ook over zaken als HCA en innovatiespreiding).
Qua afstemmingprocessen vanuit de bestaande TKI’s en/of (toekomstige) MMIP-organisaties is
het van belang dat in specifieke MMIP-domeinen relevante initiatieven worden betrokken die
bijvoorbeeld gericht zijn op de HCA en/of innovatie door en met bedrijven. Voor de MMIP's 1, 11 en
13
16
is het bijvoorbeeld relevant om CAREER actief te betrekken. Het Landelijk Biobased Kennis-
netwerk zou meegenomen dienen te worden in afstemmingen over bijvoorbeeld MMIP’s 6, 7, 9, 10
en 11.
17
Ook is het zaak dat het initiatief De Uitdaging (Topsector Energie, 2018a) daar waar
mogelijk de interactie heeft of opzoekt met relevante MMIP-organisaties om ambities en proces-
stappen af te stemmen. En op gelijke wijze is het noodzakelijk om de interactie op te zetten tussen
MMIP-organisaties en relevante lectorenplatforms (zoals Urban Energy, Energievoorziening in
Evenwicht, Biobased Economy en Circulaire Economie
18
).
De dertien MMIP’s hebben inhoudelijk verbindingen en op bepaalde thema’s overlap. Onderwijs-
instellingen, bedrijven en (toekomstige) samenwerkingsverbanden werken aan inhoudelijke onder-
werpen die met meerdere MMIPs en met overstijgende thema’s zoals digitalisering en systeem-
integratie raakvlakken hebben. Er zal moeten worden nagedacht hoe die verschillende inhoudelijke
verbindingen goed benut kunnen worden zonder dat dit al te veel organisatorische capaciteit en
overhead vergt zowel aan de kant van de MMIPs als aan de kant van het bedrijfsleven, onderwijs
en onderzoek. Het is daarbij zaak om de praktijk goed bij de programmering te betrekken, zodat de
innovatieprogramma’s aansluiten op de praktijkbehoeftes en -mogelijkheden.
16
MMIP-1: Hernieuwbare elektriciteit op zee; MMIP-11: Productie food en non-food tegen minimale broeikasgasemissies; MMIP-13: Een
robuust en maatschappelijk gedragen energiesysteem.
17
MMIP-6. Sluiting van industriële kringlopen; MMIP-7: CO2-vrij industrieel warmtesysteem; MMIP-9: Innovatieve aandrijving en gebruik
van duurzame energiedragers voor mobiliteit; MMIP-10: Doelmatige vervoersbewegingen voor mensen en goederen; MMIP-11:
Productie food en non-food tegen minimale broeikasgasemissies.
18
https://www.lectorencirculaireeconomie.nl
Pagina 21 uit 35
Meer op MMIP-overstijgend niveau wordt aangegeven dat ook de HCA mogelijk missiegedreven
opgezet zou kunnen worden. Dit betekent dat er ook aandacht moet zijn voor periodieke monitoring
en evaluatie van o.a. de HCA-voortgang per MMIP. Monitoring en evaluatie geven ook
mogelijkheden voor de verschillende MMIP’s om van elkaar te leren.
5.4. Hulpmiddelen zoals learning communities-procestool
Om partnerships vanuit het (denk)model learning communities vorm te geven, is een procestool
in ontwikkeling door Ecorys. Het instrument zal medio 2019 gepubliceerd worden door de
topsectoren en zal publiekelijk zijn. Met dit instrument willen de topsectoren (regionale) partijen
helpen om rondom klimaat- en energie- vraagstukken een lerende aanpak te organiseren. Het
instrument legt de nadruk op vier invals-hoeken: 1) why (doel), 2) what (producten, activiteiten), 3)
who (team en organisaties) en 4) ondersteunende functie en business model (Ecorys, 2018).
Tijdens de verkenning is er met een aantal partijen gesproken over de learning communities-
procestool in wording. Aangegeven is dat het instrument niet alleen behulpzaam is bij de opstart-
en pioneerfase van een samenwerking, maar ook bij de bijsturing van het initiatief in de fases van
opschalen en continuering. Die bijsturing is van belang zodat de partners met elkaar blijven
vernieuwen voor wat betreft het leveren van toegevoegde waarde op basis van een gedragen visie.
Verder blijkt dat het LC-instrument (zoals nu in ontwikkeling) de discussie aanjaagt bij de partners
over de koers en invulling van de samenwerking (bijvoorbeeld in relatie tot de MMIP-ambities,
concrete innovatieprojecten en/of de HCA).
Het is van belang om relevante initiatieven in of gerelateerd aan een MMIP-domein aan elkaar te
verbinden en dat initiatieven weten op te schuiven naar het rechtsboven kwadrant van figuur 2:
optimaal samenspel tussen leren, werken en innoveren ten behoeve van het ondersteunen van de
realisatie van de MMIP-ambities. Daarbij is het van waarde om te analyseren welke hulpmiddelen
relevant kunnen zijn. Een voorbeeld is de learning communities-procestool om binnen de keten van
kennis- en onderwijsinstellingen kennis te verspreiden en vragen op te halen (mbo wo en wo
mbo) en 2) partners met elkaar te laten valideren dat de samenwerking nog steeds werkt op basis
van relevante kennis.
5.5. Mogelijk potentieel van LC’s in relatie tot bevindingen beleidsevaluaties
In paragraaf 2.1 is aangegeven dat de afgelopen periode diverse beleidsevaluaties zijn uitgevoerd
onder andere gericht op het beleid van het ministerie van EZK (tabel 1). Learning communities zijn
in dit document gepresenteerd als een belangrijke schakel tussen beleid en de praktijk van innovatie-
adoptie vanuit het perspectief van leren, werken en innoveren. Hierdoor hebben LC’s – tot op zekere
hoogte het potentieel om hiaten in het gangbare beleid vanuit de praktijk te verkleinen. In tabel 4
is dat weergegeven met het mogelijk potentieel van LC’s in relatie tot de bevindingen uit diverse
beleidsevaluaties. Dit mogelijk potentieel dient nader beredeneerd en geanalyseerd te worden.
Desalniettemin geeft het voor dit moment inspiratie voor relevante belanghebbenden
(beleidsontwikkeling, beleidsuitvoering, PPS-praktijk en onderwijs).
Compacte weergave van bevindingen beleidsevaluaties
Mogelijk potentieel van LCs in relatie tot
bevindingen beleidsevaluaties
1) Het budget voor energie-innovatie is laag, zeker
internationaal gezien.
Door koppelingen met LCs kan er meer capaciteit
gemobiliseerd worden en kunnen meer investeringen
worden uitgelokt.
2) Het huidig ‘stop-en-go’ beleid leidt tot grote
financiële onzekerheid bij met name
kennisinstellingen.
LC’s werken aan duurzame partnerships met een lange
termijnvisie gericht op continuïteit, wederkerigheid, win-
win; hierdoor snijdt het mes aan twee kanten.
Pagina 22 uit 35
3) Huidige publieke inzet is gefragmenteerd en weinig
radicaal.
LC’s maken gebruik van deze lappendeken aan subsidies
om hun regionale doelen te bereiken; LC’s zijn dan te zien
als een constante ‘onderstroom’.
4) Impact van innovatiebeleid is door slechte aansluiting
bij implementatiebeleid beperkt.
LC’s bieden de potentie om deze aansluiting te verbeteren
doordat zij een directe relatie hebben met de praktijk
(kennisopbouw maar ook kunnen opschalen).
