Technical ReportPDF Available

Tussen Burgers en Mensenrechten Lokaal: Sociale professionals over toegang tot zorg en ondersteuning

Authors:

Abstract

Met de transities in het sociaal domein en de daarmee veranderende rol van de sociaal werker wordt een mensenrechtenbenadering relevanter. Het sociaal werk wordt steeds vaker geprofileerd als ‘mensenrechtenberoep’ omdat deze professionals een brugfunctie vervullen tussen de leefwereld van burgers en het lokale beleid. Sociaal werkers in wijkteams bepalend zijn geworden voor de toegang tot sociale zorg en ondersteuning. Daarom spelen zij een grote rol in de manier waarop sociaal-economische mensenrechten worden gerealiseerd. Toegang tot sociale zorg en ondersteuning kan namelijk worden gezien als onderdeel van het recht op gezondheid, het recht op een behoorlijke levensstandaard, en het recht op sociale zekerheid. Wanneer door regelgeving en beleid belemmeringen ontstaan in toegang tot zorg, brengt dit risico’s met zich mee voor de realisatie van deze mensenrechten op lokaal niveau. Deze praktijkstudie laat de invloed van sociale professionals op dit proces zien. Vier concrete belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning zijn geconstateerd. Ten eerste is de toegang tot de specialistische zorg beperkt. Daarnaast kan de nadruk op zelfredzaamheid een belemmering in toegang veroorzaken wanneer de zelfredzaamheid van cliënten wordt overschat. Vervolgens bestaan er onduidelijkheden over de grenzen tussen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz), waardoor mensen moeilijkheden ervaren in het verkrijgen van de juiste zorg. Ten slotte kampen de wijkteams met verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers, waardoor zorgbehoeftes verkeerd kunnen worden ingeschat. Uit de interviews met sociaal werkers en teamleiders bleek hoe ze op verschillende manieren omgaan met de vier belemmeringen. De belemmeringen lijken in eerste instantie door de sociaal werkers met name op individueel cliëntniveau benaderd te worden door de eigen interpretatie en toepassing van beleid, en door de manier waarop zij de noodzaak voor (specialistische) zorg onderbouwen binnen het eigen team. Het rapport suggereert eveneens dat bepaalde belemmeringen aandacht krijgen op buurtteamniveau met maatregelen gericht op kennisdeling en kennisbehoud. Het onderzoek laat verder zien dat teamleiders en sociaal werkers met betrekking tot enkele belemmeringen in contact treden met de gemeente. Hiermee beïnvloeden zij toegang tot zorg door te pleiten voor meer aanbod van specialistische zorg, door praktijkgerichte interpretaties van beleid voor te leggen, en door te vragen om betere kennisdeling tussen de wijkteam en de specialistische zorg. Wat opvalt is niet alle belemmeringen in toegang tot zorg worden aangekaart. Daardoor blijven deze problemen op individueel cliëntniveau bestaan en is de invloed hiervan op de toegang tot zorg met name afhankelijk van het handelen van de sociaal werker.
MENSEN
RECHTEN
TUSSEN BURGERS EN
MENSENRECHTEN LOKAAL
SOCIALE PROFESSIONALS
OVER TOEGANG TOT ZORG
EN ONDERSTEUNING
ALICIA DIBBETS, DORIEN CLAESSEN,
QUIRINE EIJKMAN & MAJDA LAMKADDEM
COLOFON
Het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht is een
bundeling van een aantal lectoraten op gebied van zorg en welzn, sociaal
beleid, maatschappelke participatie, ondersteuning en dienstverlening,
arbeid, recht en veiligheid. Het doel van het Kenniscentrum is om kennis te
ontwikkelen, te bundelen en over te dragen ten behoeve van onderws en
praktk.
JAAR VAN UITGAVE
2018
ISBN
9789089281319
CONTACT EN ADRES
Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht
Lectoraat Toegang tot het Recht
Padualaan 101 – 3584 CS Utrecht
Telefoon secretariaat: 088-4819222
www.socialeinnovatie.hu.nl / www.hu.nl
Email: quirine.ekman@hu.nl
VORMGEVING & ILLUSTRATIE
Jowan de Haan
www.jowandehaan.nl
EINDREDACTIE
Jeroen Teitler
Augustus 2018 – © Hogeschool Utrecht, 2018
Bronvermelding is verplicht. Verveelvoudigen voor eigen gebruik
of intern gebruik is toegestaan.
LECTORAAT TOEGANG
TOT HET RECHT
TUSSEN BURGERS EN
MENSENRECHTEN LOKAAL
SOCIALE PROFESSIONALS
OVER TOEGANG TOT ZORG
EN ONDERSTEUNING
ALICIA DIBBETS LLM
DORIEN CLAESSEN MSC
MR. DR. QUIRINE A. M. EIJKMAN
DR. MAJDA LAMKADDEM*
* Alicia Dibbets LLM is zelfstandig mensenrechtenonderzoeker,
Dorien Claessen MSc. is docent/onderzoeker, mr. dr. Quirine Ekman
is lector Toegang tot het Recht en Ondervoorzitter van het College
voor de Rechten van de Mens (haar bdrage is op persoonlke titel
geschreven) en Dr. Majda Lamkaddem is docent/ senior onderzoeker b
het lectoraat Toegang tot het Recht, Kenniscentrum Sociale Innovatie (KSI),
Hogeschool Utrecht.
INHOUDSOPGAVE
SAMENVATTING 7
1. INLEIDING 9
1.1 PROBLEEMANALYSE 10
1.2 THEORETISCH KADER 13
1.3 ONDERZOEKSVRAGEN 18
1.4 DOELSTELLING 18
1.5 OPZET 18
2. DE INRICHTING VAN HET SOCIAAL DOMEIN OP LOKAAL NIVEAU 19
3. METHODOLOGIE 23
3.1 RESPONDENTEN 23
3.2 DATAVERZAMELING 24
3.3 DATA-ANALYSE 25
4. BUURTTEAMS EN BELEMMERINGEN IN TOEGANG
TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 27
4.1 DE BEZUINIGINGEN 27
4.2 HET ZELFREDZAAMHEIDSIDEAAL 32
4.3 COMPLEXITEIT IN REGELGEVING 33
4.4 DE KENNIS VAN DE GENERALIST 35
4.5 TUSSENCONCLUSIE 36
5. BUURTTEAMS EN DE OMGANG MET BELEMMERINGEN IN
TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 39
5.1 OMGAAN MET DE BEZUINIGINGEN 39
5.2 OMGAAN MET HET ZELFREDZAAMHEIDSIDEAAL 43
5.3 OMGAAN MET COMPLEXITEIT IN REGELGEVING 44
5.4 OMGAAN MET GRENZEN AAN KENNIS ALS GENERALIST 45
5.5 TUSSENCONCLUSIE 48
6. CONCLUSIE 53
BIBLIOGRAFIE 57
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 7
SAMENVATTING
Met de transities in het sociaal domein en de daarmee veranderende rol van de
sociaal werker wordt een mensenrechtenbenadering relevanter, omdat deze de
neveneffecten van het nieuwe beleid voor cliënten zou kunnen ondervangen. Het
sociaal werk wordt steeds vaker geproleerd als ‘mensenrechtenberoep’ omdat deze
professionals een brugfunctie vervullen tussen de leefwereld van burgers en het
lokale beleid. Doordat sociaal werkers in wkteams bepalend zn geworden voor de
toegang tot sociale zorg en ondersteuning, zouden z een rol kunnen spelen in de
manier waarop bepaalde sociaal-economische mensenrechten worden gerealiseerd.
Toegang tot sociale zorg en ondersteuning kan worden gezien als onderdeel
van het recht op gezondheid, het recht op een behoorlke levensstandaard, en
het recht op sociale zekerheid. Wanneer als gevolg van regelgeving en beleid
belemmeringen ontstaan in toegang tot zorg, brengt dit risico’s met zich mee voor
de realisatie van deze mensenrechten op lokaal niveau. Dit praktkonderzoek schept
een beeld van de invloed van sociale professionals op dit proces. Aan de hand van
interviews met sociaal werkers en teamleiders in wkteams is in kaart gebracht welke
belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning worden geconstateerd in de
praktk. Vervolgens is gekeken naar hoe sociaal werkers en teamleiders met deze
belemmeringen omgaan.
Dit kwalitatieve onderzoek identiceert daarmee vier belemmeringen in toegang
tot zorg en ondersteuning. Ten eerste is de toegang tot de specialistische zorg
beperkt. Daarnaast kan de nadruk op zelfredzaamheid een belemmering in toegang
veroorzaken wanneer de zelfredzaamheid van cliënten wordt overschat. Vervolgens
bestaan er onduidelkheden over de grenzen tussen de Wet maatschappelke
ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz), waardoor mensen
moeilkheden ervaren in het verkrgen van de juiste zorg. Ten slotte kampen de
buurtteams met verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers, waardoor
zorgbehoeftes verkeerd kunnen worden ingeschat.
Uit de interviews met sociaal werkers en teamleiders bleek ook hoe ze op
verschillende manieren omgaan met de vier belemmeringen. De belemmeringen
lken in eerste instantie door de sociaal werkers met name op individueel
cliëntniveau benaderd te worden door de eigen interpretatie en toepassing van
beleid, en door de manier waarop z de noodzaak voor (specialistische) zorg
onderbouwen binnen het eigen team. Het rapport suggereert eveneens dat
bepaalde belemmeringen aandacht krgen op buurtteamniveau met maatregelen
gericht op kennisdeling en kennisbehoud.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 8
Ten slotte laat het rapport zien dat teamleiders en sociaal werkers met betrekking tot
enkele belemmeringen in contact treden met de gemeente. Hiermee beïnvloeden
z toegang tot zorg door te pleiten voor meer aanbod van specialistische zorg, door
praktkgerichte interpretaties van beleid voor te leggen, en door te vragen om
betere kennisdeling tussen de buurtteams en de specialistische zorg. Wat opvalt uit
de data is dat bepaalde belemmeringen in toegang tot zorg niet lken te worden
aangekaart b de gemeente. Daardoor blven deze problemen op individueel
cliëntniveau bestaan en is de invloed hiervan op de toegang tot zorg met name
afhankelk van het handelen van de sociaal werker.
De geïdenticeerde belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning
kunnen nadelig zn voor een aantal van de voorwaarden die op basis van sociaal-
economische mensenrechten worden gesteld aan publieke diensten. Dit zn:
toegankelkheid zonder discriminatie, betaalbaarheid, kwaliteit in de vorm van
kennis van lokale professionals, en aanvaardbaarheid in de zin dat er rekening wordt
gehouden met behoeftes van verschillende groepen. Belemmeringen in toegang
tot zorg en ondersteuning brengen daardoor risico’s met zich mee voor de realisatie
van het recht op gezondheid, het recht op sociale zekerheid en het recht op een
behoorlke levensstandaard. Door de manier waarop sociaal werkers en teamleiders
omgaan met deze belemmeringen, beïnvloeden z hoe deze risico’s uitwerken in de
praktk.
De resultaten van dit onderzoek suggereren dat sociaal werkers zowel een
beperkende als een versterkende invloed kunnen hebben op toegang tot zorg
en ondersteuning in het sociaal domein. Wanneer belemmeringen in toegang
tot zorg en ondersteuning direct of indirect worden veroorzaakt door beleid,
beïnvloeden sociaal werkers en teamleiders deze toegang door de mate waarin z
meegaan in beleid of er juist vraagtekens b plaatsen, of manieren vinden om beleid
werkbaar te maken in de praktk. Omdat belemmeringen in toegang tot sociale
zorg en ondersteuning nadelig kunnen zn voor de realisatie van mensenrechten,
zouden sociaal werkers onder andere een rol kunnen spelen in het proces van
mensenrechtenrealisatie door de manier waarop z uitvoering geven aan dergelk
beleid.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 9
1. INLEIDING
De laatste jaren komen mensenrechten steeds vaker aan de orde op
lokaal niveau in Nederland. Gemeenten beginnen beleidsthema’s zoals
armoedebestrding, burgerparticipatie en antidiscriminatie meer te beschouwen
als mensenrechtenkwesties (Teitler, Cuypers, Klever, Hardy & Steenbergen, 2012).
Diverse steden zn mensenrechten gaan inzetten om groepen te verbinden, of als
leidraad voor jeugdbeleid of beleid rond de Wet maatschappelke ondersteuning
(Wmo) (Van den Berg & Oomen, 2014). Het College voor de Rechten van de
Mens, opgericht in 2012, ontwikkelde een kader voor mensenrechten in het sociaal
domein (College voor de Rechten van de Mens, 2014). De Coalitie voor Inclusie,
een beweging van mensen en organisaties die streven naar inclusie van mensen met
een beperking, baseert zich op de Verenigde Naties (VN)-Verdrag voor rechten van
mensen met een beperking.
Deze ontwikkelingen kunnen worden beschouwd als onderdeel van een
internationale ontwikkeling waarb het belang van de toepassing van mensenrechten
op lokaal niveau steeds meer wordt benadrukt. Dit kan worden afgeleid uit
de opkomst van ‘mensenrechtensteden’ wereldwd (Oomen, Davis & Grigolo,
2016), de toename van literatuur op dit gebied (Goodale, & Merry, 2007; De
Feyter, Parmentier, Timmerman & Ulrich, 2010; Vandenhole, 2012; Destrooper,
2016) en de aandacht van onder andere de VN en de Raad van Europa voor
mensenrechten op lokaal niveau (UN Human Rights Council, 2015; Council of
Europe, 2018). De groeiende aandacht voor lokalisering van mensenrechten komt
voort uit het besef dat de werkelke realisatie van mensenrechten mede afhankelk
is van de inzet van lokale actoren (De Feyter, 2010). Eén van de gevolgen van
deze mensenrechtenlokalisering is dat meer diverse professionals, onder wie
sociaal werkers, worden beschouwd als belangrke actoren op het gebied van
mensenrechten (Dibbets & Ekman, 2018). Dit betekent dat sociaal werkers door
middel van hun dagelks werk invloed (kunnen) hebben op de manier waarop
mensenrechten worden gerealiseerd in het sociaal domein.
De toenemende aandacht voor mensenrechten op lokaal niveau is mede
ingegeven door decentralisatieprocessen, zowel in Nederland als in andere
landen (Petrasek, Tom & Archer, 2002). Door de decentralisaties in Nederland
hebben lokale overheden meer verantwoordelkheden voor kwesties die raken
aan sociaal-economische mensenrechten, zoals het recht op gezondheidszorg,
op een behoorlke levensstandaard of op sociale zekerheid. Deze verschuiving in
verantwoordelkheden brengt zowel kansen als risico’s voor de bescherming van
mensenrechten met zich mee (Jägers, 2013). Gemeenten kunnen meer aansluiten
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 10
op lokale behoeftes en oefenen daarmee mogelk een positieve invloed uit op
de toegang tot en kwaliteit van sociale voorzieningen. Omdat de decentralisaties
worden gecombineerd met bezuinigingen en een terugtredende overheid, kan dit
aan de andere kant ook leiden tot de aantasting van het sociaal vangnet (Vonk,
2016). Mensenrechten kunnen dan in de knel komen omdat noodzakelke zorg en
ondersteuning niet voldoende beschikbaar of toegankelk meer blken te zn.
Met de transities in het sociaal domein, en de daarmee veranderende rol van de
sociaal werker, worden mensenrechten door docenten sociaal werk aangegrepen
als instrument om het sociaal werk te legitimeren en ervoor te zorgen dat cliënten
niet worden benadeeld door de gevolgen van de transities (Dibbets & Ekman,
2018). In 2016 stelden docenten sociaal werk van verschillende hogescholen en
universiteiten daarom een manifest op waarin wordt gepleit voor sociaal werk
als mensenrechtenberoep. Daarb wordt benadrukt dat mensenrechten een
plek verdienen in het sociaal werk-onderws en in de praktk (Hartman, Knevel,
& Reynaert, 2016). De aandacht voor mensenrechten binnen het sociaal werk in
Nederland is er vooralsnog met name in het onderws, maar is ook opgepakt door
kenniscentrum Movisie en de Beroepsvereniging voor Professionals in Sociaal
Werk (BPSW). Het manifest draagt hiermee b aan de erkenning van het feit dat
mensenrechten een integraal onderdeel zouden moeten zn van sociaal werk-
curricula.
Wanneer sociaal werk wordt benaderd als mensenrechtenberoep, ontstaat de vraag
op wat voor manier sociaal werkers de realisatie van mensenrechten in de praktk
beïnvloeden. Dit onderzoek bestudeert daarom de praktk van sociaal werkers en
teamleiders in wkteams, ook wel buurtteams genoemd, om inzicht te krgen in
hoe dit dagelks werk zich verhoudt tot mensenrechtenrealisatie op lokaal niveau.
Sociaal werkers hebben direct contact met burgers met een zorgvraag en vervullen
een centrale rol in de toegang tot zorg en ondersteuning. Daarom ligt de focus van
het onderzoek op de rol die sociaal werkers (kunnen) spelen in de realisatie van
mensenrechten gerelateerd aan zorg en ondersteuning in het sociaal domein.
1.1 PROBLEEMANALYSE
1.1.1 DE REALISATIE VAN MENSENRECHTEN IN DE PRAKTIJK
Mensenrechten zn de waarden die fundamenteel zn voor menselke
waardigheid, ontwikkeling en overleving, vastgelegd in internationale en regionale
mensenrechtenverdragen. Op basis van deze verdragen zn staten (overheden)
verplichtingen aangegaan om deze rechten te respecteren, beschermen en
bevorderen. Dit betekent dat de verantwoordelkheid voor de realisatie van
mensenrechten vanuit internationaal juridisch perspectief in eerste instantie b
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 11
de overheid ligt.1 Wanneer wordt gekeken naar de mate waarin overheden deze
verantwoordelkheid nakomen, dan is de herhaaldelke conclusie dat er een kloof
bestaat tussen mensenrechten op papier en de daadwerkelke implementatie ervan
(De Feyter, 2011). De implementatie van mensenrechten door staten is echter geen
doel op zich, maar een middel voor de bescherming van menselke waardigheid
(Forsythe, 2009). B de bestudering van mensenrechten in de praktk is het daarom
van belang niet alleen te kken naar de invulling van mensenrechtennormen en de
naleving ervan door de overheid, maar ook naar de mechanismen die de realisatie
van mensenrechten in de praktk wel of niet mogelk maken.
We kunnen een completer beeld krgen van deze mechanismen door uit te
gaan van de verschillende actoren die hierin een rol in (kunnen) spelen. Deze
benadering wordt onder andere gehanteerd b mensenrechtenlokalisering, waarb
wordt gekeken naar manieren waarop mensenrechten betekenis krgen in een
bepaalde lokale context (De Feyter, 2010; Merry, 2006). Er blkt dan een grotere
groep actoren relevant voor de verwezenlking van mensenrechten dan de meer
traditionele mensenrechtenactoren, zoals internationale instellingen, overheden, de
rechterlke macht en non-gouvernementele organisaties (Vandenhole, 2012, p. 93;
Goodale, 2007, p. 24). Tegelkertd wordt hiermee erkend dat de effectiviteit van
mensenrechten mede afhankelk is van de aard van bestaande sociale verhoudingen
en niet kan worden gewaarborgd door rechtsmiddelen alleen (Woodiwiss, 2006, p.
37). Dit sluit aan b een sociaal constructivistische benadering van mensenrechten,
waarb de mensenrechten worden beschouwd als product van een bepaalde td
en plaats en dus voortdurend in ontwikkeling zn (Morris, 2006, p. 16). De realisatie
van mensenrechten is zo bezien een doorlopend proces waaraan diverse actoren
bewust of onbewust bdragen. Beleidsmedewerkers binnen de overheid geven
richting aan de realisatie van mensenrechten door de formulering van regelgeving
en beleid. Uitvoerders binnen en buiten de overheid geven vorm aan regelgeving
en beleid in de praktk, en beïnvloeden daarmee de manier waarop mensenrechten
worden beschermd en bevorderd. Burgers en belangenorganisaties bevragen de
grenzen van regelgeving en beleid en benadrukken de betekenis van specieke
mensenrechten voor individuen en groepen.
