ArticlePDF Available

Hedendaags 'sciëntisme' verabsoluteert wetenschappelijke kennis

Authors:

Abstract

Of het nu gaat om klimaatverandering, fijn stof of giftige chemicaliën, steeds weer staan er ‘pro- feten’ op die ons waarschuwen voor het einde der tijden, in ieder geval voor het einde van de mensheid. Waar hun oudtestamentische voorgangers zich beriepen op Gods woord, beroepen hun hedendaagse epigonen zich op de Wetenschap. Die zou hebben bewezen (the science is settled) dat het verstoken van fossiele brandstoffen de aardse temperatuur opjaagt waardoor het klimaat van slag raakt; dat fijn stof tienduizenden doden veroorzaakt, alleen al in Nederland; en dat nau- welijks meetbare hoeveelheden pesticiden en brandvertragers ons vermogen tot reproductie aan- tasten. Vroeger werden zulke verregaande claims met enige scepsis bekeken, maar tegenwoordig wor- den ze omarmd door de politiek en moet iedere wetenschappelijke oprisping direct in beleid wor- den vertaald. Waar blijft in ’s hemelsnaam de kritische reflectie, als onderdeel van het weten- schappelijke en publieke discours?
Paradigmawisseling in de wetenschap:
triomf en frustratie
Het Britse tijdschrift The Economist besteedde in het num-
mer dat medio juni 2007 verscheen, aandacht aan de groot-
ste omwenteling (“the biggest shake-up”) in de moleculaire
biologie sinds de ontdekking van de structuur van DNA, begin
jaren vijftig. Langzaamaan, zo schrijft het blad, begint het door
te dringen bij biologen dat ze ernaast zaten. Niet helemaal,
maar wel zoveel dat enig schaamrood op de kaken op zijn
plaats zou zijn. Meer dan een halve eeuw ging men ervan uit
dat DNA de instructies bevatte voor het maken van eiwitten
en dat RNA slechts diende om de blauwdruk van het DNA
over te brengen naar de eiwitfabriekjes in de cel. Een een-
voudige boodschapper dus; niet of nauwelijks de moeite
waard om er onderzoek aan te doen.
De laatste paar jaar is dat beeld compleet ondersteboven ge-
gooid. Een verandering van paradigma die werd ingeluid door
het meest verbazingwekkende resultaat van het menselijk-ge-
noomproject: het bescheiden aantal genen waarover we als
mens beschikken. In plaats van de 100.000 of zo waarvan bio-
logen uitgingen op basis van het aantal eiwitten, blijken we
NIEUWE PROFETEN IN OPMARS
Of het nu gaat om klimaatverandering, fijn stof of giftige chemicaliën, steeds weer staan er ‘pro-
feten’ op die ons waarschuwen voor het einde der tijden, in ieder geval voor het einde van de
mensheid. Waar hun oudtestamentische voorgangers zich beriepen op Gods woord, beroepen hun
hedendaagse epigonen zich op de Wetenschap. Die zou hebben bewezen (
the science is settled
)
dat het verstoken van fossiele brandstoffen de aardse temperatuur opjaagt waardoor het klimaat
van slag raakt; dat fijn stof tienduizenden doden veroorzaakt, alleen al in Nederland; en dat nau-
welijks meetbare hoeveelheden pesticiden en brandvertragers ons vermogen tot reproductie aan-
tasten.
Vroeger werden zulke verregaande claims met enige scepsis bekeken, maar tegenwoordig wor-
den ze omarmd door de politiek en moet iedere wetenschappelijke oprisping direct in beleid wor-
den vertaald. Waar blijft in ’s hemelsnaam de kritische reflectie, als onderdeel van het weten-
schappelijke en publieke discours?
Spil / 237-238
5
Nieuwe profeten in opmars speculeren op existentiële angst
Joost van Kasteren en Jaap Hanekamp
Deze laat zich niet temmen door ‘klimaatmodellen’:
een paradigmawijziging lijkt onvermijdelijk.
Hedendaags ‘sciëntisme’ verabsoluteert
wetenschappelijke kennis
opmaak_spil_3_2007 01-08-2007 18:01 Pagina 5
er maar zo’n 25.000 te hebben. Met andere woorden: tussen
het aflezen van DNA en de productie van eiwit bevindt zich
een complexe, grotendeels nog onbekende machinerie, waar-
in de eenvoudige boodschapper RNA een belangrijke rol
speelt. Inmiddels zijn er vele tientallen soorten micro-RNA’s
ontdekt die niet alleen een rol spelen in de productie van
eiwit, maar ook het aflezen van DNA aansturen.