5) Er zijn geen aanwijzingen dat de deelnemende
bedrijven aan regelingen meer innoveren dan wel
meer omzet of export realiseren of meer
werkgelegenheid bieden.
LCs lokken innovatie uit vanwege hun ecosysteem-
karakter en hun netwerkfunctie en de mogelijkheid om
(innovatie)signalling te verbeteren bij ondernemers (zie
paragraaf 3.2).
Tabel 4: Mogelijk potentieel van LC’s in relatie tot bevindingen beleidsevaluaties
Pagina 23 uit 35
6. CONCLUSIES
De centrale conclusie van de verkenning is:
Missiegedreven innovatie kan alleen succesvol zijn als er niet alleen wordt ingezet op het
ontwikkelen en voortdurend vernieuwen van kennis en kunde, maar er ook voldoende
professionals zijn met relevante kennis en kunde die nieuwe toepassingen kunnen ontwikkelen en
op grote schaal kunnen implementeren. Deze kennis en kunde raken veel aspecten, zoals: feiten,
handelingen, vaardigheden, ervaring en kennis van (sociale) systemen. Door de snel veranderende
samenleving, technologische ontwikkelingen en urgentie met betrekking tot klimaat- en energie-
transitie heeft de arbeidsmarkt en met name het bedrijfsleven behoefte aan meer snelheid voor
wat betreft het opleiden van professionals, vanzelfsprekend met relevante en toekomstgerichte
kennis en kunde.
Uit deze inventarisatie blijkt dat learning communities een belangrijke schakel zijn in het
opbouwen én verspreiden van de benodigde kennis en kunde via initieel onderwijs, leven lang
ontwikkelen en andere kanalen. Het is zaak om slimme strategieën te ontwikkelen om learning
communities te bouwen. Alleen dan komen de missiegedreven innovatieagenda en de human
capital agenda samen en ontstaat een situatie waarbij met voldoende capaciteit impact wordt
gemaakt met de grootschalige uitrol van klimaatoplossingen (van een tiental gigawatts aan
opgesteld vermogen van windturbineparken op de Noordzee tot honderdduizenden woningen
die verduurzaamd zijn) en reductie van broeikasgassen wordt gerealiseerd.
Tijdens deze verkenning leverden gesprekspartners en publicaties een aanzienlijke hoeveelheid
inzichten die relevant zijn voor het (MMIP-)innovatie-ecosysteem en voor het versterken van de
betrokkenheid van samenwerkingsverbanden (met name onderwijs - bedrijfsleven) bij de MMIP’s.
Daarmee zijn de aanvullende conclusies:
Het beroepsonderwijs is onmisbaar in innovatieverspreiding en moet daarom een integraal
onderdeel zijn van missiegedreven innovatiebeleid.
Missiegedreven innovatiebeleid vereist dat er ook gewerkt wordt aan het stimuleren van de
verspreiding van innovaties. In lijn hiermee dient ook adoptie van innovatie een integraal onderdeel
te zijn van de MMIP-activiteiten. Zonder grootschalige adoptie van oplossingen op het vlak van
klimaat en energie zal het namelijk lastig worden om de gestelde beleidsdoelen te behalen. Om het
proces ook te stimuleren en te versnellen zijn onderwijsinstellingen en samenwerkingsverbanden
van beroepsonderwijs en bedrijfsleven een onmisbare schakel. Dit betekent het betrekken van het
beroepsonderwijs bij de meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s. Hierdoor zullen deze
programma’s beter in staat zijn om grootschalige adoptie te stimuleren met hulp van (trajecten ter
bevordering van) onder andere initieel onderwijs, praktijkgericht onderzoek en leven lang
ontwikkelen.
Meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s kunnen niet succesvol zijn zonder een slimme
strategie voor het aanjagen en het versterken van learning communities.
Innovatieverspreiding en grootschalige adoptie van oplossingen in een setting van (toenemende)
implementatiecomplexiteit vereist dat innovatieprogrammas het op niveau brengen en houden
van het palet aan relevante kennis en kunde stimuleren. Parallel moeten deze programma’s ook
bijdragen aan het op volume brengen van relevante kennis en kunde: via initiële opleidingen, via
na-, bij- en omscholing, via kanalen zoals samenwerkingsverbanden, werkgroepen, congressen,
kennisdragers in of gericht op het mkb, etc. Daarbij is het van belang het palet aan kennis en kunde
breed te definiëren; dus niet alleen in enge zin kennis en kunde gerelateerd aan een (technologische)
Pagina 24 uit 35
oplossing, maar in de bredere zin: alle aspecten die te maken hebben met het integreren en
inbedden van oplossingen in de samenleving (MIS-type III complexiteit) (denk aan technische,
socio-economische, psychologische, juridische, ruimtelijke, ecologische en systeemaspecten).
Een slimme strategie is nodig om learning communities aan te jagen en te versterken in een context
zoals hierboven geschetst. MMIP’s kunnen helpen learning communities te versterken. Kortom:
1) learning communities vormen voor de MMIP’s niet alleen een belangrijke schakel voor opbouw
van kennis en kunde en voor het leggen van de verbinding met de toepassing van kennis en kunde
(dit is vooral dankzij de nationale aanjaag- en investeringsfunctie van MMIP’s); 2) learning
communities zijn ook het mechanisme voor versnelling en opschaling (dit is de regionale impact
die nodig is op de arbeidsmarkt en ten aanzien van innovatieadoptie). Daarbij geldt nu dat de
condities om learning communities te versterken nog niet goed zijn ingeregeld.
We moeten nog veel leren over hoe het beroepsonderwijs en learning communities kunnen
bijdragen aan het innovatiesysteem.
De verkenning laat zien dat wanneer we het hebben over innovatieverspreiding, innovatie-
ecosystemen en implementatiecomplexiteit, het van essentieel belang is om te onderkennen
dat naast het wo en de TO2-instellingen het beroepsonderwijs en hun publiek-private
samenwerkingsverbanden met bedrijven betrokken moet worden bij het realiseren van de ambities
van de MMIP’s. Alleen met voldoende goed opgeleide mbo- en hbo-professionals en ruime
beschikbaarheid van praktijkgerichte kennis en kunde wordt het mogelijk om vorderingen te maken
met de missies uit het innovatiebeleid. Het hbo heeft al een traditie opgebouwd van praktijkgericht
onderzoek en werken onderling thematisch samen. Het mbo volgt het hbo middels het opzetten
practoraten. Het is echter van belang om beter te begrijpen hoe het beroepsonderwijs en learning
communities bijdragen kunnen leveren aan het innovatiesysteem. Dat hangt niet alleen af van
de versterkende mogelijkheden van de MMIP’s. Het hangt ook af van de mogelijkheden van het
beroepsonderwijs en samenwerkingsverbanden om condities van learning communities te
verbeteren om MMIP’s te kunnen ondersteunen: focus, verbinding tussen innovatieagenda’s en
HCA’s, benutten van alternatieve onderwijsvormen, beschikbaar maken en delen van (praktijk)
faciliteiten, wederkerigheid en meerjarige inzet van alle relevante partijen en opschaling. Daarbij
zouden de MMIP’s een uitgangspunt moeten vormen voor de speerpunten binnen
onderwijsinstellingen en learning communities.
