ArticlePDF Available

Abstract

De moderne mannelijkheid verkeert in crisis, betogen Alex Thinius en Veronica Vasterling. Het gevolg: er is sprake van een hedendaags mannelijk onbehagen. Welke processen liegen er aan die crisis ten grondslag? En hoe gaan mannen met dit onbehagen om?
WP nr. 3/2018
Thinius, Alex, and Veronica Vasterling. 2018. “Het Onbehagen van Mannen.” Wijsgerig
Perspectief 58 (3): 3348. https://www.filosofie.nl/het-onbehagen-van-mannen/.
Het onbehagen van mannen
Alex Thinius en Veronica Vasterling
De moderne mannelijkheid verkeert in crisis, betogen Alex Thinius en Veronica Vasterling.
Het gevolg: er is sprake van een hedendaags mannelijk onbehagen. Welke processen liggen er
aan die crisis ten grondslag? En hoe gaan mannen met dit onbehagen om?
Een paar maanden geleden betoogde de invloedrijke Indiase schrijver en denker Pankaj Mishra in
The Guardian dat er sprake is van een wereldwijde crisis van de moderne mannelijkheid, een crisis
die gepaard gaat met hernieuwd seksisme, nationalisme en racisme. Met name de politieke wereld
levert veel voorbeelden van deze crisis, variërend van Trump en de alt-rightbeweging tot Poetin en
de Indiase premier Modi, volgens Mishra een Hindoe-supremacist, en in eigen land Thierry Baudet
en de nieuwrechtse groepering De Nederlandse Leeuw.
Is er sprake van onbehagen bij mannen? Is er een mannelijkheidscrisis? Het #MeToo-debat zaait
twijfel onder mannen: wat mag er nog? Worden vriendelijk bedoelde gebaren niet als
seksistisch opgevat? Sommigen vragen zich af of iedereen tegenwoordig te puriteins, te gevoelig,
om niet te zeggen hysterisch, is geworden: kunnen we niet allemaal weer een beetje normaal
doen? Anderen zijn geschokt door de verhalen over seksueel geweld en door de misogynie die
publiekelijk getoond kan worden zonder sociale sancties of imagoschade.
Ons uitgangspunt is dat er inderdaad sprake is van mannelijk onbehagen. Wij vragen ons af hoe dit
onbehagen te verklaren valt en waar het vandaan komt. Wij, dat zijn: een witte 63-jarige vrouw,
feminist en filosoof en een witte 30-jarige man, promovendus in de filosofie. Gaat het om een
narcistische krenking van de man zoals Abram de Swaan (2017) voorstelt? Of ligt het aan
een feminisering van de cultuur? Hoewel beide punten hout snijden, willen we wat dieper graven
en laten zien dat moderne mannelijkheid zelf fragiel is. Ons argument is ten eerste dat crisis
inherent lijkt aan mannelijke identiteit, vanwege onoplosbare spanningen en tegenstrijdigheden
in (opvattingen van) mannelijkheid. Ten tweede hebben feministische (en antiracistische)
bewegingen veranderingen teweeggebracht die mannelijkheid onder druk zetten. Vervolgens kijken
we naar de wijze waarop met het onbehagen wordt omgegaan. Tot slot bespreken we het
toekomstperspectief.
Mannelijkheidsideologie
Op het noordelijk halfrond en tot op zekere hoogte op het zuidelijk halfrond heerst er een bepaalde
mannelijkheidsideologie. Wij zullen eerst de ideeën, waarden, normen en verhalen van en over
mannelijkheid beschrijven, om vervolgens te beoordelen of en in welk opzicht deze
ideologie problematisch is. Ideologie bepaalt hoe we mannelijkheid en mannen begrijpen, wat we
ons als mannelijke identiteit voorstellen, en wat onze verwachtingen en houdingen zijn ten
aanzien van mannelijkheid, mannelijke identiteit en mannen. Ideologieën zijn altijd materieel
verankerd. Als we het over ideeën, verhalen en verwachtingen van en over mannelijkheid hebben,
betekent dit dus dat het ook gaat over gedrag, gewoontes, instituties en individuele mensen.