Zo’n paradigmaverandering roept gemengde gevoelens op.
Wetenschapsfilosofen vinden het natuurlijk prachtig om mee
te maken. Voor onderzoekers zelf is het in eerste instantie
vooral verwarrend. Later blijkt dat zo’n verandering nieuwe
wegen voor onderzoek opent; onderzoek naar de manier
waarop de cel zichzelf reguleert, maar ook nieuwe invals-
hoeken voor het onderzoek naar hardnekkige ziekten en aan-
doeningen en het ontwikkelen van nieuwe methoden voor
veredeling van planten en dieren. Ronduit frustrerend is de
paradigmaverandering voor de farmaceutische industrie. Die
had zich al min of meer ‘rijk gerekend’ in de zin dat kennis
van het complete menselijke genoom veel leads zou opleve-
ren voor nieuwe geneesmiddelen. Op den duur zullen die er
ongetwijfeld komen, maar het zal meer tijd en moeite kosten
dan de industrie vijf jaar geleden dacht.
De maatschappelijke gevolgen van deze paradigmatische om-
wenteling in de moleculaire biologie blijven beperkt tot ge-
frustreerde verwachtingen van de farmaceutische industrie
en een paar deuken in wetenschappelijke reputaties. Hoe an-
ders zou het zijn als er een vergelijkbare paradigmaverande-
ring zou optreden in de klimaatwetenschappen. Die kans is
niet denkbeeldig, want de klimaatwetenschap is minder set-
tled dan wat ooit het centrale dogma van de moleculaire bio-
logie was. Vele serieuze wetenschappers, zoals de Duitser
Hans von Storch en de Nederlander Hans Oerlemans, voelen
zich buitengewoon ongemakkelijk bij de claims van het In-
tergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), die in ver-
houding tot de stand van de wetenschap tamelijk verregaand
zijn. En dan hebben we het nog maar niet over de ‘onge-
makkelijke waarheid’ van Al Gore, wiens claims nog veel ver-
der gaan dan die van het IPCC.
Een mogelijke verandering van paradigma zou op een termijn
van hooguit enkele jaren kunnen worden ingeluid door nieu-
we inzichten in het effect van de zon op het aardse klimaat.
Volgens het IPCC is die invloed verwaarloosbaar, maar daar
wordt wel aan toegevoegd dat de kennis op dit gebied nog erg
gering is. Paleobiologisch onderzoek van onder anderen de
Nederlander Bas van Geel en onderzoek naar het verloop van
de temperatuur in de laatste paar duizend jaar duiden erop
dat die invloed veel groter zou kunnen zijn dan nu wordt aan-
genomen. Een mogelijk mechanisme, voorgesteld door de
Deen Henrik Svensmark, is dat er een multiplier-effect op-
treedt doordat de invloed van kosmische deeltjes kleiner
wordt naarmate de zon actiever is. De kosmische deeltjes
beïnvloeden de wolkenvorming en daarmee het klimaat op
aarde.
Dreigend echec voor de klimaatwetenschap
Stel nu dat er inderdaad zo’n verandering van paradigma op-
treedt. Vergeleken met de paradigmaverandering in de mole-
culaire biologie zouden de gevolgen ervan dramatisch zijn.
Niet alleen wetenschappers en hun organisaties, maar ook
overheden en bedrijven hebben politiek en economisch
zwaar geïnvesteerd in de hypothese van antropogene kli-
maatverandering, door deze als vaststaand uitgangspunt te
nemen voor hun beleid. Een paradigmaverandering in de kli-
maatwetenschap zou hun niet alleen hun geloofwaardigheid
kosten, maar zou ook leiden tot de conclusie dat vele tiental-
len miljarden euro’s zijn weggegooid. Zeker als het gaat om
maatregelen die het no regret-niveau overstijgen, zoals het af-
vangen en opslaan van CO2. Bovendien hebben overheden en
bedrijven dan de economische toekomst van Europa te grab-
bel gegooid door hardnekkig te blijven vasthouden aan Kyoto,
onderwijl glimlachend gadegeslagen door grootverbruikers
van fossiele energie als de Verenigde Staten, China en India.
