ChapterPDF Available

Ponsaers, P. (2017). “De politieke ambities bij de invoering van het verbod op private milities in België: Een historische inkijk”, in Bijleveld, C., Van der Laan, P. (eds.). Liber Amicorum Gerben Bruinsma, Den Haag: Boom, 257-265.

Authors:

Abstract

Inleiding De opdracht van de politie wordt vandaag in toenemende mate door diverse actoren uitgeoefend. " Politie " transformeert naar " Policing ". De geüniformeerde politie is partner geworden van vele instanties, niet in het minst omdat het besef gegroeid is dat de politie alleen niet alle verwachtingen kan inlossen van de bevolking. De politie functioneert in een breed netwerk van allerhande actoren. Anderzijds rest er toch iets donkerblauw dat de politie niet kan, zelfs niet mag, delen met anderen. Het gaat met name om het verbod dat van overheidswege werd opgelegd en wordt aangehouden om het legaal en legitiem geweldsmonopolie te doorbreken? Deze bijdrage gaat over dit centrale politieke vraagstuk, met name waar dit verbod vandaan komt en hoe dit vanuit historisch oogpunt werd beargumenteerd. We gaan hiervoor terug naar het verbod op " private milities " in België, het spiegelbeeld van de Nederlandse " weerkorpsen " 2. Onder " private milities " wordt in de Belgische wet ter zake bedoeld: " Elke organisatie van private personen waarvan het oogmerk is geweld te gebruiken of het leger of de politie te vervangen, zich met dezer actie in te laten of in hun plaats op te treden " 3. We willen de lezer een duidelijk inzicht verschaffen in de wijze waarop de overheid een politieke visie ontwikkelde inzake " private milities ". Dit artikel is dan ook evident historisch van aard.
1
De politieke ambities bij de invoering van het verbod op private milities in
België - Een historische inkijk
Paul Ponsaers1
Inleiding
De opdracht van de politie wordt vandaag in toenemende mate door diverse actoren
uitgeoefend. “Politie” transformeert naar “Policing”. De geüniformeerde politie is partner
geworden van vele instanties, niet in het minst omdat het besef gegroeid is dat de politie
alleen niet alle verwachtingen kan inlossen van de bevolking. De politie functioneert in een
breed netwerk van allerhande actoren.
Anderzijds rest er toch iets donkerblauw dat de politie niet kan, zelfs niet mag, delen met
anderen. Het gaat met name om het verbod dat van overheidswege werd opgelegd en wordt
aangehouden om het legaal en legitiem geweldsmonopolie te doorbreken? Deze bijdrage gaat
over dit centrale politieke vraagstuk, met name waar dit verbod vandaan komt en hoe dit
vanuit historisch oogpunt werd beargumenteerd.
We gaan hiervoor terug naar het verbod op “private milities” in België, het spiegelbeeld van
de Nederlandse “weerkorpsen”2. Onder private milities wordt in de Belgische wet ter zake
bedoeld: “Elke organisatie van private personen waarvan het oogmerk is geweld te gebruiken
of het leger of de politie te vervangen, zich met dezer actie in te laten of in hun plaats op te
treden3. We willen de lezer een duidelijk inzicht verschaffen in de wijze waarop de overheid
een politieke visie ontwikkelde inzake private milities. Dit artikel is dan ook evident
historisch van aard.
1. De context en de opkomst van het Nationaal Legioen en het Verdinaso
De jaren 1930-1939 zijn deze van de “Grote Depressie” en van het opkomend fascisme. Eén
en ander is het gevolg van de ineenstorting van de effectenbeurs van Wall Street in 1929,
hetgeen leidt tot economisch crisis en grote werkloosheid in de V.S. De crisis slaat over naar
Europa. Daartegenover wordt de economie van de Sovjet-Unie, die erg geïsoleerd en
zelfvoorzienend is, nauwelijks beïnvloed door de “Grote Depressie”. België komt in een
eerste fase nog redelijk door de wereldcrisis. De frank moet weliswaar devalueren, maar het
land beschikt over grondstoffen en productiemiddelen, waardoor de effecten van de “Grote
Depressie” kunnen getemperd worden (Chapman, 2014).
Stalin hanteert deze situatie als bewijs dat het Westers kapitalisme niet werkt en gedoemd is
tot de ondergang. De steun voor communisten neemt ook buiten de Sovjet-Unie toe. In een
reactie hierop groeit de steun voor rechtse anticommunistische bewegingen ook, wat een
groeiende polarisatie in de hand werkt. In de Duitse Republiek groeien conflicten die op een
burgeroorlog lijken. Politieke extremisten, voornamelijk communisten en nationaalsocialisten,
winnen veel aanhang, vooral sinds de Grote Depressie. In 1933 weet Adolf Hitler als de
1 Prof. dr. emeritus, Department of Criminal Law, Criminology and Social Law, Faculty of Law, Ghent
University, Belgium.
2 Wet van 11 september 1936, houdende voorzieningen omtrent weerkorpsen.
3 Wet van 29 juli 1934, waarbij de private milities verboden worden, BS 07-08-1934, nr. 1934072950.
2
leider van de nationaalsocialisten de macht over te nemen en verandert in zeer korte tijd de
Duitse Republiek in een totalitaire dictatuur4 (Devos & Vos, 2007).
Het valt op dat gedurende het interbellum in alle democratische landen gestreefd wordt naar
het voorkomen van de vorming van geüniformeerde gewapende groepen, die tot
gevechtsformaties kunnen uitgroeien en in staat zijn de macht te veroveren of het normale
raderwerk van een democratische rechtsstaat te kunnen verstoren (Capelle,1982). Vanaf 1933
nemen de problemen in verband met de zogenaamde “private milities echter toe. Deze
particuliere gepolitiseerde groeperingen, die hun leden van een militaire opleiding voorzien,
en meestal voorzien zijn van een uniform, worden stilaan een gevaar voor de openbare orde
(zoals het Nationaal Legioen en de Dinaso Militanten Orde). De schermutselingen tussen de
fascistische en de socialistische milities nemen evenzeer toe (Van Outrive et al., 1991).