De eerste reden voor de fragiliteit van moderne mannelijkheid is dat mannelijke identiteit gebaseerd
is op twee double binds, dat wil zeggen, tegenstrijdige verwachtingen en voorschriften over wat het
betekent om een echte man te zijn. Deze double binds hebben betrekking op de
tegenstrijdigheid van eergevoel en misogynie waarover in de volgende paragraaf meer en
van beest en gentleman. De man wordt sinds de moderne tijd geassocieerd met het amorele
en asociale. Tegelijkertijd wordt van mannen verwacht dat ze het beest in henzelf civiliseren,
het liefst met behulp van vrouwen die van nature als morele wezens beschouwd worden. Deze
tegenstrijdigheid wordt zichtbaar in een groot aantal verhalen en praktijken, bijvoorbeeld in
het verhaal van Belle en het beest.
Susan Bordo stelt in The male body dat Belle de gentleman in het beest ontdekt en zichtbaar maakt,
en zo het beest tot prins transformeert. De prins die als gentleman zijn driften beheerst, staat
tegenover vormen van mannelijkheid die niet genoeg beest in zich hebben of niet genoeg
beheersing vertonen. Tegelijkertijd verliest de prins daardoor wat van de erotiek van het beest. Dit
plot is niet uniek voor Belle en het beest. Ook Christoph Kucklick laat in zijn historische studie Das
unmoralische Geschlecht zien dat het verhaal van de man als gevaarlijk, asociaal, egoïstisch en
dominant een belangrijk deel uitmaakt van een bepaalde versie van de mannelijkheidsideologie. Het
idee ‘eigenlijk een klootzak te zijn’ bevat in feite de verwachting en zelfs de legitimatie van
misdragingen in het algemeen, en seksueel geweld in het bijzonder. Wanneer de beheersing van het
beest niet lukt en het misgaat, is het zijn natuur, want boys will be boys. Hoe essentieel deze
tegenstelling wordt gemaakt voor mannelijkheid blijkt uit het feit dat mannen zonder beest in
henzelf niet meer duidelijk herkenbaar zijn als (wat wordt gezien als) echte man. Mensen die zich
moeten of willen identificeren als man moeten dus aan twee contrasterende verwachtingen voldoen:
een beest zijn en dat beest controleren.
De tweede double bind betreft ideeën van eer en edelmoedigheid. Wat dit idee inhoudt, maakt de
standaard interpretatie van het Oude Testament duidelijk. Daarin wordt de man als evenbeeld van
God voorgesteld met als implicatie dat de man enerzijds als het andere van de vrouw door God
geschapen is, maar anderzijds als evenbeeld van God een hogere natuur of aanleg heeft dan de
vrouw. Men kan het ook zo uitdrukken: de man is onderdeel van het seksuele onderscheid én
representeert tegelijk de volmaakte en universele mens. Om die reden werden, en worden, mannen
als voogd en beschermer van vrouwen en kinderen beschouwd.
In De tweede sekse beschrijft filosoof Simone de Beauvoir de spanningen en problemen die door dit
idee ontstaan. In feite is natuurlijk geen enkele man de volmaakte mens. Vanwege de
verwachting dat hij het universele personifieert, is intimiteit al voldoende om de status van een
man te ondergraven. Om dezelfde reden wordt de belichaming van seksueel onderscheid aan de
vrouw toegeschreven, alsof de man geen hormonen en geslachtsorganen heeft, zo schrijft De
Beauvoir ironisch. De kern van de tegenstrijdigheid is gelegen in het feit dat de man als
representant van de hogere en universele natuur van de mens enerzijds geen sekse en geen lichaam
heeft, terwijl hij anderzijds niet zonder lichaam kan. Hoe moet hij zich anders kwijten van de taken
die volgen uit zijn hogere natuur, namelijk beschermer van vrouw en kinderen te zijn?
Afhankelijkheid
De verwachting van eer en edelmoedigheid levert ook spanningen op tussen mannen. Volgens de
socioloog Raewyn Connell, die veel onderzoek heeft gedaan naar mannelijkheid en
het standaardwerk Masculinities schreef, is er sprake van meerdere mannelijkheden die in
een hiërarchische verhouding tot elkaar staan en waarbij één invulling van mannelijkheid het
overwicht heeft. Samen met de verwachting mannelijke eer te belichamen, levert deze
hiërarchische structuur van mannelijkheden competitie, onzekerheid en instabiliteit op. De
belangrijkste manier om met deze situatie om te gaan, is dat mannen elkaar in hun mannelijkheid
bevestigen door afgrenzing en verwerping van dat wat als vrouwelijk geldt.
