BookPDF Available

De waarde van weerstand: Wat Oosterweel ons leert over besluitvorming

Authors:

Abstract

De waarde van weerstand gaat over de besluitvorming rondom de Oosterweelverbinding. Ondanks talloze studies, meerdere verkiezingen en ontzettend veel creativiteit en burgerenergie, werd de Oosterweelknoop pas ontward na een beleidsproces van 20 jaar en meer dan een decennium aan conflict. Waarom escaleerde het conflict van een onenigheid in 2005 tot een schijnbaar eindeloze beleidsimpasse en hoe kunnen we begrijpen dat er nu een oplossing in zicht lijkt? Tegelijk overstijgt dit boek Antwerpen. Want wat leert deze slepende impasse ons over de totstandkoming van beleid? In plaats van beleidsconflict te beslechten in achterkamers, weg van het publieke forum, stelt dit boek dat in de beleidsvorming de ruimte aan conflict moet worden gegeven. Oosterweel leert ons immers dat het wegdrukken van conflict niet werkt. Wanneer er daarentegen echte keuzes te maken zijn tussen verschillende beleidsvisies, nemen burgers een engagement op. En met dit engagement kan een overheid veel bereiken.
De waarde van weerstand
Eva Wolf en
Wouter Van Dooren
De waarde
van
weerstand
Wat Oosterweel ons leert
overbesluitvorming
Pelckmans Pro
© , Eva Wolf & Wouter Van Dooren en Pelckmans Pro
Pelckmans Pro maakt deel uit van Pelckmans uitgevers nv
www.pelckmansuitgevers.be
Brasschaatsteenweg ,  Kalmthout, België
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden
verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand
of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijke
voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever, behalve
in geval van wettelijke uitzondering. Informatie over kopieerrechten
en de wetgeving met betrekking tot de reproductie vindt u op www.
reprobel.be.
All rights reserved. No part of this book may be reproduced, stored
or made public by any means whatsoever, whether electronic or
mechanical, without prior permission in writing from the publisher.
Omslagontwerp: Armée de verre
Zetwerk: Crius Group
D///
ISBN     
NUR 
pelckmanspro.be
pelckmanspro.nl
Pelckmans Pro
Inhoud
Strijd begrijpen en strijd koesteren 7
. Oosterweel: Een geschiedenis 22
. De strijd om inhoud: Een vicieuze cirkel van
bewijsvoering en verbeelding 50
. De strijd om de tijd: Hoe het deadlinedenken
het beleidsproces verdacht maakte 76
. Hoe de overheid haar eigen vijand maakte 101
. Wat Oosterweel ons leert over besluitvorming 126
. Wat Oosterweel ons leert over democratie 164
. Conclusie: De waarde van weerstand 201
Appendix
Achtergrond van het onderzoek 203
Bibliografie 215
Noten 226
Inleiding
Strijd begrijpen en strijd koesteren
Vraag je iemand in Vlaanderen naar de Oosterweel-
verbinding, dan kun je veel verschillende antwoorden
verwachten. Voor sommigen is de Oosterweelverbin-
ding een snelweg die een einde moet maken aan de
Antwerpse files. En daarmee de Vlaamse economie
een boost moet geven. Anderen zullen het hebben over
de leeaarheid van de stad die door de Oosterweel-
verbinding bedreigd zou worden. Misschien ook over
stedelijke ontwikkeling, of over gezondheid. Velen zul-
len een zucht slaken van frustratie. Frustratie over de
traagheid van besluitvorming. Het kan toch niet dat
het zoveel jaren moet aanslepen? Frustratie ook over
politiek en politici. Het dossier zou volgens sommigen
bol staan van ‘politieke spelletjes’. Ook complottheorie-
en zijn niet van de lucht. Moest er niet het koste wat
het kost beton gegoten worden? Volgens anderen zou
het juist aan ‘politieke daadkracht’ ontbreken. Frustra-
tie, bovendien, ten aanzien van spelers in het Ooster-
weeldossier. De Oosterweelverbinding wordt vaak op
de man of vrouw gespeeld. Personen worden in hun
eentje verantwoordelijk gehouden voor de misère uit
het verleden. Ook al heeft zich in de loop van de tijd
een veelheid aan personen met het dossier bemoeid.
Frustratie, tot slot, over het democratische systeem
in Vlaanderen en België. Krijgen politici nu echt niets
meer klaar?
Dit boek gaat over de besluitvorming rondom de Oos-
terweelverbinding. Het kwam tot stand op basis van vier
jaar intensief onderzoek aan de Universiteit van Ant-
werpen. Onderzoek naar de vraag hoe we het conflict
over de Oosterweelverbinding kunnen begrijpen en wat
we daarvan kunnen leren. Hoe kan het dat pas na twin-
tig jaar besluitvorming, na meer dan een decennium aan
conflict, een oplossing in zicht komt? In die twintig jaar
zijn tientallen tracés de revue gepasseerd, zijn duizen-
den pagina’s studiewerk bijeengepend en hebben haast
alle politieke partijen hun positie wel eens veranderd.
Bijna het gehele bestuurlijke apparaat, van de stad Ant-
werpen tot de Europese Commissie, heeft zich met het
Oosterweeldossier bemoeid. In de burgermaatschappij
hebben zich actiegroepen gevormd die professioneler
werkten dan ooit tevoren. En ondanks al die politieke,
bestuurlijke en maatschappelijke inzet, duurde het toch
meer dan twintig jaar om tot een begin van een oplos-
sing te komen. Wat zegt dat over de totstandkoming van
beleid? En wat kunnen we uit Oosterweel leren over be-
leid en democratie in de toekomst?
Oosterweel is veel groter dan Antwerpen. Het dos-
sier staat symbool voor vele andere complexe infrastruc-
tuurprojecten waarbij we er niet in slagen om binnen
een redelijke termijn tot kwaliteitsvol beleid te komen.
De voorbeelden maken al jaren krantenkoppen; het
shoppingcenter Uplace, het Eurostadion in Grimbergen,
de Limburgse noord-zuidverbinding, het Gewestelijk Ex-
pressnet Brussel, het Saeftinghedok, de sneltram tussen
Hasselt en Maastricht, en ga zo maar door. Het is blijk-
baar moeilijk om grote infrastructuurprojecten gebouwd
te krijgen. Het probleem is echter breder uitgezaaid dan
het bouwen van infrastructuur. Ook de geluidsnormen
voor de luchthaven van Zaventem zitten al jaren op
slot. Intussen slepen we ons van staatshervorming naar
staatshervorming. Er zit heel wat sleet op de assembla-
geband van het beleid.
De stelling van het boek is dat we impasses in beleids-
conflicten kunnen doorbreken door de waarde van zulke
conflicten te onderkennen. We moeten de productieve
kanten van conflict koesteren. Te vaak duwen beleids -
makers conflicten weg. Maatschappelijke weerstand is
hinderlijk, stuurt de timing van beleidsprocessen in de
war, en tast de autoriteit van de besluitvormer aan die
het best zelf kan beslissen hoe het publieke belang ge-
diend moet worden. Niet kijken, dan gaat de weerstand
vanzelf weg, lijkt vaak het devies. Wanneer de storm
dan echt opsteekt, zit alles vast. De besluiten zijn dan
reeds gemaakt, maar kunnen niet worden uitgevoerd.
Grote infrastructuurprojecten zouden wervend moeten
zijn, met trotse politici en tevreden burgers. Vandaag
spreken de media en politici echter over ‘klotedossiers’
met beslissingen die gemaakt ‘moeten’ worden maar die
volgens de betrokkenen nauwelijks nog een goede kant
hebben. Om deze klotedossiers opnieuw in het hart van
het politieke leven te brengen, zodat er weer beslissin-
gen gemaakt worden die ertoe doen, moet het conflict
tussen beleidsvisies in de totstandkoming van beleid
niet genegeerd maar erkend worden. Niet weggedrukt
maar gewaardeerd worden.

Deze focus op conflict is niet vanzelfsprekend. Zelfs de
voorstanders van een participatieve democratie hebben
het zelden over het beleidsconflict en de strijd om beleid.
Het gaat hen vooral over het bereiken van overeenstem-
ming. Het beleidsbegrip ‘draagvlak’, bijvoorbeeld, geeft
de ontkenning van conflict goed weer. Voor sommigen
betekent draagvlak dat iedereen het eens moet zijn. Dat
is in complexe infrastructuurprojecten zelden mogelijk
en ook niet wenselijk. Zoals Benjamin Franklin, een van
de founding fathers van de Verenigde Staten, gezegd zou
hebben: ‘als iedereen hetzelfde denkt, is er niemand aan
het denken’. Over waarom we conflict moeten vieren, ver-
tellen we straks nog iets meer. Anderen zien draagvlak
als een oefening in communicatie. De beleidsplannen
van de overheid zijn al goed, zo is de zienswijze, maar er
moet alleen nog draagvlak bij de burger ‘gecreëerd’ wor-
den. Zo verwordt contact met de burger tot marketing.
De burger wordt een consument aan wie beleid slechts
nog ‘verkocht’ moet worden. Deze invulling van draag-
vlak laat opnieuw geen ruimte aan conflict. Dit boek stelt
dat beleid slechts echt gedragen kan worden na een be-
tekenisvolle strijd om het beleid. Deze strijd om beleid
moeten we beter leren begrijpen én leren waarderen. Het
Oosterweeldossier geeft een unieke inkijk in de verande-
rende beleidsvorming. In wat er faalt in de oude aanpak
van beleid. En in hoe dat beter moet in de toekomst.
Conflict begrijpen via betekenisgeving
Er zijn verschillende manieren om conflict over beleid
te begrijpen. Het belangenperspectief is de meest cou-

rante zienswijze. Denk aan Deep roat, de informant in
president Nixons Watergateschandaal. In een donkere
parkeergarage fluistert hij journalist Bob Woodward in
om het geld te volgen – follow the money. Besluitvorming,
of het gebrek aan besluitvorming, wordt verklaard door
het net van belangen waarin politici verstrikt zijn. Het
belangenperspectief duidt het handelen van mensen
als gedreven door eigenbelang. Dat belang hoeft ove-
rigens niet per se financieel te zijn, het kan ook gaan
om politieke belangen of om het beschermen van het
ego tegen reputatieschade. Door te onderzoeken waar
de verschillende belangen liggen, en waar ze met elkaar
botsen, kunnen we conflict begrijpen. Tegenstanders
van Oosterweel wezen bijvoorbeeld naar de belangen
van bouwconsortia en havenbedrijven om te verklaren
waarom de Vlaamse overheid telkens opnieuw voor de
Oosterweelverbinding koos. Bij het bouwen van Ooster-
weel zouden financiële belangen in het spel zijn waar
de gewone burger geen weet van had. Voorstanders van
Oosterweel wezen dan weer naar het NIMBY-syndroom
(Not In My Backyard) dat de tegenstand zou kenmerken.
Zij verklaarden de beleidsimpasse in het Oosterweeldos-
sier door te stellen dat het lokale belang, gesteund door
politici die electorale opportuniteiten roken, telkens het
bredere algemene belang had geblokkeerd.
Analyses op basis van het belangenperspectief gaan
doorgaans op zoek naar helden, schurken en slachtof-
fers. Centraal staat de vraag wiens belangen legitiem
zijn en wiens belangen verdacht. Ook de analyses over
Oosterweel zoeken vaak naar schuldigen, en die schuld
is al in veel schoenen geschoven. Zijn de politici, die om
duistere redenen weigerden een slecht project te laten

varen, de oorzaak van conflict? Of ligt de oorzaak bij
actievoerders die op slimme wijze de publieke opinie
bespeelden? Of misschien bij een falend politiek sys-
teem dat nodig hervormd moet worden? Dat er schuld
wordt toegewezen betekent ook dat de evaluatie van het
dossier overwegend negatief is. Oosterweel is vooral el-
lende.
De typering van beleidsconflict als louter aangedre-
ven door belangen heeft beperkingen. Ten eerste kan
het belangenperspectief maar ten dele verklaren waar-
om het Oosterweeldossier zo moeizaam liep. In de twin-
tig jaar besluitvorming zijn er momenten geweest waar
weinig een doorbraak in de weg leek te staan. Nieuwe
verkiezingen brachten bijvoorbeeld nieuwe partijen
aan de macht die, ongehinderd door oude akkoorden,
hadden kunnen kiezen voor een andere koers. En on-
aankelijke onderzoeken stelden nieuwe oplossingen
voor waar alle partijen een aanvaardbaar compromis in
hadden kunnen vinden. Ze hadden zonder reputatie-
schade uit het conflict kunnen raken. En toch heeft het
tot  geduurd voordat er een akkoord werd gesloten
tussen de strijdende partijen.
Het belangenperspectief geeft ook weinig richting
voor de toekomst van de beleidsvorming. In de heden-
daagse maatschappij zijn belangen namelijk niet netjes
georganiseerd. Ze zijn in hoge mate versnipperd en vaak
op voorhand onduidelijk. We hebben geen zuilen meer
die, zoals vroeger, het politieke veld overzichtelijk ma-
ken. En al zou het op één punt in de tijd wel duidelijk zijn
waar de verschillende belangen liggen, dan is dat nog
steeds geen garantie voor de toekomst. Het maken van
beleid kost tijd, en de maatschappij staat niet stil: in de

loop van de tijd veranderen belangen voortdurend. Hoe
kan een beleidsmaker aan het begin van een beleids-
proces garanderen dat alle belangen gediend worden,
wanneer die belangen onduidelijk zijn en voortdurend
verschuiven? In het Oosterweeldossier werden op basis
van een politiek compromis nadrukkelijk infrastructuur
en openbaarvervoersprojecten aan elkaar gekoppeld.
Het kan beleidsmakers dus niet verweten worden dat
ze maar aan één belang hebben gedacht. Toch kwam de
maatschappij in opstand.
Het meest fundamentele bezwaar tegen een perspec-
tief dat conflict alleen verklaart door belangenconfigu-
raties, is dat belangen niet los gezien kunnen worden
van interpretatie. Uiteraard zijn er veel belangen in een
groot infrastructuurproject zoals de Oosterweelverbin-
ding. Iets anders beweren, zou naïef zijn. Maar belangen
doen op zich niets. We kunnen bijvoorbeeld vaststellen
dat sommige mensen dichter bij de Oosterweelverbin-
dingen wonen dan anderen en dat ze daarom een ob
-
jectief belang hebben om tegen een brede stadssnelweg
te ageren. Maar wat is dichtbij? Waarom afstand tot de
woning en niet tot het werk, de school of de crèche?
Waarom komen sommige mensen die dichtbij wonen
wel in opstand en andere mensen niet? En waarom
komen er ook mensen in opstand die helemaal niet zo
dicht bij de snelweg wonen? Dergelijke vragen kunnen
maar beantwoord worden door de betekenis te analy-
seren die mensen aan de Oosterweelverbinding en aan
hun belangen geven. Een ander voorbeeld. We kunnen
vaststellen het voor politieke partijen moeilijk is om het
Oosterweelstandpunt te veranderen zonder reputatie-
schade op te lopen. Maar de vraag rijst dan nog steeds

waarom politieke partijen in de eerste plaats besluiten
om hun naam aan Oosterweel te verbinden. En waarom
ze blijven vasthouden aan zo’n positie, zelfs wanneer
ook dat in toenemende mate leidt tot reputatieschade.
Ook die vragen kunnen maar beantwoord worden door
te onderzoeken wat de Oosterweelverbinding betekent
voor politici, waar die betekenissen vandaan komen, en
hoe politici naar die betekenissen handelen.
Als we beleid reduceren tot een onderhandeling over
objectieve belangen missen we dus een deel van de rea-
liteit en vernauwen we de blik op de toekomst. Een per-
spectief op beleid dat oog heeft voor betekenisgeving vult
deze leemte in. Niet de belangen of de machtsposities op
zich verklaren waarom een conflict escaleert, maar wel
de verschillende betekenissen die actoren geven aan het
beleid en aan de belangen die beleid moet dienen.
De analyse van betekenisgeving in beleidsprocessen
hecht veel belang aan taal. Woorden zijn niet neutraal.
Ze richten onze blik op de wereld om ons heen. Ze struc-
tureren ook hoe we willen dat die wereld er in de toe-
komst uitziet. Via taal geven we betekenis aan de reali-
teit. Wanneer beleidsmakers spreken over een dreigend
verkeersinfarct, dan suggereren ze dat de urgentie van
het fileprobleem heel hoog is, dat het plots tot catas-
trofale gevolgen kan leiden, maar dat we net als bij een
hartinfarct het belang van het probleem onvoldoende
inschatten. Wanneer Patrick Janssens, voormalig burge-
meester van Antwerpen, spreekt over de Beheersmaat-
schappij Antwerpen Mobiel (BAM) als een bezettings-
leger, dan suggereert hij dat het Antwerpse belang niet
ernstig genomen wordt door de Vlaamse overheid. Wan-
neer actiegroepen spreken over het BAM-tracé als een

strop om de stad, worden wegen barrières die groei in
de weg staan, terwijl ze ook beschouwd zouden kunnen
worden als dragers van beweging. De metaforen zetten
andere richtingaanwijzers voor het beleid; zowel voor de
probleemdefinitie als voor de oplossingen. Door die rich-
tingaanwijzers te analyseren, kunnen we begrijpen wat
beleid betekent voor actoren en hoe verschillende bete-
kenissen, en de handelingen die ze inspireren, botsen.
We zullen zien dat de wijze waarop beleidsmakers naar
het Oosterweeldossier keken in grote mate verschil-
de van het perspectief van actievoerders. Belangrijker
nog: die perspectieven groeiden steeds verder uit elkaar
naarmate het conflict aansleepte. Daar ligt volgens ons
de sleutel om het conflict te begrijpen.
Om het verhaal in dit boek te schrijven, gingen we in
gesprek met de hoofdrolspelers uit het dossier om er-
achter te komen waarom de dingen gelopen zijn zoals ze
zijn gelopen. Geen afstandelijke enquête of een gestan-
daardiseerde vragenlijst, maar een open gesprek over de
geschiedenis van het dossier en over hoe de spelers die
geschiedenis duiden. We gaan uit van het perspectief
van de spelers om scherp te krijgen waarom mensen
denken wat ze denken en doen wat ze doen. De focus
ligt op begrijpen, niet op beschuldigen. Vanaf een af-
stand lijken keuzes die we niet begrijpen vaak verdacht,
maar ze kunnen een stuk onschuldiger blijken wanneer
we het verhaal achter die keuzes begrijpen.
Een focus op betekenisgeving ontkent niet dat belan-
gen bestaan. Ook betekenisgeving is nooit belangenvrij.
De neiging van hoofdrolspelers in beleidsprocessen om
verhalen te vertellen die hun eigen positie ondersteu
-
nen is niet meer dan menselijk. Maar om die verhalen

