Technical ReportPDF Available

Tussen Burgers en Recht Lokaal?: Sociaal Raadslieden over Toegang tot Zorg en Ondersteuning

Authors:

Abstract

Omdat wet- en regelgeving lastig te doorgronden kunnen zijn, staan in verschillende Nederlandse gemeenten sociaal raadslieden de eerstelijns professionals in wijkteams bij. Deze rechtshulpverleners adviseren en ondersteunen individuele burgers en sociaal werkers op juridisch gebied. Zodoende leveren zij tezamen met de sociale professionals in de wijkteams een belangrijke bijdrage aan de toegang tot voorzieningen voor hulpzoekende burgers. Sociaal raadslieden kunnen vanuit deze positie worden gezien als hoeders van mensenrechten in de lokale praktijk. Een eerdere studie, Tussen Burgers en Mensenrechten Lokaal: Sociale Professionals over Toegang tot Zorg en Ondersteuning, onderzocht de manier waarop sociaal werkers en sociaal werk-teamleiders in wijkteams bijdragen aan toegang tot zorg en ondersteuning. In dit rapport wordt een vervolg gegeven aan dit eerdere onderzoek. Met hun sociaal-juridische achtergrond kunnen sociaal raadslieden namelijk een ander perspectief bieden. Door middel van interviews met tien sociaal raadslieden gehouden in 2018 in Utrecht zijn belemmeringen in de toegang tot zorg, zoals die in de dagelijkse gang van zaken verloopt binnen wijkteams, vanuit hun juridische perspectief uiteengezet. Uit wetgeving en beleid blijkt dat sociaal raadslieden, in tegenstelling tot sociaal werkers, geen rechtstreekse rol spelen in het faciliteren van toegang tot zorg of ondersteuning. Voor toegang tot de specialistische zorg verwijzen ze door naar de sociaal werkers, naar andere eerstelijns professionals, de onafhankelijke cliëntondersteuners, en in sommige gevallen naar tweedelijns rechtshulpverleners, voornamelijk advocaten. Het rapport laat verder zien dat belemmeringen die voortkomen uit regelgeving of beleid, in eerste instantie door sociaal raadslieden wordt opgelost op individueel niveau: per cliënt. Daarnaast wordt er gebruikgemaakt van een bestaande stedelijke, regionale en landelijke structuur om dergelijke belemmeringen te signaleren en aan te kaarten. Het blijft echter de vraag of op deze manier de problemen ten aanzien van toegang tot zorg en ondersteuning op lokaal niveau structureel worden aangepakt. Ten aanzien van toegang tot het recht lijken sociaal raadslieden met name een aanvullende rol spelen te spelen. De directe verantwoordelijkheid voor de omgang met belemmeringen door hulpzoekers wordt immers neergelegd bij de lokale sociaal werkers en de onafhankelijke cliëntondersteuners, die ze – anoniem – kunnen bijstaan bij maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan. Het lijkt er daardoor sterk op dat de sociaal raadslieden het niet als hun primaire taak beschouwen om de toegang tot het recht in de context van zorg en ondersteuning te versterken. Dit heeft, ondanks de belangrijke aanvullende rol van sociaal raadslieden, zijn weerslag op het waarborgen van mensenrechten voor de meest kwetsbare burgers.
MENSEN
RECHTEN
TUSSEN BURGERS EN
RECHT LOKAAL?
SOCIAAL RAADSLIEDEN
OVER TOEGANG TOT ZORG
EN ONDERSTEUNING
ALICIA DIBBETS & QUIRINE EIJKMAN
COLOFON
Het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht is een
bundeling van een aantal lectoraten op gebied van zorg en welzn, sociaal
beleid, maatschappelke participatie, ondersteuning en dienstverlening,
arbeid, recht en veiligheid. Het doel van het Kenniscentrum is om kennis te
ontwikkelen, te bundelen en over te dragen ten behoeve van onderws en
praktk.
JAAR VAN UITGAVE
2019
ISBN
978-90-8928-134-0
CONTACT EN ADRES
Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht
Lectoraat Toegang tot het Recht
Padualaan 101 – 3584 CS Utrecht
Telefoon secretariaat: 088-4819222
www.socialeinnovatie.hu.nl / www.hu.nl
Email: quirine.ekman@hu.nl
VORMGEVING & ILLUSTRATIE
Jowan de Haan
www.jowandehaan.nl
EINDREDACTIE
Jeroen Teitler
Januari 2019 – © Hogeschool Utrecht, 2019
Bronvermelding is verplicht. Verveelvoudigen voor eigen gebruik
of intern gebruik is toegestaan.
LECTORAAT TOEGANG
TOT HET RECHT
TUSSEN BURGERS EN
RECHT LOKAAL?
SOCIAAL RAADSLIEDEN
OVER TOEGANG TOT ZORG
EN ONDERSTEUNING
ALICIA DIBBETS LLM
MR. DR. QUIRINE A. M. EIJKMAN*
* Alicia Dibbets LLM is zelfstandig mensenrechtenonderzoeker en
mr. dr. Quirine Ekman is lector Toegang tot het Recht b het
Kenniscentrum Sociale Innovatie (KSI), Hogeschool Utrecht en
Ondervoorzitter van het College voor de Rechten van de Mens
(haar bdrage is op persoonlke titel geschreven).
SAMENVATTING 7
1. INLEIDING 11
1.1 PROBLEEMANALYSE 12
1.2 AANLEIDING 13
1.3 ONDERZOEKSVRAGEN 14
1.4 DOELSTELLING 15
1.5 LEESWIJZER 15
2. METHODOLOGIE 17
2.1 RESPONDENTEN 17
2.2 DATAVERZAMELING 18
2.3 DATA-ANALYSE 18
3. THEORETISCH KADER 21
3.1 TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING ALS MENSENRECHT 21
3.2 BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 23
4. CONTEXT 25
4.1 SOCIAAL RAADSLIEDEN EN DE INRICHTING VAN HET SOCIAAL DOMEIN 25
5. SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT
ZORG EN ONDERSTEUNING 29
5.1 MINDER TOEGANG TOT DE SPECIALISTISCHE ZORG 29
5.2 DE NADRUK OP ZELFREDZAAMHEID 32
5.3 ONDUIDELIJKE GRENZEN TUSSEN DE WET MAATSCHAPPELIJKE
ONDERSTEUNING EN DE WET LANGDURIGE ZORG 34
5.4 VERSCHILLEN IN KENNIS TUSSEN GENERALISTEN 35
5.5 TUSSENCONCLUSIE 37
6. SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER OMGANG
MET BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 41
6.1 OMGAAN MET MINDER TOEGANG TOT DE SPECIALISTISCHE ZORG 41
6.2 OMGAAN MET DE NADRUK OP ZELFREDZAAMHEID 45
6.3 OMGAAN MET ONDUIDELIJKE GRENZEN TUSSEN DE WET
§ MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN DE WET LANGDURIGE ZORG 47
6.4 OMGAAN MET VERSCHILLEN IN KENNIS TUSSEN GENERALISTEN 48
6.5 TUSSENCONCLUSIE 49
7. CONCLUSIE 51
BIBLIOGRAFIE 57
INHOUDSOPGAVE
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 6
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 7
SAMENVATTING
Omdat wet- en regelgeving lastig te doorgronden kunnen zn, staan in verschillende
Nederlandse gemeenten sociaal raadslieden de eerstelns professionals in wkteams
b. Deze rechtshulpverleners adviseren en ondersteunen individuele burgers
en sociaal werkers op juridisch gebied. Zodoende leveren z tezamen met de
sociale professionals in de wkteams een belangrke bdrage aan de toegang tot
voorzieningen voor hulpzoekende burgers. Hierdoor kunnen z met hun sociaal-
juridische achtergrond een rol spelen in het waarborgen van de toegankelkheid tot
zorg, en in ondersteuning b de aanvraag daarvan. Sociaal raadslieden kunnen vanuit
deze positie worden gezien als hoeders van mensenrechten in de lokale praktk.
Van toepassing zn hierb het recht op gezondheid, op een behoorlke
levensstandaard en op sociale zekerheid, en toegang tot het recht. Wanneer er als
gevolg van regelgeving en beleid immers belemmeringen ontstaan in toegang tot
zorg, brengt dit risico’s met zich mee voor de realisatie van deze mensenrechten
op lokaal niveau. Omdat sociaal raadslieden zicht hebben op belemmeringen in de
toegang tot zorg en ondersteuning op lokaal niveau – en op de manieren waarop
hiermee kan worden omgegaan – is het nuttig om hun perspectief op de dagelkse
praktk in kaart te brengen. Daarnaast is het belangrk om zicht te krgen op hoe z
toegang tot het recht in deze context beschouwen.
Een eerdere studie onderzocht de manier waarop sociaal werkers en sociaal
werk-teamleiders in wkteams bdragen aan toegang tot zorg en ondersteuning.
Dit kwalitatieve onderzoek, Tussen Burgers en Mensenrechten Lokaal: Sociale
Professionals over Toegang tot Zorg en Ondersteuning, is in 2017-2018 uitgevoerd
onder wkteams in Utrecht. Daarb is bekeken hoe deze lokale professionals
omgaan met belemmeringen in de toegang tot zorg die z tegenkwamen in de
praktk. Hiermee zn knelpunten in de realisatie van mensenrechten op lokaal
niveau verkend vanuit het oogpunt van deze sociale professionals. De eerste
belemmering is de beperkte toegang tot de specialistische zorg. Daarnaast kan de
nadruk op zelfredzaamheid een belemmering vormen wanneer deze te hoog wordt
ingeschat. Ten derde kunnen er belemmeringen in toegang ontstaan vanwege
onduidelke grenzen tussen de Wet maatschappelke ondersteuning (Wmo) en
de Wet langdurige zorg (Wlz). Ten slotte kunnen verschillen in kennis en ervaring
tussen generalistische sociaal werkers belemmeringen veroorzaken als hierdoor
zorgbehoeftes onjuist worden ingeschat, of wanneer kennis over specieke
regelgeving of voorzieningen ontbreekt.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 8
In dit rapport wordt een vervolg gegeven aan dit eerdere onderzoek. Met
hun sociaal-juridische achtergrond kunnen sociaal raadslieden namelk een
ander perspectief bieden op de vier belemmeringen in toegang tot zorg en
ondersteuning die de sociaal werkers en teamleiders constateerden. De vier
eerdere geïdenticeerde belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning
kunnen namelk nadelig zn voor een aantal voorwaarden die op basis van
sociaal-economische mensenrechten worden gesteld aan publieke diensten. De
manieren waarop sociaal raadslieden omgaan met de door sociale professionals
geconstateerde belemmeringen, beïnvloeden mogelk de manier waarop deze
voorwaarden worden nageleefd en toegang tot het recht in de praktk kan worden
gerealiseerd. Door middel van interviews met tien sociaal raadslieden zn de
belemmeringen in de toegang tot zorg, zoals die in de dagelkse gang van zaken
verloopt binnen wkteams, vanuit hun juridische perspectief uiteengezet.
Uit wetgeving en beleid blkt dat sociaal raadslieden, in tegenstelling tot sociaal
werkers, geen rechtstreekse rol spelen in het faciliteren van toegang tot zorg
of ondersteuning. Dit beïnvloedt de manier waarop z omgaan met de vier
eerder geconstateerde belemmeringen. Uit de interviews is gebleken dat sociaal
raadslieden voor toegang tot de specialistische zorg vooral doorverwzen naar
de sociaal werkers, naar andere eerstelns professionals, de onafhankelke
cliëntondersteuners, en in sommige gevallen naar tweedelns rechtshulpverleners,
voornamelk advocaten. Als echter belemmeringen te maken hebben met onjuiste
toepassing van regelgeving, zou men verwachten dat sociaal raadslieden juist een rol
hebben te spelen door sociaal werkers hierover b te staan. Dit kan in de vorm van
advies of door er zelf voor te zorgen dat regelgeving correct wordt toegepast voor
een cliënt.
Het rapport laat verder zien dat belemmeringen die voortkomen uit regelgeving of
beleid, in eerste instantie door sociaal raadslieden wordt opgelost op individueel
niveau: per cliënt. Daarnaast wordt er gebruikgemaakt van een bestaande stedelke,
regionale en landelke structuur om dergelke belemmeringen te signaleren en
aan te kaarten. Het blft echter de vraag of op deze manier de problemen ten
aanzien van toegang tot zorg en ondersteuning op lokaal niveau structureel worden
aangepakt.
Dit onderzoek concludeert dat sociaal raadslieden met name een aanvullende rol
spelen b toegang tot het recht voor hulpzoekers. De directe verantwoordelkheid
voor de omgang met belemmeringen hierin wordt immers neergelegd b de lokale
sociaal werkers en de onafhankelke cliëntondersteuners, die burgers – anoniem
– kunnen bstaan b maatschappelke ondersteuning en hulp b het verkrgen
daarvan. Zo spelen sociaal raadslieden in het Utrechtse buurtteam een bescheiden
rol in het versterken van de rechtspositie van cliënten. Dit laatste gebeurt eigenlk
alleen door hulpzoekers te adviseren, en door te helpen b het opstellen van
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 9
bezwaarschriften met betrekking tot toegang tot voorzieningen die niet verlopen via
de Wmo. Tegelkertd is er een risico dat ze dit niet of minder doen vanwege hun
relatie met de gemeente, indirect hun werkgever, of collega-sociale professionals
met wie ze nauw samenwerken. Het lkt er daardoor sterk op dat de sociaal
raadslieden het niet als hun primaire taak beschouwen om de toegang tot het
recht in de context van zorg en ondersteuning te versterken. Dit heeft, ondanks de
belangrke aanvullende rol van sociaal raadslieden, zn weerslag op het waarborgen
van mensenrechten voor de meest kwetsbare burgers. Oftewel: de realisatie van
mensenrechten op lokaal niveau en de toegang tot recht staan hiermee onder druk.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 10
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 11
1. INLEIDING
Gemeenten zn sinds 2015 verantwoordelk voor jeugdzorg, werk en inkomen
en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Decentralisatie van overheidstaken
naar gemeenten betekent dat gemeenten het voortouw hebben in de manier
waarop z bestuurlk, ambtelk en nancieel invulling geven aan de nieuwe
verantwoordelkheid. De rksoverheid geeft de gemeenten beleidsvrheid om hun
nieuwe taken uit te voeren. Sinds deze transities in het sociaal domein zn in veel
Nederlandse gemeenten wkteams bepalend geworden voor de toegang tot zorg
en ondersteuning. Vanuit een juridisch perspectief vormen de Participatiewet, de
nieuwe Wet maatschappelke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet hiervoor de
basis. De wkteams fungeren als toegangspoort tot de beschikbare voorzieningen.
Ook zn de hierin werkzame professionals verantwoordelk voor het inschatten van
zorgbehoeftes van mensen in de wk.
Omdat sociale professionals binnen wkteams de toegang tot zorg en ondersteuning
faciliteren, spelen z mede een rol in processen die de realisatie van mensenrechten
beïnvloeden, zoals: het recht op gezondheidszorg, het recht op een behoorlke
levensstandaard en het recht op sociale zekerheid. In 2017-2018 is daarom een
onderzoek uitgevoerd onder wkteams (oftewel: buurtteams) in Utrecht om zicht
te krgen op de manier waarop lokale sociaal werkers en sociaal werk-teamleiders
in buurtteams bdragen aan toegang tot zorg en ondersteuning in het sociaal
domein (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018). Daarb is gekeken naar
hoe deze lokale professionals in de frontlinie omgaan met belemmeringen op het
gebied van het inschatten van zorgbehoefte, en de daaruit volgende ondersteuning
en advisering b de aanvraag van hulp en middelen. Hiermee zn knelpunten in de
verwezenlking van mensenrechten op lokaal niveau belicht vanuit het oogpunt van
de betrokken sociale professionals.
Deze studie sluit aan b onderzoek naar de toenemende aandacht voor
mensenrechten op lokaal niveau. In Nederland zn diverse gemeenten en steden
de laatste jaren mensenrechten gaan toepassen op beleid of om groepen te
verbinden (Teitler, Cuypers, Klever, Hardy & Steenbergen, 2012; Van den Berg
& Oomen, 2014). De nadruk op lokalisering van mensenrechten komt voort uit
het besef dat de werkelke realisatie van mensenrechten mede afhankelk is van
de inzet van lokale actoren (De Feyter, 2010). Eén van de gevolgen van deze
lokalisering van mensenrechten is dat meer verschillende professionals, onder wie
sociale professionals, worden beschouwd als belangrke actoren op het gebied
van mensenrechten (Dibbets & Ekman, 2018). Dit betekent dat lokale sociale
professionals in hun dagelkse werk invloed (kunnen) hebben op de manier waarop
mensenrechten worden gerealiseerd in het sociaal domein.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 12
Daarnaast haakt dit onderzoek aan b bestaand onderzoek naar de effecten van de
transities in het sociaal domein. Zo is aangetoond dat lokale (sociale) professionals
weliswaar meer verantwoordelkheden hebben gekregen, maar dat dit niet altd
samengaat met de nodige professionele handelingsruimte of juridische kennis en
vaardigheden (Hilhorst & Van der Lans, 2015; Tonkens, 2016; Claessen, Ekman
& Lamkaddem, 2017). Ook zn er vraagtekens geplaatst b de haalbaarheid
van het ideaal van zelfredzaamheid van de burger, en b de inzet van het eigen
privénetwerk als alternatief voor professionele hulp (Wetenschappelke Raad voor
het Regeringsbeleid, 2017; Bredewold, Duyvendak, Kampen, Tonkens & Verplanke
, 2018). Daarb blkt dat de nieuwe inrichting van het sociaal domein niet op alle
fronten bevorderlk is geweest voor goede toegang tot de nodige voorzieningen of
toegang tot het recht (Ekman, 2017; Raad voor Volksgezondheid en Samenleving,
2017; Sociaal en Cultureel Planbureau, 2017; Nationale ombudsman, 2018).