Het mogelijke debacle van de klimaathypothese en bijgevolg
van het klimaatbeleid is vooral te wijten aan de manier waar-
op politiek en samenleving omgaan met de resultaten van we-
tenschappelijk onderzoek. Het zinnetje ‘de wetenschap heeft
aangetoond dat ...’ wordt keer op keer gebruikt om te sugge-
reren dat iets onomstotelijk en voor alle eeuwigheid vaststaat.
Met andere woorden: dat er geen ruimte is voor andere in-
terpretaties, laat staan voor paradigmatische veranderingen,
zoals nu plaatsvinden in de moleculaire biologie.
Het is alsof de dagen van de Wiener Kreis zijn teruggekeerd.
We zien een opleving van het logisch positivisme alsof er geen
Karl Popper, Imre Lakatos en Thomas Kuhn zijn geweest. Om
nog maar niet te spreken van Paul Feyerabend met zijn uit-
dagende Anything goes, als beschrijving van de wetenschap-
pelijke methode. De suggestie wordt gewekt dat weten-
schappelijk onderzoek een compleet en waarheidsgetrouw
beeld van de werkelijkheid oplevert, in dit geval van een bui-
tengewoon ingewikkeld en chaotisch systeem als het klimaat.
Terwijl we sinds Popper weten dat de wetenschappelijke me-
thode (voor zover je daarvan kunt spreken, zie Feyerabend)
niet ‘de Waarheid’ oplevert, maar hooguit bijdraagt aan het
verminderen van onze – enorme – onwetendheid.
Juist dat laatste maakt het zo absurd om te spreken van we-
tenschappelijke consensus, zoals in het geval van klimaatver-
andering en andere voorbeelden waarover we nog komen te
spreken. Er kan consensus zijn onder wetenschappers, net
zoals er consensus kan zijn onder voetbaljournalisten over de
kwaliteit van Foppe de Haan als coach. Dat wil echter niet
zeggen dat De Haan onder alle omstandigheden een goede
coach is. Misschien gaat hij wel plat op zijn gezicht als hij –
daartoe aangezet door de consensus onder voetbalexperts –
het grote Oranje moet coachen. Op dezelfde manier kan ook
de wetenschappelijke consensus worden ingehaald door de
werkelijkheid. Sterker nog, het gebeurt voortdurend, zoals de
recente ontwikkelingen in de moleculaire biologie laten zien.
Desondanks ziet de Royal Society, de Britse nationale acade-
mie van wetenschappen, er geen been in om ExxonMobil te
kapittelen over steun aan onderzoekers die de hypothese van
antropogene klimaatverandering niet onderschrijven. Niet
omdat het slecht onderzoek zou zijn, maar omdat het, aldus
Spil / 237-238
6
NIEUWE PROFETEN IN OPMARS
Sir Karl (Charles) Popper
- Three Worlds.
(geschilderd door W.
Horvath)
opmaak_spil_3_2007 01-08-2007 18:01 Pagina 6
Spil / 237-238
7
woordvoerder Bob Ward, hoog tijd is voor actie om klimaat-
verandering tegen te gaan “and we can’t have people trying
to undermine it”. Sir Karl Raimund Popper, eertijds Fellow
van de Royal Society, heeft zich waarschijnlijk in zijn graf om-
gedraaid bij dit staaltje van blikvernauwende zelfcensuur. Bob
Ward heeft overigens onlangs zijn baan bij de Royal Society
ingeruild voor die van directeur Science Networks bij RMS,
een bedrijf dat zich bezighoudt met het kwantificeren van ri-
sico’s voor onder meer verzekeringsmaatschappijen.
Fijn stof en ander ongerief: politieke
verdwazing alom
Waar we in de wetenschap een regressie zien in de richting
van het logisch positivisme, zien we in politiek en samenle-
ving tegelijkertijd een hernieuwd ‘geloof’ in de potentie van
de wetenschap, als enig en alomvattend middel, om de wer-
kelijkheid volledig te kennen. Dat geloof beperkt zich niet tot
de scenario’s (of zijn het toch voorspellingen?) van de ver-
wachte temperatuurstijging als gevolg van het versterkte
broeikaseffect en de groeiende animo om maatregelen te
nemen om de temperatuurstijging te beperken tot 2 graden
Celsius in de komende honderd jaar. Keer op keer zien we
dat resultaten van wetenschappelijk onderzoek, hoe onzeker
ook, de basis vormen voor nieuw beleid.