Neem bijvoorbeeld de televisieserie The big bang theory. Terwijl het verhaal een hiërarchie van
mannelijkheden presenteert, kunnen hoofdpersonen Sheldon, Leonard, Raj en Howard door
genormaliseerde dat wil zeggen, geaccepteerde misogyne en homofobe grapjes
elkaar bevestigen in hun man-zijn: ze zijn tenminste geen watjes. De hiërarchie wordt dus door
onderlinge verbroedering gerelativeerd en onzekerheid wordt door verwerping van
vrouwelijkheid bestreden. Connell legt uit dat hoewel mannen enerzijds dit spel mee moeten spelen,
het anderzijds een ‘patriarchaal dividend’ oplevert. Dat wil zeggen: zelfs de meest
gemarginaliseerde man kan nog altijd van de sociale macht profiteren die door de dominante
mannelijkheid van de Donald Trumps, Vladimir Poetins of Harvey Weinsteins van deze wereld
gegenereerd wordt. De double bind houdt in dit geval dus in dat van mannen verwacht wordt dat ze
eer en edelmoedigheid belichamen, een verwachting waaraan ze alleen op misogyne wijze kunnen
voldoen.
De tweede reden voor de crisis van moderne mannelijkheid heeft te maken met de verhouding tot
reproductie. Mannelijkheid wordt geassocieerd met creativiteit, inventiviteit, productiviteit en
strijdlustigheid. Deze en andere connotaties van mannelijkheid hebben gemeenschappelijk dat ze
complementair zijn aan reproductiviteit in de zin van het baren, zorgen, ondersteunen en in stand
houden van het leven. Zoals Tom Digby in zijn boek Love and war uitlegt: om soldaat of strijder te
zijn moet je tijdens het gevecht geen last van mededogen hebben. Voor een maatschappij die met
oorlog rekening houdt, is het dus functioneel om een bepaalde groep van mensen al vroeg tot
emotioneel gereduceerde vechtmachines op te leiden. Ook de studies van soldateske mannelijkheid
in Männerfantasien van Klaus Theweleit laten op overtuigende wijze zien hoe door onderdrukking
van alles wat als zwak, vloeiend, zacht en levend opgevat wordt niet alleen een harde, vaste, stoere
en sterke, maar zelfs een dodelijke mannelijkheid geconstrueerd wordt. Digby schrijft over de
Verenigde Staten en Theweleit schrijft over fascistisch Duitsland, maar het feit dat in de
Nederlandse film-top tien van 2017 zes films over oorlog en superhelden staan, suggereert dat dit
type stoere mannelijkheid ook in het Nederland van nu populair is.
Deze onderdrukking betekent niet dat mannen geen gevoelens of emotionele behoeftes meer hebben.
Het betekent veeleer dat mannen vrouwen niet louter voor reproductie in de zin van nageslacht
nodig hebben, maar ook voor zaken als emotionele ondersteuning en lichamelijke verzorging.
Reproductieve taken kunnen niet door mannen uitgevoerd worden zonder hun mannelijke status te
riskeren. Precies omdat ze de met vrouwelijkheid geassocieerde reproductiviteit onderdrukken,
voelen mannen vaak een ambivalent verlangen naar vrouwen. Deze haat-liefde-verhouding tot
vrouwen vormt wellicht een deel van de verklaring van pornografische fantasieën over het
vermoorden en verscheuren van geërotiseerde vrouwelijke lichamen. Maar volgens Digby en
anderen is het doel van misogyne fantasieën en daden vaker vrouwen, die de rol van
reproductieve ondersteuning van mannen weigeren, op hun plaats te wijzen. Anders dan in het geval
van het ambivalente verlangen waar het om onderdrukking van (eigen) vrouwelijkheid gaat, is het
in dit geval de reproductieve afhankelijkheid van mannen ten aanzien van vrouwen die
genegeerd en tegelijk gegarandeerd moet worden. Alleen door reproductiviteit te delegeren en
onzichtbaar te maken, kunnen mannen aan de verwachting voldoen op eigen kracht onafhankelijk te
zijn.