Pagina 25 uit 35
7. AANBEVELINGEN
Op basis van deze verkenning geven we aanbevelingen die zijn gericht op twee doelgroepen:
1) vertegenwoordigers verbonden aan (de uitvoering van) MMIP-beleid (visie, programmering,
regelingen) en 2) vertegenwoordigers uit het beroepsonderwijs en van samenwerkingsverbanden
onderwijs-bedrijfsleven (strategie en inhoud).
Aanbevelingen voor beide genoemde doelgroepen:
Ontwikkel per MMIP een strategie om te komen tot een optimaal samenspel van leren, werken
en innoveren. Onderzoek daarbij de rol van het beroepsonderwijs en learning communities als
schakels in het innovatiesysteem, want op dat vlak is het nodig om meer inzichten te verkrijgen.
Voor ieder MMIP geldt dat de betrokken partijen zich moeten realiseren dat kennis en kunde
veelomvattende begrippen zijn. Daarbij is het niet voldoende om kennis en kunde op niveau te
brengen en te houden, maar is het tevens zaak om volume te realiseren. Dat betekent dat voor
ieder MMIP een strategie nodig is om te werken aan een succesvolle beweging naar het kwadrant
rechtsboven in figuur 3. Dit zou een gedeelde ambitie moeten zijn tussen de MMIP’s en learning
communities, immers het vergt van beiden de nodige investeringen om dit voor elkaar te krijgen.
Inzichten op dat vlak zijn nog niet volledig. Daarom is het van belang om met onderzoek meer
inzichten te verkrijgen in de rol van het beroepsonderwijs en learning communities als schakels
in het innovatiesysteem.
Figuur 3: Strategie nodig om te komen tot een optimaal samenspel van leren, werken en innoveren
Op niveau brengen palet aan
relevante kennis en kunde
Organiseren van volume aan relevante kennis en kunde
Optimaal
samenspel
leren, werken en
innoveren t.b.v.
MMIP-ambitie
Learning communities
Pagina 26 uit 35
Aanbevelingen gericht op vertegenwoordigers van (de uitvoering van) MMIP-beleid:
Laat (innovatie)programma’s geïnitieerd vanuit verschillende geledingen elkaar (inhoudelijk en
financieel) versterken (multipliereffecten) waar het gaat om innovatieverspreiding, HCA en het
aanjagen en opbouwen van learning communities.
Voor meer succes met het realiseren van MMIP-ambities is het zaak om per MMIP de rol en
bijdrage van het beroepsonderwijs in innovatiespreiding concreet te maken. Maak ook per MMIP
het netwerk van relevante actoren en initiatieven transparant die de potentie hebben MMIP-
relevante learning communities neer te zetten en door te ontwikkelen teneinde ondersteuning
te leveren aan de MMIP-ambities.
Ontwikkel een monitor over hoe vanuit de MMIP’s vorderingen worden gemaakt met het aanjagen
en versterken van MMIP-relevante learning communities. Reflecteer periodiek op knelpunten en
oplossingsrichtingen als het gaat om het betrekken van het beroepsonderwijs, bedrijfsleven en
learning communities bij MMIP-innovatieprojecten.
Neem in de tendercriteria de aspecten human capital, kennisuitwisseling en innovatieverspreiding
mee, zodat learning communities (en betrokken partijen) zich hierin herkennen.
Aanbevelingen gericht op vertegenwoordigers uit het beroepsonderwijs en van
samenwerkingsverbanden onderwijs-bedrijfsleven:
Gebruik de MMIP’s als inhoudelijk uitgangspunt voor speerpunten binnen onderwijsinstellingen en
learning communities. Gebruik MMIP’s ook als impuls om in samenwerking met het bedrijfsleven
en overige actoren (onderzoekers, gebruikers, bewoners, etc.) in de regio te werken aan onderwijs-
vernieuwing (inhoud, flexibiliteit, digitalisering, leerkolom) en innovatie-ecosystemen (rekening
houdend met toenemende implementatiecomplexiteit) en het leggen van bovenregionale
verbindingen.
Versterk als publiek-private samenwerkingen de condities (ten aanzien van focus, verbinding
agenda’s, leer- en onderzoekomgevingen, faciliteiten, lange termijn betrokkenheid en opschaling)
om door te groeien naar MMIP-relevante learning communities. In het kader daarvan: ontwikkel
en experimenteer met instrumentarium (zoals de learning communities-procestool) om publiek-
private samenwerkingen te helpen learning communities op te bouwen en te borgen.
Pagina 27 uit 35
REFERENTIES
Alhola, K., Ryding, S.-O., Salmenperä, H., & Busch, N. J. (2018). Exploiting the potential of public
procurement - Opportunities for circular economy. Journal of Industrial Ecology, 23(1), pp.
96-109.
Arnkil, R., Järvensivu, A., Koski, P., & Piirainen, T. (2010). Exploring quadruple helix - Outlining user-
oriented innovation models. Työraportteja 85/2010 Working Papers.
AWTI (2016). Oppakken en doorpakken - Durven kiezen voor energie-innovatie. Den Haag: AWTI.
AWTI (2017). Onmisbare schakels - De toekomst van het toepassingsgericht onderzoek. Den Haag:
AWTI.
AWTI (2018). Verspreiding - De onderbelichte kant van Innovatie. Den Haag: AWTI.
Borrás, S. & Edquist, C. (2013). ‘The choice of innovation policy instruments’. Technological
Forecasting & Social Change, 8, pp. 1513-1522.
Boulton, J.G., Allen, P.M. & Bowman, C. (2015). Embracing complexity Strategic perspectives for an
age of turbulence. Oxford: Oxford University Press.
Degenaar, J. (2019). Ambities Centres of Expertise. Presentatie bijeenkomst Centres of Expertise
georganiseerd door Katapult, 7 februari 2019.
Dialogic & SEO (2017). Beleidsevaluatie energie-innovatieregelingen. In opdracht van de ministerie
van Economische Zaken en Klimaat.
EC (2019). Country report the Netherlands 2019. Brussel: Europese Commissie.
Ecorys (2018). Presentatie over ontwikkeling learning communities instrument aan begeleidingsgroep
van het project. Utrecht, september 2018.
Frenken, K. & Hekkert, M.P. (2017). Innovatiebeleid in tijden van maatschappelijke uitdagingen.
Essaybundel "Sturen in een verweven dynamiek" - Perspectieven op complexiteit en
oriëntaties voor beleid (pp. 46-57). Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
Hekkert, M.P., Suurs, R.A.A., Negro, S.O., Smits, R.E.H.M., Kuhlmann, S., (2007). ‘Functions of
innovation systems - A new approach for analyzing technological change’. Technological
Forecasting and Social Change, 74, pp. 413-432.
Hekkert, M., Negro, S., Heimeriks, G. & Harmsen, R. (2011). Technological innovation system analysis
- A manual for analysts. Publicatie Copernicus Institute for Sustainable Development and
Innovation, Universiteit Utrecht.
IEA (2019). Global energy & CO2 status report 2018 - The latest trends in energy and emissions in
2018. Parijs: International Energy Agency.
Jacobs, D., & Snijders, H. (2008). Innovatieroutine - Hoe managers herhaalde innovatie kunnen
stimuleren. Assen: Koninklijke Van Gorcum.
Kuhlmann, S., & Rip, A. (2018). Next generation innovation policy and grand challenges. Science and
public policy, 45(4), pp. 448-454.
Lundvall, B-A. & Johnson, B. (1994). ‘The learning economy’. Journal of Industry Studies, 2, pp. 23-42.