te kunnen vertellen, moeten de hoofdrolspelers in het
Oosterweeldossier zich wel eerst een beeld vormen van
wat het Oosterweeldossier is en wat hun rol in dat dos-
sier is geweest. Dat stuk betekenisgeving, en de gevolgen
van die betekenisgeving voor het succes en het falen van
het beleid, staan centraal in dit boek.
De escalatie van het Oosterweelconflict
De aandacht voor betekenisgeving brengt drie mecha-
nismen in beeld die ertoe leidden dat het conflict over
de Oosterweelverbinding in de loop van de tijd escaleer-
de. Die drie mechanismen van conflictescalatie staan
aan de basis van de hoofdstukken  tot en met , waarin
we proberen het conflict in het Oosterweeldossier beter
te begrijpen. We beginnen telkens met een verkenning
van de Oosterweelcasus en duiden dan de escalatie van
conflict aan de hand van een stukje theorie.
Het eerste mechanisme heeft de inhoud van het beleid
als onderwerp. Centraal staat de vraag hoe het Ooster-
weeldossier wordt gekaderd door de hoofdrolspelers. Als
een economisch probleem, bijvoorbeeld? Of toch als een
probleem van mobiliteit, leeaarheid of gezondheid? Als
verschillende partijen in een beleidsproces een andere
betekenis toekennen aan hetzelfde beleid en vervolgens
vooral proberen het eigen gelijk te bewijzen, dan zal het
conflict groeien. In het Oosterweeldossier verwerd on-
derzoek tot een wapen om het eigen gelijk aan te tonen.
Naarmate partijen verder verstrikt raakten in hun eigen
waarheid, tolereerden ze ook minder dat die waarheid
niet door iedereen gedeeld werd. Dat werkte in de hand

dat andere partijen niet zozeer werden beschouwd als
partijen met een andere beleidsvisie, maar eerder als
leugenaars.
Het tweede mechanisme heeft het beleidsproces als
onderwerp. Politici, projectmanagers en actiegroepen
hebben een andere invulling van wat een redelijke ter-
mijn is als het gaat om het structureren van besluit-
vorming. De politieke tijdshorizon is doorgaans korter
dan die van actiegroepen en wanneer vertraging inzet,
stijgt vaak ook de gepercipieerde nood om knopen door
te hakken. Deze gepercipieerde nood om vaart te maken
kan op zijn beurt achterdocht opwekken bij zij die vin-
den dat besluiten niet onder druk mogen worden geno-
men. Wanneer tijdsperspectieven elkaar tegenspreken
en het structureren van de besluitvorming zelf onder-
werp wordt van controverse, escaleert een conflict over
beleidsinhoud naar een conflict dat ook gaat over het
beleidsproces. Het wordt nog moeilijker om een dialoog
tussen partijen te organiseren wanneer het beleidspro-
ces zelf niet meer als veilig en betrouwbaar wordt er-
varen.
Het derde mechanisme heeft de spelers en tegenspelers
in het beleidsproces als onderwerp. Beleidsmakers vor-
men zich een beeld over de intenties van actiegroepen en
omgekeerd. Een beleidsconflict escaleert verder wanneer
de interpretatie van die intenties cynischer wordt. Wan-
neer conflict zich niet alleen afspeelt op het niveau van
inhoud en proces, maar ook op het niveau van persoon-
lijke relaties, spreken we van een derde stap in de escala-
tie van conflict. Het conflict is dan geëscaleerd naar een
relationeel conflict waarin wantrouwen een schaduw
werpt op alle interacties, en goede intenties onzichtbaar

worden. In de hoofdstukken  tot en met  gaan we die-
per in op deze drie mechanismen van conflictescalatie
in het Oosterweeldossier. We laten ook de destructieve
aspecten van die escalatie zien. Dat destructieve aspect
zit hem vooral in groeiend wantrouwen, waardoor de
partijen steeds minder naar elkaar luisteren en het win-
nen van de strijd steeds meer een doel op zichzelf wordt.
Voordat we ingaan op die mechanismen van conflict-
escalatie schetsen we een korte geschiedenis van het
Oosterweeldossier in hoofdstuk . In die historische
schets introduceren we de spelers en de gebeurtenissen
waarop we verder bouwen in de hoofdstukken daarna.
Conflict leren waarderen
In het Oosterweeldossier heeft het geëscaleerde be-
leidsconflict geleid tot een beleidsimpasse. In plaats
van het conflict te benoemen, hebben besluitvormers
echter steevast gepoogd om het conflict zo veel moge-
lijk te mijden. Telkens opnieuw kwam er een klassiek
politiek compromis tot stand na een nachtelijke onder-
handeling. Zonder breed publiek debat dus, en zonder
deelname aan de onderhandelingstafel van zij die het
maatschappelijk verzet organiseerden. Deze conflictont-
wijking, het stug voortzetten van de besluitvorming in
de hoop dat kritiek vanzelf zou verstommen, kwam als
een boemerang terug. Het lukte het beleid niet om de
geest terug in de fles te krijgen. Integendeel, juist het
gevoel niet gehoord te worden, deed het protest verder
aanzwellen. Pas in  komen voor- en tegenstanders
van de Oosterweelverbinding tot een overeenkomst.

Het is menselijk, en dus begrijpelijk, om te proberen
waar mogelijk conflict te ontwijken. Maar door lang een
wezenlijke dialoog te mijden, konden de constructieve
aspecten van conflict niet benut worden. In de hoofd-
stukken  en  schetsen we de contouren van een an-
dere, meer productieve, omgang met beleidsconflicten.
Conflict is namelijk niet inherent negatief, ondanks de
slechte associaties die het begrip vaak oproept. Zo kan
conflict alleen ontstaan als gevolg van engagement, en is
engagement het tegenovergestelde van politieke apathie.
Politieke apathie wordt net vaak beschouwd als een van
de grootste bedreigingen voor hedendaagse democratie-
en. Zo bezien staat het Oosterweeldossier dus niet alleen
voor ellende, maar kan het ook optimistisch stemmen.
Oosterweel is immers een voorbeeld van een publieke
kwestie die bol staat van engagement. Veel mensen heb-
ben zich gedurende vele jaren ingezet om wat zij zagen
als de publieke zaak zo goed mogelijk te dienen.
In deze herwaardering van conflict als engagement
staan we niet alleen. Ook politiek filosofen wezen al op
het belang van conflict in de politieke wilsvorming. Een
belangrijke stem in dit debat is Chantal Moue. Zij be-
kritiseert de politiek van de derde weg: de middenweg
tussen ideologisch links en rechts die opgang maakte
in de jaren negentig. De derde weg heeft de politiek ver-
schraald, stelt Moue. De indruk werd gewekt dat de
derde weg het beste van alle ideologieën in zich verenig-
de. Maar daarmee verdwenen ook politieke keuzes: als
er één type beleid zaligmakend is, worden alternatieven
meteen zinloos. Waarom zouden we nog gaan stemmen
als alle partijen hetzelfde willen en doen? Een goed wer-
kende democratie, zo stelt Moue, maakt geen einde

aan conflict maar slaagt erin om politiek conflict goed
te organiseren.
Behalve engagement, kan conflict ook creativiteit in de
hand werken. Wanneer iedereen vanuit dezelfde kaders
denkt, ontstaat er al snel een tunnelvisie. Frictie kan
zo’n tunnelvisie doorbreken. Door burgerverzet kunnen
originele ideeën hun weg vinden in beleidsprocessen.
Die creativiteit zagen we ook in het Oosterweeldossier.
Tien jaar verzet heeft heel wat goede ideeën opgeleverd
die mobiliteit, stedelijke ontwikkeling, gezondheid en
betaalbaarheid aan elkaar koppelden. Ook in dat opzicht
kan het Oosterweeldossier optimistisch stemmen. Het
toont het vermogen aan van een burgermaatschappij om
mee te denken over complexe maar wezenlijke publieke
vraagstukken.
In hoofdstuk  en  gaan we dieper in op de lessen van
Oosterweel voor de omgang met conflict in achtereen-
volgens beleid en democratie. Alleen door het politieke
conflict te organiseren in concrete beleidsprocessen,
kunnen we bredere lagen van de bevolking betrekken
bij de moeilijke maar boeiende keuzes die eigen zijn aan
de politiek. Hoofdstuk  beschrijft hoe we concrete be-
leidsprocessen zoals Oosterweel beter kunnen aanpak-
ken. Beleidsprocessen komen tot stand in de bedding
van de democratie. In hoofdstuk  bediscussiëren we
wat Oosterweel leert over onze democratie.
Tot slot: strijd als medicijn tegen vervreemding
Dit boek leert de lezer hopelijk iets over Oosterweel.
Het zou zonde zijn om een van de grootste dossiers in

de recente Vlaamse beleidsgeschiedenis slechts weg te
zetten als een mislukking die we het best zo snel mo-
gelijk vergeten. Dat maakt ons blind voor de mooie din-
gen die het dossier ook heeft voortgebracht en hindert
lesvorming over hoe we dat moois in toekomstig beleid
kunnen koesteren en de lelijke kant kunnen vermijden.
Ook politiek socioloog Luc Huyse, een van de scherpste
analisten van ons politieke bestel, beveelt aan om goed
naar Oosterweel te kijken. ‘Wat in Antwerpen is gebeurd
en nog zal gebeuren is een unieke leerschool. Het zou
goed zijn als nu al een cel “leren uit Oosterweel” aan het
werk kon gaan’, stelt hij.
Hopelijk zet dit boek de lezer ook aan het denken over
de omgang met conflict in onze samenleving. We leven
in een maatschappij die steeds meer onenigheid lijkt te
vertonen over kwesties die zeker niet beperkt blijven tot
stedelijke ontwikkeling. Of het nu gaat over migratie,
integratie, arbeidsmarkthervorming of klimaatverande-
ring: beleidskwesties lijken complexer dan ooit tevoren
en de kloof tussen tegengestelde visies lijkt kilometers
diep. De vraag hoe we op een productieve manier om-
gaan met conflict, zonder andersdenkenden te negeren
of het zwijgen op te leggen, is daarmee belangrijk en
urgent. We hopen dat onze analyse van het Ooster-
weeldossier kan bijdragen aan lesvorming over hoe we
al die stemmen die onze samenleving rijk is kunnen
doen weerklinken in plaats van verstommen. Hoe het
beleid zich weerstand eigen kan maken in plaats van te
vervreemden. En dus tot bondgenoot kan maken in het
versterken van onze democratie, in plaats van te veroor-
delen tot vijand van de publieke zaak.

1. Oosterweel
Een geschiedenis
Antwerpen ligt in een verkeersknoop: letterlijk en fi-
guurlijk. In weinig Europese steden staan er zoveel
files. In weinig Europese steden komen zoveel snelwe-
gen voor doorgaand verkeer zo dicht bij de stadskern
samen. Dat is een historische erfenis. In de negentien-
de eeuw bouwt het Belgisch leger in Antwerpen een
stadsomwalling, de Brialmontgordel, om de stad beter
te kunnen verdedigen. Al snel blijkt het militaire nut
van deze omwalling beperkt en in  wordt de gordel
gedemilitariseerd. De open ruimte die ontstaat, wordt
echter niet ingevuld. Na de Tweede Wereldoorlog laten
de architecten van de naoorlogse snelwegbouw al snel
hun oog vallen op deze brede, open strook door Ant-
werpen. Ze leggen de E snelweg van Eindhoven naar
Gent dwars door de Antwerpse agglomeratie. In 
wordt de kleine ring rond Antwerpen voltooid met de
bouw van de Kennedytunnel. Vier jaar na opening is
de kleine ring al verzadigd. Plannen om een grote ring
rond Antwerpen te leggen worden uit de lade gehaald,
maar een combinatie van bewonersprotest, budgettaire
beperkingen en politieke lobbying leiden ertoe dat er
van de grote ring niets terechtkomt. Na de val van de

Berlijnse muur in  gaan de grenzen in het oosten
open. Om de groei van het verkeer op te vangen, maken
beleidsmakers opnieuw infrastructuurplannen. De al
drukke Antwerpse snelwegen zouden anders volledig
vast komen te zitten. De Vlaamse overheid heeft in die
periode ook de benodigde financiële armslag.
De kleine ring van  is eigenlijk maar een halve
ring. In het noorden van Antwerpen is de ring niet rond.
De Oosterweelverbinding is het infrastructuurproject
dat de kleine ring rond Antwerpen, de R op de wegen-
kaarten, met een nieuwe snelweg door het noorden van
de stad wil rondmaken. Op de rechteroever zou de hui-
dige ring ter hoogte van het Sportpaleis naar het westen
aftakken naar de noordkant van de wijk het Eilandje.
Achter het nieuwe Havenhuis door zou het naar het
Noordkasteel leiden. Het Noordkasteel, lang geleden
een citadel van de Brialmontgordel, is een recreatief
bosgebied aan de oever van de Schelde. Van het Noord-
kasteel zou de weg vervolgens onder of over de Schelde
lopen om ten noorden van het Sint-Annastrand, in het
Sint-Annabos, opnieuw aan land te gaan op de linkeroe-
ver. Daar zou de ring weer gekoppeld worden op de snel-
wegen in het Waasland. In totaal is dat zo’n km. Een
groot deel van die afstand ligt op het grondgebied van
het verdwenen polderdorp Oosterweel, dat zijn naam
aan het snelwegproject heeft geleend.
Het Oosterweeldossier is nu een goede twintig jaar
oud. In die twintig jaar is er veel gebeurd. De maatschap-
pij is veranderd, de politiek is veranderd, en ook het Oos-
terweelproject zelf is veranderd. Dit hoofdstuk geeft een
historisch overzicht van twintig jaar Oosterweel in drie
bedrijven. In de eerste periode (–) is Ooster-

weel een project in de luwte. Weinig politieke en publie-
ke actoren hebben het project op de radar. Dat verandert
in de tweede periode (–): de weerstand tegen
het project groeit. In de laatste jaren (–) zijn
er schuchtere stappen in de richting van een oplossing.
1995–2005: een project in de luwte
De aftrap voor het Oosterweelproject wordt gegeven in
. De provinciale afdelingen van de Vlaamse Admi-
nistratie Wegen en Verkeer wordt gevraagd een inven-
tarisatie op te maken met projecten om de belangrijk-
ste verkeersproblemen in hun provincie op te lossen. In
de provincie Antwerpen staat het sluiten van de ring
bovenaan. De Antwerpse provinciegouverneur Camille
Paulus neemt het peterschap van het project op zich en
begint een informatieronde bij de verschillende actoren
in de Antwerpse politiek en het bedrijfsleven. Intussen
tekent een ingenieur van de Vlaamse overheid, Herbert
Smitz, de eerste lijnen van het tracé op de kaart.
Het
tracé bepaalt waar de snelweg precies gebouwd zal wor-
den. In  neemt de Vlaamse Administratie Wegen en
Verkeer het tracé van Smitz op in een startnota voor het
project getiteld: ‘Sluiten van de R kleine ring om Ant-
werpen via de Oosterweelverbinding’. Vanaf dan krijgt
het snelwegenproject een naam: de Oosterweelverbin-
ding. Een maand later legt de Vlaamse overheid een bre-
de reservatiestrook vast langs het tracé van Smitz. Een
reservatiestrook zorgt ervoor dat er niet meer gebouwd
mag worden waar er infrastructuur gepland is. Zo wil
men vermijden dat nieuwe bouwprojecten de aanleg

van het project later zouden bemoeilijken. Het tracé van
Smitz blijft tot vandaag overeind. Het lijkt sterk op het
huidige Oosterweeltracé van de Beheersmaatschappij
Antwerpen Mobiel (BAM).
De vroege besluitvorming gaat niet alleen over het
tracé, maar ook over wat er op dat tracé gebouwd moet
worden. De besluitvormers willen graag een brug over
de Schelde bouwen. In  toont een haalbaarheids-
studie aan dat een brug over de Schelde niet mogelijk
is zonder de scheepvaart te hinderen. De Administra-
tie zoekt en vindt een alternatief: een tunnel onder de
Schelde en een viaduct over het Eilandje. Verder is er
ook discussie tussen Vlaanderen en de stad Antwerpen
over de schaal van weg. De Vlaamse overheid wil een
volwaardige snelweg bouwen, terwijl de stad Antwer-
pen meer heil ziet in een ontsluiting voor verkeer dat
Antwerpen als bestemming heeft.
De tegengeluiden vanuit de Antwerpse stadsadmi-
nistratie maken de Vlaamse overheid ongerust. Vlaams
minister van Openbare Werken Steve Stevaert (sp.a) wil
voorkomen dat de Antwerpse onenigheid het project
voor de voeten loopt. Hij vraagt aan Antwerps provin-
ciegouverneur Camille Paulus om iedereen op één lijn
te brengen. Met dit doel voor ogen organiseert de pro-
vinciegouverneur op april  een bijeenkomst met
een aantal belangrijke spelers in het dossier. Om het
belang van deze vergadering te onderstrepen, spreekt
de gouverneur van een Staten-Generaal. Daarop scharen
onder meer de stad Antwerpen, de provincie Antwer-
pen, de Vlaamse administratie, het Havenbedrijf en De
Lijn zich achter het Oosterweeltracé. In december 
keurt de Vlaamse regering het Masterplan voor de Ant-

werpse mobiliteit goed. In Vlaanderen is op dat moment
een paars-groene regering aan de macht. Het Master-
plan is een compromis met wegeninfrastructuur voor de
rechterzijde en openbaar vervoer voor de linkerzijde. De
nieuwe infrastructuur moet gefinancierd worden door
tolheng.
Op oktober  is er een tweede Staten-Gene-
raal waarop een honderdtal belanghebbenden uit het
bedrijfsleven, het middenveld en het stadsbestuur aan-
wezig zijn. In Brussel is men tevreden: een politieke
consensus is bereikt en er is draagvlak. Al snel zullen
vooral de aanwezigen vanuit de milieubeweging kritiek
uiten op deze Staten-Generaal. De Bond Beter Leefmi-
lieu noemt het nepinspraak. In een persbericht schrij-
ven ze: ‘De verschillende bijeenkomsten van de Staten-
Generaal hadden tot nog toe te veel het karakter van een
“Chambre de resonance” waar op voorhand in beperkte
kring genomen beslissingen worden “doorgedrukt. Voor
een volwaardige inspraak en overleg kunnen enkele in-
terventies van enkele minuten niet volstaan’.
Tussen  en  werkt de Vlaamse overheid de
plannen verder uit. Er moet immers nog heel wat studie-
werk verzet worden voordat men aan het bouwen kan.
De uitwerking is aanvankelijk in handen van de Vlaam-
se Administratie Wegen en Verkeer en een consortium
van ingenieursbureaus: de Tijdelijke Handelsvennoot-
schap Studiegroep Antwerpse Mobiliteit (tv SAM). Op
september  richt de Vlaamse overheid echter
de nv Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM)
op.De BAM neemt de taken van de Vlaamse administra-
tie over. De BAM is een publiek-private samenwerking
(PPS): een organisatie met inbreng van zowel publieke

