ArticlePDF Available

Abstract

Samenvatting Deze empirische studie onderzoekt het effect van samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders op het niveau van de verwachte omzetgroei van de betrokken ondernemingen. Wel samenwerken van ondernemers met buitenstaanders blijkt een groot effect te hebben op de verwachtingen in vergelijking met niet samenwerken met buitenstaanders. Samenwerken met betaalde buitenstaanders blijkt een groter effect te hebben dan werken met niet-betaalde buitenstaanders. Het grotere effect op de verwachtingen blijkt tevens voor samenwerken van ondernemers met professionele buitenstaanders ten opzichte van samenwerken van ondernemers met niet-professionele buitenstaanders. Ook het aantal buitenstaanders waarmee wordt samengewerkt, het aantal gesprekken dat met de buitenstaanders wordt gevoerd en het aantal onderwerpen dat wordt besproken leveren positieve bijdragen aan het door de betrokken ondernemers verwachte niveau van omzetgroei. Het effect doet zich in het onderzoek vooral voor bij ondernemingen met 10 of meer werkzame personen. Het door ondernemers verwachte niveau van omzetgroei is een belangrijk perspectief dat zij voor hun onderneming zien. De verwachte omzetgroei als resultaat van de samenwerking met buitenstaanders is nieuw in de literatuur.
Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders leidt
tot een sterk positief eect op de verwachte omzetgroei
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort
Received 6 August 2018 | Accepted 19 October 2018 | Published 2 November 2018
Samenvatting
Deze empirische studie onderzoekt het eect van samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders op het niveau van
de verwachte omzetgroei van de betrokken ondernemingen. Wel samenwerken van ondernemers met buitenstaanders blijkt een
groot eect te hebben op de verwachtingen in vergelijking met niet samenwerken met buitenstaanders. Samenwerken met betaalde
buitenstaanders blijkt een groter eect te hebben dan werken met niet-betaalde buitenstaanders. Het grotere eect op de verwachtingen
blijkt tevens voor samenwerken van ondernemers met professionele buitenstaanders ten opzichte van samenwerken van ondernemers
met niet-professionele buitenstaanders. Ook het aantal buitenstaanders waarmee wordt samengewerkt, het aantal gesprekken dat
met de buitenstaanders wordt gevoerd en het aantal onderwerpen dat wordt besproken leveren positieve bijdragen aan het door de
betrokken ondernemers verwachte niveau van omzetgroei. Het eect doet zich in het onderzoek vooral voor bij ondernemingen met
10 of meer werkzame personen. Het door ondernemers verwachte niveau van omzetgroei is een belangrijk perspectief dat zij voor
hun onderneming zien. De verwachte omzetgroei als resultaat van de samenwerking met buitenstaanders is nieuw in de literatuur.
Relevantie voor de praktijk
De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders tot een sterk positief ef-
fect leidt op het door de ondernemers verwachte niveau van omzetgroei. Dit positieve eect geldt niet alleen voor de samenwerking
op zich maar ook voor de intensiteit van de samenwerking. Dit artikel is relevant voor de praktijk omdat wordt aangegeven dat en
hoe de samenwerking van ondernemers met buitenstaanders een bijdrage kan leveren aan de verwachte omzetgroei als stap in de
ontwikkeling en als perspectief voor MKB-ondernemingen.
Trefwoorden
ondernemer, buitenstaander, coach, mentor, samenwerking, verwachte omzetgroei, MKB
1. Inleiding
Veel ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (MKB)
kennen momenten van grote onzekerheid over de conti-
nuïteit van hun ondernemingen. Met name dan hebben
deze ondernemers behoefte aan omzetgroei. Deze empi-
rische studie onderzoekt het eect van samenwerken van
ondernemers met buitenstaanders op de verwachte om-
zetgroei van de ondernemingen. Het door de onderne-
mers verwachte niveau van omzetgroei is zo belangrijk
omdat het als perspectief dient om hun groeiverwachting
geheel of ten dele om te zetten in feitelijke omzetgroei.
Het gaat bij de verwachtingen dan ook minder om de
exactheid van de cijfers en meer om dit perspectief dat
de ondernemer met zijn verwachtingen voor zijn onder-
neming ziet. De betekenis van de samenwerking van
ondernemers met buitenstaanders is met de verwachte
omzetgroei een stap in de ontwikkeling van de onder-
nemingen. In de responsgroep van dit onderzoek zijn 81
ondernemers in gesprek over hun ondernemingen met
in totaal circa 200 buitenstaanders over gemiddeld vijf
onderwerpen.
Copyright Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort. This is an open access ar ticle distributed under the ter ms of the Creative
Commons Attribution License (CC-BY-NC-ND 4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium,
provided the original author and source are credited.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10) (2018): 265–276
DOI 10.5117/mab.92.28853
Research Article
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders266
In dit onderzoek is de buitenstaander de persoon waar-
mee de ondernemer samenwerkt voor de ontwikkeling
van zijn onderneming. De buitenstaander is een bij de on-
derneming betrokken persoon. Het woord buitenstaander
is hier de directe vertaling van het in dit verband vaak
in de literatuur gebruikte woord ‘outsider’. Uit het lite-
ratuuronderzoek blijkt dat er ook andere termen voor het
begrip buitenstaander worden gebruikt zoals mentor of
coach. Kleijn et al. (2011) deniëren de buitenstaander
als de persoon die onafhankelijk handelt in relatie tot de
eigenaar van de onderneming. De buitenstaander, aldus
Kleijn et al. (2011), voegt kennis en ervaring toe aan die
van de ondernemer. De ondernemer is hierbij de in zijn
eigen onderneming werkzame eigenaar. Het begrip sa-
menwerking van de ondernemer met de buitenstaander
wordt hier gebruikt omdat het niet duidelijk is of het ef-
fect wordt gerealiseerd door de ondernemer of door de
buitenstaander. In de literatuur wordt algemeen erkend
dat samenwerken van MKB-ondernemers met buiten-
staanders positieve betekenis heeft voor de ontwikkeling
van ondernemingen (Hallen and Eisenhardt 2012; Van
Hemert et al. 2013; Hansen and Hamilton 2011; Kleijn et
al. 2011; Masurel et al. 2004; Robson and Bennett 2000;
Mole 2002; Postema 2016).
De centrale onderzoeksvraag van dit artikel betreft het
eect van de samenwerking van ondernemers met bui-
tenstaanders op het niveau van de door deze ondernemers
verwachte omzetgroei. De eerste onderzoeksvraag in dit
artikel luidt of er verschil bestaat in het niveau van de ver-
wachte omzetgroei van ondernemers die wel samenwer-
ken met buitenstaanders ten opzichte van ondernemers
die niet samenwerken met buitenstaanders. De tweede
vraag betreft het verschil in verwachte omzetgroei van
het samenwerken van ondernemers met betaalde buiten-
staanders ten opzichte van het samenwerken met niet-be-
taalde buitenstaanders. De derde vraag gaat over het ef-
fect van de professionaliteit van de buitenstaander. De
vierde en laatste vraag is of de mate van intensiteit van de
samenwerking met de buitenstaander eect heeft op het
door de ondernemers verwachte niveau van omzetgroei.
In dit artikel wordt in belangrijke mate gerefereerd
aan Postema (2016) waarin het eect van een twee jaar
durende interventie van een professionele buitenstaander
op de feitelijke groei van de omzet van de deelnemende
ondernemingen werd onderzocht.
Dit artikel bestaat uit acht paragrafen. Na de inleiding
volgt in paragraaf 2 het literatuuroverzicht betreende
de eecten van de samenwerking van ondernemers met
buitenstaanders. In de derde paragraaf worden de hypo-
thesen geformuleerd. Paragraaf vier beschrijft de operati-
onalisatie van het onderzoek waarna in paragraaf vijf de
data-analyse en de uitkomsten volgen. Bij de uitkomsten
wordt vastgesteld of de hypothesen al dan niet worden
ondersteund. De discussie is weergegeven in paragraaf
zes. Paragraaf zeven geeft inhoud aan de beperkingen en
de daarbij gedane aanbevelingen. Paragraaf 8 beschrijft
de conclusies en de aan de discussie en conclusies ver-
bonden aanbevelingen.
2. Literatuuroverzicht
Uit de literatuur blijkt dat de samenwerking van onder-
nemers met buitenstaanders zich afspeelt in een veelheid
van rollen en met een scala aan onderwerpen in allerlei
vormen en intensiteiten van samenwerking. Dit beeld
wordt ook aangetroen in de responsgroep van dit on-
derzoek.
Deze paragraaf beschrijft vooruitlopend op de formu-
lering van de hypothesen twee ondersteunende theorieën,
buitenstaanders in een scala van rollen van samenwer-
king met ondernemers, breedte en diepte van kennis en
kunde van buitenstaanders, toekomstverwachtingen van
de ondernemers als gevolg van samenwerking met bui-
tenstaanders, de buitenstaanderintensiteit, de kwaliteit
van de samenwerking en de betekenis die de omvang van
ondernemingen heeft bij het samenwerken met buiten-
staanders.
2.1 Ondersteunende theorieën
Schumpeter (1934) meldt in zijn ‘theory of creative de-
struction’ dat het ontwikkelen en het gebruik maken van
nieuwe vormen van organisatie leidt tot groei van de eco-
nomie en tot groei van ondernemingen. Penrose (1995)
laat in haar ‘theory of the growth of the rm’ zien dat
verbetering van ondernemingsprocessen vooraf gaat aan
omzetgroei.