Mazzucato, M. (2018). Mission-oriented research & innovation in the European Union A problem-
solving approach to fuel innovation-led growth. Brussel: Europese Commissie.
MinEZK (2018a). Kamerbrief over innovatie en de bevordering van innovatie - Naar missiegedreven
innovatiebeleid met impact. Den Haag, Tweede Kamer, 13 juli 2018.
MinEZK (2018b). Kamerbrief over aanbieding ontwerp-Klimaatakkoord. Den Haag, Tweede Kamer, 21
december, 2018.
Pagina 28 uit 35
MinEZK (2019a). Oproep voor voorstellen ter invulling van meerjarige missiegedreven
innovatieprogramma’s voor de gebouwde omgeving. Staatscourant, 20 februari 2019.
MinEZK (2019b). Eerste reactie kabinet op de doorrekening van het ontwerp-Klimaatakkoord. Den
Haag, Tweede Kamer, 13 maart 2019.
Mitchell, M. (2009). Complexity A guided tour. New York: Oxford University Press.
Nonaka, I. & Takeuchi, H. (1995). The knowledge creating company - How Japanese companies create
the dynamics of innovation. Oxford University Press.
NWO (2019a). Call for proposals - Human capital: leren in learning communities. Den Haag, februari
2019.
NWO (2019b). Call for proposals - Transities en gedrag. Den Haag, februari 2019.
Onderwijsraad (2014). Meer innovatieve professionals. Advies uitgebracht aan de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
PBT (2016). Resultaten toekomstverkenning centra 2016. Den Haag: Platform Bèta Techniek.
PBT (2017). Auditrapportage CIV 2017. Den Haag: Platform Bèta Techniek.
Rehfeld, D. & Dankbaar, B. (2015). ‘Industriepolitik - Theoretische Grundlagen, Varianten und
Herausforderungen. WSI Mitteilungen, 68(7), pp 491-499.
ROA (2017). De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2022. Maastricht: Researchcentrum voor
Onderwijs en Arbeidsmarkt.
Rogers, E.M. (2003). Diffusion of innovations (5th edition). New York: Free Press.
Rolfstam, M. (2009). ‘Public procurement as an innovation policy tool - The role of institutions’.
Science and Public Policy, 36.
RVO (2019). Regelingen Topsector Energie - Handleiding april 2019. In opdracht van de ministeries
van Economische Zaken en Klimaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
Infrastructuur en Waterstaat.
SER (2018a). Missiegedreven innovatiebeleid voor energie- en klimaatambities. Borgingscommissie
Energieakkoord. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
SER (2018b). Ontwerp van het Klimaatakkoord. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
SER (2018c). Energietransitie en werkgelegenheid - Kansen voor een duurzame toekomst. Den Haag:
Sociaal-Economische Raad.
SER & Secretariaat Klimaatakkoord (2019). Innoveren met een missie - Integrale kennis- en
innovatieagenda voor klimaat en energie. Gezamenlijke publicatie van Sociaal-Economische
Raad en het Secretariaat Klimaatakkoord.
SIA (2017). Zonder wrijving geen glans - Evaluatie Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek
SIA 2017. Rapport evaluatiecommissie Regieorgaan SIA.
Topsector Energie (2016), Teacher’s learning in energy - Aanpak.
Topsector Energie (2018a). De Uitdaging voor het beroepsonderwijs - Hogescholen, bedrijven en
gemeenten werken samen aan het klimaatakkoord.
Topsector Energie (2018b). Kennis- en Innovatie-Agenda Gebouwde Omgeving (2019-2023). Notitie
voor sectortafel Gebouwde Omgeving, Klimaatakkoord.
Topsectoren & PBT (2017a). Learning communities - 1 Investeringsagenda. Gezamenlijke publicatie
van de Topsectoren en Platform Bèta Techniek.
Topsectoren & PBT (2017b). Learning communities - 2 Onderzoeksagenda. Gezamenlijke publicatie
van de Topsectoren en Platform Bèta Techniek.
Topsectoren & PBT (2017c). Learning communities - 3 Onderzoeksrapport. Gezamenlijke publicatie
van de Topsectoren en Platform Bèta Techniek.
Pagina 29 uit 35
Topsectoren & PBT (2017d). Learning communities - 4 Leren door te doen. Gezamenlijke publicatie
van de Topsectoren en Platform Bèta Techniek.
Velzing, E-J. & Knol, E. (2017). Praktijkgericht onderzoek voor urban energy: De rol van lectoraten en
hogeschoolonderzoek bezien vanuit het perspectief van het innovatief mkb. Verkenning op
verzoek Lectorenplatform Urban Energy en in opdracht van RVO.
Velzing, E-J. (2013). Innovatiepolitiek. Delft: Eburon.
Vereniging Hogescholen (2018a). Meer waarde met hbo - Doorwerking praktijkgericht onderzoek van
het hoger beroepsonderwijs.
Vereniging Hogescholen (2018b). Verenigingskader Centres of Expertise.
Witjes, S., & Lozano, R. (2016). ‘Towards a more Circular Economy - Proposing a framework linking
sustainable public procurement and sustainable business models’. Resources, Conservation &
Recycling, 112, pp. 3744.
Pagina 30 uit 35
BIJLAGEN
Bijlage 1: Begeleidingscommissie, geïnterviewden en deelnemers expertworkshop
Leden begeleidingscommissie
Frans van den Akker
John Baken
Mart van Bracht
Rietje van Dam
John Post
Marsha Wagner
(voorzitter)
Geïnterviewden
Deelnemers en observanten expertworkshop
- 8 personen namens diverse MMIP’s aanwezig of ter
ondersteuning van aanwezige MMIP-
vertegenwoordiger(s)
- 9 lectoren hbo
- 2 directeuren pps hbo
- 1 coördinator pps mbo+hbo
- 1 projectleider pps hbo
- 1 onderzoekscoördinator pps hbo
- 1 beleidsmedewerker hbo
- 1 persoon verbonden aan TKI
- 1 practor mbo
- 2 docenten mbo inclusief verbindingen bedrijfsleven
- 2 directeuren mbo
- 2 managers mbo
- 1 directeur pps mbo
- 3 coördinatoren pps mbo
- 1 beleidsmedewerker mbo
- 8 observanten (respectievelijk verbonden aan
beleidsuitvoering praktijkgericht onderzoek,
innovatiebeleid, HCA topsectoren, TKI’s, onderzoeker
innovatie & innovatiebeleid)
- 3 personen verbonden aan TKI’s
- 3 personen verbonden aan TKI’s en ook betrokken bij
MMIP’s (aanspreekpunt en coördinatie)
- 2 personen betrokken bij subsidie-instrumenten en -
regelingen
- 1 persoon gericht op HCA en actief bij een
branchevereniging
- 1 persoon gericht op beleid en programmering HCA
- 1 onderzoeker op het vlak van learning communities
- 2 personen verbonden aan Centres of Expertise,
waarvan 1 lector
- 1 persoon betrokken als pps-programmamanager bij
een hogeschool
- 2 personen actief in bedrijfsleven, waarvan 1
betrokken als lid managementteam van een pps
- 1 persoon actief in het definiëren/opzetten van een
specifieke learning community
- 1 persoon actief als kartrekker van een fieldlab en
sterk verbonden met het bedrijfsleven
Pagina 31 uit 35
Bijlage 2: Overzicht Integrale Kennis- en Innovatie Agenda van het Klimaatakkoord
Bron: SER (2018b).