als van private ondernemingen. Samen met de priva-
te sector moet de BAM de projecten uit het Masterplan
ontwerpen, bouwen, financieren en beheren.
De Vlaamse regering heeft verschillende redenen
om de uitvoering toe te vertrouwen aan de PPS-con-
structie BAM. Ten eerste zou de afstemming tussen de
verschillende deelprojecten beter verlopen. Behalve we-
gen, moeten er ook tramlijnen, brugverhogingen, kaai-
muren, natuurcompensaties en nutsleidingen aangelegd
worden. Steeds zijn er verschillende administraties van
verschillende bestuursniveaus betrokken. Door de eind-
verantwoordelijkheid in één hand te leggen, wil men al
deze processen beter op elkaar afstemmen. De tweede
reden voor de oprichting van de BAM is het loon. Ooster-
weel vergt heel gespecialiseerde kennis. Een klassieke
administratie is gebonden aan strakkere regels en zou
daarom geen marktconform loon kunnen betalen aan
de ingenieurs en technici die het project in goede ba-
nen moeten leiden. Ten derde wordt de BAM opgericht
om de investeringen uit de overheidsbegroting te hou-
den. Wanneer de Vlaamse overheid leent om een groot
project zoals Oosterweel te betalen, dan stijgt de totale
overheidsschuld van België. Dat mag niet van Europa.
Volgens Europa is de Belgische schuld al veel te hoog
en moet ons land de overheidsschuld juist verminde-
ren. Voor Europa maakt het niet uit of de schulden van
de Vlaamse, federale of lokale overheid zijn. Eurostat,
het statistiekbureau van de Europese Unie, telt al die
schulden op tot een groot totaal. Door het Oosterweel-
project aan een naamloze vennootschap toe te ver-
trouwen – de BAM is een nv – en door het project te
financieren met tolinkomsten presenteert de Vlaamse

overheid Oosterweel aan Europa als een privaat project
en geen overheidsproject. In beleidstaal noemt men dat
ESR-neutraliteit, wat zoveel betekent als dat het project
buiten het Europees stelsel van overheidsrekeningen
valt. Europa accepteert dat niet zomaar. De discussie
over de ESR-neutraliteit duurt voort tot in . Dan laat
Europa definitief weten dat Oosterweel wel degelijk in
de begroting moet.
Begin jaren  is de tijdsdruk hoog. Camille Paulus
en de Vlaamse regering hopen uiterlijk in  het lintje
van de Oosterweelverbinding door te knippen. Er is dan
wel een politiek akkoord, maar de tijd gaat snel. Het
is  en de belangrijkste ociële procedures moeten
nog doorlopen worden. Europa verplicht lidstaten om
de eecten van grote infrastructuur op het milieu en de
gezondheid te berekenen voordat er een beslissing kan
worden genomen. Dat zijn de zogenaamde milieueec-
tenrapporten (MER). Eerst worden de eecten van de
inplanting van infrastructuur in de omgeving berekend.
Dat is het Plan-MER. Op basis van een Plan-MER beslist
de overheid waar in de stad het project uitgevoerd kan
worden. Deze beslissing staat in een gewestelijk ruim-
telijk uitvoeringsplan (GRUP). Vervolgens berekent men
de eecten van een bepaald type infrastructuur. Een
tunnel heeft bijvoorbeeld een heel andere impact dan
een brug. Dat is het Project-MER. Op basis van het Pro-
ject-MER kan de overheid een bouwvergunning verle-
nen. We moeten dus vier begrippen onthouden: Plan-
MER (studie) leidt tot GRUP (beslissing), en Project-MER
(studie) leidt tot bouwvergunning (beslissing).
In de periode – begint BAM alvast met de
aanbestedingsprocedure.

Grote bouwconsortia mel-

den zich om deze mega-opdracht binnen te halen. Eind
 stellen zes consortia zich kandidaat om de Ooster-
weelverbinding te bouwen. Van die zes blijven er na een
eerste selectie vier over: Loro, Antwerpse Bouwwerken,
Bouygues en Noriant. De ontwerpers van de consortia
gaan aan de slag op basis van een gedetailleerd bestek
van duizenden pagina’s. Dit bestek is de handleiding
met richtlijnen die de BAM aan de ontwerpers meegeeft.
Twee voorstellen voldoen volgens de BAM niet aan deze
richtlijnen. Bouygues ontwerpt op het hele traject een
tunnel. Dat mocht niet. Antwerpse Bouwwerken stelt
een enkeldeksbrug in plaats van een dubbeldeksbrug
voor. Ook dat is niet toegestaan. Loro en Noriant mogen
wel naar de volgende ronde. In deze ronde worden de
voorstellen getoetst op prijs, ingenieurskwaliteit en ar-
chitecturale waarde. De beoordeling van de architectuur
is de verantwoordelijkheid van de kwaliteitskamer – een
raad van experts onder voorzitterschap van Camille
Paulus. Op augustus  verwerpt de kwaliteitska-
mer het ontwerp van Loro. Alleen Noriant mag de laatste
ronde in. Drie jaar later, op maart  leggen de BAM
en het bouwconsortium Noriant afspraken vast in een
contract: de zogenaamde Design Sign-O (DSO). Oos-
terweel is intussen een heel controversieel dossier ge-
worden. Zelfs de tracékeuze staat opnieuw ter discussie.
2005–2015: van maquette tot volksraadpleging
Voor  waren er wel kritische geluiden bij de poli-
tieke partijen. Havenschepen Leo Delwaide (Open Vld)
bijvoorbeeld was bijzonder kritisch. De partijlijn haalde

echter de bovenhand. De kritiek bleef binnen de par-
tijgebouwen. Publiek debat was er niet. Voor de meeste
Brusselse politici en voor de Wetstraat-watchers is het
een done deal. De meeste burgers daarentegen hebben
geen idee wat er hen boven het hoofd hangt. Degenen
die van het project gehoord hebben, denken dat er een
brug over de Schelde wordt gebouwd in plaats van over
de dokken ten noorden van het Eilandje. Dat verandert
in . De presentatie van de maquette van de Lange
Wapperbrug – het viaduct dat de snelweg over het Ei-
landje brengt – is een keerpunt.
Begin  is de BAM klaar met een eerste maquette
van de Lange Wapper. Deze maquette toont aan wat voor
soort viaduct de BAM in gedachten heeft. Hiermee moe-
ten de ontwerpers van de bouwconsortia aan de slag. Er
zijn heel wat positieve geluiden te horen. ‘De Lange Wap-
perbrug wordt een stedelijk icoon dat de Antwerpse me-
tropool tussen de andere grote steden met prestigieuze
bruggen plaatst’, zegt BAM-woordvoerder Nick Orbaen.
‘De brug kan de vergelijking met andere bekende brug-
gen doorstaan, zoals de Sunshine Skyway-brug in St.
Petersburg in Florida, de Central Artery-brug in Boston,
de Brooklyn-brug in New York of de Erasmus-brug in
Rotterdam’.

Ook Groen-kopstuk Mieke Vogels steunt
het project: ‘Overal in Europa zie je bruggen die de ste-
den een echte meerwaarde geven. Waarom zou de Lange
Wapperbrug niet hetzelfde doen voor Antwerpen?’

Een
uitspraak die Groen nog vaak voor de voeten geworpen
zal krijgen.
In het Antwerpse schepencollege groeit echter de on-
rust. De maquette toont immers de schaal en de ruim-
telijke impact van het bouwwerk. De Morgen noemt het

gevaarte een monsterbrug en maakt een vergelijking
met het Viaduct van Vilvoorde. Burgemeester Patrick
Janssens laat door het Rotterdamse bureau Horvath in
de gelijknamige “Horvath-studie” nog snel onderzoeken
of er toch geen tunnel op het tracé gebouwd kan worden.
Gouverneur Paulus is not amused en wijst erop dat het
Oosterweelcompromis één en ondeelbaar is: ‘Als het nu
plots een tunnel moet zijn, verliezen we twee jaar tijd
en komt het hele masterplan op de helling. Het gaat dan
niet alleen om de nieuwe oeververbinding, maar ook
om alle andere punten van het masterplan. Dan wordt
zelfs de tweede fase van de leien niet meer uitgevoerd.
Er gebeurt dan in Antwerpen niets meer’.

De studie-
nota van Horvath besluit echter dat een tunnel mil-
joen euro duurder zou uitvallen. De Antwerpse politiek
schaart zich opnieuw achter het plan. Eind  toont
het bouwconsortium Noriant een tweede maquette met
het winnende ontwerp. Opnieuw is er veel lof voor de
esthetiek van de brug.
De maquettes hebben niet alleen de Antwerpse stads-
politici beroerd. Ook Manu Claeys van het burgercomité
Straten-Generaal heeft de plannen gezien. Straten-Ge-
neraal is een collectief van een beperkt aantal geënga-
geerde burgers. Via burgerparticipatie willen ze streven
naar duurzame ontwikkeling en leewaliteit in de stad.
Het Oosterweeldossier wordt met de jaren het uithang-
bord van de actiegroep en Manu Claeys het bekendste
gezicht. Manu Claeys heeft interesse in stadsontwik-
keling. In  heeft hij al voorgesteld om de ring te
overkappen: een idee dat tien jaar later door Ringland
nieuw leven zal worden ingeblazen. De geheimhouding
in de besluitvorming maakt hem achterdochtig. Hoe kan

het dat zelfs het Antwerpse stadsbestuur niet goed weet
wat er gaande is? Samen met Peter Verhaege, ingenieur
en lid van Straten-Generaal, houdt hij op september
 een eerste persconferentie. Straten-Generaal stelt
een alternatief tracé voor dat door de haven loopt. Het
studiewerk van Straten-Generaal krijgt nog wat meer
gewicht wanneer professor stedenbouw Georges Allaert
(UGent) zich in sterke bewoordingen achter hun tracé
schaart.

Het BAM-tracé, zo noemen de actiegroepen
het Oosterweeltracé intussen, is een middeleeuws pro-
ject, stelt hij.
Peter Verhaege en Manu Claeys schrijven opiniestuk-
ken in kranten, dienen bezwaarschriften in en stellen
alternatieven voor ter studie in de Project-MER; de Plan-
MER is helaas al in  afgerond in het voordeel van
het huidige tracé. Wanneer de actievoerders vermoeden
dat hun voorstel geen eerlijke kans heeft gekregen in het
Project-MER, verandert de mindset. Ze gaan de boer op
met hun plannen en geven tientallen lezingen in buurt-
huizen, bij middenveldorganisaties, bij sectorfederaties
en in Rotaryclubs. Tijdens een lezing in de Singel zit ook
Wim Van Hees in de zaal. Als inwoner van Linkeroever
stelt hij naar eigen zeggen al drie jaar de vraag hoeveel
vrachtwagens de nieuwe Oosterweelverbinding zou
slikken, maar krijgt geen antwoord.
Wim Van Hees is in  nog niet lang met pensioen.
Hij stond jarenlang aan het hoofd van een van de groot-
ste reclamebureaus van België en deed in die rol ook
heel wat politieke campagnes. Samen met enkele dok-
ters bestudeert hij de gezondheidseecten van snelwe-
gen op de omwonenden en komt tot de conclusie dat een
ring met doorgaand verkeer dicht bij woonwijken niet te

verantwoorden is. De actiegroep Ademloos is geboren.
Op enkele maanden wordt een professioneel merkenbe-
leid in elkaar gebokst. Het logo imiteert de Antwerpse A
van de stadsmarketing, maar met de keel toegeknepen
door een rijweg. Terwijl Straten Generaal vooral specia-
listen mobiliseert die beroepshalve of vanuit een diepe
interesse het dossier volgen, mikt Ademloos op de grote
aantallen.
Een sterk merk moet niet alleen goed ontworpen zijn,
het moet ook leven in de maatschappij. Om het merk
Ademloos te activeren, wil Ademloos . handte-
keningen verzamelen om spreekrecht in het Vlaams
parlement af te dwingen. Zo zoeken de actievoerders
de dialoog met de straat op. De eerste handtekeningen
komen van enkele dokters van het Sint-Jozefinstituut,
een school voor kinderen met longproblemen. Hun
school zou net naast het viaduct komen te liggen. Op
juni  voert de school actie in de schaduw van het
stadhuis. De manifestatie krijgt veel media-aandacht.
Gezondheid komt zo met stip op de publieke agenda.
Ademloos begint ook een campagne om een gemeen-
telijke volksraadpleging af te dwingen. Hiervoor verza-
melen vrijwilligers in het volgende half jaar de vereiste
. geldige handtekeningen.
In het voorjaar van  begint Oosterweel ook in
de Antwerpse politiek opnieuw te gisten. Schepen Ludo
Van Campenhout (Open Vld), al lang kritisch, komt met
zijn ongenoegen naar buiten. In een interview met het
weekblad Humo zegt hij: ‘Als ik tóén had geweten wat ik
nu weet, dan zou ik tóén anders beslist hebben’. Burge-
meester Patrick Janssens repliceert met een referentie
naar de hit van Peter Tosh: ‘Walk and don’t look back’.

Deze uitspraak zal Patrick Janssens nog lang blijven ach-
tervolgen, zeker omdat hij later toch omkijkt en van me-
ning verandert. In essentie zeggen de burgemeester en
de schepen wel hetzelfde. Met veel tegenzin hebben ze
de Lange Wapperbrug en het Oosterweeltracé aanvaard
en nu moeten ze de kelk leegdrinken. Dat wordt steeds
moeilijker. De lokale politici zien het sentiment in de
stad keren. Opiniepeilingen tonen aan dat de meerder-
heid van de Antwerpenaren de Lange Wapper niet lust.

Het nummer van Peter Tosh wordt geparodieerd door
Raymond Van het Groenewoud en Stef-Kamil Carlens.
De Vlaamse regering weet zich geen raad met het pro-
test in Antwerpen. Om eens en voor altijd het pleit te be-
slechten, bestelt de Vlaamse overheid een nieuwe studie
bij het Britse ingenieursbureau Arup en het Brusselse
SumResearch, samen Arup/Sum. Deze studie moet de
tracévoorstellen van Straten-Generaal en de overheid
zelf nogmaals grondig vergelijken. De ministers zijn er
wel gerust op dat hun tracé als beste uit de studie zal
komen. Ze laten toe dat de BAM de procedures voor de
aanvraag van een bouwvergunning laat doorlopen. De
Vlaamse regering zet ook nieuwe mensen aan het roer
van de BAM. Karel Vinck, voorheen crisismanager van
de NMBS en ex-topman van bedrijven zoals Union Mini-
ère en Eternit, wordt voorzitter van de raad van bestuur.
Op maart  presenteert Arup/Sum de resultaten
van de studie. Geen enkele van de drie onderzochte pro-
jecten (het Oosterweeltracé, het Straten-Generaal-tracé
en de Horvath-tunnel) voldoet aan de minimumvereis-
ten. Arup/Sum stelt vervolgens een eigen tracé voor dat
lijkt op het Straten-Generaal-tracé. De Vlaamse CD&V-
en Open Vld-ministers zijn niet opgezet met dit nieu-

we voorstel. Dat behoorde immers niet tot de opdracht.
Antwerps burgemeester Patrick Janssens daarentegen
ziet in het Arup/Sum-tracé een mogelijkheid om het dos-
sier te deblokkeren. De stad Antwerpen vraagt daarom
extra studiewerk om de haalbaarheid van dat nieuwe
tracé te onderzoeken. Intussen zetten de sp.a-minis-
ters in de Vlaamse regering de hakken in het zand. ‘We
mogen het traject van de BAM vergeten. Dat komt er
nooit meer’, zo klinkt het. Oosterweel splijt nu ook de
Vlaamse politiek.
Intussen wordt in Antwerpen alles in stelling gebracht
voor de gemeentelijke volksraadpleging. De BAM heeft
de bouwaanvraag bij de Vlaamse overheid ingediend.
Voordat de Vlaamse overheid beslist, moet de stad Ant-
werpen advies geven. De volksraadpleging vraagt daar-
om aan de Antwerpse burger of de stad Antwerpen een
positief advies moet geven over deze bouwaanvraag.

Na een intense campagne met een actieve rol van de lo-
kale media, gaan de Antwerpenaren op oktober 
naar de stembus. . Antwerpenaren brengen een ja-
stem uit (,procent) en . mensen een nee-stem
(,procent). De opkomst was ,. Toch is het Oos-
terweeltracé niet dood. Het dossier wordt in de wacht-
kamer gezet. Onder voorzitterschap van Raf Suys, kabi-
netschef van minister-president Kris Peeters (CD&V),
wordt een reeks werkgroepen opgericht. De N-VA heeft
intussen de Open Vld vervangen in de Vlaamse regering.
Die bestaat nu uit CD&V, N-VA en sp.a.
In de nasleep van de volksraadpleging worden twee
trajecten gelopen. Het eerste traject is een politieke
onderhandeling tussen de Vlaamse meerderheidspar-
tijen. De sp.a, aangevuurd door Patrick Janssens, staat

lijnrecht tegenover de CD&V en in mindere mate de
N-VA. Dat leidt tussen maart  en september  tot
een aanpassing van het masterplan Antwerpen .
Het Lange Wapperviaduct wordt vervangen door een
tunnel. Dat was een eis van sp.a. Het Oosterweeltracé
blijft echter behouden, zoals gevraagd door de CD&V.
Op verzoek van N-VA wordt een nieuw stuk snelweg
aan de plannen toegevoegd: de Rbis. Dit stuk snelweg
door Mortsel, Deurne en Borsbeek zou de snelweg van
Antwerpen naar Brussel (E) verbinden met de snel-
wegen naar de Kempen (E en E). De actiegroepen
zijn niet tevreden. De volksraadpleging ging over het
tracé en niet over vraag of het een brug of tunnel moest
zijn. De regering zet echter door. Door de gewijzigde
plannen moet de procedure van voren af aan opnieuw
beginnen: Plan-MER, gewestelijk ruimtelijk uitvoe-
ringsplan (GRUP), Project-MER en bouwvergunning.
Behalve een traject van politieke onderhandelingen,
is er na de volksraadpleging ook een nieuw traject van
studie- en planvorming. Een aantal belangrijke haven-
bazen gelooft in de plannen van Straten-Generaal en
wil na de volksraadpleging de boel deblokkeren. Ze ver-
enigen zich in een denkgroep met de naam Forum 
en vragen aan Manu Claeys en Peter Verhaege om het
Straten-Generaal-tracé verder uit te werken. In februari
 presenteert Forum  het resultaat: het Mecca-
notracé. De snelwegen gaan nu in een grote boog om de
stadskern. Net als een bouwwerk met meccanostukken
kan de infrastructuur stuk voor stuk in modules opge-
bouwd worden. Het voorstel wordt door minister-presi-
dent Kris Peeters en de BAM echter niet in aanmerking
genomen. Later zal Straten-Generaal het Meccanotracé

als alternatief ter studie voorleggen bij de opmaak van
het nieuwe Plan-MER.
In de periode tussen april  en februari  is
het Oosterweel-luw. In de Antwerpse verkiezingsstrijd
tussen Patrick Janssens en Bart De Wever komt Ooster-
weel niet echt aan bod. De twee protagonisten steunen
het masterplan . De Oosterweeloppositie kan zich
nauwelijks laten horen in de tweestrijd tussen de poli-
tieke zwaargewichten. Wel wordt in deze periode heel
wat onderzoek gedaan. De BAM-ingenieurs buigen zich
over het klaverblad aan het Sportpaleis. De aansluiting
van de Oosterweelverbinding op de ring is heel moeilijk
te realiseren met een redelijk aantal rijstroken. Ook over
financiering en de aanbesteding wordt verder onderzoek
gedaan. Europa blijft immers bezwaren maken tegen het
Vlaamse beleidsvoornemen om de investering niet op
te nemen in de overheidsbegroting. Ook gaat Europa
niet zomaar akkoord dat de helft van de Oosterweel-
werken, de tunnel onder de Schelde, al aan Noriant ge-
gund zouden worden. Europa vindt de nieuwe plannen
zo verschillend van de oude plannen, dat er een nieuwe
aanbestedingsprocedure moet komen. Als de BAM al-
leen vraagt om een tunnel te bouwen, dan moeten alle
aannemers opnieuw kunnen meedoen, stelt Europa. In
 gaat ingenieursbureau Antea aan de slag met het
nieuwe Plan-MER. Deze studie zal de milieu en gezond-
heidseecten van acht verschillende tracés berekenen:
inclusief Meccano.
Met de Vlaamse verkiezingen van mei  in het ge-
zichtsveld, worden de Vlaamse toppolitici zenuwachtig.
Zowel minister-president Kris Peeters als burgemeester
en N-VA-voorzitter Bart De Wever beloven om nog voor

de verkiezingen knopen door te hakken. Wanneer op
februari de resultaten van de Plan-MER-studie door
Antea worden voorgesteld, handelt de regering snel. Vier
dagen later, op Valentijn, sluiten de regeringspartijen
een akkoord om door te gaan met de Oosterweelver-
binding. Er is weliswaar meer aandacht voor de stad.
Het viaduct van Merksem zou worden afgebroken en
onder het maaiveld worden gebracht. Voor het Sportpa-
leis komt een stedelijk plein. De actiegroepen zijn niet
tevreden. Ze vinden dat het Meccanotracé geen eerlijke
kans heeft gekregen. Ze begrijpen ook niet goed hoe de
regering zo snel na de publicatie van de lijvige studies
al tot een oordeel kan komen. De actiegroepen trekken
naar de Raad van State en vragen de vernietiging van
het Valentijnsakkoord.
2015–2017: de Ringland-tango en het
historisch akkoord
Vijf weken na de Valentijnsbeslissing komt er een nieu-
we speler op het toneel: Ringland. Ringland bestaat uit
een groep experts rond adviesbureau Stramien van Peter
Vermeulen. Op maart lanceren ze een nieuw voor-
stel.