2.2 Buitenstaanders in een scala van rollen
In deze subparagraaf wordt de betekenis van de buiten-
staander in een scala van rollen voor ondernemingen on-
derzocht. Amin (2015) concludeert dat in het algemeen
sprake is van positieve verbanden tussen de aanwezigheid
van een buitenstaander en de ontwikkeling van de onder-
neming. Reay et al. (2013) concluderen dat adviseurs van
familiebedrijven dikwijls expertise en kunde hebben die
bijdragen aan de langetermijnontwikkeling van onder-
nemingen. Revilla et al. (2016) tonen aan dat de familie
rond de onderneming invloed heeft op het meer op lange
termijn sturen van de onderneming. Deze invloed ver-
kleint het risico op faillissement. Audretsch et al. (2013)
concluderen dat het monitoren van de ondernemer door
de familie positief bijdraagt aan de ontwikkeling van de
onderneming.
Shah et al. (2016) constateren dat de rol van de coach
recent veel aandacht krijgt in kleine en middelgrote on-
dernemingen vanwege het positieve eect op de ontwik-
keling van de ondernemingen. Rosha (2014) concludeert
echter dat er nog veel onzeker en onduidelijk is over wat
die coaching precies inhoudt. Opvallend over de rol van
de coach is ook dat er in tegenstelling tot de onduide-
lijkheden tevens expliciete procedures van coaching in
de literatuur worden aangetroen (Ludema et al. 2001).
Postema (2016) hanteerde een strak omschreven model
van coaching op basis van de theorie van ’appreciative
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10): 265–276
https://mab.pensoft.net
267
inquiry’. Audet and Couteret (2012) schrijven over coa-
ching als middel dat ondernemers kan stimuleren de ei-
gen strategische visie te ontwikkelen en om te zetten in
actie. Ungerer and Baltes (2015) kwaliceren coaching
van ondernemers als één van de belangrijke middelen die
eect hebben op de ontwikkeling van ondernemingen.
Van Hemert et al. (2013) en Inauen and Schenker-Wicki
(2011) tonen aan dat wetenschappers, als buitenstaan-
ders, in hun contacten met ondernemers op het gebied
van innovatie invloed hebben op de ontwikkeling van de
betrokken ondernemingen.
Carey (2015) komt tot de conclusie dat het gebruikma-
ken van ondernemingsadvies bij de eigen externe accoun-
tant voor kleine ondernemingen (5 tot 49 fte) leidt tot een
betere ontwikkeling van de onderneming, zeker als spra-
ke is van de combinatie van ondernemingsadvies en au-
diting. Masurel et al. (2004) zien dat de gevolgen van de
inschakeling van de commissaris (formele toezichthou-
dende en adviserende rol) of de consularis (oud-onderne-
mer in een meer informele adviserende rol) vooral stra-
tegische zaken betreen. Als belangrijkste positief eect
noemen de respondenten in het onderzoek van Masurel
et al. (2004) de invloed op de strategie van hun onderne-
mingen. Ook het beter vertegenwoordigd zijn in diver-
se netwerken scoort hoog. Op de derde en vierde plaats
volgen een sterkere continuïteit en de verbetering van de
bedrijfsvoering.
Lobacz et al. (2016) concluderen dat advies sterk kan
bijdragen aan de ontwikkeling van kleine innovatieve
ondernemingen. Robson and Bennett (2000) tonen aan
dat de positieve verbanden met de ontwikkeling van on-
dernemingen worden gedomineerd door buitenstaanders
uit de private sector. Zij noemen advocaten, leveranciers,
afnemers, zakelijke vrienden en relaties.
Barringer et al. (2005) onderzochten de karakteristie-
ken van snel groeiende ondernemingen en hun eigena-
ren. Zij onderscheiden 12 karakteristieken, waaronder
professionele netwerken, die zich signicant verhouden
met snelle groei. Terziovski (2003) concludeert dat het
verband tussen het netwerken van ondernemers en het
ontwikkelen van hun ondernemingen positief is. Ripollés
and Blesa (2016) schrijven dat ondernemingsnetwerken
waardevolle voordelen genereren. Naudé et al. (2014)
tonen positieve verbanden tussen het opbouwen, het on-
derhouden en het benutten van contacten enerzijds en de
ontwikkeling van MKB-ondernemingen anderzijds. Cisi
et al. (2016) constateren dat deelname aan formele zake-
lijke netwerken een positief eect heeft op de toegevoeg-
de waarde en op de export. Zij constateren ook dat de
voordelen van het netwerken groter zijn voor kleine on-
dernemingen. Fucugawa (2006) concludeert dat het door
ondernemers aangaan van verbanden met externe bron-
nen van kennis impact heeft op innovatiesucces. Hansen
and Hamilton (2011) deden onderzoek naar factoren die
groeiers en niet-groeiers onder kleine ondernemingen van
elkaar onderscheiden. Onder de groeibepalende factoren
vonden zij het gebruik maken van uitgebreide particuliere
en zakelijke netwerken. Kang and Kang (2009) noemen
overdracht van kennis uit informele netwerken met posi-
tief eect. Pino et al. (2016) concluderen dat open inno-
vatie, ofwel innoveren in contact met netwerkpartners als
buitenstaanders, een positief eect heeft op de ontwikke-
ling van ondernemingen.
2.3 Kennis en kunde van buitenstaanders
Kleijn et al. (2011) en Perry et al. (2014) merken op dat
ondernemers dikwijls niet in staat zijn hun ondernemin-
gen te veranderen omdat zij geen of onvoldoende zicht
hebben op het daarvoor noodzakelijke bredere perspec-
tief van de onderneming. Kleijn et al. (2011) beschrijven
in hun onderzoek naar innovatief gedrag van onderne-
mers de kennis en kunde van de buitenstaanders als breed
en diep. Robson and Bennett (2000) concluderen dat het
verkrijgen van extern advies op het gebied van onderne-
mingsstrategie een bijdrage levert aan de ontwikkeling
van de onderneming. Berry et al. (2005) concluderen dat
MKB-ondernemingen waarvan de eigenaar-directeur een
scala van ondernemingsadviezen gebruikt de snelst groei-
ende ondernemingen zijn. Johnson et al. (2007) laten een
sterk verband zien tussen de intenties van ondernemingen
om te groeien en de geneigdheid om ondernemingsadvies
te gebruiken. Julien (2000) toont een positief verband tus-
sen de groeiers onder de ondernemingen en de vragers
van advies.
2.4 Buitenstaanderintensiteit
De buitenstaanderintensiteit is in dit onderzoek het be-
grip voor de intensiteit van de samenwerking van de
ondernemer met de buitenstaander. Meerdere aspec-
ten van intensiteit worden onderscheiden. Bennett and
Robson (1999a) tonen aan dat een hogere mate van
intensiteit van interactie tussen ondernemer en advi-
seur resulteert in meer eect op de ontwikkeling van
de onderneming. Een conclusie van Mole et al. (2011)
is dat gerichte intensieve ondersteuning het meeste ef-
fect oplevert. Masurel et al. (2004) melden als indicaties
van buitenstaanderintensiteit dat het gemiddeld aantal
vergaderingen per jaar met de consularis 6,6 bedraagt
en als gemiddeld aantal vergaderingen per jaar met de
commissaris 4,9. Bennett and Robson (2003) melden
een zestal onderwerpen van advies gericht op verster-
king van de concurrentiepositie van de onderneming.
Hansen (1995) vindt sterke steun voor zijn hypotheses
dat de omvang van het netwerk van de ondernemer, het
kennen van de leden van het netwerk en de frequentie
waarmee de ondernemer in gesprek is met zijn netwerk,
leiden tot sterke ondernemingsgroei in het eerste jaar
van de netwerkactiviteiten.
Bah et al. (2011) onderzochten de verschillen in om-
zetontwikkeling van MKB-ondernemingen in Macedonië
die technische en nanciële assistentie van een hulppro-
gramma kregen ten opzichte van MKB-ondernemingen
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders268
zonder hulpprogramma. De aangetroen verschillen zijn
positief met groeipercentages in personeelsomvang van
16% tot 20% in het eerste jaar van assistentie en van 26%
tot 30% in het derde jaar (het tweede jaar wordt niet ge-
noemd). Het hulpprogramma was nadrukkelijk gericht op
de groei van de ondernemingen. Postema (2016) laat uit-
komsten zien van eenzelfde niveau van groei als gevolg
van een intensieve twee jaar durende buitenstaanderin-
terventie, gericht op het door de ondernemers realiseren
van omzetgroei. De gemiddelde omzetontwikkeling was
over de periode van twee jaar 17,6% beter dan die van
de sector. De in deze interventie gebruikte buitenstaan-
derintensiteiten zijn tien onderwerpen van gesprek, vier
gesprekken per jaar gedurende twee jaar, met een profes-
sionele buitenstaander.
Kleijn et al. (2011) concluderen dat zowel de aanwe-
zigheid als de intensiteit van de samenwerking met de
buitenstaanders de ondernemer kan inspireren tot inno-
vatief gedrag en kan voorkomen dat de ondernemer zich
te veel in beslag laat nemen door de zaken van alle dag.
Zij tonen ook aan dat ondernemingen die intensiever met
buitenstaanders gericht op innovatie werken meer inno-
vatief gedrag laten zien. De intensiteit wordt door Kleijn
et al. (2011) per onderneming gemeten in het aantal bui-
tenstaanders, het aantal bezoeken van de buitenstaanders
per jaar, het jaarlijkse bedrag dat werd betaald voor de
dienstverlening door de buitenstaanders, de positie van
de buitenstaanders en het aantal informatiegebieden dat
door de ondernemers werd gedeeld met de buitenstaan-
ders. Johnson et al. (2007) tonen 20 onderwerpen van
gesprek en het verband tussen de orientatie om te groei-
en en de geneigdheid extern advies te willen gebruiken.
Mole et al. (2009) concluderen met de uitkomsten van
een vragenlijst onder 3000 Engelse MKB-ondernemin-
gen dat intensieve ondersteuning over een periode van
meerdere jaren een sterke groei van werkgelegenheid tot
gevolg heeft.