Versnelling energierenovaties in de
Gebouwde Omgeving Sluiting van industriële kringlopen Innovatieve aandrijving en gebruik
van duurzame energiedragers voor
mobiliteit
Productie food en non-food tegen
minimale broeikasgasemissies
Duurzame warmte (en koude) in de
Gebouwde Omgeving (inclusief
glastuinbouw)
CO2-vrij industrieel warmtesysteem
Doelmatige vervoersbewegingen
voor mensen en goederen Land en water optimaal ingericht op
CO2 vastlegging en gebruik
Het nieuwe energiesysteem in de
Gebouwde Omgeving in evenwicht
processen
Een robuust en maatschappelijk gedragen energiesysteem
Hernieuwbare elektriciteit op zee
Hernieuwbare elektriciteitsopwekking
op land en in de gebouwde omgeving
Pagina 32 uit 35
Bijlage 3: Tendercriteria
Elke TSE-tender heeft zijn eigen beoordelingscriteria. Een deel zijn samengevat in onderstaande
tabellen.
2019 tenders TSE (RVO, 2019)
Criteria
Weging
BBEG Innovatie, Energie en industrie JIP
a, b, c, d
Alles even zwaar
Geo-energie en Waterstof
b, c, d, e
Alles even zwaar
Urban Energy
b, c, d, e
20%, 15%, 30%, 35%
Wind op Zee R&D
b, d, e
25%, 25%, 50%
2019 tendercriteria Topsector Energie (RVO, 2019)
a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk
relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de Topsector Energie.
Het gaat hier om de bijdrage van het project aan de duurzaamheids- en maatschappelijke doelstellingen van de
Topsector Energie, zoals verwoord in het innovatiecontract. Elke TKI binnen de Topsector Energie heeft een eigen
innovatiecontract of werkprogramma, met daarin de doelen die het TKI heeft vastgesteld. Het begrip
energiehuishouding is breder dan energievoorziening: het gaat hier om de hele keten van bron, via conversie en
infrastructuur tot gebruik. De bijdrage wordt beoordeeld op twee niveaus: de duurzaamheidseffecten op projectniveau
voor de projectdeelnemers, en het herhalingspotentieel (binnen 5 jaar na implementatie) in andere projecten binnen of
buiten de sector. Projecten kunnen ook andere duurzaamheidseffecten hebben dan energiebesparing en/of
vermindering van de CO₂-uitstoot (onder andere op het aspect people van people, planet, profit). Ook deze effecten
worden meegewogen. Een goede onderbouwing, waar mogelijk kwantitatief, van de verwachtingen is belangrijk, de
aannames en inschattingen dienen expliciet gemaakt te worden.
b. Slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij.
De slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij gaat over de verwachting of de innovatie uiteindelijk zal leiden
tot daadwerkelijke toepassing daarvan door afnemers en (eind) gebruikers. Een project scoort hoger op dit criterium
naarmate de businesscase voor de producent of ontwikkelaar en die voor de (eind)gebruiker inzichtelijker en beter is.
Een goede onderbouwing, waar mogelijk kwantitatief, van de verwachtingen is hiervoor belangrijk. De aannames en
inschattingen dienen expliciet gemaakt te worden. Een project scoort ook hoger op dit criterium naarmate in het
projectvoorstel:
a) beter onderbouwd is in welke sectoren of marktsegmenten behoefte is aan de dienst of technologie en wat de
bredere context is van deze technologie;
b) een visie op het implementatietraject beter onderbouwd is, door inzicht te geven in de vervolg-stappen die bij een
positief projectresultaat gezet zullen worden in de verdere ontwikkeling en marketing van de dienst of technologie en
door wie, zo mogelijk tot aan introductie op de markt;
c) meer aannemelijk gemaakt is dat de geleerde lessen gedeeld zullen worden met relevante doelgroepen (ten minste
met de achterban van alle betrokken partijen).
Ook is het belangrijk om zo vroeg mogelijk in de ontwikkeling van een product of dienst rekening te houden met de
niet-technologische aspecten die in de productieketen en bij de marktintroductie een rol kunnen spelen. Denk
bijvoorbeeld aan: ruimtebeslag, effecten op landschap en ecologie, esthetiek, lokaal eigenaarschap, mogelijke
(maatschappelijke) weerstand tegen de innovatie bij daadwerkelijk gebruik, of nieuwe competenties die nodig zijn bij
gebruik van de technologie. In het projectplan dient aangetoond te worden dat er is nagedacht over welke niet-
technologische aspecten voor specifieke maatschappelijke actoren van belang zijn en op welke wijze die waar mogelijk
en nodig in het project worden meegenomen. Dit zal de kans op een geslaagde innovatie vergroten.
Pagina 33 uit 35
c. De mate waarin het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek
en de Nederlandse kennispositie meer versterkt.
Dit heeft betrekking op de onderzoeks- en innovatieaspecten. Een project heeft een hogere waardering op dit criterium
naarmate het innovatiever is en een hogere onderzoekskwaliteit en vernieuwing in zich bergt. Het kan gaan om een
nieuwe technologie met betrekking tot producten, processen of diensten, of om wezenlijke vernieuwingen of wezenlijk
nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. Voor technologisch georiënteerde projecten is de stand van de
techniek, internationaal gezien, de maatstaf. Er wordt meer bijgedragen aan dit criterium naarmate er meer sprake is
van technologische vernieuwing, bezien in het spectrum van een marginaal technische verbetering tot een
technologische doorbraak. Een project in een fundamenteel onderzoeksgebied is overigens niet per definitie
innovatiever dan een ontwikkelingsproject. Wel geldt dat de technische risico’s die aan een project verbonden zijn
beheersbaar dienen te zijn. Voor met name demonstratie (onderdelen in) projecten weegt mee hoe de lessen die
worden geleerd, worden geborgd en toegepast in vervolgontwikkeling en toepassing binnen en buiten het project. Voor
sociaalwetenschappelijk onderzoek en innovatie geldt dat de internationale stand van de wetenschap de maatstaf is.
Een project heeft een hogere waardering op dit criterium naarmate het beter voortbouwt op de internationale stand
van de wetenschap, bestaande wetenschappelijke inzichten beter integreert en op een vernieuwender wijze verder
brengt t.b.v. effectieve toepassing. De mate waarin de Nederlandse kennispositie wordt versterkt weegt daarbij mee.
Dit maakt het mogelijk projecten te waarderen die mogelijk niet direct tot producten of procesverbeteringen leiden
maar waaraan wel een grote behoefte bestaat binnen een bepaalde sector of groep van bedrijven.
d. De mate van de kwaliteit van het project, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met
risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen; (optioneel: en de mate waarin de beschikbare middelen
effectiever en efficiënter worden ingezet).
Een project scoort hoger naarmate de onderzoeksmethode en inhoudelijke aanpak beter zijn en het projectplan de
achtergrond van het probleem, de probleemdefinitie, de doelen, de inhoudelijke aanpak, de per partner uit te voeren
activiteiten, de projectfases inclusief go/no go momenten, de te gebruiken middelen en de resultaten beter beschrijft,
en het project beter inzicht toont in en omgaat met de risico’s. Het project scoort ook beter als het consortium alle voor
het project nuttige en noodzakelijke partijen bevat (betrokkenheid van de waardeketen), de kwaliteit van de
samenwerkingspartners (beschikbaarheid van benodigde kennis) om het beoogde project op het gewenste kwalitatieve
niveau uit te voeren hoger is en de inbreng van elke deelnemer helder is.
e. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het programma/de programmalijnen.