Het Nationaal Legioen komt al in 1922 tot stand in België, onder impuls van misnoegde
militairen en oudstrijders, na Mussolini's machtsovername in Italië. De leider van die
extreemrechtse ultra-nationalistische groepering is de Luikse advocaat Paul Hoornaert (1888-
1944, oorlogsvrijwilliger), die er een gedisciplineerde, op Italiaanse leest geschoeide militie
van maakt. Het Nationaal Legioen is de oudste fascistische beweging in België. Hoornaert
bouwt de beweging uit tot een paramilitaire geüniformeerde private militie met op haar
hoogtepunt een 5.000-tal leden, met sterke afdelingen in Luik en Gent. Ideologisch is de
organisatie antidemocratisch, anticommunistisch, antisemitisch, royalistisch en Belgisch
patriottisch.
Het Nationaal Legioen is opgedeeld in centuriën en beschikt over militaire uniformen, zwarte
hemden (die later geruild worden voor donkerblauwe, om zichtbare associaties met het
fascisme te vermijden), de Romeinse groet en de fasces als attributen. In de eigen persorganen
doet men aan koningverering, corporatisme, anticommunisme, anti-flamingantisme en
jodenhaat. Interessant zijn de connecties met de financiële wereld, het oudstrijdersmilieu en
het Hof. Het Nationaal Legioen onderhoudt tevens nauwe relaties met de militaire
inlichtingendienst en beschikt over een clandestiene organisatie in het Belgisch leger, “Le Mot
du Soldat (MDS) (Deneckere, 1994-1995). MDS bestaat uit verschillende cellen en houdt
zich bezig met het verzamelen van inlichtingen over “subversieve elementen” (communisten,
Vlaams-nationalisten, …)5.
Anderzijds is daar het solidaristische en volksnationalistische Verbond van Dietsche
Nationaal-Solidaristen (Verdinaso)6, met een militie, uniformen, marsen, landdagen, een
4 Uiteindelijk zal op 1 september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbreken, wanneer Duitsland Polen binnenvalt.
5 Later, tijdens WOII, wordt de verhouding tot de Duitse bezetter problematisch omwille van het uitgesproken
Belgisch patriottisme en royalisme van het Nationaal Legioen. Mettertijd komt het Legioen dan ook in aanvaring
met de Duitsers en begint het verzet te plegen. Vanaf juni 1941 wordt het Legioen opgenomen in het vanuit
Londen geleide “Geheime Leger”, een gewapende Belgische verzetsgroepering, bestaande uit achtergebleven
oud-beroepsmilitairen, die aanhangers zijn van een sterke uitvoerende macht in handen van de koning.
Aanvankelijk worden de leden van het Nationaal Legioen door de Duitse bezetter ongemoeid gelaten, maar dat
verandert in augustus 1941, als ze een activiteitenverbod opgelegd krijgen en in de clandestiniteit gedwongen
worden. In de daaropvolgende razzia’s worden veel legionairs gearresteerd en afgevoerd naar
concentratiekampen. Ook Paul Hoornaert wordt aangehouden door de Gestapo, hij sterft in 1944 in het
concentratiekamp Sonnenburg.
6 Het programma van het Verdinaso vermeldt in 1931: “IV. Het VERDINASO wil daarom vernietigen: het alle
gezond volksleven dodende Liberale Stelsel en de daaruit voortgekomen parlementaire democratie, die het volk
bedriegt door het waanbeeld der "Volks-soevereiniteit" en het in feite machteloos overlevert aan zijn ergste
vijanden: de heerschappijen van het geld”. En verder: “V. Het VERDINASO wil daarom opruimen: de politieke
partijen. Het organisch karakter der volksgemeenschap miskennende, streven zij elk voor zich naar de macht in
3
antidemocratisch programma door een corporatief systeem te willen instellen en een fel
antisemitisme. Het wordt gesticht in 1931 door Joris Van Severen. Hij wordt tijdens WOI
onder de wapens geroepen. Zijn Vlaamsgezindheid radicaliseert aan het front. Hij gaat na de
oorlog in de politiek en wordt kandidaat voor de Frontpartij7. Hij wordt
volksvertegenwoordiger in 1921. Op 29 november 1928 houdt Van Severen zijn zogenaamde
“brandrede”, een radicaal anti-Belgische toespraak in het Parlement.
Voor hem bestaat enkel nog een ‘Diets’ volk in Nederland, Noord-België en Frans-
Vlaanderen. Het Verdinaso is van bij de aanvang Groot-Nederlands en wil een ideologische
en leidinggevende elite vormen. Het Verdinaso beschikt met de Dietsche Militie (DM) over
een eigen militie en betoont zich openlijk militaristisch. Het Verdinaso wordt eveneens als
staatsgevaarlijk beschouwd, zeker vanaf eind 1933, wanneer de organisatie zeer ernstige
moeilijkheden krijgt met de Staatsveiligheid. Het Verdinaso stelt dat politieke partijen moeten
verdwijnen omdat ze het organisch karakter van de volksgemeenschap miskennen. Dit omvat
een vervanging van de verfoeide parlementaire democratie door een corporatieve
maatschappelijke ordening (De Nieuwe Orde, 2016)8.
Het zijn deze omstandigheden die aanleiding geven tot de wet van 29 juli 1934 betreffende
het verbod op private milities.
2. Een eerste onrijp ontwerp inzake uniformverbod in 1933
Tijdens de periode van de “Grote Depressie” wordt België geleid door opeenvolgende
coalities van Katholieken en Liberalen (van 1927 tot 1935). Van 1927 tot 1931 is dat de
regering Jaspar II (Katholieke Partij), gevolgd door de regering Renkin (Katholieke Partij)
van 1931 tot 1932. Op 18 oktober 1932 neemt de regering Renkin ontslag, waarna de meer
ervaren Charles de Broqueville (Katholieke Partij) de leiding overneemt met het oog op de
aanpak van de “Grote Depressie”. De Katholieken en de Socialisten komen weliswaar
gesterkt uit de verkiezingen, terwijl de Liberalen verliezen, maar de socialisten weigeren elke
regeringsdeelname, waarna de Katholieken en Liberalen hun regering verder zetten.