2.5 De kwaliteit van samenwerking van ondernemers
met buitenstaanders
Lobacz et al. (2014) trekken de conclusie dat de kwali-
teit van het proces tussen ondernemer en buitenstaander
bepalend is voor het eect van de samenwerking op de
onderneming. Brand and Postma (2015) en Van Ees et
al. (2003) geven betekenis aan de helderheid van de be-
langen die de buitenstaander moet dienen. De onderne-
mer en de buitenstaander moeten het eens zijn over deze
belangen. Mole et al. (2011) concluderen dat verschillen
in interventiemodellen invloed kunnen hebben op de uit-
komsten van de interventie door de buitenstaander. Poste-
ma (2016) laat met een op coachingsmethode gebaseerde
interventie een sterke omzetontwikkeling van de deelne-
mende ondernemingen zien. Een wezenlijk uitgangspunt
voor succesvol samenwerken van ondernemers met bui-
tenstaanders is dat zij gezamenlijk actief zijn op een ma-
nier die de ondernemers losmaakt van de dagelijkse gang
van zaken (Van Hemert et al. 2013).
2.6 Toekomstverwachtingen en samenwerking van on-
dernemers met buitenstaanders
Er is vrijwel geen literatuur aangetroen over de ver-
wachte omzetgroei van ondernemers die samenwerken
met buitenstaanders. Masurel et al. (2004) concluderen
dat ondernemers met vertrouwenspersonen (coaches) po-
sitiever denken over de toekomst van hun ondernemin-
gen dan ondernemers zonder vertrouwenspersonen. Dit
betreft zowel de continuïteit van de onderneming als de
groei en de rentabiliteit. “Deze psychologische factor is
van groot belang, zeker in het middenbedrijf waar het
individuele ondernemerschap vaak doorslaggevend is”
(p. 33). Veenstra et al. (2005) concluderen dat leden van
de brancheorganisatie in de gramediabranche meer ver-
trouwen hebben in de toekomst dan niet-leden. Leden zijn
meer gericht op de middellange termijn dan niet-leden.
Niet-leden hebben hun focus vooral op de korte termijn.
Postema (2016) laat zien dat van de door de ondernemers
gewenste organisatieverbetering in samenwerking met
een coach over een periode van twee jaar 69,2% wordt
gerealiseerd. Het gevolg hiervan is een 17,6% betere om-
zetontwikkeling dan die van de sector.
2.7 De omvang van de ondernemingen en het samen-
werken van ondernemers met buitenstaanders
Het samenwerken van ondernemers met buitenstaanders
doet zich vaker voor bij grotere ondernemingen (Ben-
nett and Robson 1999). Bij toenemende schaalgrootte
van ondernemingen in aantal personen van 1 tot 5, van
5 tot 10, van 10 tot 20, van 20 tot 50 en van 50 tot 100
neemt het percentage ondernemingen dat gebruik maakt
van een buitenstaander toe van respectievelijk 18% naar
24%, 37%, 40% en 46% van de respondenten. Bij een
verdere toename van de schaalgrootte van 100 tot circa
250 werkzame personen blijft dit percentage ongeveer
gelijk. Daarna loopt het percentage verder op. Ook Be-
nito-Hernandez et al. (2015) trekken de conclusie dat
naarmate de ondernemingen groter zijn het gebruik van
extern advies toeneemt. Mole et al. (2013, 2014) en Mole
et al. (2016) concluderen dat zodra een onderneming de
drempel van 10 medewerkers bereikt de vraag om advies
frequenter aan de orde is. Bennett and Robson (2003)
melden dat voor alle categorieën adviseurs geldt dat mid-
delgrote ondernemingen beduidend meer gebruik maken
van de diensten van deze adviseurs dan kleine onderne-
mingen doen.
3. Onderzoekshypothesen
Het literatuuroverzicht toont dat samenwerking van on-
dernemers met buitenstaanders bijdraagt aan de ontwik-
keling van de betrokken ondernemingen. Ook de mate
van intensiteit van samenwerking heeft eect op deze
ontwikkeling. De literatuur maakt tevens duidelijk dat
naarmate de ondernemingen groter zijn meer wordt sa-
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10): 265–276
https://mab.pensoft.net
269
mengewerkt met buitenstaanders. Daarom wordt in dit
empirisch onderzoek ook onderscheiden naar kleine en
middelgrote ondernemingen. Voor de verwachtingen als
resultaat van samenwerking van ondernemers met bui-
tenstaanders zijn Masurel et al. (2004), Veenstra et al.
(2005) en Kleijn et al. (2011) benutte referenties.
De hypothesen zijn voorzien van enkele specieke re-
ferenties en luiden als volgt:
1. Ondernemers die samenwerken met buitenstaanders ver-
wachten meer omzetgroei dan ondernemers die niet samen-
werken met buitenstaanders.
Amin (2015), Johnson et al. (2007) en Hansen and
Hamilton (2011) zijn de belangrijkste referenties die ver-
band hebben met de hypotheseformulering. De gedachte
achter de hypothese is dat de buitenstaander additionele
inzichten verschaft aan de ondernemer.
2. Ondernemers die samenwerken met betaalde buitensta-
anders verwachten meer omzetgroei dan ondernemers die
samenwerken met niet-betaalde buitenstaanders.
Robson and Bennett (2000) en Hansen and Hamilton
(2011) onderscheiden naast zakelijke relaties ook parti-
culiere relaties. De gedachte achter deze hypothese is dat
voor zakelijke relaties wordt betaald en dat zij meer im-
pact hebben dan particuliere relaties.
3. Ondernemers die samenwerken met professionele buiten-
staanders verwachten meer omzetgroei dan ondernemers
die samenwerken met niet-professionele buitenstaanders.
Deze hypothese is geformuleerd in samenhang met de
voorgaande. De gedachte achter deze hypothese is dat de
professionele buitenstaander door zijn specieke kennis
en kunde meer bijdraagt dan de niet-professionele bui-
tenstaander.
4. Naarmate de buitenstaanderintensiteit groter is verwachten
ondernemers meer omzetgroei.
Kleijn et al. (2011) en Masurel et al. (2004) hebben
eerder het begrip buitenstaanderintensiteit toegepast. De
gedachte achter deze hypothese is dat als de samenwer-
king verder gaat de impact van de samenwerking groter is.
4. Operationalisatie van het
onderzoek
Deze paragraaf geeft informatie over de keuze voor de
kantoorvakhandel, over de vragenlijst voor de onderne-
mers, het veldwerk, de demograsche en de bedrijfsmati-
ge kenmerken van de respondenten, de redenen waarom
ondernemers wel of niet met buitenstaanders samenwer-
ken, het eect van het samenwerken met buitenstaanders
in het algemeen en tot slot het eect van de intensiteit van
het samenwerken met buitenstaanders.
4.1 De keuze voor de kantoorvakhandel en de ontwik-
keling van de vragenlijst voor de ondernemers
Gekozen is voor de kantoorvakhandel omdat de eerste
auteur de sector goed kent en veronderstelde voldoende
repons te kunnen krijgen. Gegeven deze keuze is het be-
langrijk om te weten dat de kantoorvakhandel een van
de vele typische MKB-sectoren is in Nederland. Het is
daarmee namelijk goed mogelijk dat het onderzoek re-
presentatieve uitkomsten voor dat deel van het MKB zou
kunnen opleveren dat vergelijkbare bedrijfsprocessen
kent. De vragenlijst ten behoeve van dit artikel kent alge-
mene vragen, vragen over de kwaliteit van de organisatie
van de ondernemingen, over de verwachte omzetgroei en
vervolgens over buitenstaanders. De vragen over de ver-
wachte omzetgroei van de ondernemers zijn ontwikkeld
op basis van de literatuur (Bannink and Jackson 2011 en
Jackson and McKerkow 2007) en in samenwerking met
een tiental ondernemers. De vragen over al dan niet sa-
menwerken met buitenstaanders en over de zogeheten
buitenstaanderintensiteit zijn ontwikkeld op basis van
eerder onderzoek van Kleijn et al. (2011) en Masurel et al.
(2004). Zes ondernemers hebben de vragenlijst per email
als proef ingevuld. Deze invulling is geen aanleiding ge-
weest om wijzigingen in de vragenlijst aan te brengen.
4.2 Het veldwerk
Het veldwerk is verricht in de periode van juli 2015 tot en
met oktober 2015, inclusief de derde en laatste email-her-
innering om de vragenlijst in te vullen en te retourneren.
De twee grootste inkooporganisaties van de kantoorvak-
handel in Nederland, Quantore en Hameco, hebben hun
medewerking verleend aan het benaderen van hun leden,
allen ondernemers in de kantoorvakhandel, voor deel-
name aan het onderhavige onderzoek. Het aantal leden
van Quantore was op het moment van verzending van
de vragenlijst 435. Bij Hameco was het ledenaantal toen
214 (waaronder 46 leden die op dat moment tevens lid
waren van Quantore). De vragenlijst is aangekondigd in
het ledenmagazine van Quantore genaamd Foqus, op de
website van Quantore, op de vijf regionale ledenbijeen-
komsten van Quantore en op de jaarvergadering van de
brancheorganisatie van de kantoorvakhandel Novaka.
Van de 603 verzonden vragenformulieren zijn er 164
bruikbaar terug ontvangen. Daarmee is sprake van een be-
vredigende response van 27,2%. De respons van de Quan-
toreleden was 32,2% (van 435 leden). De respons van de
Hamecoleden was 14,3% (van 214 minus 46 leden).
