ArticlePDF Available

Abstract

Bij het NK atletiek dat in juni in haar woonplaats Utrecht plaatsvond, werd topfavoriete Dafne Schippers op de 100 meter gediskwalificeerd wegens een valse start. Haar totale reactietijd was volgens de tijdwaarnemers 87 ms, terwijl regel 162 van het reglement van de internationale atletiekfederatie (IAAF) stelt dat iemand een valse start maakt wanneer de startblokken een totale reactietijd van minder dan 100 ms registreren. Dit bracht bij veel mensen (opnieuw) een discussie op gang over de manier waarop het oordeel 'vals' geveld wordt. Wat zeggen de huidige wetenschappelijke inzichten hierover?
42 Sportgericht nr. 4 / 2018 – jaargang 72
Bij het NK atletiek dat in juni in haar
woonplaats Utrecht plaatsvond, werd
topfavoriete Dafne Schippers op de
100 meter gediskwalificeerd wegens
een valse start. Haar totale reactietijd
was volgens de tijdwaarnemers 87 ms1,
terwijl regel 162 van het reglement
van de internationale atletiekfederatie
(IAAF)2 stelt dat iemand een valse start
maakt wanneer de startblokken een
totale reactietijd van minder dan 100 ms
registreren. Dit bracht bij veel mensen
(opnieuw) een discussie op gang over
de manier waarop het oordeel ‘vals’
geveld wordt. Wat zeggen de huidige
wetenschappelijke inzichten hierover?
Herkomst ondergrens
De totale reactietijd van 100 ms die
wordt aangehouden als ondergrens
voor een correcte start wordt idealiter
gecontroleerd door het meten van de
kracht die wordt uitgeoefend op de
startblokken.4-6 Als deze kracht eerder
dan 100 ms na het klinken van het
startschot boven een vooraf bepaalde
grenswaarde komt, geeft het systeem
aan dat er een valse start heeft plaats-
gevonden (zie figuur 1). De 100 ms
grens is gebaseerd op onderzoek uit
de jaren ’90 waarin de totale reactietijd
van acht mannelijke Finse sprinters
werd onderzocht.7 De grenswaarde
stond daarbij ingesteld op 110% van
de kracht die voorafgaand aan het
startsignaal (in de ‘klaar’ positie)
op het blok werd uitgeoefend. De
gemiddelde totale reactietijd, dat
wil zeggen de verstreken tijd tussen
het startsignaal en het overschrijden
van de grenswaarde, was 121 ms (±
14 ms) voor het voorste startbeen en
In de atletiek wordt een sprinter, die binnen 100 ms na het
klinken van het startsignaal al begonnen is met het inzetten
van de startbeweging, gediskwalificeerd wegens een valse
start. Dit leidt geregeld tot discussies. Waarom is de grens op
100 ms gesteld, is deze grens wel correct en hoe wordt een
valse start gedetecteerd?
Is ‘vals’ altijd eerlijk?
SPORTWETENSCHAP
Bas Van Hooren
Regelgeving
Voor de regelverandering in 2004 resulteerde één valse start per deelnemer slechts in een waarschuwing. Pas na een
tweede valse start door diezelfde deelnemer volgde diskwalificatie. Dit leidde er toe dat atleten soms een zogeheten
‘pikstart’ uitvoerden om op goed geluk snel weg te zijn.3 Omdat dit meerdere valse starts per serie en dus veel
oponthoud in het wedstrijdprogramma kon opleveren, werd vanaf januari 2004 de regel ingevoerd dat er per serie door
alle deelnemers samen slechts één valse start gemaakt kon worden. De eerste valse starter kreeg nog een waarschuwing,
alle volgende valse starters werden direct gediskwalificeerd. In 2010 werden de regels nog verder aangescherpt en
verdween ook die ene waarschuwing. Ook bij de eerste valse start volgde nu direct diskwalificatie. Door de strengere
regels is een correcte classificatie van een valse start zeer belangrijk geworden. Vooral de invoering van de directe
diskwalificatie in 2010 heeft gemiddeld genomen tot een toename van de reactietijden bij EK’s en WK’s atletiek geleid.4
Sportgericht nr. 4 / 2018 – jaargang 72 43
119 ms (± 11 ms) voor het achterste
startbeen (zie figuur 1). Een grens
van 100 ms zou er op basis van deze
resultaten voor moeten zorgen dat de
meeste correcte starts niet onterecht
als vals bestempeld worden, terwijl de
meeste echte valse starts wel afge-
straft worden. Bij de deelnemers aan
dit Finse onderzoek zat echter geen
enkele topsprinter. Het is in theorie
mogelijk dat topsprinters sneller re-
ageren dan subtoppers, waardoor de
ondergrens van 100 ms mogelijk niet
correct is voor gebruik bij internatio-
nale topwedstrijden. Verder werd de
reactietijd in dit onderzoek niet in een
wedstrijdsituatie gemeten, terwijl atle-
ten dan mogelijk sneller reageren door
een verhoogde alertheid en motivatie.