Het is in de schoot van deze coalitie van Katholieken en Liberalen, geleid door Charles de
Broqueville, dat de toenmalige minister van Justitie Paul-Emile Janson9 (Liberaal) het idee
de Staat, laten zich in dat streven slafelijk gebruiken en misbruiken door de tirannij van het geld; zijn aldus de
wettige organisatie van het verraad aan en van de plundering van het volk” (De Nieuwe Orde, 2016).
7 De Frontpartij is de officieuze benaming, voor de in 1919 gestichte, Vlaams-nationalistische partij Het
Vlaamsche Front. Deze partij ontstond enerzijds uit de Vlaamse Frontbeweging en anderzijds uit activisten uit
de Eerste Wereldoorlog.
8 Nog voor de Duitsers België binnenvallen wordt Van Severen op 10 mei 1940 opgepakt en zonder concrete
aanleiding aan Frankrijk uitgeleverd, samen met 78 anderen. In Abbeville worden de gearresteerden opgesloten.
De Franse militairen krijgen de opdracht alle gevangenen uit de weg te ruimen. Nadat twaalf mensen
doodgeschoten zijn probeert Van Severen verder bloedvergieten te voorkomen, maar hij wordt met een nekschot
gedood. In totaal vinden die nacht 21 mensen de dood.
9 Paul-Emile Janson was doctor in de rechten en vestigde zich als advocaat. Van 1910 tot 1912 en van 1914 tot
1935 was hij liberaal volksvertegenwoordiger. Hij was gecoöpteerd senator in 1935-1936. Hij doorliep een
aanzienlijke loopbaan als lid van de Belgische regering, ondermeer als minister van Landsverdediging (van
februari tot september 1920), als eerste minister (november 1937 - mei 1938), minister van Buitenlandse zaken
(januari-februari 1939) en van 3 september 1939 tot 5 januari 1940 was hij minister zonder portefeuille. Maar
Janson verwierf vooral faam als minister van Justitie (1927-1931 - 1932-1934, april-september 1939 en januari-
augustus 1940). Bij het uitbreken van de oorlog trok hij met de regering naar Zuid-Frankrijk. Hij weigerde echter
verder mee te vluchten naar Londen en bleef met zeven andere ministers achter op het vasteland. Alle acht boden
op 28 augustus 1940 hun ontslag aan bij eerste minister Pierlot. Ze werden door de regering als definitief
4
opvat om een wetsontwerp aan het Parlement voor te leggen dat erop gericht is groepen die
uniformen dragen” strafbaar te stellen10. Het ontwerp van Janson strekt ertoe: (1) de dragers
van een uniform, van een gedeelte van een uniform, van een armband of van enig pak van een
politieke groep te bestraffen, en (2) gezamelijke oefeningen te verbieden, bedoeld om
particulieren met het hanteren van wapens vertrouwd te maken11. Sommigen zijn de mening
toegedaan dat deze criteria niet duidelijk genoeg zijn, aangezien men eigenlijk enkel
subversieve groeperingen wenst te viseren. Volgens Janson is het echter onmogelijk om een
onderscheid te maken in groeperingen gebaseerd op loutere (nvdr: lees “politieke”) intenties.
De regering amendeert de tekst zodanig dat er in feite een nieuw ontwerp uit resulteert
(Arnou, 2005).
Amper drie maand later zal het ontwerp terug ter bespreking komen in het parlement. Het zal
blijken dat het fors bijgestelde ontwerp nog steeds vergezeld gaat van de oorspronkelijke
Memorie van Toelichting, zonder dat de titel is gewijzigd. Terwijl het oorspronkelijk ontwerp
van oktober 1933 vrij bescheiden van opzet was, is deze van mei 1934 veel ambitieuzer. Het
oorspronkelijke ontwerp van 1933 viseerde louter het dragen van een uniform. In het
aangepaste ontwerp is het het dragen van een uniform niet langer strafbaar en wordt er nog
louter de inbeslagname van voorzien. Alleen de organisatie van private milities en het
behoren tot private milities is strafbaar, maar het uniform op zichzelf wordt bijzaak.
Het wordt allemaal nog pijnlijker, wanneer blijkt dat de rapporteur voor het ontwerp,
Rubbens, voorheen reeds een brief heeft geschreven aan Janson waarin hij opmerkt: “De
revolutionaire tendensen zullen worden beschouwd als het belangrijkste element van het
misdrijf, waardoor het bijzonder moeilijk zal worden om de politieke aard ervan te
contesteren”. Uiteindelijk volgt de bespreking van het ontwerp van 1934 in het parlement12.
3. De principiële bespreking in de Kamer van 1934
Van 1934 tot 1935 treedt de regering (een coalitie van Katholieken en Liberalen) Theunis II
(Katholieke Partij) aan. Het is in de schoot van deze regering dat het nieuw, bijgesteld
wetsontwerp op de private milities zal besproken worden. Het is minister van Justitie François
Bovesse (°1890/+1944), jurist en liberaal politicus uit Namen die het wetsontwerp opnieuw
ter bespreking voorlegt in de Kamer13. Bovesse zal later, als overtuigd anti-fascist, in januari
ontslagen beschouwd, ondanks hun latere pogingen om opnieuw in de regering te worden opgenomen. In 1943
werd Janson in Nice gearresteerd door de Duitsers. Hij overleed op 3 maart 1944 in het concentratiekamp van
Buchenwald.
10 Wetsontwerp waarbij straf gesteld wordt op het dragen van uniformen van politieke groepen in het openbaar
en waarbij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, den handel in, en het dragen van wapenen en op
den handel in munitie, aangevuld wordt. Zie: Kamer van Volksvertegenwoordigers, Sessie van woensdag 4 juli
1934, nr. 1707, tussenkomst van de heer Rubbens, rapporteur. Zie:
https://sites.google.com/site/bplenum/proceedings/1934/k00412164/k00412164_17
Er wordt hierbij verwezen naar voorbeelden in andere landen (zoals Nederland, Zwitserland en Oostenrijk), waar
op dat moment een wetgeving bestond die het dragen van uniformen verbood.
