ArticlePDF Available

Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting

Authors:
  • Belgian State Archives
136 » tseg — 5 [2008] 1
In de twee studies over protestante emigranten in Amerika wordt niet gerefereerd
aan huidige debatten over immigranten in Nederland. Toch zien we bij deze Neder-
landse emigranten een aantal zaken die ook in de huidige debatten een rol spelen: de
oprichting van eigen religieuze scholen, de predikanten uit het land van herkomst, de
wens om zoveel mogelijk onderling te trouwen, immigranten (vooral vrouwen) die
heel lang uitsluitend Nederlands spreken en de angst voor de te grote vrijheden in
Amerika en de te losse Amerikaanse cultuur. Natuurlijk gaat het om een andere peri-
ode en in het geval van de protestanten om kleine groepen die niet als een bedreiging
voor de Amerikaanse samenleving en cultuur werden beschouwd. Desondanks zou
het interessant zijn geweest als er enige relatie was gelegd tussen deze emigranten en
de recente immigranten in Nederland. Alleen al gezien de verschillen in waardering
van het behoud van de ‘eigen cultuur’ en vanwege de uiteindelijke integratie van zelfs
de meest orthodoxe groepen.
Corrie van Eijl
Universiteit Leiden
Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting
(Amsterdam: Balans, 2006) 746 p. isbn 905018771 4
De invloed van de Duitse bezetting op de door de nazi’s veroverde gebieden is voorna-
melijk bestudeerd op nationaal politiek niveau, niet of veel minder op lokaal vlak. Toch
was in steden en gemeenten de invloed van de bezetting bijzonder goed voelbaar, want
de uitvoering van het beleid, met als meest wrange facet de Jodenvervolging, kreeg
gestalte op lokaal niveau. Het is ook in de steden en de gemeenten dat de bevolking
in direct contact kwam met de collaboratie: de nsb probeerde immers haar leden
benoemd te krijgen tot burgemeester. Een tweede goede reden om aan het lokale
niveau de nodige aandacht te besteden is de groei van de sociale interventie van de
gemeenten, een fenomeen dat startte op het einde van de negentiende eeuw en voor
1940 verder werd uitgediept. Dit proces verliep in nauwe symbiose met de ‘civiele
maatschappij’, die in Nederland de specifieke vorm van de verzuiling aannam. De
relatie tussen lokale overheid en civiele maatschappij is één van de centrale verhaal-
lijnen van dit dikke boek van niod-historicus en hoogleraar Peter Romijn. Het boek
schetst de geschiedenis van het lokaal bestuur in Nederland tijdens de bezetting en de
langgerekte bevrijding van het land, waarin ook de zuivering wordt meegenomen.
Peter Romijn maakt een diepgaande analyse van de werking van het lokaal bestuur,
maar besteedt ook veel aandacht aan de centrale aansturing vanuit Den Haag, door
het departement van Binnenlandse Zaken. Het beleid van secretaris-generaal K.J.