Bij het assortiment en de dienstverlening van de kan-
toorvakhandel wordt in deze krimpende sector gedacht
aan ‘alles voor kantoor’. Bij het assortiment betreft dit al-
les wat door mensen werkzaam op een kantoor wordt ge-
bruikt, benodigdheden voor de schoonmaak, kantoorar-
tikelen, kantoormeubelen, kantoormachines, computers,
printers, en telecom. Bij de dienstverlening gaat het om
ict-werkzaamheden, verkoop, verhuur of lease en instal-
latie van printers en computers, het realiseren van digitale
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders270
dokumentoplossingen en het leveren en installeren van de
volledige kantoorinrichting.
4.3 De demograsche en bedrijfsmatige kenmerken
Het totale MKB was in 2017 verantwoordelijk voor meer
dan 60% van de bruto toegevoegde waarde en 70% van
de werkgelegenheid in Nederland. Het resterende aantal
MKB-ondernemingen bedroeg in 2017 onder aftrek van
de 926.567 zzp’ers en zonder de 448.346 parttimebedrij-
ven in 2017 442.676 (https://mkbservicedesk.nl).
De kantoorvakhandel, een van de typische
MKB-sectoren in Nederland, is te onderscheiden naar
ondernemingen met handel op de consumentenmarkt,
de zogeheten B2C-ondernemingen en de ondernemin-
gen met handel met instellingen en ondernemingen, de
zogeheten B2B-ondernemingen. Naast deze twee soor-
ten ondernemingen bestaan er de zogeheten gemengde
bedrijven met zowel B2C als B2B. De kantoorvakhan-
del telde in Nederland in 2011 890 B2C-ondernemin-
gen (66,9%) met 5.320 werkzame personen en 0,9
miljard omzet en 440 B2B-ondernemingen (33,1%)
met 5.050 werkzame personen en € 1,7 miljard omzet
(Pleijster and Snoei 2011). De responsgroep van het
onderhavige onderzoek bevat 39 B2C-ondernemingen
(23,8%) en 125 B2B-ondernemingen (76,2%). Tot de
tweede sub-groep behoren 74 gemengde ondernemin-
gen. In de sector behoort 70,0% van de ondernemin-
gen tot de ondernemingen met minder dan 10 werk-
zame personen. In de responsegroep is dit percentage
74,7%. Voor wat betreft de ondernemingen met 10 of
meer werkzame personen zijn de cijfers voor de sec-
tor 30,0% en voor de responsgroep 25,3%. Vooral op
grond van de in deze paragraaf genoemde cijfers naar
omvang wordt geconcludeerd dat de responsgroep min
of meer representatief is voor de kantoorvakhandel in
Nederland. Omdat het model van vragen algemeen is
veronderstellen de auteurs dat de uitkomsten van dit
onderzoek ook min of meer representatief zijn voor
meerdere typische MKB-sectoren met ondernemingen
met vergelijkbare bedrijfsprocessen.
4.4 Waarom ondernemers wel of niet samenwerken
met buitenstaanders
De belangrijkste zes argumenten om met buitenstaanders
samen te werken en de belangrijkste vijf argumenten om
dat niet te doen zijn weergegeven in de tabellen 1 en 2.
De in tabel 1 genoemde argumenten van onderne-
mers om met buitenstaanders samen te werken demon-
streren een open houding van deze ondernemers om
actief te zijn met de ontwikkeling van hun ondernemin-
gen. Per ondernemer worden gemiddeld 2,6 argumen-
ten voor samenwerking genoemd. De kwaliteit van de
gesprekken met de buitenstaanders voor de ontwikke-
ling van hun ondernemingen waarderen de onderne-
mers gemiddeld met 7,7 op een schaal van 1 tot 10.
De omvang van de 81 ondernemingen die samenwerken
met buitenstaanders is gemiddeld 14,2 werkzame per-
sonen. De uitkomsten in tabel 1 zijn vergelijkbaar met
die van Masurel et al. (2004).
De in tabel 2 weergegeven argumenten om niet in
gesprek te zijn met buitenstaanders demonstreren een
gesloten houding van deze ondernemers ten opzich-
te van verandering in hun eigen ondernemingen. Per
ondernemer wordt gemiddeld 1,0 argument genoemd
om niet met een buitenstaander te werken. Van deze
ondernemers noemt 40,4% de kosten als grootste be-
lemmering. Bijna een kwart van de ondernemers meldt
dat er geen toegevoegde waarde zou zijn. Niettemin
schat deze groep van 52 ondernemers de kwaliteit van
de gesprekken met buitenstaanders, als zij die gesprek-
ken toch zouden voeren voor de ontwikkeling van hun
onderneming gemiddeld op 7,0 op een schaal van 1 tot
10. Het gemiddelde aantal onderwerpen waarover men
toch met een buitenstaander zou willen spreken is 2,9.
De onderzoekers veronderstellen dat het invullen van
de vragenlijst er toe heeft geleid dat de ondernemers
onderwerpen ontdekten waarover zij toch in gesprek
zouden willen met buitenstaanders. De omvang van de
52 ondernemingen die niet met buitenstaanders werken
bedraagt gemiddeld 5,3 werkzame personen. De uit-
komsten in tabel 2 zijn vergelijkbaar met die van Ma-
surel et al. (2004).
4.5 Omvang van de ondernemingen
Kleine ondernemingen zijn in dit onderzoek ondernemin-
gen met 1 tot 10 werkzame personen (74,6% van het aan-
tal respondenten). Middelgrote ondernemingen hebben
een omvang van 10 of meer werkzame personen met in dit
empirisch onderzoek een maximum van 110 (25,4% van
het aantal respondenten). In de literatuur blijkt de grens
van 10 werkzame personen belangrijk te zijn. Pleijster
and Snoei (2011) hanteren voor de kantoorvakhandel ook
een grens bij 10 werkzame personen.
4.6 Buitenstaanders en buitenstaanderintensiteit
Het onderscheid tussen professionele en niet-professione-
le buitenstaanders is gemaakt op basis van de informatie
van de respondenten. De vraag hierover in de vragenlijst
luidt “Wat is de achtergrond van deze buitenstaander(s)
waarvan u diensten afneemt? Of waarom bent u in ge-
sprek met hem of haar?” Bij specieke antwoorden als vi-
sie en strategie, management, samenwerking, marketing,
commercie, nanciën, personeel, logistiek en organisatie-
advies is verondersteld dat de ondernemer samenwerkt
met een professionele buitenstaander. Het onderscheid
naar betaalde en niet-betaalde buitenstaanders is geba-
seerd op de bedragen die de respondenten als antwoord
gaven. Tabel 3 geeft inzicht in de relatie van de omvang
van de ondernemingen en de samenwerking met buiten-
staanders.
Tabel 3 toont dat het samenwerken van ondernemers
met buitenstaanders, met professionele buitenstaanders
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10): 265–276
https://mab.pensoft.net
271
en met betaalde buitenstaanders vaker voorkomt bij mid-
delgrote ondernemingen dan bij kleine ondernemingen.
Het type onderneming blijkt sterk gecorreleerd te zijn
met de bedrijfsomvang. Van de B2C-ondernemingen be-
hoort 92,3% tot de kleine ondernemingen. Van de middel-
grote ondernemingen is 92,7% B2B. Vanwege de gecon-
stateerde correlatie is alleen de relatie van het eect van
samenwerking naar bedrijfsomvang onderzocht en niet
het eect naar het type onderneming.
Tabel 4 geeft het beeld van de intensiteiten van de sa-
menwerking van ondernemers met buitenstaanders in dit
onderzoek.
De bijdragende onderwerpen zijn die onderwerpen
waarvan de ondernemers aangeven dat deze bijdragen
aan de ontwikkeling van hun ondernemingen. De media-
ne waarden en het gemiddelde aantal verschillen op een
uitzondering na beperkt van elkaar.
5. Data-analyse en uitkomsten
In deze paragraaf worden de uitkomsten van de data-ana-
lyse gegeven. Na de weergave van de stappen van de
data-analyse zijn de uitkomsten van de univariate re-
gressieanalyses aan de orde en wordt vastgesteld of de
hypothesen al dan niet worden ondersteund. Vervolgens
worden de variabelen getest op bruikbaarheid in de mul-
tivariate analyses. Daarna volgen de uitkomsten van de
multivariate regressieanalyses.
5.1 De data-analyse
Allereerst wordt het verschil geanalyseerd in de ver-
wachte omzetgroei in de responsgroep van 133 on-
dernemers naar de groep van 81 ondernemers die wel
Tabel 1. Belangrijkste argumenten om met buitenstaanders samen te werken.
Argumenten N N als % van het totaal aantal respondenten in het onderzoek
1. Toegevoegde waarde 68 84,0
2. Blik op de middellange termijn 47 58,0
3. Feed back 40 49,4
4. Netwerk van de onderneming 22 27,2
5. Fusie en overname 20 24,7
6. Goedkope advisering 10 12,3
Het aantal respondenten is 81. Meerdere antwoorden waren mogelijk.
Tabel 2. Belangrijkste argumenten om niet met buitenstaanders samen te werken.
Argumenten N N als % van het totaal aantal respondenten in het onderzoek
1. Te duur 21 40,4
2. Geen toegevoegde waarde 12 23,1
3. Niet bekend met de rol 815,4
4. Geschikte persoon niet vindbaar 7 13,5
5. Wil geen pottenkijker 5 9,6
Het aantal respondenten is 52. Meerdere antwoorden waren mogelijk.
Tabel 3. Samenwerking met buitenstaander(s) in relatie tot de omvang van de ondernemingen.
Totaal aantal
ondernemingen
Ondernemingen met
buitenstaanders
Ondernemingen met
professionele buitenstaanders
Ondernemingen met
betaalde buitenstaanders
N % % N % N % N %
1 tot 10 werkzame
personen
121 74,6 100 51 42,1 29 24,0 15 12,4
10 of meer werkzame
personen
41 25,3 100 30 73,2 20 48,8 18 43,9
Totaal 162 100,0 100 81 50,0 49 30,2 33 20,4
Van de 33 betaalde buitenstaanders zijn er 30 professioneel.