1.1 PROBLEEMANALYSE
Doordat de decentralisatie van het zorg- en welznpakket is samengegaan met
bezuinigingen, hebben gemeenten minder budget voor zorg en ondersteuning
dan daarvoor het geval was (Raad voor het Openbaar Bestuur, 2017, p. 35). Dit
leidde onder andere tot beperkingen in de toegang tot specialistische zorg. Uit
het gemeentebeleid kan dan ook worden opgemaakt dat de buurtteams fungeren
als goedkoper alternatief voor – en toegangspoort tot – de specialistische zorg
(Gemeente Utrecht, 2014, p. 17, 36; Vermeulen et al., 2015, p. 27). Dit valt te
onderbouwen met een aantal relevante ontwikkelingen.
De buurtteams hebben de taak om allereerst te kken naar het eigen netwerk van
een cliënt, naar vrwilligers en naar de zorg die kan worden geboden door de sociale
professionals uit het buurtteam zelf. Vervolgens wordt gekeken naar mogelke
specialistische zorg. Zo krgt in Utrecht een deel van de cliënten die eerder
specialistische zorg ontvingen nu enkel nog ondersteuning van een buurtteam. Dit
houdt bvoorbeeld in woonondersteuning voor burgers met psychische problemen,
of hulp b dagbesteding voor ouderen.
Aangezien wkteams worden geacht de zelfredzaamheid van wkbewoners te
stimuleren, geeft het beleid van de gemeente Utrecht in wezen aan dat iemands
mate van zelfredzaamheid de toegang tot zorg en ondersteuning bepaalt (Van
Cadsand et al., 2013, p. 28). Deze nadruk op zelfredzaamheid kan de toegang
tot zorg temeer belemmeren wanneer mensen minder of helemaal geen zorg
meer ontvangen op basis van hun (vermeende) zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid
kan echter wel degelk onjuist worden ingeschat, waardoor mensen met een
hulpvraag onvoldoende ondersteuning krgen (Wetenschappelke Raad voor
het Regeringsbeleid, 2017, p. 19; Centrum voor Ethiek en Gezondheid, 2016,
p. 9; Bredewold et al., 2018, p. 11). De Utrechtse Rekenkamer heeft zodoende
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 13
aangegeven dat er voor mensen met ernstige beperkingen die zelfstandig thuis
wonen ‘soms een groter beroep wordt gedaan op hun eigen kracht dan z
aankunnen’ (Rekenkamer Utrecht, 2017, p. 12). Te veel nadruk op zelfredzaamheid
raakt met name mensen met extra zorgbehoeftes, zoals ouderen en mensen met een
beperking.
Hoewel wkteams zorg en ondersteuning faciliteren, kan het voor mensen met
meervoudige problematiek onduidelk zn of hun zorgbehoefte valt onder de
Wmo of de Wet langdurige zorg (Wlz). Onderzoeken van zowel adviesorganen als
belangenorganisaties signaleren dat onvoldoende helderheid in de afbakening
tussen deze wettelke stelsels drempels kan opwerpen b het regelen van
noodzakelke zorg (MEE NL, 2016, p. 4; Ieder(in), 2016, p. 13; Raad voor
Volksgezondheid en Samenleving, 2017, p. 29; Sociaal en Cultureel Planbureau,
2017, p. 14; Nationale ombudsman, 2018). Deze belemmering kan te maken hebben
met onvoldoende duidelke informatie over de betreffende regelgeving. Tevens kan
de regelgeving niet goed aansluiten op de behoeftes van mensen met meervoudige
problematiek. Mede als gevolg daarvan is ook toegang tot het recht niet altd
gemakkelk te verwezenlken.
Toegang tot sociale zorg en ondersteuning kan worden gezien als onderdeel van
het recht op gezondheid, het recht op een behoorlke levensstandaard, en het
recht op sociale zekerheid. Wanneer door regelgeving en beleid belemmeringen
ontstaan in de toegang tot zorg, brengt dit risico’s met zich mee voor de realisatie
van deze mensenrechten op lokaal niveau. Sociale professionals kunnen de toegang
tot zorg beïnvloeden door de manier waarop z dergelk beleid uitvoeren, vertalen
naar de praktk of er juist vraagtekens b plaatsen (Staub-Bernasconi, 2011; Dibbets
& Ekman, 2018). Zo bezien zn sociale professionals lokale actoren in het proces
van mensenrechtenrealisatie en geeft de manier waarop z omgaan met deze
belemmeringen inzicht in hun mogelke rollen in dit proces (Dibbets, Claessen,
Ekman & Lamkaddem, 2018).
1.2 AANLEIDING
In sommige steden worden wkteams bgestaan door eerstelns rechtshulpverleners
met een sociaal-juridische achtergrond, ook wel sociaal raadslieden genoemd.
In Utrecht, bvoorbeeld, werken op de locatie van de buurtteams sociaal
raadslieden die in dienst zn b de organisatie U Centraal. Z bieden juridische en
administratieve ondersteuning aan wkbewoners. Tevens adviseren z sociaal werkers
op het gebied van beleid en regelgeving. Door de rol die z spelen binnen de
wkteams, en door hun juridische achtergrond, hebben sociaal raadslieden mogelk
een andere kk op de belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning en
op de manieren waarop hiermee kan worden omgegaan door sociaal werkers en
teamleiders.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 14
Om duidelk te maken dat het begrip ‘rechtvaardigheid’ een centrale rol
speelt in dit empirische onderzoek is het belangrk om te benadrukken dat de
belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning beschouwt vanuit een
mensenrechtenperspectief. Deze toegang kan namelk worden gezien als belangrk
onderdeel van de realisatie van mensenrechten. Aangezien sociaal raadslieden
hierin een sleutelpositie vervullen, is het nuttig om de ontwikkelingen rondom de
transities in het sociaal domein te bekken vanuit hun perspectief: hoe zien z de
belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning?
Sociaal raadslieden binnen wkteams spelen dan wel geen directe rol in het
faciliteren van zorg en ondersteuning voor wkbewoners, maar om een completer
beeld te krgen van de manier waarop lokale sociale professionals binnen wkteams
de realisatie van mensenrechten beïnvloeden, is hun visie wel belangrk. Doordat
deze eerstelns rechtshulpverleners individuele burgers en sociaal werkers op
juridisch gebied adviseren en ondersteunen, hebben z waarschnlk een andere kk
op mogelkheden en beperkingen van bestaand beleid en regelgeving, alsmede op
de consequenties hiervan voor toegang tot zorg en het recht voor wkbewoners.
De taak van sociaal werkers binnen wkteams is met name gericht op de noodzaak
van zorg en ondersteuning voor de cliënt. Sociaal raadslieden moeten echter steeds
een koppeling kunnen maken tussen de situatie van de cliënt en bestaand beleid en
regelgeving.
In vervolg op het voorgaande onderzoek onder sociaal werkers en teamleiders,
rst nu de vraag: welke belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning
constateren en herkennen sociaal raadslieden met hun juridische en beleidsmatige
insteek (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018)? Ook is het dan relevant
om te achterhalen hoe z in de praktk met deze belemmeringen omgaan.
1.3 ONDERZOEKSVRAGEN
Hoofdvraag:
-Hoe beïnvloeden sociaal raadslieden de toegang tot zorg en ondersteuning in de
wk?
Deelvragen:
-Welke belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning constateren
sociaal raadslieden uit wkteams in de praktk?
-Welke belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning, zoals die zn
geconstateerd door sociaal werkers en teamleiders uit wkteams, herkennen
sociaal raadslieden uit de praktk?
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 15
-Hoe gaan sociaal raadslieden in wkteams om met deze belemmeringen in de
toegang tot zorg en ondersteuning voor mensen in de wk?
1.4 DOELSTELLING
De algemene doelstelling van dit onderzoek is inzicht te krgen in knelpunten in
de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau vanuit het oogpunt van sociaal
raadslieden. Dit is een parallel- en vervolgonderzoek op een voorgaand onderzoek
naar de manieren waarop uitvoerend sociaal werkers en sociaal werk-teamleiders
in wkteams hun bdrage leveren aan toegang tot zorg en ondersteuning in het
sociaal domein (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018). Daarnaast speelt
op de achtergrond de rol van sociaal raadslieden b het faciliteren van toegang tot
het recht een rol. Door een verband te leggen tussen mensenrechtenrealisatie en
de uitvoeringspraktk van sociale en juridische professionals, wordt een bdrage
geleverd aan de ontwikkeling om mensenrechten een plek te geven in het sociaal
werk- en rechtencurriculum (Hartman et al., 2016). Daarmee draagt het onderzoek b
aan de vernieuwing van beroepsopleidingen zoals Sociaaljuridische Dienstverlening,
Rechten en Social Work.
1.5 LEESWIJZER
Dit kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd onder sociaal raadslieden van U Centraal
die werken op locatie van de buurtteams in Utrecht. Het rapport is als volgt opgezet:
hoofdstuk 2 schetst de onderzoeksmethode en hoofdstuk 3 het theoretisch kader.
Vervolgens behandelt hoofdstuk 4 de context: namelk de inrichting van het sociaal
domein met buurtteams in Utrecht en de specieke rol die sociaal raadslieden
daarbinnen spelen. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 worden de resultaten van het
kwalitatieve onderzoek besproken. Het rapport eindigt met een conclusie en
aanbevelingen.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 16
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 17
2. METHODOLOGIE
Dit kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd door middel van interviews met sociaal
raadslieden van U Centraal die werken binnen Utrechtse buurtteams. Het gaat hier
om een parallel- en vervolgonderzoek van een eerder onderzoek onder uitvoerend
sociaal werkers en teamleiders van buurtteams in Utrecht (Dibbets, Claessen, Ekman
& Lamkaddem, 2018). Dit hoofdstuk omschrft de selectie van respondenten voor
het onderzoek, de methode van dataverzameling en de data-analyse.
2.1 RESPONDENTEN
De respondenten voor dit onderzoek zn geworven via een lst met sociaal
raadslieden beschikbaar gesteld door U Centraal. Deze sociaal raadslieden zn
allen werkzaam als sociaal-juridisch adviseur en ondersteuner binnen een buurtteam
in Utrecht. De selectiecriteria waren: een achtergrond in sociaal-juridische
dienstverlening (SJD) en minimaal twee jaar werkervaring als sociaal raadsvrouw/man
in een buurtteam. De 23 sociaal raadslieden op de lst zn van juni tot september
2018 benaderd via e-mail namens de Hogeschool Utrecht. Daarop kwam een
positieve respons van tien sociaal raadslieden afkomstig uit negen buurtteams. Vf
sociaal raadslieden waren niet in de gelegenheid tot een interview gedurende de
periode van het onderzoek. Van de acht overige sociaal raadslieden kwam geen
respons.
Respondent
Werkervaring als
sociaalraadsvrouw/-man Datum interview
sociaal raadsvrouw/man 1 10-15 jaar juli 2018
sociaal raadsvrouw/man 2 2-5 jaar juli 2018
sociaal raadsvrouw/man 3 15-20 jaar juli 2018
sociaal raadsvrouw/man 4 15-20 jaar augustus 2018
sociaal raadsvrouw/man 5 2-5 jaar augustus 2018
sociaal raadsvrouw/man 6 15-20 jaar augustus 2018
sociaal raadsvrouw/man 7 15-20 jaar augustus 2018
sociaal raadsvrouw/man 8 10-15 jaar augustus 2018
sociaal raadsvrouw/man 9 10-15 jaar september 2018
sociaal raadsvrouw/man 10 10-15 jaar september 2018
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 18
2.2 DATAVERZAMELING
De data zn verzameld door middel van semigestructureerde interviews met de
respondenten, waarb vragen zn gesteld met betrekking tot de volgende thema’s:
de rol van sociaal raadslieden in een buurtteam, en de ervaringen en observaties
van sociaal raadslieden met betrekking tot toegang tot zorg via een buurtteam.
Daarnaast zn aan de sociaal raadslieden de vier belemmeringen in de toegang tot
zorg voorgelegd die naar voren kwamen in het onderzoek onder sociaal werkers
en teamleiders (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018). Aan de sociaal
raadslieden werd gevraagd of z deze belemmeringen herkennen, of en hoe z
hiermee te maken krgen in hun werk, en hoe ermee wordt omgegaan.
De tien interviews duurden 45-70 minuten en zn alle afgenomen door één
onderzoeker. Met toestemming van de respondenten zn van de interviews audio-
opnames gemaakt, die vervolgens zn getranscribeerd. Alle verzamelde data zn
opgeslagen zonder persoonsgegevens, en anoniem verwerkt door elke respondent
een nummer te geven.
2.3 DATA-ANALYSE
Dit kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd als parallel- en vervolgonderzoek op een
eerder onderzoek waarb aan de hand van grounded theory (Charmaz, 2006) vier
belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning zn geïdenticeerd (Dibbets,
Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018). De resultaten van dit onderzoek dienen als
theoretisch kader voor het huidige onderzoek.
Voor de data-analyse is eerst bekeken welke belemmeringen in de toegang tot
zorg sociaal raadslieden uit zichzelf constateren. Hiervoor is gebruikgemaakt van
de observaties en ervaringen van de respondenten met betrekking tot toegang tot
zorg via de buurtteams. Daarnaast is geïnventariseerd welke belemmeringen uit het
voorgaande onderzoek sociaal raadslieden zeggen te herkennen. Alle verzamelde
belemmeringen zn vervolgens geanalyseerd aan de hand van het theoretisch kader.
Hierb is bekeken of het ging om dezelfde belemmeringen zoals geconstateerd in
het eerdere onderzoek, en hoe sociaal raadslieden deze belemmeringen benaderen.
Uit deze analyse bleek dat sociaal raadslieden in grote lnen dezelfde vier
belemmeringen omschrven als de teamleiders en sociaal werkers uit het
voorgaande onderzoek. Daarna is in de data opgezocht hoe sociaal raadslieden
met elke belemmering omgaan. Hiervoor is eerst bekeken of, en zo ja hoe, de
respondenten de belemmeringen zeggen tegen te komen in praktk. Vervolgens
is bestudeerd welke handelingen de respondenten beschrven in reactie op een
belemmering, wat voor oplossingen ze ervoor aandragen en welke meningen ze
erover uiten.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 19
Tot slot is voor zowel de belemmeringen als voor de manier waarop ermee wordt
omgegaan bekeken op wat voor manier ze zich verhouden tot de voorwaarden die
de mensenrechten stellen aan publieke diensten (zie hoofdstuk 3). Dit betekent dat
is gekeken op wat voor manieren de belemmeringen beïnvloeden of de nodige
voorzieningen in voldoende mate beschikbaar zn, of ze toegankelk zn voor
iedereen, en of ze aanvaardbaar en van goede kwaliteit zn.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 20
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 21
3. THEORETISCH KADER
Dit onderzoek focust op de toegang tot sociale zorg en ondersteuning vanuit het
perspectief van sociaal raadslieden die werkzaam zn in wkteams. Het uitgangspunt
is dat deze toegang tot zorg en ondersteuning onderdeel is van de realisatie
van verschillende mensenrechten: het recht op gezondheid, op een behoorlke
levensstandaard, op sociale zekerheid en op toegang tot het recht. Belemmeringen
in de toegang kunnen de realisatie van deze mensenrechten in de weg staan.
Daarom wordt hier eerst uiteengezet wat er kan worden verstaan onder de realisatie
van de relevante mensenrechten en hoe dit gerelateerd kan worden aan toegang
tot sociale zorg en ondersteuning. Daarna volgt een overzicht van belemmeringen
in de toegang tot zorg en ondersteuning zoals geconstateerd door sociaal werkers
en teamleiders in Utrechtse wkteams (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem,
2018). Hierb wordt een link gelegd met regelgeving en beleid, en met bestaand
onderzoek naar toegang tot zorg en toegang tot het recht in het sociaal domein.
3.1 TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING ALS MENSENRECHT
Onder mensenrechtenrealisatie wordt in dit onderzoek verstaan: het proces van
de verwezenlking van individuele mensenrechten zoals vastgelegd in regionale
en internationale mensenrechtenverdragen.1 Hoewel nationale wetgeving2 het
recht op toegang tot zorg, ondersteuning en rechtsbstand implementeert, zn
deze verdragen van belang omdat toegang tot zorg en ondersteuning kan worden
beschouwd als een belangrk onderdeel van de realisatie van mensenrechten
op lokaal niveau. Het ‘recht op sociale zorg en ondersteuning’, ‘recht op sociale
voorzieningen’ en ‘toegang tot het recht’ zn in deze zin niet letterlk terug
te vinden in nationale wetgeving, maar dergelke rechten kunnen wel worden
afgeleid uit het recht op gezondheid, op sociale zekerheid en op een behoorlke
levensstandaard, zoals onder andere vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (hierna ‘IVESCR’, art. 9, 11 en 12)3 en het
recht op rechtsbstand in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
(hierna ‘EU Handvest’, art. 47).