Gender trouble
Naast de spanningen en tegenstrijdigheden die gepaard gaan met de moderne
mannelijkheidsideologie zorgen maatschappelijke veranderingen voor extra druk. Twee
veranderingen zijn met name interessant in dit verband: de veranderingen op de werkvloer en de
opkomst en het succes van het feminisme. In de zogenaamde postindustriële samenleving van het
noordelijk halfrond ligt het accent van economische productiviteit niet meer op het maken van
dingen, maar op informatieverwerking, diensten en entertainment. Deze economische verschuiving
verandert ook de aard van arbeid: emotie, passie, taalvaardigheid, dienstbaarheid, zorg en
vergelijkbare waarden die met vrouwelijkheid geassocieerd worden, zijn belangrijker geworden.
Men zou verwachten dat deze verandering impact heeft op de mannelijke houding ten aanzien van
arbeid, en op mannelijkheid in het algemeen. Maar uit sociologisch onderzoek naar mannelijkheid,
van bijvoorbeeld Michael Kimmel en Michael Meuser, blijkt dat niet het geval te zijn. De
veranderingen zijn marginaal. Zelfs in het geval van heteroseksuele paren die zichzelf
als geëmancipeerd identificeren, blijven er duidelijke verschillen in het verrichten van
reproductieve taken; het ideaal van 50/50 wordt zelden gerealiseerd. Ook cultuursociologisch
onderzoek naar andere aspecten van mannelijkheid zoals zelfbeeld en humor suggereert dat
centrale aspecten van mannelijkheid verbazingwekkend immuun zijn voor de veranderingen van de
laatste zestig jaar, zowel thuis als op de werkvloer. Hoe kan deze stand van zaken verklaard
worden?
Hoewel sommige banen wat ‘vrouwelijker’ in hun eisen zijn geworden, past de arbeidsstructuur nog
steeds goed bij de moderne mannelijkheidsideologie. Flexibilisering van werkplekken, overwerk,
nomadische levenswijze, werken als zzp’er: deze kenmerken van de postindustriële economie
berusten nog steeds op de vooronderstelling dat de sociale reproductie van de werker die de
‘productieve’ arbeid mogelijk maakt simpelweg gegeven is. Werknemers die reproductieve taken
thuis of op de werkplek kunnen negeren, hebben voordelen. Ondanks de toenemende waardering
van zogeheten feminiene waarden in het werk of op de werkplek, blijft de structuur van werk in de
postindustriële economie hetzelfde, voor zover reproductieve arbeid lager gewaardeerd wordt dan
productieve arbeid in termen van status, tijd en geld. Met andere woorden: het oude
kostwinnersmodel staat nog steeds overeind. Dat mannen met een goed betaalde baan tegenwoordig
soms minder uren gaan werken, verandert weinig aan dit structurele probleem, evenmin als het
inhuren van anderen (meestal vrouwen uit andere landen) om het reproductieve werk thuis of op de
werkvloer te verrichten. De onderwaardering van reproductieve taken verklaart waarom de
mannelijke habitus ten aanzien van werk niet veranderd is. Omdat deze erop gebaseerd is
dat anderen het reproductieve werk verrichten, maakt die habitus het makkelijker om reproductieve
taken thuis en op werk aan anderen te delegeren of er geen verantwoordelijkheid voor te nemen.
Het hebben van een mannelijke habitus lijkt in de huidige economie dus voor
individuele werknemers een voordeel.
En dan nu het feminisme. De vanzelfsprekendheid dat vrouwen de verantwoordelijkheid voor deze
reproductieve taken nemen, brokkelt zienderogen af. Voor mannen betekent dit dat hun wereld in
veel opzichten is veranderd: op school, op het werk, in de politiek en in hun vrije tijd concurreren
en werken ze met vrouwen, en steeds vaker hebben ze een vrouw als leidinggevende. Vrouwen
hebben het recht bevochten om zich de van oudsher mannelijke beroepen, manieren en symbolen
toe te eigenen. Maar terwijl een vrouw in een broek geen gender trouble meer oproept, geldt dat wel
voor een man in een jurk. De ideologie van mannelijkheid is nog vrijwel onveranderd en het niet
belichamen van deze mannelijkheid is nog steeds een nadeel in de huidige maatschappij.