Bij Urban Energy, Geo-energie en Waterstof wordt gekeken naar de bijdrage van het project aan de doelstellingen van
de programmalijn waarop het project zich richt. Die staan toegelicht in het modelprojectplan en de
programmalijnbeschrijving, te vinden op de website van RVO.nl.
MMIP-tenderfasering TSE (MinEZK,
2019a; RVO, 2019)
Criteria/toelichting
Beoordelingspunten stap 1
(van de pré-voorstellen)
- Voldoende bijdrage aan de doelstelling van de subsidie;
- Voldoende samenwerking en samenhang (meerwaarde programma);
- Voldoende vertrouwen in de technische haalbaarheid;
- Voldoende vertrouwen in de economische haalbaarheid;
- Voldoende vertrouwen dat het consortium de activiteiten kan financieren.
Beoordelingspunten stap 2
(per criterium wordt een score
gegeven op een schaal van 1 tot en
met 5)
- Bijdrage aan de doelstellingen van het MMIP (weging: 35%).
- Kwaliteit van het programma: samenstelling consortium, aanpak en
methodiek, omgang met risico’s, uitvoerbaarheid (weging: 30%).
- Slaagkans in de Nederlandse markt en de maatschappij: businesscase voor
ontwikkelaar en eindgebruiker, vervolgstappen die na afloop gezet worden
Pagina 34 uit 35
om tot marktimplementatie te komen, ruimtelijke inpassing, omgang met
maatschappelijke aspecten (weging: 20%).
- Innovativiteit: de mate van nieuwheid ten opzichte van de internationale
stand van onderzoek of techniek (weging: 15%).
Wat opvalt in deze regeling in relatie tot focus van de verkenning:
Bijdrage aan de doelstellingen van het MMIP
Hoe meer impact het voorstel heeft op de doelstellingen van de oproep en het MMIP, hoe hoger het voorstel op dit
criterium scoort. De geschiktheid en impact op de markt van het consortium en, daarmee gepaard gaand, de
hoeveelheid activiteiten die opgepakt wordt in het voorstel, spelen daarbij een rol. Ook de marktsegmenten waarop
gefocust wordt, hebben invloed op de impact. Het gaat erom te komen tot een samenhangende mix van
technieken/oplossingen om gebouwen aardgasvrij te maken.
Kwaliteit van het programma
Een voorstel scoort hoger naarmate de onderzoeksmethode en inhoudelijke aanpak beter is en het projectplan de
achtergrond van het probleem, de probleemdefinitie, de doelen, de inhoudelijke aanpak, de per partner uit te voeren
activiteiten, de projectfases inclusief go/no go momenten, de te gebruiken middelen en de resultaten beter beschrijft,
en het project beter inzicht toont in en omgaat met de risico’s. Het voorstel scoort ook beter als het consortium alle
voor het voorstel nuttige en noodzakelijke partijen bevat (betrokkenheid van de waardeketen: producent/ontwikkelaar,
leverancier en (eind)gebruiker), de kwaliteit van de samenwerkingspartners (beschikbaarheid van benodigde kennis)
om het beoogde project op het gewenste kwalitatieve niveau uit te voeren hoger is en de inbreng van elke deelnemer
helder is. Ook wordt gekeken naar de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.
Een voorstel scoort hierop beter als de financiële middelen effectiever worden ingezet met het oog op de te bereiken
doelen van het voorstel. De financiële middelen betreffen zowel de gevraagde subsidie als andere middelen waarmee
het voorstel gefinancierd wordt. Om te voorkomen dat er onnodig veel kosten opgevoerd worden, wordt bij de
beoordeling meegewogen welke impact het voorstel kan hebben op de doelstellingen gerelateerd aan de totale
subsidiabele kosten die opgevoerd worden. Voorstellen die meer impact zullen hebben ten opzichte van de totale
opgevoerde kosten scoren hoger dan voorstellen die met dezelfde kosten minder impact hebben.
Slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij
De slaagkans in de markt en maatschappij gaat over de verwachting of de innovatie uiteindelijk zal leiden tot
daadwerkelijke toepassing door afnemers en (eind)gebruikers. Een voorstel scoort hoger op dit criterium naarmate de
businesscase voor de producent of ontwikkelaar en die voor de (eind)gebruiker inzichtelijker en beter is. Een voorstel
scoort ook hoger op dit criterium naarmate in het voorstel:
a) meer onderbouwd is in welke sectoren of marktsegmenten behoefte is aan deze dienst of technologie, wat de
bredere context is van deze technologie;
b) een visie op het implementatietraject beter onderbouwd is, door inzicht te geven in de vervolgstappen die bij een
positief resultaat gezet zullen worden in de verdere ontwikkeling en marketing van de dienst of technologie en door
wie, zo mogelijk tot aan introductie op de markt;
c) meer aannemelijk wordt gemaakt dat de geleerde lessen gedeeld zullen worden met relevante doelgroepen
(tenminste met de achterban van alle betrokken partijen en vragende partijen, zoals woningcorporaties en deelnemers
in concrete wijken die aardgasvrij moeten gaan worden).
Voorstellen die: 1) inzicht tonen in de belangrijkste niet-technologische aspecten van de relevante maatschappelijke en
marktactoren die betrokken zijn bij de productie én de toepassing van de beoogde eindproducten en -diensten, en 2)
deze vertalen in ontwerpeisen van deze producten en processen, worden hoger gewaardeerd op het
rangschikkingscriterium ‘Slaagkans in markt en maatschappij’.
Innovatie
Dit criterium heeft betrekking op de onderzoeks- en innovatieaspecten. Een voorstel scoort hoger op dit criterium
naarmate het innovatiever is en een hogere onderzoekskwaliteit en vernieuwing in zich bergt. Het kan gaan om een
nieuwe technologie met betrekking tot producten, processen of diensten of om wezenlijke vernieuwingen of wezenlijk
nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. Voor technologisch georiënteerde projecten is de internationale
Pagina 35 uit 35
stand der techniek de maatstaf. Er wordt hoger gescoord op dit criterium naarmate er meer sprake is van
technologische vernieuwing, bezien in het spectrum van een marginaal technische verbetering tot een technologische
doorbraak. Ook wordt meegewogen in hoeverre de aanpak gebaseerd is op het open innovatiemodel. Wel geldt dat de
technische risico’s die aan een project verbonden zijn, beheersbaar dienen te zijn. Ook weegt mee hoe de lessen die
worden geleerd, worden geborgd en toegepast in vervolgontwikkeling en toepassing binnen en buiten het project, zoals
het project Startmotor, het programma Aardgasvrije wijken en het Expertisecentrum Warmte. Voor sociaal-
wetenschappelijk onderzoek en innovatie geldt dat de internationale stand van de wetenschap de maatstaf is. Een
voorstel heeft een hogere waardering op dit criterium naarmate het beter voortbouwt op de internationale stand van
de wetenschap, bestaande wetenschappelijke inzichten beter integreert en op een vernieuwender wijze verder brengt
ten behoeve van effectieve toepassing.
Onder het kopje “Wat is nog meer belangrijk” staat Kennisverspreiding. De toelichting hierbij is: Onderdeel van het
voorstel is een plan van aanpak voor de verspreiding van de kennis die in het programma wordt opgedaan, dat
kwalitatief voldoende goed moet zijn. Het is de bedoeling dat er al tijdens de looptijd van het programma actief over de
resultaten gecommuniceerd wordt naar buiten toe. Concurrentiegevoelige informatie hoeft u niet te delen.