1.1.2 SOCIAAL WERKERS ALS ACTOREN IN MENSENRECHTENREALISATIE
Wanneer de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau wordt benaderd als een
proces dat wordt beïnvloed door verschillende actoren, dan kunnen sociaal werkers
geïdenticeerd worden als potentieel belangrke actoren in dit proces (Dibbets &
Ekman, 2018). Tdens hun werk kunnen sociaal werkers in aanraking komen met
1 In toenemende mate wordt eveneens gekeken naar de (juridische) verantwoordelijkheid van private ac-
toren, zoals bedrijven, voor mensenrechtenbescherming. Welzijnsorganisaties zouden ook op deze manier
benaderd kunnen worden. Er wordt dan gekeken naar hoe deze organisaties verantwoordelijk kunnen
worden gehouden voor eventuele misstanden. In dit onderzoek wordt deze benadering buiten beschou-
wing gelaten. Zie: Lane (2017) voor hoe dit zou kunnen worden toegepast op publieke diensten.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 12
mensen wier rechten zn geschaad, en ze kunnen (onbedoeld) betrokken raken b
situaties waarin mensenrechten niet goed worden nageleefd (Staub-Bernasconi,
2011, p. 38). Sociaal werkers werken veel met mensen in een kwetsbare positie en
staan dicht op hun leefwereld. Ze kunnen dus in een vroeg stadium opmerken dat
iemand in een situatie terecht is gekomen waarin haar of zn menselke waardigheid
niet wordt gerespecteerd. Als deze situatie wordt veroorzaakt of in stand gehouden
door bestaande regelgeving of bestaand beleid, dan is het de sociaal werker die
zou kunnen opmerken dat dit beleid cliënten benadeelt. Wanneer sociaal werk
wordt beschouwd als mensenrechtenberoep, is daarom de vraag in hoeverre
sociaal werkers in staat zn mensenrechten te realiseren door middel van hun eigen
dagelkse werk, en hoe ze omgaan met regelgeving en beleid die de uitvoering van
dit werk beperken of onmogelk maken.
1.1.3 SOCIAAL WERKERS EN MENSENRECHTENREALISATIE IN HET HUIDIGE SOCIAAL DOMEIN
In Nederland worden de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau en de
rol die sociaal werkers hierin spelen op verschillende manieren beïnvloed door
de decentralisaties in het sociaal domein. In de eerste plaats hebben gemeentes
vanwege de decentralisaties verantwoordelkheden gekregen die raken aan
sociaal-economische mensenrechten, zoals het recht op gezondheidszorg, op een
behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid. Hierdoor hebben gemeentes
een grotere invloed op de manier waarop deze rechten in de praktk worden
gerealiseerd. Dit biedt kansen wanneer gemeentes aansluiten b lokale behoeftes
door burgers te raadplegen over de invulling van beleid (Petrasek et al., 2002, p. 19-
21; Jägers, 2013). Sociaal werkers staan nog dichter op de burger dan de gemeente
en hebben daardoor goed zicht op deze lokale behoeftes.
De decentralisaties gingen gepaard met bezuinigingen en een transitie naar de
participatiemaatschapp. Door de gevolgen hiervan ontstaan er ook risico’s voor de
realisatie van mensenrechten op lokaal niveau. Wanneer bezuinigingen leiden tot
erosie van sociale voorzieningen, heeft dit gevolgen voor de rechten van mensen
die van deze voorzieningen gebruikmaken (Vonk, 2016, p. 136). Bovendien kunnen
rechten van mensen in kwetsbare posities in de knel komen als onverkort wordt
uitgegaan van zelfredzaamheid en eigen kracht (College voor de Rechten van de
Mens, 2017). Zowel de bezuinigingen als de nadruk op zelfredzaamheid beïnvloeden
de toegang tot zorg en ondersteuning in het sociaal domein. Deze toegang tot zorg
en ondersteuning kan worden beschouwd als belangrk onderdeel van de realisatie
van sociaal-economische rechten zoals het recht op gezondheidszorg, op een
behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid.
Doordat sociaal werkers een centrale rol vervullen in de (toegang tot) zorg en
ondersteuning, bepalen z mede hoe deze mensenrechten worden gewaarborgd
in het sociaal domein. Sociaal werkers bevinden zich in een positie waarin ze aan
de ene kant een grotere verantwoordelkheid hebben gekregen in het regelen van
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 13
zorg en ondersteuning, en waarin aan de andere kant deze verantwoordelkheid
wordt begrenst door beleid gericht op kostenbesparing, burgerparticipatie en
zelfredzaamheid. Wanneer de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau wordt
beschouwd als een proces waarin ook sociaal werkers een rol spelen, ontstaat de
vraag hoe dit proces eruitziet in het huidige sociaal domein.
In dit onderzoek ligt wat dit betreft de focus op de toegang tot sociale zorg en
ondersteuning als onderdeel van de realisatie van het recht op gezondheid, op
een behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid. Het gaat daarb om de
manier waarop sociaal werkers bdragen aan de realisatie van deze mensenrechten
door de rol die z spelen in het regelen van zorg en ondersteuning. Hiervoor zal
worden bestudeerd op wat voor manier uitvoerend sociaal werkers en sociaal werk-
teamleiders in buurtteams omgaan met de belemmeringen die z in de praktk
constateren in de toegang tot zorg en ondersteuning.
1.2 THEORETISCH KADER
Dit onderzoek bestudeert belemmeringen in de toegang tot sociale zorg
en ondersteuning vanuit het perspectief van uitvoerend sociaal werkers en
teamleiders in wkteams. Het uitgangspunt hierb is dat deze toegang tot zorg en
ondersteuning onderdeel is van de realisatie van verschillende mensenrechten: het
recht op gezondheid, op een behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid.
Belemmeringen in toegang kunnen de realisatie van deze mensenrechten in de
weg staan. Wanneer sociaal werkers worden beschouwd als actoren in het proces
van mensenrechtenrealisatie, geeft de manier waarop z omgaan met deze
belemmeringen inzicht in mogelke rollen die z spelen in dit proces. Daarvoor
wordt hier eerst uiteengezet wat er kan worden verstaan onder de realisatie van de
relevante mensenrechten en hoe toegang tot sociale zorg en ondersteuning hiervan
onderdeel zn. Vervolgens wordt er een kader geschetst van belemmeringen in de
toegang tot zorg en ondersteuning die naar voren komen in bestaand onderzoek
over het sociaal domein.
1.2.1 TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING ALS MENSENRECHT
Onder mensenrechtenrealisatie wordt in dit onderzoek verstaan: het proces
van de verwezenlking van individuele mensenrechten zoals vastgelegd in
regionale en internationale mensenrechtenverdragen. Een ‘recht op sociale zorg
en ondersteuning’ of een ‘recht op sociale voorzieningen’ is niet letterlk terug
te vinden in deze verdragen. Het kan echter wel afgeleid worden uit het recht
op gezondheid, het recht op sociale zekerheid en het recht op een behoorlke
levensstandaard. Deze rechten zn onder andere vastgelegd in het Internationaal
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 14
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR).2 De betekenis
en inhoud van deze rechten is terug te vinden in de algemene aanbevelingen van
het VN-Comité inzake economische, sociale en culturele rechten (ESC-Comité).
Deze gezaghebbende interpretaties geven een goed beeld van waaraan op grond
van internationale verdragen moet worden voldaan om specieke mensenrechten
te realiseren (Blake, 2008). Omdat Nederland part is b het IVESCR zn deze
interpretaties ook van toepassing in Nederland. Hier zullen het recht op gezondheid,
op sociale zekerheid en op een behoorlke levensstandaard worden uitgewerkt om
aan te tonen hoe deze verband houden met toegang tot zorg en ondersteuning in
het sociaal domein (zie ook: Dibbets & Ekman, 2017).
Het recht op gezondheid (voluit: het recht op het hoogst haalbare niveau van
lichamelke en geestelke gezondheid) is het recht om gebruik te kunnen maken
van goederen en diensten die noodzakelk zn voor een goede lichamelke en
psychische gezondheid (art. 12 IVESCR; ESC-Comité, 2000). Het recht op een
behoorlke levensstandaard houdt in dat iedereen recht heeft op toereikende
huisvesting, voeding en kleding (art. 11 IVESCR; ESC-Comité, 1990). Het recht op
sociale zekerheid houdt in dat mensen die (tdelk) niet kunnen werken vanwege
ziekte, handicap, zwangerschap, werkloosheid of ouderdom recht hebben op een
vorm van uitkering (art. 9 IVESCR; ESC-Comité, 2008). Het recht op gezondheid
en het recht op een behoorlke levensstandaard hebben te maken met de soort
voorzieningen voor zorg en ondersteuning in het sociaal domein en waaraan deze
zouden moeten voldoen. Psychosociale ondersteuning heeft dan bvoorbeeld meer
te maken met het recht op gezondheid, terwl hulp in de huishouding kan worden
geschaard onder het recht op een behoorlke levensstandaard. Het recht op sociale
zekerheid geeft aan hoe deze voorzieningen moeten worden bekostigd als mensen
ze om verschillende redenen zelf niet kunnen betalen. Daarmee ondersteunt dit
recht de realisatie van het recht op gezondheid en het recht op een behoorlke
levensstandaard (ESC-Comité, 2008, p. 9).
Om een indruk te krgen van hoe de realisatie van deze rechten eruit zou kunnen
zien in het sociaal domein, is het relevant om te kken naar de voorwaarden die
het ESC-Comité stelt aan publieke diensten. Deze voorwaarden zn ontleend aan
de voorwaarden die het ESC-Comité (2000) stelt aan gezondheidsdiensten, maar
worden inmiddels breder toegepast op alle essentiële publieke diensten (Hesselman,
Wolf & Toebes, 2017, p. 300). Publieke diensten moeten op grond van sociaal-
economische mensenrechten in voldoende mate beschikbaar zn, toegankelk zn
voor iedereen, aanvaardbaar en van goede kwaliteit.
2 Deze rechten zijn in verschillende vormen ook terug te vinden in andere internationale en regionale
mensenrechtenverdragen. Voor dit onderzoek wordt uitgegaan van de rechten uit het IVESCR omdat
hiervan toepasbare en algemeen geaccepteerde interpretaties bestaan.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 15
Beschikbaarheid van publieke diensten gaat om de letterlke beschikbaarheid
van voorzieningen. Dit betekent dat de nodige organisaties en instellingen
aanwezig zn, dat deze over voldoende personeel beschikken, en dat er geen
tekort is aan essentiële goederen die nodig zn om de dienst te kunnen leveren.
Publieke diensten moeten vervolgens voor iedereen toegankelk zn. Dit gaat om
fysieke toegankelkheid, nanciële toegankelkheid (betaalbaarheid), toegang
zonder discriminatie en toegang tot informatie over de diensten. Toegang zonder
discriminatie houdt in dat mensen niet mogen worden benadeeld in hun toegang
tot voorzieningen vanwege onder andere hun geslacht, ras, huidskleur, leeftd, taal,
religie, handicap, gezondheidsstatus, seksuele oriëntatie, sociaal-economische of
andere status. Een derde voorwaarde is dat publieke diensten aanvaardbaar moeten
zn. Dit betekent dat er b de invulling en uitvoering van diensten rekening moet
worden gehouden met behoeftes van verschillende groepen, zoals mensen met
een andere culturele achtergrond of mensen met een beperking. Ten slotte moeten
de goederen en diensten van goede kwaliteit zn. Dit houdt bvoorbeeld in dat
het personeel opgeleid is met de juiste kennis en vaardigheden, dat gebouwen
van organisaties goed onderhouden zn en dat de nodige goederen voldoen aan
professionele maatstaven.
Deze voorwaarden voor publieke diensten worden beschouwd als centrale
elementen van de realisatie van het recht op gezondheid, op sociale zekerheid en
op een behoorlke levensstandaard. Wanneer sociale voorzieningen worden gezien
als onderdeel van deze rechten, kunnen deze voorwaarden eveneens toegepast
worden op zorg en ondersteuning in het sociaal domein. Dit onderzoek legt daarb
de nadruk op de toegang tot deze zorg en ondersteuning. Toegankelkheid van
publieke diensten is één van de voorwaarden, maar omdat alle voorwaarden met
elkaar samenhangen kunnen bvoorbeeld de beschikbaarheid en aanvaardbaarheid
van voorzieningen ook invloed hebben op toegang tot voorzieningen. In het
huidige sociale domein spelen sociaal werkers een centrale rol: z bepalen mede de
toegankelkheid tot sociale voorzieningen, en hebben daarb mogelk ook zicht op
belemmeringen hiervan.
1.2.2 BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING
Sinds de decentralisaties zn er meerdere belemmeringen in de toegang tot
sociale zorg en ondersteuning aan het licht gekomen. Uit bestaand onderzoek
over het sociaal domein kunnen drie belemmeringen worden opgemaakt waarmee
sociaal werkers in buurtteams te maken kunnen krgen in het dagelks werk. Deze
belemmeringen zn direct of indirect het gevolg van regelgeving en beleid, en
brengen op verschillende manieren risico’s met zich mee voor de realisatie van
mensenrechten.
Een eerste belemmering kan ontstaan door de gevolgen van de bezuinigingen in
het sociaal domein. De decentralisaties gingen samen met bezuinigingen, waardoor
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 16
gemeenten minder budget hebben voor zorg en ondersteuning (Raad voor het
Openbaar Bestuur, 2017, p. 35). Bestaand onderzoek toont aan dat de bezuinigingen
de toegang tot sociale voorzieningen op verschillende manieren kunnen beperken.
Ten eerste doordat het aantal beschikbare uren voor ondersteuning in het algemeen
wordt gekort, zonder onderzoek naar de behoeftes van mensen (Allers, 2015, p.
292-293). Ten tweede doordat bepaalde voorzieningen minder of helemaal niet
meer beschikbaar zn (Vonk, 2016, p. 14). Wanneer als bezuinigingsmaatregel de
eigen bdrage voor zorg wordt verhoogd, kan dit eveneens invloed hebben op
de toegang tot voorzieningen (Nationale ombudsman, 2016, p. 36; Sociaal en
Cultureel Planbureau, 2017, p. 15). Dit risico is ook door belangenorganisaties
van cliënten gesignaleerd (Ieder(in), 2016, p. 10). Belangenorganisaties geven
daarnaast aan dat mensen met een chronische aandoening of een beperking de
indruk krgen dat beoordelingen over toegang tot zorg worden beïnvloed door
‘bezuinigingsdrang’ (Vzelman-Waarheid, 2017, p. 23). Wanneer wordt gekeken
naar de mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten,
dan hebben de bezuinigingen mogelk invloed op de beschikbaarheid en de
nanciële toegankelkheid van sociale voorzieningen. Wanneer zou blken dat
de bezuinigingen de toegang tot zorg en ondersteuning voor specieke groepen
belemmeren, dan zou dit ook toegankelkheid op basis van non-discriminatie
beïnvloeden. Naast de algemene voorwaarden voor publieke diensten stellen
sociaal-economische mensenrechten ook grenzen aan de mate waarin, en de manier
waarop, bezuinigd mag worden op sociale voorzieningen (Allers, 2015, p. 278). Dit
betekent onder andere dat de gevolgen van bezuinigingen voor de realisatie van
specieke mensenrechten moeten worden onderzocht, en dat de bezuinigingen niet
onevenredig de rechten van kwetsbare groepen mogen aantasten (Dibbets & Buyse,
2014, p. 2706).
De nadruk op zelfredzaamheid kan de toegang tot zorg en ondersteuning
belemmeren wanneer mensen geen of minder zorg ontvangen op basis van hun
(vermeende) zelfredzaamheid. Uit onderzoek van de Wetenschappelke Raad voor
het Regeringsbeleid en het Centrum voor Ethiek en Gezondheid komt naar voren dat
zelfredzaamheid vaak onjuist wordt ingeschat, waardoor mensen met een hulpvraag
onvoldoende ondersteuning krgen. Er bestaat een verschil tussen wat de overheid
van de zelfredzaamheid van mensen verwacht, en wat ze daadwerkelk aankunnen
(Wetenschappelke Raad voor het Regeringsbeleid, 2017, p. 19). Daarmee ontstaat
het risico dat mensen tot zelfredzaamheid worden ‘veroordeeld’ terwl ze zichzelf
niet kunnen redden en daardoor ondersteuning mislopen (Centrum voor Ethiek en
Gezondheid, 2016, p. 9). Wanneer vanwege de nadruk op zelfredzaamheid toegang
tot zorg en ondersteuning wordt bemoeilkt voor mensen in een kwetsbare positie,
gaat dit in tegen het recht op zorg (College voor de Rechten van de Mens, 2016,
p. 6-7). Met name de toegang op basis van non-discriminatie komt hiermee in het
geding, omdat juist mensen met extra zorgbehoeftes, zoals ouderen en mensen met
een beperking, hierdoor geraakt kunnen worden.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 17
Ook het vastlopen in ingewikkelde regelgeving kan een belemmering vormen
in de toegang tot zorg en ondersteuning. Met name mensen met meervoudige
problematiek kunnen moeilkheden ervaren door onduidelkheid over de toepassing
van de Wmo en de Wet langdurige zorg (Wlz). Diverse publicaties suggereren dat
de afbakening tussen de verschillende wettelke stelsels niet altd voldoende helder
is, waardoor mensen problemen ondervinden b het regelen van noodzakelke
zorg (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2017, p. 29; Sociaal en Cultureel
Planbureau, 2017, p. 14; Nationale ombudsman, 2018). Belangenorganisaties van
cliënten signaleren soortgelke drempels (MEE NL, 2016, p. 4; Ieder(in), 2016,
p. 13). Deze belemmering kan te maken hebben met onvoldoende duidelke
informatie over de betreffende regelgeving, waardoor niet wordt voldaan aan de
mensenrechtenvoorwaarde van toegang tot begrpelke informatie over publieke
diensten. Omdat juist mensen met meervoudige problematiek vastlopen in de
regelgeving, komt hierdoor mogelk ook de toegankelkheid zonder discriminatie in
de knel. Als blkt dat de regelgeving niet goed aansluit op de behoeftes van mensen
met meervoudige problematiek, gaat dat eveneens in tegen de voorwaarde van
aanvaardbaarheid van publieke voorzieningen.
De hier beschreven belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning kunnen
nadelig zn voor de realisatie van het recht op gezondheid, op een behoorlke
levensstandaard en op sociale zekerheid. Daarmee is niet gezegd dat minder zorg en
ondersteuning per denitie ingaat tegen de mensenrechten. Waar het om gaat is dat
wanneer als gevolg van beleid en regelgeving direct of indirect belemmeringen in
de toegang tot voorzieningen ontstaan, en het duidelk wordt dat mensen daardoor
in situaties terechtkomen waarb hun menselke waardigheid in het geding komt,
dit de realisatie van mensenrechten in de weg staat. Dit geldt des te meer wanneer
met name specieke groepen of groepen in een kwetsbare positie in de knel komen.
Wanneer deze toegang tot zorg wordt gezien als onderdeel van de realisatie van
mensenrechten, dan verduidelkt dit dat noodzakelke zorg en ondersteuning
geen gunsten zn, maar individuele rechten waarop mensen zich kunnen beroepen.
Daarb bieden de voorwaarden aan publieke diensten een duidelk kader waaraan
sociale zorg en ondersteuning vanuit mensenrechtelk oogpunt zouden moeten
voldoen.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 18
1.3 ONDERZOEKSVRAGEN
Hoofdvraag:
- Hoe beïnvloeden lokale sociale professionals de toegang tot zorg en
ondersteuning in de wk?
Deelvragen:
- Welke belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning constateren
sociaal werkers uit wkteams in de praktk?
- Hoe gaan sociaal werkers om met deze belemmeringen in de toegang tot zorg
en ondersteuning voor mensen in de wk?