1 Internationaal recht, waaronder internationale en regionale mensenrechtenverdragen, heeft rechtstreekse
werking in Nederland (Grondwet, art. 94)
2 Voor het recht op rechtsbijstand zie Grondwet, art. 18 en de Wet op de rechtsbijstand, 1993. Toegang
tot zorg en ondersteuning wordt primair verleend op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo), 2015 en de Wet langdurige zorg (Wlz), 2014.
3 Deze rechten zijn in verschillende vormen ook terug te vinden in andere internationale en regionale
mensenrechtenverdragen. Voor dit onderzoek wordt uitgegaan van de rechten uit het IVESCR en het EU
Handvest, omdat hiervan toepasbare en algemeen geaccepteerde interpretaties bestaan.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 22
De betekenis en inhoud van de IVESCR-rechten zn terug te vinden in de algemene
aanbevelingen van het VN-Comité inzake economische, sociale en culturele
rechten (hierna ‘ESC-Comité’, 1990; ESC-Comité, 2000; ESC-Comité, 2008). Deze
gezaghebbende interpretaties geven een goed beeld van waaraan op grond van
internationale verdragen moet worden voldaan om deze specieke mensenrechten
te realiseren (Blake, 2008). Omdat Nederland part is b het IVESCR, zn deze
interpretaties ook van toepassing in Nederland. Dit geldt natuurlk ook voor het EU
Handvest (Fundamental Rights Agency (FRA), 2015).
Om een praktisch beeld te krgen van de realisatie van het recht op gezondheid,
op sociale zekerheid en op een behoorlke levensstandaard, kan worden gekeken
naar de voorwaarden die het ESC-Comité stelt aan publieke diensten. Wanneer
sociale voorzieningen worden gezien als onderdeel van deze rechten, kunnen deze
voorwaarden eveneens worden toegepast op zorg en ondersteuning in het sociaal
domein. De voorwaarden zn ontleend aan de voorwaarden die het ESC-Comité
(2000) stelt aan gezondheidsdiensten, maar worden inmiddels breder toegepast
op alle essentiële publieke diensten (Hesselman, De Wolf & Toebes, 2017, p. 300).
Publieke diensten moeten op grond van sociaal-economische mensenrechten in
voldoende mate beschikbaar zn, toegankelk zn voor iedereen, aanvaardbaar zn
en van goede kwaliteit. Tegelkertd speelt toegang tot het recht in de frontlinie een
rol, omdat de toegang tot hulp en ondersteuning in de wk nu verwezenlkt wordt
door lokale professionals. Dit wordt echter in sommige gevallen pas gerealiseerd na
toegang tot informele of formele rechtsprocedures.
Beschikbaarheid van publieke diensten betekent dat de nodige organisaties en
instellingen aanwezig zn, dat deze over voldoende personeel beschikken, en dat
er geen tekort is aan essentiële goederen om de dienst te kunnen leveren. Deze
diensten moeten vervolgens voor iedereen toegankelk zn; hierb gaat het om
zowel fysieke als nanciële toegankelkheid (betaalbaarheid), om toegang zonder
discriminatie en om toegang tot informatie over de diensten. Toegang zonder
discriminatie houdt in dat mensen niet mogen worden benadeeld in hun toegang
tot voorzieningen vanwege onder andere hun geslacht, etniciteit, huidskleur, leeftd,
taal, religie, handicap, gezondheidsstatus, seksuele oriëntatie, sociaal-economische
of andere status. Een derde voorwaarde is dat publieke diensten aanvaardbaar
moeten zn. Dit betekent dat er b de invulling en uitvoering van diensten rekening
moet worden gehouden met behoeftes van verschillende groepen, zoals mensen
met een andere culturele achtergrond of mensen met een beperking. Ten slotte
moeten de goederen en diensten van goede kwaliteit zn. Dit houdt bvoorbeeld in
dat het personeel opgeleid is met de juiste kennis en vaardigheden, dat gebouwen
van organisaties goed onderhouden zn en dat de benodigde goederen voldoen aan
professionele maatstaven.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 23
3.2 BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING
Net als in veel andere gemeenten wordt in het Utrechtse sociaal domein gewerkt
met wkteams (Arum & Schoorl, 2015). Deze wkteams spelen een centrale rol in
het faciliteren van de toegang tot zorg en ondersteuning. Zowel de organisatie en
inrichting van wkteams als het lokale beleid verschilt per gemeente, waardoor er
ook verschil kan zn in mogelke belemmeringen in toegang tot zorg. Omdat dit
onderzoek plaatsvindt onder sociaal raadslieden in Utrecht, die nauw samenwerken
met de buurtteams, is het gebaseerd op de belemmeringen in toegang zoals
geconstateerd door Utrechtse sociaal werkers en teamleiders. Hierb wordt zowel
een koppeling gemaakt met de lokale regelgeving en beleid, als met uitkomsten van
bestaand onderzoek naar toegang tot zorg in het sociaal domein.
Het voorgaande onderzoek identiceerde vier belemmeringen in de toegang
tot zorg en ondersteuning waarmee uitvoerend sociaal werkers en teamleiders
in Utrechtse wkteams te maken kunnen krgen (Dibbets, Claessen, Ekman
& Lamkaddem, 2018). De eerste belemmering is verminderde toegang tot de
specialistische zorg. De tweede belemmering heeft te maken met het ideaal van
zelfredzaamheid, dat in de praktk niet altd haalbaar blkt. De derde belemmering
wordt veroorzaakt door complexiteit in regelgeving waarin cliënten vastlopen
wanneer onduidelk is of een zorgbehoefte valt onder de Wmo of de Wlz. De
vierde belemmering heeft te maken met verschillen in kennis tussen sociaal
werkers en de invloed daarvan op het regelen van zorg voor wkbewoners. Deze
vier belemmeringen zn alle terug te voeren tot bestaande regelgeving en beleid
en kunnen op verschillende manieren de realisatie van bepaalde mensenrechten
beïnvloeden.
Wkteams zn vaak samengesteld uit sociaal werkers met diverse achtergronden
die werken in een breed integraal team om zorg en ondersteuning te verlenen
(Arum & Van den Enden, 2018, p. 19). De gemeente Utrecht heeft b de oprichting
van de buurtteams ingezet op teams bestaand uit ‘hoogwaardige generalistische’
sociaal werkers (Van Cadsand et al., 2013, p. 10). In de praktk blkt dat sociaal
werkers met verschillende kennis en ervaring onderdeel worden van een buurtteam,
en vervolgens als generalist een aantal zeer diverse doelgroepen moeten kunnen
bedienen. Het kan gaan om verschillen in kennis over zowel problematieken als over
toepasbaar beleid en regelgeving (Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2017). Deze
verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers in buurtteams kunnen de
toegang tot zorg belemmeren, doordat zorgbehoeftes verschillend worden herkend
en beoordeeld. De samenstelling van een buurtteam en de specieke ervaring
en kennis van een sociaal werker kunnen daardoor van invloed zn op de zorg en
ondersteuning die iemand uiteindelk krgt. Mensen die vanwege hun problematiek
moeilker zelf hun zorgbehoeftes kunnen aangeven, ervaren daardoor mogelk meer
moeite b de toegang tot zorg en ondersteuning en dit kan leiden tot willekeur.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 24
De vier eerder geconstateerde belemmeringen in toegang tot sociale zorg
en ondersteuning brengen risico’s met zich mee voor de realisatie van
mensenrechten, in het bzonder van het recht op gezondheid, op een behoorlke
levensstandaard, op sociale zekerheid en op toegang tot het recht. Van de
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten kunnen
met name de volgende in de knel komen: toegankelkheid zonder discriminatie,
betaalbaarheid van diensten, kwaliteit van diensten in de vorm van kennis
van professionals, en aanvaardbaarheid van diensten in de zin dat er rekening
wordt gehouden met behoeftes van verschillende groepen. Dit betekent
echter niet dat minder zorg en ondersteuning per denitie ingaat tegen de
mensenrechten. De realisatie van mensenrechten komt pas in het geding als
door beleid en regelgeving direct of indirect belemmeringen in de toegang tot
voorzieningen ontstaan, waardoor mensen in situaties terechtkomen waarb
niet alleen besluiten onrechtmatig kunnen zn, maar waarb ook hun menselke
waardigheid wordt aangetast. Het feit dat de toegang tot sociale zorg en
ondersteuning een mensenrecht is, benadrukt dat deze voorzieningen geen
gunsten zn maar individuele rechten waarop mensen zich kunnen beroepen. De
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten, bieden
hierb een kader.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 25
4. CONTEXT
Dit hoofdstuk vormt de context voor de resultaten van dit kwalitatieve onderzoek.
Het omschrft de inrichting van het sociaal domein met buurtteams in Utrecht en de
specieke rol die sociaal raadslieden daarbinnen spelen. De buurtteams in Utrecht
hebben net als wkteams in andere steden een belangrke functie in de toegang tot
sociale zorg en ondersteuning voor wkbewoners. De samenstelling van wkteams
verschilt per gemeente, maar de teams bestaan vaak uit professionals die werkzaam
zn b diverse moederorganisaties (Arum & Van den Enden, 2018, p. 26). In Utrecht
zn de sociaal werkers als generalisten allemaal in dienst b de buurtteamorganisatie.
4.1 SOCIAAL RAADSLIEDEN EN DE INRICHTING VAN HET SOCIAAL DOMEIN
De werkwze van sociaal raadslieden verschilt eveneens per gemeente. Er zn
steden waar ze onderdeel vormen van een wkteam, maar ze kunnen ook een
externe dienst zn die op afroep beschikbaar is voor wkteams. Binnen het sociaal
domein fungeren sociaal raadslieden over het algemeen als laagdrempelige
eerstelns rechtshulpverleners. Ze zn specialist op het gebied van sociaal-
juridische hulpverlening. Dit betekent onder andere dat z individuele cliënten
adviseren en ondersteunen op verschillende rechtsgebieden zoals uitkeringen,
schulden, belastingen, wonen, geldzaken et cetera door ze te informeren over de
voor hen geldende wet- en regelgeving en door ze te helpen gebruikmaken van
de voorzieningen waarop ze recht hebben (LOSR/MOgroep, 2015). De sociaal
raadslieden in Utrecht voeren hun werk uit binnen de buurtteams maar zn in dienst
b welznsorganisatie U Centraal. Dit praktkgerichte onderzoek vond plaats onder
deze sociaal raadslieden.
Het Utrechtse sociaal domein is sinds de decentralisaties in 2015 opgedeeld in drie
sporen (Vermeulen et al., 2015, p. 30). De basisvoorzieningen die voor iedereen
toegankelk zn vallen onder spoor 1. De sociale basiszorg geleverd door de
buurtteams is spoor 2 en de specialistische zorg spoor 3. De buurtteams fungeren als
schakel tussen de basisvoorzieningen (spoor 1) en de specialistische zorg (spoor 3). In
Utrecht zn er buurtteams Jeugd en Gezin, en voor volwassenen buurtteams Sociaal.
Sociaal raadslieden werken voor beide soorten buurtteams, maar dit onderzoek is
alleen gericht op de buurtteams Sociaal.
In Utrecht zn achttien buurtteams verspreid over de verschillende wken (FCB,
2015, p. 19). De hoofdtaak van de buurtteams Sociaal is om, op basis van hulpvragen
van bewoners, te bepalen of mensen terechtkunnen b basisvoorzieningen, of
het buurtteam zelf sociale basiszorg kan leveren, of dat een doorverwzing naar
specialistische zorg nodig is. Sinds 2016 adviseren de buurtteams de gemeente ook
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 26
over hulp b het huishouden en is de toegang tot het traject schuldhulpverlening van
de gemeente overgeheveld naar de buurtteams (Buurtteam, 2017; Burgemeester en
Wethouders, 2017). Voor hulpmiddelen zoals een rolstoel of woningaanpassingen
fungeert het Wmo-loket van de gemeente nog steeds als aanspreekpunt.
Binnen de buurtteams zn buurtteammedewerkers (ook wel generalisten of sociaal
werkers genoemd) verantwoordelk voor het faciliteren van zorg voor individuele
wkbewoners (Vermeulen et al., 2015). Dit betekent dat deze sociaal werkers een
inschatting maken van de zorgbehoefte van mensen met een hulpvraag en bepalen
of iemand terecht kan b het eigen netwerk of vrwilligers, of dat sociale basiszorg
van het buurtteam noodzakelk is. Als dat niet voldoende blkt, faciliteert de sociaal
werker de toegang tot de specialistische zorg.
Sociaal raadslieden vervullen een andere functie binnen de buurtteams. Deze
eerstelns rechtshulpverleners zn onderdeel van het Informatie en Advies-team
(I&A) van U Centraal, maar werken op locatie binnen de buurtteams. Stadsbreed
bestaat het I&A-team uit circa 23 sociaal raadslieden, een groep stagiaires en een
groot aantal vrwilligers.4 Het aantal sociaal raadslieden per buurtteam verschilt.
Zo zn er buurtteams met één, twee of drie sociaal raadslieden, die vaak in deeltd
werken. Dit betekent dat er in verhouding veel minder sociaal raadslieden dan
sociaal werkers beschikbaar zn b de buurtteams.
Binnen de buurtteams fungeren de sociaal raadslieden min of meer als eerstelns
rechtshulpprofessionals. Ze ondersteunen wkbewoners op het gebied van sociale
zekerheid, belastingen, arbeid, huisvesting, vreemdelingenrecht, personen- en
familierecht, onderws en consumentenzaken (LOSR/MOgroep, 2015). Deze
wkbewoners kunnen cliënten zn die al worden ondersteund door een sociaal
werker van het buurtteam, maar het kunnen ook mensen zn die zich b het
buurtteam melden met een specieke juridische vraag. Naast het ondersteunen van
wkbewoners adviseren de sociaal raadslieden ook de sociaal werkers op het gebied
van wet- en regelgeving. Als sociaal werkers in een specieke casus aanlopen tegen
regelgeving waarmee ze niet goed uit de voeten kunnen, kan er worden aangeklopt
b een sociaal raadsvrouw/man. Verder hebben de sociaal raadslieden een
coördinerende en begeleidende taak met betrekking tot stagiaires en vrwilligers.
Een aanvullende rol van sociaal raadslieden is het signaleren van knelpunten in wet-
en regelgeving die nadelig kunnen uitpakken voor cliënten (Hamming, 2015; LOSR/
MOgroep, 2015). Deze signalen worden gedeeld tdens overleggen b U Centraal,
en zo nodig meegenomen in de regionale en landelke signaleringsstructuur van
sociaal raadslieden. Via deze structuren kunnen knelpunten worden aangekaart b
overheidsinstanties of de regering.
4 Zie bijvoorbeeld: www.u-centraal.nl/nieuws/2017/informatie-en-advies-staat-in-utrecht/
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 27
De sociaal raadslieden binnen de buurtteams houden zich niet direct bezig met
toegang tot formele rechtsprocedures. Voor advies over de procedure voor toegang
tot Wmo-voorzieningen (specialistische zorg) en eventuele bezwaarprocedures
met betrekking tot een aanvraag voor een dergelke voorziening verwzen ze
door naar andere eerstelns professionals, namelk twee parttime werkende
onafhankelke klantondersteuners (of cliëntondersteuners) b U Centraal.5 Deze
hulpprofessionals, die meestal een achtergrond als sociaal of maatschappelk werker
hebben, staan hulpzoekers ‘onafhankelk’ – anoniem – b met informatie en advies
over vraagstukken van maatschappelke ondersteuning en hulp b het verkrgen
van toegang tot Wmo-voorzieningen (Wlz, art. 1.1.1 en 4.2.1; Wmo, art. 1.1.1 en
2.2.4; Van Bergen, Van de Maat & Hurkmans, 2015; Reporter Radio, 2018; Sociaal
en Cultureel Planbureau, 2018, p. 121). Omdat sociaal raadslieden door hun werk
binnen de buurtteams nauw samenwerken met sociaal werkers, hebben z wel
zicht op het functioneren van de buurtteams. In de hoofdstukken 5 en 6, waarin de
resultaten van het kwalitatieve onderzoek worden behandeld, wordt verder ingegaan
op de rol en positie van sociaal raadslieden ten opzichte van toegang tot zorg en
ondersteuning via de buurtteams.
5 Zie: www.u-centraal.nl/informatie-en-advies/klantondersteuner/
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 28
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 29
5. SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER
BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT
ZORG EN ONDERSTEUNING
Dit hoofdstuk behandelt de resultaten van het kwalitatieve onderzoek naar
belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning, zoals geconstateerd en
herkend door sociaal raadslieden in buurtteams. Omdat de belemmeringen die
sociaal raadslieden uit zichzelf constateren overeenkomen met de belemmeringen
die naar voren kwamen in eerder onderzoek onder sociale professionals, en
die sociaal raadslieden herkennen, worden deze gezamenlk omschreven (zie
paragraaf 2.3 Data-analyse). Daarb wordt ook aangegeven welke belemmeringen
door welke sociaal raadslieden werden geconstateerd dan wel herkend. In de
tussenconclusie wordt geanalyseerd hoe deze belemmeringen zich verhouden tot de
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten.
De belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning die kunnen worden
opgemaakt uit de interviews, komen overeen met de resultaten uit het onderzoek
onder sociaal werkers en teamleiders in buurtteams (Dibbets, Claessen, Ekman
& Lamkaddem, 2018, p. 27-36). Hierb moet worden opgemerkt dat sociaal
raadslieden zich niet rechtstreeks bezighouden met het faciliteren van toegang tot
zorg en ondersteuning; er wordt dus regelmatig gesproken vanuit hun ervaringen als
professional aan de zln. In enkele gevallen hebben sociaal raadslieden echter direct
te maken met een specieke belemmering, zoals de nadruk op zelfredzaamheid.