Een vraag die opkomt is dan ook of
het mogelijk is om binnen 100 ms te
reageren op het startsignaal.
Kan het sneller?
In theorie zou het mogelijk moeten
zijn om binnen 100 ms te reageren op
het startsignaal.6,8 Zie ter illustratie de
opeenvolgende processen tussen het
startschot en het uitoefenen van kracht
op de startblokken die schematisch
zijn weergegeven in figuur 2:
1. Wanneer een starter aan de zijkant
van de baan het startsignaal geeft,
is het signaal langer onderweg en al
meer afgezwakt in volume naarmate
de atleten zich verder van de starter
bevinden.9 Sinds de Olympische
Spelen van 2008 wordt daarom
direct achter het startblok van iedere
individuele atleet een speaker
geplaatst waaruit het startsignaal
klinkt.5 Bij een afstand van 1 meter
tussen de speaker en de oren van
de atleet zal het geluid zo’n 3 ms
onderweg zijn.
2. De tijd die het signaal nodig heeft
om van het oor naar de hersenstam
te gaan is ongeveer 10 ms.
3. Vervolgens duurt het grofweg 50-70
ms om een signaal van de hersen-
stam via het ruggenmerg naar de
spieren te sturen. Mogelijk wordt het
signaal eerst nog langs onder andere
de auditoire en de motorische schors
gestuurd voordat het naar het rug-
genmerg gaat. Bij langere atleten zal
dit proces meer tijd vergen dan bij
kortere atleten, omdat het signaal
een grotere afstand moet afleggen
naar de spieren in de ledenmaten.
Verder zal het signaal sneller de
armen bereiken dan de benen.
4. Zodra het signaal de spieren bereikt,
vinden verschillende elektroche-
mische processen plaats die zorgen
Figuur 1. De horizontale kracht (boven) en
verticale kracht (beneden) op het startblok tij-
dens een start en de contactfase van de daarop
volgende pas. PT = pretension. In deze fase heeft
de atleet al voorspanning opgebouwd om snel
te kunnen reageren op het startsignaal. Na het
klinken van het startsignaal volgt de periode van
de totale reactietijd (TRT). Als de tijd tussen het
startsignaal en het overschrijden van de drem-
pelwaarde (FTH: ‘force treshold’) minder dan
100 ms bedraagt is er een valse start geweest.
De drempelwaarde staat in dit geval 10% hoger
afgesteld dan de kracht die gemiddeld tijdens
de PT fase wordt uitgeoefend, om te voorkomen
dat kleine fluctuaties in de kracht onbedoeld voor
een overschrijding zorgen. Groen geeft een posi-
tieve horizontale kracht aan en rood een nega-
tieve (remmende) horizontale kracht. (Aangepast
overgenomen van Mero et al.7)
Figuur 2. Schematische weergave van de verschillende processen die zich voltrekken tussen het
startschot en het uitoefenen van kracht op de startblokken.
44 Sportgericht nr. 4 / 2018 – jaargang 72
voor spiercontractie. Deze processen
duren zo’n 6 ms.10
5. Tot slot is er nog een mechanische
vertraging (‘stijgtijd’) omdat de spier
en pees eerst op spanning moeten
worden gebracht alvorens ze de bot-
ten in beweging kunnen brengen. De
duur van deze vertraging is variabel
en afhankelijk van de gewrichts-
stand (en dus spierlengte) en de
voorspanning10, maar wordt in
onderzoek naar sprintstarts geschat
op 15-20 ms.6
Opgeteld komen we uit op een mini-
male reactietijd van (ongeveer) 3 + 10
+ 50 + 6 + 15 = 84 ms tussen het start-
signaal en de eerste krachtuitoefening
op de startblokken. Afhankelijk van de
grenswaarde voor de ‘extra’ kracht, die
door de atleet moet worden uitgeoe-
fend op het startblok voordat er regle-
mentair sprake is van een startbewe-
ging, komt er nog een extra vertraging
bij (stap 6; zie later).