11 Zie bescheid nr. 205 van 19 oktober 1933.
12 Wetsontwerp tot aanvulling van de wet van 29 juli 1934, waarbij de private milities verboden worden, en tot
wijziging van de wet van 3 januari 1933 op de wapenen, Memorie van Toelichting, Kamer der
Volksvertegenwoordigers, zittingsjaar 1935-1936, Vergadering van 25 februari 1936, nr. 125.
13 Hij werd van 1921 tot 1927 en van 1929 tot 1937 verkozen tot liberaal volksvertegenwoordiger. Nadat hij
minister van PTT was in 1931-1932, werd hij minister van justitie (1934-1935 en 1936-1937). Naderhand werd
Bovesse Minister en van openbaar onderwijs (1935-1936). In 1937 werd hij tot gouverneur voor de provincie
Namen (1937-1940) benoemd. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog verliet Bovesse België samen met de
Belgische regering en werd benoemd tot hoge commissaris in Sète, Frankrijk. Hij liet er zich in met het lot van
5
1944 worden neergeschoten door een lid van “Rex”14 in zijn woning en dus slachtoffer
worden van datgene dat hij wilde bestrijden door de wet inzake private milities (Kesteloot &
Gavroy, 1990).
Het nieuwe wetsontwerp gaat veel verder dan het oorspronkelijke van Janson, en is getiteld
“Wetsontwerp waarbij straf gesteld wordt op het dragen van uniformen van politieke
groepen, in het openbaar en waarbij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, den
handel in, en het dragen van wapenen en op den handel in munitie, aangevuld wordt15. Het
gaat hier niet langer enkel om “groeperingen die uniformen dragen”, maar om de leden van
die private organisaties waarvan het doel is een beroep te doen op geweld of zich in de plaats
te stellen van het leger of de politie, of zich te bemoeien met hun acties. We gaan ervan uit
dat deze groepen zo vastberaden zijn dat ze geweld zullen gebruiken wanneer het moment
zich zal aandienen”, stelt Bovesse, waarmee hij meteen aangeeft dat de geviseerde groepen
nog geen geweld moeten gepleegd hebben, maar dat het volstaat dat ze daartoe zouden bereid
zijn, om van een delict te spreken.
Bovesse verwijst in zijn toelichting aan het parlement uitdrukkelijk naar het Nationaal
Legioen en het Dinaso”. Rapporteur Rubbens voegt eraan toe: “We weten allen dat de
organisatie van de Dinasos, opgericht door onze oud-collega Van Severen een echte militie
is, in de meest volledige betekenis van het woord”. En Bovesse besluit: “De staat moet zich
redden en beschermen tegen deze instituties (…) De staat moet een rustige kracht uitstralen
en eender wie verbieden zich te moeien met datgene dat haar essentiële taak is en haar
exclusief toekomt”.Volgens Bovesse volstaat de strafwet niet om private milities te verbieden
en is er nood aan een nieuwe wet. De strafwet zegt immers niets over het mogelijke gedrag
van private milities.
Paul-Henri Spaak (Socialist) vraagt zich af of een dergelijk standpunt verenigbaar is met de
liberale zienswijze van de minister. Bovesse repliceert: “Ja, ik verdedig dat, want ik verdedig
de vrijheid, de vrijheid van eenieder, en daarom mogen we niet toelaten dat bepaalde private
organisaties zich moeien in publieke functies. Ik handel hier volkomen in overeenstemming
met de liberale ideologie. De notie die hier gehanteerd wordt is fundamenteel verschillend.
Het ontwerp vereist niet dat bestaande instituties effectief worden aangevallen om van een
delict te kunnen spreken. Het is daarom dat het delict geen politiek karakter heeft en zal
voorgelegd worden aan de correctionele rechtbank ter beoordeling en niet aan het Hof van
Assisen (...) Het volstaat, om de wet toepasbaar te laten zijn, dat de organisatie van
particuliere personen als doel heeft een beroep te doen op geweld, zich in de plaats te stellen
van het leger of de politie, zelfs indien de organisatie zelf wenst de openbare orde te
de gevluchte Belgen. Bij zijn terugkomst in België verbood de Duitse bezetter zijn functie als gouverneur verder
uit te oefenen, waarop hij weer advocaat werd. Als antifascist klaagde hij de praktijken van de bezetter aan en
vormde zo een voorbeeld van burgerlijk verzet. Dit leverde hem een veroordeling op tot een half jaar
gevangenisstraf. Na de moord op een rexist (en zijn vrouw) op 31 januari 1944, werd Bovesse als represaille de
volgende morgen door rexisten van nabij neergeschoten in zijn eigen woning (Kesteloot & Gavroy, 1990).
14 Rex was een Belgische fascistische, anti-communistische politieke beweging. De stroming wordt rexisme
genoemd. Tussen augustus 1936 en mei 1937 ontving Rex een maandelijkse toelage na een bezoek van Rex-
leider Léon Degrelle aan Mussolini. Op 26 september 1936 ontmoette hij ook Adolf Hitler en ontving Rex
eveneens van die zijde een toelagen.
15 Wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden, BS 07 augustus 1934, Nr. 1934072950.
Voor de parlementaire behandeling zie: Zitting 1932-1933. Kamer der volksvertegenwoordigers. Bescheiden. -
Wetontwerp, nr 205. Zitting 1933-1934. Kamer der volksvertegenwoordigers. Bescheiden. - Verslag, nr 129;
amendementen, nr 206; aanvullend verslag, nr 238. Handelingen. - Vergaderingen van 28 Juni, 4, 10 en 12 Juli
1934. Senaat. Bescheiden. - Tekst door de Kamer aangenomen, nr 163; verslag, nr 184. Handelingen. -
Vergadering van 26 Juli 1934.
6
handhaven. De repressie van misdrijven, de verdediging van het territorium behoort normaal
aan die machten die door de openbare autoriteiten zijn gecreëerd en erdoor worden bevolen.