Een voorbeeld waarmee Nederland zich lelijk in de vingers
heeft gesneden, betreft fijn stof en de veronderstelde effec-
ten daarvan op de volksgezondheid. Keer op keer werden
bouwprojecten bij de Raad van State afgeblazen vanwege het
effect van het bijbehorende verkeer op het gehalte van de at-
mosfeer aan fijnstof. Volgens de aannemers heeft dat enkele
honderden miljoenen euro’s, zo niet meer, gekost. Nog afge-
zien van de achteraf nutteloos gebleken 80-kilometerzones
rondom de grote steden. Op zichzelf zou dat nog wel ge-
rechtvaardigd zijn als de blootstelling aan fijn stof (stofdeel-
tjes kleiner dan 10 micrometer) inderdaad tot gevolg had dat
18.000 mensen in Nederland tien jaar meetbaar te vroeg zou-
den overlijden. Dat is echter hoogst twijfelachtig, zoals één
onzer (JH) al eerder in Spil heeft beschreven. Kort samenge-
vat komt de kritiek erop neer dat het relatieve risico van korte-
termijneffecten van blootstelling aan fijn stof zeer gering is
(RR 1,005), verwaarloosbaar dus. Voor de lange-termijnef-
fecten lijkt dat anders te liggen. Deze zijn gebaseerd op een
aantal Amerikaanse epidemiologische studies, die een relatief
risico voor alle doodsoorzaken laten zien van 1,17, ofwel 17
procent.
Laatstgenoemd getal vormt de basis van de door het Milieu-
en Natuurplanbureau genoemde 18.000 te vroege sterfge-
vallen. Daar valt nogal wat op af te dingen. Ten eerste is het
relatieve risico eigenlijk te gering om serieus te nemen. Het
lijkt heel wat, 17 procent, maar serieuze epidemiologen be-
ginnen pas aan een verband te denken bij een relatief risico
van 2,0 of 3,0 (200 of 300 procent). Ten tweede is er tot op
heden geen steekhoudende causale relatie vastgesteld tussen
blootstelling aan fijn stof en te vroeg overlijden. Weliswaar
leidt blootstelling aan fijn stof bij muizen tot ontstekingsre-
acties in de longen, maar dat gebeurt pas bij concentraties die
100 keer zo hoog liggen als die in de atmosfeer.
Het voorbeeld van fijn stof en de manier waarop politiek en
samenleving ermee omgaan, kan moeiteloos worden uitge-
breid met vele andere voorbeelden. Ftalaten bijvoorbeeld. En-
kele jaren geleden ontstond ophef over weekmakers in kin-
derspeelgoed. Met name de toen populaire Scoubidou-touw-
tjes zouden levensgevaarlijk zijn omdat ze veel weekmakers
(ftalaten, dus) bevatten die niet alleen kankerverwekkend
zijn, maar ook nog eens invloed hebben op de reproductie. In
de praktijk gaat het helemaal nergens over. Dat ftalaten voor
mensen kankerverwekkend zijn, is nooit aangetoond, even-
min als hun effect op het voortplantingsvermogen. Bovendien
zijn de doses waaraan kinderen worden blootgesteld, zelfs als
ze dag en nacht op de touwtjes zouden sabbelen, zo gering
dat eventuele effecten verwaarloosbaar zijn. Toch vond de Eu-
ropese Unie het nodig om het gebruik van ftalaten in kinder-
speelgoed te verbieden.
De voedingswetenschap heeft ook een groot aantal tegen-
strijdige claims met bijbehorende ‘hypes’ opgeleverd. Eieren
bijvoorbeeld werden dertig jaar geleden nauwelijks minder
dan levensgevaarlijk geacht vanwege hun hoge cholesterol-
gehalte. Tegenwoordig kun je weer met een gerust hart (ook
letterlijk) eenmaal per etmaal een eimaal eten, zoals de in-
tertijd bekritiseerde reclameslogan luidde. Ook pindakaas
gold als verderfelijk, maar blijkt nu, als gevolg van de omega-
3 hype, juist buitengewoon gezond te zijn.
Beperkt de schade zich in het geval van eieren en pindakaas
vooral tot omzetverlies en vergalde levensvreugde, anders
wordt het als ook de politiek zich ermee gaat bemoeien. Over-
gewicht bijvoorbeeld wordt steeds minder gezien als een in-
dividueel ongemak. Steeds meer wordt het beschouwd als een
maatschappelijk probleem dat schreeuwt om overheidsingrij-
pen, hoewel het voor iedereen duidelijk is dat er geen ‘me-
dicijn’ bestaat tegen overgewicht. Opgejut door gegoochel
met statistieken probeert de een de ander te overtroeven met
nog meer maatregelen om de dreigende epidemie te keren.