En in de praktijk?
Recentere onderzoeken hebben aan-
getoond dat totale reactietijden onder
de 100 ms inderdaad mogelijk zijn.6,8,9
Zo vonden Pain en Hibbs6 dat één van
de negen atleten in hun onderzoek
een gemiddelde reactietijd had van 87
ms (± 4 ms), nadat twee waarschijn-
lijk valse starts verwijderd waren uit
de data-analyse. Twee andere atleten
vertoonden ook totale reactietijden
onder de 100 ms. Deze onderzoeken
hebben echter een systeem gebruikt
dat de tijd tot aan de eerste verandering
in de horizontale kracht op de blok-
ken registreerde (stap 1 t/m 5 in figuur
2) en niet de tijd om een bepaalde
grenswaarde te bereiken (stap 1 t/m
6), zoals momenteel gebruikt wordt in
door de IAAF goedgekeurde startsy-
stemen.11 Wanneer er wel een grens-
waarde voor kracht werd gebruikt,
nam de totale reactietijd toe met ge-
middeld 26 ms.6
In een ander onderzoek door Komi
en collega’s8, uitgevoerd bij vier
mannelijke en drie vrouwelijke Finse
sprinters van nationaal niveau, werd
ook bevestigd dat de eerste kracht
op de blokken gemiddeld genomen
binnen 100 ms uitgeoefend werd.
Wanneer de grens waarmee het begin
van de start wordt bepaald op een
absolute waarde van 25 kg werd
gezet (oude IAAF richtlijn), nam de
gemiddelde reactietijd toe met 35
ms. Er waren echter nog steeds drie
atleten die binnen 100 ms na het
startsignaal die 25 kg grens bereikt
hadden.8 Volgens de richtlijn zouden
deze atleten dus als valse starters
aangemerkt worden.
Fysiologisch gezien zijn reactietij-
den sneller dan 100 ms dus mogelijk
wanneer er een grenswaarde van 25
kg overschreden moet worden. De
betrokken onderzoekers bevolen dan
ook aan om de ondergrens voor de
totale reactietijd naar beneden aan te
passen, om snelle starters niet ten on-
rechte als valse starters aan te merken.
Deze aanbeveling had echter specifiek
betrekking op de door hen geteste
systemen en werd alleen gedaan voor
mannen. Er zijn namelijk aanwijzin-
gen dat reactietijden verschillen tussen
mannen en vrouwen4,5, waardoor de
op mannelijke sprinters gebaseerde
grens niet correct is voor vrouwen.
Weliswaar zorgen de gemiddeld kor-
tere ledenmaten van vrouwen er voor
dat hun spieren iets eerder worden
geactiveerd (stap 3), maar omdat zij –
waarschijnlijk als gevolg van hun klei-
nere spiermassa – niet zo snel kracht
kunnen produceren als mannen, heb-
ben zij uiteindelijk meer tijd nodig om
een bepaald absoluut krachtniveau te
bereiken.5,8,11
Ieder systeem een andere
grenswaarde?
Er zijn diverse door de IAAF goed-
gekeurde startsystemen op de markt.
Een wedstrijdorganisator kan daar vrij
uit kiezen. Ieder systeem gebruikt een
(iets) andere methode om te bepalen
of er een valse start heeft plaatsgevon-
den.6 Een Seiko systeem gebruikte in
het verleden bijvoorbeeld krachtsen-
soren met een grenswaarde van 20 kg.
Er is ook een Seiko systeem dat valse
starts detecteert aan de hand van de
snelheid waarmee de krachtcurve
stijgt. Het Lynx systeem gebruikt een
versnellingsmeter aan de achterkant
van de startblokken en hanteert een
ongepubliceerde grenswaarde om te
bepalen wanneer de startbeweging is
ingezet. Deze technische verschillen
kunnen ertoe leiden, dat dezelfde re-
actietijd van een atleet (stap 1 t/m 5 in
figuur 2) een andere totale reactietijd
(stap 1 t/m 6) oplevert. Dus in theorie
kan het ene systeem de start als ‘vals’
detecteren (totale reactietijd < 100 ms),
terwijl het andere systeem de start wel
als correct beschouwt. Zie hierover ook
het eerdere Sportgericht artikel ‘Maakte
Drummond een valse start?’12 uit 2004
(zie kader).
