ArticlePDF Available

Op weg naar boomsgewijs bosbeheer

Authors:

Abstract

Vakblad Natuur Bos Landschap - September 2016 - Boomsgewijs bosbeheer is een manier van bosbeheer waar maatregelen steeds op de individuele boom gericht zijn. In plaats van vlaktegewijze kap worden individuele bomen geoogst en blijft het kronendak dus grotendeels gesloten. Zo blijft het bosklimaat behouden en kan het bos en de bodem doorontwikkelen zonder steeds opnieuw te hoeven beginnen. In Nederland is een meer boomsgewijs bosbeheer geen gemeengoed, terwijl dit juist kansen biedt voor een rijker bosecosysteem. In ieder bos en op elke groeiplaats zijn aanknopingspunten voor deze werkwijze te vinden.
Boomsgewijs bosbeheer is een manier van
bosbeheer waar maatregelen steeds op
de individuele boom gericht zijn. In plaats
van vlaktegewijze kap worden individuele
bomen geoogst en blijft het kronendak
dus grotendeels gesloten. Zo blijft het
bosklimaat behouden en kan het bos
en de bodem doorontwikkelen zonder
steeds opnieuw te hoeven beginnen.
In Nederland is een meer boomsgewijs
bosbeheer geen gemeengoed, terwijl
dit juist kansen biedt voor een rijker
bosecosysteem. In ieder bos en op elke
groeiplaats zijn aanknopingspunten voor
deze werkwijze te vinden.
> Bij boomsgewijze uitkap wordt niet langer
vlaktegewijs gekapt, maar alleen nog op de schaal
van een of enkele bomen ingegrepen. Doel is
niet om de functievervulling opstandsgewijs
te optimaliseren, maar van iedere boom afzon-
derlijk. Boomsgewijs werken is dus in essentie
gewoon een toekomstbomenmethode, maar
wel net iets anders dan we gewend zijn. Voor de
houtproductiefunctie is het streven om iedere
boom te kappen op het moment dat de waarde
van de boom maximaal is, of wanneer deze een
andere meer waardevolle boom in de weg staat.
Een stam die geen meubelhoutkwaliteit kan
bereiken, krijgt daarom een lagere doeldiame-
ter dan een boom die dat wel kan (tabel 1). Een
toekomstboom wordt niet meer gekapt omdat de
buren gemiddeld over de doeldiameter zijn ge-
groeid, maar omdat die boom zelf op dat moment
optimaal vermarkt kan worden. Een vitale boom
van topkwaliteit kan jaren wachten op de juiste
marktomstandigheden.
Met deze werkwijze wordt automatisch een
omvorming richting structuurrijk uitkapbos met
continue kroonbedekking ingezet. Dit werkt
positief op de bodemontwikkeling en maakt een
Op weg naar
boomsgewijs
bosbeheer
Foto 1. Deze eik was met
15 jaar en een diameter
van 8 cm zeker geen rechte
boom. Met 90 jaar en een
diameter van 45 cm is de
stam nagenoeg recht.
foto Yann Mozzinacci, IDF
»=laff]L`geYkk]f :gk_jg]hRma\
Nederland) & Wouter Delforterie (Bosgroep
Midden Nederland)
doorontwikkeling van het bosecosysteem voorbij
een pionierbos mogelijk. Omdat boomsgewijs
gewerkt wordt, kunnen bomen met een andere
functievervulling moeiteloos in het systeem
worden geïntegreerd. Een habitatboom of bele-
vingsboom kan prima naast een kwaliteitsstam
groeien.
De pareltjes in de groene soep
In opstanden met schaduwboomsoorten als doug-
las is een boomsgewijze werkwijze goed voor te
stellen. Maar juist ook in oud open groveden-
nenbos zijn vaak aanknopingspunten voor een
boomsgewijze aanpak te vinden. Vaak wordt de
bijgroei van deze oude dennen als onvoldoende
beoordeeld en terecht een verjongingsnoodzaak
gediagnostiseerd. De aanwezige jonge bomen in
de struiklaag en tweede boomlaag worden vervol-
gens gemakkelijk over het hoofd gezien. Terwijl
hier regelmatig tien tot twintig jaar oude bomen
staan die met enige begeleiding naar de boomlaag
door kunnen groeien.
Met de uitvoering van een groepenkap is het on-
gewis wat er voor de huidige bomen in de plaats
komt, terwijl door het selecteren van toekomstbo-
48 septem
b
er 201
6
themanummer bos
licht in het bos. Ingroeiende eiken staan er bij-
voorbeeld om bekend dat ze graag de hemel wil-
len zien. Een kroon die hier boven hangt, moet
dus verwijderd worden, ook als er nog ruimte