Bouw geen Oosterweel of Meccannotracé, maar
leg eerst de huidige Antwerpse ring op een eciëntere
manier aan. Door het doorgaande verkeer te scheiden
van het lokale verkeer zou de wegcapaciteit al aanzien-
lijk toenemen. Dankzij de reorganisatie kan de volledi-
ge ring overkapt worden. Hierdoor komt er veel ruimte
vrij in de stad en zijn de problemen van de geluids- en
luchtverontreiniging verholpen. Nieuwe wegen die gra-

tis zijn, trekken doorgaans ook nieuw verkeer aan. Vraag
daarom een bijdrage van euro aan automobilisten die
de stad willen inrijden. Zo is het geheel betaalbaar en
wordt de stijgende verkeersvraag getemperd.
Ringland valt niet op een koude steen. De burger-
beweging brengt samen met Ademloos en Straten-Ge-
neraal opnieuw heel wat Antwerpenaren in beweging.
Het Oosterweeldossier ontpopt zich langzamerhand tot
een van de belangrijkste thema’s van de Vlaamse ver-
kiezingen op mei . Alle politieke partijen zeg-
gen voorstander te zijn van een maximale overkapping.
Ook de BAM onthaalt het idee positief. Wat maximaal
overkappen juist betekent, blijft onderwerp van discus-
sie. Is maximaal een volledige overkapping of kunnen
bijvoorbeeld de verkeersknooppunten bovengronds
blijven? CD&V en N-VA zweren bovendien trouw aan
het Oosterweeltracé. Of het technisch mogelijk is om
de BAM-plannen te verzoenen met een overkapping, is
een nieuw discussiepunt tussen voor- en tegenstanders
van de Oosterweelverbinding. Open Vld verandert het
geweer van schouder en stelt een nieuw tracé voor: Oos-
terweel Noord. Heel nieuw is dat tracé eigenlijk niet. Het
lijkt sterk op het Arup/Sum-voorstel van  en het
Straten-Generaal-tracé van . De controverse binnen
en buiten de politiek blijft leven.
N-VA is na de verkiezingen de grootste partij van
Vlaanderen en vormt een regering met CD&V en Open
Vld. Geert Bourgeois (N-VA) wordt minister-president
en Ben Weyts (N-VA) wordt minister van Mobiliteit. Sa-
men met het burgemeesterschap van Antwerpen houdt
N-VA nu de politieke sleutelposities in handen. In de
regeringsonderhandelingen laat Open Vld zijn Ooster-

weel-noord-tracé los. De Vlaamse regering zet de Oos-
terweeltrein zo weer op het spoor. Twee vraagstukken
worden in deze periode alvast opgelost. Europa laat we-
ten dat Oosterweel niet buiten de begroting gefinancierd
kan worden. Vlaanderen zal dus schulden moeten ma-
ken om het project te kunnen realiseren. Ten tweede
sluit de BAM een onderhandse overeenkomst met Nori-
ant over de schadeclaim die het bouwconsortium wilde
laten gelden. In  had Noriant een voorlopig contract
(een Design Sign-O) getekend met de BAM. Bij con-
tractbreuk zou Noriant naar de rechtbank kunnen trek-
ken om een schadevergoeding te eisen. Noriant dient
een schadeclaim in van miljoeneuro. Uiteindelijk
betaalt de BAM een vergoeding van miljoeneuro.
Met de algemene geloofsbelijdenis aan de overkap-
ping verandert de relatie tussen politiek en actiegroe-
pen. Er blijft nog veel onenigheid over het tracé van de
Oosterweelverbinding, maar de posities zijn minder
duidelijk. Waar in het verleden de kern van de discus-
sie steeds teruggebracht kon worden tot de vraag of de
ring in of om de stad moet lopen, lijkt nu iedereen voor
een overkapping te zijn. De vraag welke overkapping
technisch haalbaar is, is voer voor specialisten. Net als
in een tango, ontstaat er een subtiel spel van aantrek-
ken en afstoten. Geen partij wil als spelbreker van de
overkapping beschouwd worden. Daarom ligt zo sterk de
nadruk op het positieve verhaal. Niemand is tegen iets.
Tegelijk is het wantrouwen niet weg en werken zowel
overheid als actiegroepen door aan de eigen plannen.
De actiegroepen en de overheid proberen de eigen
positie zo veel mogelijk te versterken. De actiegroepen
blijven mobiliseren door enerzijds hun plannen te ver-

fijnen en anderzijds door manifestaties te organiseren.
Ringland brengt in ,  en  zo’n . festival-
gangers bijeen op Ringlandfestivals, haalt .euro
studiegeld op met crowdsourcing, en organiseert druk
bijgewoonde lezingen. De actiegroepen halen in 
ook . handtekeningen op om een nieuwe volks-
raadpleging te kunnen houden. Intussen informeren de
actiegroepen hun achterban met infosessies in de Roma
en de Hortazaal aan de stadsschouwburg. Zo bereiken
ze duizenden geïnteresseerde burgers. De actiegroepen
krijgen half januari  ook een juridische stok achter
de deur wanneer de auditeur van de Raad van State hen
gelijk geeft in hun klacht tegen het Valentijnsakkoord
uit . Als de Raad van State het advies van de au-
diteur volgt, vernietigt de Raad het gewestelijk uitvoe-
ringsplan (GRUP) dat op het Plan-MER is gebaseerd. De
opmaak van een nieuwe Plan-MER-studie en een nieuw
GRUP zou jaren vertraging betekenen.
Ook de BAM heeft niet stilgezeten. Heel wat voorbe-
reidende werken voor de Oosterweel zijn al gestart. Deze
werken zijn volgens de BAM nodig in om het even welk
scenario. Nutsleidingen moeten bijvoorbeeld diep onder
de ring worden gelegd om een overkapping mogelijk te
maken. De BAM werkt intussen ook aan andere projec-
ten in het masterplan zoals tramverlengingen en het
verhogen van de bruggen van het Albertkanaal. Er gaan
dus wel degelijk schoppen de grond in. De BAM had ook
gehoopt om snel te kunnen beginnen op de linkeroever.
De gemeente Zwijndrecht stak hier echter een stokje
voor. De meerderheid van Groen en CD&V keurde ge-
plande aanpassingen van de wegen op haar grondgebied
af.

De actiegroepen en de overheid stoten niet alleen
af, maar trekken elkaar ook aan. Er is de laatste jaren
meer toenadering dan ooit. De context waarbinnen deze
gesprekken plaatsvinden, is het werk van de overkap-
pingsintendant, Alexander D’Hooghe. De intendant
wordt in januari  door de Vlaamse regering aan-
gesteld om de discussies over de haalbaarheid van de
overkapping in goede banen te leiden. Aanvankelijk
zijn de actiegroepen achterdochtig. De intendant mag
immers niet buiten de lijntjes van de Oosterweelver
-
binding kleuren. Niettemin schuiven de actiegroepen
mee aan tafel. Er worden ook resultaten geboekt. Het
Sint-Annabos op de linkeroever was aanvankelijk voor-
bestemd om een slibstort te worden, maar de partijen
vinden een manier om het bos te redden. De opdracht
van de intendant wint sterk aan belang wanneer de au-
diteur van de Raad van State een negatief oordeel velt
over de overheidsplannen en er voldoende handteke-
ningen blijken te zijn voor een nieuwe volksraadpleging.
Met de druk op de ketel kan de overkappingsintendant
zijn actieradius verruimen.
Op maart  komen de actiegroepen en de Vlaam-
se overheid naar buiten met een akkoord. Het nieuwe
tracé wordt het radicale Haventracé genoemd. Radicaal,
omdat het doorgaand verkeer zo veel mogelijk door
de Haven en de Lieenshoektunnel wordt geleid. De
Oosterweelverbinding zelf moet een Oosterweel-light
worden, alleen voor stadsverkeer. De actiegroepen zijn
bereid om de klacht bij de Raad van State in te trekken
en geen volksraadpleging te organiseren, wanneer ze ga-
ranties krijgen dat Oosterweel-light ook echt licht is en
er gegarandeerd geld is voor de overkapping. De kranten

noemen het een historisch akkoord. Historisch is het
zeker dat er een akkoord wordt gesloten met het nieuwe
middenveld van actiegroepen. Of het ook een definitie-
ve doorbraak zal zijn in Oosterweel, zal de geschiedenis
uitwijzen.
Conclusie
Het is gemakkelijk verloren lopen in de jungle van Oos-
terweel. De geschiedenis van Oosterweel is complex,
met veel actoren, plannen en procedures. Toch zijn er
enkele lijnen te trekken. De kern van het conflict was
steeds de locatie van de snelweg: dicht bij de stad op de
huidige ring plus de Oosterweelverbinding of verder van
de stad op nieuwe ringwegen. In het bos van tracés is
dat de hoofdvraag. Waar zullen de grote, internationale
verkeersstromen lopen?
Er zijn ook enkele sleutelmomenten. Het tracé van
Vlaams ambtenaar en ingenieur Herbert Smitz wordt al
in  vastgelegd. Vermoedelijk kreeg dit tracé door een
sluipende besluitvorming in de jaren negentig een ze-
kere vastheid. Zodra er geïnvesteerd wordt in een tracé
komen politiek en administratie niet graag of gemak-
kelijk op een beslissing terug. De gemaakte kosten zijn
verloren en het kost tijd. De perceptie van (het tekort
aan) tijd is cruciaal om conflictescalatie te begrijpen.
Een tweede sleutelmoment is de presentatie van de Lan-
ge Wappermaquette in . Op dat moment beseen
vele Antwerpse politici en sommige Antwerpse burgers
pas goed wat de impact van het bouwwerk zal zijn. Daar
liggen de kiemen van het werk van de actiegroepen Stra-

E34;E313
R1
R2
E34
E17
E34;E313
R1
A12
E19
A112
A12
E19
A12
E17
R2
E17
A112
A112
R1
R1
E19
R1
R2
A12
R2
E19
A12
E34;E313
R1

ten-Generaal en Ademloos. Een derde sleutelmoment is
de volksraadpleging in . De volksraadpleging toont
aan dat de weerstand breed gedragen is. De nee-stem
heeft geleid tot nieuwe beleidsprocessen. De actiegroe-
pen gebruiken deze beleidsprocessen om volop nieuwe
alternatieven voor te stellen. De opkomst van Ringland
in  geeft het verzet tegen de Oosterweelverbinding
nieuwe zuurstof. Een laatste sleutelmoment is januari
 wanneer het negatief advies van de auditeurs van de
Raad van State over het Valentijnsakkoord bekend wordt
gemaakt. De gesprekken tussen actiegroepen en de over-
heid onder begeleiding van de overkappingsintendant
gaan op dat moment een versnelling hoger.
Alle overheidsniveaus zijn betrokken. Het lokale ni-
veau, tot nog toe vooral de stad Antwerpen en de ge-
meente Zwijndrecht, geven advies over vergunningen.
Ze zijn ook zelf vergunningverlener voor heel wat wer-
ken in de marge van het grote Oosterweelproject. Hoe-
wel Vlaanderen formeel een vergunning kan leveren
tegen de wens van de stad Antwerpen in, is dat in de
praktijk bijna ondenkbaar en zelfs onwerkbaar. Op pro-
vinciaal niveau hebben vooral de provinciegouverneurs
een rol opgenomen. Gouverneur Camille Paulus wierp
zich op als de peter van het Oosterweelproject. Gouver-
neur Cathy Berx stelde zich meer als bemiddelaar op.
Snelwegen zijn een regionale bevoegdheid. Daarom is
de Vlaamse overheid hoofdverantwoordelijke van het
project. De Vlaamse overheid is echter een huis met
vele kamers. De Administratie Wegen en Verkeer, de
milieuadministratie, de MER-cel, de begrotingsadmi-
nistratie, de BAM; allemaal kregen ze een deel van de
Oosterweelkoek op hun bord. De federale overheid komt

1995 2000 2003
2005 2007 2008 2009 2010
2014 2016
2017
Start besluitvorming
Presentatie Ooster weelmaquette
Straten-Generaal actiegroep
Horvath-studie wordt gedaan
Resultaten nieuwe
Project Milieu Eec t
Rapportage (MER)
Ringland actiegroep
Politiek akkoord
Oosterweelverbinding
op Vlaams niveau in
Masterplan voor de
Antwerpse mobiliteit
Resultaten Project
Milieu Eect Rap-
portage (MER)
Aanstelling Alexander
D’Hoog he als overkap-
pingsintenda nt
Resultaten
Arup/Sum-studie
Antwerpse volks-
raadpleging
Oprichting Beheers-
maatschappij Antwer-
pen Mobiel (BAM)
Ademloos actiegroep
Arup/Sum consorti-
um vergelijkt tracés
Histor isch akkoord
tussen actiegroepen en
Vlaamse overheid
Politiek akkoord
Oosterweelverbinding:
Lange Wapper viaduct
wordt gesc hrapt, maa r
Oosterweeltracé blijft
Een project in de luwte
(199 5-2005)
Van maquette tot
schrappen Lange
Wapper (2005-2010)
De Ringland-tango en
het historisc h akkoord
(2014-2017)

vooral in beeld als het over de begroting van Oosterweel
gaat. Als Vlaanderen de Oosterweel met schulden finan-
ciert, dan gaat de Belgische overheidsschuld omhoog.
En dat ziet Europa dan weer niet graag. En zo komen we
bij de rol van Europa. De impact van Europa gaat veel
verder dan de begrotingsdiscipline. Europa vraagt dat
milieueecten worden berekend, dat aanbestedingspro-
cedures correct verlopen en dat tunnels op het Europese
snelwegennet homogeen gebouwd worden. Oosterweel
is een dossier dat door bevoegdheidsverdelingen snijdt
als een mes door boter.
De politieke partijen hebben in dit dossier geen recht-
lijnig parcours gelopen. CD&V en Open Vld zijn voor-
standers van het eerste uur. Sinds de verkiezingen van
 steunt Open Vld de Oosterweelverbinding echter
met hele lange tanden. Bij CD&V brandt het vuur ook
wat minder fel na het vertrek van Kris Peeters uit de
Vlaamse regering. N-VA heeft het dossier na de ver-
kiezingen van  dan weer geadopteerd. Sindsdien
zijn het vooral N-VAers die voor de BAM en de Ooster-
weelverbinding opkomen: minister van Mobiliteit Ben
Weyts, burgemeester Bart De Wever en schepen Koen
Kennis. Sp.a reed de Oosterweelrit lang met de handrem
op. Vooral de Antwerpse sp.a is altijd kritisch geweest en
zette de Vlaamse sp.a onder druk. Soms heeft de partij
vooral de politieke compromissen rond Oosterweel ver-
dedigd; ook tegen de actiegroepen in. In andere periodes
heeft de partij mee oppositie gevoerd en de actiegroepen
een handje geholpen. Groen, pvda en Vlaams Belang zijn
altijd kritisch geweest. Toen Groen begin jaren  in
de Vlaamse regering zat, bleef de kritiek binnens kamers.
We kunnen concluderen dat alle partijen met bestuurs-

verantwoordelijkheid hun positie ooit hebben bijge-
steld. Dit politiek bochtenwerk wordt vaak afgedaan
als negatief. Dat is onterecht. In een dossier dat  jaar
aansleept; een dossier dat twee generaties politici heeft
overleefd, zou het eerder moeten verbazen als politieke
partijen niet van standpunt veranderen.
In Vlaanderen leeft soms het idee dat we niets meer
kunnen bouwen. Dat alle grote dossiers vastlopen in een
moeras van procedures. Dat er altijd wel een actiecomité
zal zijn dat de boel blokkeert. Uplace, het Eurostadium
op de Heizel en Oosterweel worden dan in één adem
genoemd. Ook het Saeftinghedok in de Antwerpse ha-
ven en de ontruiming van het dorpje Doel blijft voor
controverse zorgen. En toch wordt er gebouwd in Vlaan-
deren. Er zijn  brownfieldconvenanten, overeenkomsten
tussen overheid en privé om oude industriegronden te
saneren, getekend door de Vlaamse regering.