Het artikel ‘Maakte Drummond een
valse start?’12 is te downloaden op
de Sportgericht website: www.
sport-gericht.nl/archief/de-selectie/ .
Sportgericht nr. 4 / 2018 – jaargang 72 45
Hogere grenswaarde?
De systemen die bij de EK’s en WK’s
atletiek gebruikt worden zijn van de
merken Seiko en OMEGA.4,11 De pre-
cieze methode waarmee deze syste-
men een valse start detecteren is niet
gepubliceerd en wordt bij navraag ook
niet publiek gemaakt.5,11 Daarom is
het helaas niet mogelijk om na te gaan
of een reglementaire start met een re-
actietijd < 100 ms mogelijk is. Systema-
tische analyses van de reactietijden bij
EK’s, WK’s en Olympische spelen to-
nen echter aan dat vrijwel geen enkele
atleet in de buurt komt van de 100 ms
grens.5,11 Alle atleten zitten ‘ruim’
boven deze grens, met een mediane
totale reactietijd van 156 ms en 159
ms voor mannen en 161 ms en 164 ms
voor vrouwen bij respectievelijk EK’s
en WK’s in de periode 1999-2014.4
Waarschijnlijk komt dit doordat de
grenswaarde voor de kracht die moet
worden overschreden hoger dan 25 kg
staat ingesteld, waardoor stap 6 langer
duurt. Bij deze hogere grenswaarde is
het vrijwel zeker dat een ‘reactietijd’
< 100 ms duidt op een valse start.5 NB
Reactietijd staat hier tussen aanha-
lingstekens, omdat in dit geval geen
sprake zou kunnen zijn van een daad-
werkelijke reactie op het startsignaal.
Conclusie
Voor mannen is het mogelijk om te
starten met een totale reactietijd van
minder dan 100 ms als voor de hori-
zontale kracht die wordt uitgeoefend
op het startblok een grenswaarde van
25 kg wordt gehanteerd. Het is echter
niet bekend welke grens in het kracht-
signaal overschreden moet worden om
te spreken van een valse start volgens
de officiële IAAF richtlijnen. Gezien de
totale reactietijden op grote toernooien,
die doorgaans ‘ruim’ boven de 100 ms
liggen, is het waarschijnlijk dat 1) de
ingestelde grenswaarde hoger ligt dan
25 kg en 2) dat een reactietijd binnen
100 ms duidt op een valse start.
Wat betekent dit voor de start van
Dafne Schippers op het NK? Als de
gerapporteerde totale reactietijd van
87 ms klopt en als de grenswaarde
voor de horizontale kracht hetzelfde
stond ingesteld als bij de internationale
toernooien waaraan zij deelneemt, dan
lijkt het helaas voor Schippers een te-
rechte diskwalificatie te zijn geweest.
Atleten die gaan
deelnemen aan
een internati-
onaal toernooi
doen er wel-
licht verstandig
aan om in de
voorbereiding te
trainen met het
startsysteem dat
daar gebruikt
zal worden.
Mogelijk kan dit
de kans op een
diskwalificatie wegens een valse start
verkleinen.
EK finales
Gelukkig speelde het startblok Dafne
geen parten tijdens het EK Atletiek in
Berlijn. Zij wist zich duidelijk te verbe-
teren ten opzichte van het tot dan toe
moeizaam verlopen seizoen en won
2x zilver (200m en 4x100m estafette,
waarop zij ook startloopster was) en 1x
brons (100m). De reactietijden van alle
deelneemsters aan deze drie finales
staan weergegeven in figuur 3. De tij-
den van Dafne zijn oranje gemarkeerd.
Er waren geen valse starts en geen van
de deelneemsters kwam in de buurt
van de drempelwaarde van 100 ms.
Referenties
1.
Lakerveld E van (2018). Schippers gedis-
kwalificeerd na valse start op het NK atletiek.
Volskrant, 22 juni 2018.
2.
IAAF (2017). Competition Rules 2018-2019.
3.
Loo H van der (1999). Pikstart. Richting Sport-
gericht, 53 (2), 4-5.
4.
Brosnan KC et al. (2017). Effects of false-start
disqualification rules on response-times of elite-
standard sprinters. Journal of Sports Sciences, 35
(10), 929-935.