De bestaande instellingen moeten beschermd worden tegen diegenen die pogen hen te
veranderen door middel van geweld. Particuliere personen moeten zich niet organiseren om
de orde te verzekeren, zoals bijvoorbeeld bij de organisatie van een ordedienst tijdens een
meeting. Dat zijn operaties die normaal toekomen aan de politie. De openbare orde moet niet
verzekerd worden door particulieren. Het respect voor de Grondwet en voor onze wetten moet
worden gegarandeerd door diegenen aan wie de wet dit gezag toekent en moet aan eenieder
worden opgelegd. Dat is een gezonde democratie 16.
Het is Kamerlid Emile Vandervelde17 (Socialist), op dat moment tevens voorzitter van de
Belgische Werkliedenpartij (BWP), die frequent en indringend tussenkomt tijdens de
uiteenzetting van Bovesse. Hij benadrukt dat zijn partij tegen het wetsontwerp is omdat het
die milities die zichzelf willen beschermen (nvdr: hij verwijst hier naar de “Militie
Arbeidersverweer” [MAV], die door de BWP zelf ingericht werd18) verwart met deze die een
subversief doel nastreven en de vrijheden en rechten wensen te beknotten. Nochtans blijkt uit
het verloop van het debat dat er in de schoot van de socialistische fractie nogal wat interne
verdeeldheid heerst aangaande deze zienswijze. Fernand Jacquemotte19 en Julien Lahaut20,
beiden communistische parlementsleden, treden Vandervelde bij herhaling en langdurig bij
tijdens een erg verhitte bespreking. De tegenstanders zijn van mening dat het wetsontwerp een
risico op politiek machtsmisbruik vanwege de regering inhoudt.
16 Kamer van Volksvertegenwoordigers, Sessie van woensdag 4 juli 1934, nr. 1707, tussenkomst van de heer
Bovesse, minister van Justitie. Zie:
https://sites.google.com/site/bplenum/proceedings/1934/k00412164/k00412164_17
17 Vandervelde was de zoon van een liberaal advocaat. Hij promoveerde tot doctor in de rechten (1885) aan de
ULB en vestigde zich als advocaat in Brussel. Hij promoveerde ook tot doctor in de sociale wetenschappen
(1888) en verwierf ook een speciaal doctoraat in de staathuishoudkunde (1892). Hij was nog student toen hij in
1885 tot de pas gestichte Belgische Werkliedenpartij toetrad. Hij werd voorzitter van de Tweede Internationale.
Hij stelde het Charter van Quaregnon op, de ideologische grondslag van het Belgische socialisme. Hij werd
verkozen tot socialistisch volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Charleroi, vervolgens voor het
arrondissement Brussel. Hij werd de leider van de socialistische Kamergroep en bleef dit tot aan zijn dood.
Vandervelde werd hoogleraar aan de VUB (1895) en behoorde tot de voornaamste politieke leiders. Na 1927 tot
in 1935 bleef de socialistische partij in de oppositie. Bij de terugkeer in de regering in 1935 was Vandervelde
niet meer voldoende gezond om nog een zware portefeuille op zich te nemen. In de jaren 1930 werd hij een
hevig voorstander van de Spaanse republiek en een bestrijder van het fascisme.
18 In 1926 richtte de Belgische Werklieden Partij (BWP) de “Militie Arbeidersverweer”(MAV) op, ook wel Rood
Verweer genoemd, met het doel de activiteiten en de lokalen van de Partij te beschermen tegen de soms
gewelddadige aanvallen van de paramilitaire fascistische groepen. De MAV moest de leden en de instellingen
van de BWP beschermen tegen “de machten die zich verzetten tegen het proletariaat” en de orde handhaven
tijdens massamobilisaties.
19 Fernand Jacquemotte werd in een militante familie geboren. In 1929 was hij kandidaat-provincieraadslid voor
de communisten, maar werd niet verkozen. Hij werd stichter en voornaamste leider van de Vrienden van de
Sovjet-Unie in België. Toen de oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie losbrak, werd hij op 22 juni 1941
opgepakt en opgesloten in het Fort van Hoei, samen met Julien Lahaut. Ze werden allebei gedeporteerd naar het
concentratiekamp Neuengamme en in juli 1944 naar Mauthausen. Beide mannen ontsnapten aan de dood. Lid
geworden van het Centraal Comité van de Belgische Kommunistische Partij werd hij in 1946 verkozen tot
communistisch volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Thuin. Hij werd herkozen in 1949, maar niet
meer bij de vervroegde verkiezingen van 1950. Hij overleed tijdens een verblijf in Moskou.
20 Julien Lahaut was een Belgisch politicus en destijds voorzitter van de Kommunistische Partij van België
(KPB). Hij werd vermoord in augustus 1950. In 2008 vroeg de Belgische Senaat om een onderzoeksopdracht
naar de moord en het verloop van het gerechtelijk onderzoek. In 2015 stelden drie historici hun resultaten voor.
Volgens dit onderzoek werd Lahaut vermoord door een anticommunistische inlichtingen- en actiedienst (Gerard
et al., 2015).
7
Maar het is niet enkel vanwege de linkerzijde dat het ontwerp kritiek krijgt. Ook de Vlaams-
nationalist Hendrik Elias (VNV)21 komt tussen in het debat. Hij stelt: telkenmale bij de
Ijzerbedevaart te Diksmude wordt de orde gehandhaafd door het Vlaamsch Nationaal
Verweer22, dat daar in uniform optreedt, dat daar de plaats inneemt van de gendarmerie, die
deze twee laatste jaren gelukkig daar weg gebleven is, dat het verkeer regelt en daar
werkelijk optreedt in de plaats van de politie. Zal dit in het vervolg, en naar luid van deze wet,
een strafbaar feit zijn?”
Bovesse antwoordt dat “iedereen wel zal voorhouden dat zijn militie werd opgericht om zich
te beschermen, en dat niemand bij machte is om dan het kaf van het koren te scheiden.
Iedereen zal wel zeggen dat zijn intenties puur zijn. Het is niet mogelijk, in een
georganiseerde staat, in een democratie, in een constitutioneel land, in een land met een
parlement, dat organisaties een private politie kunnen oprichten tegen politieke organismen.