Voorlopig
is alleen Uplace verzand en (langzamerhand) afgevoerd.
De laatste jaren werd er ook heel wat spoorinfrastruc-
tuur gebouwd. Infrabel bouwde de Diaboloverbinding
naar de luchthaven en de Lieenshoek-spoortunnel in
de Antwerpse haven. De stationsomgevingen van Ant-
werpen, Gent, Leuven en Mechelen werden en worden
grondig aangepakt. De Vlaamse overheid bouwde de
A-snelweg in West-Vlaanderen en een Noord-zuid-
verbinding in de Antwerpse Kempen. In Limburg werd
 hectare natuurgebied beschermd in het Nationaal
Park Hoge Kempen.
Waarom lopen sommige dossiers vast en heel wat an-
dere niet? In dit boek gaan we aan de hand van Ooster-
weel op zoek naar de oorzaken van een steeds dieper
beleidsconflict. De hoofdstukken  tot en met  buigen

zich over de vraag hoe we kunnen begrijpen dat het
conflict over de Oosterweelverbinding in de loop van
de jaren steeds maar groeide. Het is belangrijk om hier
meer over te weten omdat de geschiedenis van Ooster-
weel aantoont dat weerstand serieus genomen moet
worden. Het negeren van weerstand werkt niet (meer).
In het Oosterweeldossier groeide het verzet juist omdat
kritische stemmen zich niet gehoord voelden. Niet al-
leen werkt het niet om kritiek te negeren; Oosterweel
toont bovendien aan hoe waardevol conflict kan zijn. In
plaats van een stadssnelweg ligt er nu een mobiliteits-
én overkappingsplan voor. Door weerstand een plaats te
geven in beleidsprocessen wordt het beleid gewoonweg
beter. De lessen die we uit Oosterweel kunnen trekken
voor toekomstig beleid staan centraal in de hoofdstuk-
ken  en .

2. De strijd om inhoud
Een vicieuze cirkel van
bewijsvoering en verbeelding
(…) we vinden het wel absoluut noodzakelijk dat het Antwerp-
se verkeersinfarct snel wordt aangepakt. Nog eens vier jaar st u-
deren betekent dat het infarct escaleert tot een hartstilstand,
en zoals bekend kan dat redelijk fatale gevolgen hebben.29
Oosterweel als medicijn voor een naderend verkeers-
infarct. Aldus het redactioneel commentaar van de Gazet
van Antwerpen op maart , vlak na de bekendma-
king van de resultaten van de Arup/Sum-studie. In de-
zelfde krant spreekt een lezer via een ingezonden brief
als volgt:
Sinds kort is roken in scholen verboden, en terecht. Zelfs mij-
lenver van leerlingen verwijderd mag er geen sigaret meer op-
gestoken worden. Tegelijk plant men zonder scrupules een vi-
aduct boven de hoofden van woonwijken, kinderdagverblijven
en scholen. Meeroken doodt tweeduizend Belgen per jaar. Fijn
stof van dieselwagens doodt twaalfduizend mensen per jaar.

Oosterweel als gif vanwege de gevolgen voor de uitstoot
van fijnstof. Toch een heel andere interpretatie dan die
van Oosterweel als medicijn. Antwerps schepen Ludo

Van Campenhout in De Standaard zegt vlak voor de
volksraadpleging:
Deze Oosterweelverbinding snijdt de stad doormidden. Zelfs
de architecten van BAM en het bouwconsortium Noriant ge-
ven toe dat hun plannen desastreuze gevolgen hebben voor
de omgeving van het Sportpaleis. Daar wonen in een straal
van anderhalve kilometer 100.000 mensen, een vijfde van de
Antwerpse bevolking. Dit mogen we Merksem, Deurne en
Borgerhout niet aandoen.
Oosterweel niet als medicijn of als gif, maar als een in-
greep die de stad doormidden snijdt. Het mag duide-
lijk zijn: het publieke debat rond Oosterweel heeft bol
gestaan van het symbolische taalgebruik. Door middel
van die symbolen werd de Oosterweelverbinding op ra-
dicaal andere wijzen verbeeld. Soms werd Oosterweel
voorgesteld als wenselijk en zelfs als noodzakelijk om
een crisis te voorkomen. Terwijl andere symbolen de
Oosterweelverbinding aeelden als onwenselijk en
zelfs gevaarlijk voor de toekomst van Antwerpen en
haar inwoners. Ook staat het debat vol van feitelijke
claims. Duizenden Belgen zouden gedood worden door
fijnstof. . mensen zouden worden afgesneden van
de stad. En dan zijn er nog de vele onderzoeken – van de
Horvath-studie tot de MERs tot Arup/Sum tot medische
studies enzoverder – die niet expliciet in deze quotes
worden benoemd maar het gelijk van verschillende par-
tijen feitelijk zouden onderbouwen.
Dat het Oosterweeldossier vol staat van symbolen en
bewijsstukken mag geen verassing heten: het maken
van beleid is zowel een oefening in de verbeeldings-

kunst als een analytische inspanning gebaseerd op het
vergaren en afwegen van gegevens. Dromen en stude-
ren. Door middel van symbolisch taalgebruik wordt in
beleidsprocessen de verbeelding geactiveerd, bijvoor-
beeld door fileproblemen een ‘verkeersinfarct’ te noe-
men. Maar via de presentatie van bewijs wordt juist de
rol van verbeelding geminimaliseerd. Het credo luidt
dan vaak: ons beleid is bewezen het beste.
In onze maatschappij zijn we gewend om feitelijke
claims op een voetstuk te plaatsen. Als partijen ver-
wikkeld zijn in een diepe onenigheid is de reflex vaak
om terug te grijpen naar studies: naar datgene wat on-
omwonden vast staat en daarmee niet het onderwerp
van debat kan zijn. We moeten weg van speculatie, luidt
het dan vaak, en terug naar wat we weten. Weg van de
emotionaliteit en terug naar de rationaliteit. Dat klinkt
logisch. Maar het eisen van meer bewijs is niet altijd de
oplossing voor onenigheid. Sterker nog: een te eenzijdige
nadruk op bewijsvergaring kan er juist voor zorgen dat
beleidsposities verder uit elkaar groeien.
In het Oosterweeldossier werd de vergaring van be-
wijs en de interpretatie van dat bewijs gestuurd door
de metaforen en andere symbolen waarmee Oosterweel
verbeeld werd. En het bewijs dat gegenereerd werd, ver-
sterkte dan weer de bestaande verbeeldingen. Zij die al
dachten dat de Oosterweelverbinding hoognodig was,
raakten daarvan alleen nog maar meer overtuigd. Ter-
wijl Oosterweelcritici juist steeds meer gevaar zagen in
het bouwen van de Oosterweelverbinding naarmate er
meer onderzoek gebeurde. Onderzoek bracht daarmee
geen einde aan onenigheid, maar werd zelf inzet van
strijd. En droeg er juist aan bij dat de posities van voor-

en tegenstanders steeds verder van elkaar verwijderd
raakten. Dit hoofdstuk beschrijft hoe meer bewijs de
strijd om beleid kan verergeren in plaats van beëindi-
gen.
Symbolen en bewijsstukken in de discussie over
Oosterweel
Op welke manieren werd de Oosterweelverbinding
verbeeld? En hoe verhield onderzoek zich tot die ver-
beeldingen van Oosterweel? Voordat we ingaan op hoe
bewijs het conflict verergerde, bespreken we eerst de be-
langrijkste symbolen en de belangrijkste bewijsstukken
die zijn opgevoerd in het Oosterweeldebat. We zoomen
in op drie piekmomenten in het Oosterweeldebat, na-
melijk: ,  en .
De schaalmodellen worden gepresenteerd (2005):
ziekten, littekens en expertise
In  wordt het schaalmodel van de Oosterweelverbin-
ding gepresenteerd en bestelt de stad Antwerpen aan-
vullend onderzoek bij Horvath naar de mogelijkheden
om een tunnel te bouwen in plaats van het Lange Wap-
perviaduct. Ook mengt in  Straten-Generaal zich
in het Oosterweeldebat. De actiegroep presenteert een
alternatief tracé dat verder weg ligt van de stadskern.
Oosterweel gesymboliseerd
Oosterweel als medicijn. Een bijzonder hardnekkige me-
tafoor in het publieke debat van  is die van het ‘ver-

keersinfarct’, waaraan België zou lijden en waarvoor de
Oosterweelverbinding de oplossing zou zijn. De medi-
sche metafoor voor fileproblemen stelt België voor als
een organische entiteit met een ziek ‘hart’ (Antwerpen).
Het belang van de haven van Antwerpen voor de Bel-
gische economie, met haar . directe en indirecte
banen, hoort bij dit beeld. In overeenstemming met de
verbeelding van Oosterweel als medicijn voor een ziek
België, reageert de gouverneur van Antwerpen als volgt
op de bestelling van de Horvath-studie:
Dat zet het hele Masterplan om een verkeersinfarct te ge-
nezen op de helling. Dit is een historische kans voor Antwer-
pen, maar iedereen begint ineens zijn gal te spuwen.
De quote illustreert hoe de metafoor van een ver-
keersinfarct een dreigende toekomst schetst. Zo wordt
de urgentie van Oosterweel benadrukt. Terwijl moge-
lijke vertraging, die een historische kans zou kunnen
blokkeren, onmiddellijk rampzalig wordt.
Oosterweel als schadelijke ingreep voor Antwerpen. Een
tweede belangrijke metafoor in de publieke discussie
van  is die van het zogenaamde ‘stedelijk weef-
sel’. Oosterweel wordt verbeeld als een ‘litteken’ voor
de stad, omdat de snelweg het stedelijk weefsel in de-
len zou snijden waardoor de stedelijke ontwikkelingen
van afgesneden stadsdelen bekneld zouden raken. Deze
verbeelding van Oosterweel als schadelijke ingreep voor
de stad is voor het eerst terug te vinden ten tijde van
de Horvath-studie, maar wordt later hergebruikt door
Straten-Generaal. Straten-Generaal overgiet de meta-
foor bovendien met een historisch sausje. De gemeen-
telijke beslissing om door te gaan met Oosterweel na de
Horvath-studie, wordt geplaatst in een rijtje van ande-

re rampzalige stedelijke beslissingen. Manu Claeys van
Straten-Generaal steekt van wal in een opinieartikel:
Op het einde van de negentiende eeuw werden de Antwerpse
Scheldekaaien rechtgetrokken om de havenambities veilig te
stellen. Meer dan duizend woonpanden werden platgegooid.
Korte tijd later verhuisde de haven definitief naar het noor-
den van de stad. Maar het middeleeuwse hart van Antwer-
pen was verdwenen. Eenzelfde gebrek aan visie kenmerkt het
voorziene Oosterweelviaduct.
De quote verbeeldt Antwerpen als een diep historische,
in plaats van een ‘zieke’, plek. Zo onderstreept Stra-
ten-Generaal de gevolgen van ruimtelijke ingrepen in
het heden op het Antwerpen van de toekomst. Ooster-
weel zou de stad blijvend kunnen beschadigen.
Oosterweel ge(dis)kwalificeerd
Kennisvoorsprong als kwalificatie. Vanaf het begin van de
Oosterweeldiscussie beweren overheidsspelers die de
noodzaak van Oosterweel bepleiten dat hun voorstel-
len rationeler zijn dan die van actievoerders. Hun voor-
stel kan tenslotte steunen op vele jaren onderzoek. De
volgende quote van Nick Orbaen, de woordvoerder van
BAM, is illustratief:
(de route voorgesteld door Straten-Generaal) is al lang on-
derzocht en verworpen. Men vergeet soms dat heel dit ver-
haal al zeven à acht jaar bezig is.
Behalve verschillende symbolische verbeeldingen van
Oosterweel, bepaalt dus de veronderstelde kennisvoor-

sprong van de overheid vanaf het begin de contouren
van de Oosterweeldiscussie.
De studie van Arup/Sum en de volksraadpleging (2009):
de groeiende bewijslast voor en tegen Oosterweel
In  worden de resultaten van de Arup/Sum-studie
gepubliceerd en is er de opmaat en de afloop van de ge-
meentelijke volksraadpleging over de Oosterweelverbin-
ding. Bovendien schuift de actiegroep Ademloos aan als
belangrijke speler in het publieke debat.
Oosterweel gesymboliseerd
Oosterweel en de race tegen de klok. Arup/Sum wijst zowel
de Oosterweelverbinding als het tracé van actiegroepen
af. In de plaats daarvan wordt een nieuw tracé voorge-
steld. Maar voor zo’n nieuw tracé zou het volgens spe-
lers uit de Vlaamse overheid en de BAM inmiddels te
laat zijn. Andere tracés hebben volgens hen extra stu-
diewerk nodig en moeten opnieuw allerlei procedures
doorlopen die Oosterweel allang doorlopen heeft. Met
het verlies van kostbare tijd als resultaat. En dat terwijl
de noodzaak van een snelle mobiliteitsoplossing ook
door de Arup/Sum-studie wordt onderstreept. Er is dus
te weinig tijd voor iets anders dan Oosterweel. De ver-
beelding van tijdstekort in de besluitvormingsprocedure
wordt nog eens extra aangezet door te stellen dat ook de
economische crisis in België bestreden kan worden door
snelle investeringen in infrastructuur. Juist nu moet de
Oosterweelverbinding er komen.
Verzet als stilstand. Bovendien wordt de legitimiteit
van de Antwerpse volksraadpleging aangevochten

omdat de Oosterweelverbinding geen gemeentelijke,
maar een Vlaamse beleidskwestie zou zijn. Dat gebeurt
voornamelijk door politici uit de Vlaamse regering en
door enkele journalisten en partijleden van referen-
dum-kritische partijen. Het organiseren van de volks-
raadpleging wordt verbeeld als Antwerps egoïsme dat
uiteindelijk zou kunnen leiden tot ‘stilstand’ op regi-
onaal en nationaal niveau. Antwerpen zou namelijk
slechts aan de eigen achtertuin denken en niet aan
het grotere belang van mobiliteit voor Vlaanderen. Het
opvolgen van deze volksraadpleging zou daarmee een
precedent zetten voor steden in heel Vlaanderen om
noodzakelijke projecten, zoals rond vliegvelduitbrei-
ding en asielzoekerscentra, te blokkeren wanneer hen
dat goed uitkomt.
Oosterweel als giftig voor Antwerpenaren. In  ver-
zetten actievoerders zich niet langer alleen tegen de
Oosterweelverbinding vanwege de ruimtelijke eecten.
Ze verzetten zich nu ook tegen de vermeende eecten
van de Oosterweelverbinding op de gezondheid van de
Antwerpse inwoners. Auto’s worden verbeeld als giftig
– dodelijk zelfs – voor zij die in de directe omgeving van
de Oosterweelverbinding wonen, vanwege de fijnstof-
deeltjes in de uitlaatgassen van auto’s. Er wordt gerefe-
reerd aan het industriële verleden van de stad. Beleids-
makers kunnen nu wel beweren dat het best meevalt
met de schadelijkheid van fijnstof, maar in het verleden
zijn Antwerpse inwoners ook blootgesteld geweest aan
stoen die indertijd onschuldig werden geacht, maar die
later veroorzaker bleken van ernstige ziekten. Aan het
woord een actievoerder die wordt geïnterviewd in een
nieuwsartikel:

Ik woon in Hoboken. Ik herinner me nog dat ik als leraar
30 jaar geleden met mijn leerlingen naar de zee ging. Een
week, als kuur. Omdat hun longen allemaal vergiftigd waren
door de Metallurgie (het vroegere Union Minière, JV), de fa-
briek die vlak bij een dichtbevolkte woonwijk stond en daar
trouwens nog altijd staat. De Lange Wapper roept pijnlijke
herinneringen op, ik zie heel duidelijke parallellen. Geen lood
deze keer, wel fijn stof.
Onderzoek als schaamlap voor onbehoorlijk bestuur. Tot slot
maken actievoerders zich niet alleen kwaad over infra-
structuurbeslissingen, maar ook over de wijze waarop de
overheid voortdurend een fundamentele discussie over
de Oosterweelverbinding zou mijden. De feitelijke claims
die overheidsspelers hebben gemaakt in het publieke de-
bat, inclusief de onderzoeken die zijn uitgevoerd, worden
verbeeld als een ‘schaamlap’ om de ware bestuurlijke in-
tenties mee te maskeren. Die intenties zouden zijn om
Oosterweel het koste wat het kost door te drukken. Om
met de woorden van Wim van Hees te spreken:
Drie jaar geleden heeft het Antwerpse stadsbestuur een extra
studie laten uitvoeren naar het zogenaamde Horvath-tracé,
met een tunnel in plaats van een brug. Die studie was amper
dertig bladzijden dik, zonder ook maar één kaartje. Ze was
geheel op maat van de BAM geschreven. Een waardeloos
werkstuk. Toch heeft Antwerpen dat vodje jarenlang als
schaamlap gebruikt om niéts te moeten doen aan de Oos-
terweelverbinding.
Dat er een onaankelijk onderzoek is uitgezet in de
vorm van de Arup/Sum-studie, maar dat overheidsspe-

lers toch verder willen met Oosterweel, zou temeer be-
wijzen dat andere oplossingen dan de Oosterweelver-
binding geen kans maken.
Oosterweel ge(dis)kwalificeerd
De onredelijke ander. Nog meer dan in het publieke debat
van  speelt in het debat van  de aanvoer van
bewijs om het eigen gelijk te behalen een belangrijke rol.
Ondertussen is er dan ook veel meer bewijs verzameld
door de verschillende partijen. Zowel voor- als tegen
-
standers van de Oosterweelverbinding beweren dat hun
positie de enige rationele positie is en dat dit in con-
trast staat met de emotionaliteit van de andere partij.
Emotionaliteit wordt een beschuldiging die men inzet
om de partijen met een andere mening over Oosterweel
in een slecht daglicht te plaatsen. De volgende quote
van BAM-bestuurder Wivina Demeester-De Meyer il-
lustreert de wijze waarop de tegenstander beschuldigd
wordt van het inspelen op, en het misbruik maken van,
emoties:
In den beginne ging het om het fijn stof, dan om het ge-
luid, dan om de woonwijken en de scholen, dan over het
knooppunt rond ’t Schijnpoort, en tot slot gaat het over het
feit dat de ring te dicht rond de stad ligt… of hoe misbruik
is gemaakt van de angstgevoelens van de Antwerpenaar.
In  worden dan ook verschillende bewijsstukken
gemobiliseerd die dienen om de eigen beelden van de
Oosterweelverbinding te ondersteunen en die van an-
dere partijen legitimiteit te ontnemen. Een belangrij-
ke categorie bewijsstukken gaat over de schadelijkheid

van fijnstofdeeltjes en de hoeveelheid ziekten en do-
den die ze zouden veroorzaken. Cijfers hierover worden
eerst naar voren geschoven door actievoerders en la-
ter publiek bevestigd door verschillende medische ex-
perts. Ondertussen spreekt een andere groep experts
zich uit vóór de Oosterweelverbinding, en tegen het
Arup/Sum-tracé met tunnels, omdat tunnels de vei-
ligheidstoets niet zouden doorstaan. Een argument dat
vervolgens gebruikt wordt door voorstanders van de
Oosterweelverbinding om de onwenselijkheid van het
Arup/Sum-voorstel te onderstrepen. Tot slot spelen in
 cijfers een belangrijke rol bij het bewijzen van
het eigen gelijk. Het meest curieuze voorbeeld is de
discussie die losbarst na de volksraadpleging. Terwijl
de tegenstanders van de Oosterweelverbinding de uit-
slag interpreteren als een duidelijke ‘nee-stem’ van de
Antwerpse bevolking, is niet iedereen het met die op-
vatting eens. In een interview vlak na de volksraadple-
ging redeneert Karel Vinck als voorzitter van de BAM
als volgt:
De alternatieven zijn geen alternatieven. Dat vertellen we nu
al maandenlang. Trouwens, 40procent heeft ja gezegd. Dat
betekent toch iets. Er is ook een draagvlak voor ons project.
Het gaat om een verschil van dik twintigduizend mensen, in
een stad van een half miljoen inwoners.
Zelfs objectieve cijfers kunnen in het publieke debat van
 dus op zeer verschillende manieren worden gemo-
biliseerd.