5.
Lipps DB et al. (2011). On the implications
of a sex difference in the reaction times of
sprinters at the Beijing Olympics. PloS One, 6
(10), e26141.
6.
Pain MT & Hibbs A (2007). Sprint starts and
the minimum auditory reaction time. Journal of
Sports Sciences, 25 (1), 79-86.
7.
Mero A & Komi PV (1990). Reaction time
and electromyographic activity during a sprint
start. European Journal of Applied Physiology and
Occupational Physiology, 61 (1-2), 73-80.
8.
Komi PV et al. (2009). IAAF sprint start
research project: Is the 100ms limit still valid?
New Studies in Athletics, 24 (1), 37-47.
9.
Brown AM et al. (2008). “Go” signal intensity
influences the sprint start. Medicine & Science in
Sports & Exercise, 40 (6), 1142-1148.
10.
Van Hooren B & Bosch F (2016). Influence
of muscle slack on high-intensity sport
performance. Strength and Conditioning Journal,
38 (5), 75-87.
11.
Shahshahani PM et al. (2018). On the
apparent decrease in Olympic sprinter reaction
times. PloS One, 13 (6), e0198633.
12.
Loo H van der (2004). Maakte Drummond
een valse start? Sportgericht, 58 (3), 4-7.
Over de auteur
Bas Van Hooren heeft zijn bachelor
behaald aan Fontys Sporthogeschool
in Eindhoven en zijn master bewe-
gingswetenschappen aan de Universi-
teit Maastricht. Hij is op freelance basis
werkzaam als sportwetenschappelijk
adviseur en fysieke trainer. Tevens is hij
atleet, vaste medewerker van Sportge-
richt en bezig met het voorbereiden
van zijn promotieonderzoek aan de
Universiteit Maastricht. E-mail: basvan-
hooren@hotmail.com, website: basvan-
hooren.com.
Figuur 3
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
Reaction times of Olympic sprinters provide insights into the most rapid of human response times. To determine whether minimum reaction times have changed as athlete training has become ever more specialized, we analyzed the results from the Olympic Games between 2004 and 2016. The results for the 100 m and 110 m hurdle events show that minimum reaction times have systematically decreased between 2004 and 2016 for both sexes, with women showing a marked decrease since 2008 that eliminated the sex difference in 2012. Because overall race times have not systematically decreased between 2004 and 2016, the most likely explanation for the apparent decrease in reaction times is a reduction in the proprietary force thresholds used to calculate the reaction times based on force sensors in starting blocks—and not the result of more specialized or effective training.
Article
Full-text available
Rapid force development is of paramount importance for most sports. An often overlooked performance limiting factor is muscle slack, which is represented by the delay between muscular contraction and recoil of the series elastic elements. We will review acute and long-term effects of applying cocontractions, countermovements (CMs), and external load on muscle slack. Coconstractions may be an effective solution to reduce the degree of muscle slack. Moreover, CMs and external load may negatively inflluence the capability to develop cocontractions and hence may be detrimental to high-intensity sport performance that is usually performed with little or no external load.
Article
Full-text available
Eight male sprinters were filmed running three maximal starts over 3 m on a long force platform. The subjects were divided into two groups (n = 4) according to the leg on which the electromyograph (EMG) electrodes were fixed. When in the set position one group had electrodes on the front leg (FLG) and the other group on the rear leg (RLG). The EMG activities of the gastrocnemius caput laterale muscle (GA), vastus lateralis muscle (VL), biceps femoris caput longum muscle (BF), rectus femoris muscle (RF) and gluteus maximus muscle (GM) were recorded telemetrically using surface electrodes. Total reaction time (TRT) was defined as the time from the gun signal until a horizontal force was produced with a value 10% above the base line. Pre-motor time was defined as the time from the gun signal until the onset of EMG activity and motor time (MT) as the time between the onset of EMG activity and that of force production. Reproducibility of the reaction time variables was satisfactory (r = 0.79-0.89; coefficient of variation = 8.8%-11.6%). The TRT was 0.121 s, SD 0.014 in FLG and 0.119 s, SD 0.011 in RLG. The MT ranged from 0.008 s, SD 0.009 (GM) to 0.057 s, SD 0.050 (GA) in FLG and from 0.018 s, SD 0.029 (GA) to 0.045 s, SD 0.009 (GM) in RLG. In some individual cases there were no MT values before horizontal force production.(ABSTRACT TRUNCATED AT 250 WORDS)
Article
Full-text available
Elite sprinters offer insights into the fastest whole body auditory reaction times. When, however, is a reaction so fast that it represents a false start? Currently, a false start is awarded if an athlete increases the force on their starting block above a given threshold before 100 ms has elapsed after the starting gun. To test the hypothesis that the fastest valid reaction times of sprinters really is 100 ms and that no sex difference exists in that time, we analyzed the fastest reaction times achieved by each of the 425 male and female sprinters who competed at the 2008 Beijing Olympics. After power transformation of the skewed data, a fixed effects ANOVA was used to analyze the effects of sex, race, round and lane position. The lower bounds of the 95, 99 and 99.9% confidence intervals were then calculated and back transformed. The mean fastest reaction time recorded by men was significantly faster than women (p<0.001). At the 99.9% confidence level, neither men nor women can react in 100 ms, but they can react in as little as 109 ms and 121 ms, respectively. However, that sex difference in reaction time is likely an artifact caused by using the same force threshold in women as men, and it permits a woman to false start by up to 21 ms without penalty. We estimate that female sprinters would have similar reaction times to male sprinters if the force threshold used at Beijing was lowered by 22% in order to account for their lesser muscle strength.