Tegelijkertijd zet de onveranderde mannelijkheidsideologie mannen onder druk. Onder invloed van
het feminisme wordt het negeren en delegeren van reproductieve taken steeds moeilijker, terwijl
mannen nog steeds geconfronteerd worden met het dilemma dat een echte man zich niet inlaat met
deze vrouwelijke bezigheden.
Slachtofferschap
Het onbehagen van mannen is goed te begrijpen. De moderne mannelijkheidsideologie maakt
mannelijkheid fragiel en afhankelijk van het delegeren en negeren van existentiële,
zogenaamd vrouwelijke zaken een afhankelijkheid die tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend
functioneert. Deze situatie leidt tot verschillende reacties. Zo is er de telkens weer terugkerende
klacht dat de samenleving feminiseert, dat niemand meer weet wat eigenlijk nog moet, kan of
mag, maar ook dat alle mannen klootzakken zijn. Soms wordt ook opgemerkt dat de betekenis
en verwachtingen rondom mannelijkheid dringend aan verandering toe zijn. Het spreken over een
crisis van mannelijkheid kan dus enerzijds tot een versterking van mannelijke superioriteit leiden,
anderzijds een kans bieden voor serieuze veranderingen.
Restaurerende reacties zijn gericht op het stabiliseren of herinterpreteren van
traditionele sekseverhoudingen. Dit kan op diverse manieren, variërend van de romantische mythe
van een verloren archaïsche mannelijkheid die teruggevonden moet worden tot pogingen om de
moderne mannelijkheidsideologie op wetenschappelijke wijze te naturaliseren. Met naturaliseren
doelen we op de tendens om als natuurlijk voor te stellen wat in feite sociaal en cultureel beïnvloed
of geconstrueerd wordt. In het kader hiervan wordt het feminisme bekritiseerd als het tot
mislukken gedoemde project van seksegelijkheid: het verschil tussen mannen en vrouwen is
immers door de evolutie in de menselijke hersenen vastgelegd (hardwired).
Deze kritiek wordt soms ook uit naam van het feminisme naar voren gebracht, met name door
evolutionair psychologen zoals Griet Vandermassen. Hun argumentatie is dat het feminisme als het
streven naar gelijkheid van mannen en vrouwen op evolutionaire gronden misplaatst is en ingeruild
moet worden voor een feminisme dat rekening houdt met het evolutionair bepaalde verschil tussen
mannen en vrouwen. Deze visie is op eveneens wetenschappelijke gronden zeer betwistbaar. Ze
gaat niet alleen uit van een simplistisch begrip van genen, maar negeert ook het feit dat empirisch
onderzoek naar gedrag, verreweg de belangrijkste causale factor van man-vrouwverschillen, slechts
enkele verschillen en vooral heel veel gelijkenis tussen mannen en vrouwen laat zien (Vasterling
2007: Hyde 2014). Desondanks is deze visie heel populair, met name onder hoogopgeleiden. Zo
heeft Jordan Peterson, een Canadese hoogleraar psychologie die een variant op dit verhaal vertelt,
voor veel studenten een goeroestatus.
Een andere restauratieve reactie op het onbehagen zien we in discussies over
slachtofferschap. Mannenrechtenbewegingen in Europa en Noord-Amerika strijden niet alleen voor
gelijke rechten van mannen bij scheidingen, ze houden zich ook bezig met kwesties als de slechte
schoolprestaties van jongens, de lagere levensverwachting van mannen en hun grotere blootstelling
aan geweld. Op grond van wereldwijde genderstatistieken van instituten als de Verenigde Naties en
de Wereldbank kan aangetoond worden dat het met het slachtofferschap van mannen wel
meevalt. Maar een dergelijke repliek op het geclaimde slachtofferschap van mannen is naar onze
mening niet wenselijk. Ten eerste omdat de mannelijkheidsideologie natuurlijk ook mannelijke
slachtoffers kent. Ten tweede mondt het uit in de doodlopende weg van het opbieden in
slachtofferschap. Een solidaire focus op de structurele bronnen van slachtofferschap, bijvoorbeeld
genderideologieën waaronder mannen en vrouwen lijden, lijkt ons een betere aanpak.