Of er daadwerkelijk een epidemie dreigt (inclusief een da-
lende levensverwachting) mag niet meer ‘im Frage’ worden
gesteld. De wetenschap heeft tenslotte ‘het finale woord’ ge-
sproken.
De ziekte van het ‘sciëntisme’
Deze en andere voorbeelden laten zien dat de samenleving
lijdt aan een ernstige vorm van ‘sciëntisme’, het geloof dat dé
wetenschap dé allesomvattende waarheid oplevert. Een
merkwaardig geloof, dat veel weg heeft van het autoritaire
dogmatisme van de staatskerken van weleer. De weten-
schappelijke methode, voor zover je daarvan kunt spreken,
kenmerkt zich door een reductie van de werkelijkheid tot
meetbare fysische grootheden, waarvan de samenhang in een
model of theorie wordt vastgelegd. Op basis van het model
worden toetsbare hypothesen geformuleerd, die vervolgens
NIEUWE PROFETEN IN OPMARS
Dreigend echec voor onheilsprofeten.
opmaak_spil_3_2007 01-08-2007 18:01 Pagina 7
worden gefalsifieerd, stukgeslagen op het aambeeld van de
werkelijkheid. Die methode heeft vele prachtige resultaten
opgeleverd, van riolering tot vliegtuigen en van anticoncep-
tiepil tot computer. Maar het blijft een methode om een deel-
tje van de werkelijkheid te leren kennen. Popper sprak over
een zoeklicht op de werkelijkheid; in de praktijk is het vaak
maar een dun straaltje licht.
Kenmerkend voor het hedendaagse sciëntisme is niet alleen
dat de wetenschappelijke methode de enige methode is om
de werkelijkheid te leren kennen, maar ook dat de resultaten
van wetenschappelijk onderzoek de werkelijkheid zijn. Wat
een methode was (en is), is in het sciëntisme een ontologie
geworden, een ‘zijnsleer’. Het wetenschappelijke bewijs is de
waarheid geworden. Waarbij we blijkbaar vergeten dat wat
vandaag wetenschap is, morgen of (uiterlijk) overmorgen ach-
terhaald zal blijken te zijn, zoals recentelijk op spectaculaire
wijze is gebleken in de biologie.
In de context van het sciëntisme, het ongebreidelde en on-
gefundeerde geloof in de wetenschap, is het niet zo verwon-
derlijk dat de verschillende scenario’s voor de toekomstige
ontwikkeling van het klimaat als realiteit worden gezien. Het-
zelfde geldt voor de 18.000 doden als gevolg van fijnstof en
het nefaste effect van ftalaten op de vruchtbaarheid. Kritische
reflectie op methoden en resultaten ontbreekt of wordt weg-
gewuifd, zowel binnen het domein van de wetenschap, waar
onderzoekers zich steeds vaker ontpoppen als activisten die
de wereld willen redden, als in het domein van de politiek,
waar ondanks eerdere mislukkingen nog altijd wordt geloofd
dat de samenleving maakbaar en de mens boetseerbaar is.
Over het waarom van het weer opkomende sciëntisme zijn
voldoende ideeën in omloop. Ulrich Beck, die schreef over de
risicomaatschappij, vermoedt dat mensen voortdurend leven
in angst voor de toekomst. Dat is, aldus Beck, het gevolg van
het feit dat voor iedereen in het Westen voldoende materië-
le goederen, diensten en voedsel beschikbaar zijn. De klas-
sieke schaarste zijn wij voorbij, maar daarmee is het in de
maatschappij allerminst koek en ei. Een nieuw probleem
doemt op, in de vorm van risico’s die voortvloeien uit onze
hoogtechnologische ontwikkelingen en daaraan - terecht of
ten onrechte - toegeschreven verschijnselen als energiege-
bruik, klimaatverandering, luchtvervuiling, achteruitgang in
biodiversiteit en ga zo maar door. Die risico’s kunnen we niet
ontlopen, ze overschrijden de landsgrenzen én ze zijn on-
zichtbaar. We zijn dan ook, zo stelt Beck, onze mogelijkhe-
den kwijtgeraakt om ons eigen leven naar eigen believen vorm
te geven. De controle is niet meer in onze handen: klimaat-
verandering gaat boven onze pet, radioactieve straling is on-
zichtbaar, fijnstof is een fact of life vanwege ons autogebruik,
enzovoort.