Article
The 100 ms ruling for false start disqualification at athletic competitions governed by the International Association of Athletics Federations has been in force since the early 1990s. Throughout this period, there have been marked changes to the rules that govern the disqualification of athletes from sprint events incorporating starts from blocks. This study analysed all available World and European Championship response-time (RT) data from 1999 to 2014 to examine effects of rule changes on competition RT at major championships. The exponentially modified Gaussian distribution was used to model RT and make comparisons relative to athletes’ sex, ruling periods and competition rounds. Revised RT thresholds of 115 ms and 119 ms were identified for men and women, respectively, indicating that the current 100 ms rule could result in some false starts not being detected in competitive athletics. The study proposes that when using existing International Association of Athletics Federations approved systems, the false start detection threshold should be increased and that men and women athletes should have different thresholds because of substantial evidence of a sex-based difference in RT in elite-standard athletes.
Article
Loud sounds can decrease reaction time (RT) and increase force generated during voluntary contractions. Accordingly, we hypothesized that the loud starter's pistol at the Olympic Games allows runners closer to the starter to react sooner and stronger than runners farther away. RT for the 100/110 m athletics events at the 2004 Olympics were obtained from International Association of Athletics Federations archives and binned by lane. Additionally, 12 untrained participants and four trained sprinters performed sprint starts from starting blocks modified to measure horizontal force. The "go" signal, a recorded gunshot, was randomly presented at 80-100-120 dB. Runners closest to the starter at the Olympics had significantly lower RT than those further away. Mean RT for lane 1 (160 ms) was significantly lower than for lanes 2-8 (175 +/- 5 ms), and RT for lane 2 was significantly lower than that for lane 7. Experimentally, increasing "go" signal intensity from 80-100-120 dB significantly decreased RT from 138 +/- 30 to 128 +/- 25 to 120 +/- 20 ms, respectively. Peak force was not influenced by sound intensity. However, time to peak force was significantly lower for the 120 dB compared to the 80-dB "go" signal for untrained but not trained participants. When a startle response was evoked, RT was 18 ms lower than for starts with no startle. Startle did not alter peak force or time to peak force. Graded decreases in RT may reflect a summation-mediated reduction in audiomotor transmission time, whereas step-like decreases associated with startle may reflect a bypassing of specific cortical circuits. We suggest that procedures presently used to start the Olympic sprint events afford runners closer to the starter the advantage of hearing the "go" signal louder; consequently, they react sooner but not more strongly than their competitors.
Schippers gediskwalificeerd na valse start op het NK atletiek
  • E Lakerveld
  • Van
Lakerveld E van (2018). Schippers gediskwalificeerd na valse start op het NK atletiek. Volskrant, 22 juni 2018.
Sprint starts and the minimum auditory reaction time
Pain MT & Hibbs A (2007). Sprint starts and the minimum auditory reaction time. Journal of Sports Sciences, 25 (1), 79-86.
Maakte Drummond een valse start? Sportgericht
  • Loo H Van Der
Loo H van der (2004). Maakte Drummond een valse start? Sportgericht, 58 (3), 4-7.