- Welke belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning constateren
teamleiders van wkteams in de praktk?
- Hoe gaan teamleiders uit wkteams om met deze belemmeringen in de toegang
tot zorg en ondersteuning voor mensen in de wk?
1.4 DOELSTELLING
De algemene doelstelling van dit onderzoek is inzicht te krgen in knelpunten in
de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau vanuit het oogpunt van sociale
professionals. Dit onderzoek bestudeert de manieren waarop uitvoerend sociaal
werkers en sociaal werk-teamleiders in wkteams hun bdrage leveren aan toegang
tot zorg en ondersteuning in het sociaal domein. Deze toegang tot zorg en
ondersteuning kan worden beschouwd als onderdeel van het recht op gezondheid,
het recht op een behoorlke levensstandaard en het recht op sociale zekerheid
(zie Theoretisch kader 1.2.1). Door de mensenrechtenrealisatie te koppelen aan de
uitvoeringspraktk van de sociaal werker wordt beoogd een bdrage te leveren aan
de beweging om mensenrechten een plek te geven in het sociaal werk-curriculum
(Hartman et al., 2016). Daarmee draagt het onderzoek b aan de vernieuwing van
beroepsopleidingen zoals Social Work.
1.5 OPZET
Dit kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd onder sociaal werkers en teamleiders
van buurtteams in Utrecht. Het rapport is als volgt opgezet: hoofdstuk 2 schetst
de context door een overzicht te geven van de inrichting van het sociaal domein
in Utrecht en de rol van buurtteams. Vervolgens behandelt hoofdstuk 3 de
onderzoeksmethode. In hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 worden de resultaten van het
kwalitatieve onderzoek weergegeven.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 19
2. DE INRICHTING VAN HET SOCIAAL
DOMEIN OP LOKAAL NIVEAU
Dit praktkonderzoek heeft plaatsgevonden onder buurtteams in Utrecht. Net
als in andere grote steden wordt er in het Utrechtse sociaal domein gewerkt met
buurtteams (oftewel wkteams). In Utrecht spelen de buurtteams een duidelke
rol in de toegang tot zorg en ondersteuning voor mensen in de wk. Daarnaast
opereren de buurtteams, in tegenstelling tot veel wkteams in andere steden,
onafhankelk van andere zorg- en welznsorganisaties, waardoor de rollen van zowel
de teamleiders als de sociaal werkers duidelk onderscheiden kunnen worden (Arum,
& Schoorl, 2015, p. 22). Dit hoofdstuk omschrft de inrichting van het sociaal domein
in Utrecht en de rol die de buurtteams hierbinnen spelen in de toegang tot zorg en
ondersteuning.
Zoals in elke Nederlandse gemeente heeft er sinds de decentralisaties in 2015 een
transitie plaatsgevonden in het Utrechtse sociaal domein. Het nieuwe Utrechtse
zorgmodel is georganiseerd langs drie sporen (Vermeulen, Rnkels, Riemens &
Schutte, 2015, p. 30). Spoor 1 omvat basisvoorzieningen die voor alle bewoners
van Utrecht toegankelk zn. Dit zn voorzieningen op het gebied van onderws,
sport en cultuur, maar ook ondersteuning van mantelzorgers, vrwilligers of
buurtinitiatieven. Spoor 2 is de sociale basiszorg die door buurtteams wordt
uitgevoerd en spoor 3 is de aanvullende, specialistische zorg. Net als in veel andere
gemeenten zn er in Utrecht buurtteams opgericht. De buurtteams vervullen
een spilfunctie tussen de basisvoorzieningen (spoor 1) en de specialistische zorg
(spoor 3). In Utrecht zn er buurtteams Jeugd en Gezin en buurtteams Sociaal voor
volwassenen. Voor dit onderzoek is gekeken naar de buurtteams Sociaal; de rest van
deze omschrving richt zich daarom op deze buurtteams.
Utrecht kent achttien buurtteams Sociaal, verspreid over de verschillende wken
(FCB, 2015, p. 19). In principe heeft elke wk een eigen buurtteam; uitzonderingen
zn de wk Overvecht met drie buurtteams en de wk Kanaleneiland met twee
buurtteams. De buurtteams zn in opdracht van de gemeente Utrecht opgericht
door het bedrf Incluzio, die de teams onderbracht in een nieuwe stichting.
Binnen de buurtteams werkt een ‘buurtondernemer’ als teamleider die een team
generalistische sociaal werkers, oftewel ‘buurtteammedewerkers’, aanstuurt.
Daarnaast is elke teamleider verantwoordelk voor een expertisegebied op stedelk
niveau; op dit gebied fungeert z of h als gesprekspartner voor de gemeente en
andere relevante parten (Buurtteam, 2016, p. 35). Op verzoek van de gemeente zn
de sociaal werkers in de buurtteams hoofdzakelk afkomstig uit welznsorganisaties
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 20
in de stad (FCB, 2015, p. 19). Door de komst van de buurtteams verdween er werk
b bestaande welznsorganisaties, waardoor veel sociaal werkers genoodzaakt
waren te solliciteren b de nieuwe buurtteams. In tegenstelling tot veel andere
gemeenten, waar buurtteams doorgaans bestaan uit professionals die werkzaam zn
b verschillende moederorganisaties (Arum & Schoorl, 2015, p. 22), zn de sociaal
werkers in de Utrechtse buurtteams allemaal in dienst b de buurtteamorganisatie.
De hoofdtaak van de buurtteams Sociaal is om op basis van hulpvragen van
bewoners te bepalen of individuen terechtkunnen b basisvoorzieningen, of het
buurtteam zelf sociale basiszorg kan leveren, of dat een doorverwzing naar
specialistische zorg nodig is. Bewoners kunnen met een grote diversiteit aan
problematiek b een buurtteam terecht, van eenzaamheid en schulden tot huiselk
geweld en psychische problemen. Daarnaast is het de bedoeling dat sociaal werkers
actief de wk ingaan om problemen te ontdekken, mensen die elkaar kunnen
ondersteunen aan elkaar te verbinden, en bewonersinitiatieven te starten of te
stimuleren. In 2015 is circa 80 procent van de cliënten vanuit de specialistische zorg
overgedragen naar de buurtteams (Gemeente Utrecht, 2016, p. 4). Sinds het najaar
van 2016 adviseren de buurtteams de gemeente ook over hulp b het huishouden,
een taak die eerst uitsluitend door de gemeente werd uitgevoerd (Burgemeester
en Wethouders, 2017). In dezelfde periode is de toegang tot het traject
schuldhulpverlening van de gemeente overgeheveld naar de buurtteams (Buurtteam,
2017). Mensen kunnen niet voor alle zorg die valt onder de Wmo terecht b een
buurtteam. Voor hulpmiddelen zoals een rolstoel of woningaanpassingen fungeert
het Wmo-loket van de gemeente als aanspreekpunt.
De achterliggende visie van de buurtteams sluit aan b de Wmo-doelstellingen
van zelfredzaamheid en participatie. Door de gemeente Utrecht wordt deze
visie verwoord als ‘op eigen kracht en meedoen naar vermogen’ (Van Cadsand,
Vermeulen, Van der Leer, Van de Vver, Stokman, De Geus & Vink, 2013, p. 1). In
de praktk betekent dit dat sociaal werkers b een persoon met een hulpvraag
eerst moeten kken of het eigen netwerk, vrwilligers of andere basisvoorzieningen
toereikend zn. Als dit niet het geval blkt kan het buurtteam sociale basiszorg
leveren en als dat niet voldoende is regelt de sociaal werker de toegang tot
aanvullende zorg. De nadruk op eigen kracht wordt hierb gepresenteerd als manier
om te besparen op de dure aanvullende zorg (Vermeulen et al., 2015, p. 27). Het is
duidelk dat hierdoor een verschuiving plaatsvindt in de rol van de sociaal werker.
Zoals de gemeente het verwoordt:
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 21
Begeleiden en het bepalen van recht op intensievere of specialistischer zorg
gaan in Utrecht dus hand in hand. Dit betekent dat er een nieuw beroep
wordt gedaan op [sociaal werkers], die van oudsher hulpverlener en geen
poortwachter zijn. De combinatie van rollen (onderzoeker, ondersteuner,
vertrouwenspersoon cliënt en toetser van toegang) doet een groot beroep op
de professionaliteit van de [sociaal werker]. (Vermeulen et al., 2015, p. 56)
Naast de centrale visie van ‘meedoen naar vermogen’ zn in het beleid van de
gemeente nog een aantal andere uitgangspunten terug te vinden voor de Utrechtse
buurtteams. Zo moet de hulp worden georganiseerd volgens het principe één
huishouden, één plan, één regisseur (Van Cadsand et al., 2013, p. 20). De sociaal
werker moet hierb persoonlk maatwerk leveren en krgt daarin de professionele
ruimte om te ‘doen wat nodig is’ (Gemeente Utrecht, 2016, p. 9). Dit alles gebeurt
in ‘co-creatie’ met de gemeente, zorgaanbieders en andere partners (Vermeulen et
al., 2015, p. 58). Co-creatie wordt gezien als sleutelbegrip in de Utrechtse aanpak,
waarb de verdere ontwikkeling van het sociaal domein plaatsvindt in samenspraak
met relevante stakeholders zodat de gemeente van professionals leert ‘hoe het beter
kan’ (Gemeente Utrecht, 2016, p. 22).
De inrichting van het Utrechtse sociaal domein wordt door de gemeente
gepresenteerd als een goed voorbeeld, dat ‘een positief effect heeft op de burgers,
de gemeente en zorgverleners’.3 De visitatiecommissie die de samenwerkingsrelatie
tussen de gemeente en haar opdrachtnemers (waaronder de buurtteams)
beoordeelde kon niet anders dan ‘een positief verhaal’ vertellen (Smid, Verhoef &
Simons, 2016). De Utrechtse Rekenkamer plaatste wel een aantal kanttekeningen b
de veranderingen in het sociaal domein. In 2016 concludeerde de Rekenkamer dat
de gemeente in het bezuinigen op de hulp b de huishouding onvoldoende rekening
heeft gehouden met specieke behoeftes van kwetsbare cliënten (Rekenkamer
Utrecht, 2016). In een recenter onderzoek naar de zorg en ondersteuning voor
mensen met ernstige beperkingen die zelfstandig thuis wonen, ontdekte de
Rekenkamer verschillende knelpunten en benadrukte daarb dat vanuit het beleid
‘meedoen naar vermogen’ voor deze groep ‘soms een groter beroep wordt gedaan
op hun eigen kracht dan z aankunnen’ (Rekenkamer Utrecht, 2017, p. 12).
3 Omschrijving van ‘het Utrechtse Model’ op de website van de VNG, geraadpleegd van https://vng.nl
/het-buurtteam-als-spil-van-een-vernieuwd-zorgstelsel-utrecht?lipi=urn%3Ali%3Apage%3Ad_agship3
_feed%3BXuBey4JNS1ayAtWHkyUq3w%3D%3D (18 mei 2018).
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 22
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 23
3. METHODOLOGIE
Dit kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd door middel van interviews met sociaal
werkers en teamleiders van Utrechtse buurtteams. Dit hoofdstuk behandelt de
selectie van respondenten voor het onderzoek, de methode van dataverzameling en
de data-analyse.
3.1 RESPONDENTEN
De respondenten voor dit onderzoek zn geselecteerd via LinkedIn met de
zoektermen ‘buurtteammedewerker Utrecht’, ‘buurtondernemer Utrecht’ of
‘buurtteam sociaal Utrecht’ in oktober en november 2017. Uit de zoekresultaten op
LinkedIn zn respondenten gekozen op basis van de volgende selectiecriteria: een
studieachtergrond in sociaal werk (maatschappelk werk of sociaalpedagogische
hulpverlening) en minimaal vf jaar werkervaring in het sociaal domein (de
buurtteams bestaan pas sinds 2015). De uiteindelke respons voldeed aan de
criteria. Sociaal werkers en teamleiders zn vervolgens benaderd via e-mail namens
de Hogeschool Utrecht. Vier aanvullende respondenten zn benaderd via een
sociaal werker met wie contact was gezocht na verwzing door een geïnterviewde
teamleider.
Er zn acht teamleiders benaderd via e-mail. Daarop kwam er een positieve respons
van vf teamleiders, van wie er uiteindelk vier bereid waren tot een interview. Van
de overgebleven drie kwam geen respons. Uiteindelk zn vier teamleiders afkomstig
uit vier buurtteams geïnterviewd. Er zn zeventien uitvoerend sociaal werkers
benaderd; van dertien kwam een positieve respons. Twee hadden geen td voor een
interview, één was niet bereid tot een interview, van één kwam er geen respons en
één was ziek op de dag van het interview. Daarom zn er uiteindelk twaalf sociaal
werkers uit negen buurtteams geïnterviewd. In totaal is gesproken met zestien
respondenten van tien verschillende buurtteams.
Interviews sociaal werk teamleiders
Respondent Leeftijdscategorie
Opleiding
sociaal werk
Werkervaring
sociaal werk Datum interview
Teamleider 1 30-40 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar november 2017
Teamleider 2 50-60 jaar Maatschappelijk werk 25-30 jaar november 2017
Teamleider 3 40-50 jaar Maatschappelijk werk 20-25 jaar november 2017
Teamleider 4 50-60 jaar Maatschappelijk werk 25-30 jaar december 2017
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 24
Interviews sociaal werkers
Respondent Leeftijdscategorie
Opleiding
sociaal werk
Werkervaring
sociaal werk Datum interview
Sociaal werker 1 30-40 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar november 2017
Sociaal werker 2 30-40 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar november 2017
Sociaal werker 3 30-40 jaar Maatschappelijk werk
& Master Social Work
10-15 jaar november 2017
Sociaal werker 4 40-50 jaar Maatschappelijk werk 15-20 jaar november 2017
Sociaal werker 5 20-30 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar november 2017
Sociaal werker 6 20-30 jaar Maatschappelijk werk 5-10 jaar november 2017
Sociaal werker 7 40-50 jaar Sociaal pedagogische
hulpverlening
20-25 jaar november 2017
Sociaal werker 8 30-40 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar november 2017
Sociaal werker 9 40-50 jaar Sociaalpedagogische
hulpverlening
20-25 jaar december 2017
Sociaal werker 10 30-40 jaar Maatschappelijk werk 10-15 jaar januari 2018
Sociaal werker 11 50-60 jaar Maatschappelijk werk 25-30 jaar januari 2018
Sociaal werker 12 30-40 jaar Maatschappelijk werk&
Master Social Work
10-15 jaar januari 2018
3.2 DATAVERZAMELING
Met de respondenten zn semigestructureerde interviews van 60 tot 75 minuten
gehouden langs de volgende thema’s: de eigen taak of rol binnen het buurtteam, de
handelingsruimte als professional, het regelen van zorg voor de cliënt, de (nieuwe)
taken van een buurtteam, de nodige competenties om te kunnen werken binnen
een buurtteam, en de verhouding tot de gemeente en andere zorgorganisaties. Aan
elke respondent zn daarnaast dezelfde drie casussen voorgelegd met de vraag of
dergelke casussen voorkomen in de praktk en hoe er zou worden gehandeld in
een dergelke situatie. Alle casussen gaan over een belemmering in de toegang tot
zorg. De eerste casus betrof de eigen bdrage als belemmering, de tweede ging
over weigering van zorg door een specialistische organisatie en de derde beschreef
een situatie van iemand met meervoudige problematiek die meer zorg nodig heeft.
Zes van de zestien interviews zn afgenomen door meerdere onderzoekers, de
overige door één onderzoeker. Van de interviews zn audio-opnames gemaakt met
toestemming van de respondent, met uitzondering van het interview met teamleider
1, waarb de opnameapparatuur haperde; van dit interview zn aantekeningen
gemaakt. De opgenomen interviews zn getranscribeerd. De interviews met
teamleiders 2-4 en sociaal werkers 1-9 zn volledig getranscribeerd. De interviews
met sociaal werkers 10-12 zn getranscribeerd op hoofdlnen na de eerste analyse.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 25
3.3 DATA-ANALYSE
De data-analyse is uitgevoerd aan de hand van grounded theory (Charmaz,
2006), waarb de getranscribeerde interviews de eerste ingang vormen voor de
analyse. Eerst is geïnventariseerd welke belemmeringen in toegang tot zorg en
ondersteuning door de respondenten worden geconstateerd. Deze belemmeringen
zn geïdenticeerd door te kken naar werksituaties en werkprocessen die
respondenten omschrven waarin cliënten minder of moeilker toegang tot zorg
verkrgen. Omdat dit onderzoek uitgaat van belemmeringen in de toegang tot zorg
en ondersteuning die de realisatie van verschillende mensenrechten negatief kunnen
beïnvloeden, is hierb speciek gekeken naar belemmeringen die direct of indirect
het gevolg zn van lokale en nationale regelgeving en beleid.
Om de koppeling te kunnen maken met bestaande regelgeving en bestaand beleid,
is gebruikgemaakt van bestaand onderzoek over belemmeringen in de toegang
tot zorg en ondersteuning in het sociaal domein (zie Theoretisch kader 1.2.2).
Daarnaast is door middel van documentenanalyse gecontroleerd of en hoe deze
belemmeringen terug te vinden zn in het gemeentebeleid en/of in onderzoeken
naar de uitvoering van dat beleid. Vervolgens is voor elke belemmering bekeken
op wat voor manier deze zich verhoudt tot de voorwaarden die op basis van
mensenrechten worden gesteld aan publieke diensten (zie Theoretisch kader 1.2.1).
Op deze manier zn vier belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning
geïdenticeerd waarmee sociaal werkers en teamleiders in buurtteams in hun
dagelks werk te maken krgen, en die mogelk de realisatie beïnvloeden van
het recht op gezondheid, op een behoorlke levensstandaard en op sociale
zekerheid. Voor elke belemmering is daarna uitgezocht hoe de sociaal werkers en
de teamleiders hiermee omgaan. Hiervoor is gekeken naar de handelswze met
betrekking tot de belemmeringen die respondenten omschrven, oplossingen
die respondenten ervoor aandragen, meningen die respondenten erover uiten,
en interactie met de gemeente erover. Ten slotte is beoordeeld hoe de manieren
waarop met de belemmeringen wordt omgegaan de realisatie van de relevante
mensenrechten kunnen beïnvloeden, in het licht van de mensenrechtenvoorwaarden
die worden gesteld aan publieke diensten.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 26
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 27
4. BUURTTEAMS EN BELEMMERINGEN IN
TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING
Dit hoofdstuk behandelt de resultaten van het kwalitatieve onderzoek naar de
verschillende belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning die sociaal
werkers en teamleiders constateren in de praktk. Vier afzonderlke belemmeringen
zoals geconstateerd door de respondenten worden omschreven, waarb steeds
eerst wordt gekeken naar de sociaal werkers en daarna naar de teamleiders. In
de tussenconclusie wordt vervolgens geanalyseerd hoe deze belemmeringen
mogelk de realisatie beïnvloeden van het recht op gezondheid, op een behoorlke
levensstandaard en op sociale zekerheid.
Uit de interviews kunnen vier belemmeringen worden geïdenticeerd waarmee
sociale professionals te maken krgen en die invloed kunnen hebben op de toegang
tot zorg en ondersteuning in het sociaal domein. Deze belemmeringen kunnen
worden teruggevoerd tot bestaande regelgeving en bestaand beleid. De eerste
belemmering heeft te maken met de bezuinigingen in het sociaal domein. Hierdoor
moeten buurtteams behoudend zn in de doorverwzing naar de specialistische
zorg, en is er zorg b de buurtteams terechtgekomen die eerder onder de
specialistische zorg viel. De tweede belemmering betreft het zelfredzaamheidsideaal,
dat niet altd haalbaar blkt in de praktk. De derde belemmering wordt veroorzaakt
door complexiteit in regelgeving waarin cliënten vastlopen. De vierde is inherent aan
de verschillen in kennis b sociaal werkers, waardoor willekeur kan ontstaan b de
inschatting en het besluit over de zorg of ondersteuning die iemand nodig heeft.