Het is de macht van de staat die ter beschikking moet staan van iedereen om de vrijheiden van
iedereen te beschermen”. Bovesse krijgt aardig wat bijval van op de liberale banken. Hij sluit
af : Er is geen democratie zonder discipline, zonder een sterke macht, die bij machte is om
door middel van haar exclusieve middelen de vrijheid van iedereen te laten respecteren. Daar
waar de staat abdiceert haar verplichtingen en haar taken op te nemen, stopt de democratie
te leven”. Bovesse heeft het duidelijk niet enkel over het Nationaal Legioen of de Dinaso
Militanten Orde, doch ook over de “Militie Arbeidersverweer”.
Hij wordt daarin bijgestaan door Hubert Delacolette23 (Katholiek), die benadrukt dat ook de
verweerkorpsen van arbeiders zich militair organiseren en zich bewapenen. Hij ondersteunt
zijn argumentatie rijkelijk met persberichten. Vandervelde laat het er niet bij: Onze milities
zijn er slechts om de vrijheid en de verdediging van het recht te waarborgen. En zij zullen
door deze wet verboden worden op dezelfde wijze als die welke de vrijheid én het recht willen
aantasten. Dat is de grote ongerijmdheid in dit ontwerp. En Jacquemotte voegt er bijtend
aan toe : “Ik heb nog nooit geweten dat het parlement werd geconfronteerd met zo’n
reactionaire wet als deze”. Hij herinnert eraan dat de communistische partij nooit verheeld
heeft een beroep te willen doen op geweld, maar “het gaat om het geweld van de massa, van
de meerderheid, om de minderheid van uitbuiters te verpletteren”.
4. De wet komt er in 1934, en wordt meteen aangevuld in 1936
21 Hendrik Elias werd in 1932 Kamerlid voor het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), een rechts-radicale
Vlaams-nationalistische partij (soms ook wel als fascistische partij bestempeld).
22 Het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) was een Vlaams-nationale politieke jeugdbeweging
voor jongens die in 1929 opgericht werd. Het AVNJ werd ingericht naar het voorbeeld van de Italiaanse
fascistische knokploegen. Het had als symbool een opgeheven gebalde vuist. Er waren taken weggelegd in het
bewaken van de partijbijeenkomsten van het AVNV als ordedienst, maar ook in het intimideren van politieke
tegenstanders, en het bevolken van openbare partijbijeenkomsten en -demonstraties. Een elite werd opgeleid tot
de militie "Vlaamsch Verweer" en voorzien van lichte handwapens. Zij gingen van tijd tot tijd de confrontatie
aan met de knokploegen van Rex Vlaanderen, het Verdinaso en de KP. In 1930 werd "Vlaamsch Verweer"
omgedoopt tot "Vlaamsche Militie". Het AVNJ moest vanaf 1932 concurreren om de Vlaams-nationalistisch
ingestelde jeugd met de "Dietsche Militie", de stoottroepen van het Dinaso, de jeugdafdeling van het Verdinaso.
Toen de wet op de private milities in 1934 van kracht werd werd het VNV en het AVNJ daarvan uitgezonderd.
Wel werd het optreden als knokploeg of militie verboden en daarom werd ook de Vlaamsche Militie opgeheven.
23 Hubert Delacolette was een Belgisch volksvertegenwoordiger en burgemeester. Hij was metaalbewerker en
klom op tot secretaris van de christelijke metaalvakbond. In 1932 werd hij gemeenteraadslid van Ougrée, en van
1933 tot 1938 was hij er burgemeester. In 1922 werd hij verkozen tot katholiek volksvertegenwoordiger voor het
arrondissement Luik. Hij vervulde dit mandaat tot in 1936.
8
Uiteindelijk komt op 29 juli 1934 de Wet waarbij de private milities verboden worden tot
stand24. Artikel één bepaalt: “Elke private militie of elke andere organisatie van private
personen waarvan het oogmerk is geweld te gebruiken of het leger of de politie te vervangen,
zich met dezer actie in te laten of in hun plaats op te treden, is verboden. Uitzonderingen op
dit verbod kunnen ten behoeve van niet-politieke organisaties bij een door de in Raad
verenigde Ministers voorgedragen koninklijk besluit toegelaten worden”. Verder verduidelijkt
de wet dat het verboden is aan private personen (in groep, in het openbaar) zich te gedragen
als militaire troepen, door een uniform of uitrustingsstukken te dragen. Hiermee wordt het
loutere bestaan van een private militie strafbaar gesteld, terwijl de (“politieke”) drijfveer
zonder belang blijft. De wetgever wil enkel verhinderen dat naast de openbare gewapende
macht een private macht opduikt. Dit verbod geldt niet voor groepen die uitsluitend sport of
ontspanning tot doel hebben, of voor groepen die uitsluitend een liefdadig doel beogen, of
voor organisaties die middels K.B. werden toegelaten.
Via deze uitzonderingsclausule, die reeds van bij aanvang in de wet stond ingeschreven, werd
het mogelijk om private bewakingsondernemingen een afwijking op de wet toe te staan door
middel van een K.B. Dat gebeurde vanaf het moment dat de wet was gestemd in 1934, na
onderzoek door de gerechtelijke overheden en na goedkeuring door de Ministerraad, weze het
dat het ging om een beperkt aantal. De wetgever was van oordeel dat dergelijke
ondernemingen in essentie niet in strijd waren met de geest van de wet. De bevoegdheden van
de ondernemingen waren aanvankelijk beperkt en hun, meestal nachtelijk optreden, zeer
discreet. ’s Avonds of ’s nachts waren er de bewakers van La Ronde de Nuit”, die in een
lange kapmantel gingen controleren of de woningen, waarvan een kenteken aanduidde dat ze
bij de vereniging waren aangesloten, goed afgesloten waren. De nachtbewaker was nooit
gewapend en hij was meestal een gepensioneerde rijkswachter of militair. Tot 1990 zal de
commerciële veiligheidssector in België via deze uitzonderingsclausule op de wet inzake
private milities functioneren (Leloup, 2014).