Frederiks en zijn verhouding met de bezetter krijgt dan ook veel aandacht. Hiermee
zijn de centrale assen van de opbouw van het betoog aangegeven. Het verhaal wordt
verder opgehangen aan de politieke evolutie van de bezetting, waarin zowel de speci-
fiek Nederlandse context, met daarin een centrale rol voor de positie van de nsb, als
de militaire en politieke opties van het Derde Rijk doorslaggevend waren. De Neder-
landse bestuurlijke elite trachtte tot een vergelijk te komen met de bezetter en de
bevolking op paternalistische wijze te beschermen, waardoor de ‘openbare orde’ en de
verstoring ervan grote politieke betekenis kregen, nog groter dan al voor de oorlog het
geval was geweest. Tweede beleidsdoel van de Nederlandse bestuurlijke elite bestond
tseg_2008-1_tweede.indd 136 19-3-2008 20:57:16
Recensies » 137
erin te proberen de nsb zoveel mogelijk buiten de deur te houden, iets waar ze uitein-
delijk niet in zou slagen, al was het maar omdat de Duitsers de nsb’ers gebruikten om
het vooroorlogse lokale bestuurlijke bestel te ontmantelen en te vervangen door een
bestuursmodel van nationaalsocialistische snit, waarin geen plaats meer was voor een
symbiose tussen overheid en civiele maatschappij. Bij de determinanten op het niveau
van het Derde Rijk die een directe invloed hadden op het lokale bestuur in Nederland
moet naast de Jodenvervolging de intensivering van de krijgsinspanningen genoemd
worden. Dit leidde tot de verplichte tewerkstelling (april-mei stakingen 1943) en op het
einde van de oorlog, tot de opeising van de bevolking voor het aanleggen van militaire
verdedigingswerken, gericht tegen de geallieerde invasielegers. Dit alles veroorzaakte
niet alleen spanningen op het terrein, maar ook op principieel en juridisch vlak omdat
veel van wat werd gevraagd van de overheden in strijd was met de Aanwijzingen uit
1937, die de ambtenaren richtlijnen meegaven over wat hen te doen stond bij een
bezetting en met het Landoorlogsreglement (ook Conventie van Den Haag genoemd).
Veel reële houvast boden die rechtsregels niet: de Duitsers lieten er zich niet veel aan
gelegen liggen, de noden van de bezetting gingen voor. Bij de uitvoering van al die
maatregelen stond het lokale bestuur in de vuurlijn, omdat het dicht bij de bevolking
stond. Daardoor kon soms ook getracht worden de betrokkenen te beschermen door
hen in te lichten van op handen zijnde acties bijvoorbeeld. Dit verklaart waarom een
aantal burgemeesters, ook nsb’ers, na de oorlog en bij de zuivering op begrip konden
rekenen en zelfs konden genieten van getuigenissen à decharge. De laatste bladzij-
den van het boek die aan de zuivering gewijd zijn, komen bijzonder sterk over. Peter
Romijn analyseert de logica die aan de zuivering ten grondslag lag en verklaart van
daaruit een aantal individuele cases.
Dit boek dient zich aan als een politieke geschiedenis, maar staat ver van een
klassieke politieke benadering, die politiek en maatschappij loskoppelt. Peter Romijn
legt integendeel de nadruk op de wisselwerking tussen beide. Bovendien beweegt de
analyse zich op verschillende niveaus, waardoor het klassieke kader van de politiek
wordt overstegen. De auteur gaat in op drijfveren en strategieën van actoren, ontwart
juridische knopen, legt de inzet ervan bloot en beschrijft hoe juridisch advies gezocht
werd om beslissingen af te dekken. Daarnaast maakt hij ook gebruik van inzichten
uit de organisatiesociologie (vooral het werk van organisatiesocioloog C. Lammers) en
staat legitimiteit centraal in de analyse. Peter Romijn sluit met dit laatste niet alleen
aan bij internationale onderzoekstrends, maar legt zo ook de band tussen het politieke
en het sociale veld. Kortom, dit boek dat gebaseerd is op uitgebreid bronnenonderzoek
en de verworvenheden van het onderzoek systematisch meeneemt, verdient het pre-
dicaat van een standaardwerk dat niemand die de bezettingsgeschiedenis bestudeert
terzijde kan laten.
Na de lectuur van dit boek blijft de Belgische lezer toch met één vraag zitten.
De auteur legt sterk de nadruk op het belang van het middenveld als uiting van de
civiele maatschappij. Dat is geenszins onterecht, want ook in België deed zich tijdens
beide bezettingen het fenomeen voor dat sociale en private organisaties regulerende
taken op zich namen. Die organisaties streefden daarbij echter eigen doelstellingen
na, waarbij machtsuitbreiding ten nadele van concurrenten één van de drijfveren was.