4.1 DE BEZUINIGINGEN
De decentralisaties in het sociaal domein gingen gepaard met bezuinigingen: in
de praktk moeten gemeentes zorg en ondersteuning realiseren met gemiddeld
16 procent minder budget (Rekenkamer Utrecht, 2017, p. 55; Raad voor het
Openbaar bestuur, 2017, p. 35). Uit het beleid van de gemeente Utrecht kan
worden opgemaakt dat de toegang tot de specialistische (ofwel: aanvullende)
zorg is beperkt, om de ‘nanciële beheersbaarheid’ van zorg en ondersteuning te
bewaken (Gemeente Utrecht, 2014, p. 9). Hoewel de bezuinigingen niet letterlk in
het beleid worden vermeld, geeft de gemeente wel aan dat er ‘beheersingsrisico’s
bestaan ten aanzien van geld’, dat er b de aanvullende zorg een ‘kostenreductie’
moet plaatsvinden en dat er b de aanvullende zorg sprake is van een ‘verdeling van
schaarste’ (Gemeente Utrecht, 2014, p. 17, 36). Daarb is volgens de gemeente ‘‘de
nanciële haalbaarheid van het systeem sterk afhankelk van de effectiviteit van de
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 28
buurtteams en de doorstroom naar de Aanvullende zorg’’ (Gemeente Utrecht, 2013,
p. 43). Met het oog op ‘nanciële beheersbaarheid’ zn er belemmeringen ontstaan
in de toegang tot specialistische zorg en ondersteuning. Deze belemmeringen
werken twee kanten op. Aan de ene kant zn veel cliënten die eerder specialistische
zorg kregen, overgeheveld naar de buurtteams (Gemeente Utrecht, 2016, p. 4). Aan
de andere kant moeten sociaal werkers behoudend zn in het doorverwzen naar de
specialistische zorg (Gemeente Utrecht, 2014, p. 9).
Alle zestien respondenten benoemen deze twee belemmeringen in de toegang tot
specialistische zorg en ondersteuning b het omschrven van de uitvoeringspraktk
van sociaal werkers en teamleiders in buurtteams. Hoewel uit het beleid kan worden
opgemaakt dat de belemmeringen in de toegang tot specialistische zorg mede
zn ingegeven door kostenbesparing, leggen niet alle respondenten die link. Deze
belemmeringen komen terug in alle interviews met zowel de sociaal werkers als
de teamleiders. Slechts zes van de sociaal werkers (1, 4, 6, 9, 10, 11) maken echter
een directe koppeling met de bezuinigingen. Z geven b het omschrven van hun
taken omtrent het regelen van zorg aan dat ze zich ervan bewust zn dat dit wordt
beïnvloed door bezuinigingen: ‘Alle veranderingen zn uiteindelk natuurlk bedoeld
om te bezuinigen’ (sociaal werker 4). ‘Ik weet ook gewoon dat uiteindelk Den Haag
de opdracht aan de gemeentes heeft gegeven met driekwart van het oorspronkelke
budget’ (sociaal werker 1). Deze sociaal werkers lken zich bewust te zn van het feit
dat de bezuinigingen onderdeel zn van de context waarin z werken.
De belemmeringen in het doorverwzen naar de specialistische zorg zn inherent
aan het werk van het buurtteam. De inschatting van wat nodig is aan zorg en
ondersteuning valt niet altd naadloos samen met wat er mogelk is b het regelen
ervan in het sociaal domein. De sociaal werker speelt als poortwachter daarom een
centrale rol in het samenbrengen van de vraag van de cliënt met het zorgaanbod in
de gemeente. Tien sociaal werkers (1, 3-11) geven op verschillende manieren aan dit
spanningsveld te ervaren.
In de eerste plaats krgen buurtteams te maken met mensen die meer zorg gewend
zn, of meer zorg verwachten, dan er tegenwoordig kan worden geboden. ‘Zo’n
burger die heeft dan zoiets van: ik heb dit vier jaar lang gehad en nou krg ik het
niet meer’ (sociaal werker 3). ‘Mensen hebben vaak wel een bepaalde verwachting
van wat er allemaal kan, wat er vanuit de Wmo mogelk is […], maar dat is vaak niet
conform de werkelkheid’ (sociaal werker 9). Vervolgens moet de sociaal werker altd
op zoek naar de meest passende zorg, maar deze zorg moet tegelkertd wel het
‘goedkoopst adequate’ alternatief zn:
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 29
De klant hoeft niet zo per se bezig te zijn met wie is de aanbieder, als het maar
goed passend is. En dus wel de kritische vraag stellen van wat is er mogelijk
binnen het eigen netwerk voordat het eh... ja zo idealistisch hoeven we ook niet
te zijn: van eigen netwerk naar specialistische zorg is natuurlijk ook de stap die
duurder wordt. Dus goedkoopst adequaat is wel degelijk iets wat daarin ook
meespeelt. (sociaal werker 1)
De respondenten benoemen hierb voornamelk de noodzaak van het zoeken
naar de ‘meest passende zorg’, waarb altd eerst moet worden gekeken naar
mogelkheden binnen ‘het voorveld’ – in de vorm van het eigen netwerk en
vrwilligers of ondersteuning door het buurtteam zelf – voordat kan worden
doorverwezen naar de specialistische zorg. Twee respondenten (sociaal werkers 1, 9)
geven aan dat het hierb moet gaan om de ‘goedkoopst adequate’ oplossing. Deze
term is terug te vinden in de Wmo-regeling van de gemeente, waar dit geldt als één
van de algemene criteria voor de keuze van een persoonlke maatwerkvoorziening
(specialistische zorg):
Algemene criteria voor maatwerkvoorziening. […] Tevens wordt hier bepaald
dat wordt gekozen voor inzet van de goedkoopste adequate voorziening. Dit
betekent dat uit alle voorzieningen die als adequaat worden beoordeeld de
goedkoopste wordt verstrekt. (Verordening maatschappelke ondersteuning
Utrecht, 2016, Artikel 2.3.1)
B het zoeken naar de ‘meest passende zorg’ lkt bovendien in de lucht te hangen
dat er niet te veel moet worden doorverwezen naar de specialistische zorg. Hoewel
de gemeente de indruk wekt dat dit een expliciete opdracht was aan de buurtteams,
schnt dit in het dagelks werk meer impliciet aan de orde te komen (Gemeente
Utrecht, 2015, p. 27).4 ‘Het is niet zo dat ze zeggen, je mag niet doorverwzen
zoveel. Ik geloof wel dat het wordt bgehouden’ (sociaal werker 2). ‘Ons team doet
het wel goed daarin dus dan hebben w er wat minder last van. Maar we hebben wel
gehoord dat mensen teruggeoten zn als er te veel naar aanvullende zorg [wordt
doorverwezen]’ (sociaal werker 6).
Die terughoudendheid in de doorverwzing naar specialistische zorg wordt genoemd
door één teamleider. Deze geeft expliciet aan dat dit in de gaten wordt gehouden
door de gemeente:
4 Dit is eveneens terug te vinden in vacatures voor sociaal werkers en teamleiders waarin het buurt-
team onder andere moet sturen op ‘minder inzet van dure (2elijns) interventies’, geraadpleegd op
https://facilicom.nl/home?ct=wmdynamic&module=Wmmediamanager&mode=download&sec-
tion=2200&path=.&curle=Vacature%20buurtteammedewerkers%20febr-2016.pdf
https://facilicom.nl/var/downloads/var/mediamanager/les/uploads/Vacature%20buurtondernemer%20
04.2016.pdf (19 mei 2018).
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 30
Er wordt wel gekeken. Kijk, als mijn team en masse allemaal klanten doorstuurt
naar de gespecialiseerde zorg, dan krijg ik daar wel vragen over, van hoe kan
het nou dat je deze maand opeens dertig doorverwijzingen hebt? Is er wel de
juiste afweging gemaakt? (teamleider 4)
De belemmering in de toegang tot specialistische zorg door de overheveling van
cliënten van deze zorg naar de buurtteams, wordt genoemd door acht sociaal
werkers (1, 3, 4, 6-10). Na de transitie in 2015 is iedereen met minder dan vier uur
specialistische begeleiding onder de hoede geplaatst van een buurtteam. Deze
overheveling is bewust door de gemeente in gang gezet en is daarom ook terug
te vinden in het beleid: ‘Circa 80 procent van de klanten zn vanuit de aanvullende
zorg overgedragen naar de buurtteams’ (Gemeente Utrecht, 2016, p. 4). De
zorg en ondersteuning voor deze mensen lkt nog steeds een groot deel van
het werk uit te maken van de buurtteams, met name in wken met relatief veel
mensen met psychiatrische problematiek. ‘Er is vr rigide overgedragen. Van nul
tot vier uur moest allemaal naar het buurtteam, [maar] iemand met psychiatrische
problematiek die is niet twee jaar later, sinds-ie b het buurtteam zit, helemaal op
orde’ (sociaal werker 7). Dit betekent dat mensen die eerder terechtkonden b de
specialistische zorg hier nu geen toegang meer toe krgen en in plaats daarvan zorg
en ondersteuning krgen van het buurtteam.
Deze belemmering wordt eveneens aangehaald door twee teamleiders (3, 4):
Je had woonbegeleiding, met name woonbegeleiding die tot dan toe door
gespecialiseerde organisaties werd aangeboden. Daarvan werd een groot
gedeelte overgedragen aan het buurtteam bij de start. […] Als je naar de
verhouding kijkt: iets van 20 procent van de woonbegeleiding werd dan
voortgezet door de gespecialiseerde organisaties, maar zo'n 80 procent [...],
moest over naar het buurtteam. (teamleider 4)
Naast terughoudendheid in doorverwzen en de overheveling van cliënten naar
de buurtteams bestaat er mogelk nog een derde belemmering in de toegang tot
specialistische zorg. In de literatuur komt verhoging van eigen bdragen, mede
ingezet vanwege bezuinigingen, voor als belemmering in de toegang tot zorg en
ondersteuning (Nationale ombudsman, 2016, p. 36; Sociaal en Cultureel Planbureau,
2017, p. 15). De Utrechtse Cliëntenraad Wmo heeft signalen ontvangen dat de
eigen bdrage in Utrecht gelksoortige belemmeringen oplevert (Cliëntenraad
Wmo, 2016, p. 3). Uit de interviews ontstaat echter het beeld dat de eigen bdrage
als belemmering niet veel voorkomt, of in elk geval vanwege sociaal-economische
verschillen tussen wken niet in elke wk veel. Respondenten wekken de indruk
dat de eigen bdrage in Utrecht niet zo hoog is dat het regelmatig een drempel
opwerpt:
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 31
Zelf heb ik het zo niet meegemaakt, want de eigen bijdrage is natuurlijk
ook heel erg afhankelijk van het inkomen. Er zijn wel mensen die afzien van
specialistische begeleiding, puur alleen vanwege de eigen bijdrage. En wat doe
je dan? Ja, dan kun je niet heel veel. Nou moet ik wel zeggen, de eigen bijdrage
[…] kijk iemand met een lager inkomen betaalt hooguit 17,40 euro per maand,
ongeacht wat ze aan specialistische dagbegeleiding hebben. (sociaal werker 4)
Het beeld dat de eigen bdrage niet vaak problemen oplevert omdat deze
inkomensafhankelk is, wordt gedeeld door tien sociaal werkers (1-4, 6, 8-12). Twee
sociaal werkers waren wel van mening dat de eigen bdrage een problematische
belemmering is in de toegang tot specialistische zorg. ‘De eigen bdrage is soms
echt een beletsel voor mensen om specialistische hulp te willen hebben, of te
aanvaarden, of nog te willen hebben. Ja absoluut’ (sociaal werker 7). Mensen kiezen
hierdoor voor de basiszorg van het buurtteam terwl er eigenlk specialistische zorg
nodig is:
Heel veel mensen kiezen dan voor de basiszorg, maar eigenlijk weet je als
buurtteam dat het niet passend is, er moet specialistische zorg. Maar degene
kan het niet betalen of vindt het te veel. Wat doe je dan? Ik vind het wel een
lastige. (sociaal werker 5)
B teamleiders lkt de eigen bdrage als belemmering niet op de agenda te staan.
Alle teamleiders geven aan dat z zich hier niet mee bezighouden en vermelden
daarb dat de uitvoerend sociaal werkers hierover vast meer kunnen vertellen:
Komt dat wel eens voor? Ja. Wat wordt er dan gedaan? Geen idee. Ik weet dat
het voorkomt en de uitvoerende medewerkers kunnen vast het antwoord geven.
(teamleider 2)
Dit wekt de indruk dat teamleiders problemen met de eigen bdrage niet zien als
structurele kwestie, maar als iets wat sociaal werkers in samenspraak met cliënten
zelf dienen op te lossen.
De toegang tot specialistische zorg is onder andere beperkt met het oog op
kostenbesparing. Dit kan opgemaakt worden uit zowel het gemeentebeleid als uit
omschrvingen van de buurtteamorganisatie (Gemeente Utrecht, 2014, p. 17, 36;
Vermeulen, 2015, p. 27).5 De buurtteams fungeren hierin als goedkoper alternatief
5 Dit is eveneens terug te vinden in vacatures voor sociaal werkers en teamleiders waarin het buurt-
team onder andere moet sturen op ‘minder inzet van dure (2elijns) interventies’, geraadpleegd op
https://facilicom.nl/home?ct=wmdynamic&module=Wmmediamanager&mode=download&sec-
tion=2200&path=.&curle=Vacature%20buurtteammedewerkers%20febr-2016.pdf
https://facilicom.nl/var/downloads/var/mediamanager/les/uploads/Vacature%20buurtondernemer%20
04.2016.pdf (19 mei 2018).
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 32
voor, en toegangspoort tot, de specialistische zorg. Sociaal werkers constateren
deze belemmering in de toegang tot specialistische zorg op verschillende manieren.
Een deel van de cliënten die eerder specialistische zorg ontvingen krgen nu
ondersteuning van een buurtteam. Sociaal werkers krgen daardoor te maken met
cliënten die eerder specialistische zorg gewend waren en nu sociale basiszorg krgen
via het buurtteam. Daarnaast hebben buurtteams zelf een taak in het beperken
van toegang tot specialistische zorg, doordat er b de keuze voor de zorg moet
worden uitgegaan van het goedkoopst adequate alternatief. Dit betekent dat sociaal
werkers eerst moeten kken naar het eigen netwerk van de cliënt, voorliggende
voorzieningen en de zorg die kan worden geboden door het buurtteam voordat
er kan worden gekeken naar mogelkheden binnen de specialistische zorg. Deze
belemmeringen betekenen niet dat mensen geen toegang meer hebben tot zorg en
ondersteuning, maar wel dat de toegang tot specialistische zorg beperkter is dan
voorheen. Dit hoeft geen probleem te zn zolang mensen nog wel de zorg krgen
die ze nodig hebben. Het is niet duidelk of de alternatieven voor de specialistische
zorg hierin voldoen.
4.2 HET ZELFREDZAAMHEIDSIDEAAL
Volgens het beleid van de gemeente bepaalt de mate van zelfredzaamheid van
een persoon de toegang tot zorg en ondersteuning (Van Cadsand et al., 2013, p.
28).6 Het uitgangspunt van zelfredzaamheid hoeft op zichzelf geen belemmering
te vormen in de toegang tot zorg of ondersteuning. In het beleid komt zelfs terug
dat afnemende of beperkte zelfredzaamheid een reden is om toegang te verlenen
tot zorg en ondersteuning (Van Cadsand et al., 2013, p. 16, 22). Het wordt pas een
belemmering als mensen geen of minder toegang tot zorg en ondersteuning krgen
omdat hun zelfredzaamheid wordt overschat. De Utrechtse Rekenkamer heeft al
wel aangegeven dat er voor mensen met ernstige beperkingen die zelfstandig
thuis wonen ‘soms een groter beroep wordt gedaan op hun eigen kracht dan z
aankunnen’ (Rekenkamer Utrecht 2017, p. 12). Hoewel de respondenten dit risico
voor deze en andere groepen niet expliciet noemen, is het uit de interviews wel
duidelk dat sociaal werkers op zoek zn gegaan naar hoe ze zich het beste kunnen
verhouden tot het ‘zelfredzaamheidsideaal’.
Het uitgangspunt van zelfredzaamheid wordt aangehaald door zeven sociaal werkers
(sociaal werkers 1, 3, 4, 5, 7, 8, 12). Hierin komt naar voren dat de beleidsvisie
van ‘eigen kracht’ en ‘zelfredzaamheid’ niet altd aansluit op wat haalbaar is in de
praktk:
6 In het verleden werd hiervoor door buurtteams de zelfredzaamheidsmatrix gebruikt. Respondenten
gaven aan dat deze niet meer gebruikt wordt en dat er ten tijde van de interviews een nieuwe tool in
ontwikkeling was.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 33
Dat je daar toch wel een visie vanuit de gemeente hebt. Heel duidelijk de
burgers zelfredzamer maken […] en dan heb je de klant en moet je kijken wat
haalbaar is. Zo zie ik het meer. Want je kan het allemaal mooi roepen, maar het
is ook echt naar het individu kijken. (sociaal werker 5)
‘Dat zelfredzaamheidsideaal is gewoon niet zo. Niet iedereen is zelfredzaam en
iedereen kan door het s zakken, dat hoort een beetje b het leven’ (sociaal werker
12). Deze uitspraken wekken de indruk dat sociaal werkers een duidelke eigen
mening hebben over de haalbaarheid van het ideaal dat iedereen tot op zekere
hoogte kan worden aangesproken op zelfredzaamheid.
Eén van de teamleiders (4) bespreekt zelfredzaamheid. Deze teamleider is met name
positief over het effect hiervan op cliënten omdat het mensen minder afhankelk
maakt van zorg. Hierb word wel opgemerkt dat zorg gericht op het vergroten van
zelfredzaamheid niet per denitie goedkoper is.
De uitspraken van de respondenten over zelfredzaamheid doen vermoeden dat
de uitvoerend sociaal werkers in buurtteams weinig aansluiting vinden b het
‘zelfredzaamheidsideaal’ van de gemeente, waarb een groot beroep wordt gedaan
op de ‘eigen kracht’ van cliënten. Dit zou aan de ene kant kunnen betekenen dat
zelfredzaamheid vooral op papier een belemmering kan vormen in de toegang
tot zorg, maar dat dit meevalt in de praktk van de buurtteams. Aan de andere
kant maakt dit de toegang tot zorg wel afhankelk van hoe een individuele sociaal
werker zelfredzaamheid interpreteert. In de interviews komt niet duidelk naar voren
dat het zelfredzaamheidsideaal voor de toegang tot zorg nadelig kan uitpakken
als er meer van mensen in een kwetsbare positie wordt verwacht dan ze in de
werkelkheid aankunnen. Uit de resultaten kan daarom niet worden opgemaakt in
hoeverre de sociaal werkers zich bewust zn van dit risico in hun beoordeling van
zelfredzaamheid.
4.3 COMPLEXITEIT IN REGELGEVING
Complexe regelgeving waar cliënten in vastlopen is een terugkerend thema in de
interviews. Sociaal werkers lken dit te beschouwen als vanzelfsprekend onderdeel
van het werk: ‘Dat mensen soms geen bal meer ervan snappen van hoe alles is
geregeld qua regelgeving. Dat is 30 procent van mijn werk. En dat je dan mensen
bijstaat om gewoon mee te kunnen blijven draaien’ (sociaal werker 1).
Vanuit de gemeente heb je nog heel veel wetjes regels en mensen moeten
aan dit voldoen en dat voldoen. Het werkt niet altijd voor klanten. Dan hebben
wij op zich nog wel lijntjes met de gemeente om dingen beter uit te kunnen
leggen. (sociaal werker 4)
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 34
De complexe regelgeving die respondenten in dit kader omschrven heeft over het
algemeen echter niet direct te maken met toegang tot zorg en ondersteuning. De
lastige regelgeving die wordt aangehaald gaat meestal over moeilkheden b het
verkrgen van een bstandsuitkering of de verstrekkende gevolgen van schulden.