Sociaal raadslieden constateerden of herkenden dezelfde vier belemmeringen die
werden geïdenticeerd in het onderzoek onder sociaal werkers en teamleiders.
Deze vier belemmeringen zn de verminderde toegang tot de specialistische zorg
waardoor meer zorg terechtkomt b buurtteams, de nadruk op zelfredzaamheid die
invloed heeft op de zorg die iemand krgt, de complexiteit in het onderscheid tussen
de Wmo en Wlz, en de gevolgen van verschillen in kennis tussen de generalistische
sociaal werkers op lokaal niveau.
5.1 MINDER TOEGANG TOT DE SPECIALISTISCHE ZORG
Sinds het ontstaan van de buurtteams voeren sociale profesionals, als onderdeel
van de basiszorg, een groot deel van de zorg uit die eerder werd uitgevoerd door
specialistische organisaties (Gemeente Utrecht, 2016, p. 4). Daarb wordt er voor
mensen die met een zorgbehoefte b een buurtteam terechtkomen eerst gekeken
naar de mogelkheden van hulp in het eigen netwerk en door vrwilligers, of naar
ondersteuning door een buurtteam. Pas als de voorliggende voorzieningen of de
basiszorg van het buurtteam niet voldoende zn, kan er door het buurtteam een
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 30
doorverwzing naar de specialistische zorg worden geregeld. Deze beperktere
toegang tot de specialistische zorg is mede ingezet vanwege de bezuinigingen in
het sociaal domein sinds de decentralisaties (Gemeente Utrecht, 2014, p. 17, 36;
Vermeulen et al., 2015, p. 27).
Alle sociaal raadslieden geven aan slechts zdelings te maken te hebben met het
faciliteren van toegang tot de specialistische zorg. Hun beeld van de toegang tot
zorg via het buurtteam lkt te zn gevormd door de samenwerking met sociaal
werkers, en door het feit dat veel wkbewoners zowel advies nodig hebben van een
sociaal raadsvrouw/man als zorg en ondersteuning van of via een sociaal werker.
Zo constateren zes sociaal raadslieden (2, 4, 5, 7, 6, 10) en herkennen drie sociaal
raadslieden (1, 8, 9) dat er belemmeringen in de toegang tot de specialistische zorg
bestaan omdat een groot deel van deze zorg is overgenomen door buurtteams.
Zeven sociaal raadslieden (1, 2, 4, 7, 8, 9, 10) merken op dat mensen hierdoor
langdurig worden ondersteund door sociaal werkers (generalisten) binnen de
buurtteams, zonder dat er een goed alternatief beschikbaar is:
Een thema is langdurige ondersteuning. Het buurtteamidee is een beetje van:
iemand stelt een vraag, eigen netwerk, eigen kracht, probleem oplossen en
dan weer verder. Dat is niet helemaal de realiteit, er zijn veel meer mensen die
langere ondersteuning nodig blijken te hebben. Dus op een gegeven moment
verstopt het systeem een beetje. […] Er zijn gewoon mensen waar je elke week
langs moet en daarmee hou je ze op de rails. Dat is een probleem, het feit dat
mensen toch langere begeleiding nodig hebben, en dan zit er niet heel veel
voortgang in maar als je het niet doet gaat het mis. En dat beroemde eigen
netwerk. Er zijn mensen die hun leven slecht op de rit kunnen houden die
ook echt helemaal geen netwerk hebben. En als ze het wel hebben, dat het
helemaal geen steunend netwerk is. Dat het een beetje van hetzelfde laken een
pak is als waar ze zelf in zitten. (sociaal raadsvrouw/man 2)
Ze vragen het [specialistische zorg] wel aan, maar voor sommige dingen kan het
dan niet. Er blijven zoveel langdurige klanten bij een buurtteam. Waarom blijven
die hier, die hadden voorheen wel specialistische zorg. Maar dat is allemaal
overgeheveld naar een buurtteam. Wat je ziet is dat generalisten met veel vaste
klanten blijven zitten, die heel erg op hun uren drukken. Waardoor ze niet altijd
nieuwe klanten weer erbij kunnen hebben. (sociaal raadsvrouw/man 7)
Hoewel de basiszorg van een buurtteam voor bepaalde mensen een goede
oplossing kan zn, bestaat hierdoor ook het risico dat mensen te lang ondersteuning
krgen die onvoldoende aansluit b hun zorgbehoefte.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 31
Dit risico kan ontstaan doordat in eerste instantie toch aanspraak wordt gedaan op
vrwilligers, of doordat niet voldoende wordt erkend of herkend dat specialistische
zorg nodig is in plaats van basiszorg:
Bewonersgroepen van vrijwilligers die iemand op een te laag niveau helpen,
waardoor problemen ontstaan. Dat probleem heb je overigens bij het
buurtteam ook, want als een generalist iemand aan het helpen is en denkt: ik
kan het wel zelf, terwijl het eigenlijk de expertise van het buurtteam voorbijgaat,
dan onthoud je iemand ook de toegang tot de zorg. […] Er zal op welk niveau
dan ook, bij vrijwilligers of bij professionals, een groep zijn die te lang geholpen
wordt op een niveau dat niet goed genoeg is. (sociaal raadsvrouw/man 4)
Het lijkt mij lastig, die beoordeling, tot hoever je het als buurtteam zelf kan. Of
dat je inderdaad die maatwerkvoorziening honoreert en vindt dat daar recht op
is. Want het idee is toch van: algemeen waar mogelijk, en dat maatwerk moet
ook echt maatwerk zijn. Dat is denk ik weleens een knelpunt, dat mensen te
lang blijven hangen in die goedbedoelde basiszorg, terwijl ze eigenlijk iets meer
nodig hebben. (sociaal raadsvrouw/man 2)
Daarb wordt door vier sociaal raadslieden (4, 6, 7, 9) opgemerkt dat de
overheveling van de specialistische zorg naar de basiszorg in het begin weliswaar
voor onrust heeft gezorgd, maar dat mensen inmiddels ook gewend zn geraakt aan
het nieuwe zorgmodel:
Nu hebben ze daar denk ik wel aardig hun weg in gevonden. En wordt het aan
de mensen overgebracht als: ja, dingen veranderen nou eenmaal. En dat dit nu
de manier is waarop het gaat. En dat er nu niet drie keer iemand komt, maar
één keer.
En dat het na een tijdje een telefoontje wordt. En nog later een telefoontje van
jou [de cliënt] als het niet goed gaat of als je wat nodig hebt. Dat is gewoon een
transformatie geweest denk ik. (sociaal raadsvrouw/man 9)
Een andere mogelke belemmering in toegang tot de specialistische zorg is de
eigen bdrage die mensen moeten betalen voor deze zorg. Eén sociaal raadsvrouw/
man (8) constateert deze belemmering en acht sociaal raadslieden (1, 2, 3, 5, 6, 7,
9, 10) geven aan dat ze deze belemmering herkennen. De interviews wekken wel de
indruk dat de eigen bdrage geen grote problemen oplevert in de toegang tot de
specialistische zorg. Vier sociaal raadslieden (2, 3, 6, 8) geven aan dat mensen soms
afzien van specialistische zorg vanwege de eigen bdrage. ‘Het algemene idee dat
mensen daarop afhaken, dat herken ik. […] het feit dat eigen bdrage een drempel
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 32
kan zn is absoluut waar’ (sociaal raadsvrouw/man 2). Daarentegen geven andere
sociaal raadslieden aan dat de eigen bdrage zelden een belemmering vormt, omdat
deze inkomensafhankelk is (sociaal raadslieden 4, 5, 7, 10) of omdat mensen eraan
gewend zn dat er om een eigen bdrage wordt gevraagd (sociaal raadslieden 1, 9).
De toegang tot de specialistische zorg is beperkter dan voorheen, omdat de sociale
basiszorg van de buurtteams fungeert als alternatief voor de specialistische zorg.
Sociaal raadslieden geven aan dat dit kan betekenen dat mensen langdurig door
een buurtteam worden begeleid. Dit hoeft geen probleem op te leveren zolang
mensen hierdoor de zorg krgen die ze nodig hebben. Sociaal raadslieden vragen
zich echter wel af of hierdoor niet het risico ontstaat dat mensen lang op een te laag
niveau worden geholpen. Dit omdat de noodzaak voor meer specialistische zorg
niet wordt erkend of omdat doorverwzing naar de specialistische zorg niet mogelk
blkt. In dergelke gevallen levert dit een belemmering op in de toegang tot de
specialistische zorg.
5.2 DE NADRUK OP ZELFREDZAAMHEID
Zelfredzaamheid kan een belemmering vormen in de toegang tot zorg en
ondersteuning wanneer deze niet goed wordt ingeschat (Centrum voor Ethiek en
Gezondheid, 2016, p. 9; Tonkens et al., 2018, p. 11). Het kan dan voorkomen dat
mensen onvoldoende toegang krgen tot noodzakelke hulp en ondersteuning. Alle
sociaal raadslieden constateren (sociaal raadslieden 2, 3, 4) of herkennen (sociaal
raadslieden 1, 5, 6, 7, 8, 9, 10) dat zelfredzaamheid een leidend principe is binnen de
buurtteams en dat z hier ook zelf mee te maken krgen in hun dagelks werk:
Daar zijn wij ook wel heel erg mee bezig. Dat Utrechtse model gaat wel uit van
een aantal leidende principes en U Centraal doet daar net zo in mee. Dus dat
geldt voor ons ook. Heel erg dat eigen kracht-idee. (sociaal raadsvrouw/man 8)
De sociaal raadslieden geven aan dat b lang niet iedereen een even groot beroep
kan worden gedaan op zelfredzaamheid en dat hierin grote verschillen bestaan
tussen cliënten: ‘Er zn te veel verschillende klanten om te kunnen zeggen dat
iedereen zelfredzaam moet zn of worden. Soms zit het er gewoon niet in’
(sociaal raadsvrouw/man 5).
Wat zelfredzaamheid betekent kan heel erg verschillen per klant. Soms is het
komen naar een administratiemiddag, is dat al de zelfredzaamheid. Dat iemand
daar gaat zitten en het voor zichzelf gaat doen is dan een stapje verder.
(sociaal raadsvrouw/man 3)
Eén sociaal raadsvrouw/man merkt daarb op dat er niet van kan worden uitgegaan
dat iedereen een bepaald niveau van zelfredzaamheid heeft of kan hebben:
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 33
‘Daardoor valt een groot deel van onze klanten tussen wal en schip, want die zn niet
zelfredzaam, ook al zouden ze het willen’ (sociaal raadsvrouw/man 1).
Een ander sociaal raadsvrouw/man (4) noemt het risico dat de inschatting van
iemands zelfredzaamheid niet altd samenvalt met waartoe h of z werkelk
in staat is. Zelfredzaamheid kan te hoog worden ingeschat waardoor mensen
ondersteuning mislopen, maar tegelkertd is het ook niet de bedoeling dat het te
laag wordt ingeschat waardoor zorgkosten onnodig kunnen oplopen:
Je bent soms helemaal verrast wat iemand nog zelf kan, maar het is ook een
risico. Het is een risico dat je dingen mist. Aan de andere kant wil je niet dat er
heel veel kosten aan de zorg worden besteed voor dingen die niet nodig zijn.
Altijd die afweging. (sociaal raadsvrouw/man 4)
Vf sociaal raadslieden (1, 2, 8, 9, 10) ervaren vervolgens dat de mate van
zelfredzaamheid niet alleen afhangt van de cliënt zelf; de manier waarop regelingen
rekening houden met doelgroepen, en de manier waarop instanties omgaan met
cliënten, zn minstens zo bepalend. Dit kan te maken hebben met complexe
regelgeving: ‘[Sommige mensen zn] heel zelfredzaam, maar hebben toch hulp nodig
omdat alle regelgeving zo ingewikkeld is’ (sociaal raadsvrouw/man 9). Een ander
voorbeeld hiervan is dat mensen zelf geen toegang krgen tot instanties, maar dat er
wel wordt meegewerkt als sociaal raadslieden namens een cliënt contact opnemen:
Dat de klant zelf geen antwoord krijgt en dat als je namens [U Centraal] belt
wel. Dat komt te vaak voor, en dat is heel gênant. Dat is niet mijn probleem en
dat is niet het probleem van de klant, dat is het probleem van de club.
(sociaal raadsvrouw/man 2)
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 34
Nog een variatie op dit probleem is dat voorzieningen of instanties in hun
communicatie niet aansluiten op bepaalde doelgroepen, waardoor mensen minder
zelfredzaam worden:
Klanten hebben duidelijke informatievoorziening nodig passend bij de
doelgroepen. [Over] NAH [niet aangeboren hersenletsel] bijvoorbeeld. Er zou
veel meer gekeken moeten worden van wat heb jij nou nodig. […] Mensen
lopen spaak in contact met instanties. Er is veel meer een-op-een begeleiding
nodig vanuit instanties. Daardoor voorkom je wel dat de doelgroep die het
meest gebruik moet maken van die voorzieningen niet buiten de boot valt.
(sociaal raadsvrouw/man 1)
Mensen moeten digitaliseren. Ik denk van, je [de overheid] overschat heel veel
vermogens en je stelt zelf heel veel mensen op achterstand die wellicht met
papier wel nog uit de voeten zouden kunnen. (sociaal raadsvrouw/man 10)
De ervaringen van sociaal raadslieden met het principe van zelfredzaamheid wekken
de indruk dat er tussen mensen grote verschillen in zelfredzaamheid bestaan,
waardoor er niet b iedereen een even groot beroep op kan worden gedaan.
Wanneer dit wel zou gebeuren, komen mensen volgens de sociaal raadslieden
zonder de nodige zorg en ondersteuning te zitten. Daarnaast geven sociaal
raadslieden aan dat mensen weliswaar op bepaalde vlakken zelfredzaam kunnen
zn, maar dat deze zelfredzaamheid wordt beperkt doordat regelingen of instanties
niet voldoende aansluiten op behoeftes of mogelkheden van mensen. Dit zou ook
kunnen duiden op een gebrek aan juridische zelfredzaamheid onder wkbewoners
(Ekman, 2017).
5.3 ONDUIDELIJKE GRENZEN TUSSEN DE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN DE WET
LANGDURIGE ZORG
Mensen met meervoudige problematiek kunnen belemmeringen ervaren in de
toegang tot zorg en ondersteuning vanwege onduidelke grenzen tussen de Wmo
en Wlz (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2017 p. 29; Sociaal en Cultureel
Planbureau, 2017, p. 14, Nationale ombudsman, 2018). Het is dan niet eenduidig
onder welk wettelk stelsel de zorg valt die iemand nodig heeft. Hoewel alle
geïnterviewde sociaal raadslieden deze belemmering herkennen, geven de meeste
aan dat de verantwoordelkheid op dit gebied b de sociaal werkers ligt (sociaal
raadslieden 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10):
Het is ons probleem niet. We kunnen uitzoeken voor iemand wat de Wlz
biedt, maar volgens mij zijn de generalisten bezig met waar je het moet
onderbrengen. Dat is niet voor ons. Ik herken onduidelijkheid tussen de twee
wel, maar helaas is dat hun deel van het werk. (sociaal raadsvrouw/man 2)
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 35
Als ik een vraag krijg over de rechtmatigheid van de indicatiestelling dan ben
ik aan het bedenken: wat heb ik hier dan voor nodig, wat zijn de indicaties qua
ziektebeeld die je nodig hebt om zo’n indicatie te krijgen, en voldoet die cliënt
daaraan? Dat is al een heel stuk waar ik die cliënt helemaal niet op ken. Daar zit
al zo’n stuk in wat eigenlijk niet hoort bij mijn werk als sociaal raadsvrouw/man
[en] wat veel meer op het bordje van de generalist ligt.
(sociaal raadsvrouw/man 10)
Omdat dit niet wordt beschouwd als onderdeel van het takenpakket van sociaal
raadslieden, kunnen de respondenten weinig vertellen over de aard en omvang
van deze belemmering. Zeven sociaal raadslieden (1, 2, 4, 6, 7, 8, 9) maken wel
incidenteel mee dat het onduidelk is of een zorgbehoefte onder de Wlz of de Wmo
valt:
Zo één keer per jaar maak ik een discussie mee [over] waar iemand moet zijn.
Welke zorg je iemand gaat adviseren. Als die vraag bij mij komt zit er altijd een
generalist bij, of er wordt door mij een generalist bij gehaald.
(sociaal raadsvrouw/man 4)
Het kan ook voorkomen dat een sociaal werker van mening is dat een cliënt zorg
zou moeten kunnen ontvangen via de Wlz, maar dat een aanvraag hiervoor wordt
afgewezen. Eén sociaal raadsvrouw/man ervaart dat er in dat geval nog weleens
wordt aangeklopt b de sociaal raadslieden: ‘Mn collega’s [sociaal werkers]
benaderen m vooral als het spaak loopt. Er moet een Wlz worden aangevraagd,
dat lukt niet, wordt afgewezen. Klopt dat, klopt dat niet, moet er bezwaar worden
gemaakt?’ (sociaal raadsvrouw/man 1).