Een onder intellectuelen veel voorkomende reactie op het onbehagen wijst
(feministische) identiteitspolitiek aan als een van de oorzaken hiervan. Spraakmakende
intellectuelen zoals Jordan Peterson in Canada, Mark Lilla in de Verenigde Staten, Slavoj Žižek in
Europa en Ewald Engelen in Nederland betichten feministen van een symboolpolitiek waarin het
alleen nog maar gaat om de erkenning en politiek correcte bejegening van miskende
identiteitsgroepen. Hoewel ze hun kritiek op verschillende manieren invullen, is het opmerkelijk dat
rechtse en linkse intellectuelen deze kritiek delen.
Een linkse intellectueel als Engelen of Žižek stelt dat het feminisme het werkelijke probleem van
deze tijd negeert, namelijk de toenemende sociaaleconomische ongelijkheid, ten gunste
van neoliberale doelstellingen ter ondersteuning van vrouwen die sowieso al geprivilegieerd zijn.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan meer vrouwelijke CEO’s. Deze critici ontgaat niet alleen dat er in
het feminisme al sinds het laatste decennium van de vorige eeuw een debat gevoerd wordt over
neoliberalisme, maar ook dat het feminisme al sinds het begin ervan in de negentiende eeuw
pluralistisch is. Naast het (neo)liberale feminisme is er bijvoorbeeld ook marxistisch, ecologisch
en intersectioneel feminisme.
De rechts-conservatieve Peterson linkt zijn kritiek op feministische identiteitspolitiek aan wat hij
‘cultuurmarxisme’ noemt. Volgens Peterson hebben marxisten na de ineenstorting van de Sovjet-
Unie hun aandacht verplaatst naar onderwijs en cultuur, waar ze sindsdien westerse waarden
bekritiseren en vervangen door een identiteitspolitiek die zal uitmonden in een nieuw totalitarisme.
De critici van het cultuurmarxisme, waartoe ook Baudet behoort, lijken geen onderscheid te kunnen
of willen maken tussen het blijvende belang van Marx als theoreticus voor sociologie, politicologie
en filosofie en de, in naam marxistische, realpolitik van de Sovjet-Unie.
Identiteitspolitiek
De kritiek op identiteitspolitiek lijkt in de huidige context steeds vaker te fungeren als een stok om
de feministische hond te slaan. Tot op zekere hoogte is feminisme altijd identiteitspolitiek geweest,
omdat het opkwam voor een groep met een duidelijk herkenbare identiteit, namelijk vrouwen. Maar
tevens is identiteit ook altijd ter discussie gesteld. Al sinds de negentiende eeuw hebben zwarte
vrouwen en transgendervrouwen als Sojourner Truth, Anna Julia Cooper en Marsha P. Johnson de
discussie aangezwengeld door erop te wijzen dat feminisme geen zaak is van louter witte
‘cisgendervrouwen’: vrouwen van wie de seksuele identiteit overeenkomt met het biologische
geslacht.
De feministische discussies van de laatste dertig jaar hebben een genuanceerd beeld opgeleverd van
de dynamische en interactieve complexiteit van zowel identiteit, als van misogynie en mannelijke
superioriteit, dat allengs ook in het publieke debat doorsijpelt. De huidige inzichten kunnen als
volgt samengevat worden: identiteit, misogynie en mannelijke superioriteit komen tot stand in en
door de interactie van maatschappelijke structuren en mechanismen die in het dagelijks leven
verankerd zijn enerzijds en individuele geleefde ervaring anderzijds. Een fenomeen als
mansplaining kan dit samenspel van structurele en individuele factoren verduidelijken. Mannen die
vrouwen minzaam uitleggen hoe de vork in de steel zit in de vanzelfsprekende veronderstelling dat
ze er geen verstand van hebben, lijken op het eerste gezicht louter een kwestie van individuele
arrogantie. Maar het gaat hier om meer dan individuele karaktertrekken. Mansplaining is bovenal
een symptoom van een historische ‘systeemfout’ in westerse maatschappijen, namelijk seksisme.