Wat betreft toegang tot zorg en ondersteuning bestaat er wel ingewikkelde
regelgeving die een belemmering kan zn; met name de onduidelke grenzen
tussen de Wmo en de Wlz kunnen een belemmering vormen voor mensen met
meervoudige problematiek. Hoewel deze belemmering expliciet naar voren komt
in bestaand onderzoek (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2017 p. 29;
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2017, p. 14) wordt deze slechts genoemd door
twee respondenten: één sociaal werker (1) en één teamleider (3). De teamleider
omschrft deze belemmering als voorbeeld van een onderwerp waarover wordt
gesproken met de gemeente: ‘Soms zn er doelgroepen waar bvoorbeeld geen
aanbod voor is. Een hot item is het grze gebied tussen de Wmo en de Wlz, en wat
hoort nou waar’ (teamleider 3).
De sociaal werker omschrft deze belemmering met een voorbeeld van mensen
met een dwarslaesie die zorg nodig hebben, wat onder de verschillende wetten kan
vallen:
Dat zijn mensen die maar een paar vingers kunnen bewegen maar nog wel
helemaal koppie-koppie zijn. […] De ondersteuning van [semi-zelfstandige
woningen] valt onder de Wlz. Maar omdat die mensen zelfregie hebben –
hierboven werkt alles top – daardoor valt niet alles onder de Wlz. Zodra zij
een voet buiten de deur zetten vervalt die Wlz-zorg. En dan wordt het ineens
begeleiding. Op dat moment moeten zij voor alles wat ze buiten de deur
willen gaan doen bij ons aankloppen. Maar op het moment dat iemand ook
verpleegkundige zorg buiten de deur nodig heeft, dan is het weer geen Wmo.
Dus dat soort mensen vallen onder drie – drie! – wetten. Dus die moeten voor
drie wetten iedere keer weer gesprekken voeren. Dan moeten ze iedere keer
weer opnieuw beoordeeld worden. Die hebben bijna een dagtaak alleen al
aan dat soort dingen. En vervolgens moeten ze die zorg dus bij elkaar zien te
krijgen. (sociaal werker 1)
Uit dit voorbeeld blkt dat de toegang tot zorg en ondersteuning niet alleen kan
worden bemoeilkt door onduidelk grenzen tussen de Wmo en Wlz, maar ook
door de td en moeite die het kost voor cliënten om zorg te regelen die onder
verschillende wetten valt. Wanneer een persoon met meervoudige problematiek
zorg nodig heeft die onder de Wmo de Wlz en mogelk ook de Zorgverzekeringswet
valt, dan moet voor elke soort zorg een andere instantie worden aangesproken. Wat
hierb opvalt is dat zelfs (of juist) personen met meervoudige problematiek zoals een
dwarslaesie, waarb het duidelk mag zn dat langdurige zorg noodzakelk is, met
deze belemmering te maken kunnen krgen.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 35
4.4 DE KENNIS VAN DE GENERALIST
De gemeente Utrecht heeft vanaf het begin aangestuurd op buurtteams bestaand
uit ‘hoogwaardige generalistische’ sociaal werkers (Cadsand et al., 2013, p. 10). Uit
het beleid van de gemeente valt op te maken dat de sociaal werkers een centrale
rol vervullen in ‘realisatie van kwalitatieve en betaalbare ondersteuning en zorg’ en
dat daar ‘hoogwaardige generalistische professionals’ voor nodig zn (Cadsand et al.
2013, p. 7). Dit beleid wordt door een respondent als volgt geformuleerd:
Aanvankelijk was natuurlijk bedacht op papier van, iedereen moet gewoon alles
kunnen, en dan ook nog op een hoog niveau. Want uiteindelijk wil je natuurlijk
iedereen kwaliteitszorg kunnen bieden. Want de problemen die er liggen zijn
wel van een hoog niveau. (sociaal werker 10)
Twaalf respondenten (sociaal werkers 1-12) geven aan dat er in de praktk tussen
de sociaal werkers verschillen bestaan in ervaring met, en kennis over, de diverse
doelgroepen en problematieken waarmee een buurtteam te maken krgt. Een
sociaal werker kan onmogelk alles weten van de verschillende zorgbehoeftes
waarmee mensen b een buurtteam aankloppen. Dit kan op twee manieren een
belemmeringen vormen voor de toegang tot zorg en ondersteuning. Ten eerste
kan het gebeuren dat sociaal werkers bepaalde problematieken niet herkennen en
daardoor een onjuiste inschatting maken van iemands zorgbehoefte. Ten tweede
kan een sociaal werker die meer ervaring heeft met een bepaalde problematiek
terughoudender zn in het doorverwzen naar de specialistische zorg dan een
collega die er geen of weinig ervaring mee heeft. In plaats van door te verwzen
naar de specialistische zorg leveren de sociaal werkers met meer ervaring dan zelf de
zorg. De groepen die sociaal werkers in deze context noemen zn mensen met niet-
aangeboren hersenletsel, mensen met een licht verstandelke beperking en mensen
met een (zware) psychiatrische aandoening. Een sociaal werker legt uit wat deze
diversiteit in kennis en ervaring inhoudt in de praktk:
Dit is een generalistisch team met mensen van allemaal achtergronden. En er
wordt wel verwacht dat je ineens een soort basiskennis van al die verschillende
problematiek hebt. En dat is vaak heel erg moeilijk. […] Dat houdt in dat het
heel erg van de medewerker afhankelijk is en van het team wat voor zorg de
klant kan krijgen. (sociaal werker 1)
Omdat mensen b een buurtteam binnenkomen zonder dossier, is het aan de sociaal
werker om op basis van wat h/z ziet een inschatting te maken van wat voor zorg
en ondersteuning ze mogelk nodig hebben. ‘Alles wat je hebt aan bagage is mooi
meegenomen om een goede inschatting te maken van een situatie’ (sociaal werker
5). Respondenten geven aan dat de eigen bagage niet altd voldoende is om
bepaalde problematiek te herkennen. Een respondent gaf het voorbeeld van niet-
aangeboren hersenletsel:
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 36
Het is niet altijd te herkennen. […] Soms gebeurt het dat mensen met
begeleiding van ons in dezelfde fouten vervallen of afhaken. Voordat onderkend
wordt: dit is toch iemand waar veel meer aan de hand is. (sociaal werker 9)
Aan de andere kant kunnen sociaal werkers die veel ervaring hebben met een
bepaalde problematiek juist langer wachten voordat ze iemand doorverwzen naar
de specialistische zorg. ‘Het kan ook een valkuil zn voor m, dat ik bvoorbeeld
ervaring heb met niet-aangeboren hersenletsel, dus bepaalde dingen mogelk
wel inzet, terwl de vraag is: kunnen w dat als buurtteam, niet ik als persoon’
(sociaal werker 8). Een bkomend probleem is dat sociaal werkers die voorheen in
een specialistische organisatie werkten deze kennis kwtraken wanneer ze langer
werkzaam zn als generalist:
Wat nu binnen ons team ook wel een beetje speelt is dat je een beetje de ex-
pertise kwijtraakt. Voorheen, degene die uit de ouderenzorg kwam, die hadden
daar hun contactjes, die hadden daar alle kennis, die wisten dat. Ik uit de psychi-
atrie. En op een gegeven moment verwatert dat allemaal. (sociaal werker 4)
Twee teamleiders (2, 3) bespreken de gevolgen van de verschillen in kennis tussen
sociaal werkers voor de toegang tot zorg en ondersteuning. Beide teamleiders
lken goed op de hoogte van deze belemmering. Zo geeft een teamleider aan dat
verschillen in kennis ook binnen zn buurtteam spelen:
En dan kun je je misschien wel voorstellen dat iemand die jarenlang met
lvb’ers [mensen met een licht verstandelijke beperking] heeft gewerkt bij een
beoordeling van een indicatie-aanvraag over een lvb’er langer kan zeggen van:
maar dat kan ik zelf wel. En dat geldt voor de psychiatrie... en waar je natuurlijk
naartoe moet is dat je ongeveer een gemene deler krijgt. Dat je bedenkt: ik
met mijn specialistische achtergrond zou die klant wel kunnen begeleiden, maar
zou mijn collega die uit een compleet ander werkveld komt, zou die dat ook
kunnen? Daar moet je eigenlijk naartoe. (teamleider 3)
De samenstelling van een buurtteam en de specieke ervaring en kennis van een
sociaal werker lken van invloed te zn op wat voor zorg en ondersteuning iemand
uiteindelk krgt. Met name mensen die juist vanwege hun problematiek moeilker
zelf aan kunnen geven wat nodig is, lopen zo het risico meer moeite te ervaren b de
toegang tot zorg en ondersteuning. Buurtteams lken zich hiervan bewust te zn.
4.5 TUSSENCONCLUSIE
Respondenten constateren vier belemmeringen in de toegang tot zorg en
ondersteuning die kunnen worden herleid tot bestaande regelgeving en bestaand
beleid. Ten eerste zn mede vanwege de bezuinigingen belemmeringen ontstaan in
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 37
de toegang tot specialistische zorg. Daarnaast kan de nadruk op zelfredzaamheid
een belemmering vormen in de toegang tot zorg en ondersteuning wanneer die
zelfredzaamheid hoger wordt ingeschat dan werkelk het geval is. Vervolgens
kunnen er belemmeringen ontstaan in toegang tot zorg vanwege onduidelke
grenzen tussen de Wmo en de Wlz. Ten slotte kunnen verschillen in kennis en
vaardigheden tussen sociaal werkers leiden tot belemmeringen in de toegang
tot zorg door de manier waarop zorgbehoeftes worden herkend en beoordeeld.
Alle vier de belemmeringen kunnen op bepaalde manieren invloed hebben op de
realisatie van het recht op gezondheid, op een behoorlke levensstandaard en/of
op sociale zekerheid wanneer wordt uitgegaan van de mensenrechtenvoorwaarden
die worden gesteld aan publieke diensten. Op grond van deze voorwaarden moeten
publieke diensten beschikbaar, toegankelk, aanvaardbaar en van goede kwaliteit
zn (1.2.1 Theoretisch kader). In deze tussenconclusie wordt bekeken hoe de vier
belemmeringen de realisatie van deze mensenrechten mogelk beïnvloeden,
uitgaande van deze voorwaarden. Omdat dit een analyse is van de belemmeringen
zoals geconstateerd door de respondenten, kunnen mogelke risico’s voor
mensenrechtenrealisatie alleen worden ingeschat.
Mede vanwege bezuinigingen in het sociaal domein is de toegang tot specialistische
zorg beperkt door zorg van specialistische organisaties over te hevelen naar
buurtteams, en door de buurtteams te laten fungeren als toegangspoort tot
de specialistische zorg. Dit zn geen belemmeringen in toegang die op zichzelf
mensenrechtenrealisatie in de weg staan. Mensenrechten vereisen niet per denitie
dat iedereen recht heeft op specialistische zorg en ondersteuning. Het gaat erom
dat mensen kwalitatief goede zorg en ondersteuning kunnen krgen die op basis
van hun individuele situatie noodzakelk is. Er ontstaan daarom pas risico’s voor
mensenrechtenrealisatie wanneer zou blken dat de alternatieven voor specialistische
zorg hieraan niet voldoen, of wanneer noodzakelke specialistische zorg niet langer
(voldoende) beschikbaar blkt. Uit de omschrvingen van de belemmeringen van de
respondenten kan dit niet voldoende worden opgemaakt. De resultaten suggereren
wel dat de eigen bdrage een belemmering kan vormen in de toegang tot zorg,
hoewel sociaal werkers van mening lken te verschillen over de omvang van dit
probleem. Wanneer de eigen bdrage iemand ervan weerhoudt gebruik te maken
van noodzakelke zorg, kan dit de mensenrechtenvoorwaarde van betaalbaarheid
van diensten in de weg zitten. Deze voorwaarde zou nog meer worden ondermnd
als zou blken dat de eigen bdrage structureel of voor specieke groepen een te
hoge drempel opwerpt in de toegang tot zorg en ondersteuning.
Zelfredzaamheid kan een belemmering vormen in de toegang tot zorg
en ondersteuning wanneer individuen onvoldoende zorg krgen omdat
hun zelfredzaamheid wordt overschat. Het voornaamste risico voor
mensenrechtenrealisatie ligt erin dat toegang tot zorg hierdoor wordt bemoeilkt
voor mensen in een kwetsbare positie. Dit zou ingaan tegen de voorwaarde
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 38
van toegankelkheid zonder discriminatie. Hoewel dit risico niet direct door
respondenten wordt geconstateerd, komt het wel terug in een recent onderzoek van
de Utrechtse Rekenkamer (Rekenkamer Utrecht, 2017). De belemmering in toegang
die wordt veroorzaakt door onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz brengt
hetzelfde risico voor mensenrechtenrealisatie met zich mee. Omdat juist mensen met
meervoudige problematiek vastlopen in de regelgeving, komt toegankelkheid op
basis van non-discriminatie in de knel. Gelksoortige risico’s ontstaan vanwege de
verschillen in kennis van generalistische sociaal werkers. Wanneer een sociaal werker
bepaalde problematieken niet herkent door gebrek aan kennis of ervaring, kan dit
nadelig uitpakken voor specieke groepen die hun zorgbehoeftes niet goed zelf
kunnen aangeven. Respondenten geven aan dat dit risico met name voorkomt b
mensen met niet-aangeboren hersenletsel, een licht verstandelke beperking of een
(zware) psychiatrische aandoening. Behalve het feit dat dit toegankelkheid zonder
discriminatie negatief beïnvloedt, raakt dit ook de mensenrechtenvoorwaarden
die worden gesteld aan de kwaliteit van publieke diensten. Onderdeel van goede
kwaliteit is namelk dat de professionele kennis en vaardigheden voldoende zn om
goede zorg en ondersteuning te kunnen leveren.
De geconstateerde belemmeringen in toegang tot zorg en ondersteuning kunnen
zowel afzonderlk als in combinatie mensenrechtenrealisatie beïnvloeden. Zo kunnen
de risico’s inherent aan de nadruk op zelfredzaamheid versterkt worden door de
verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers, omdat de interpretatie
van zelfredzaamheid daarvan zal afhangen. Het belang van kostenbesparing kan
in combinatie met het zelfredzaamheidsideaal en ingewikkelde regelgeving extra
drempels opwerpen in de toegang tot zorg voor specieke groepen. Tezamen
kunnen de belemmeringen zo een nadelige invloed hebben op de aanvaardbaarheid
van zorg en ondersteuning. Deze mensenrechtenvoorwaarde stelt dat er b de
invulling en uitvoering van publieke diensten rekening moet worden gehouden met
de specieke behoeftes van verschillende groepen. De mogelke drempels in de
toegang tot zorg die deze belemmeringen opwerpen voor mensen met specieke
zorgbehoeftes, kan betekenen dat de manier waarop zorg nu wordt geregeld
onvoldoende aansluit op bepaalde groepen. De invloed van de verschillende
belemmeringen op elkaar en de consequenties daarvan voor specieke groepen,
worden niet geconstateerd door de respondenten.
Belemmeringen in de toegang tot zorg die voortkomen uit beleid en regelgeving
kunnen op zichzelf risico’s met zich meebrengen voor de realisatie van specieke
mensenrechten. De manier waarop professionals omgaan met deze belemmeringen
heeft echter ook invloed op de uitwerking van deze risico’s in de praktk. In
hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de manieren waarop sociaal werkers en teamleiders
omgaan met de vier geconstateerde belemmeringen in de toegang tot zorg en
ondersteuning. De daaropvolgende tussenconclusie zal wederom bekken wat dit
kan betekenen voor mensenrechtenrealisatie.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 39
5 BUURTTEAMS EN DE OMGANG MET
BELEMMERINGEN IN TOEGANG TOT ZORG EN
ONDERSTEUNING
De sociaal werkers in een buurtteam moeten constant een balans vinden tussen de
zorg die z zelf nodig achten en de zorg die sinds de bezuinigingen in de praktk
mogelk is. Daarb moeten ze omgaan met de eigen beperkte kennis en ervaring als
generalist, en daarin het risico van willekeur in de toegang tot zorg zo veel mogelk
tegengaan. In dit alles heeft de sociaal werker ook te maken met complexiteit in
regelgeving en de praktische haalbaarheid van het zelfredzaamheidsideaal. De
respondenten omschrven verschillende manieren waarop met deze belemmeringen
wordt omgegaan. Grofweg kan worden gesteld dat ze de belemmeringen veelal
oplossen in de eigen uitvoering, en minder via contact met de gemeente. In dit
hoofdstuk zn de diverse manieren van omgang met de vier geïdenticeerde
belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning uitgewerkt. Daarb is
eerst gekeken naar de handelswze van sociaal werkers en vervolgens naar die van
de teamleiders. In de tussenconclusie wordt ingegaan op hoe de omgang met deze
belemmeringen mogelk de realisatie van de relevante mensenrechten beïnvloedt.
5.1 OMGAAN MET DE BEZUINIGINGEN
De bezuinigingen, en daarmee de belemmeringen in de toegang tot specialistische
zorg, bepalen in grote mate de context waarbinnen buurtteams moeten werken.
Sociaal werkers omschrven drie manieren waarop hiermee wordt omgegaan. In de
eerste plaats lken ze de gevolgen van de bezuinigingen te accepteren als de nieuwe
werkelkheid waartoe ze zich moeten verhouden. Tegelkertd ontwikkelen sociaal
werkers strategieën om hiermee om te gaan in het contact met de cliënt enerzds en
b het regelen van zorg voor de cliënt anderzds. Ten slotte noemen zowel sociaal
werkers als teamleiders manieren waarop hiermee kan worden omgegaan in contact
met de gemeente.
De belemmeringen in de toegang tot specialistische zorg lken door acht
respondenten te worden gezien als nieuwe status quo waarmee sociaal werkers in
buurtteams moeten leren omgaan. Deze sociaal werkers (1, 3, 4, 7, 8, 10, 12) doen
dat door de voordelen ervan in te zien, of door het niet te zien als probleem. ‘Je
merkt het [de bezuinigingen], maar ik kan m er wel in vinden’ (sociaal werker 4).
‘Goedkoopst adequaat is wel degelk iets wat [b het regelen van zorg] meespeelt.
Maar waarvan ik denk: dat hoeft elkaar niet te bten. Dat hoeft helemaal geen
probleem te zn’ (sociaal werker 1). De laagdrempeligheid en de brede en exibele
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 40
inzetbaarheid van de buurtteams ten opzichte van de specialistische zorg worden
hierb met name genoemd als voordeel:
Het voordeel van het buurtteam is: we hebben geen wachtlijsten. Er wordt van
ons verwacht dat we meteen in kunnen springen. Dat komt ook omdat je voor
ons geen indicatie nodig hebt; iemand heeft een vraag, je kan hem helpen.
Hij zit bij het buurtteam, het gaat lange tijd goed, en hij loopt weer ergens
tegenaan dat hij ook weer naar de desbetreffende medewerker kan van, ik loop
hier tegenaan. Dat je hem eigenlijk ook meteen weer kan ondersteunen daarin.