Sociaal raadslieden lken in het algemeen weinig te maken te hebben met
onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz. In de praktk valt dit onder de
verantwoordelkheid van de sociaal werkers; z moeten de inschatting maken
onder welke wet de zorgvraag van een wkbewoner valt. Hoewel sociaal werkers
mogelk de sociaal raadslieden benaderen voor advies als een Wlz-aanvraag wordt
afgewezen, lkt dit beroep op de sociaal raadslieden niet vaak voor te komen. Dit
betekent dat sociaal raadslieden weinig zicht hebben op mogelke belemmeringen
in de toegang tot zorg veroorzaakt door onduidelkheid tussen de Wmo en de Wlz.
5.4 VERSCHILLEN IN KENNIS TUSSEN GENERALISTEN
Generalistische sociaal werkers bepalen binnen de buurtteams wat voor zorg en
ondersteuning iemand nodig heeft (Van Cadsand et al., 2013, p. 10). Hoewel alle
sociaal werkers in een buurtteam werken als generalist, is het onontkoombaar dat er
vanwege hun diversiteit aan achtergronden verschillen bestaan in kennis en ervaring.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 36
Het kan gaan om zowel verschillen in kennis over problematiek als over toepasbaar
beleid en regelgeving (Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2017). Dit beïnvloedt de
zorg en ondersteuning die iemand uiteindelk krgt en kan onbedoeld leiden tot
belemmeringen in toegang. Alle geïnterviewde sociaal raadslieden constateren
(sociaal raadslieden 2, 4, 7, 8, 10) of herkennen (sociaal raadslieden 1, 3, 5, 6, 9) dat
dit speelt binnen de buurtteams.
Sociaal raadslieden geven aan dat niet verwacht kan worden dat alle sociaal
werkers over dezelfde kennis en vaardigheden beschikken. ‘Je bent waarschnlk
te optimistisch als je denkt dat iedereen alles kan’ (sociaal raadsvrouw/man 4).
Bovendien komen er zoveel verschillende problematieken b een buurtteam terecht,
dat het bna onmogelk is om overal evenveel kennis van te hebben. ‘Alles zit in een
buurtteam en ze moeten alles maar kunnen. Dan denk ik: ja, je kan niet altd alles
weten, dus je weet van alles eigenlk veel te weinig’ (sociaal raadsvrouw/man 7). Een
bkomend probleem is dat sociaal werkers die met een specialisme het buurtteam
binnenkwamen, dit door het generalistische werken moeilker kunnen bhouden:
Waar ze tegenaan lopen is: ik raak mijn eigen specialisme kwijt. Alles wat ik
bijleer is meegenomen, maar mijn diepe afniteit ligt nog bij die groep. De
balans tussen je gespecialiseerde vakkennis en het brede is een lastige.
(sociaal raadsvrouw/man 2)
Een mogelk belemmering in toegang tot zorg die kan ontstaan door verschillen in
kennis, is dat bepaalde problematieken en bbehorende zorgbehoeftes niet worden
herkend. Dit risico wordt genoemd door vf sociaal raadslieden (4, 6, 7, 8, 10). Het
kan dan bvoorbeeld gebeuren dat iemand daardoor niet wordt doorverwezen naar
specialistische zorg:
Als je NAH [niet aangeboren hersenletsel] niet herkent, schakel je die
professionals niet in. Als je een LVB’er [persoon met een licht verstandelijke
beperking] niet herkent… Het werk is wel heel breed en hoe breder het werk is,
hoe meer kans dat je iets niet ziet. Dus dat is een zorg.
(sociaal raadsvrouw/man 4)
Het kan ook voorkomen dat mensen afhaken omdat hun zorgbehoefte niet
voldoende wordt herkend, waardoor ze zorg en ondersteuning missen:
Ik denk ook dan juist dat mensen dingen mislopen omdat [een sociaal werker]
er geen verstand van heeft, of het niet goed doet. Of niet de juiste informatie
verstrekt, of de juiste mogelijkheden uit kan leggen. Dan komt iemand ook niet
terug, want die denkt: o, dat kan niet. Die gaat dan weg zonder geholpen te
worden. (sociaal raadsvrouw/man 6)
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 37
Een ander sociaal raadsvrouw/man (10) geeft ook aan dat kennis over
problematieken samenhangt met kennis over voorzieningen. Wanneer een sociaal
werker minder bekend is met een bepaald aandachtsgebied, kan het voorkomen
dat ze cliënten niet goed weten te wzen op de beschikbare voorzieningen: ‘Welke
sociale kaart zit daar dan allemaal omheen, waar kan je een beroep op doen,
wie kan er ondersteunend zn? Dat heb je zo ongeveer per aandachtsgebied’
(sociaalraadsvrouw/man 10).
Drie sociaal raadslieden (1, 4, 9) merken op dat er niet alleen verschillen in kennis zn
met betrekking tot problematieken en zorgbehoeftes, maar ook met betrekking tot
regelgeving en beleid. De sociaal raadslieden merken dat voornamelk aan hoeveel
advies er b hen wordt ingewonnen:
Ik herken dat sommige collega’s die bijvoorbeeld uit het maatschappelijk werk
komen, die hebben soms weleens wat raakvlakken met ons. En daar merk ik
dan in dat die echt wel wat meer weten over regels en voorzieningen, dan
iemand uit de verslavingszorg bijvoorbeeld. En waar merk ik dat aan? Dat
merk ik aan de aanmeldingen bij ons. Ik zie bijvoorbeeld dat één persoon echt
hoofdleverancier is. En die komt uit de verslavingszorg, en die weet helemaal
niks van regelingen. En een andere collega die is maatschappelijk werkster en
die verwijst bijna nooit iemand door, en die doet het allemaal zelf.
(sociaal raadsvrouw/man 9)
Verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers kan invloed hebben op de
zorg en ondersteuning die mensen krgen. Sociaal raadslieden lken zich ervan
bewust te zn dat buurtteams met die verschillen te maken hebben, en merken
hierb verschillende belemmeringen op in de toegang tot zorg. Zo kan het gebeuren
dat bepaalde problematieken en zorgbehoeftes niet worden herkend. Daarb hangt
ervaring met een specieke doelgroep samen met kennis over de beschikbare
voorzieningen voor deze doelgroep. Dan wordt iemands zorgbehoefte goed
ingeschat, maar wordt h of z niet goed ingelicht over mogelkheden voor zorg
en ondersteuning. Vervolgens is kennis van beleid en regelgeving ook van belang
voor de toegang tot zorg en in latere instantie eventueel voor toegang tot het recht.
Sociaal raadslieden zien hierb dat de achtergronden van sociaal werkers eveneens
bepalend zn voor dit soort kennis.
5.5 TUSSENCONCLUSIE
Sociaal raadslieden constateren en herkennen de vier belemmeringen in de
toegang tot de sociale zorg en ondersteuning via buurtteams, die een neveneffect
zn van bestaande regelgeving en bestaand beleid. Een eerste belemmering is
de beperktere toegang tot de specialistische zorg. Daarnaast kan de nadruk op
zelfredzaamheid een belemmering vormen wanneer deze te hoog wordt ingeschat.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 38
Er kunnen ook belemmeringen in toegang ontstaan vanwege onduidelke grenzen
tussen de Wmo en de Wlz. Ten slotte kunnen verschillen in kennis en ervaring
tussen generalistische sociaal werkers belemmeringen veroorzaken als hierdoor
zorgbehoeftes onjuist worden ingeschat, of kennis over specieke regelgeving of
voorzieningen ontbreekt. Deze vier belemmeringen hebben niet alleen gevolgen
voor toegang tot het recht, maar ook op verschillende manieren de realisatie van
het recht op gezondheid, op een behoorlke levensstandaard en/of op sociale
zekerheid, wanneer wordt uitgegaan van de mensenrechtenvoorwaarden die worden
gesteld aan publieke diensten. Deze voorwaarden bepalen dat publieke diensten
beschikbaar, toegankelk, aanvaardbaar en van goede kwaliteit moeten zn (zie
hoofdstuk 3 Theoretisch kader). Hier worden de belemmeringen geanalyseerd aan
de hand van deze voorwaarden.
De toegang tot de specialistische zorg is beperkt en de sociale basiszorg van
de buurtteams fungeert nu als alternatief. Zolang mensen op deze manier nog
steeds de zorg krgen die ze nodig hebben, hoeft dit niet direct nadelig te zn
voor mensenrechtenrealisatie. Sociaal raadslieden geven echter aan dat volgens
hen mensen mogelk te lang op een te laag niveau door vrwilligers of het
buurtteam worden ondersteund. Is dit aanvaardbaar? In dergelke gevallen komen
namelk de mensenrechtenvoorwaarden van beschikbaarheid en goede kwaliteit
in het geding. Bvoorbeeld wanneer zou blken dat mensen langdurig door een
buurtteam worden ondersteund omdat specialistische voorzieningen onvoldoende
beschikbaar zn. Of als mensen door vrwilligers of generalisten worden geholpen
die niet de specialistische kennis en ervaring hebben om te voldoen aan specieke
zorgbehoeftes. Als mensen van specialistische zorg afzien vanwege de eigen
bdrage, dan wordt mogelk niet voldaan aan de mensenrechtenvoorwaarde van
nanciële toegankelkheid van voorzieningen. Hoewel dit risico bestaat, kan uit de
opmerkingen van sociaal raadslieden over de eigen bdrage niet worden opgemaakt
dat dit een veelvoorkomend probleem is.
De nadruk op zelfredzaamheid vormt met name een risico voor
mensenrechtenrealisatie als mensen hierdoor nodige zorg zouden mislopen. Omdat
het hierb zou gaan om mensen in een kwetsbare posities, die wellicht soms de
zorg mden omdat de manier waarop het wordt vorm gegeven voor hen niet
aanvaardbaar is. Ook raakt dit de mensenrechtenvoorwaarde van toegankelkheid
zonder discriminatie. Hoewel sociaal raadslieden zich duidelk bewust lken te zn
van verschillen in zelfredzaamheid, wordt wel opgemerkt dat er b de inschatting
van zelfredzaamheid risico’s bestaan voor de toegang tot zorg. Sociaal raadslieden
constateren ook dat zelfredzaamheid juist wordt beperkt door regelingen en
instanties. Dit heeft voornamelk invloed op de mensenrechtenvoorwaarde van
aanvaardbaarheid van publieke diensten en toegankelkheid van informatie. De
voorwaarde van aanvaardbaarheid stelt dat er b de invulling en uitvoering van
publieke diensten rekening moet worden gehouden met de specieke behoeftes
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 39
van verschillende groepen. Toegankelkheid van informatie betekent dat informatie
over beschikbare voorzieningen goed verkrgbaar en begrpelk dient te zn. In dit
kader merken sociaal raadslieden op dat regelingen en instanties vaak onvoldoende
aansluiten op de behoeftes en mogelkheden van hun cliënten. Tegelkertd blft
het een vraag wie heeft hier welke verantwoordelkheid? En, wie pakt hier zn
verantwoordelkheid om te voldoen aan deze voorwaarden?
De onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz kunnen mogelk eveneens
invloed hebben op de toegankelkheid zonder discriminatie en de aanvaardbaarheid
van voorzieningen. Omdat sociaal raadslieden zich hier niet direct mee
bezighouden, kan niet voldoende worden ingeschat wat de aard en omvang zn
van belemmeringen in toegang tot zorg op dit vlak. Dit neemt niet weg dat het niet
ondenkbaar is dat in die ‘schaduw van die onbekendheid’ wel eens beslissingen
kunnen worden genomen die voor burgers in hun zorgbehoefte nadelige gevolgen
kunnen hebben. Vanuit een toegang tot het recht perspectief is dit problematisch,
omdat het niet helemaal helder is of de hulpzoekende in zo een geval – voldoende –
grond heeft om informeel of formeel haar of zn recht te verwezenlken.
Verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers die het soort zorg en
ondersteuning beïnvloeden dat mensen uiteindelk krgen, raakt met name de
mensenrechtenvoorwaarde van kwaliteit van diensten en aanvaardbaarheid.
Onderdeel van deze kwaliteit is namelk dat de professionele kennis en
vaardigheden voldoende zn om goede zorg en ondersteuning te kunnen leveren.
Dit risico ontstaat met name als specieke zorgbehoeftes niet worden herkend door
ontbrekende kennis of ervaring. Sociaal raadslieden merken ook op dat kennis over
problematieken samenhangt met zicht op beschikbare voorzieningen voor specieke
doelgroepen. Als deze kennis ontbreekt, en mensen daardoor onvoldoende
worden voorgelicht over verschillende zorgmogelkheden, raakt dit eveneens de
mensenrechtenvoorwaarde van toegankelkheid van informatie over voorzieningen.
Belemmeringen in de toegang tot zorg die kunnen worden herleid tot bestaande
regelgeving en bestaand beleid, kunnen op zichzelf invloed hebben op de
mensenrechtenvoorwaarden voor publieke diensten. De manier waarop dit uitwerkt
in de praktk, heeft onder andere te maken met hoe professionals omgaan met deze
belemmeringen. Hoofdstuk 6 bestudeert de manieren waarop sociaal raadslieden
omgaan met de vier belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 40
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 41
6. SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER OMGANG
MET BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT
ZORG EN ONDERSTEUNING
Sociaal raadslieden zn niet rechtstreeks betrokken b het faciliteren van toegang tot
zorg en ondersteuning. Toch hebben z er, vanwege hun nauwe werkrelatie met de
buurtteams, als eerstelns rechtshulpverlener wel mee te maken. Sociaal raadslieden
draaien als sociaal-juridisch adviseur mee in de ondersteuning van cliënten die
worden begeleid door sociaal werkers in het buurtteam. De belemmeringen
in toegang tot zorg en ondersteuning die worden geconstateerd door sociaal
werkers en teamleiders worden daarom ook geconstateerd of herkend door sociaal
raadslieden (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018, p. 27-36). Ze zn zich
ervan bewust dat toegang tot de specialistische hulp veel minder vanzelfsprekend
is geworden. Ze hebben bovendien net zo goed te maken met de nadruk op
zelfredzaamheid b de inschatting van de hulp die mensen nodig zouden kunnen
hebben, omdat dit principe uit het gemeentebeleid ook wordt meegenomen door
U Centraal. Eventuele onduidelkheden tussen de Wmo en de Wlz die toegang tot
zorg kunnen bemoeilken zn niet onbekend b sociaal raadslieden, maar lken zich
grotendeels buiten het zicht van hun sociaal-juridisch advieswerk af te spelen. Dit
geldt eveneens voor de gevolgen van de verschillen in kennis tussen sociaal werkers
voor de toegang tot zorg. In dit hoofdstuk wordt belicht hoe sociaal raadslieden
omgaan met deze vier belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning.
De tussenconclusie geeft weer hoe deze omgang met belemmeringen invloed
kan hebben op de mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke
diensten en mogelk toegang tot het recht voor de hulpzoekende.
6.1 OMGAAN MET MINDER TOEGANG TOT DE SPECIALISTISCHE ZORG
De buurtteams leveren basiszorg aan mensen die voorheen ondersteund werden
door specialistische instellingen. Daarnaast faciliteren buurtteams op grond van de
Wmo de toegang tot de specialistische zorg als het eigen netwerk, vrwilligers of
de basiszorg niet voldoende ondersteuning kunnen bieden. Deze taken worden
uitgevoerd door de sociaal werkers in een buurtteam, waardoor de belemmeringen
in de toegang tot de specialistische zorg met name door deze professionals
worden ervaren. Sociaal raadslieden krgen hiermee te maken doordat er wordt
samengewerkt met sociaal werkers binnen het buurtteam, en doordat ze vaak
dezelfde cliënten adviseren als de sociaal werkers.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 42
In de eerste plaats geven alle sociaal raadslieden (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10) aan
dat de sociaal werkers verantwoordelk zn voor het inschatten van wat voor zorg
iemand nodig heeft, om vervolgens te bepalen waar deze zorg het beste vandaan
gehaald kan worden. Naar eigen zeggen beschikken sociaal raadslieden niet over
de nodige kennis van de aanwezige voorzieningen en de Wmo om een directe
bdrage te kunnen leveren aan het toepassen van de Wmo op een specieke casus.
‘Het is een wet. Dus de hoofdlnen van de Wmo, die ken ik natuurlk wel. Maar
de uitvoering en wie wat, nee. Je weet dat z (sociaal werkers) dat horen te weten’
(sociaal raadsvrouw/man 9).
Het ligt bij de generalisten omdat het een zorginvalshoek heeft. Ik weet niet 100
procent hoe de zorg is ingericht. Er zijn een paar generalisten die dat wel heel
goed weten. En die collega weet ook die wetgeving dan helemaal.