Tabel 4. Intensiteiten van samenwerken met buitenstaanders.
N Gemiddeld aantal Mediane waarde Standaard deviatie
Buitenstaanders 81 2,5 21,4
Jaren met buitenstaanders 74 8,9 68,3
Gesprekken per jaar 74 6,2 5 4,3
Onderwerpen 76 5,0 5 2,6
Bijdragende onderwerpen 76 4,2 4 2,3
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders272
samenwerken met één of meer buitenstaanders en de
groep van 52 ondernemers dat niet doen. De tweede
stap van de analyse betreft de 81 ondernemers die sa-
menwerken met één of meer buitenstaanders. Daarbij
wordt onderscheiden naar het eect van samenwerking
van ondernemers met betaalde versus niet-betaalde bui-
tenstaanders en professionele versus niet-professionele
buitenstaanders. In de derde stap van de analyse wordt
het eect van buitenstaanderintensiteit op verwachte
omzetgroei onderzocht.
5.2 De uitkomsten van het empirisch onderzoek
De univariate regressieanalyse toont in tabel 5 positieve
en signicante verbanden tussen de onafhankelijke vari-
abele samenwerken met buitenstaanders en de verwachte
omzetgroei voor de totale groep van ondernemingen, voor
de groep ondernemingen met 1 tot 10 werkzame personen
en voor de groep ondernemingen met 10 of meer werk-
zame personen. Hypothese 1 wordt met deze uitkomst
ondersteund voor de totale groep en voor de subgroepen.
De uitkomsten van de univariate regressieanalyses to-
nen in tabel 6 positieve en signicante verbanden tussen
het werken met betaalde buitenstaanders en de verwachte
omzetgroei voor de totale groep van ondernemingen en
voor de groep met 10 of meer werkzame personen. De
groep van ondernemingen met 1 tot 10 werkzame per-
sonen laat voor het werken met betaalde buitenstaanders
geen positief signicant verband zien met de verwachte
omzetgroei.
Hypothese 2 wordt met deze uitkomst ondersteund, voor
de totale groep. Voor de subgroep ondernemingen met 10
of meer werkzame personen wordt de hypothese eveneens
ondersteund. Voor de subgroep kleine ondernemingen is
geen ondersteuning voor de hypothese gevonden.
Voor het werken met betaalde buitenstaanders geldt
een positief en signicant verband met de verwachte om-
zetgroei voor de totale groep en voor de groep van onder-
nemingen met 10 of meer werkzame personen. Voor de
groep ondernemingen met 1 tot 10 werkzame personen is
geen sprake van een positief signicant verband.
Hypothese 3 wordt met deze uitkomst ondersteund
voor de toale groep van ondernemingen. Voor de sub-
groep van ondernemingen met 10 of meer werkzame per-
sonen wordt hypothese 3 eveneens ondersteund. Voor de
subgroep kleine ondernemingen is er voor de hypothese
geen ondersteuning.
Vervolgens is het verband geanalyseerd tussen de bui-
tenstaanderintensiteit en de verwachte omzetgroei. De
uitkomsten van de univariate regressieanalyses voor de
totale groep ondernemingen tonen positieve en signi-
cante verbanden voor het aantal gesprekken per jaar, het
aantal onderwerpen van gesprek en het aantal bijdragen-
de onderwerpen van gesprek enerzijds en de verwachte
omzetgroei anderzijds. In de subgroep van ondernemin-
gen met 10 of meer werkzame personen zijn er positieve
signicante verbanden voor het aantal buitenstaanders,
het aantal onderwerpen van gesprek en het aantal bijdra-
gende onderwerpen met de verwachte omzetgroei. In de
groep ondernemingen met 1 tot 10 werkzame personen
zijn geen positieve signicante verbanden aangetroen.
Voor de totale groep wordt hypothese 4 voor drie van
de vijf intensiteiten ondersteund, namelijk met betrek-
king tot het aantal gesprekken per jaar, het aantal onder-
werpen van gesprek en het aantal bijdragende onderwer-
pen van gesprek. Voor de subgroep ondernemingen met
10 of meer werkzame personen wordt de hypothese voor
drie van de vijf intensiteiten ondersteund, namelijk met
betrekking tot het aantal buitenstaanders waarmee wordt
samengewerkt, het aantal onderwerpen waarover wordt
gesproken en het aantal bijdragende onderwerpen waar-
over wordt gesproken. Voor de subgroep ondernemingen
met 1 tot 10 werkzame personen wordt hypothese 4 in het
geheel niet ondersteund.
In stap 3 van de analyse worden de verbanden tussen
de onafhankelijke variabelen en de verwachte omzet-
groei multivariaat onderzocht. Tabel 7 geeft de uitkom-
sten van de test van de variabelen op bruikbaarheid voor
de multivarate regressieanalyse weer. De tabel toont
sterke bivariate verbanden tussen de variabelen betaal-
de buitenstaanders en professionele buitenstaanders en
tussen de variabelen aantal onderwerpen en aantal bij-
dragende onderwerpen. Een Cramèrs V-analyse is ge-
bruikt om de bivariate verbanden tussen de variabelen
te meten. Met SPSS 20 zijn de waarden van Cramèrs V
berekend. De waarde van de Cramèrs V ligt tussen 0,
geen verband, en 1, perfect verband. Bij een waarde van
Cramèrs V tussen 0,5 en 0,7 is sprake van een sterk ver-
band tussen twee variabelen. Deze waarde van Cramèrs
V benadert de grens van multicollineariteit. Bij toepas-
sing van multivariate regressieanalyse kan een te sterk
onderling verband tussen twee variabelen de uitkomsten
onacceptabel beïnvloeden. Daarom zijn de variabelen
betaalde buitenstaander versus niet-betaalde buiten-
staander en aantal bijdragende onderwerpen niet in de
multivariate analyse meegenomen. Voor toepassing in
de multivariate regressieanalyse is gekozen voor de va-
riabele professionele buitenstaander versus niet-profes-
sionele buitenstaander omdat het desbetreende aantal
respondenten groter is dan het aantal respondenten bij
de variabele betaalde buitenstaander versus niet-betaal-
de butienstaander. Er is gekozen voor de variabele aantal
onderwerpen van gesprek omdat deze een meer signi-
cante uitkomst laat zien dan de variabele bijdragende
onderwerpen van gesprek (het aantal respondenten bij
beide variabelen is gelijk).
Met de multivariate regressieanalsye wordt uitsluitend
een positief en signicant verband aangetroen voor de
professionele buitenstaanders en het aantal onderwerpen
van gesprek met het niveau van de verwachte omzetgroei.
Dit verband geldt zowel voor de totale groep als voor de
subgroep ondernemingen van 10 of meer werkzame per-
sonen Dit verband geldt niet voor de subgroep onderne-
mingen van 1 tot 10 werkzame personen. In alle andere
multivariate regressieanalyses blijken de univariate ver-
banden niet meer signicant te zijn.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10): 265–276
https://mab.pensoft.net
273
6. Discussie
Uit het empirisch onderzoek blijkt dat wel samenwer-
ken van ondernemers met buitenstaanders versus niet
samenwerken van ondernemers met buitenstaanders een
positief verschil in verwachte omzetgroei toont voor de
totale groep en voor de beide subgroepen van onderne-
mingen. Echter voor het samenwerken van ondernemers
met professionele buitenstaanders versus samenwerken
met niet-professionele buitenstaanders wordt dit ver-
band voor de subgroep kleine ondernemingen niet ge-
vonden. Ook de buitenstaanderintensiteit draagt voor de
subgroep kleine ondernemingen niet in positieve zin bij
aan van de verwachte omzetgroei. De auteurs constate-
ren hiermee dat de loutere aanwezigheid van een buiten-
staander in kleine ondernemingen positief eect sorteert
Tabel 5. Univariate regressieanalyse van werken met buitenstaanders op de verwachte omzetgroei.
Variabele Totale groep Ondernemingen met
1 tot 10 werkzame
personen
Ondernemingen met
10 of meer werkzame
personen
βnβnβn
Ondernemingen met buitenstaanders
versus ondernemingen zonder
buitenstaanders
0,225*** 133 0,202** 97 0,234* 36
*signicant op niveau 0,1, **signicant op niveau 0,05, ***signicant op niveau 0,01. De signicantie is eenzijdig gemeten omdat de hypotheses
positief zijn geformuleerd.
Tabel 6. Univariate regressieanalyse van buitenstaanders en buitenstaanderintensiteiten op de verwachte omzetgroei.
Variabelen Totale groep Ondernemingen met1
tot 10 werkzame
personen
Ondernemingen met10
of meer werkzame
personen
βn βnβn
Betaalde versus niet-betaalde buitenstaander 0,266*** 81 0,181 51 0,399** 30
Professionele versus niet-professionele buitenstaander 0,248** 68 0,184 42 0,365** 26
Aantal buitenstaanders 0,083 80 -0,071 50 0,371** 30
Aantal jaren met buitenstaanders -0,161* 74 -0,234* 47 -0,057 27
Aantal gesprekken per jaar 0,175* 74 0,156 47 0,198 27
Aantal onderwerpen van gesprek 0,277*** 76 0,161 49 0,453*** 27
Aantal bijdragende onderwerpen van gesprek 0,190** 76 0,106 48 0,284* 28
*signicant op niveau 0,1 , **signicant op niveau 0,05, ***signicant op niveau 0,01 De signicantie is eenzijdig gemeten omdat de hypothesen
positief zijn geformuleerd.
Tabel 7. Cramèrs V-analyse van de variabelen buitenstaanders en buitenstaanderintensiteiten.