(sociaal werker 4)
Een respondent geeft daarb aan dat de buurtteams goed in staat zn om het gat te
vullen in zorg en ondersteuning dat is ontstaan door de bezuinigingen:
Bijvoorbeeld [een zorginstelling] die kwam dan één keer in de maand langs. Ja,
dat kunnen wij ook. Wij komen ook op huisbezoek, wij doen dezelfde dingen,
en dat stukje specialisme dat hebben we dan bemand doordat we hier ook
een team zijn met allemaal verschillende achtergronden. Dus dat heb je op die
manier gedekt. En die aanvullende zorg, die hoeft dan eigenlijk niet meer. Die
streep je dan weg. (sociaal werker 3)
Deze manier van omgaan met de bezuinigingen komt terug in het beleid op grond
waarvan de sociaal werker de ruimte krgt om zelf te ‘doen wat nodig is’ voor de
cliënt (Gemeente Utrecht 2016, p. 9). Tegelkertd kan er uit de omschrvingen van
vier sociaal werkers (2, 3, 6, 9) worden opgemaakt dat ze nog zoekende zn naar hoe
ze het beste kunnen omgaan met de vrheid om te bepalen wat nodig is voor de
cliënt, terwl deze vrheid tegelkertd wordt beperkt door kostenbesparing:
De mensen krijgen inderdaad wel niet meer de zorg zoals ze het gewend zijn en
soms is dat: is dat nou echt wat mensen echt nodig hebben of kunnen ze ook
met minder? Is dat ook voldoende of doen we alleen met minder omdat het een
geldkwestie is? Daar constant de balans in vinden. (sociaal werker 6)
Ondanks het feit dat sociaal werkers zich zo goed mogelk lken te schikken
in de nieuwe werkelkheid, hebben ze nog wel te maken met cliënten die
specialistische zorg willen en/of nodig hebben. Hiermee gaan ze om door middel
van verwachtingsmanagement richting de cliënt en een sterke onderbouwing van de
noodzaak van specialistische zorg richting het buurtteam.
Hoewel sociaal werkers inmiddels vertrouwd zn met de nieuwe manier van werken
binnen de Wmo, moeten cliënten hier vaak nog aan wennen. Niet iedereen die b
een buurtteam aanklopt is er meteen van overtuigd dat het goed zou zn om eerst
te kken naar het eigen netwerk en vrwilligers, daarna naar de basiszorg van het
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 41
buurtteam, en pas daarna naar specialistische zorg. In hun contact met cliënten zien
sociaal werkers zich daarom genoodzaakt om mensen in te lichten over de nieuwe
gang van zaken. ‘Door [cliënten] ook goed te informeren: dit is hoe het werkt,
dit is de manier waarop we ernaar kken en op deze manier gaan we met elkaar
in gesprek’ (sociaal werker 9). Dit verlangt een bepaalde houding van de sociaal
werker die door vier respondenten (sociaal werker 2, 3, 6, 12) wordt verwoord als
‘zakelkheid’:
Het is ook dat ik denk dat we een beetje meer naar de verzakelijking, dat het
iets zakelijker aangepakt mag, van oké, ook wat terugleggen, van het is ook je
eigen verantwoordelijkheid en wat heb je nodig om dat te kunnen dragen en
hoe pak je dat dan aan. (sociaal werker 3)
Wanneer sociaal werkers inschatten dat iemand wel degelk specialistische zorg
nodig heeft, zn er weer andere manieren waarop wordt omgegaan met de
belemmeringen in toegang. Acht respondenten (sociaal werkers 1, 3, 4, 6-8,10)
omschrven op soortgelke wze hoe z hiermee omgaan. Ten eerste is het van
belang dat je als sociaal werker het beleid, en de grenzen ervan, goed kent. ‘Om
uiteindelk die klant het beste te helpen is het wel noodzakelk dat je ook de kaders
kent. Als je dat niet kent dan kun je ook de klant ernstig tekort doen. Dat wil ik niet
hebben’ (sociaal werker 1). Wie de kaders goed kent kan daar ook creatief mee
omgaan om te zorgen dat iemand de zorg krgt die nodig is. ‘Zeggen de regeltjes
dat je het niet via rechts kan, nou dan proberen we het wel links, om uiteindelk een
oplossing te vinden’ (sociaal werker 4). Ten slotte is het nodig om dit goed te kunnen
onderbouwen binnen de maatwerkcommissie van het buurtteam. ‘Je moet gewoon
erg goed kunnen beargumenteren waarom je vindt dat iets naar aanvullende
zorg moet’ (sociaal werker 6). Of iemand toegang krgt tot specialistische zorg
is daardoor mede afhankelk van de kennis van de beleidsregels van een sociaal
werker, en van de vraag in hoeverre de sociaal werker bereid is daar creatief mee
om te gaan en hoe goed h of z dit kan verantwoorden binnen de beoordelende
commissie van het buurtteam.
Een laatste manier van omgaan met de belemmerde toegang tot de specialistische
zorg die terugkomt in de interviews is door erover in contact te treden met de
gemeente. De onderwerpen die in dit kader met de gemeente worden besproken
verschillen per respondent. Twee sociaal werkers (6, 10) noemen dat ze contact
hebben met de gemeente over onderwerpen die te maken hebben met toegang
tot specialistische zorg. Sociaal werker 10 geeft aan dat ze hierover zelf contact
heeft met de gemeente en sociaal werker 6 geeft aan dat het contact loopt via
de teamleider. Sociaal werker 10 vertelt dat ze doorlopend contact heeft met
beleidsmakers over de grenzen van het beleid over persoonsgebonden budget.
Sociaal werker 6 geeft aan dat de gemeente, via de teamleider, wordt ingelicht
over de noodzaak van specialistische zorg voor specieke groepen, zoals mensen
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 42
met niet-aangeboren hersenletsel, een licht verstandelke beperking of een (zware)
psychiatrische aandoening.
Hoewel de eigen bdrage ook een belemmering kan opwerpen in de toegang
tot specialistische zorg, lken de sociaal werkers van mening dat hier niet zoveel
aan te doen valt. Zowel de tien sociaal werkers die de eigen bdrage niet als
problematische belemmering ervaren (1-4, 6, 8-12), als de twee sociaal werkers die
het wel een probleem vinden (5, 7), geven aan dat ze niet om de eigen bdrage
heen kunnen.
We doen er eigenlijk niet zoveel mee, omdat het standaardbedragen zijn. De
eigen bijdrage wordt naar rato ingedeeld, dan kijken ze naar je inkomen. […] Dit
zijn de regels, hoe sneu het ook is. Dat is de boodschap die we geven. (sociaal
werker 10)
Vf sociaal werkers geven wel aan dat ze in sommige gevallen samen met de
cliënt naar andere oplossingen zoeken in de vorm van fondsen, een aanvullende
verzekering of een kritische blik op de nanciën van de cliënt om te kken of er toch
nog ruimte is voor de eigen bdrage.
De omgang met de bezuinigingen in het regelen van specialistische zorg voor
cliënten komt b de teamleiders niet aan de orde. Wanneer teamleiders spreken over
de gevolgen van de bezuinigingen, gaat het met name over het contact hierover
met de gemeente. Teamleider 2 noemt de noodzaak de gemeente te informeren
over het ontbreken van voorzieningen in de wk. Een andere (4) geeft aan dat het
buurtteam invloed kan uitoefenen op de specialistische zorg die de gemeente
inkoopt: ‘Kk de gemeente koopt in, en we hebben invloed op wat de gemeente
inkoopt. Dus daar kunnen we invloed uitoefenen. Zou je dit meer kunnen inkopen, of
dat je niet meer moet afnemen van deze aanbieder’ (teamleider 4). Teamleider 3 is
van mening dat het regelen van goede zorg voor mensen in de wk een samenspel is
tussen de gemeente, de specialistische zorg en de buurtteams:
Wij kunnen toch niet zonder die aanvullende zorg. Je bent dus echt op zoek
naar het samen doen. Je hebt de gemeentelijk beleidsmedewerker, je hebt de
specialistische organisaties, en ons. En daar gaan we elkaar vinden. Waar het om
gaat is dat een burger goede zorg krijgt. Dat is volgens mij, en dat zie ik iedere
dag, iets dat alle partijen wel willen. (teamleider 3)
Dit wekt de indruk dat de dagelkse omgang met de belemmeringen in de toegang
tot specialistische zorg vooral b de uitvoerend sociaal werkers ligt. De teamleiders
kken meer overkoepelend naar het beschikbare aanbod van voorzieningen en gaan
hierover in gesprek met de gemeente.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 43
De manieren waarop sociaal werkers omgaan met de belemmerde toegang tot
specialistische zorg door de bezuinigingen lkt afhankelk van de vraag met wie
hierover wordt gecommuniceerd. Naar de onderzoekers toe geeft een meerderheid
van de sociaal werkers aan dat ze zich wel kunnen vinden in de nieuwe situatie en dat
basiszorg door het buurtteam ook voordelen heeft boven de duurdere specialistische
zorg. Naar cliënten toe doen sociaal werkers aan verwachtingsmanagement over
wat er tegenwoordig nog mogelk is aan zorg en ondersteuning. Binnen het
buurtteam zelf proberen verschillende sociaal werkers toegang tot de specialistische
zorg voor elkaar te krgen door creatief om te gaan met beleid. Met de gemeente
onderhandelen sociaal werkers, en met name teamleiders, over de grenzen van het
beleid en de noodzaak van specialistische zorg.
5.2 OMGAAN MET HET ZELFREDZAAMHEIDSIDEAAL
Zelfredzaamheid is een breed begrip dat op verschillende manieren kan worden
toegepast en geïnterpreteerd. Zeven sociaal werkers (1, 3-5, 7, 8, 12) geven aan dat
het zelfredzaamheidsideaal van de gemeente niet altd haalbaar is in de praktk. De
manier waarop de respondenten daarmee omgaan, is voornamelk door een eigen
draai te geven aan het begrip zelfredzaamheid.
Ten eerste benadrukken deze zeven sociaal werkers dat het veel belangrker is om
naar het individu te kken en een inschatting te maken van wat h of z kan, dan uit
te gaan van zelfredzaamheid:
Ik heb allang het idee dat lang niet iedereen dat kan oppakken. Je maakt
sowieso per klant de inschatting van zelfredzaamheid en of iets wel kan of niet
kan. En als iemand het gewoon niet kan of niet lukt op dit moment dan is dat
ook gewoon het uitgangspunt wat ik pak en niet zeg ja je moet het wel kunnen.
Dat slaat nergens op. (sociaal werker 1)
Hierb geven de sociaal werkers aan dat het begrip zelfredzaamheid heel breed kan
worden ingevuld als per individu wordt uitgegaan van wat haalbaar is. Voor iemand
kan zelfredzaamheid al zoiets kleins zn als het aanbieden van een kopje thee (sociaal
werker 7) of naar buiten gaan (sociaal werker 8) of b het buurtteam durven vragen
om hulp met een belangrke brief (sociaal werker 5). Respondenten geven hierdoor
naar eigen zeggen zelf een interpretatie van het begrip zelfredzaamheid:
In de praktijk: wat is zelfredzaamheid? […] Dat wij daar nu zelf een eigen
interpretatie aan geven en dat dat echt klantafhankelijk is en dat men echt niet
in hele grote dingen moet denken maar in heel kleine stapjes zelfredzaamheid
moet stimuleren. Het is maar net hoe je kijkt naar het begrip. (sociaal werker 5)
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 44
Wanneer op deze manier naar zelfredzaamheid wordt gekeken, zn de respondenten
positief over de gevolgen. Met het vergroten van zelfredzaamheid en het stimuleren
van eigen kracht komen mensen er volgens de respondenten achter dat ze meer zelf
kunnen dan verwacht:
Als je ernaast zit en ze doen het zelf zijn ze wel trots op zichzelf want ze hebben
het zelf gedaan. Het trotse gevoel van de cliënt geeft zo ook wel weer eigen
kracht waardoor ze ook al groeien. (sociaal werker 4)
Het ‘vergroten van zelfredzaamheid’ wordt eveneens door teamleider 4 besproken.
Deze teamleider benoemt niet dat zn medewerkers ‘zelfredzaamheid’ op een eigen
manier interpreteren.
In tegenstelling tot de belemmeringen in toegang die het gevolg zn van de
bezuinigingen, kan er uit de interviews niet worden opgemaakt dat er met de
gemeente wordt gesproken over de haalbaarheid van het zelfredzaamheidsideaal.
Uitvoerend sociaal werkers lken een eigen opvatting te hebben over
zelfredzaamheid in de praktk, maar geen van de respondenten noemt dat dit wordt
ingebracht b de gemeente.
5.3 OMGAAN MET COMPLEXITEIT IN REGELGEVING
De onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz, en de daarb komende
worsteling voor mensen met meervoudige problematiek die zorg moeten zien
te regelen via verschillende stelsels, wordt door één sociaal werker (1) en één
teamleider (2) geïdenticeerd als probleem. Beiden geven aan dat het buurtteam
hieraan niets kan veranderen. De sociaal werker beschrft hoe het buurtteam de
nodige zorg zo goed en zo kwaad als het kan regelt binnen de huidige stelsels. De
teamleider meldt dat dit probleem wel aangekaart is b de gemeente, maar omdat
het gaat om nationale wetgeving kan de gemeente het alleen maar doorgeven aan
de centrale overheid in Den Haag:
Maar als je het hebt over Wlz, Wmo, dan hebben we een ander probleem. Dat
is niet iets stedelijks, dat kan wel een tijdje duren voordat je daar iets in de weer
krijgt. Maar dat het een probleem is dat wordt door veel gemeentes al erkend.
[…] In de politiek moet daar dus wat veranderen. (teamleider 2)
In de tussentijd moeten de buurtteams het zien op te lossen met de huidige
regelgeving en de nodige zorg proberen te regelen via de Wmo: ‘Dan doen we
het gewoon vanuit de Wmo. Of we doen het zelf of je vraagt aanvullende zorg’
(teamleider 2).
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 45
De manier waarop met deze belemmering wordt omgegaan wekt de indruk dat
buurtteams in geval van ingewikkelde (nationale) regelgeving weliswaar via de
teamleider het probleem delen met de gemeente, maar dat er in het dagelks werk
met name wordt gezocht naar manieren om de bestaande regelgeving zo werkbaar
mogelk te maken. Het is hieruit niet duidelk of sociaal werkers en/of teamleiders
het ook als hun taak zien om knelpunten in regelgeving te signaleren.
5.4 OMGAAN MET GRENZEN AAN KENNIS ALS GENERALIST
Het feit dat sociaal werkers uit buurtteams niet alles kunnen weten van de
problematieken van mensen die b hen komen, en dat dit invloed kan hebben op de
zorg die mensen krgen, lkt een aandachtspunt te zn. Veertien respondenten, van
wie twee teamleiders, omschrven verschillende manieren waarop hiermee wordt
omgegaan.
In de eerste instantie gaan sociaal werkers ermee om door zich bewust te zn van de
grenzen van hun kennis en zo nodig hulp in te roepen. Acht sociaal werkers geven
aan dat ze hiervoor samenwerken met collega’s binnen het buurtteam. ‘Samen op
huisbezoek. Kan j eens kken want ik snap dit gedrag niet? Nou dit past typisch
b dit en dit?’ (sociaal werker 3). Kennis wordt tussen collega’s gedeeld door
samen b cliënten langs te gaan en door vragen over een cliënt in te brengen b
casuïstiekbesprekingen. Dit lkt de voornaamste manier waarop binnen buurtteams
wordt omgegaan met gebrek aan individuele kennis en ervaring waardoor bepaalde
zorgbehoeftes uit beeld kunnen blven. Daarvoor is het belangrk om te weten
welke specialistische kennis en ervaring verschillende collega’s in huis hebben:
Alleen je kan nooit een echte generalist zijn. Ik kan niet van alles wat weten. Ik
moet wel weten waar ik het kan halen. Ik kom vanuit de psychiatrie, daar heb ik
heel veel verstand van. Als het gaat om ouderen, daar heb ik minder kennis van.
Ik weet wel welke collega ik daarvoor moet hebben. (sociaal werker 4)
Twee teamleiders geven aan dat z deze onderlinge uitwisseling van kennis ook van
hun medewerkers verwachten. ‘Als je een casus hebt die je lastig vindt, dan vraag
je een collega mee die meer kennis van zaken heeft’ (teamleider 3). De teamleiders
lken een goed beeld te hebben van de risico’s die gepaard gaan met gebrek aan
kennis over specieke doelgroepen en de noodzaak van samenwerking om dit zo
veel mogelk te ondervangen. Een teamleider geeft het voorbeeld van gedrag van
iemand met een verstandelke beperking dat zonder de nodige kennis verkeerd
geïnterpreteerd kan worden:
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 46
Iemand kan bijvoorbeeld een verstandelijke beperking hebben. Maar die
verbloemt dat door gewoon verbaal sterk [te doen] en alles af te houden en
alles gezeik te vinden. Als je daar nooit mee te maken hebt gehad, dan denk je
die heeft weerstand. Dat brengt iemand in casuïstiek, moet je horen, die heeft
gezeik. Als er dan niemand is die een vraag stelt van: wat is zijn niveau? Waar
komt dat afhoudende vandaan? En niet: die wil nu niet, sluiten we af. Dat zijn
wel hele belangrijke ingrediënten. Hulp roepen, mee laten kijken. Samen op
huisbezoek, samen op gesprek. (teamleider 2)
Een andere manier waarop met deze belemmering wordt omgegaan, is te erkennen
dat een team van uitsluitend generalistische sociaal werkers niet het beste middel
is om alle problematieken te herkennen van een heel diverse groep mensen in een
wk. Zoals door zeven sociaal werkers wordt omschreven zn er daarom binnen de
buurtteams allerlei manieren bedacht om specialismes te behouden of te creëren.
Dit kan bvoorbeeld door onder de sociaal werkers aandachtfunctionarissen te
benoemen: z houden informatie en kennis over een bepaald specialisme b en
delen die met de rest van het team. ‘In elk team hebben we wel iemand die daar wat
meer expertise op heeft, een aandachtfunctionaris. Daar hebben we al aan gewerkt,
dat je [een bepaalde problematiek] in ieder geval weet te herkennen’ (sociaal werker
9). Een andere manier is om thematische werkgroepen op te zetten in een buurtteam
die zich richten op specieke problematieken of soorten zorg en ondersteuning:
Het ideaal van: iedereen is op alle gebieden specialist, dat is ondertussen wel
losgelaten, want dat is gewoon niet te doen. Dus wij zijn bij ons in het team
bijvoorbeeld alweer groepjes aan het maken. Een aantal mensen die zich echt
veel bezighouden met één ding en daarin ook alle vernieuwingen bijhouden.
(sociaal werker 10)
De buurtteam-overstgende commissies die bestaan om doorverwzingen naar de
aanvullende zorg te beoordelen, worden eveneens door vier sociaal werkers (2, 4, 7,
8) aangehaald als manier om verschillen in kennis te ondervangen. Hierb gaat het er
voornamelk om dat er b de afweging van de toegang tot specialistische zorg niet
wordt uitgegaan van de individuele kennis en ervaring van een sociaal werker, maar
van de kennis en ervaring van het buurtteam als geheel.
Deze manier van omgaan met verschillen in kennis staat eveneens b een teamleider
op de agenda:
Dat je bedenkt, ik met mijn specialistische achtergrond zou die klant wel kunnen
begeleiden, maar zou mijn collega die uit een compleet ander werkveld komt,
zou die dat ook kunnen? Daar moet je eigenlijk naartoe. Om te zorgen dat
iedereen... eigenlijk zou het gewoon over te nemen moeten zijn.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 47
Iemand anders zou dat moeten kunnen. En op het moment dat dat niet het
geval is, dan zou je eigenlijk de specialistische zorg moeten inhuren.
(teamleider 3)
Deze manieren waarop intern wordt omgegaan met (gebrek aan) specialistische
kennis en ervaring wekt de indruk dat de buurtteams het beleid van een team met
‘hoogwaardig generalistische sociaal werkers’ langzaam aan het loslaten zn. Zowel
de sociaal werkers als de teamleiders lken hiervan doordrongen. De oplossingen
die worden aangedragen richten zich vooral op interne werkprocessen binnen de
buurtteams.
Naast de interne oplossingen bedachten de buurtteams, samen met de gemeente en
zorgpartners, een manier om specialisten mee te laten kken als een sociaal werker
binnen het team twfelt of specialistische zorg nodig is. Dit noemen respondenten
het ‘exibel arrangement’. Hoewel de sociaal werkers dit arrangement vooral
aanhalen als manier om makkelker te kunnen samenwerken met de specialistische
zorg, geven twee teamleiders (2, 3) aan dat dit ook dient om van specialistische
kennis gebruik te kunnen maken.
Van alles moet je een beetje weten. Dat is veel. Op z’n minst weten waar je
moet beginnen. En op z’n minst moet je weten wanneer je hulp in moet roepen.