(sociaal raadsvrouw/man 4)
Uit de interviews blkt dat op dit gebied een duidelk onderscheid is gemaakt
tussen de verantwoordelkheden van sociaal werkers en sociaal raadslieden. Sociaal
raadslieden adviseren cliënten over wetgeving op het gebied van bvoorbeeld
sociale zekerheid, belastingen en arbeid, maar niet over de Wmo. Wellicht dat
sociaal raadslieden mede daarom zeggen slechts algemene kennis te hebben
over deze wet. Als cliënten problemen ervaren met betrekking tot toegang tot de
specialistische zorg en bezwaar willen maken, dan wordt er doorverwezen naar de
onafhankelke klantondersteuners van U Centraal:
Wij hebben ons daar ook gewoon te weinig in verdiept omdat we sowieso
niet mogen ondersteunen in bezwaarprocedures. Dat moet allemaal naar de
onafhankelijke klantondersteuner. Met dat soort vragen [over de Wmo] verwijs ik
ze ook vaak gewoon naar U Centraal. (sociaal raadsvrouw/man 6)
Gaat het over een maatwerkvoorziening die door een klant is aangevraagd en
die door het buurtteam is afgegeven, alleen niet het juiste aantal uren, dan doe
ik niks omdat dat natuurlijk ook niet kan omdat het je collega’s zijn. Dan doen
de klantondersteuners van U Centraal daar wat mee. (sociaal raadsvrouw/man 1)
Desalniettemin vindt sociaal raadsvrouw/man 8 het wel belangrk dat sociaal
raadslieden de werking van de Wmo als wet kennen, zodat dit duidelk kan worden
gemaakt aan wkbewoners:
Ben je wel bewust dat zodra iemand hier binnenstapt er een beslissing
moet vallen binnen een bepaalde termijn. En dat je ook bewoners daarop
moet wijzen, ondanks dat je wel in hetzelfde huis zit als de mensen die de
beslissing moeten nemen. Maar daar hebben we ook de onafhankelijke
klantondersteuners bij U Centraal voor. Als je het idee hebt het loopt niet lekker
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 43
of bewoners hebben daar advies in [nodig]. Dan hebben wij wel heel duidelijk
afgesproken dat wij niet allerlei advies gaan geven. Dan verwijzen wij meteen
door. Maar we moeten wel zien wat voor structuur er speelt. Wat er in werking
treedt als er iemand binnenstapt bij een buurtteam. Dat er sprake is van een
beslissingsmodel en een termijn en een wet. (sociaalraadsvrouw/man 8)
Ondanks het feit dat sociaal raadslieden geen rechtstreekse taak hebben in het
faciliteren van toegang tot de specialistische zorg, geven vf sociaal raadslieden
(4, 5, 6, 7, 10) aan dat ze wel een rol spelen in het signaleren van de noodzaak tot
specialistische zorg b individuele cliënten. Dit lkt vooral voor te komen b mensen
die met een juridische vraag b een sociaal raadsvrouw/man terechtkomen, waarna
het sociaal raadsvrouw/man opmerkt dat er meer zorg nodig is. Dit kunnen zowel
cliënten zn die al ondersteund worden door een sociaal werker als mensen die
alleen hulp krgen van een sociaal raadsvrouw/man:
Vroeg of laat als iemand ergens een groter probleem heeft, en dat is niet
gesignaleerd, bijna altijd krijg je ook een administratief en nancieel probleem.
Als je dan bij ons wordt ingepland gaan wij daar ook achter komen.
(sociaal raadsvrouw/man 4)
Wij verwijzen klanten wel heel veel door [naar sociaal werkers], volgens mij is
hier echt wel meer nodig. Ga even in gesprek, of ik maak mij er zorgen om,
komt zijn huis bijna niet uit. Maar ik weet bij god niet waar ze moeten zijn.
Maar wel een signalerende functie ja. Ik haal ze ook heel veel uit het digitaal
spreekuur. Ik sluit geen enkele casus uit, als ik het gevoel heb, dan vraag ik wel
door. Dat is ook wel gewoon je plicht. Je hebt ze dan binnen.
(sociaal raadsvrouw/man 5)
Je ziet ook cliënten aangemeld worden waarvan ik eigenlijk denk: dat hoort niet
hier, dat moet gewoon richting specialistisch. […] Waar ik ’m hoor stel ik terecht
de vraag: is dit nog generalistisch werken? Dan wordt er zoveel gevraagd dat
je je daadwerkelijk moet afvragen welke buurtteammedewerker [sociaal werker]
daar dan betrokken moet blijven om de boel te laten draaien.
(sociaal raadsvrouw/man 10)
Op deze manier kunnen sociaal raadslieden fungeren als ingang voor (meer) hulp en
ondersteuning.
Wanneer belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning ontstaan vanwege
de eigen bdrage, lken sociaal raadslieden met name een rol te spelen als er iets
niet blkt te kloppen in de berekening van de eigen bdrage. Dit wordt genoemd
door vier sociaal raadslieden (1, 2, 3, 9).
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 44
Als er een peiljaarverlegging moet worden aangevraagd, of het inkomen klopt
niet, of er is een opeenstapeling van meerdere eigen bijdragen en er gaat dan
iets mis, dan komen ze bij ons. Kijken of alles juridisch klopt. […] Ik ben erbij
betrokken als het fout gaat bij het berekenen van de eigen bijdrage door het
CAK. (sociaal raadsvrouw/man 1)
Een sociaal raadsvrouw/man noemt ook dat sociaal raadslieden onder sociaal
werkers informatie kunnen verspreiden over mogelkheden om de eigen bdrage
vergoed te krgen:
We zien zeker wel dat mensen dingen niet doen omdat het geld kost. Daar
kan je natuurlijk niet veel aan doen, behalve in de gaten houden of er op een
gegeven moment weer iets interessants ontstaat. Heel veel mensen wisten
bijvoorbeeld niet dat je je eigen bijdrage bij de collectieve zorgverzekering van
de gemeente Utrecht helemaal vergoed kon krijgen. Dat soort dingen. Daar
maak je dan ook wel die generalisten alert op. Weet dat, en maak gebruik van
dat soort dingen. (sociaal raadsvrouw/man 9)
Naast het signaleren van de noodzaak van specialistische zorg en het uitzoeken of
de eigen bdrage klopt, lken sociaal raadslieden ook een andere functie te hebben.
Ze kunnen de toegang tot het recht faciliteren door te verwzen naar de eerstelns
professionals, onafhankelke klantondersteuners, die cliënten kunnen helpen met
het maken van bezwaar tegen Wmo-besluiten. Ook kunnen ze in sommige gevallen
tweedelns rechtshulpverleners inschakelen als cliënten op andere manieren
vastlopen in de toegang tot zorg en ondersteuning. Een sociaal raadsvrouw/man
geeft het voorbeeld van mensen die door de gemeente gekort waren in hun uren
voor hulp b de huishouding, en die toen zn doorverwezen naar een advocaat om
bezwaar te maken (sociaal raadsvrouw/man 6). Een ander sociaal raadsvrouw/man
geeft het voorbeeld van iemand die h doorverwees naar een advocaat omdat ze
haar persoonsgebonden budget (pgb) was kwtgeraakt omdat de organisatie waar
de zorg was ingekocht fraude pleegde (sociaal raadsvrouw/man 4). Twee andere
sociaal raadslieden (5, 10) zeggen eveneens dat z geregeld mensen doorverwzen
naar tweedelns rechtshulpverleners, als z van mening zn dat een cliënt op deze
manier beter kan worden geholpen. Echter, in de praktk wordt de hulpzoekende
dan wel geconfronteerd met weer een andere professionals en het kan ook gevolgen
hebben voor de verloop van de rechtsprocedure. Bvoorbeeld, de termn van het
indienen van een bezwaar tegen een besluit van de gemeente kan verlopen. In
andere woorden, vanuit een toegang tot het recht perspectief kan dit problemen
opleveren.
Uit de interviews met sociaal raadslieden kan worden opgemaakt dat z weinig
te maken hebben met doorverwzingen naar de specialistische zorg. Er lkt hier
een duidelke scheiding te zn gemaakt tussen de verantwoordelkheden van
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 45
de sociaal werkers en die van de sociaal raadslieden. Dit betekent dat de sociaal
raadslieden ook weinig van doen hebben met mogelke problemen die kunnen
ontstaan b de toegang tot specialistische zorg. Omdat hiervoor onafhankelke
klantondersteuners b U Centraal in het leven zn geroepen, verwzen de sociaal
raadslieden daarnaartoe. Deze eerstelns hulp professionals kunnen ondersteunen
b Wmo-bezwaarprocedures, maar ook meekken in het algehele proces van de
aanvraag voor specialistische zorg. Sociaal raadslieden kunnen indirect de toegang
tot specialistische zorg beïnvloeden, door in individuele gevallen de noodzaak van
deze zorg te signaleren en benadrukken. Als toegang tot de specialistische zorg
wordt belemmerd door de eigen bdrage, kunnen sociaal raadslieden ondersteunen
wanneer er fouten zn gemaakt b de berekening van de eigen bdrage. Mogelk
spelen sociaal raadslieden ook een rol in het doorverwzen naar een advocaat
wanneer cliënten problemen ervaren b de toegang tot voorzieningen. Uit de
resultaten kan niet worden opgemaakt onder wat voor voorwaarden een tweedelns
rechtshulpverlener wordt ingeschakeld, en of dit een standaard praktk is onder de
sociaal raadslieden.
6.2 OMGAAN MET DE NADRUK OP ZELFREDZAAMHEID
Omdat de inschatting van de mate van zelfredzaamheid bepalend is voor de
toegang tot zorg en ondersteuning, kan de nadruk op zelfredzaamheid een
belemmering opleveren als deze wordt overschat. Alle sociaal raadslieden (1, 2, 3, 4,
5, 6, 7, 8, 9, 10) geven aan dat er b lang niet iedereen een even groot beroep kan
worden gedaan op zelfredzaamheid. De mate van zelfredzaamheid kan afhangen van
iemands persoonlke situatie, de problemen waarmee iemand te maken heeft, of
de manier waarop iemand wordt benaderd door instanties. Sociaal raadslieden gaan
hier op verschillende manieren mee om.
Ten eerste geven acht sociaal raadslieden (1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10) aan dat de praktk
en niet het zelfredzaamheidsprincipe van de gemeente leidend is voor de geboden
hulp: ‘Ik ben het helemaal eens met het principe, maar je kan niet wachten
tot iemand zelfredzaam is en een netwerk heeft om vooruit te helpen’ (sociaal
raadsvrouw/man 2). Hierdoor zn sociaal raadslieden een eigen invulling gaan geven
aan zelfredzaamheid:
Je ziet wel dat je daar op een bepaalde manier met z’n allen in begint en dat je
dat gaandeweg echt wel netunet. Want dingen zijn gewoon niet zo zwart-wit.
En van de een is zelfredzaamheid te verwachten in de zin dat je het voor elkaar
krijgt dat hij voortaan zijn post zelf openmaakt. En bij de ander betekent het
dat hij die post ook kan begrijpen, lezen, opbergen en behandelen. Ja, dat zijn
gewoon nuances per mens. En ik denk dat het heel goed is om daar niet een of
andere uniforme afspraak over te willen maken. Want dat bestaat gewoon niet.
(sociaal raadsvrouw/man 8)
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 46
Het is daarb volgens zes sociaal raadslieden (1, 2, 3, 6, 8, 9) belangrk om altd per
individu te kken waar deze persoon toe in staat is:
Sommige mensen moet je gewoon echt bij de hand nemen en dan moet je
kleine stapjes zetten. Terwijl dat voor die klant al een heel grote stap van
zelfredzaamheid is. Het is niet de norm zelfredzaamheid, je moet aanpassen aan
het niveau van de klant. (sociaal raadsvrouw/man 1)
Voor sommige mensen dat zij de weg naar het buurtteam weten te vinden en
hier komen, is honderd procent zelfredzaamheid. Dat is het. En daar moet je
dan al trots op zijn. En voor de rest hoef je dan niks meer te verwachten.
(sociaal raadsvrouw/man 9)
Hierdoor gaat de betekenis van zelfredzaamheid verschillen per individu, maar het is
volgens zes sociaal raadslieden (2, 6, 7, 8, 9, 10) ook belangrk om te kken naar de
invloed van de persoonlke situatie:
Als ze tot hier in de zorgen zitten, eventjes op weg helpen totdat de rust
wederkeert, en dan kunnen ze het zelf doen. Dat is ook zelfredzaam maken.
Maar dan neem je het wel even over. (sociaal raadsvrouw/man 7)
Ten principale vind ik dat het grootste deel van de mensen die dat kunnen het
liefst grip op hun eigen leven willen hebben. Je hoeft iemand niet te vertellen
dat-ie zelfredzaam moet worden, dat wil die zelf wel. Alleen er zijn perioden
dat het allemaal niet zo lekker loopt. Dus je moet dat wel een beetje doseren.
(sociaal raadsvrouw/man 2)
Wanneer de zelfredzaamheid wordt verminderd omdat instanties niet goed weten te
communiceren, of omdat regelingen tegenwerken of te ingewikkeld zn, lken de vf
sociaal raadslieden die dit benoemen (1, 2, 8, 9, 10) hier in eerste instantie mee om
te gaan door zelf een oplossing te zoeken voor het probleem. Dit kan betekenen dat
als cliënten niet juridisch zelfredzaam zn en geen netwerk hebben, er vrwilligers
worden ingezet (sociaal raadsvrouw/man 1). Het kan ook betekenen dat er samen
met cliënten naar instanties wordt gebeld (sociaal raadslieden 2, 10), dat er wordt
geholpen b ingewikkeld aanvragen (sociaal raadsvrouw/man 8), of dat er zelf een
andere benadering wordt gehanteerd b een regeling:
Dan zit zo’n systeem averechts te werken door aan het begin van het traject al
heel veel zelfstandigheid te verwachten. En dat soort constructies zie je in wel
meer regelingen. Dat je eigenlijk pas als er iets is kunt gaan werken. […] En je
probeert dan met elkaar wel een vorm te vinden waarin je je altijd heel erg
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 47
bewust bent van... eigenlijk wil je jezelf onmisbaar maken, maar in het begin
doe je soms even een stapje harder om dat ook weer voor elkaar te kunnen
krijgen. Het is een utopie om te denken dat die lijn voor iedereen op hetzelfde
punt ligt.
Twee sociaal raadslieden (2, 8) geven hierb aan dat ze naast het zelf
oplossen van het probleem dergelke kwesties ook inbrengen tdens het
stedelke signaleringsoverleg van sociaal raadslieden. Het belang van deze
signaleringsoverleggen om knelpunten in regelgeving en beleid en problemen met
instanties aan te kaarten, wordt in ander verband ook genoemd door zes sociaal
raadslieden (3, 6, 7, 8, 9, 10). Deze overleggen zn onderdeel van een landelke
signaleringsstructuur van sociaal raadslieden die gebruikt wordt om knelpunten aan
te kaarten b de desbetreffende instanties.
In de eerste plaats lken sociaal raadslieden om te gaan met de nadruk op
zelfredzaamheid door een eigen invulling te geven aan het begrip. Hierdoor gaat de
betekenis van zelfredzaamheid afhangen van de mogelkheden en de situatie van
de individuele cliënt. Dit kan bevorderlk zn voor de toegang tot ondersteuning,
omdat per individu wordt gekeken naar wat er nodig is. Aan de andere kant kan dit
willekeur in de hand werken, omdat de betekenis van zelfredzaamheid afhankelk
wordt van de desbetreffende professional. Uit de resultaten kan niet worden
opgemaakt of sociaal raadslieden een manier hebben om met dit risico om te gaan.
Sociaal raadslieden lken er wel scherp op te zn als regelingen of instanties de
zelfredzaamheid van mensen in de weg zitten. In de eerste plaats worden dergelke
problemen opgelost per geval, maar dit zn ook het soort kwesties dat wordt
aangekaart via de signaleringsstructuur van sociaal raadslieden.
6.3 OMGAAN MET ONDUIDELIJKE GRENZEN TUSSEN DE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
EN DE WET LANGDURIGE ZORG
Wanneer er onduidelkheden ontstaan over de toepasbaarheid van de Wmo en de
Wlz, zn het volgens de sociaal raadslieden met name de sociaal werkers die hier een
oplossing voor moeten vinden. Negen sociaal raadslieden geven daarom aan dat z
hier niet mee hoeven omgaan (2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10).
Twee sociaal raadslieden (2, 4) benoemen wel dat ze zo nodig aan een wkbewoner
uitleggen wat de Wlz biedt en wat de voorwaarden en consequenties zn van
een Wlz-indicatie. Een ander sociaal raadsvrouw/man (1) heeft b de start van
de buurtteams advies over de Wlz gegeven aan collega-sociaal werkers wanneer
daarom gevraagd werd. Deze sociaal raadsvrouw/man helpt sociaal werkers ook als
er bezwaar wordt gemaakt tegen een afgewezen Wlz-aanvraag:
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 48
Deze man voldeed aan alle voorwaarden voor de Wlz-indicatie, maar het is een
man die verbaal wel heel goed overkomt. […] Die aanvraag was afgewezen. Dan
vinden collega’s (sociaal werkers) het lastig om een duidelijk strak betoog te
schrijven. Daar word ik dan vaak bij betrokken. Zij leveren de input en ik haal de
wet en de regels erbij en ik toets of het klopt. (sociaal raadsvrouw/man 1)
De uitspraken van sociaal raadslieden over mogelke drempels in toegang tot de
Wlz doen vermoeden dat dit niet een kwestie is waarmee z zich bezighouden.
Hoewel één sociaal raadsvrouw/man benoemt dat sociaal werkers geholpen kunnen
worden b bezwaren tegen de afwzing van een Wlz–indicatie, lkt dit niet een
algemeen gevoelde verantwoordelkheid van de sociaal raadslieden. Het blft
daarb onduidelk of dergelke bezwaren weinig worden gemaakt, of dat mensen
hier op een andere manier hulp b vinden.