... Zo wordt voorkomen dat niet één partner, doorgaans het onderwijs (Moerman, 2021), een dominante positie inneemt binnen de interorganisationele samenwerking. Van belang is dat betrokken partners stilstaan bij het waarom van de samenwerking door het motief voor samenwerken te expliciteren en de gezamenlijke doelen van de hybride leeromgeving te formuleren (Bryson et al., 2015;Kaats & Opheij, 2014;Kuijer-Siebelink, Tankink, Nieuwenhuis, & De Vries, 2020). Is het streven bijvoorbeeld om een bijdrage te leveren aan innovatieve oplossingen in de praktijk? ...
... Het vormgeven van de samenwerking is voorwaarde om vervolgens gezamenlijk het ontwerp van de hybride leeromgeving te bepalen. Dit laatste heeft als doel het (gezamenlijk) leren van studenten, docenten en werkveldprofessionals te faciliteren (Knol & Velzing, 2019;Cardol, 2019). Uit onderzoek naar bewust geformeerde 'shared learning teams' waarin studenten, docenten en werkveldpartners samenwerken aan authentieke praktijkvraagstukken (Thomassen & Stöver, 2020), blijkt namelijk dat verwevenheid tussen werkveld en opleiding geen garantie is voor gezamenlijk leren. ...
... Door de gezamenlijke visie en ambitie is voor alle professionals duidelijk welke kwaliteit wordt nagestreefd en welke doelen of speerpunten voor de korte termijn zijn gesteld. Gezamenlijk wil zeggen dat de professionals samen betekenis hebben gegeven aan de doelen en de samenwerking(Kaats & Opheij 2014). Daardoor is de ambitie gedragen. ...
Chapter
Full-text available
Samen leren, werken en innoveren: dat is de kern van een hybride leeromgeving. Wat is nu een hybride leeromgeving, en waar moet je rekening mee houden bij de inrichting en ontwikkeling ervan? In deze kennissynthese bundelen we verschillende inzichten uit onderzoek en bieden we concrete handvatten voor de praktijk.
... In de literatuur wordt het belang van een gedeelde ambitie en gezamenlijk doelen veelvuldig onderstreept (e.g. Gielen et al., 2017;Knol & Velzing, 2019;Kuijer-Siebelink et al., 2020). Wanneer deze ambitie meerwaarde heeft voor alle betrokken organisaties en men elkaar nodig heeft om de ambitie te bereiken, is er sprake van wederkerige afhankelijkheid (Zuidersma, 2019). ...
... Wat we nodig hebben om meervoudige samenwerkingen echt een boost te geven en te verduurzamen, is een paradigmashift (Gielen et al., 2017): het onderwijs dient haar aanbodgerichte benadering om te zetten naar een vraaggerichte aanpak en haar onderwijs te flexibiliseren (Knol & Velzing, 2019;Koster et al., 2020). De beroepspraktijk dient haar beeldvorming over het beroepsonderwijs aan te passen en te beseffen dat het onderwijs een serieuze partner is in het leven lang ontwikkelen van haar medewerkers en het innoveren van de dienstverlening. ...
Book
Full-text available
Lectorale rede. Ingegaan wordt op het belang van samenwerkingen tussen burgers, publieke/private organisaties (beroepspraktijk), overheid en onderwijs en onderzoek. Vanuit een ecologisch perspectief wordt het ontstaan en de ontwikkeling van deze samenwerkingen belicht. Naast dat de rede een weergave biedt van de huidige kennisbasis rondom samenwerkingen die vaak geduid worden als professionele werkplaatsen, learning communities of fieldlabs, worden richtingen voor vervolgonderzoek gegeven.
... Vanzelfsprekend kunnen de opbrengsten van deelname aan een Learning Community voor individuele actoren verschillend zijn en kunnen zij op uiteenlopende wijze waarde toekennen aan deelname aan de Learning Community. De meest in het oog springende voordelen op korte termijn zijn dat deelnemers nieuwe vaardigheden en bekwaamheden aanleren, hun kennis up-to-date kunnen houden, en hun netwerk kunnen uitbreiden(Bouw et al., 2021a;Knol & Velzing, 2019;Noe, Clarke & Klein, 2014). Daarmee zijn zij beter in staat om te gaan met veranderende taakeisen en leveren zij betere werkprestaties(Quigley, Tesluk, Locke & Bartol, 2007). ...
Book
Full-text available
Grote maatschappelijke uitdagingen op het gebied van vergrijzing, duurzaamheid, digitalisering, segregatie en onderwijskwaliteit vragen om nieuwe manieren van werken, leren en innoveren. In toenemende mate wordt daarom ingezet op het bundelen van kennis en expertise van zowel publieke als private organisaties, die elkaar nodig hebben om te innoveren en complexe vraagstukken aan te pakken. Het concept ‘learning communities’ wordt gezien als dé oplossing om leren, werken en innoveren anders met elkaar te verbinden: collaboratief, co-creërend en contextrijk. Vanuit het Netwerk Learning Communities is een groep onafhankelijk onderzoekers van een groot aantal Nederlandse kennisinstellingen aan de slag gegaan met een kennissynthese rondom het concept ‘Learning Community’. Het Position paper is een eerste aanzet tot kennisbundeling. Een ‘levend document’ dat in de komende tijd verder aangevuld en verrijkt kan worden door onderzoekers, praktijkprofessionals en beleidsmakers.
... It is perceived that these learning communities (collaboration between industry, research, and education) play highly relevant roles in knowledge generation and knowledge sharing. These well-focused collaborations (e.g. in the field of offshore wind) are well suited to support ambitions of the so-called multi-annual missiondriven innovation programs stimulating the energy transition in the Netherlands(Knol & Velzing, 2019). 9 See WindEurope (2020b) for more information on European export related to offshore wind. ...
... 18 It is perceived that these applied research groups in collaboration with industry partners and -when possible -VET colleges play highly relevant roles in knowledge generation and knowledge sharing. These well-focused collaborations (e.g. in the field of offshore wind) -also being labelled as learning communities -are well suited to support ambitions of the so-called national multi-annual mission-driven innovation programs (MMIPs; in Dutch: meerjarige missiegedreven innovatieprogramma's) (MinEZK, 2018b) stimulating the energy transition in the Netherlands ( Knol & Velzing, 2019). Table 29 -Indicative overview of relevant master, bachelor and associate degree level education and minors offered by Dutch universities of applied sciences; * Education programmes and minors are ordered alphabetically. ...
Technical Report
Full-text available
The purpose of this study is to deliver a deeper understanding of the nature and the development of the labour demand across installation and operations activities in the Dutch offshore wind industry for the coming 5 years. Therefore, this report offers information regarding employment and needed competencies in the sector, including conclusions and recommendations for government, industry and educational institutes.
Technical Report
Full-text available
This report presents four regional studies on business support programmes for inclusion or understanding of circular economy objectives. This is part of the TRANSFORM-CE project, which aims to convert single-use plastic waste into valuable new products. Besides a general overview on national and regional level, the focus of the report is on a selection of national and regional programmes aimed at the plastics industry. After explaining the format to structure the programmes, the results for the four regions are presented: Greater Manchester (UK), Rhineland Palatinate and Northrhine Westfalia (Germany), Wallonia (Belgium) and Central Netherlands. The document ends with a short conclusion from the point of view of technology push, demand pull and policies at a systemic level.