Dat wil niet zeggen dat identiteitspolitiek geen problematische uitwassen kent. Die zijn er
ontegenzeggelijk, met name wanneer identiteitspolitiek tot een soort
identiteitsfundamentalisme verwordt. Dan wordt een persoon volledig bepaald door diens identiteit,
met als gevolg dat mannelijke en vrouwelijke identiteit homogene en allesbepalende categorieën
worden: een man staat dan voor alle mannen, een vrouw voor alle vrouwen. Een ander gevolg van
identiteitsfundamentalisme is het idee dat transvrouwen geen ‘echte’ vrouwen zijn, stelt de Engelse
feminist Germaine Greer. Het getuigt onzes inziens ook van identiteitsfundamentalisme wanneer
feminisme gezien wordt als louter een zaak van, voor en door vrouwen omdat mannen de
geleefde ervaring van onderdrukking en seksisme missen die ten grondslag ligt, of moet liggen, aan
het feminisme. Dan wordt gedaan alsof mensen eilandjes zijn in een oceaan die niet bevaren kan
worden, alsof we niet kunnen communiceren over onze geleefde ervaring en niet kunnen leren
van wat anderen ons vertellen. Als dat waar zou zijn, zou de wereld er nog veel slechter aan toe zijn.
Mannelijke feministen
Mannelijk onbehagen heeft niet alleen geleid tot negatieve of backlash-achtige reacties. Tot slot
willen we een, in onze ogen, overwegend positieve reactie op het mannelijke onbehagen benoemen,
namelijk dat mannen het feminisme serieus nemen. De combinatie feminisme en man is geen
gemeengoed. Integendeel, als feministische vrouwen vaak onbehagen oproepen bij mannen, dan
worden feministische mannen meestal met argwaan en scepsis bejegend door
feministische vrouwen. Vrouwen hebben goede redenen om sceptisch te zijn, bijvoorbeeld
omdat mannen het voortouw gaan nemen, met een feministische houding hun status of
aantrekkelijkheid (denken te) verhogen of doof worden voor kritiek omdat ze al feministisch zijn.
Maar in veel maatschappelijke contexten is het geen voordeel om feministisch te zijn en kan het
voor mannen tot verlies aan status leiden. Aan de andere kant is het nog steeds zo dat wanneer meer
mannen zichzelf publiekelijk neerzetten als feminist, het de status van het feminisme zal verhogen.
Wanneer mannen feminisme serieus nemen, bestaat de hoop op een vernieuwing van
mannelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer mannen vrouwelijk geachte eigenschappen als empathie
en sensibiliteit toelaten en cultiveren, of meer zorgwerk verrichten thuis. Dergelijke
veranderingen zijn al bezig en er is een goede kans dat deze verder doorgaan, maar de situatie is
minder simpel en onschuldig dan ze lijkt. Dit soort positieve veranderingen, bewerkstelligd door
feministische mannen, kan ook een vernieuwing van de moderne mannelijkheidsideologie tot
gevolg hebben. De feministische man is dan niet alleen eervol en edelmoedig, maar ook empathisch,
sensibel enzovoorts. Kortom: nog steeds de meest volmaakte belichaming van de menselijke natuur.
Wat in deze situatie onveranderd is gebleven, is de structurele misogynie.
We kennen al enige tijd het fenomeen van vrouwen die mannelijk geachte eigenschappen met
succes gecultiveerd hebben, met name in politiek en bedrijfsleven. Maar gezien de
opstand, ondermijning en regelrechte haat waarmee machtige vrouwen als Hilary Clinton, Theresa
May en Angela Merkel te maken krijgen, lijkt de constatering legitiem dat we niet in een wereld
leven waarin vrouwen de volmaakte, normatieve belichaming van de menselijke natuur kunnen
representeren. Dit effect van louter een quasi-feministische update van de moderne
mannelijkheidsideologie laat zich alleen vermijden wanneer veranderingen die feministische
mannen in hun persoonlijke leven (kunnen) bewerkstelligen, gepaard gaan met structurele sociale,
economische en culturele verbeteringen ten aanzien van, met name, ongelijkheid en misogynie.
De spanningen die inherent zijn aan de moderne mannelijkheidsideologie veroorzaken onbehagen.