is. Eiken groeien dan beter en rechter. Terwijl
de stamkwaliteit van beuk juist profiteert van
halfschaduw, omdat beuk dan veel minder zware
zijtakken vormt. Beuk profiteert van halfschaduw
omdat het hem meestal een concurrentievoordeel
oplevert ten opzichte van andere bomen. Bij dit
spelen met licht is het belangrijk te realiseren dat
in het bos veel licht niet direct van boven komt.
Door in te grijpen in de tweede boomlaag kunnen
zogenaamde lichtvreters aan de zuidkant van een
verjongingslocatie weggenomen worden. Dankzij
het extra zonlicht kan een verjongingsgroep dan
doorgroeien of kunnen nieuwe bomen kiemen.
Op termijn kan zich uit zo’n groepje een nieuwe
toekomstboom ontwikkelen (zie figuur 1).
De halfschaduw biedt ook kansen voor planten
onder scherm. Hiermee kan de menging verrijkt
Soort Doeldiameter
A
(recht en noestvrij)
B
(recht en licht betakt/
weinig noesten)
C
(gezond en takkig/
noesten of wat krom)
D
(krom, takkig en of
rot)
Eik of beuk 75-95 65-75 55-65
Zo snel mogelijk oog-
sten als de boom geen
andere functie heeft
dan houtproductie
Beuk met verkleurings-
risico
60-75 60 55
Es 55-60 45-55 45
Zoete kers 65-70 55 45
Esdoorn 75 65 45
Els en berk 50-55 40-45 35-40
Douglas en lariks 75-95 65 45
Tabel 1. Voorbeeld van
doeldiameters naar kwali-
teitsklasse in ongelijkvormig
hooghout.
(Le Martelage en futaie irré-
gulière, François Baar) (www.
foretwallonne.be/images/
stories/AutresDocuments/
MartelageFutaieIrreguliere.
pdf)
men in de tweede boomlaag de slagingskans van
de verjongingsingreep veel groter is. Deze bomen
zijn al een hele tijd aan het groeien en vaak is er
keus tussen meerdere boomsoorten. Geld voor
bodemverwonding of aanplant kan zo bespaard
worden en kan deels geïnvesteerd worden om
deze bomen op te snoeien, aangezien deze onder
een open bos vaak te takkig zijn opgegroeid.
Dankzij snoei zijn veel meer bomen een poten-
tiële kandidaat om in de toekomst waardevol
kwaliteitshout te leveren. Alle boomsoorten
kunnen zaagsneden van 2 tot 3 centimeter gezond
overgroeien. Eik lukt dat ook nog bij zaagsneden
van 7 centimeter. Ook hoeft bij loofhout de stam
niet over de gehele lengte recht te zijn. Denk hier-
bij in deurlengtes: een recht stuk van 2-3 meter
is lang genoeg. Eiken kunnen veel krommingen
zelfs ‘overgroeien’ (zie foto 1.)
Spelen met licht
Deze benadering, waarbij niet alleen oog is voor
de eerste boomlaag, vraagt om actief sturen met
worden met soorten die passen in een donkerder
bossysteem en die een positief effect hebben op
strooiselkwaliteit of het voedselaanbod in het
bos. Denk bijvoorbeeld aan linde en esdoorn
maar ook aan struiksoorten als hazelaar.<
e.thomassen@bosgroepen.nl
w.delforterie@bosgroepen.nl
Praktische tips
Boomsgewijze uitkap vereist overzicht. Dunnings-
paden kunnen behulpzaam zijn bij het gestructu-
reerd werken in een opstand. Een blesser loopt niet
‘verloren’ in de struiklaag. Zie ook https://vimeo.
com/153746182 voor een instructiefilm over bos-
exploitatie met dunningspaden.
Toekomstbomen kunnen op kaart worden vastge-
legd met behulp van GPS. Dit helpt bij planning en
monitoring in de toekomst.
Blijf de aandacht richten op kwaliteit in relatie tot
de gewenste functievervulling. Toekomstbomen in
de boomlaag die goed functioneren of die in het
geval van productiebomen hun optimum nog niet
hebben bereikt, blijven toekomstbomen. Waar geen
toekomstbomen in de boomlaag zijn, wordt de
onderlaag geactiveerd of onderplant.
De uitvoering van de dunning vereist een focus op
kwaliteit van het werk. Ook onderstandige kwali-
teitsbomen moeten gespaard blijven. De praktijk
wijst uit dat dit kan.
49
s
eptem
b
er 2016
themanummer bos
Figuur 1 Door in te grijpen in
de tweede boomlaag kan meer
licht de bosbodem bereiken.
Figuur uit Le Martelage en futaie
irrégulière, François Baar. (www.
foretwallonne.be/images/stories/
AutresDocuments/MartelageFu-
taieIrreguliere.pdf)
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.