Je wilt niet dat mensen gedupeerd worden omdat jij nalatig was of enthousiast
te veel hebt gedaan. Dus hulp inroepen bij collega’s. We hebben sociaal
raadslieden, er is een exibel arrangement waarbij we uit de tweede lijn kunnen
zeggen: willen jullie meelopen met ons. (teamleider 2)
Eén teamleider ziet dit als voorbeeld van goede samenwerking met de gemeente,
waarb beleidsmedewerkers via het buurtteam te weten komen wat er nodig is in de
praktk:
Zo’n exibel arrangement is ook zo’n mooi ding. Dat is ook vanuit de praktijk
ontstaan, met de vraag waar zit nou de grens, en weet jij het nou beter dan wij
of... nee laten we nou samen kijken. Gaandeweg is dat ontstaan. (teamleider 3)
De manieren waarop wordt omgegaan met verschillende kennisniveaus binnen
een buurtteam kunnen worden gezien als pogingen om het beleid van buurtteams
bestaand uit generalisten werkbaar te maken in de praktk, zonder dat mensen met
een zorgbehoefte worden benadeeld. Aan de ene kant worden er verschillende
manieren bedacht waarmee deels wordt afgeweken van dit beleid, aan andere kant
wordt samen met de gemeente nagedacht over extra processen die nodig zn om
het beleid het gewenste effect te laten hebben in de praktk.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 48
5.5 TUSSENCONCLUSIE
Uit de resultaten kan worden opgemaakt dat sociaal werkers en teamleiders op
verschillende manieren omgaan met de vier geïdenticeerde belemmeringen
in de toegang tot zorg en ondersteuning. Op individueel cliëntniveau lken
belemmeringen door sociaal werkers te worden geaccepteerd, wordt beleid
geherinterpreteerd of wordt gezocht naar alternatieve oplossingen. Binnen
buurtteams worden door sociaal werkers samen met teamleiders nieuwe
werkprocessen ingezet om beleid werkbaar te maken in de praktk. Daarnaast wordt
door zowel sociaal werkers als teamleiders contact gezocht met de gemeente om
belemmeringen te agenderen, beleid te interpreteren of samenwerkingsprocessen te
ontwikkelen.
De belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning brengen op
zichzelf risico’s met zich mee voor de realisatie van het recht op gezondheid,
op een behoorlke levensstandaard en op sociale zekerheid. Van de
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten worden met
name getroffen: toegankelkheid zonder discriminatie, betaalbaarheid van diensten,
kwaliteit van diensten in de vorm van kennis van professionals, en aanvaardbaarheid
van diensten in de zin dat er rekening wordt gehouden met behoeftes van
verschillende groepen. De manieren waarop sociaal werkers en teamleiders
omgaan met de belemmeringen kunnen invloed hebben op deze risico’s. In deze
tussenconclusie wordt hier op basis van de resultaten op gereecteerd.
Alle vier de belemmeringen kunnen nadelig uitpakken voor de toegang tot zorg
en ondersteuning zonder discriminatie. Dit betekent dat er een risico bestaat dat
mensen worden benadeeld in hun toegang tot zorg vanwege bepaalde kenmerken
zoals taal, sociaal-economische status, handicap of gezondheidsstatus. Dit risico lkt
inherent aan de onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz, de beperkingen
in de toegang tot de specialistische zorg, de nadruk op zelfredzaamheid, en de
verschillen in kennis tussen sociaal werkers. De grootte van dit risico kan afhangen
van de manieren waarop met deze belemmeringen wordt omgegaan.
Dat de onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz moeilkheden kunnen
veroorzaken in de toegang tot zorg voor mensen met meervoudige problematiek,
komt beperkt naar voren in de resultaten. De teamleider en sociaal werker die
deze belemmering noemen geven aan dat de buurtteams hieraan niet veel kunnen
veranderen. De teamleider meldt wel dat de gemeente van deze problemen op de
hoogte is gesteld, maar is van mening dat hieraan alleen op nationaal niveau iets
veranderd kan worden. De buurtteams lken hiermee weinig invloed te hebben
op deze belemmering, waardoor het risico van benadeling van mensen met
meervoudige problematiek blft voortbestaan.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 49
Belemmeringen in de toegang tot specialistische zorg spelen een grotere rol binnen
de buurtteams. De resultaten suggereren dat sociaal werkers zich zakelk opstellen
ten opzichte van de cliënt b het bepalen van de noodzaak tot specialistische
zorg. Dit uit zich in verwachtingsmanagement richting de cliënt, om aan te geven
dat toegang tot specialistische zorg niet langer vanzelfsprekend is. Als een sociaal
werker hierb rekening houdt met de achtergrond van de cliënt, is er minder risico
op benadeling dan wanneer een sociaal werker zich onvoldoende bewust is van de
effecten van bvoorbeeld de sociaal-economische status of beperkingen van de
cliënt als het gaat om de communicatie over zorgbehoeftes. Ditzelfde risico kan
ontstaan wanneer sociaal werkers de zelfredzaamheid van een cliënt bepalen. De
resultaten wekken de indruk dat sociaal werkers rekening houden met verschillen
tussen cliënten b het regelen van zorg en het bepalen van zelfredzaamheid. Het is
echter onvoldoende duidelk welk type kenmerken van cliënten wordt meegenomen
in besluiten. Ook is onvoldoende duidelk of dit structureel wordt aangepakt binnen
de buurtteams, of dat dit afhankelk is van de individuele beoordeling van een
sociaal werker.
De omschrvingen van respondenten doen vermoeden dat binnen buurtteams
wel op een structurele manier wordt omgegaan met verschillen in kennis tussen
sociaal werkers. De verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers over
problematieken en de daarb behorende zorgbehoeftes, kunnen ertoe leiden
dat mensen worden benadeeld in hun toegang tot zorg vanwege handicap of
gezondheidsstatus. De resultaten suggereren dat binnen buurtteams verschillende
maatregelen worden genomen om dit te ondervangen. Zo wordt van sociaal werkers
verwacht dat ze samenwerken om kennis te delen, zn er aandachtfunctionarissen
aangewezen of thematische werkgroepen opgezet in buurtteams, worden aanvragen
voor specialistische zorg beoordeeld binnen een interne commissie, en is er met
behulp van de gemeente een exibele samenwerking met de specialistische zorg
om gebruik te kunnen maken van kennis en ervaring. Hoewel de effecten van deze
maatregelen niet kunnen worden afgeleid uit de resultaten, wekt dit wel de indruk
dat zowel sociaal werkers als teamleiders zich bewust zn van dit risico en manieren
proberen te vinden om het zo veel mogelk te verkleinen.
De eigen bdrage die cliënten moeten betalen voor verschillende soorten
specialistische zorg kan als belemmering in de toegang tot zorg invloed hebben
op de mensenrechtenvoorwaarde van betaalbaarheid. De gemeente heeft voor
de eigen bdrage inkomensafhankelke bedragen vastgesteld. De resultaten doen
vermoeden dat dit niet een belemmering is waarop sociaal werkers en teamleiders
maatregelen nemen. Hoewel de respondenten deze belemmering constateren,
geven sociaal werkers aan dat er niks kan worden veranderd aan de bedragen die de
gemeente heeft bepaald. Dit lkt ook duidelke te worden gemaakt cliënten.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 50
Teamleiders merken op dat ze het aan de sociaal werkers over laten om mogelke
problemen met de eigen bdrage op te lossen. Enkele sociaal werkers omschreven
mogelke oplossingen in de vorm van fondsen of een kritische blik op de nanciële
mogelkheden van de cliënt. Hiermee blft de mogelke belemmering van de eigen
bdrage bestaan, maar wordt er buiten het beleid om naar alternatieven gezocht.
De mensenrechtelke voorwaarde van kwaliteit van publieke diensten komt met
name aan de orde met betrekking tot de professionele kennis en vaardigheden
van de sociaal werkers. Uit de resultaten komt dit het duidelkst naar voren in de
opmerkingen van de respondenten over de verschillen in kennis over, en ervaring
met, de diverse problematieken waarmee mensen aankomen b een buurtteam.
Daarnaast blkt uit de manier waarop sociaal werkers de omgang met de beperkte
toegang tot specialistische zorg omschrven dat het belangrk is goede kennis
te hebben van beleid en regelgeving om toegang tot specialistische zorg te
kunnen regelen voor cliënten. Zowel de verschillen in kennis over problematieken
als beperkingen in kennis over beleid en regelgeving, kunnen belemmeringen
veroorzaken in toegang tot zorg en ondersteuning. Zoals hierboven omschreven
lken binnen buurtteams maatregelen te zn genomen om verschillen in kennis
te ondervangen. Uit de resultaten kan alleen worden opgemaakt dat deze
maatregelen zn bedoeld om gevolgen van verschillen in kennis met betrekking
tot problematieken te verkleinen. De sociaal werkers noch de teamleiders geven
aan of en hoe kennis over beleid en regelgeving wordt gewaarborgd binnen de
buurtteams. De buurtteam-overstgende commissies die zn opgezet om aanvragen
voor specialistische zorg te beoordelen, houden mogelk rekening met gaten in
kennis over beleid, maar dit blkt niet uit de resultaten.
De diverse belemmeringen in de toegang tot zorg kunnen extra nadelig uitpakken
voor mensen met specieke zorgbehoeftes. Dit kan betekenen dat de manier
waarop zorg wordt geregeld onvoldoende aansluit op de situatie van bepaalde
groepen. Hiermee komt de mensenrechtenvoorwaarde van aanvaardbaarheid
van publieke diensten in het geding. Zowel de beperkingen in de toegang tot de
specialistische zorg, de nadruk op zelfredzaamheid, de onduidelke grenzen tussen
de Wmo en de Wlz, als de verschillen in kennis tussen sociaal werkers werpen
belemmeringen op voor mensen in kwetsbare posities. Dit kunnen mensen zn
met meervoudige problematiek die verschillende soorten zorg en ondersteuning
nodig hebben, maar ook mensen die juist vanwege hun problematiek moeilker zelf
hun zorgbehoeftes kunnen aangeven. Het risico dat het huidige systeem waarmee
toegang tot zorg en ondersteuning wordt geregeld nadelig kan uitpakken voor
mensen in kwetsbare posities, wordt niet geconstateerd door de sociaal werkers en
teamleiders. Wanneer wordt gekeken naar de manieren waarop wordt omgegaan
met de afzonderlke belemmeringen, dan kunnen er wel een aantal handelingen
worden opgemerkt die mogelk invloed hebben op dit risico.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 51
De maatregelen waarmee wordt omgegaan met verschillen in kennis omvatten
ook waarborgen voor het herkennen van specieke zorgbehoeftes. De resultaten
suggereren dat de gemeente op de hoogte wordt gesteld van de noodzaak van
specialistische zorg voor mensen met bepaalde problematieken. De effecten van
de onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz schnen ook geagendeerd te
zn b de gemeente. De meningen die sociaal werkers uiten over de nadruk op
zelfredzaamheid wekken de indruk dat er enig bewustzn bestaat van mogelke
nadelige gevolgen van dit beleid voor mensen in een kwetsbare positie. Hiermee
wordt omgegaan door zelf werkbare interpretaties van zelfredzaamheid in te zetten,
maar uit de resultaten kan niet worden opgemaakt of dit op een structurele manier
wordt aangepakt of aangekaart. Daarnaast laten de resultaten niet zien of er onder
sociaal werkers en teamleiders een bewustzn bestaat van de cumulatieve gevolgen
van de belemmeringen voor specieke groepen. Het blft daarom onduidelk of en
in hoeverre hiermee rekening wordt gehouden in de uitvoering.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 52
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 53
6. CONCLUSIE
Met de decentralisaties in het sociaal domein kregen gemeentes meer
verantwoordelkheden op het gebied van sociale zorg en ondersteuning, en werden
lokale sociale professionals bepalend voor de toegang tot zorg en ondersteuning.
Deze toegang kan worden beschouwd als belangrk onderdeel van de realisatie van
mensenrechten op lokaal niveau. In het bzonder gaat het om sociaal-economische
mensenrechten, zoals het recht op gezondheidszorg, op een behoorlke
levensstandaard en op sociale zekerheid. Omdat gemeentes nieuwe taken hebben
op dit gebied, wordt er op lokaal niveau meer invloed uitgeoefend op de manier
waarop deze rechten worden gerealiseerd. Wanneer vanwege nieuw beleid en
regelgeving belemmeringen ontstaan in de toegang tot zorg en ondersteuning,
brengt dit risico’s met zich mee voor de lokale realisatie van mensenrechten.
Deze risico’s kunnen zichtbaar worden gemaakt door te kken naar de voorwaarden
die op grond van sociaal-economische mensenrechten worden gesteld aan publieke
diensten. Deze voorwaarden houden in dat publieke diensten in voldoende mate
beschikbaar, voor iedereen toegankelk, aanvaardbaar en van goede kwaliteit
moeten zn. Lokale sociale professionals in wkteams vervullen een centrale rol
in de toegang tot zorg en ondersteuning en bepalen daardoor mede hoe deze
mensenrechten worden gewaarborgd in het sociaal domein. De realisatie van
mensenrechten op lokaal niveau kan daarmee worden gezien als een proces
dat mede wordt beïnvloed door de uitvoeringspraktk van sociaal werkers.
Dit onderzoek heeft met een focus op de toegang tot zorg en ondersteuning
bestudeerd hoe dit proces eruitziet in buurtteams (wkteams) in Utrecht. Hiervoor is
bekeken welke belemmeringen in toegang tot zorg sociaal werkers en teamleiders
constateren in de praktk, en hoe er met deze belemmeringen wordt omgegaan.
Uit de resultaten van het kwalitatieve onderzoek kunnen vier belemmeringen
in toegang tot zorg en ondersteuning worden geïdenticeerd: de toegang tot
specialistische zorg is beperkt, zelfredzaamheid kan een belemmering vormen als
deze wordt overschat, onduidelke grenzen tussen de Wmo en de Wlz creëren
drempels, en verschillen in kennis en ervaring tussen sociaal werkers werken
belemmerend als hierdoor zorgbehoeftes over het hoofd worden gezien. Uit de
resultaten kan vervolgens worden opgemaakt dat sociaal werkers en teamleiders
op verschillende manieren omgaan met de vier geïdenticeerde belemmeringen
in toegang tot zorg en ondersteuning. Zo lken belemmeringen op individueel
cliëntniveau door sociaal werkers deels te worden geaccepteerd, maar wordt beleid
ook geherinterpreteerd om het toepasbaar te maken op individuele situaties.
Daarnaast worden er binnen buurtteams nieuwe werkprocessen ontwikkeld om
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 54
beleid werkbaar te maken in de praktk. De resultaten suggereren eveneens dat
zowel sociaal werkers als teamleiders belemmeringen agenderen b de gemeente
om gezamenlk op zoek te gaan naar oplossingen.
Zowel de belemmeringen in de toegang tot zorg en ondersteuning als de
manier waarop hiermee wordt omgegaan in de praktk, brengen risico’s met
zich mee voor mensenrechtenrealisatie. Wanneer wordt gekeken naar de
mensenrechtenvoorwaarden die worden gesteld aan publieke diensten dan kunnen
met name de volgende voorwaarden in de knel komen: toegankelkheid zonder
discriminatie, betaalbaarheid van diensten, kwaliteit van diensten in de vorm van
kennis van professionals, en aanvaardbaarheid van diensten in de zin dat er rekening
wordt gehouden met behoeftes van verschillende groepen.
Door het formuleren van regelgeving en beleid schept de overheid kaders voor de
toegang tot sociale zorg en ondersteuning. Hiermee wordt een stempel gedrukt op
de realisatie van verschillende mensenrechten. Hoe deze mensenrechtenrealisatie
vervolgens tot stand komt in de praktk is afhankelk van meerdere actoren. Aan de
hand van dit onderzoek kan voorzichtig worden geconcludeerd dat sociaal werkers
de realisatie van mensenrechten zowel lken te versterken als te beperken door
de manier waarop wordt omgegaan met belemmeringen in de toegang tot zorg
en ondersteuning. Wanneer beleid dat cliënten benadeelt in de toegang tot zorg
onverkort wordt toegepast, dragen sociaal werkers in feite b aan het beperken van
mensenrechten. Aan de andere kant kunnen sociaal werkers mensenrechtenrealisatie
versterken door kritisch te staan tegenover dergelk beleid en benadeling van
cliënten tegen te gaan met eigen maatregelen en/of door de gemeente ter
verantwoording te roepen.
De resultaten van dit onderzoek suggereren dat sociaal werkers beide rollen op zich
nemen. Dit zou betekenen dat sociaal werkers kunnen worden gezien als uitvoerders
van de gemeente die nadelige aspecten van beleid laten doorwerken in de praktk,
en tegelk als belangenbehartigers van cliënten die er alles aan doen om te regelen
dat mensen toegang krgen tot de zorg die ze nodig hebben. Uit het onderzoek kan
niet worden opgemaakt waarom sociaal werkers b bepaald beleid de belangen van
de gemeente voorrang lken te geven en b ander beleid vooral rekening lken te
houden met de behoeftes van cliënten. Dit wekt de indruk dat er onder buurtteams
geen gezamenlke benadering wordt gevolgd van alle beleid en regelgeving. De
mate waarin een sociaal werker bdraagt aan mensenrechtenrealisatie wordt dan met
name afhankelk van het eigen handelen. Als een sociaal werker vervolgens wordt
gezien als mensenrechtenactor, vraagt dit om een duidelk besef van potentieel
nadelige gevolgen van beleid voor cliënten en de mogelkheid om tegen dit beleid
in te gaan.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 55
Inmiddels worden er binnen de Nederlandse context vraagtekens geplaatst
b de invloed van de gevolgen van de decentralisaties op de professionele
handelingsruimte van sociaal werkers en de mogelkheid om een positie in te
nemen ten opzichte van het nieuwe beleid (Claessen, Ekman & Lamkaddem, 2017).
Hoewel er grote verschillen bestaan tussen gemeenten blkt uit diverse onderzoeken
dat gemeenten een regierol op zich hebben genomen in de samenstelling en
werkwzen van sociale wkteams (De Waal, 2016, p. 5). Daarb hebben sociaal
werkers meer verantwoordelkheid gekregen, maar hebben ze weinig zeggenschap
over de omstandigheden waaronder deze verantwoordelkheden moeten worden
uitgeoefend (Tonkens, 2016, p. 65-66). Hiermee ontstaat een risico dat de sociaal
werker vooral als uitvoerder bezig is te zorgen dat het gemeentelk beleid de
gewenste uitwerking heeft in de praktk, of met andere woorden ‘aan het repareren
[is] wat er elders in het systeem misgaat’ (Hilhorst & Van der Lans, 2015, p. 26;
zie ook Hofs, 2017). De roep om mensenrechteneducatie voor lokale sociaal
werkers zou hierop een antwoord kunnen zn wanneer daarmee bewustzn wordt
gecreëerd van de invloed van het eigen handelen op de rechten van cliënten.
Mensenrechteneducatie kan ook kennis en vaardigheden aanreiken om een positie
te kunnen innemen over beleid en regelgeving dat de rechten van cliënten nadelig
beïnvloedt.
Dit onderzoek heeft een aantal beperkingen waardoor de resultaten niet zomaar
kunnen worden gegeneraliseerd. Ten eerste is het onderzoek enkel uitgevoerd
onder buurtteams in de gemeente Utrecht. Zowel de organisatie en inrichting van
wkteams als het lokale beleid verschilt per gemeente, zodat ook belemmeringen
in de toegang tot zorg en ondersteuning en de rol van sociale professionals tussen
gemeentes kunnen verschillen. De interviews voor dit onderzoek zn gehouden
onder sociaal werkers en teamleiders in buurtteams van november 2017 tot januari
2018. De resultaten kunnen daardoor slechts gezien worden vanuit het perspectief
van de buurtteams. Mogelke benaderingen van de overkoepelende organisatie
Incluzio, de gemeente en specialistische organisaties vallen daarmee buiten
het bereik van dit onderzoek. Dit onderzoek richt zich bovendien uitsluitend op
sociaal werkers en teamleiders en niet op burgers, zoals cliënten, vrwilligers en
mantelzorgers, die mogelk weer een andere kk hebben op belemmeringen in de
toegang tot zorg en ondersteuning en de rol van buurtteams. Om een completer
beeld te krgen van de toegang tot zorg en ondersteuning in het sociaal domein
en de gevolgen daarvan voor mensenrechtenrealisatie, zou daarom middels
vervolgonderzoek kunnen worden gekeken naar de invloed en benadering van
andere actoren dan de buurtteams en de interactie tussen de relevante parten.