1 2 3 4 5 6 7
1. Betaalde versus niet-betaalde buitenstaander Cramèrs V
Approx. Sig.
n 81
2. Professionele versus niet-professionele buitenstaander Cramèrs V 0,521
Approx. Sig. 0,000
n 68
3. Aantal buitenstaanders Cramèrs V 0,050 0,059
Approx. Sig. 0,654 0,624
n 80 68
4. Aantal jaren met buitenstaanders Cramèrs V 0,082 0,229 0,164
Approx. Sig. 0,483 0,059 0,159
n74 68 74
5. Aantal gesprekken per jaar Cramèrs V 0,040 0,053 0,064 0,016
Approx. Sig. 0,730 0,667 0,582 0,892
n74 67 74 73
6. Aantal onderwerpen van gesprek Cramèrs V 0,270 0,206 0,154 0,165 0,296
Approx. Sig. 0,019 0,090 0,184 0,155 0,011
n76 68 75 74 73
7. Aantal bijdragende onderwerpen van gesprek Cramèrs V 0,167 0,109 0,237 0,095 0,295 0,616
Approx. Sig. 0,146 0,367 0,040 0,401 0,012 0,000
n76 68 75 73 72 75 76
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders274
terwijl intensief samenwerken van eigenaren van kleine
ondernemingen met professionele buitenstaanders niet
tot positief eect leidt.
52 respondenten hebben met het niet kiezen voor sa-
menwerking met buitenstaanders, met de uitkomsten van
dit onderzoek, minder kans op het ontwikkelen van een
positief beeld ten aanzien van hun toekomstige omzet als
stap in de ontwikkeling van hun ondernemingen. Opval-
lend is dat deze ondernemers niettemin gemiddeld een
6,7 op een schaal van 1 tot 10 verwachten voor de kwa-
liteit van het gesprek met buitenstaanders als zij toch in
gesprek zouden gaan. De auteurs veronderstellen dat het
de eigenaren van de kleine ondernemingen, naast de ar-
gumenten die zij zelf geven om niet samen te werken met
een buitenstaander, vooral ontbreekt aan tijd. Daarnaast
wordt bij eigenaren schroom verondersteld om met pro-
fessionele buitenstaanders over het functioneren van hun
ondernemingen in gesprek te gaan.
Zowel uit het literatuuronderzoek als uit het empirisch
onderzoek blijkt dat intensief samenwerken van onder-
nemers met buitenstaanders positief eect sorteert op de
ontwikkeling van ondernemingen zonder dat duidelijk is
hoe de samenwerking is georganiseerd. Specieke aan-
dacht voor het inrichten van de samenwerking van on-
dernemers met buitenstaanders naar de onderscheiden
intensiteiten zou voor het eect van de samenwerking
interessant kunnen zijn.
Op de vraag of het de buitenstaanders zijn die het po-
sitieve eect op het niveau van de verwachte omzetgroei
veroorzaken of dat het de ondernemers zijn die omzet-
groei zoeken die dit eect creëren geeft dit onderzoek
geen antwoord. Een uitkomst van dit empirisch onder-
zoek is dat samenwerken van ondernemers met buiten-
staanders tot positief eect leidt.
7. Beperkingen en aanbevelingen
In de vragenlijst is de ondernemers gevraagd naar hun
verwachtingen betreende de omzetontwikeling van hun
ondernemingen. Daarmee zijn subjectieve data onderdeel
van het onderzoek geworden. Het is mede daarom aan te
bevelen ook andere methoden toe te passen om dit belang-
wekkende onderwerp nader te onderzoeken. Hierbij wordt
gedacht aan onderzoek in de ondernemingen op basis van
waarneming door onderzoekers van het ontstaan van de
verwachtingen en van de realisatie van de verwachtingen.
Kwalitatief onderzoek zou in beeld kunnen brengen wat
het is in de samenwerking van ondernemers met buiten-
staanders dat bijdraagt aan het ontstaan en wat het is dat
bijdraagt aan het realiseren van de verwachtingen.
Omdat 85,4% van de respondenten lid is van Quantore,
en daarmee een specieke selectie uit de sector, zou spra-
ke kunnen zijn van een selectiebias. Onder leiding van de
algemene directeur van Quantore zijn de leden jaarlijks
regelmatig in gesprek over de visie op hun markt, de stra-
tegieën en de bijbehorende marketing om hun marktaan-
deel in deze krimpende markt te vergroten. Het meer met
deze onderwerpen bezig zijn van deze respondenten ten
opzichte van andere ondernemers in de sector kan invloed
hebben op de uitkomsten van het onderzoek.
In de literatuur werd vrijwel geen informatie aange-
troen over de verwachte omzetgroei van ondernemers
die samenwerken met buitenstaanders. Dat kan een be-
perking van dit onderzoek inhouden. De auteurs consta-
teren evenwel dat in veel literatuuronderzoek wordt ge-
concludeerd dat sprake is van eectvolle samenwerking
van ondernemers met buitenstaanders betreende een
veelheid van onderwerpen. Daarmee veronderstellen de
auteurs het gegeven literatuuroverzicht als afdoende on-
derbouwing voor de ontwikkeling van de hypothesen.
8. Conclusies en aanbevelingen
De eerste belangrijke conclusie uit dit onderzoek is dat
samenwerken van ondernemers met buitenstaanders, met
betaalde buitenstaanders en met professionele buitenstaan-
ders een positief eect heeft op de door de respondenten
verwachte omzetgroei. De tweede belangrijke conclusie is
dat buitenstaanderintensiteit een positief eect heeft op de
verwachte omzetgroei. Uit het empirisch onderzoek blijkt
derhalve dat samenwerking van de ondernemers met hun
buitenstaanders met ieder hun eigen agenda een positief
eect heeft op de verwachte omzetgroei. De conclusies
gelden in belangrijke mate voor de subgroep van onder-
nemingen met 10 of meer werkzame personen en alleen
voor wat betreft de aanwezigheid van ‘outsiders’ voor de
ondernemingen met minder dan 10 werkzame personen.
Deze conclusies vormen de aanleiding om onderzoek
aan te bevelen naar de redenen waarom en de voorwaar-
den waaronder eigenaren van kleine ondernemingen wel
met buitenstaanders zouden willen samenwerken en hoe
die samenwerking naar inhoud en proces, naar de bui-
tenstaanderintensiteiten, eectvol zou kunnen zijn. Het
aanbevolen vervolgonderzoek zou ook kunnen leiden tot
een scherpere denitie van het begrip samenwerking van
ondernemers met buitenstaanders.
Drs. J. Postema doet sinds zijn pensionering in 2011 onderzoek naar de eecten van samenwerking van onderne-
mers met buitenstaanders op de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen. Dit artikel maakt deel uit
van zijn PhD-studie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Prof.dr. E Masurel is hoogleraar duurzaam ondernemen School of Business and Economics, Vrije Universiteit
Amsterdam.
Prof.dr. K. van Montfort is hoogleraar kwantitatief bedrijfskundig onderzoek Nijenrode Business Universiteit.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(9/10): 265–276
https://mab.pensoft.net
275
Literatuur
Amin M (2015) The eect of entrepreneurship orientation and
learning orientation on SMEs’ performance: an SEM-PLS approach.
Journal for International Business and Entrepreneurship Develop-
ment 8(3): 215–230. https://doi.org/10.1504/JIBED.2015.070797
Audet J, Couteret P (2012) Coaching the entrepreneur: features and
success factors. Journal of Small Business and Enterprise Develop-
ment 19(3): 515–531. https://doi.org/10.1108/14626001211250207
Audretsch DB, Hülsbeck M, Lehmann EE (2013) Families as active
monitors of rm performance. Journal of Family Business Strategy
4(2): 118–130. https://doi.org/10.1016/j.jfbs.2013.02.002
Bah E-h, Brada JC, Yigit T (2011) With a little help from our friends:
The eect of USAID assistance on SME growth in a transition econ-
omy. Journal of Comparative Economics 39(2): 205–220. https://
doi.org/10.1016/j.jce.2011.03.001
Bannink FP, Jackson PZ (2011) Positive psychology and solution fo-
cus – looking at similarities and dierences. Interaction. The Journal
of Solution Focus in Organisations 3(1): 8–20.
Barringer BR, Jones FF, Neubaum DO (2005) A quantitative con-
tent analysis of the rapid-growth rms and their founders. Journal
of Business Venturing 20(5): 663–687. https://doi.org/10.1016/j.
jbusvent.2004.03.004
Bennett RJ, Robson PJA (1999) The use of external business advice
by SMEs in Britain. Entrepreneurship & Regional Development
11(2): 155–180. https://doi.org/10.1080/089856299283245
Bennett RJ, Robson PJA (1999a) Intensity of interaction in supply
of business advice and client impact: A comparison of consultan-
cy, business associations and government support initiatives for
SMEs. British Journal of Management 10: 351–369. https://doi.
org/10.1111/1467-8551.00144
Bennett RJ, Robson PJA (2003) Changing use of external business ad-
vice and government supports by SMEs in the 1990s. Regional Stud-
ies 37(8): 795–811. https://doi.org/10.1080/0034340032000128721
Benito-Hernández S, López-Cózar-Navarro C, Priede-Bergamini T
(2015) Examining the relationship between rm size and external
advice on legal matters and human resources by family businesses.
Journal of Business Economics and Management 16(3), 483–509.
https://doi.org/10.3846/16111699.2013.773939
Berry AJ, Sweeting A, Goto J (2005) The eect of business ad-
visers on the performance of SMEs. Journal of Small Busi-
ness and Enterprise Development 13(1), 33–47. https://doi.
org/10.1108/14626000610645298
Brand MJ, Postma TJBM (2015) Supervisory boards in high growth
SMEs and mandated members: two dilemmas. International Jour-
nal of Business Governance and Ethics 10(2): 186–202. https://doi.
org/10.1504/IJBGE.2015.070934
Carey PJ (2015) External accountants’ business advice and SME
performance. Pacic Accounting Review 27(2): 166–188. https://
doi.org/10.1108/PAR-04-2013-0020
Cisi M, Devicienti F, Manello A, Vannoni D (2016) The impact of
formal networking on the performance of SMEs. Working paper no.