Het Valentijnsakkoord van de Vlaamse
regeringspartijen (2014): samen verbeelden?
In  heeft de inmiddels gewijzigde Oosterweelver-
binding (met een tunnel in de plaats van de Lange Wap-
per) een nieuwe Plan-MER-procedure doorlopen en zijn
de Vlaamse verkiezingen in aantocht. In de aanloop naar
die verkiezingen verschijnt bovendien de actiegroep
Ringland ten tonele met het voorstel om helemaal geen
nieuwe infrastructuur aan te leggen, maar in plaats
daarvan de bestaande ring te overkappen.
Oosterweel gesymboliseerd
Oosterweel als daadkracht. Als uit het Plan-MER blijkt dat
Oosterweel van alle tracés het beste scoort op mobiliteit,
verwelkomen verscheidene media-artikelen het lang-
verwachte einde van een discussie die ze inmiddels moe
zijn. Dat sentiment wordt ook weerspiegeld in de dui-
ding van de Oosterweelverbinding als Plan-MER-win-
naar door de Vlaamse regering en de toevoeging daaraan
dat het nu tijd is om met volle kracht ‘vooruit’ te gaan.
De langdurigheid van de discussie zelf, meer dan het
vooruitzicht op een verkeersinfarct of tijdstekort, wordt
voorgesteld als reden om vaart te maken in de plan-
ningsprocedure. Na jaren en jaren van studie en overleg
moeten nu eindelijk ‘knopen worden doorgehakt’. De
tegenstanders van Oosterweel worden dan ook letterlijk
verzocht hun verzet te staken in het publieke belang.
Bestuurlijke schijnbewegingen. In  werd het sym-
bool van onderzoek als schaamlap gebruikt om de over-
heid te verbeelden als bedrieglijk. Dat beeld van de over-
heid als bedrieglijk wordt in  opnieuw opgeroepen.

De bestuurlijke wijzigingen aan de Oosterweelverbin-
ding, zoals het schrappen van de Lange Wapper, worden
verbeeld als niet meer dan ‘brood voor de hongerige’: mi
-
nimale en misleidende concessies om de publieke weer-
stand tegen Oosterweel te breken. Die dubbele agenda
zou ook ten grondslag liggen aan de overheidssteun voor
Ringland. Volgens actiegroepen doet de overheid wel
alsof ze geïnteresseerd is in het overkappen van de ring,
maar is ze eigenlijk slechts geïnteresseerd in het mee-
liften op Ringland’s populariteit in de aanloop naar de
verkiezingen. Een schijnbeweging dus, om de overkap-
ping na herverkiezing te lozen en het Oosterweelproject
ongewijzigd uit te voeren.
Overkapping als sanering. Ondanks het wantrouwen
van actiegroepen tegenover bestuurlijke intenties, en
het bestuurlijke wantrouwen tegenover de intenties van
actievoerders, delen zowel voor- als tegenstanders van
Oosterweel in  de wens om de Antwerpse ring te
overkappen. De metafoor van sanering, wat zoveel bete-
kent als het schoonhouden van plaatsen door viezigheid
te verwijderen, verbeeldt wat de overkapping betekent
voor beide partijen. Door de ring te overkappen zouden
auto’s uit het directe zicht kunnen verdwijnen, waardoor
de infrastructuur als het ware gezuiverd zou worden en
niet langer alleen auto’s maar ook de Antwerpse inwo-
ners zou dienen.
Oosterweel ge(dis)kwalificeerd
Het Plan-MER als bewijs voor verschillende posities. We heb-
ben al gezien dat overheidsspelers het in het Plan-MER
bewezen achten dat de Oosterweelverbinding het beste
tracé is. Wat volgens hen tot gevolg moet hebben dat er

nu eindelijk vaart wordt gemaakt met de planningspro-
cedure. Deze argumentatie wordt verder kracht bijge-
zet met een kosten-batenanalyse die de kwantitatieve
winst opsomt die de Oosterweelverbinding de Belgi-
sche economie zou brengen. De reactie van Oosterweel-
tegenstanders hinkt op twee poten. Allereerst wordt de
manier waarop andere tracés dan Oosterweel zijn be-
handeld in het Plan-MER publiekelijk aangevochten. De
mobiliteitseecten van verschillende typen tolhen-
gen, bijvoorbeeld, zouden veel uitgebreider zijn doorge-
rekend voor de Oosterweelverbinding dan voor andere
tracés. Zou dit mankement worden rechtgetrokken, dan
zouden andere tracés veel beter hebben gescoord op het
thema mobiliteit. Ten tweede stellen actievoerders dat
zelfs met deze gebreken, andere tracés beter blijken te
scoren dan de Oosterweelverbinding als er breder wordt
gekeken dan louter het thema mobiliteit. Er worden ver
-
schillende cijfers uit het Plan-MER gemobiliseerd om dit
punt aan te tonen. Illustratief is bijvoorbeeld de volgen-
de redenering:
Voor wie het wil zien stelt het milieueectenrapport de keuze
op scherp: gaan we voor een aantal minuten tijdwinst voor
het verkeer of voor een betere gezondheid van 70.000 mensen
in zeven stadsdelen?
Overkapping als verbetering of overkapping als alternatief.
Het voorstel van Ringland om de Antwerpse ring te
overkappen kan in  rekenen op de steun van zowel
voorstanders als tegenstanders van de Oosterweelver-
binding. Tegelijkertijd houden verschillende spelers er
echter andere opvattingen op na over wat precies met een

overkapping bedoeld wordt. Straten-Generaal, Ademloos
en politici uit oppositiepartijen stellen de overkapping
voor als een alternatief op de Oosterweelverbinding en
beweren niet alleen dat het combineren van beide on-
logisch is, maar ook dat dat technisch onmogelijk zou
zijn. Daarentegen beweren ambtelijke spelers en politici
uit Vlaamse coalitiepartijen juist dat een combinatie wel
degelijk mogelijk is – en wenselijk bovendien. Elk van
deze spelersconstellaties presenteert bewijs dat de eigen
opvatting onderbouwt. Dat bewijs bestaat uit specifie-
ke Plan-MER-fragmenten en uit eerder onderzoek naar
de mogelijkheden om delen van de Antwerpse ring te
overkappen. Deze situatie leidt tot veel verwarring in
de mediaberichtgeving rondom de overkapping en tot
wederzijdse beschuldigingen van liegen tussen voor- en
tegenstanders van de Oosterweelverbinding.
Het plannen van de toekomst tussen
verbeelding en bewijs
In de loop der tijd gingen zowel voor- als tegenstanders
van de Oosterweelverbinding hun eigen positie in het
debat voorstellen als de enige rationele positie, en zij die
er anders over dachten als leugenaars. Wetenschappelijk
onderzoek leert ons dat alhoewel symbolen en bewijs-
voering beide een plek hebben in het beleidsproces, de
bewijsvoering over het algemeen in de kijker wordt gezet
terwijl de symbolische kant wordt gemaskeerd. Ook in
Oosterweel werd bewijs steeds meer een wapen om de
rationaliteit van de eigen plannen aan te tonen en van
de andere plannen te ontkrachten.

Hoe we Oosterweel gingen verlangen en vrezen
‘Wat we niet kunnen verbeelden, kunnen we ook niet
verlangen’, merkte de politieke wetenschapper Joseph
Gusfield al op in . Het maken van beleid, zo was zijn
punt, is ook een oefening in het verbeelden van een toe-
komst. En in het aantrekkelijk maken van die verbeel-
ding, zodat ook andere mensen die toekomst gaan ver-
langen. Beleid is dus altijd het resultaat van een creatief
proces waarin verbeeldingen van hoe de wereld beter
zou kunnen, gezaghebbend worden. Dat betekent ook
dat beleid nooit vanzelfsprekend is. Al lijkt dat voor ons
misschien wel zo. Het is niet vanzelfsprekend, bijvoor-
beeld, dat het straaar is om onder invloed van alcohol
een auto te besturen. Voorafgaand aan dat beleid moest
eerst van het fenomeen rijden onder invloed een publiek
probleem gemaakt worden. Om vervolgens de bestuur-
der tot de hoofdverantwoordelijke voor dit probleem te
maken, in plaats van bijvoorbeeld de vrije verkoop van
alcohol.
Taal speelt een belangrijke rol in het activeren van
verbeelding en in het ons doen verlangen naar een
andere toekomst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het werk
van de politieke wetenschapper Murray Edelman. Van
hem zijn de woorden dat politieke taal ‘zowel angst kan
oproepen als kan geruststellen’ via de beelden die het
schetst van publieke problemen en de oplossingen voor
die problemen.

Politici kunnen via symbolisch taal-
gebruik hun bevolking tot zorg manen, om vervolgens
steun te verkrijgen voor het eigen beleid dat dient om
juist die zorgen weg te nemen. Door bijvoorbeeld immi-
gratie te omschrijven als ‘golven’ die landen ‘overspoe-

len’ wordt immigratie een dreiging waaraan iets moet
worden gedaan. Terwijl immigratie niet noodzakelij-
kerwijs een dreiging hoeft te zijn. Taal bepaalt daarmee
voor een groot deel welke toekomst (niet) gewenst wordt
door de bevolking. Het maakt van empirische fenome-
nen publieke problemen: vluchtelingen worden opeens
dreigende ‘golven; immigratie wordt een ‘vluchtelin-
gentsunami’. Het beleidsantwoord is om een ‘dam op
te werpen’ door de grenzen te bewaken. Metaforen zijn
richtingaanwijzers voor beleid.
Ook in het debat over de Oosterweelverbinding speel-
de de verbeeldingskunst een belangrijke rol. Symbolen
zoals een verkeersinfarct, het stedelijk weefsel, en on-
derzoek als schaamlap zijn niet direct observeerbaar
maar werken in op onze verbeelding. Het symbool van
een verkeersinfarct sprak duidelijk gevoelens van angst
aan. Namelijk via het beeld van naderend onheil dat
werd geschetst. Zo kon de Oosterweelverbinding als een
logische en zelfs noodzakelijke ingreep worden gepre-
senteerd. Dat gold in omgekeerde vorm voor de beelden
van Oosterweel als litteken en als gif. Aan de symbolen
die Oosterweel presenteerden als noodzakelijk of juist
als gevaarlijk werden symbolen toegevoegd die niet gin-
gen over infrastructuur maar over hoe beleid tot stand
zou moeten komen. Symbolen zoals die van onderzoek
als schaamlap en van weerstand als stilstand, presen-
teerden de gang van zaken in het besluitvormingstraject
zelf als onrechtvaardig. De Vlaamse bevolking werd dus
tot angst gemaand voor een toekomst zonder Oosterweel
(met verkeersinfarct) of met Oosterweel (en haar scha-
delijke eecten), maar werd tegelijkertijd tot boosheid
gemaand over de gang van zaken in het beleidsproces

(dat ofwel geblokkeerd zou worden door actievoerders
ofwel bol zou staan van bestuurlijk bedrog).
Hoe bewijs een wapen werd
Hoewel het maken van beleid in grote mate een ver-
beeldingsoefening is, lijkt het vaak alsof verbeelding
geen enkele rol speelt.

Beleidsmakers benadrukken
liefst vooral het onderzoek dat gedaan is. Zo wordt te-
genwoordig vaak beweerd door beleidsmakers dat hun
beleid ‘evidence-based’ is. Natuurlijk is er op zichzelf
niks mis met de wens om ‘evidence-based’ te werken.
Integendeel: het onderzoeken van beleid alvorens over
te gaan tot implementatie is nodig om beleid te optima-
liseren. Bewijs wordt echter vaak als neutraal gepresen-
teerd, terwijl ook elk onderzoek plaatsvindt binnen een
bepaald denkkader. Onderzoek dat zich vooral richt op
fileprognoses zal een ander beeld schetsen van nieuwe
infrastructuur dan onderzoek dat zich vooral richt op de
gezondheidseecten van snelwegen.
Door beleid te presenteren als neutraal, want geba-
seerd op bewijs, wordt het aandeel van verbeelding in
het maken van beleid geminimaliseerd. Dat kan dan
weer in de hand werken dat kritiek op het als neutraal
gepresenteerde beleid wordt weggewuifd: bijvoorbeeld
wanneer beleidsmakers zichzelf presenteren als ratio-
nele denkers die in tegenstelling staan tot emotionele
NIMBY-burgers (Not In My Backyard).

Het NIMBY-
labelsuggereert dat burgers zich slechts verzetten tegen
beleid omdat ze het niet in hun eigen achtertuin willen.
Daarmee wordt dus het beeld geschetst van egoïstische
en emotionele burgers met onredelijke beleidswensen

vis-à-vis rationele beleidsmakers die vanuit een neutra-
le positie het beste beleid maken. De presentatie van
bewijs kan de onvermijdelijke rol van verbeelding in het
maken van beleid maskeren en daarmee het eigen be-
leid positioneren als rationeler, en bij uitbreiding: beter,
dan de beleidsvoorstellen van anderen.
Het is duidelijk geworden dat in hetzelfde debat over
de Oosterweelverbinding dat zo bol stond van symbo-
len, de rol van verbeelding alleen werd erkend in de
vorm van beschuldiging richting de tegenstander. De
tegenstander, zo was het argument, was emotioneel en
gebruikte verbeelding terwijl de eigen positie werd voor-
gesteld als rationeel en het gevolg van neutrale overwe-
gingen. Maar niet alleen de overheid beweerde neutraal
te zijn; alle partijen presenteerden een scala aan feiten
waarmee ze hun eigen positie konden onderbouwen en
zichzelf tegelijk konden verheen in expertise boven de
anderen. Zo konden partijen zich de waarheid toe-ei-
genen en daarmee het verhaal van tegenstanders, dat
emotioneel zou zijn in plaats van rationeel, afschilderen
als onwaar.
Bewijs als brandstof voor conflict
Naarmate het beleidsproces voor de Oosterweelverbin-
ding vorderde, werden er dus telkens nieuwe symbo-
len en bewijsstukken in het debat geïntroduceerd. Dat
zorgde er overigens niet voor dat oude symbolen en be-
wijsstukken hun betekenis verloren. Het beeld van een
verkeersinfarct verdween bijvoorbeeld nooit uit beeld,
maar vormde het referentiepunt waarop nieuwe ver-

beeldingen (zoals de race tegen de klok en verzet als ver-
oorzaker van stilstand) bouwden. We kunnen spreken
van een steeds rijker wordend repertoire van symbolen
en bewijsstukken. Naarmate dat repertoire groeide, ver-
sterkten verbeelding en bewijs elkaar bovendien. Dat
is de reden dat meer bewijs geen einde maakte aan de
discussie over Oosterweel, maar juist verdere polarisatie
in de hand werkte.
Meer bewijs, meer verdachtmakingen
Nieuw bewijs vormde de voedingsbodem voor nieuwe
verbeeldingen en vice versa. Toen de tegenstanders van
de Oosterweelverbinding het bewezen achtten dat de
Oosterweelverbinding mankementen vertoonde, maar
beleidsmakers toch bleken vast te houden aan de supe-
rioriteit van Oosterweel, werd de toon van de tegenstan-
ders alleen maar vijandiger en hun voornemen om be-
leidsmakers te ontmaskeren als leugenaars alleen maar
sterker. Deze wederzijdse versterking van verbeelding
en bewijs zien we bij zowel voor- als tegenstanders van
de Oosterweelverbinding.
Voorstanders van de Oosterweelverbinding zagen hun
verbeelding van een naderend verkeersinfarct bewezen
in verschillende onderzoeken. Was de situatie al urgent
in , dan groeide die gepercipieerde urgentie alleen
maar naarmate het beleidsproces steeds meer vertra-
ging opliep en een oplossing uitbleef. Dat actiegroepen
zich toch bleven verzetten tegen de komst van de Oos-
terweelverbinding vormde de voedingsbodem voor het
beeld dat de tijd op aan het raken was alsook van het
beeld dat egoïstisch verzet stilstand aan het creëren

was. Toen het Plan-MER uit  schijnbaar bevestigde
wat voorstanders van Oosterweel al voortdurend had-
den beweerd, hielden zij een pleidooi om eindelijk voor-
uit te kunnen in het planningstraject. Een overkapping
kon dienen ter optimalisatie van de bestaande plannen.
Ook in de argumentatie van Oosterweeltegenstan-
ders versterken verbeelding en bewijs elkaar voortdu-
rend. De verbeeldingen van Oosterweel als schadelijk
voor het stedelijk weefsel en als gif konden in de loop
der tijd onderbouwd worden door verschillende bewijs-
stukken. Maar juist dat deze bewijsstukken de beel-
den onderbouwden, verhoogde de verontwaardiging
bij actievoerders toen beleidsmakers toch aan Ooster-
weel vasthielden, wat resulteerde in het onderzoek als
schaamlap en het brood voor de hongerige symbolen.
Het overkappingsvoorstel werd ook door tegenstanders
van de Oosterweelverbinding omarmd, maar daarbij
werd wel beweerd dat een overkapping technisch niet
compatibel was met de Oosterweelverbinding. Juist de
lijnrecht hieraan tegengestelde bewering door Ooster-
weelvoorstanders bevestigde te meer hun bestuurlijke
bedrieglijkheid.
Van andersdenkende naar leugenaar
Als bewijsstukken verbeeldingen onderbouwen, verkrij-
gen deze verbeeldingen legitimiteit. De tegenstanders
van de Oosterweelverbinding werden een stuk serieuzer
genomen toen zij, net als beleidsmakers, bewijs konden
mobiliseren dat hun positie onderbouwde. Maar bewijs-
vergaring kan ook leiden tot nieuwe frustratie tegenover

zij die er ondanks al dat bewijs toch een andere mening
op na houden.
In het Oosterweeldossier zorgde de reflex om telkens
terug te grijpen op bewijsvoering, om het eigen gelijk
aan te tonen in plaats van een open discussie aan te
gaan, ervoor dat de tolerantie voor ambiguïteit steeds
meer afnam. Naarmate actoren schakelden tussen de ei-
gen verbeelding en het eigen bewijs raakten ze namelijk
steeds meer verstrikt in hun eigen visie. En steeds meer
gefrustreerd wanneer wat voor hen glashelder was, ont-
kend werd door de andere partij. Partijen gingen hun
visie steeds meer zien als de enige waarheid. Zo kon
bewijs de discussie over Oosterweel verder polariseren,
in plaats van tot een einde brengen. Die toenemende
polarisering blijkt bijvoorbeeld uit de reactie van actie-
voerders op het schrappen van de Lange Wapper. Het
Lange Wapperviaduct lag ten grondslag aan het eerste
verzet tegen de Oosterweelverbinding. Toch werd het
schrappen van dat viaduct niet met veel enthousiasme
onthaald. De groeiende verbeelding van Oosterweel als
een negatieve ingreep, onderbouwd met bewijs over de
impact van Oosterweel en de kracht van andere tracés,
droeg eraan bij dat actievoerders een geheel ander tra-
cé gingen eisen. Wat resulteerde in teleurstelling toen
‘slechts’ het viaduct werd geschrapt.
Partijen waren steeds minder bereid om te luisteren
naar de mobiliteitsoplossing van anderen. Elke partij
verzamelde een alsmaar groeiend arsenaal aan bewijs
dat aantoonde dat de andere partijen niet een andere vi-
sie op beleid hadden, maar dat ze aan het liegen waren.