Daarnaast zouden er in verder onderzoek paralellen kunnen worden getrokken
met bestaand onderzoek naar de mogelke rollen van sociaal werkers in relatie tot
regelgeving, beleid en de realisatie van mensenrechten op lokaal niveau.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 56
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 57
BIBLIOGRAFIE
Afdeling Bestuurlke, Internationale en Subsidiezaken (2011). Mensenrechten in
Utrecht Hoe geeft Utrecht invulling aan internationale mensenrechtenverdragen?
Utrecht: Gemeente Utrecht.
Allers, J. (2015). Bezuinigingen in het licht van sociale grondrechten. Nederlands
Tijdschrift voor de Mensenrechten, 40(3), 277-295.
Androff, D. (2016). Practicing Rights: Human rights-based approaches to social work
practice. New York: Routledge.
Arum, S., Schoorl, R . (2015). Sociale (buurt)teams in beeld: Stand van zaken na de
decentralisaties. Utrecht: Movisie.
Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (2016), Beknopt beroepsproel
van de maatschappelijk werker. Utrecht: BPSW.
Blake, C. (2008). Normative Instruments in International Human Rights Law: Locating
the General Comment. Center for Human Rights and Global Justice Working Paper
Number 17. New York: NYU School of Law.
Burgemeester en Wethouders (2017). Voortgangsrapportage Verbetering
dienstverlening Hulp bij het Huishouden en andere Wmovoorzieningen. Utrecht:
Gemeente Utrecht.
Buurtteam (2016). Jaarverslag Buurtteams Utrecht. Schiedam: Incluzio.
Buurtteam (2017). Het verslag van 2016: Buurtteamorganisatie Sociaal. Schiedam:
Incluzio.
Centrum voor Ethiek en Gezondheid. (2016). Samen zorgen in de wijk. Den Haag:
CEG.
Charmaz, K. (2006). Constructing Grounded Theory: A Practical Guide Through
Qualitative Analysis. London: SAGE Publications.
Claessen, D., Ekman Q.A.M., Lamkaddem, M. (2017). Hulp en recht aan de
keukentafel: De toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning volgens lokale
professionals. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 58
Cliëntenraad Wmo (2016). Eigen Bijdrage(n) bij Wmo-voorzieningen Zorgwekkende
gevolgen en Aanbevelingen voor Utrecht. Utrecht: Maatschappelk Netwerk Utrecht.
College voor de Rechten van de Mens (2014). BAAT bij mensenrechten in het sociale
domein. Utrecht: College voor de Rechten van de Mens.
College voor de Rechten van de Mens (2016). Mensenrechten in Nederland:
Jaarlijkse rapportage 2015. Utrecht: College voor de Rechten van de Mens.
College voor de Rechten van de Mens (2017). Armoede, Sociale Uitsluiting en
Mensenrechten: Jaarlijkse rapportage 2016. Utrecht: College voor de Rechten van
de Mens.
Council of Europe Congress of Local and Regional Authorities (2018). Promoting
Human Rights at the Local and Regional Level. Straatsburg: Council of Europe,
CG34(2018)10.
Destrooper, T. (2015). Uprooting the curious grapevine? The transformative potential
of of actor-center perspectives and localization in the eld of human rights. Paper
presented at the ECPR General Conference Université de Montréal, Montreal,
Canada, 26-29 augustus.
De Waal, V. (2016.) Sociale (wijk)teams onderzocht: zicht op ontwikkelingen en
knelpunten. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
Dibbets, A.M., Buyse, A.C. (2014). Kader voor de crisis: Een toetsingskader
voor overheidsmaatregelen die raken aan sociaal-economische mensenrechten.
Nederlands Juristen Blad, 38, 2703-2707.
Dibbets, A., Ekman, Q. (2017). Sociaal werk en mensenrechten. Kenniscentrum
Sociale Innovatie Hogeschool Utrecht, geraadpleegd van https://hbo-kennisbank.nl
/record/sharekit_hu/oai:surfsharekit.nl:a4a444ed-f4db-4431-8d6f-89f6a73b67ed (18
juni 2018).
Dibbets, A., Ekman, Q. (2018). Translators, Advocates or Practitioners?: Social
workers and human rights localization. Journal of Human Rights Practice
(geaccepteerd voor publicatie).
ESC-Comité (1990). General Comment No. 4: The Right to Adequate Housing (Art.
11 (1) of the Covenant). UN Doc. E/1992/23.
ESC-Comité (2008). General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9).
UN Doc. E/C.12/GC/19.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 59
ESC-Comité (2000). General Comment No. 14: The right to the highest attainable
standard of health (article 12). UN Doc. E/C.12/2005/4.
Ekman, Q. (2017). Toegang tot het recht gaat glocal. Utrecht: Hogeschool Utrecht.
FCB. (2015). Hoe Incluzio de sociale buurtteams in Utrecht inrichtte.
Ruim Baan, 18-21.
Feyter, K.D. (2010). Sites of Rights Resistance. In K.D. Feyter, S. Parmentier, C.
Timmerman, G. Ulrich (Reds.), The Local Relevance of Human Rights (p. 11-39).
Cambridge: Cambridge University Press.
Feyter, K.D. (2011). Law Meets Sociology in Human Rights. Development and
Society, 40(1) 45-68.
Gemeente Utrecht (2013). Meedoen naar Vermogen – WMO Uitvoeringsplan eerste
fase: van kaders stellen naar inrichten, naar uitvoeren. Utrecht: Gemeente Utrecht.
Gemeente Utrecht (2014). Meedoen naar Vermogen – WMO Uitvoeringsplan tweede
fase: van inrichten naar uitvoeren. Utrecht: Gemeente Utrecht.
Gemeente Utrecht (2016). Meedoen naar Vermogen Transformatieagenda 2016-2017
Maatschappelijke Ondersteuning. Utrecht: Gemeente Utrecht.
Goodale, M. (2007). Locating rights, envisioning law between the global and the
local. In M. Goodale, S.E. Merry (Reds.), The Practice of Human Rights - Tracking Law
between the Global and the Local, p. 1-38. Cambridge: Cambridge University Press.
Hartman, J., Knevel, J., Reynaert, D. (2016). Manifest: Stel mensenrechten centraal in
het sociaal werk, geraadpleegd van www.socialevraagstukken.nl/stel-mensenrechten
-centraal-in-het-sociaal-werk/ (7 juni 2018).
Hesselman, M., De Wolf, A.H., Toebes, B. (2017). International Guideposts for Socio-
Economic Human Rights in Essential Public Services Provision. In M. Hesselman,
A.H. de Wolf, B. Toebes, Socio-Economic Human Rights for Essential Public Services
Provision (p. 299-327). Londen: Routledge.
Hilhorst, P., Van der Lans, J. (2015). De dubbele revolutie van sociale wkteams.
In P. Hilhorst, J. van der Lans, Nabij is Beter: Essays over de beloften van de 3
decentralisaties (p. 20-28). Den Haag: Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 60
Hofs, J. (2017). Sociaal werkers onder gemeentelke regie: Pleidooi voor sociale
rechtvaardigheid als basisprincipe voor het sociaal werk. Journal of Social
Intervention: Theory and Practice, 26(3) 65–71.
Ieder(in). (2016). Mensen zijn op zichzelf aangewezen: Dwalen tussen wetten en
loketten. Utrecht: Ieder(in).
Jägers, N. (2013). Mensenrechten in Tijden van Economische Crisis: Het belang van
een mensenrechtenperspectief in tijden van bezuinigingen en decentralisatie. Den
Haag: Lezing ministerie van Buitenlandse Zaken.
Lane, L. (2017). Private providers of essential public services and de jure
responsibility for human rights. In M. Hesselman, A.H. de Wolf, B. Toebes, Socio-
Economic Human Rights for Essential Public Services Provision (p. 299-327). Londen:
Routledge.
Lochtenberg, M., Maarsen, S. (2015). Leid sociaal werker op als hoeder van
mensenrechten. Sozio 19(4) 42-44.
MEE NL (2016). MEE Signaal: Trend- en signaleringsrapportage 2016.
Utrecht: MEE NL.
Mensenrechtencomité (2011). General comment No. 34: Article 19. UN Doc.
CCPR/C/GC/34.
Merry, S.E. (2006). Transnational Human Rights and Local Activism: Mapping the
Middle. American Anthropologist 108(1) 38-51.
Morris, L. (2006). Rights: Sociological Perspectives. Abingdon: Routledge.
Nationale ombudsman (2016). Een onverwacht hoge rekening: Onderzoek van
de Nationale ombudsman naar de informatieverstrekking over de eigen bijdrage
ingevolge de Wmo. Den Haag: Nationale ombudsman.
Nationale ombudsman (2018). Zorgen voor burgers: Onderzoek naar knelpunten die
burgers ervaren bij de toegang tot zorg. Den Haag: Nationale ombudsman.
Oomen, B., Davis, M.F., Grigolo, M. (2016). Global Urban Justice: The Rise of Human
Rights Cities. Cambridge: Cambridge University Press.
Petrasek, D., Tom, F.E., Archer, R. (2002). Local Rule, Decentralisation and Human
Rights. Versoix: International Council on Human Rights Policy.
SOCIALE PROFESSIONALS OVER TOEGANG TOT ZORG EN ONDERSTEUNING 61
Raad voor het Openbaar bestuur (2017). Zorg voor samenhangende zorg. Over
zorgwetten die door gemeenten worden uitgevoerd. Den Haag: Raad voor het
Openbaar bestuur.
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2017). Heft in eigen hand Zorg en
ondersteuning voor mensen met meervoudige problemen. Den Haag: Raad voor
Volksgezondheid en Samenleving.
Rekenkamer Utrecht (2016). Hulp bij maatwerk: Een onderzoek naar de hulp bij het
huishouden in het kader van de Wmo 2015. Utrecht: Rekenkamer Utrecht.
Rekenkamer Utrecht (2017). Langer zelfstandig thuis wonen met ernstige
beperkingen: Rekenkameronderzoek in het kader van de Wet Maatschappelijke
Ondersteuning 2015. Utrecht: Rekenkamer Utrecht.
Reynaert, D., Nachtergaele, S. (2015). Sociaal werk is een mensenrechtenberoep:
hoeder van sociale grondrechten, geraadpleegd van http://sociaal.net/analyse-xl
/mensenrechtenberoep/ (16 maart 2018).
Smid, E., Verhoef, M., Simons, H. (2016). Een positief verhaal: Visitatie over visie,
vertrouwen en volwassen relatie. Visitatiecommissie, Utrecht: Buurtteam/Gemeente
Utrecht.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2017). Zicht op de Wmo 2015: Ervaringen van
melders, mantelzorgers en gespreksvoerders. Den Haag: Sociaal en Cultureel
Planbureau.
Staub-Bernasconi, S. (2011). Human Rights and Their Relevance for Social Work as
Theory and Practice. In L.M. Healy, R.J. Link (Reds.) Handbook of International Social
Work: Human Rights, Development, and the Global Profession (p. 30-41). Oxford:
Oxford University Press.
Teitler, J., Cuypers, C., Klever, E., Hardy, D., Steenbergen, R. (2012). Goed bezig: de
betekenis van mensenrechten voor gemeenten. Amsterdam: Amnesty International &
Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Tonkens, E. (2016). Het democratisch tekort van de decentralisaties.
In De decentralisaties in het sociaal domein: wie houdt er niet van kakelbont?
(p. 61-75). Den Haag: Transitiecommissie Sociaal Domein.
UN Human Rights Council (2015). Role of local government in the promotion and
protection of human rights – Final report of the Human Rights Council Advisory
Committee. United Nations A/HRC/30/49.
TUSSEN BURGERS EN MENSENRECHTEN 62
Van Cadsand, R., Vermeulen, A., van der Leer, M., van de Vver, O., Stokman, I.,
de Geus, G., Vink, M. (2013). Wmo kadernota: Meedoen naar vermogen. Utrecht:
Gemeente Utrecht.
Van den Berg, E., Oomen, B. (2014). Mensenrechten en lokaal beleid: Handreiking
voor beleidsmakers. Den Haag: Platform 31.
Vandenhole, W. (2012). Localizing the Human Rights of Children. In M. Liebel (Red.),
Children’s Rights From Below (p. 80-93). London: Palgrave Macmillan.
Vereniging Hogescholen (2017) Landelijk opleidingsdocument sociaal werk. Den
Haag: Landelke opleidingsoverleggen sociaal werk.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2015). Implementatieplan Sociaal Domein.
Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Vermeulen, A., Rnkels H., Riemens, M., Schutte, S. (2015). Aansluiten bij de kracht
van mensen: Utrecht vernieuwt de sociale zorg. Utrecht: Gemeente Utrecht.
Vzelman-Waarheid, I., (2017). Belemmeringen bij het regelen van zorg en
ondersteuning. Utrecht: Ieder(in).
Vonk, G. (Red.) (2016). Rechtsstatelijke aspecten van de decentralisaties in het
sociale domein. Groningen: Rksuniversiteit Groningen.
Wetenschappelke Raad voor het Regeringsbeleid (2017). Weten is nog geen doen:
Een realistische perspectief op redzaamheid. Den Haag: Wetenschappelke Raad
voor het Regeringsbeleid.
Woodiwiss, A. (2006). The law cannot be enough. In S. Meckled-García, B. Cali
(Reds.) The Legalization of Human Rights: Multidisciplinary perspectives on human
rights and human rights law (p. 32-45). New York: Routledge.
fg_ksi_r_0818_jowandehaan
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
The importance of specific professions for human rights realization is increasingly recognized. Journalists, teachers, and civil servants are all considered to play a role because their work affects individual rights. This is also the case for social workers. The connection between social work and human rights is evident in the large amount of literature explaining how human rights relate to social work. At the same time there is more attention for human rights localization. These fields of knowledge are related: social workers are local professionals and if they start applying human rights in their work this may influence human rights localization. This article contributes to existing debates on human rights localization by reflecting on the potential role of social workers in local human rights efforts in the Netherlands. Since human rights localization in general and human rights application in social work are recent phenomena in the Netherlands this provides a useful case study for a qualitative analysis on whether and how social workers can be regarded as actors in human rights localization. By connecting different actors that are said to play a role in human rights localization to proposed forms of human rights application by social workers this article identifies three possible roles for social workers in human rights localization: as human rights translators, as human rights advocates, and as human rights practitioners.
Technical Report
Full-text available
Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt gemeentelijk gefinancierde zorg pas toegekend nadat de gemeente onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke situatie van de betreffende burger. Dit heeft de rol van lokale sociale professionals drastisch veranderd: deze heeft naast zorgkennis nu ook juridische kennis nodig. Het HU-lectoraat Toegang tot het Recht heeft een verkennend onderzoek gedaan naar deze juridische competenties bij sociale professionals. In bijna 90 procent van de gemeenten zijn wijkteams opgericht die in veel gevallen het onderzoek naar de zorgvraag van burgers, bekend geworden als ‘het keukentafelgesprek’, voor de gemeente uitvoeren. De sociale professionals in deze teams moeten als poortwachter van de gemeentelijke voorzieningen kijken naar de behoeftes, mogelijkheden en omstandigheden van burgers. Dit is een grote verantwoordelijkheid, die de rechten en levens van mensen in kwetsbare posities sterk kan beïnvloeden. Sociale professionals zijn echter primair opgeleid om hun beroep uit te oefenen op basis van hulpverleningscompetenties, terwijl ze nu ook de juridische gevolgen van hun adviezen aan burgers moeten kennen. De manier waarop professionals nieuwe wet- en regelgeving begrijpen en uitvoeren, heeft invloed op de mate waarin mensen toegang hebben tot sociale voorzieningen. Dit verkennende onderzoek gaat over de juridische competenties van sociale professionals in het kader van de Wmo. Herkennen zij de juridische gevolgen van hun handelen? Hoe gaan ze om met de juridische procedure van het keukentafelgesprek? Voor dit onderzoek zijn zeven keukentafelgesprekken geobserveerd, aangevuld met individuele- en groepsinterviews met generalisten en specialisten. Uit het onderzoek blijkt dat de juridische kennis van professionals in wijkteams weliswaar groter is dan van professionals die specialistische zorg bij mensen thuis bieden, maar dat er zeker ruimte is voor verbetering. Het beleidsideaal van het versterken van de ‘eigen kracht’ van burgers gaat momenteel te weinig samen met juridische empowerment. Professionalisering van de juridische vaardigheden van sociale professionals is nodig om de gelijkwaardigheid en de rechtsbescherming van burgers te kunnen waarborgen.
Article
Full-text available
Burgers worden door de overheid bij voorkeur gezien als zelfredzaam en verantwoordelijk. Door de strengheid van regels (of de toepassing ervan) kan het niet anders of er worden groepen uitgesloten. Als iemand de formulieren niet goed begrijpt en daardoor verkeerd invult kan hem of haar dat zijn uitkering kosten. Mensen aan het loket die overstuur zijn over de zoveelste teleurstelling of afwijzing worden door mannen met een V op hun jasje “naar de uitgang begeleid”, en zij blijven dus verstoken van hulp. Het lijkt erop dat vooral modelburgers die zich op de voorgeschreven wijze gedragen welkom zijn. Maar er zijn ook mensen met verdriet, met boosheid, met teleurstellingen en frustraties. Soms hebben mensen een verstandelijke beperking, of een psychische stoornis. Juist deze mensen vallen snel buiten de boot bij een formele opstelling.In deze bijdrage bespreken we de uitdagingen die dit met zich meebrengt voor sociaal werkers die veelal werkzaam zijn in wijkteams.
Book
Full-text available
Bij mensenrechten denken we al snel aan marteling en verdwijningen in dictaturen ver weg. Maar mensenrechten gelden overal en voor iedereen. Ook hier in Nederland. Met name op lokaal niveau - daar waar mensen leven, werken en naar school gaan - moeten mensenrechten worden nageleefd en gerealiseerd. Lokale sociale problemen zoals armoede, participatie van mensen met een beperking, huiselijk geweld, discriminatie of jeugdwerkloosheid raken aan rechten en plichten uit mensenrechtenverdragen zoals het recht op een bestaansminimum, het recht op deelname aan het maatschappelijk leven, op bescherming van de lichamelijke integriteit, het discriminatieverbod of het recht op arbeid. Met de decentralisatie van essentiële voorzieningen naar lokale overheden worden mensenrechten steeds relevanter voor gemeenten.
Book
Full-text available
Cities increasingly base their local policies on human rights. Human rights cities promise to forge new alliances between urban actors and international organizations, to enable the 'translation' of the abstract language of human rights to the local level, and to develop new practices designed to bring about global urban justice. This book brings together academics and practitioners at the forefront of human rights cities and the 'right to the city' movement to critically discuss their history and also the potential that human rights cities hold for global urban justice. The book introduces the reader to an emerging trend in law and social science, with up-to-date insights from prominent authors on the phenomenon of human rights cities. Its interdisciplinary approach to the relationship between human rights and cities makes this relevant to lawyers, sociologists, urban geographers and activists. The book provides a fresh set of perspectives and theories on the potential and pitfalls of global urban justice, but also abounds with examples of the implementation of human rights cities
Chapter
Standard-setting on children’s rights and, by extension, on human rights, has traditionally been a top-down exercise. States conclude treaties, which are then to be implemented on the ground. Monitoring bodies at the UN or the regional level offer an authoritative interpretation or settle disputes.