Er worden gevangenisstraffen (van één maand tot één jaar) en geldboetes voorzien voor
diegenen die de wet overtreden door een verboden private militie op te richten, door in groep
een optreden te organiseren, of voor diegenen die hieraan steun verlenen en er deel van
uitmaken. De uniformen en onderscheidingstekenen van de milities en de wapens, het
materieel en alle voorwerpen die hun van dienst zijn, zullen in beslag genomen worden.
Als reactie op de nieuwe wet ontbindt Joris van Severen de Dinaso Militie (D.M.) in augustus
1934, en wordt ze omgevormd tot de Dinaso Militanten Orde (D.M.O.), die pretendeert geen
militie meer te zijn. De vorming van de D.M.O gaat gepaard met de afkondiging van een
nieuwe marsrichting, met name een mildering van het militaristische vertoon, naar een meer
gematigde, haast burgerlijke stijl tegen het einde van de jaren ’30. Er moet nochtans veel
verwarring geweest zijn omtrent de strekking van de wet van 1934. Vlak na de invoering van
de wet ging de rijkswacht over tot inbeslagname van uniformstukken en uitrusting, alsof het
nog steeds om een louter uniformverbod ging. Hierbij legden de rijkswacht een
dubbelzinnigheid aan de dag die aanleiding gaf tot veel misverstanden: de ene keer werd een
proces verbaal opgemaakt omwille van een knuppel, een andere keer omwille van een pet, een
jas en schouderriem, terwijl sommigen zelfs de rijbroek en de laarzen als ongeoorloofd
beschouwden (De Nieuwe Orde, 2016).
24 B.S. 6-7 augustus 1934.
9
Aangezien de parketten regelmatig moeilijkheden ondervinden om te bewijzen dat een
organisatie tot doel had geweld te gebruiken dringt zich al snel een wetswijziging op. Dat zal
gebeuren door middel van de Wet van 4 mei 1936 tot aanvulling van de wet van 29 juli 1934
waarbij de private milities verboden worden en tot wijziging van de wet van 3 januari 1933
op de wapens. Het ontwerp van wet komt er op initiatief van toenmalig minister van
Justitie, Eugène Soudan, lid van de Belgische Werklieden Partij. Voor het eerst sinds lange
tijd versterken de Socialisten immers de coalitie van Katholieken en Liberalen in de schoot
van de regering Van Zeeland I. Soudan schrijft in de Memorie van Toelichting: “Men ziet
van die groepen, bestaande uit mannen die, door het uniform die zij dragen of de oefeningen
die zij houden, het voorkomen van militaire troepen hebben, zich van het ene dorp naar het
andere verplaatsen, zelfs in steden binnendringen, zonder dat kan worden vastgesteld dat het
doel van die organisaties binnen het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1934 valt. In
de ogen van het publiek gedragen die groepen zich als militaire troepen, en het publiek moet
vrezen dat zij, op het gepaste ogenblik, in de plaats van de openbare macht zouden optreden;
voor de openbare orde zijn zij een bedreiging, omdat zij zich aanstellen als een organisatie
bekwaam om zich, op het gunstig ogenblik, tegen de regelmatige strijdkrachten op te stellen.
Het wetsontwerp dat de regering de eer heeft u ter bespreking voor te leggen, heeft ten doel
dat feit te verbieden, zonder evenwel het bestaan van geoorloofde groepen in het gedrang te
brengen”25.
Vanaf nu is er sprake van de bestraffing van diegenen die “tijdens een betoging of naar
aanleiding van een betoging, tijdens een vergadering of naar aanleiding van een vergadering
in het bezit worden bevonden van een voor de openbare veiligheid gevaarlijk voorwerp.
Verder wordt tevens uitdrukkelijk verduidelijkt in de wet van 1936 dat alle bepalingen van
het strafwetboek van kracht blijven en dat verdachten zullen berecht worden door de
correctionele rechtbank26. In essentie vult de wet van 1936 deze van 1934 aan door te stellen
dat het optreden van private personen, in groep, die het voorkomen hebben van militaire
troepen, verboden is. Het toezicht op de wet ligt daarmee vooral in handen van de parketten.
Hierbij dient aangestipt dat er slechts strafvervolging kan ingesteld worden tegen natuurlijke
personen en dat organisaties voor een correctionele rechtbank niet vervolgd kunnen worden.
Slechts tegen verenigingen die de vorm van een Vereniging Zonder Winstoogmerk aannamen
zou de burgerlijke rechtbank, op vordering van het parket, de ontbinding van de vereniging
kunnen gelasten wegens overtreding van de openbare orde.
De wet van 1936 is een vooruitgang, vooral voor de parketten. De strafbaar gestelde feiten
worden immers nauwkeuriger omschreven en het is niet langer nodig de doelstelling van de
groepering na te gaan. Tussen 1934 en 1940 komen er slechts vijf veroordelingen tegen
zogenaamde private milities, ondermeer tegen een militie van het Verdinaso en tegen één
militie van Rex. Het gaat hierbij telkens om individuen die worden veroordeeld. De milities
zelf worden niet ontbonden of verboden (Capelle, 1982).
5. Conclusie
In dit besluit ronden we af met het antwoord op de vraag naar de herkomst van het politieke
discours in België inzake private milities en het overheidsmonopolie inzake geweld. We
moeten vaststellen dat de oorspronkelijke gedachte om private milities te verbieden voortkomt
25 Kamer der Volksvertegenwoordigers, Vergadering van 25 februari 1936, Nr 125.
26 De wetgever beschouwt het misdrijf dus niet als een politiek delict, dat beoordeeld zou moeten worden door
het Hof van Assisen.
10
uit liberale hoek. De gedachte ging uit naar een verbod van extreemrechtse, fascistische en
subversieve milities zoals het “Nationaal Legioen” en “Dinaso”, hetgeen verwoord werd als
private organisaties, waarvan het doel is een beroep te doen op geweld of zich in de plaats te
stellen van het leger of de politie, of zich te bemoeien met hun acties”. Dit ging veel verder
dan het initiële uniformverbod.