6.4 OMGAAN MET VERSCHILLEN IN KENNIS TUSSEN GENERALISTEN
Door de diverse achtergronden van sociaal werkers in een buurtteam bestaan er
verschillen in kennis en vaardigheden die invloed kunnen hebben op wat voor zorg
een cliënt uiteindelk krgt. Omdat dit zich grotendeels afspeelt buiten het beeld
van de sociaal raadslieden, wordt door alle sociaal raadslieden (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9,
10) aangegeven dat de sociaal werkers zelf manieren hebben gevonden om hiermee
om te gaan. Dit gebeurt volgens de sociaal raadslieden door diverse vormen van
kennisdeling en samenwerking, zoals het aanwzen van aandachtfunctionarissen
(sociaal raadsvrouw/man 3), het opzetten van thematische werkgroepen (sociaal
raadsvrouw/man 7) en het werken in tweetallen (sociaal raadsvrouw/man 9).
Twee sociaal raadslieden (6, 7) merken op dat ze zelf goed op de hoogte zn van de
verschillende specialismen binnen het buurtteam, zodat ze weten b wie ze moeten
zn voor een cliënt met een bepaalde problematiek:
Je merkt het ook heel erg in de samenwerking. Dat je op een gegeven moment
echt weet bij wie je voor wat moet zijn qua kennis. Iedereen blijft toch, ook al
zijn ze generalist, specialist in wat ze jarenlang hebben gedaan. Dus als het over
verslavingen gaat, of psychiatrie, of NAH, of wat dan ook dan heb je toch wel
weer je vaste mensen die je gaat vragen. Maar die je eigenlijk ook een bewoner
gunt als hulpverlener. (sociaal raadsvrouw/man 6)
Waar het gaat om verschillen in kennis over beleid en regelgeving zn drie sociaal
raadslieden (1, 4, 9) van mening dat z dan een belangrke rol spelen in het
adviseren van sociaal werkers: ‘We zn constant vragen van generalisten aan het
beantwoorden, we worden constant erb gehaald, even sparren. En dat is best een
heel grote taak, ook qua td. En een heel belangrke taak denk ik’
(sociaal raadsvrouw/man 4).
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 49
Het op peil houden van de kennis en adviseren over regelgeving en beleid lkt
hierdoor een centrale taak van sociaal raadslieden.
Sociaal raadslieden hebben slechts indirect zicht op de gevolgen van verschillen
in kennis tussen generalisten, en op hoe hiermee binnen de buurtteams wordt
omgegaan. In de samenwerking met sociaal werkers houden sociaal raadslieden
mogelk wel rekening met verschillen in kennis en ervaring. Waar het gaat om kennis
over regelgeving en beleid, lken sociaal raadslieden een signicante rol te spelen in
het adviseren en informeren van de sociaal werkers.
6.5 TUSSENCONCLUSIE
Sociaal raadslieden lken op verschillende manieren om te gaan met belemmeringen
in toegang tot zorg en ondersteuning. Omdat sociaal raadslieden geen rechtstreekse
rol hebben in het faciliteren van deze toegang, beïnvloedt dit de manier waarop z
omgaan met belemmeringen en indirect toegang tot het recht voor hulpzoekers. Zo
verwzen sociaal raadslieden voor toegang tot de specialistische zorg vooral door
naar de sociaal werkers van de buurtteams, de onafhankelke klantondersteuners van
U Centraal, en in sommige gevallen naar tweedelns rechtshulpverleners: advocaten.
Als sociaal raadslieden direct te maken hebben met belemmeringen die worden
veroorzaakt door regelgeving of instanties, wordt dit individueel opgelost en/of
wordt er gebruikgemaakt van de bestaande signaleringsstructuur van U Centraal.
Als belemmeringen te maken hebben met onjuiste toepassing van regelgeving,
spelen sociaal raadslieden mogelk een rol door middel van advisering of door de
problemen rechtstreeks op te lossen.
De vier belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning beïnvloeden
de realisatie van het recht op gezondheid, op een behoorlke levensstandaard
en op sociale zekerheid door de manier waarop deze belemmeringen de
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten raken.
In deze context zn de volgende mensenrechtenvoorwaarden van toepassing:
beschikbaarheid van voorzieningen, betaalbaarheid van voorzieningen,
toegankelkheid zonder discriminatie, toegankelkheid van informatie, kwaliteit in
de vorm van kennis van professionals, en aanvaardbaarheid in de zin dat er rekening
wordt gehouden met behoeftes van verschillende groepen. De manieren waarop
sociaal raadslieden omgaan met de belemmeringen, kunnen invloed hebben op
deze risico’s.
De voorwaarde van beschikbaarheid van voorzieningen kan met name in het geding
komen als noodzakelke specialistische zorg niet voldoende beschikbaar blkt voor
mensen in de wk. Hoewel sociaal raadslieden deze belemmering constateren, zn
het volgens hen vooral de sociaal werkers die hiermee moeten omgaan. Sociaal
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 50
raadslieden lken in individuele gevallen wel de noodzaak van specialistische zorg te
signaleren, maar oefenen hiermee niet zichtbaar invloed uit op de beschikbaarheid
van voorzieningen.
Betaalbaarheid van voorzieningen wordt mogelk in de weg gezeten als mensen
van zorg afzien door de eigen bdrage. Ondanks het feit dat dit volgens sociaal
raadslieden weinig voorkomt, dragen z op dit punt wel b aan de toegang tot
zorg door eventuele fouten op te lossen die zn gemaakt b de berekening van de
eigen bdrage. Dit neemt de belemmering van de eigen bdrage niet weg, maar
zorgt er wel voor dat de regels omtrent de eigen bdrage juist worden toegepast,
zodat mensen niet worden benadeeld. Het is ook mogelk dat sociaal raadslieden
een advocaat inschakelen als ze ontdekken dat mensen worden benadeeld door de
onjuiste toepassing van regelgeving.
B de inschatting van zelfredzaamheid kunnen er risico’s ontstaan voor de
voorwaarde van toegankelkheid zonder discriminatie, als mensen in kwetsbare
posities hierdoor zorg mislopen. Uit de omschrving van sociaal raadslieden over de
toepassing van het principe van zelfredzaamheid, kan worden opgemaakt dat z in
de praktk een eigen interpretatie geven aan dit principe. Hoewel dit de toegang
tot zorg en ondersteuning kan bevorderen, haalt dit niet direct het risico weg dat
mensen door een onjuiste inschatting van zelfredzaamheid niet de hulp krgen die
ze nodig hebben. Eenzelfde risico voor toegankelkheid zonder discriminatie kan
ontstaan door onduidelkheden b de toepassing van de Wlz. Ondanks het feit dat
sociaal raadslieden dit risico zouden kunnen verminderen door te ondersteunen b
bezwaren tegen de afwzing van een Wlz-indicatie lkt dit geen algemene praktk.
Waar het gaat om toegankelkheid van informatie en aanvaardbaarheid van
voorzieningen lken sociaal raadslieden op een meer rechtstreekse manier invloed
uit te oefenen. Deze mensenrechtenvoorwaarden worden niet goed nageleefd als
instanties en regelingen de zelfredzaamheid van mensen in de weg zitten. Wanneer
dit wordt opgemerkt door sociaal raadslieden, lken ze in eerste instantie te zoeken
naar individuele oplossingen voor de cliënt. Dit zn echter ook het type problemen
dat wordt doorgegeven via de bestaande signaleringsstructuur, waarb knelpunten
in beleid en regelgeving en problemen met instanties worden voorgelegd aan
de overheid. Via deze weg kunnen dergelke problemen structureler worden
aangekaart.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 51
7. CONCLUSIE
Sociale professionals binnen wkteams zn sinds de decentralisaties in de meeste
Nederlandse gemeenten bepalend geworden voor de toegang tot sociale zorg en
ondersteuning. In de eerste plaats zn het met name de lokale sociaal werkers die
deze toegang faciliteren. In sommige steden, zoals Utrecht, zn er ook eerstelns
rechtshulpverleners werkzaam binnen de wkteams, in de personen van sociaal
raadslieden die lokale sociale professionals en hulpzoekers voorzien van juridisch
advies en ondersteuning. Met hun sociaal-juridische achtergrond kunnen z een
rol spelen in het waarborgen van de toegang tot zorg en daaraan gerelateerde
mensenrechten. Dit onderzoek bestudeert de toegang tot zorg, ondersteuning en
recht vanuit het perspectief van sociaal raadslieden die – in dienst van U Centraal –
werken op locatie van de Utrechtse buurtteams.
De transities die het gevolg zn van de invoering van de Participatiewet, de nieuwe
Wet maatschappelke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet, hebben sinds 2015 in
Nederland veranderingen teweeggebracht in het sociaal domein. Eén van de (neven)
effecten van de decentralisaties is dat er uiteenlopende belemmeringen zn ontstaan
in de toegang tot zorg en ondersteuning. Een eerdere studie keek daarom vanuit het
perspectief van sociaal werkers en sociaal werk-teamleiders in Utrechtse buurtteams
naar belemmeringen in de toegang tot zorg, en naar hoe hiermee wordt omgegaan
(Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018). Dit kwalitatieve onderzoek
identiceert vier belemmeringen in de toegang tot sociale zorg en ondersteuning.
Ten eerste is er een beperktere toegang tot de specialistische zorg. Daarnaast kan
de nadruk op zelfredzaamheid nadelig zn voor de toegang tot zorg. Er kunnen ook
complicaties ontstaan vanwege onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wet
langdurige zorg (Wlz). Ten slotte kunnen verschillen in kennis binnen wkteams van
invloed zn op het soort zorg dat iemand krgt.
Uit de resultaten van het huidige onderzoek kan worden opgemaakt dat ook de
sociaal raadslieden werkzaam binnen buurtteams deze vier belemmeringen in
toegang tot zorg constateren of herkennen. Hoewel sociaal raadslieden formeel
niet rechtstreeks betrokken zn b het faciliteren van de toegang tot zorg, hebben
z er indirect mee te maken doordat ze lokale sociale professionals, en in minder
mate hulpzoekers, adviseren. De interviewdata geven aan dat de sociaal raadslieden
binnen dit kader op verschillende manieren met de geïdenticeerde belemmeringen
omgaan. In de eerste plaats verwzen z wkbewoners voor de toegang tot de
specialistische zorg naar de sociaal werkers van de buurtteams. B onduidelkheden
of problemen b de toegang tot specialistische zorg via de Wmo, verwzen
sociaal raadslieden door naar andere eerstelns professionals, de onafhankelke
klantondersteuners, van U Centraal. Deze cliëntondersteuners, die een achtergrond
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 52
hebben in sociaal werk, kunnen meekken b het proces van het aanvragen van
specialistische zorg en zo nodig ondersteunen b het maken van bezwaar tegen
een besluit om dit wel, niet of gedeeltelk toe te kennen. Een vraag blft hoe
deze laatstgenoemde eerstelns professionals een adequate bdrage leveren aan
de rechtspositie van de hulpvrager (Van Bergen, Van de Maat & Hurkmans, 2015;
Reporter Radio, 2018 ). Voor mogelke andere problemen met de toegang tot zorg
wordt door sociaal raadslieden ook doorverwezen naar de tweedelns rechtshulp:
de advocatuur. Uit de resultaten kan niet worden opgemaakt hoe vaak en in welke
omstandigheden dit gebeurt. Dit betekent dat hulpzoekers voor toegang tot het
recht voornamelk afhankelk zn van lokale sociale professionals en in mindere mate
van eerste- of tweedelns rechtshulpverleners.
Wanneer sociaal raadslieden rechtstreeks te maken hebben met belemmeringen
die worden veroorzaakt door regelgeving of instanties, wordt hiervoor eerst een
oplossing gezocht samen met de desbetreffende cliënt. Dit kan bvoorbeeld
door het contact met een instantie te laten lopen via een sociaal raadsvrouw/
man. Als blkt dat dergelke belemmeringen vaker of b meer sociaal raadslieden
voorkomen, dan wordt hieraan aandacht besteed tdens het signaleringsoverleg
van U Centraal. Via dit overleg worden belemmeringen zo nodig aangekaart b
de desbetreffende overheidsinstanties of verder opgepakt door de regionale of
landelke signaleringsoverleggen. Als belemmeringen te maken hebben met onjuiste
toepassing van regelgeving, dan spelen sociaal raadslieden mogelk een rol door
middel van advisering aan sociaal werkers of door de problemen zelf op te lossen.
Zowel de belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning als de
manier waarop hiermee wordt omgegaan in de praktk, kunnen invloed hebben
op de realisatie van sociaal-economische mensenrechten zoals het recht op
gezondheid, op een behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid.
Wanneer toegang tot sociale zorg en ondersteuning wordt gezien als onderdeel
van deze mensenrechten, benadrukt dit dat de voorzieningen geen gunsten zn,
maar rechten waarop mensen zich kunnen beroepen. Hoe de realisatie van deze
mensenrechten eruit zou moeten zien in de praktk, kan worden bepaald aan
de hand van de mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke
diensten. De vier belemmeringen in toegang tot zorg raken met name de volgende
mensenrechtenvoorwaarden: beschikbaarheid van voorzieningen, toegankelkheid
zonder discriminatie, betaalbaarheid van voorzieningen, toegankelkheid van
informatie, kwaliteit in de vorm van kennis van professionals, en aanvaardbaarheid
van diensten in de zin dat er rekening wordt gehouden met behoeftes van
verschillende groepen.
In het algemeen kunnen belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning
die direct of indirect ontstaan als gevolg van regelgeving en beleid, neveneffecten
hebben op de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau. Eerder onderzoek
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 53
suggereert dat sociale professionals deze toegang tot zorg deels beïnvloeden door
de mate waarin z meegaan in beleid of er juist vraagtekens b plaatsen, of manieren
vinden om beleid werkbaar te maken in de praktk. Hiermee kunnen ze zowel
een beperkende als een versterkende invloed hebben op de toegang tot zorg en
ondersteuning in het sociaal domein. Wanneer belemmeringen in toegang nadelig
zn voor de realisatie van mensenrechten, spelen sociale professionals een rol in het
proces van mensenrechtenrealisatie door de manier waarop z uitvoering geven aan
dergelk beleid (Dibbets, Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2018).
Omdat de sociaal raadslieden niet direct betrokken zn b het faciliteren van
toegang tot zorg en ondersteuning, lken z meer indirect een rol te spelen b
het realiseren van mensenrechten op dit gebied. Dit onderzoek suggereert dat
deze eerstelns rechtshulpprofessionals wat betreft toegang tot zorg voor een
groot deel meedraaien in de werkprocessen van de buurtteams. Als een sociaal
raadsvrouw/man bvoorbeeld signaleert dat een wkbewoner mogelk meer zorg
nodig heeft, dan wordt hiervoor doorverwezen naar de sociaal werkers. Hoewel
belemmeringen in toegang hierb worden opgemerkt, lkt de omgang hiermee met
name te worden overgelaten aan de sociaal werkers, en zo nodig aan onafhankelke
cliëntondersteuners (die in Utrecht klantondersteuners worden genoemd). Dit
betekent dat potentiële risico’s voor toegang tot het recht hier buiten de actieradius
van sociaal raadslieden blven. Dit terwl ze vanwege hun unieke positie hier wel een
grotere indirecte rol voor zichzelf zouden kunnen opeisen.
Sociaal raadslieden leveren wel een bdrage aan de toegang tot het recht in de
context van zorg door te assisteren b het opstellen van bezwaarschriften rondom
toegang tot voorzieningen die niet via de Wmo verlopen, of door indien nodig door
te verwzen naar tweedelns rechtshulpverleners. Ondanks het feit dat de resultaten
de indruk wekken dat dit in de praktk voorkomt, wordt niet duidelk of dit een
bestaande rol is of dat het afhankelk is van de werkwzen van individuele sociaal
raadslieden. Een andere belangrke bdrage aan de toegang tot zorg op structureel
niveau zou kunnen verlopen via de bestaande signaleringsstructuur. Hoewel de
functie van deze signaleringsstructuur in dit onderzoek door meerdere sociaal
raadslieden is benoemd, kunnen hieruit geen conclusies worden getrokken over de
werkelke invloed van de signaleringen in de praktk. Als hiermee echter knelpunten
in regelgeving en beleid, of behandeling door instanties die cliënten benadelen,
worden aangekaart b de overheid, draagt dit mogelk b aan de bescherming van
mensenrechten op lokaal niveau.
Dit onderzoek heeft een aantal beperkingen waardoor de resultaten niet zonder
meer kunnen worden gegeneraliseerd. Ten eerste is het onderzoek enkel uitgevoerd
onder sociaal raadslieden b buurtteams in de gemeente Utrecht. De inrichting van
wkteams, de rol van sociaal raadslieden en het lokale beleid verschilt per gemeente.
Hierdoor kunnen zowel belemmeringen in de toegang tot zorg als de manier waarop
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 54
sociaal raadslieden hiermee omgaan verschillen tussen gemeenten. De interviews
met sociaal raadslieden in buurtteams voor dit onderzoek zn uitgevoerd tussen juli
en september 2018. Daarvoor zn de resultaten van eerder onderzoek met sociaal
werkers en teamleiders als kader gebruikt. Overige perspectieven zn hier echter
niet in meegenomen. Observaties van de gemeente, de organisatie achter de
buurtteams, specialistische organisaties en andere professionals binnen U Centraal
vallen daarom buiten het bereik van dit onderzoek. Ook de ervaringen van burgers,
zoals wkbewoners, vrwilligers en mantelzorgers, zn geen onderdeel van dit
onderzoek.
Vervolgonderzoek naar de toegang tot zorg en ondersteuning, en de gevolgen
daarvan voor mensenrechtenrealisatie, zou zich voor een completer beeld kunnen
richten op de invloed en benadering van deze andere relevante stakeholders.