Wat sterk bijblijft na de lectuur van dit boek is de grote consensus die er in Nederland
scheen te hebben bestaan tijdens de bezetting, een idee van een volkseenheid die
mede het optreden van de elite inspireerde. Vraag daarbij is of deze consensus geen
barsten vertoonde, zoals dat in België wel het geval was. Of speelt hier de erfenis van
tseg_2008-1_tweede.indd 137 19-3-2008 20:57:16
138 » tseg — 5 [2008] 1
de Eerste Wereldoorlog, namelijk de omstandigheid dat anders dan in België de soci-
aaldemocratie slechts laat en beperkt een nationale politieke rol kon spelen, zodat de
elitaire consensus tijdens de bezetting gemakkelijker ingang kon vinden?
Dirk Luyten
Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (Brussel) en Uni-
versiteit Gent
Elise van Nederveen Meerkerk, De draad in eigen handen: vrouwen en loonarbeid in
de Nederlandse textielnijverheid, 1581-1810. Vrouwen en werk in de vroegmoderne
tijd (Amsterdam: Aksant, 2007) 368 p. isbn 9052602523
Zonder het misschien steeds te beseffen was dit een boek waarop we met z’n allen al
een hele tijd zaten te wachten. Het is immers algemeen bekend dat, naast huishou-
delijk en agrarisch werk, spinnen de belangrijkste bron van inkomsten vormde voor
vrouwelijke loonarbeiders. Een monografie over die tak van de textielnijverheid is
daarom meer dan welkom. Wanneer die bovendien zo grondig gedocumenteerd en
systematisch van opzet is als dit boek, kunnen we alleen maar spinnen van tevreden-
heid.
De draad in eigen handen biedt een dieptepeiling naar de spinnerij in vier steden:
Leiden en Tilburg als voorbeelden van echte textielcentra, ’s-Hertogenbosch en Zwolle
als steden zonder uitgesproken textielindustrie. Ter discussie staan drie samenhan-
gende clichés over de spinnerij: het was overwegend ongeschoold werk, dat door
vrouwen in huisnijverheid werd gedaan. Onvermijdelijk blijken die clichés een kern
van waarheid te bevatten. Zo wordt zonneklaar dat vrouwelijk textielarbeiders zeer
overwegend in de spinnerij werkten: in Leiden was in 1581 ruim driekwart van de in
de textiel actieve vrouwelijke hoofden van huishoudens geregistreerd als wolspinster,
in 1749 was dat nog steeds bijna zeventig procent. In Tilburg lagen de percentages
zelfs rondom negentig procent. Maar er zijn twee belangrijke observaties te maken: in
achttiende-eeuws Den Bosch werkten veruit de meeste vrouwelijke hoofden van huis-
houdens als kantklosster, in Zwolle verlegden vrouwen hun activiteiten in de loop van
de achttiende eeuw naar de kousenbreierij. De spinnerij was, met andere woorden,
niet het onvermijdelijke lot van vrouwelijke textielarbeiders. Even opmerkelijk: ook
mannen sponnen. In Leiden stond een kwart van de mannelijke beroepsbevolking in
de textiel geregistreerd als wolspinner; dat betrof dus ongeveer 750 individuen.
Andere gegevens, bijvoorbeeld over de opleiding van spinners en spinsters, ver-
sterken dit beeld. Een van de grote verdiensten van De draad in eigen handen is dat hier
wordt afgerekend met de mythe dat spinnen ‘wel eventjesaangeleerd kan worden. Het
is een hardnekkige mythe, die ook al in de achttiende eeuw bestond. Werkverschaf-
fingsprojecten veronderstelden dat werklozen het vak in drie weken onder de knie
zouden hebben. In feite bereikten kinderen in het Zwolse werkhuis na drie maanden
70 procent van het productiviteitsniveau dat van een volleerd spinner verwacht mocht
worden, na een jaar 85 procent en pas na twee jaar de volle 100 procent. Dit betrof
bovendien een hennepspinnerij, dat wil zeggen de meest elementaire vorm. In de
Leidse lakennijverheid wist men dan ook wel beter. De zeer rijke gegevens van het
plaatselijke weeshuis demonstreren dat het in de eerste decennia van de zeventiende
eeuw een tot anderhalf jaar duurde om weeskinderen de beginselen bij te brengen,
tseg_2008-1_tweede.indd 138 19-3-2008 20:57:16
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.