Dit onbehagen roept, op zijn beurt, weer ambivalente reacties op. Dat is in het kort onze diagnose
van de situatie in de samenlevingen van Europa en Noord-Amerika. Er bestaat geen tien-
puntenlijstje van hoe deze situatie verbeterd kan worden. Maar één ding lijkt ons wel duidelijk:
hoewel de feministische betrokkenheid van vrouwen natuurlijk nodig blijft, is die van mannen
doorslaggevend voor structurele verbeteringen, die verder gaan dan mannelijke identiteit een
aantrekkelijk feministisch vernisje te geven.
Hoe moeilijk ook, positieve verandering is niet onmogelijk. De reeds bereikte verbeteringen en het
onbehagen van mannen kunnen ook hoop geven. De redenen die een verandering
welhaast onmogelijk doen lijken, verwijzen tegelijkertijd ook naar processen die al bezig zijn:
een kritische deconstructie van de westerse traditie, maatschappelijke veranderingen onder
invloed van een hernieuwd feminisme, en persoonlijke bewustwording van met name die
jonge mannen die niet meer bang zijn voor feminisme en die zich zelfs aan feministische
verandering committeren.
Literatuur
Beauvoir, S. de (2011). The second sex. Vert. C. Borde & S. Malovany-Chevalier. Londen:
Vintage Books.
Bordo, S. (1999). The male body: a new look at men in public and in private. New York: Farrar,
Straus & Giroux.
Connell, R. (2005), Masculinities. Berkeley, Los Angeles: University of California Press.
Digby, T. (2014). Love and war: how militarism shapes sexuality and romance. New York:
Columbia University Press.
Hyde, J. (2014). The Gender Similarities Hypothesis. American Psychologist (60) 6: 581-592.
Kucklick, C. (2015). Das unmoralische Geschlecht: Zur Genese der negativen Andrologie.
Berlijn: Suhrkamp.
Manne, K. (2017). Down girl: the logic of misogyny. Oxford: Oxford University Press.
Swaan, A. de (2017). De strijd der geslachten. Amsterdam: De Balie 26 september 2017.
https://www.debalie.nl/agenda/podium/abram-de-swaan%3A-de-strijd-der-
geslachten/e_9782907/p_11768970/
Theweleit, K. (1977). Männerphantasien. Frankfurt am Main.: Verlag Roter Stern.
Vasterling, V. (2007). Evolutionaire psychologie: Het reductionisme van een
genenverhaal. Tijdschrift voor Genderstudies 10 (4): 2-15.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
dependency, subordination, and recognition: on Judith Butler's theory of subjection
allen, a. (2006). dependency, subordination, and recognition: on Judith Butler's theory of subjection. Continental Philosophy Review, 38, 199-222.
Bodies that matter: On the discursive limits of "sex". london/new york, ny: routledge
  • J Butler
Butler, J. (1990). Gender trouble: Feminism and the subversion of identity. london/ new york, ny: routledge. ---. (1993). Bodies that matter: On the discursive limits of "sex". london/new york, ny: routledge. ---. (1997). The psychic life of power. Stanford, ca: Stanford university Press. ---. (2000). Antigone's claim: Kinship between life and death. new york, ny: columbia university Press.
Discipline and punish: The birth of the prison. (a. Sheridan, trans.). new york, ny: Vintage
  • M Foucault
Foucault, m. (1979). Discipline and punish: The birth of the prison. (a. Sheridan, trans.). new york, ny: Vintage. (original work published 1976).
The seminar. Book I: Freud's papers on technique
  • J Lacan
lacan, J. (1988). The seminar. Book I: Freud's papers on technique. 1953-1954. (J. Forrester, trans.). cambridge/new york, ny: norton/cambridge university Press.
Psychoanalysis and feminism. new york, ny: Penguin Books. moore, h
  • J Mitchell
mitchell, J. (1974). Psychoanalysis and feminism. new york, ny: Penguin Books. moore, h. (2007). The subject of anthropology: Gender, symbolism and psychoanalysis. cambridge: Polity Press.
de antropologische betekenis van het oedipuscomplex: een lectuur van Freuds teksten over de vrouwelijke seksualiteit
  • P Van Haute
Van haute, P. (2006). de antropologische betekenis van het oedipuscomplex: een lectuur van Freuds teksten over de vrouwelijke seksualiteit. in P. Van haute & P. Verhaeghe (eds.), Voorbij Oedipus. Twee psychoanalytische verhandelingen over het Oedipuscomplex (pp. 75-125). amsterdam: Boom.