Voor meer inzicht in de specieke rol van sociaal raadslieden zou mogelk
vervolgonderzoek kunnen kken naar hoe deze eerstelns rechtshulpverleners buiten
de grote steden opereren. Ook hun rol b het versterken van de rechtspositie van
hulpzoekers verdient meer aandacht, zeker gezien de bredere zorgen ten aanzien
van de rechtsbescherming van hulpzoekers en de discussies omtrent (integrale)
geschilbeslechting in het sociaal domein (Advies Scheltema, 2017; Claessen,
Ekman & Lamkaddem, 2017; Wiggers-Rust, 2018). In het bzonder zou vanuit een
perspectief op toegang tot het recht ingegaan kunnen worden op de vraag of de
onafhankelke cliëntondersteuner voldoende oog heeft voor de rechtspositie van
de hulpvrager, en op de manier waarop sociaal raadslieden zn betrokken b het
maken van bezwaar tegen besluiten in het sociaal domein. Ook de invloed van
de bestaande signaleringsstructuur van eerstelns rechtshulpprofessionals op het
aankaarten van knelpunten in lokale en nationale regelgeving en beleid, zou meer
aandacht moeten hebben.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 55
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 56
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 57
BIBLIOGRAFIE
Advies Scheltema (2017). Advies integrale geschilbeslechting in het sociaal domein.
Kamerstukken II 2017/2018, 34 497, nr.27.
Allers, J. (2015). Bezuinigingen in het licht van sociale grondrechten. Nederlands
Tijdschrift voor de Mensenrechten, 40(3), 277-295.
Arum, S., Schoorl, R. (2015). Sociale (wijk)teams in beeld: Stand van zaken na de
decentralisaties. Utrecht: Movisie.Arum, S. & Van den Enden, T. (2018). Sociale
wijkteams opnieuw uitgelicht. Utrecht: Movisie.
Bergen, A. van, Maat, J.W. van de, Hurkmans, M. (2016). Onafhankelijke
Cliëntondersteuning: Een kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van
onafhankelijke cliëntonderzoekers. Utrecht: Movisie.
Blake, C. (2008). Normative Instruments in International Human Rights Law: Locating
the General Comment. Center for Human Rights and Global Justice Working Paper
Number 17. New York: NYU School of Law.
Bredewold, F., Duyvendak, J.W., Kampen, T., Tonkens, E.H., Verplanke, L. (2018).
De verhuizing van de verzorgingsstaat: Hoe de overheid nabij komt. Amsterdam:
Uitgeverij van Gennep.
Burgemeester en Wethouders (2017). Voortgangsrapportage Verbetering
dienstverlening Hulp bij het Huishouden en andere Wmo voorzieningen. Utrecht:
Gemeente Utrecht.
Buurtteam (2017). Het verslag van 2016: Buurtteamorganisatie Sociaal. Schiedam:
Incluzio.
Centrum voor Ethiek en Gezondheid. (2016). Samen zorgen in de wijk. Den Haag:
CEG.
Charmaz, K. (2006). Constructing Grounded Theory: A Practical Guide Through
Qualitative Analysis. London: SAGE Publications.
Claessen, D., Eijkman Q.A.M., Lamkaddem, M. (2017). Hulp en recht aan de
keukentafel: De toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning volgens lokale
professionals. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 58
Dibbets, A., Claessen, D., Eijkman Q.A.M., Lamkaddem, M. (2018). Tussen
Burgers en Mensenrechten Lokaal: Sociale professionals over toegang tot zorg en
ondersteuning. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
Dibbets, A., Eijkman, Q. (2018). Translators, Advocates or Practitioners?: Social
workers and human rights localization. Journal of Human Rights Practice, 10(2) 212-
228.
Eijkman, Q.A.M. (2017). Toegang tot het recht gaat glocal (Openbare les). Utrecht:
Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
ESC-Comité (1990). General Comment No. 4: The Right to Adequate Housing (Art.
11 (1) of the Covenant). UN Doc. E/1992/23.
ESC-Comité (2008). General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9).
UN Doc. E/C.12/GC/19.
ESC-Comité (2000). General Comment No. 14: The right to the highest attainable
standard of health (article 12). UN Doc. E/C.12/2005/4.
FCB. (2015). Hoe Incluzio de sociale buurtteams in Utrecht inrichtte. Ruim Baan, 18-
21.
FRA. (2015). Access to justice in Europe: An overview of challenges and
opportunities. Wenen: EU, FRA.
Feyter, K.D. (2010). Sites of Rights Resistance. In K.D. Feyter, S. Parmentier,C.
Timmerman,G. Ulrich (Reds.), The Local Relevance of Human Rights (p. 11-39).
Cambridge: Cambridge University Press.
Gemeente Utrecht (2014). Meedoen naar Vermogen – WMO Uitvoeringsplan tweede
fase: van inrichten naar uitvoeren.
Gemeente Utrecht (2016). Meedoen naar Vermogen Transformatieagenda 2016-2017
Maatschappelijke Ondersteuning.
Hamming, J. (2015). Wijkteams: vakkennis van sociaal raadslieden mag niet
verdwijnen. Sociale Vraagstukken. www.socialevraagstukken.nl
/wijkteams-vakkennis-van-sociaal-raadslieden-mag-niet-verdwijnen/
Hartman, J., Knevel, J., Reynaert, D. (2016). Manifest: Stel mensenrechten centraal in
het sociaal werk. www.socialevraagstukken.nl/stel
-mensenrechten-centraal-in-het-sociaal-werk/
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 59
Hesselman, M., De Wolf, A.H., Toebes, B. (2017). International Guideposts for Socio-
Economic Human Rights in Essential Public Services Provision. In M. Hesselman,
A.H. de Wolf, B. Toebes, Socio-Economic Human Rights for Essential Public Services
Provision (p. 299-327). Londen: Routledge.
Hilhorst, P., Van der Lans, J. (2015). De dubbele revolutie van sociale wijkteams.
In P. Hilhorst, J. van der Lans, Nabij is Beter: Essays over de beloften van de 3
decentralisaties (p. 20-28). Den Haag: Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten.
Hofs, J. (2017). Sociaal werkers onder gemeentelijke regie: Pleidooi voor sociale
rechtvaardigheid als basisprincipe voor het sociaal werk. Journal of Social
Intervention: Theory and Practice, 26(3) 65–71.
Ieder(in). (2016). Mensen zijn op zichzelf aangewezen: Dwalen tussen wetten en
loketten. Utrecht: Ieder(in).
LOSR/MOgroep (2015) Functieproel Sociaal Raadslieden. Utrecht: LOSR/MOgroep.
MEE NL (2016). MEE Signaal: Trend- en signaleringsrapportage 2016. Utrecht: MEE
NL.
Nationale ombudsman (2016). Een onverwacht hoge rekening: Onderzoek van
de Nationale ombudsman naar de informatieverstrekking over de eigen bijdrage
ingevolge de Wmo. Den Haag: Nationale ombudsman.
Nationale ombudsman (2018). Zorgen voor burgers: Onderzoek naar knelpunten die
burgers ervaren bij de toegang tot zorg. Den Haag: Nationale ombudsman.
Reporter Radio (2018). Hoe onafhankelijk kan de cliëntondersteuners zijn?, NPO
Radio 1, KRO-NCRC, 29 april 2018.
Raad voor het Openbaar bestuur (2017). Zorg voor samenhangende zorg. Over
zorgwetten die door gemeenten worden uitgevoerd. Den Haag: Rob.
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2017). Heft in eigen hand Zorg en
ondersteuning voor mensen met meervoudige problemen. Den Haag: RVS.
Rekenkamer Utrecht (2017). Langer zelfstandig thuis wonen met ernstige
beperkingen: Rekenkameronderzoek in het kader van de Wet Maatschappelijke
Ondersteuning 2015.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2017). Zicht op de Wmo 2015: Ervaringen van
melders, mantelzorgers en gespreksvoerders. Den Haag: SCP.
TUSSEN BURGERS EN RECHT LOKAAL? 60
Sociaal en Cultureel Planbureau (2018). Veranderde zorg en ondersteuning voor
mensen met een beperking: Landelijke evaluatie van de Hervorming Langdurige
Zorg. Den Haag: SCP.
Staub-Bernasconi, S. (2011). Human Rights and Their Relevance for Social Work as
Theory and Practice. In L.M. Healy, R.J. Link (Reds.) Handbook of International Social
Work: Human Rights, Development, and the Global Profession (p. 30-41). Oxford:
Oxford University Press.
Teitler, J., Cuypers, C., Klever, E., Hardy, D., Steenbergen, R. (2012). Goed bezig: de
betekenis van mensenrechten voor gemeenten. Amsterdam: Amnesty International &
Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Tonkens, E. (2016). Het democratisch tekort van de decentralisaties. In De
decentralisaties in het sociaal domein: wie houdt er niet van kakelbont? (p. 61-75).
Den Haag: Transitiecommissie Sociaal Domein.
Van Cadsand, R., Vermeulen, A., van der Leer, M., van de Vijver, O., Stokman, I.,
de Geus, G., Vink, M. (2013). Wmo kadernota: Meedoen naar vermogen. Utrecht:
Gemeente Utrecht.
Van den Berg, E., Oomen, B. (2014). Mensenrechten en lokaal beleid: Handreiking
voor beleidsmakers. Den Haag: Platform 31.
Vermeulen, A., Rijnkels H., Riemens, M., Schutte, S. (2015). Aansluiten bij de kracht
van mensen: Utrecht vernieuwt de sociale zorg. Gemeente Utrecht.
Vijzelman-Waarheid, I., (2017). Belemmeringen bij het regelen van zorg en
ondersteuning. Utrecht: Ieder(in).
Vonk, G. (Red.) (2016). Rechtsstatelijke aspecten van de decentralisaties in het
sociale domein. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2017). Weten is nog geen doen:
Een realistische perspectief op redzaamheid. Den Haag: WRR.
Wiggers-Rust, L.F. (2018). Rechtsbescherming in het sociaal domein: Verdelen of
verbinden? Nederlands Juristenblad, 39, 2950-2955.
SOCIAAL RAADSLIEDEN OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 61
fg_ksi_r_0119_jowandehaan
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
The importance of specific professions for human rights realization is increasingly recognized. Journalists, teachers, and civil servants are all considered to play a role because their work affects individual rights. This is also the case for social workers. The connection between social work and human rights is evident in the large amount of literature explaining how human rights relate to social work. At the same time there is more attention for human rights localization. These fields of knowledge are related: social workers are local professionals and if they start applying human rights in their work this may influence human rights localization. This article contributes to existing debates on human rights localization by reflecting on the potential role of social workers in local human rights efforts in the Netherlands. Since human rights localization in general and human rights application in social work are recent phenomena in the Netherlands this provides a useful case study for a qualitative analysis on whether and how social workers can be regarded as actors in human rights localization. By connecting different actors that are said to play a role in human rights localization to proposed forms of human rights application by social workers this article identifies three possible roles for social workers in human rights localization: as human rights translators, as human rights advocates, and as human rights practitioners.
Technical Report
Full-text available
Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt gemeentelijk gefinancierde zorg pas toegekend nadat de gemeente onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke situatie van de betreffende burger. Dit heeft de rol van lokale sociale professionals drastisch veranderd: deze heeft naast zorgkennis nu ook juridische kennis nodig. Het HU-lectoraat Toegang tot het Recht heeft een verkennend onderzoek gedaan naar deze juridische competenties bij sociale professionals. In bijna 90 procent van de gemeenten zijn wijkteams opgericht die in veel gevallen het onderzoek naar de zorgvraag van burgers, bekend geworden als ‘het keukentafelgesprek’, voor de gemeente uitvoeren. De sociale professionals in deze teams moeten als poortwachter van de gemeentelijke voorzieningen kijken naar de behoeftes, mogelijkheden en omstandigheden van burgers. Dit is een grote verantwoordelijkheid, die de rechten en levens van mensen in kwetsbare posities sterk kan beïnvloeden. Sociale professionals zijn echter primair opgeleid om hun beroep uit te oefenen op basis van hulpverleningscompetenties, terwijl ze nu ook de juridische gevolgen van hun adviezen aan burgers moeten kennen. De manier waarop professionals nieuwe wet- en regelgeving begrijpen en uitvoeren, heeft invloed op de mate waarin mensen toegang hebben tot sociale voorzieningen. Dit verkennende onderzoek gaat over de juridische competenties van sociale professionals in het kader van de Wmo. Herkennen zij de juridische gevolgen van hun handelen? Hoe gaan ze om met de juridische procedure van het keukentafelgesprek? Voor dit onderzoek zijn zeven keukentafelgesprekken geobserveerd, aangevuld met individuele- en groepsinterviews met generalisten en specialisten. Uit het onderzoek blijkt dat de juridische kennis van professionals in wijkteams weliswaar groter is dan van professionals die specialistische zorg bij mensen thuis bieden, maar dat er zeker ruimte is voor verbetering. Het beleidsideaal van het versterken van de ‘eigen kracht’ van burgers gaat momenteel te weinig samen met juridische empowerment. Professionalisering van de juridische vaardigheden van sociale professionals is nodig om de gelijkwaardigheid en de rechtsbescherming van burgers te kunnen waarborgen.
Article
Full-text available
Burgers worden door de overheid bij voorkeur gezien als zelfredzaam en verantwoordelijk. Door de strengheid van regels (of de toepassing ervan) kan het niet anders of er worden groepen uitgesloten. Als iemand de formulieren niet goed begrijpt en daardoor verkeerd invult kan hem of haar dat zijn uitkering kosten. Mensen aan het loket die overstuur zijn over de zoveelste teleurstelling of afwijzing worden door mannen met een V op hun jasje “naar de uitgang begeleid”, en zij blijven dus verstoken van hulp. Het lijkt erop dat vooral modelburgers die zich op de voorgeschreven wijze gedragen welkom zijn. Maar er zijn ook mensen met verdriet, met boosheid, met teleurstellingen en frustraties. Soms hebben mensen een verstandelijke beperking, of een psychische stoornis. Juist deze mensen vallen snel buiten de boot bij een formele opstelling.In deze bijdrage bespreken we de uitdagingen die dit met zich meebrengt voor sociaal werkers die veelal werkzaam zijn in wijkteams.
Book
Full-text available
Bij mensenrechten denken we al snel aan marteling en verdwijningen in dictaturen ver weg. Maar mensenrechten gelden overal en voor iedereen. Ook hier in Nederland. Met name op lokaal niveau - daar waar mensen leven, werken en naar school gaan - moeten mensenrechten worden nageleefd en gerealiseerd. Lokale sociale problemen zoals armoede, participatie van mensen met een beperking, huiselijk geweld, discriminatie of jeugdwerkloosheid raken aan rechten en plichten uit mensenrechtenverdragen zoals het recht op een bestaansminimum, het recht op deelname aan het maatschappelijk leven, op bescherming van de lichamelijke integriteit, het discriminatieverbod of het recht op arbeid. Met de decentralisatie van essentiële voorzieningen naar lokale overheden worden mensenrechten steeds relevanter voor gemeenten.
Book
Full-text available
Gemeenten zagen in 2014 de (wijk)teams als dé manier om te voldoen aan de extra taken die door de decentralisaties bij hen terechtkwamen. Hoe is het de gemeenten na de decentralisaties vergaan? Hoe staan zij er nu voor? Van de 234 gemeenten die aan deze laatste peiling deelnamen werkt nu 87% met sociale wijkteams.
Chapter
Full-text available
Een van de belangrijkste belo en van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. In het publieke debat gaat het daar zelden over. Daar gaat het meestal over mogelijke en actuele tekorten aan zorg en hulp. Je zou daarom bijna vergeten dat met de decentralisaties ook een fundamenteel andere , meer democratische verhouding tussen burgers en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Dat moet democratische controle directer en effectiever, en beleid navenant responsiever maken. Maar dat is niet alles. De democratische ambitie van de decentralisaties reiken veel verder, in meerdere opzichten.
Book
Do human rights offer real protection when disadvantaged groups invoke them at the local level in an attempt to improve their living conditions? If so, how can we make sure that the experiences of those invoking human rights at the local level have an impact on the further development of human rights (at national and other levels) so that the local relevance of human rights increases? Since the adoption of the Universal Declaration of Human Rights (UDHR) on 10 December 1948, numerous international documents have reaffirmed human rights as global norms. This book examines what factors determine whether appeals to human rights that emanate from the local level are successful, and whether the UDHR adequately responds to threats as currently defined by relevant groups or whether a revision of some of the ideas included in the UDHR is needed in order to increase its contemporary relevance.
Article
After the adoption of the Universal Declaration of Human Rights, the international community increasingly began to use the language of human rights to address issues of human dignity. A vast body of international and constitutional human rights law was enacted: the acquis of international human rights law, according to the UN High Commissioner for Human Rights, currently consists of no fewer than eight core conventions and numerous protocols. A plethora of intergovernmental, national and civil society institutions have committed to human rights as a policy objective and engage in human rights activities. At the start of the new millennium, world heads of state and government resolved ‘to spare no effort’ to respect all internationally recognised human rights, and ‘to strive for the full protection and promotion in all our countries of civil, political, economic, social and cultural rights for all’. The statement was made as part of a Declaration aimed at ensuring that ‘globalisation becomes a positive force for all the world's people’. Arguably, issues of human dignity could well have been addressed globally in a different language than that of the language of human rights, and there may be some disadvantages to the choice made – a tendency, perhaps, to overemphasise self-interest and private gain and to underestimate the importance to human dignity of an individual's relationships with others – but clearly significant progress has been made in mobilising the international community on the issue of human dignity through the instrument of human rights.