490. https://www.carloalberto.org/assets/working-papers/no.490.pdf
Ees H van, Postma TJBM, Sterken E (2003) Board composition
and rm performance in the Netherlands. Eastern Economic Journal
29(1): 41–58. https://www.jstor.org/stable/40326457
Fucugawa N (2006) Determining factors in innovation of small rm
networks: A case of cross industry groups in Japan. Small Business
Economics 27: 181–193. https://doi.org/10.1007/s11187-006-0010-2
Hallen B.L, Eisenhardt KM (2012) Catalizing strategies and e-
cient tie formation: how entrepreneurial rms obtain investment
ties. Academy of Management Journal 55(1): 35–70. https://doi.
org/10.5465/amj.2009.0620
Hansen B, Hamilton RT (2011) Factors distinguishing small rm
growers and non-growers. International Small Business Journal
29(3): 278–294. https://doi.org/10.1177/0266242610381846
Hansen EL (1995) Entrepreneurial networks and new organizational
growth. Entrepreneurship: Theory and Practice 10(4): 7–19. https://
doi.org/10.1177/104225879501900402
Hemert van P, Nijkamp P, Masurel E (2013) From innovation to
commercialization through networks and agglomerations: analysis
of sources of innovation, innovation capabilities and performance
of Dutch SMEs. The Annals of Regional Science 50(2): 425–452.
https://doi.org/10.1007/s00168-012-0509-1
Inauen M, Schenker-Wicki A (2011) The impact of outside-in
open innovation on innovation performance. European Jour-
nal of Innovation Management 14(4): 496–520. https://doi.
org/10.1108/14601061111174934
Jackson PZ, McKerkow M (2007) The Solution Focus. Nicholas
Brealey Publishing. ISBN 078-1-904838-07-7
Johnson S, Webber DJ, Thomas W (2007) Which SMEs use busi-
ness advice? A multivariate subregional study. Environment and
Planning 39(8): 1981–1997. https://doi.org/10.1068/a38327
Julien PA (2000) High growth SMEs: Explanatory factors. Investi-
gationes Europeas 6(2): 39–56. https://dialnet.unirioja.es/descarga/
articulo/187777.pdf
Kang K, Kang J (2009) How do rms source external knowledge
for innovation? Analysing eects of dierent knowledge sourcing
methods. International Journal of Innovation Management 13(1):
1–17. https://doi.org/10.1142/S1363919609002194
Kleijn E, Masurel E, Montfort K van (2011) The inuence of ‘out-
siders’ on innovative behavior by medium-sized rms. International
Review of Entrepreneurship 9(2): 113–130.
Lobacz K, Stawasz E, Glodek P, Niedzielski P (2016) Utilisation of
business advice in small innovative rms: The role of trust and Tacit
Knowledge. Entrepreneurial Business and Economics Review 4(2):
117–138. https://doi.org/10.15678/EBER.2016.040210
Lobacz K, Glodek P, Stawasz E, Niedzielski P (2014) Develop-
ment of competitive advantage of small innovative rm – How to
model business advice inuence within the process? Procedia Eco-
nomics and Finance 23: 487–494. https://doi.org/10.1016/S2212-
5671(15)00353-6
Ludema JD, Cooperrider DL, Barrett FJ (2001) Appreciative Inqui-
ry: The Power of the Unconditional Positive Question. Calhoun: The
NPS Institutional Archive of the Naval Postgraduate School. http://
hdl.handle.net/10945/40458
Masurel E, Kleijn E, Holleman J (2004) Vertrouwenspersoon voor
het middenbedrijf: Over de toegevoegde waarde van commissa-
rissen en consularissen. Stichting Nederlands Kenniscentrum voor
Commissarissen en Stichting de Consularis.
https://mab.pensoft.net
Jan Postema, Enno Masurel, Kees van Montfort: Samenwerking van MKB-ondernemers met buitenstaanders276
MKB en ondernemerschap in zakformaat (2014) Geraadpleegd op
http://www.ondernemerschap.nl/kerngegevensMKB2011/2704_
EIM_MKB_Boekje2013_def.pdf
MKB in beeld (2018) Geraadpleegd op https://mijn.mkbservice-
desk.nl/569/informatie-over-midden-kleinbedrijf-nederland.htm
Mole KF (2016) Seeking, acting on and appreciating value of busi-
ness advice. The Enterprice Research Centre Research Paper 44.
https://www.enterpriseresearch.ac.uk/wp-content/uploads/2016/05/
ERC-ResPap44-KMole.pdf
Mole KF, North D, Baldock R, (2016) Which SMEs seek exter-
nal support? Business characteristics, managenement behaviour
and external inuences in a contingency approach. Environment
and Planning C Government and Policy 36(3): 1–24. https://doi.
org/10.1177/0263774X16665362
Mole KF, Hart M, Roper S (2014) When moving information on-
line diminishing change: advisory services to SMEs. Policy Studies
35(2): 172–191. https://doi.org/10.1080/01442872.2013.875145
Mole KF, Hart M, Roper S, Saal DS (2009) Assessing the eective-
ness of business support services in England: Evidence from a the-
ory-based evaluation. International Small Business Journal 27(5):
557–582. https://doi.org/10.1177/0266242609338755
Mole KF, Hart M, Roper S, Saal DS (2011) Broader or deeper? Ex-
ploring the most eective intervention prole for public small busi-
ness support. Environment and planning A 43(1): 87–105. https://
doi.org/10.1068/a43268
Mole KF, Baldock R, North D (2013) Who takes advice? Firm size
threshold, competence, concerns and informality in a contingency
approach. ERC Research Paper 9.https://www.enterpriseresearch.
ac.uk/wp-content/uploads/2014/01/ERC-RP9-Mole-et-al-Who-
takes-Advice.pdf
Mole K (2002) Business Advisers’ impact on SMEs: An agency the-
ory approach. International Small Business Journal 20(2): 139–162.
https://doi.org/10.1177/0266242602202002
Naudé P, Zaefarian G, Tavani ZN, Neghabi S, Zaefarian R (2014)
The inuence of network eects on sme performance. Industrial
Marketing Management 43(4): 630–641. https://doi.org/10.1016/j.
indmarman.2014.02.004
Penrose ET (1995) The theory of the rm. Oxford University Press.
Perry JT, Ring JK, Broberg JC (2014) Which type of advisors do
family business trust most? An exploratory application of socioemo-
tional selectivity theory. Family Business Review 28(3): 211–226.
https://doi.org/10.1177/0894486514538652
Pino C, Felzensztein C, Zwerg-Villegas AM, Arias-Bolzmann L
(2016) Non-technological innovations: Market performance of
exporting rms in South America. Journal of Business Research
69(10): 4385–4393. https://doi.org/10.1016/j.jbusres.2016.03.061
Pleijster F, Snoei J (2011) Brancheonderzoek Kantoorvakhandel.
Omvang, kenmerken en opleidingsbehoefte van het MKB in de
branche. EIM.
Postema J (2016) Outsiderinterventie in micro- en kleine onder-
nemingen in de Nederlandse kantoorvakhandel. Een sterk positief
eect op de omzetontwikkeling. Maandblad voor Accountancy en
Bedrijfseconomie 90(4): 146–157.
Quantore (2018) www.quantore.com
Reay T, Pearson AW, Gibb Dyer W (2013) Advising family enter-
prise: Examining the role of family rm advisors. Family Business
Review 26(3): 209–214. https://doi.org/10.1177/0894486513494277
Revilla AJ, Pérez-Lunõ A, Nieto MJ (2016) Does family involve-
ment in management reduce the risk of business failure? The mod-
erating role of entrepreneurial orientation. Family Business Review
29(4): 365–379. https://doi.org/10.1177/0894486516671075
Ripollés M, Blesa A (2016) Development of interrm network
management activities: The impact of industry, rm age and size.
Journal of Management & Organization 22(2): 186–204. https://doi.
org/10.1017/jmo.2015.35
Robson PJA, Bennett RJ (2000) SME Growth: The relationship with
business advice and external collaboration. Small Business Eco-
nomics 15(3): 193–208. https://doi.org/10.1023/A:1008129012953
Rosha A (2014) External and internal conditions to promote coaching
in organization. KSI Transactions on knowledge society 7(4): 30–37.
Schumpeter JA (1934) The theory of economic development: an
inquiry into prots, capital, interest, and the business cycle. Trans-
action publishers.
Shah HM, Othman BRA, Mansor BNM (2016) Mentoring and or-
ganizational performance: A review of eects of mentoring on small
and medium enterprises. Journal of Business and Social Review in
Emerging Economies 2(2): 143–158. https://doi.org/10.26710/jbsee.
v2i2.31
Terziovski M (2003) The relationship between networking practic-
es and business excellence: A study of small to medium enterprises
(SMEs). Measuring Business Excellence 7(2): 78–92. https://doi.
org/10.1108/13683040310478011
Ungerer C, Baltes G (2015) Investigating the eectiveness of tacti-
cal business coaching for technology-based ventures coaching for
technology-bases ventures in increasing survival. working paper,
november 2015. Research gate.
Veenstra J, Masurel E, Holleman J (2005) Brancheorganisaties en
hun leden: een te verklaren liefde? Maandblad voor Accountancy en
Bedrijfseconomie 79(7/8): 379–393.
... Daarnaast kennen veel ondernemers in het bijdragen (Van Hemert et al. 2013;Kleijn et al. 2011). Bovendien tonen Postema et al. (2018) aan dat samenwerken met buitenstaanders een positief effect kan hebben op de door ondernemers verwachte omzetgroei. Deze door ondernemers verwachte omzetgroei is dikwijls een belangrijke basis voor de feitelijke groei van hun ondernemingen (zie paragraaf 2.1). ...