Article
Full-text available
The paper explores transformative ways to address Grand Challenges, while locating them in a broader diagnosis of ongoing changes. Coping with Grand Challenges is a challenge in its own right, for policy as well as for science, technology, and innovation actors. The paper presents building blocks for a next generation of innovation policies, and it discusses the opportunities offered by new constellations of actors and their concertation. Future innovation policy designs can build on 'creative corporatism', a concept in which governments (or related international alliances) can adopt the crucial role of facilitating broader, more diverse 'varieties of cooperation' in advanced capitalist economies. © The Author(s) 2018. Published by Oxford University Press. All rights reserved.
Article
Full-text available
The purpose of this article is to discuss the different types of instruments of innovation policy, to examine how governments and public agencies in different countries and different times have used these instruments differently, to explore the political nature of instrument choice and design (and associated issues), and to elaborate a set of criteria for the selection and design of the instruments in relation to the formulation of innovation policy. The article argues that innovation policy instruments must be designed and combined into mixes in ways that address the problems of the innovation system. These mixes are often called “policy mix”. The problem-oriented nature of the design of instrument mixes is what makes innovation policy instruments ‘systemic’.
Article
Full-text available
What enables individually simple insects like ants to act with such precision and purpose as a group? How do trillions of individual neurons produce something as extraordinarily complex as consciousness? What is it that guides self-organizing structures like the immune system, the World Wide Web, the global economy, and the human genome? These are just a few of the fascinating and elusive questions that the science of complexity seeks to answer. In this remarkably accessible and companionable book, leading complex systems scientist Melanie Mitchell provides an intimate, detailed tour of the sciences of complexity, a broad set of efforts that seek to explain how large-scale complex, organized, and adaptive behavior can emerge from simple interactions among myriad individuals. Comprehending such systems requires a wholly new approach, one that goes beyond traditional scientific reductionism and that re-maps long-standing disciplinary boundaries. Based on her work at the Santa Fe Institute and drawing on its interdisciplinary strategies, Mitchell brings clarity to the workings of complexity across a broad range of biological, technological, and social phenomena, seeking out the general principles or laws that apply to all of them. She explores as well the relationship between complexity and evolution, artificial intelligence, computation, genetics, information processing, and many other fields. Richly illustrated and vividly written, Complexity: A Guided Tour offers a comprehensive and eminently comprehensible overview of the ideas underlying complex systems science, the current research at the forefront of this field, and the prospects for the field's contribution to solving some of the most important scientific questions of our time.
Article
Full-text available
Policy-makers in the EU have increasingly emphasised the role of public procurement as a policy instrument that can be used to stimulate innovation. This development reflects and responds to a growing concern among EU member states about how to maintain competitive advantage in an economic environment increasingly subject to global competition. To contribute to these emerging policies, this paper develops an innovation theory-based approach regarding public procurement of innovations, by elaborating an institutional focus. In contrast to current institutional approaches in innovation studies, the approach applied here brings in the often neglected endogenous perspective. The empirical studies cited in this paper suggest that the needs of endogenous, or informal, institutions also need to be taken into account in order to understand better the institutional set-up enabling public procurement of innovations. Copyright , Beech Tree Publishing.
Article
Full-text available
Modern economies can be characterised as 'learning economies' in which knowledge is the crucial resource and learning is the most important process. Different kinds of learning and economically relevant types of knowledge can likewise be identified. It is argued that pure market economies, if such existed, would have severe problems in terms of learning and innovation. The 'learning economy' is a mixed economy in a fundamental sense.
Article
Full-text available
The central idea of this paper is that innovation systems are a very important determinant of technological change. We describe that the emergence of a new innovation system and changes in existing innovation systems co-evolve with the process of technological change. Therefore, it is necessary to create more insight in the dynamics of innovation systems. Traditional methods of innovation system analysis that mainly focus on the structure of innovation systems have proven to be insufficient. Therefore, we propose a framework that focuses on a number of processes that are highly important for well performing innovation systems. These processes are labeled as 'functions of innovation systems'. After explaining this framework and embedding it in existing literature, we propose a method for systematically mapping those processes taking place in innovation systems and resulting in technological change. This method can be characterized as a process analysis or history event analysis. Clarifying examples are taken from the empirical field of Sustainable Technology Development.
Article
The objective of a circular economy (CE) is to maintain the value of products, materials, and resources in the economy by closing material loops and minimizing waste generation. In recent years, the role of public procurement has been recognized as an important, but as yet not fully exploited, opportunity by cities and municipalities in their transition toward circular societies. This study analyzed public procurement opportunities to promote CE. Different approaches and examples of circular public procurement were identified using case studies. In addition, opportunities to promote CE through sustainable and green public procurement policy were identified analyzing predefined sustainable or green public procurement criteria. The study concludes that public procurement can promote CE and related business models by setting criteria and requirements for the extension of product life spans, efficiency and/or intensity of use, and efficient cycling of biological or technical materials, as well as for the securing of clean and nonrisky cycles. Circular procurement can occur through the procurement of better‐quality products in circular terms, the procurement of new circular products, the use of business concepts that support the CE, and investments in circular ecosystems. Several sectors and product groups were identified as having potential for circular procurement, such as construction, waste, and wastewater management, transportation, food, and catering, furniture, and textiles. The study also suggests that the use of certain tools, such as performance‐based procurement, life cycle approach, and life cycle costing, as well as criteria concerning reuse and recycling of materials, could promote circular procurement. Market dialogue and cooperation between procurers and actors in the supply chains are important for the future development of circular procurement.
Book
Japanese companies have become successful because of their skill and expertise at creating organizational knowledge. Organizational knowledge is not only the creation of new knowledge, but also disseminating it throughout the organization, and embodying it in products, services, and systems. Knowledge is the new competitive resource, and its creation and utilization is a dynamic, interactive process. Knowledge is used as the basic unit of analysis to explain firm behavior; a business creates and processes knowledge. Knowledge may be explicit or tacit; this study treats them as complements that form a dynamic relationship. The individual interacts with the organization through knowledge; knowledge creation occurs at the individual, group, and organizational levels. The forms of knowledge interaction (between tacit and explicit, and between individual and firm) produce four major processes of knowledge conversion: from tacit to explicit, explicit to explicit, explicit to tacit, and tacit to tacit. Japanese companies create new knowledge by converting tacit knowledge to explicit knowledge. The book has three goals: to formalize a generic model of organizational knowledge creation, explain why certain Japanese companies have been continuously successful in innovation, and develop a universal model of company management based on convergence of knowledge practices in Japan and the world. First presents a philosophical exposition of knowledge and its application to managemen, then the core concepts of knowledge creation, with four modes of knowledge conversion. The Matsushita company is used to illustrate the process model of organization knowledge creation. The two traditional styles of management (top-down and bottom-up) are shown not to be effective in fostering the dynamic necessary to create organizational knowledge, and a new organization structure considered most conducive to knowledge creation is proposed. (TNM)
Exploring quadruple helix -Outlining useroriented innovation models
  • R Arnkil
  • A Järvensivu
  • P Koski
  • T Piirainen
Arnkil, R., Järvensivu, A., Koski, P., & Piirainen, T. (2010). Exploring quadruple helix -Outlining useroriented innovation models. Työraportteja 85/2010 Working Papers.