Existentiële angst van de moderne mens
Als gevolg daarvan heeft een existentiële angst zich van ons
meester gemaakt, waardoor we van elke mug een olifant
maken, voor het geval dat deze evolutionaire sprong zich on-
verwacht zou kunnen voordoen. Een extreem voorbeeld was
nog niet zo lang geleden te zien in de Ophra Winfrey Show
toen zij pleitte voor het ontsmetten van speeltoestellen op kin-
derspeelplaatsen uit angst voor mogelijke besmetting. Meer
alledaagse voorbeelden dichter bij huis zijn de plannen van
het kabinet om risico-kinderen vroegtijdig op te sporen en te
(laten) behandelen, de plannen om de zogenaamde risico’s
van fijn stof te verminderen door een overmaat op de ene plek
te compenseren met een onderschrijding elders, en de bouw
van vier kolencentrales om klimaatverandering tegen te gaan.
Toch stelt Beck ons met zijn analyse voor een raadsel. Toe-
genomen welvaart en levensverwachting lopen paradoxaal pa-
rallel met een toegenomen angst voor tal van risico’s die zich
ver in de toekomst misschien zullen voordoen, maar mis-
schien ook wel niet. Hoewel een steeds hogere levensver-
wachting onze focus verlegt naar een steeds langere risico-
termijn, lijkt de existentiële angst voor de toekomst zich beter
te laten verklaren door de secularisatie van de afgelopen der-
tig, veertig jaar. Met het verdwijnen van de godsdiensten zijn
de mensen ook een levensoverstijgend perspectief kwijtge-
raakt. We moeten hier en nu gelukkig worden, want we heb-
ben het hiernamaals, de eeuwige jachtvelden, het walhalla en
het nirwana afgeschaft. Wetenschappers komen tegemoet aan
de eis om hier en nu gelukkig te kunnen worden door te sug-
gereren dat er voor alle denkbare risico’s een oplossing is,
mits we voldoende geld spenderen aan het onderzoek. Een
vulgarisatie van het begrip maatschappelijk relevant die in
ieder geval een aantal wetenschappelijke disciplines geen
windeieren legt, getuige de vijftig miljoen extra die het kabi-
net uittrekt voor onderzoek naar klimaatverandering en de
mogelijke gevolgen daarvan. Dit ondanks het feit dat Neder-
land maar een handjevol onderzoekers van internationale sta-
tuur op dit gebied telt.
Als de secularisatie de oorzaak is, zoals wij vermoeden, wil
dat niet zeggen dat de-secularisatie de oplossing is. Het voor-
gaande is geen pleidooi om terug te keren naar het geloof der
vad’ren, noch een aanmoediging om op zoek te gaan naar ‘je
spirituele zelf’. In wezen is dat allemaal nostalgie, een pasti-
che van vroeger die niet meer terugkeert. Evenmin willen we
afscheid nemen van de wetenschappelijke methode, noch de
prachtige resultaten die ermee zijn bereikt, bagatelliseren.
Waar het om gaat, is dat we ons realiseren dat de wetenschap
zijn beperkingen heeft als het gaat om het kennen van de wer-
kelijkheid en haar toekomst. Op welke manier de maat-
schappij moet worden vormgegeven, is niet een taak van de
wetenschap, maar van mensen die verder willen kijken dan
hun neus lang is.
Jacob Bronowski, wiskundige, zegt het zo, als hij in de BBC-
documentaire The ascent of man in Auschwitz letterlijk in het
water staat waarin de as van miljoenen slachtoffers werd weg-
gespoeld: “Science is a very human form of knowledge. We
are always at the brink of the known; we always feel forward
for what is to be hoped. Every judgement in science stands
on the edge of error and is personal. Science is a tribute to
what we can know, although we are fallible. In the end, the
words were said by Oliver Cromwell: ‘I beseech you in the bo-
wels of Christ, think it possible you may be mistaken’.’’
Spil / 237-238
8
NIEUWE PROFETEN IN OPMARS
Beangstigende dreiging alom, zelfs boven de historische stad
Leiden? (foto: Arthur Rörsch)
opmaak_spil_3_2007 01-08-2007 18:01 Pagina 8
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.