Conclusie: de boemerang van het staan op één
waarheid
Als partijen het oneens zijn, is het verleidelijk om on-
derzoek in te schakelen als de arbiter van conflict. Het
Oosterweeldossier laat zien dat bewijs op zich conflicten
niet oplost. Bewijs is niet zaligmakend. Dat is logisch,
omdat feiten niet in een vacuüm geproduceerd worden
en ze ook niet in een vacuüm worden geïnterpreteerd.
In complexe dossiers zoals Oosterweel is er niet één
waarheid. Maar wanneer alleen feitelijke claims wor-
den geaccepteerd, werkt dat de reflex in de hand om
steeds meer feiten te verzamelen die jouw waarheid be-
vestigen. Niet alleen worden conflicten zo niet opgelost,
maar ze kunnen juist erger worden. Het arsenaal aan
bewijs dat elke partij om zich heen verzamelt, zorgt er
namelijk ook voor dat de twijfel over de eigen oplossing
vermindert en dat partijen steeds minder bereid zijn te
luisteren naar zij die een andere oplossing voorstellen.
Die andere oplossingen worden leugens in het licht van
al het bewijs dat de eigen oplossing ondersteunt.
Beleidsmakers presenteerden Oosterweel als een op-
lossing die de toetsing van het onderzoek had doorstaan.
Zo werd de Oosterweelverbinding dus voorgesteld als het
resultaat van een technische keuze. Oosterweel zou op
grond van technische kwaliteiten simpelweg beter zijn
dan alternatieve mobiliteitsoplossingen. Die technische
kwaliteiten zouden het heroverwegen van het voorstel
zinloos maken. Doordat Oosterweel werd voorgesteld als
een technische beslissing, en daarmee de verbeeldende
kant van het beleidsproces werd weggegumd, kon verde-
re deliberatie over de beslissing voorgesteld worden als

niet alleen onwenselijk maar ook zinloos. Maar door op
één waarheid te staan, en andere visies een gebrek aan
rationaliteit te verwijten, verdwenen die andere visies
nog niet. Critici van Oosterweel gingen óók bewijs ver-
garen om de kwaliteit van hun oplossingen aan te tonen.
In plaats van de discussie te beëindigen, leidden meer
studies tot een polarisatie van het debat. We spreken
ook wel van een boemerangeect.
Het beroep op studies deed het verzet tegen Ooster-
weel maar tijdelijk verstommen. Net als een boemerang,
kwam ook de weerstand terug. Toen critici eenmaal met
bewijs op de proppen kwamen dat Oosterweel niet deug-
de en hun voorstel wel, kwam het verzet in alle hevigheid
terug. Sterker nog: we hebben gezien dat het conflict
juist groeide als gevolg van extra bewijsvergaring. Ac-
tievoerders slaagden erin om bewijs te mobiliseren dat
de verbeeldingen van Oosterweel als litteken voor het
stedelijk weefsel en als gif voor de Antwerpenaren on-
derbouwde. Juist dat groeiende arsenaal aan bewijs dat
de eigen positie onderbouwde, zorgde ervoor dat partijen
boos en gefrustreerd raakten toen hun mobiliteitsoplos-
sing toch niet door de andere partij werd geaccepteerd.
Posities in het publieke debat polariseerden naarmate
elke partij verder verstrikt raakte in de eigen visie. Be-
leidsmakers raakten er steeds meer van overtuigd dat
de Oosterweelverbinding de enige mogelijkheid was om
het verkeersinfarct te verhelpen. Actievoerders raakten
er juist steeds meer van overtuigd dat hun eigen mobi-
liteitsoplossing superieur was. De constructieve aspec-
ten van conflicten kwamen zo niet tot hun recht. De
veelheid aan kennis die werd geproduceerd werd vooral
inzet van strijd tegen elkaar in plaats van dialoog met

elkaar. En het engagement van alle partijen werd niet
als iets positiefs erkend: zij die een andere mening had-
den, werden afgeschilderd als leugenaars. Ondertussen
groeiden de destructieve aspecten, door het wantrou-
wen dat ontstond als gevolg van gepercipieerde leugens,
juist wel.
Dat betekent natuurlijk niet dat actoren onvermijde-
lijk gevangen hoeven te zitten in een spiraal van ver-
beelding, bewijs en polarisatie. Dit betekent natuurlijk
niet dat actoren onvermijdelijk gevangen hoeven te
zitten in een spiraal van verbeelding, bewijs en polari-
satie. Zoals we ook hebben gezien rond het thema van
overkapping in  kan ambiguïteit altijd opnieuw zijn
intrede doen in een debat, met het potentieel posities
dichter bij elkaar te brengen. Desalniettemin zagen we
ook dat hoewel er in  een grote mate van inhoude-
lijke overeenstemming leek te bestaan wat betreft de
overkapping, er een duidelijk gebrek aan vertrouwen
bleef tussen de partijen. Dat gebrek aan vertrouwen
bemoeilijkte de toenadering die er met heel wat jaren
vertraging in het voorjaar van  toch is gekomen. Op
die toenadering gaan we in hoofdstuk  verder in.
Onderzoek is belangrijk, maar een keuze zoals voor de
Oosterweelverbinding is geen technische keuze. Door
die keuze wel als zodanig voor te stellen in een poging de
discussie te beëindigen, kan bewijs een wapen worden
dat polarisatie in de hand werkt. Hoofdstuk  gaat niet
alleen in op de recente toenadering tussen actiegroepen
en overheidsspelers, maar ook op de lessen die we uit
Oosterweel kunnen trekken om in de toekomst beter
beleid te maken. Voor nu volstaat het inzicht dat conflict

escaleert wanneer bewijs een wapen wordt om het eigen
gelijk aan te tonen.
In het Oosterweeldossier bleef het echter niet bij in-
houdelijk conflict dat steeds meer polariseerde. Ook
het beleidsproces van de Oosterweelverbinding werd in
toenemende mate verdacht. Een conflict over beleids-
inhoud escaleerde zo naar een conflict over beleidspro-
ces. En een conflict dat al destructieve eigenschappen
vertoonde, werd in toenemende mate destructief toen
ook het beleidsproces gewantrouwd werd. Hoe dat in
zijn werk ging, staat centraal in het volgende hoofdstuk.

3. De strijd om de tijd
Hoe het deadlinedenken het
beleidsproces verdacht maakte
Realiseren de stadsbestuurders zich wel welk gevaarlijk spel
dat is? Als het nu plots een tunnel moet zijn, verliezen we
twee jaar tijd en komt het hele masterplan op de helling. […]
Er gebeurt dan in Antwerpen niets meer.45
Aldus de reactie van een gefrustreerde Camille Paulus
op het Antwerpse besluit om in  een second opinion
te bestellen. Die second opinion moet onderzoeken of
de Lange Wapper niet toch vervangen kan worden door
een tunnel. De gouverneur van de provincie Antwerpen
is ontevreden omdat de Antwerpse weifeling vertraging
zal opleveren. Bovendien zijn ze in de Scheldestad wat
hem betreft wel heel laat, te laat, komen aanzetten met
hun aarzelingen. Daar is niet iedereen het mee eens. Jo
Crepain, een Vlaamse toparchitect, merkt in De Morgen
op:
Ik denk dat het belangrijker is om enkele maanden of zelfs
een jaar de tijd te nemen dan nu iets te beslissen wat de stad
voor de komende honderd jaar hypothekeert. Zo’n beslissing
zou pas dramatisch zijn.

In plaats van te denken vanuit de beleidsprocedure, die
al een tijdje bezig is en die wellicht wordt vertraagd, re-
deneert Crepain vanuit de impact die infrastructuur kan
hebben. De schade van mogelijke vertraging in het be-
leidsproces, aldus de architect, verbleekt bij de mogelijke
schade die Antwerpen oploopt door verkeerd beleid. Dan
een derde perspectief, politiek van aard, dat zich ken-
baar maakt wanneer in  besloten wordt om zowel
de bouwvergunning voor de Oosterweelverbinding aan
te vragen als het Arup/Sum-tracé verder te onderzoeken.
Een beslissing die hinkt op twee gedachten, zo wordt
de politiek verweten. Een beslissing die echter als volgt
wordt verdedigd:
‘We móésten nu beslissen. De verkiezingscampagne nadert,
en die zou iedereen verplichten tot uiterste stellingnames.
Dan zouden we er nooit uit raken.
De verkiezingscampagne als reden om de besluitvor-
ming te versnellen. Met daarachter de gedachte dat die
versnelling nodig was om stilstand te voorkomen. Tijd,
zo blijkt, is niet zo eenduidig als het misschien op het
eerste gezicht lijkt. Of een beleidsproces snel of traag
gaat, en of er nog veel of weinig tijd over is, hangt ervan
af wie je het vraagt. Tijd is daarmee iets wat beleefd
wordt. Soms vliegt de tijd, soms lijkt de tijd wel stil te
staan.
In het maken van beleid wordt de factor tijd zelf
echter zelden geproblematiseerd. Veel vaker wordt tijd
beschouwd als iets wat extern is aan beleid. Als een
investering die, net als geld, eciënt moet worden in-
gezet. Deadlines houden de vaart in een beleidsproces

en vertraging wordt beschouwd als iets onwenselijks.
Voor infrastructuurprojecten – die berucht zijn om hun
vertragingen – wordt beleidsfalen zelfs in termen van
tijd gedefinieerd: een goed project is binnen de tijd en
binnen het budget afgerond.

Het tegenovergestelde re-
sultaat betekent mislukking.
Zo’n eenduidige blik op tijd heeft in het Oosterweel-
dossier tot gevolg gehad dat veel beslissingen gerecht-
vaardigd werden door tijdsdruk. Telkens weer bena-
drukten beleidsmakers dat er al te veel vertraging was
opgelopen en dat het belangrijk was om nu vaart te
zetten achter de Oosterweelverbinding. Dat verlangen
naar haast zorgde er echter voor dat niet alleen de Oos-
terweelverbinding zelf, maar ook het beleidsproces in
de loop der tijd steeds meer verdacht werd. Bestuurlijk
gezien was de Oosterweelverbinding misschien een
overrijp project dat er na vele jaren van discussie zo snel
mogelijk moest komen. Maar andere spelers in het Oos-
terweeldossier bekroop juist het gevoel dat beslissingen
over Oosterweel er doorheen gejast werden – iets wat
hun achterdocht wekte. Het bestuurlijke verlangen naar
haast moest in de ogen van de actiegroepen wel beteke-
nen dat er iets niet in de haak was. Terwijl elk pleidooi
om de Oosterweelverbinding te heroverwegen door Oos-
terweelvoorstanders automatisch werd beschouwd als
een poging het project een pootje te lappen.
In dit hoofdstuk kijken we niet naar de gemeten tijd
op de klok, maar naar de tijd zoals actoren in het Oos-
terweeldossier die beleven. Door te accepteren dat tijds-
beleving niet eenduidig is, kunnen we begrijpen dat de
focus op het halen van deadlines de realisatie van pro-
jecten zoals Oosterweel niet bevordert. Deadlinedenken

kan, integendeel, een bestaand conflict juist verergeren.
Dat levert uiteindelijk alleen maar meer vertraging op.
Tijd in het beleidsdebat over Oosterweel
Tijd en tijdigheid spelen een belangrijke rol in het be-
leidsdebat over Oosterweel. We zoomen in op dezelfde
episodes als in het vorige hoofdstuk, maar kijken nu
expliciet naar de representatie van tijd. Een eerste epi-
sode speelt zich af in , wanneer de maquette van
de Lange Wapper wordt gepresenteerd en de actiegroep
Straten-Generaal zich in het debat mengt. De tweede
conflictepisode speelt zich af in , wanneer Arup/
Sum de resultaten van hun alternatievenstudie voorstelt
en de actiegroepen een volksraadpleging afdwingen. De
derde episode speelt zich af in , wanneer de resul-
taten van een nieuwe studie – de Plan-MER – worden
gepresenteerd, en er Vlaamse verkiezingen voor de deur
staan.
De maquette en haar nasleep: te traag of te snel?
In maart  presenteert de BAM publiekelijk het
schaalmodel van het Lange Wapperviaduct. Al gauw
ontspint zich een debat over de impact van zo’n groot
bouwwerk op de publieke ruimte. Vooral het Eiland-
je zou in de schaduw van de Lange Wapper komen te
liggen en dat zou volgens sommigen een rem kunnen
zetten op de langetermijnontwikkeling van dit stads-
deel. De stad Antwerpen bestelt een nieuwe studie om
te onderzoeken of de brug toch geen tunnel zou kunnen

worden. Burgemeester Patrick Janssens krijgt veel kri-
tiek op deze beslissing en die kritiek is doorspekt met
tijdsargumenten. Waarom nog een studie bestellen zo
laat in het proces, vragen de BAM en de Vlaamse rege-
ring zich af. Er was toch al een akkoord na de Staten-Ge-
neraal en de politieke Oosterweeldeal van ? Het
lijkt erop dat de burgemeester ook tijdsdruk voelt. De
onderzoekers krijgen maar enkele weken om onderzoek
te doen en resultaten voor te leggen. Wanneer de on-
derzoekers concluderen dat een tunnel allicht mil-
joeneuro duurder zal zijn dan een viaduct, wordt de
discussie gesloten.
De rust duurt echter niet lang. Tijdens een perscon-
ferentie in september legt actiegroep Straten-Generaal
haar kritiek op de Oosterweelverbinding voor aan de
pers. Het belangrijkste bezwaar is opnieuw de ruimte-
lijke impact van het viaduct. Wil de stad in de toekomst
kunnen groeien in omvang, dan mag er geen nieuwe
stedelijke barrière opgeworpen worden. Het Lange Wap-
perviaduct zou als een nieuwe stadsmuur werken die
net als de middeleeuwse en Spaanse omwalling de stad
omklemt. Daarom stelt Straten-Generaal voor om de
snelweg aan te leggen op een ander tracé, verder van de
stadskern weg. De reactie van de overheid en de BAM
is opnieuw dat de tijd ontbreekt om weer helemaal op-
nieuw te beginnen met het vergelijken van verschillen-
de tracés. De huidige plannen zijn immers het resultaat
van vijf jaar studiewerk en debat. Meer discussie is niet
nodig. Het is tijd om vooruit te gaan. Straten-Generaal
stelt echter dat de Antwerpenaar voor  amper ge-
hoord heeft van de Oosterweelverbinding. Hoe konden
de burgers dan eerder hun grieven uiten? Hoe kan het

nu te laat zijn, terwijl het pas begonnen is? De haast van
besluitvormers wekt achterdocht.
Alternatieve tracés en Antwerpse kritiek:
wieverspiltertijd?
Vier jaar later, in , heeft ook actiegroep Ademloos
zich in de discussie over de Oosterweelverbinding ge-
mengd. Ademloos richt de pijlen vooral op de gezond-
heidseecten van een drukke snelweg dicht bij de stad.
De overheid komt steeds meer onder druk om te reage-
ren op de groeiende stroom van kritiek en bestelt een
nieuwe studie, de Arup/Sum-studie, om de verschil-
lende tracés te vergelijken. Intussen verzamelt Adem-
loos handtekeningen om een volksraadpleging te kun-
nen organiseren. In  worden de resultaten van de
Arup/Sum-studie voorgesteld en mogen de Antwerpse
inwoners hun mening over Oosterweel laten horen in
de volksraadpleging. De publieke discussie woedt dus
hevig. Opnieuw spelen tijdsargumenten een belangrij-
ke rol. De vraag wie verantwoordelijk is voor de inmid-
dels opgelopen vertraging in de besluitvorming staat
centraal. Ter herinnering: origineel was het plan om de
Oosterweelverbinding in  op te leveren. De realiteit
is dat de planningsfase nog niet eens is afgerond.
Arup/Sum concludeert dat geen van de bestaande tra-
cés goed genoeg is en stelt een nieuw tracé voor. Voor-
standers van het oude plan in de Vlaamse regering en
de BAM lezen in de studie dat alleen hun plan garanties
geeft op een snelle oplossing. Als de regering voor een
ander tracé zou kiezen, zou ze immers een nieuw Plan-
MER moeten laten opmaken en dat zou leiden tot jaren

vertraging. En dat terwijl de studie ook benadrukt dat
er snel een oplossing moet komen voor het nijpende fi-
leprobleem in Antwerpen.
De critici van het BAM-tracé, de actiegroepen en
inmiddels ook de bestuurders van de stad Antwerpen
onder aanvoering van Patrick Janssens, schermen ech-
ter met andere tijdsargumenten. Ze concluderen uit
de Arup/Sum-studie dat het BAM-tracé inferieur is en
vragen zich af waarom deze alternatievenstudie zo lang
op zich moest laten wachten. Actievoerders benadruk-
ken dat het alternatieve tracé van Straten-Generaal al
in  werd voorgesteld. Waarom moest het dik drie
jaar duren om extra studiewerk te bestellen? Ze vinden
het daarom extra wrang dat precies het gebrek aan tijd
wordt aangehaald om het Arup/Sum-tracé te klasseren.
Hoewel de meningen over de betekenis van de Arup/
Sum-studie verschillen, is het tegelijk voor alle rege-
ringspartijen duidelijk dat er hoe dan ook een beslissing
over Oosterweel moet vallen vóór de Vlaamse verkie-
zingen. Geen enkele regeringspartij wil met Oosterweel
de campagne in. Het regeringsbesluit dat volgt is een
compromis: de stad Antwerpen mag het nieuwe Arup/
Sum-tracé verder onderzoeken, maar tegelijk mag de
BAM al verder werken aan de vergunningen voor het
BAM-tracé.
In de campagne voor de volksraadpleging trekt de
BAM weer volop de kaart van de tijdsdruk. Alleen Oos-
terweel, zo stellen ze, kan op tijd worden gerealiseerd.
Bovendien wijst de BAM opnieuw op de lange geschie-
denis van het BAM-tracé. Het zou onredelijk zijn om dit
plan in de laatste fase te fnuiken. Rudi omaes, kopman
van het Verbond van Belgische Ondernemingen en later

van de BAM, vraagt aan de kiezer om voor het BAM-tra-
cé te kiezen zodat de overheid eindelijk de knoop kan
doorhakken.