Article
Full-text available
Dit onderzoek draagt bij aan het inzicht hoe ondernemers in het MKB omzetgroei realiseren. Daarvoor is ondernemers in een enquête gevraagd de ruimte voor verbetering in een drietal processen van hun ondernemingen aan te geven. 69,1% van de deelnemers aan het onderzoek constateerde belangrijke ruimte voor verbetering. Concreet ging het om verbeteringsmogelijkheden van de prestaties van het personeel, van de waardepropositie van de onderneming en van de communicatie van de onderneming met de markt. Van de deelnemers die ruimte voor verbetering constateren denkt 86,3% omzetgroei te behalen door de verbeteringen te realiseren. Samenwerken door ondernemers met buitenstaanders betreffende de prestaties van het personeel leidt tot een hogere verwachte omzetgroei. Tot slot wordt ook de intensiteit van de samenwerking onderzocht op effecten voor de verwachte omzetgroei en worden voorwaarden geïdentificeerd die kunnen bijdragen aan de effecten van de samenwerking van ondernemers met buitenstaanders.
Article
Full-text available
Het thema van dit artikel is het verklaren van de omzetgroei van MKB-ondernemingen uit (1) de gespreksonderwerpen van MKB-ondernemers met buitenstaanders, (2) het wel versus niet in gesprek zijn van MKB-ondernemers met buitenstaanders, (3) het in gesprek zijn van MKB-ondernemers met betaalde versus niet-betaalde buitenstaanders en (4) de combinatie van de gespreksonderwerpen met betaalde versus niet-betaalde buitenstaanders. Nieuw voor de literatuur over de betekenis van het in gesprek zijn van MKB-ondernemers met buitenstaanders om omzetgroei te realiseren is het verklaren van de omzetgroei van MKB-ondernemingen uit twee van de vier onderdelen van het thema, te weten: (1) de gespreksonderwerpen van MKB-ondernemers met buitenstaanders en (4) de combinatie van de gespreksonderwerpen met betaalde versus niet-betaalde buitenstaanders. Het verklaren van de omzetgroei van MKB-ondernemingen uit (2) het wel versus niet in gesprek zijn van MKB-ondernemers met buitenstaanders en uit (3) het in gesprek zijn van MKB-ondernemers met betaalde versus niet-betaalde buitenstaanders kan gezien worden als het testen van verbanden die eerder zijn onderzocht. Ad (2) en (3) vormen een aanvulling op het in dit artikel onderzoeken van de verbanden die als nieuw voor deze literatuur worden beschouwd. Uit het verrichte onderzoek komt naar voren dat het in gesprek zijn over de onderwerpen “prestaties van het personeel” en “fusie en overname” een positief effect hebben op de omzetgroei. Het wel versus niet in gesprek zijn van MKB-ondernemers met buitenstaanders heeft geen positief effect op de omzetgroei. Het in gesprek zijn van MKB-ondernemers met betaalde buitenstaanders versus niet-betaalde buitenstaanders heeft wel een positief effect op de omzetgroei. Het in gesprek zijn van MKB-ondernemers met betaalde versus niet-betaalde buitenstaanders heeft geen positief effect op de relatie tussen de gespreksonderwerpen en de omzetgroei.
Article
Full-text available
Brancheorganisaties zijn van oudsher van groot belang voor het MKB. In dit artikel wordt een model geïntroduceerd, dat de 'aanbieder' (de brancheorganisatie) kan gebruiken om marktonderzoek te verrichten onder ‘klanten’ en ‘niet-klanten’ (leden en niet-leden). Hierin komen bedrijfs-, demografische, organisatorische en psychologische kenmerken van leden en niet-leden aan de orde. Met extra kennis van de verschillen tussen leden en niet-leden kan de brancheorganisatie beter bestuderen in hoeverre aanpassing van haar beleid een optie is, teneinde niet-leden te converteren naar leden (met het oog op ledenwerving maar ook op ledenbehoud). Het model is toegepast in de grafimediabranche, waarin brancheorganisaties en het MKB traditioneel van groot belang zijn. Concreet gaat het om onderzoek dat is verricht in de zeefdruk- en signbranche, waarbij de brancheorganisatie ZSO een belangrijke rol speelde. Het aantal leden van deze brancheorganisatie is in de afgelopen jaren sterk teruggelopen. Het onderzoeksmodel kan ook worden toegepast op andersoortige organisaties, zoals franchiseorganisaties en winkeliersverenigingen. Uit dit specifieke, in de grafimediabranche verrichte onderzoek blijkt dat verschillen tussen leden en niet-leden minder groot zijn dan verwacht. Grofweg komt het er op neer dat niet-leden meer solitair opereren, en met meer onzekerheden worden geconfronteerd. Leden van de brancheorganisatie daarentegen treden meer in groepsverband op en hebben meer vertrouwen in de toekomst. Met deze extra kennis van de verschillen tussen leden en niet-leden kan de brancheorganisatie beter bestuderen in hoeverre aanpassing van haar beleid een optie is.
Article
Full-text available
Outsiderinterventie is een erkend instrument om de prestaties van MKB-ondernemingen te verbeteren. De in dit artikel beschreven outsiderinterventie leidde tot een ontwikkeling van de omzet die, gemeten over de twee jaar van de interventie, 17,6% hoger was dan de omzetontwikkeling van de sector. De in dit artikel onderscheiden tien MKB-specifieke kenmerken geven aan waarom snelle en grote omzetgroei van micro- en kleine ondernemingen zo goed mogelijk is. De bij de outsiderinterventie gebruikte coachingsmethode, appreciative inquiry, is een succesvol instrument voor de organisatieontwikkeling van ondernemingen.
Article
Full-text available
To improve SME growth and competitiveness, governments often encourage business owner-managers to make use of external sources of support. Whether they seek this depends on the degree to which they perceive themselves to need assistance. Additionally, its use can be constrained by market failures. In this paper, we model whether SME owner-managers seek information and advice from formal sources, including public and private providers. In 2011, the researchers conducted a telephone survey of 1202 SMEs (1–249 employees) in England to assess the use and non-use of external support between 2008 and 2011. Using a contingency approach, we model various influences on the use and non-use of formal support and identify those owner-managers who face more concerns but have less confidence in their capabilities. We find that the demand for support, especially from private providers, is fuelled by a firm’s objective to grow and a size threshold, although this is moderated by various concerns which increase the likelihood of using public sources. The willingness to take informal advice can act as a stepping stone to using formal sources. Whilst market failures affected less than a fifth of firms, those with women directors were particularly affected as were newly founded firms.
Article
Full-text available
Objective: The aim of this paper is to expand the understanding of the influence of trust relationship as well as tacit knowledge on the process of business advice utilisation in small innovative firms. Research Design & Methods: The analysis is based on empirical research conducted with the use of the explorative approach. The multiple case study methodology was used. Findings: Trust relationships as well as tacit knowledge were identified as factors essential to the process of utilisation of business advice in small innovative firms. It was recognised that the significance of both factors is related not only to the process of advice, but also as a purpose of activities happening prior to advice. They are referred to as the initial phase. Implications & Recommendations: The findings provide implications for further research of the structure of the process of business advice utilisation. It is related to the extended structure of the process (the inclusion of the “initial phase”) as well as to the necessity to include both factors in further research projects. The paper also provides implications related to the measurement of business advice output, and recommendations on the construction of public policy instruments involving business advisory activities. Contribution & Value Added: The originality of this work lies in using the process perspective and qualitative methodology in the field of utilisation of business advice. It extends our understanding of the processes of business advice with regard to trust as well as the use of tacit knowledge. The original contribution is to add the “initial phase” to the description of business advice process.
Article
Mentoring has gained substantial attention in small and medium enterprises in recent years due to its high impact on business performance. Several studies have delineated the impact of mentoring on small and medium enterprises and found mentoring is helpful for improving organizational performance and transferring information from experienced entrepreneurs to inexperienced or les experienced entrepreneurs which leads to higher productivity of organization, better job satisfaction, and retention of workers. This study reviews the literature of mentoring and the components of mentoring. Findings of the study depict that mentoring has a positive impact on business performance. Moreover, the results also implicate significant decision-making suggestions for SMEs that improved business performance can be achieved by enabling efficient mentoring programs. These programs would benefits employee as well as the organization. Mentoring programs not only increase the value of employees but also the effectiveness of the business.
Article
This study explores the question of whether—and under which circumstances—family involvement helps avoid business failure. We hypothesize that it is family involvement in management, rather than ownership, which reduces the risk of failure during economic downturns; however, this effect is negatively affected by the firm’s entrepreneurial orientation (EO). We argue that EO hinders reaching consensuses on and commitment to family-centered goals, which are focused on long-term survival. We analyze 369 manufacturing firms in Spain from 2007 to 2013, and find that family involvement in management reduces the risk of business failure, but this effect decreases as EO increases.
Article
The emerging literature on entrepreneurial networks suggests that entrepreneurial action sets may be organizational in nature and may be investigated in organizational terms. We link three pre-founding entrepreneurial action set variables: (1) Size, (2) Degree (a measure of inter-connectivity within the entrepreneurial action set), and (3) Frequency (a measure of how often entrepreneurial action set members Interact with each other) to first-year new organization growth. Data were gathered through structured interviews with 44 entrepreneurs and analyzed with multiple regression. The hypotheses were strongly supported by the data.
Article
In this article, we introduce socioemotional selectivity theory (SEST) from psychology to the family business literature. Applying the theory to family businesses, we argue that a family business’s age influences whether it trusts family or professional business advisors most. Consistent with SEST, we find that business age relates to whether the family business emphasizes financial or socioemotional wealth more and that this wealth emphasis relates to whether family members or professional business advisors are trusted most. Based on these findings, we believe that SEST has much to offer to the study of family and nonfamily businesses.