Uit de voorbereidende documenten leren we dat de bekommernis van de wetgever niet zozeer
lag bij de veiligheid van de bevolking, maar eerder om de veiligheid van de staat, die zich
dient te beschermen tegen dergelijke private milities. Vandaar ook de nadruk op het adjectief
“private” als het gaat om milities. Politie is in hoofde van de liberale wetgever een exclusieve
“publieke” taak en kan onmogelijk vervreemd worden van de staat. Private organisaties
mogen zich niet moeien in wezenlijk publieke functies. De wet komt er omdat private milities
zich een taak toeëigenen die enkel aan de staat toekomt, zelfs als zij de staat zouden willen
helpen bij het handhaven van de orde. Particuliere personen mogen zich met andere woorden
niet organiseren om de openbareorde te verzekeren.
Deze zienswijze kreeg tegenwind vanwege de oppositie, niet zozeer omwille van hoger
geschetst uitgangspunt, maar omdat zij het bestaan van eigen verweerkorpsen tegen de
betreffende private milities wilden veilig stellen, en bij de beoordeling hiervan voor arbitrair
optreden vreesde. De critici kregen echter de wind van voor: Het is de macht van de staat die
ter beschikking moet staan van iedereen om de vrijheden van iedereen te beschermen”. De
wetgever wilde met andere woorden verhinderen dat naast de openbare, democratisch
gewapende macht een private macht zou opduiken. Het gaat dus om de grondgedachte dat het
uitsluitend aan de staat (en haar politie) toekomt om de vrijheden van haar burgers te
beschermen. Een essentiële basisgedachte in tijden van de discussie over de kerntaken van de
politie (Ponsaers & Devroe, 2016).
Biliografie
Arnou, L. (2005). “De teleologische wetsinterpretatie als baken voor de rechtstoepassing het het strafrecht: over
Hell’s Angels en privé-milities”, in: Strafrecht als roeping: Liber Amicorum Lieven Dupont, Vol. 1, Leuven:
Leuven University Press, 11-30.
Capelle, J. (1982). Het labyrint: private milities en politiewezen doorgelicht met het officiële rapport van de
Commissie Wijninckx, Brussel, SEVI, pp. 232.
Chapman, R. (2014). Het Vlaams-nationalisme in de spiegel van Justitie: Een gevaar voor de openbare orde?,
Masterproef voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte voor het behalen van de graad van Master
in de Geschiedenis, Universiteit Gent.
Deneckere, G. (1994-1995). “Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum”,
BTNG-RBHC, XXV, , 3-4, 273-327.
De Nieuwe Orde, Historische Site over de Collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2016), Verdinaso,
D.M.O. (Dinaso Militanten Orde). Zie: http://www.nieuweorde.be/
Devos, C., Vos, H. (2007). Over de dynamiek van de politiek. Een kwarteeuw politieke machtsverschuivingen,
Gent: Academia Press, VI + 244 pp.
Kesteloot, C., Gavroy, A. (1990). François Bovesse. Pour la défense intégrale de la Wallonie, Mont-
surMarchienne, Collecùon Ecrits politiques wallons.
Leloup, P. (2014), Private en commerciële veiligheidszorg in België. Een historisch-criminologisch onderzoek
(1870-1934), Antwerpen-Apeldoorn: Maklu.
Ponsaers, P. , Devroe, E. (2016). “Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2016). Het kanaalplan en de
sluipende privatisering”, in Themanummer Criminele organisaties en Organisatiecriminaliteit, Cahiers
Politiestudies , n°39, 2016/2, Antwerpen / Apeldoorn: Maklu, 213-236.
Van Outrive, L., Cartuyvels, Y., Ponsaers, P. (1991). Sire, ik ben ongerust. Geschiedenis van de Belgische politie
1794-1991 , Leuven: Kritak, pp. 367.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
De teleologische wetsinterpretatie als baken voor de rechtstoepassing het het strafrecht: over Hell's Angels en privé-milities
  • L Arnou
Arnou, L. (2005). "De teleologische wetsinterpretatie als baken voor de rechtstoepassing het het strafrecht: over Hell's Angels en privé-milities", in: Strafrecht als roeping: Liber Amicorum Lieven Dupont, Vol. 1, Leuven: Leuven University Press, 11-30.
Het labyrint: private milities en politiewezen doorgelicht met het officiële rapport van de Commissie Wijninckx
  • J Capelle
Capelle, J. (1982). Het labyrint: private milities en politiewezen doorgelicht met het officiële rapport van de Commissie Wijninckx, Brussel, SEVI, pp. 232.
Het Vlaams-nationalisme in de spiegel van Justitie: Een gevaar voor de openbare orde?
  • R Chapman
Chapman, R. (2014). Het Vlaams-nationalisme in de spiegel van Justitie: Een gevaar voor de openbare orde?, Masterproef voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte voor het behalen van de graad van Master in de Geschiedenis, Universiteit Gent.
Historische Site over de Collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog
  • De Nieuwe Orde
De Nieuwe Orde, Historische Site over de Collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2016), Verdinaso, D.M.O. (Dinaso Militanten Orde). Zie: http://www.nieuweorde.be/
Over de dynamiek van de politiek. Een kwarteeuw politieke machtsverschuivingen
  • C Devos
  • H Vos
Devos, C., Vos, H. (2007). Over de dynamiek van de politiek. Een kwarteeuw politieke machtsverschuivingen, Gent: Academia Press, VI + 244 pp.
Sire, ik ben ongerust. Geschiedenis van de Belgische politie 1794-1991
  • L Van Outrive
  • Y Cartuyvels
  • P Ponsaers
Van Outrive, L., Cartuyvels, Y., Ponsaers, P. (1991). Sire, ik ben ongerust. Geschiedenis van de Belgische politie 1794-1991, Leuven: Kritak, pp. 367.
François Bovesse. Pour la défense intégrale de la Wallonie, Mont-surMarchienne
  • C Kesteloot
  • A Gavroy
Kesteloot, C., Gavroy, A. (1990). François Bovesse. Pour la défense intégrale de la Wallonie, Mont-surMarchienne, Collecùon Ecrits politiques wallons.