Ondertussen pleiten de actiegroepen
voor voorzichtige eerder dan snelle beslissingen. Ook
enkele Antwerpse tenoren, zoals burgemeester Patrick
Janssens en schepen Ludo Van Campenhout, scharen
zich achter die opvatting. Opnieuw wordt gewezen op de
langetermijnimpact van het project. De verantwoorde-
lijkheid voor de opgelopen vertraging wordt bovendien
gelegd bij de bestuurlijke aanpak van het Oosterweel-
project, niet bij de actiegroepen. Een lezersbrief vat het
sentiment goed samen:
Hoe is het mogelijk dat de BAM de Antwerpenaren nog steeds
niet kan overtuigen van de meerwaarde van dit project? Wat
hebben al die mensen eigenlijk 11 jaar gedaan met al dat geld
en al die tijd, dat hun enige argument nu nog is: als dit wordt
weggestemd, verliezen we kostbare tijd.
Uiteindelijk stemt , van de Antwerpse kiezers te-
gen het BAM-tracé.
Een schop in de grond of een reset van de discussie?
De derde episode van conflict vat aan in het begin van
. De Lange Wapperbrug is in de plannen intussen
vervangen door een tunnel en daarmee is de politieke
consensus over het project hersteld, zowel binnen de
Vlaamse regering als tussen het Vlaamse en het Ant-
werpse niveau. De actiegroepen zijn echter niet tevre-
den: de verkeersstromen worden ondanks de uitslag van
de volksraadpleging over de Oosterweelverbinding nog

steeds dicht bij de stad verankerd. In februari  wor-
den de resultaten van de nieuwe Plan-MER-studie over
het gewijzigde Oosterweeltracé vrijgegeven. In mei 
staan er Vlaamse verkiezingen gepland.
De Plan-MER-studie geeft het BAM-tracé een voordeel
op tijdswinst voor automobilisten. De maatschappelijke
kosten-batenanalyse die de Plan-MER-studie begeleidt,
noemt BAM het meest batige project. Rudi omaes, nu
voorzitter van de BAM, roept iedereen op om het verzet
eindelijk te staken. De regering beslist na de bekend-
making van het Plan-MER in een hoog tempo om het
BAM-tracé te behouden in het zogenaamde Valentijns-
besluit. De actiegroepen voelen weinig liefde voor het
Valentijnsbesluit. Ze hebben het Plan-MER helemaal
anders gelezen. De tijdswinst op het BAM-tracé is mi-
niem en op leeaarheid scoort het voorstel van de actie-
groepen dan weer beter. Ook vinden de actiegroepen het
vreemd dat de regering zo snel kan weten dat BAM de
betere optie zou zijn. Zo’n Plan-MER-studie is duizenden
pagina’s dik. Een lezersbrief schrijft:
Op maandag wordt het Plan-MER voorgesteld, op woens-
dag vernemen we in de kranten de eerste wijzigingen in het
Oosterweelontwerp, donderdag lees je nog over bijkomende
aanpassingen en vrijdag hebben de drie betrokken partijen
opeens alles beslist.
De Vlaamse regering wil zo snel mogelijk een schop in de
grond. De snelheid in de besluitvorming maakt burgers
en actiegroepen opnieuw heel achterdochtig.
Intussen heeft ook actiegroep Ringland het veld be-
treden. Ringland stelt voor om de prioriteiten helemaal

anders te leggen. We moeten eerst de huidige ring her-
organiseren, inclusief overkapping, voordat we om het
even wat nieuws gaan bouwen. Een reset van de dis-
cussie tot nu toe dus. Het plan krijgt veel gehoor bij
burgers en media. Politici staan niet aerig tegenover
de overkapping, maar de tijd laat niet toe om het roer
drastisch om te gooien:
We staan al heel ver met het BAM-tracé, we kunnen de teller
nu niet opnieuw op nul zetten. Dan zijn we weer vertrokken
voor tien jaar tot er daadwerkelijk iets gebeurt. En dat zou
neerkomen op economische zelfvernietiging.
Aldus Bart De Wever in de Gazet van Antwerpen. Volgens
Ringland zou het echter een uitermate slecht idee zijn
om stug door te zetten met de Oosterweelverbinding
indien het de overheid echt zou gaan om een snelle mo-
biliteitsoplossing. Onheilspellend klinkt het:
Het referendum was een huzarenstuk. Maar als we vandaag
in drie dagen tijd 15.000 handtekeningen kunnen ophalen,
belooft dat voor de toekomst. Zelfs als Ringland geen acties
meer opzet, wacht de Vlaamse regering qua draagvlak en
procedures nog vijf jaar miserie.
Tijd ontrafeld: beleefde tijd versus kloktijd
Het voorgaande illustreert hoe steeds opnieuw tijds-
argumenten opdoken in het Oosterweeldossier. En hoe
die tijdsargumenten zelf omstreden waren. Het sturen
op een snelle besluitvorming zorgde voor wantrouwen

bij actiegroepen, terwijl beleidsmakers zich telkens
weer zorgen maakten over verdere vertraging van een
reeds vertraagd project. Tijd werd dus zeer anders be-
leefd. Maar als tijd meer is dan het tikken van de klok,
als tijd een andere betekenis krijgt aankelijk van wie
het oordeel velt, wat is tijd dan eigenlijk?
Net zoals een cameraperspectief in de fotografie, kijkt
ieder met zijn eigen perspectief naar de objectieve klok-
tijd. Een foto van de Antwerpse kathedraal vanuit vo-
gelperspectief geeft een heel ander beeld dan een foto
vanuit kikvorsperspectief. Het is dezelfde kathedraal,
maar we zien andere dingen. Het vogelperspectief toont
het grondplan van de kerk; het kikvorsperspectief het
detail. De hoofdrolspelers in het beleidsproces kijken
ook anders naar de tijd. De meet eenheid van de tijd is
voor iedereen hetzelfde – jaren, dagen, uren –, maar de
beleving van tijd, en dus haar beoordeling, verschilt.
We gaan te rade bij de Nederlandse bestuurskundigen
Jasper Eshuis en Ellen van Buuren. Zij onderscheiden
vier dimensies op basis waarvan tijd beleefd wordt. Die
dimensies hebben directe gevolgen voor het maken van
beleid. Ten eerste is er de tijdshorizon. De tijds horizon
bepaalt of iemand redeneert vanuit de korte, de middel-
lange of de lange termijn. De tijdshorizon wordt sterk
bepaald door de positie die iemand inneemt in het poli-
tieke systeem. Een ambtenaar kan zich vaak een langere
tijdshorizon veroorloven dan een politicus die telkens
opnieuw verkozen wil worden. Maar voor een ambte-
naar die ervoor verantwoordelijk is een project te reali-
seren, zoals in het geval van Oosterweel, zal de project-
planning de horizon bepalen. Een projectplanning heeft
een begin en een einde, met deadlines daartussenin.

Politici focussen daarentegen op de electorale cyclus die
voor hen ligt. Verkiezingen zijn voor hen altijd een span-
nend moment omdat de machtsconstellatie dan bepaald
wordt. Voor een burger geldt een andere horizon; die re-
deneert eerder vanuit de impact die beleid zal hebben op
zijn/haar leven. Actievoerders die zich tegen Oosterweel
verzetten, hadden duidelijk een horizon die uitging van
een langetermijnvisie op de eecten van infrastructuur.
Andere burgers denken allicht op kortere termijn en zijn
misschien vooral bezorgd over de impact van de werken
op hun dagelijkse wandeling met de hond. De gehan-
teerde tijdshorizon bepaalt vervolgens de tijdsstructuur.
Politici denken vaak in cyclisch gestructureerde tijd. Dat
is immers de periode waarvoor ze plannen maken en
waarop ze afgerekend worden. Voor ambtenaren is de ti-
ming uit hun projectplannen en de procedures dan weer
richtinggevend. Tijd is voor hen dus eerder sequentieel:
fase na fase. Ook voor burgers die denken in termen van
impact is tijd sequentieel: een nieuwe snelweg werpt
onherroepelijk een schaduw vooruit op een stad en haar
inwoners. Uit tijdshorizon en tijdsstructuur volgt dan
weer een tijdsbudget. Wanneer verkiezingen naderen, is
het tijdsbudget van politici klein. Na de verkiezingen is
er weer meer tijd. Wanneer een ambtenaar een deadline
ziet naderen, krimpt het tijdsbudget. Aan het begin van
een project is het budget veel groter. Voor een burger is
het budget groot voorafgaand aan een beslissing over
infrastructuur. Wanneer eenmaal iets gebouwd is, en
schadelijke eecten zich manifesteren, kan de beslis-
sing immers niet meer worden teruggedraaid. Hoeveel
tijdsbudget nog resteert, bepaalt vervolgens de perceptie
van het tempo. Voor sommigen gaat de tijd snel, voor an-

dere actoren lijkt alles traag te gaan. Deze vier dimensies
samen bepalen hoe iemand naar tijd kijkt en duiden dus
ook op welke punten dat perspectief kan verschillen.
Zoals de voorbeelden laten zien, kunnen die verschillen
tot spanningen leiden in het maken van beleid.
Ook al kunnen in een beleidsproces perspectieven op
tijd verschillen, niet al die perspectieven hebben even-
veel impact. Sommige actoren kunnen hun beleving van
tijd opleggen. In beleidsprocessen zoals Oosterweel zijn
het de beleidsmakers die de verschillende stappen in
de beleidsvorming uittekenen en beslissen hoeveel tijd
elke stap nodig heeft. Wanneer andere actoren zoals ac-
tiegroepen of lokale besturen het niet eens zijn met de
timing van het beleid, ontstaat conflict. De Nederlandse
bestuurskundige Michel van Eeten beschrijft het voor-
beeld van dijkversterkingen in Gelderland.

Protestgroe-
pen vroegen meer tijd om alternatieven met een kleine-
re ruimtelijke impact te bestuderen. Overheids actoren
beargumenteerden dat er geen tijd verloren mocht gaan
omdat het risico op overstromingen zo groot was. De
constante druk van de overheid om snel te gaan, maakte
de actievoerders nog meer achterdochtig. Uiteindelijk
liep het hele beleidsproces vast. De patstelling werd pas
doorbroken toen het gebied opnieuw overstroomde. Een
vergelijkbare dynamiek vinden we terug in Oosterweel.
Oosterweel: snelle procedures, naderende
verkiezingen en decennialange impact
In Oosterweel zijn er drie perspectieven op tijd te on-
derscheiden. Ten eerste is er het procedurele perspectief

op de tijd. Gebeurtenissen worden getoetst aan de tijds-
planning in de planningsdocumenten en wettelijk vast-
gelegde procedures. Die bepalen dan ook de tijdshorizon
van waaruit geredeneerd wordt. De tijd wordt ingedeeld
in fasen en deadlines en is dus sequentieel met een
duidelijk begin en einde. Stap voor stap wordt bepaald
welke studies nodig zijn, wie betrokken moet worden,
wanneer te beslissen, wanneer de aannemer te selec-
teren, de bouw te laten beginnen, en aan het einde van
de rit het lintje te knippen. Bij dit tijdsperspectief horen
softwaretoepassingen met groene, lachende gezichtjes
als de deadline gehaald is en rode, droevige gezichtjes
als de deadline gepasseerd is. Het tijdsbudget is in het
procedurele perspectief heel strak afgelijnd. Uitstel be-
tekent immers falen. Als gevolg van de deadlines moet
het tempo hoog blijven. Vooral de Vlaamse administra-
tie en de BAM volgen deze redenering. Zij doen immers
het projectmanagement en zien hun tijdsbudget krim-
pen bij elke vertraging. Ook andere voorstanders van
het BAM-tracé kijken op een procedurele manier naar
tijd. Het gaat vaak om politici, journalisten en burgers
die het dossier vanaf een afstand volgen en steeds meer
geïrriteerd raken door de aanslepende besluitvorming
en nog maar eens een deadline die niet wordt gehaald.
Het tweede tijdsperspectief is het impactperspectief.
De impact op stad en mobiliteit is bepalend, met een
tijdshorizon die verschillende decennia en generaties
overspant. Een tekenende stelling voor het impact-
perspectief is dat we beter nu goed nadenken, dan his-
torische vergissingen te maken. De tijd is sequentieel,
maar vanwege de onomkeerbaarheid van infrastruc-
tuur wordt geopteerd voor een zeer ruim tijdsbudget.

Hier geldt niet, zoals bij het procedurele perspectief,
dat het voordelig is om haast te maken. Zodra de infra-
structuur gebouwd is, kunnen we namelijk niet meer
terug. Daarom is het riskant om opgesloten te worden
in een strakke tijdsplanning. Het tempo mag dan ook
niet te hoog liggen. Behoedzaamheid is belangrijker
dan snelheid. Vooral actiegroepen en experts gebrui-
ken dit tijdsperspectief. Ook politici die kritisch zijn
voor het BAM-tracé hebben het impactperspectief ge-
adopteerd.
Het derde tijdsperspectief is politiek. Politici delen de
tijd vaak in, al dan niet noodgedwongen, op basis van
het ritme van verkiezingen. Vooral de politici van de
regeringspartijen zijn vatbaar voor dit perspectief. Ze
willen immers tonen dat hun regering resultaten boekt
om aan de kiezer voor te leggen. De tijdshorizon is dus
maximaal vijf jaar en is cyclisch van aard. Het tijdsbud-
get is ruim aan het begin van een legislatuur maar kort
snel in wanneer verkiezingen naderen. In de maanden
voor de campagne wordt het tempo dan ook opgedreven.
Dan moeten er immers beslissingen genomen worden
die aantonen dat de regering stappen vooruit heeft ge-
zet. Een daadkrachtig imago komt van pas in een politie-
ke campagne. Soms heeft de regering ook een beslissing
nodig om Oosterweel net uit de campagne te houden.
Door te beslissen, geven de regeringspartijen immers
het signaal dat discussie geen zin meer heeft. Beslist
beleid noemt men dat in de Wetstraat.
Niet alleen in het Oosterweeldossier spelen verschil-
lende perspectieven op tijd. Ook in andere hardnekki-
ge casussen uit de Vlaamse besluitvorming zijn deze
perspectieven te herkennen; alsook de spanningsvolle

relatie waarmee ze zich tot elkaar verhouden. Zoals in
de controverse rond het geplande, maar niet gebouwde
shoppingcenter Uplace. Projectontwikkelaar Uplace re-
deneert in procedurele tijd. Er is geld vrijgemaakt om
het project te realiseren en elke dag dat het geld niet
rendeert, is verloren. Omdat projectontwikkelaars hun
eigendom vaak verkopen zodra de bouwwerken zijn op-
geleverd, is de korte termijn dominant. De frustratie
bij Uplace om zoveel traagheid is dan ook groot. Wan-
neer topman Bart Verhaege in het najaar  tegenwind
krijgt, roept hij in een emotionele persconferentie op
tot redelijkheid. Op dat moment is het project vier jaar
in ontwikkeling. ‘Alle belanghebbenden hebben hun in-
zeg gehad, alle voor- en nadelen zijn afgewogen, en op
meerdere overheidsniveaus zijn beslissingen genomen,
zegt de Uplace-top. Toch is er niet veel publiek debat
geweest. Pas in september , wanneer de deputatie
van de provincie Vlaams-Brabant de milieuvergunning
weigert, verschijnen de eerste stukken in de kranten.
De oppositie tegen Uplace komt vooral van lokale be-
sturen en van de middenstandsvereniging Unizo. Zij
vinden dat alles te snel gaat en willen meer aandacht
voor de impact op de lange termijn. De tegenstanders
vrezen dat de kleinhandel weggezogen zal worden uit
de winkelkernen van de omliggende gemeenten, dat
de kernen zullen verzwakken en de gemeenten min-
der aantrekkelijk zullen worden. De beslissing van de
Vlaamse regering om Uplace te steunen is volgens hen
te snel genomen. Ook de politieke tijd van verkiezings-
cycli tekent het beleidsproces. De beslissing om Uplace
te steunen wordt genomen in mei  tijdens de laat-
ste ministerraad van de regering-Peeters I. Na deze

minsterraad zijn de handen van de Vlaamse regering
gebonden door mogelijke claims van schadevergoedin-
gen.
Tijd als brandstof voor conflict
De spelers in het Oosterweeldossier hebben andere
tijdsbudgetten en andere voorkeuren voor het tempo
van de besluitvorming. Voor sommige actoren moet het
sneller gaan, omdat de procedures dat vragen of omdat
de verkiezingen op komst zijn. Voor andere actoren mag
het trager gaan, omdat de impact van de infrastructuur
zorgvuldigheid vraagt. Het hoeft niet te verwonderen
dat het uiteenlopen van die tijdsperspectieven brand-
stof voor conflict is.
De spanning is vooral groot tussen enerzijds een pro-
cedureel perspectief en anderzijds een impactperspec-
tief op tijd. Aan één kant pleit men voor snelheid, met
de aankomende deadlines in het achterhoofd. Aan de
andere kant wordt gepleit voor behoedzaamheid met
het zicht op de volgende decennia. Redenerend vanuit
het ene perspectief is vooruitgang goed, maar vanuit het
andere perspectief kan vooruitgang gevaarlijk zijn wan-
neer het onzorgvuldigheid suggereert. In  reageren
beleidsmakers op kritiek door te stellen dat de vaart in
het beleid moet blijven. Er is immers al zoveel onder-
zocht en onderhandeld. Nu moeten we verder, aldus
de redenering, of we halen de deadline van  nooit.
Gedreven door een heel ander tijdsperspectief houden
de burgerbewegingen een pleidooi om op de pauzeknop
te duwen en alles nog eens goed te heroverwegen. Het

procedurele perspectief en het impactperspectief botsen
frontaal.
De nadruk op de snelheid van beleid maakt de ac-
tiegroepen dan weer achterdochtig. Waarom moet het
zo snel gaan terwijl de impact zo groot is? Actiegroe-
pen zien de weigering van het beleid om het debat te
heropenen als bewijs dat er wel iets mis moet zijn. Dat
maakt hen extra alert. Wettelijke instrumenten van
inspraak zoals bezwaarschriften en volksraadplegin-
gen worden aangegrepen om het beleid te temporise-
ren. Dat maakt de voorstanders van het BAM-project
dan weer ongerust. Zij kijken naar hun procedures en
zien deadlines in het gedrang komen. Vertragin