ChapterPDF Available

Als je nou politiecijfers combineert met slachtofferenquêtes , dan … ben je nog nergens.

Authors:

Figures

No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
Cahiers Politiestudies Meten is Weten.
Jaargang 2016-4, nr. 41 p. 43-55
preprintversie
Als je nou politiecijfers combineert met
slachtofferenquêtes, dan … ben je nog
nergens. Wat nu?
Henk Elffers1 & Jasper J. van der Kemp2
Dat het lastig is aard, omvang en locatie van de “werkelijke criminaliteit” vast te stellen is geen nieuws.
Wij laten in dit artikel alle bekende vertekeningsfactoren nog eens de revue passeren, en bespreken de
mate waarin ze tot vertekening zouden kunnen leiden. We betogen dat er geen remedie tegen deze
vertekening bestaat, ook niet door politiegegevens te combineren met gegevens uit
slachtofferenquêtes. Wij concluderen dat het wijs is af te zien van verdere pogingen om de “werkelijke”
criminaliteit te bepalen, en dat criminologen er goed aan doen de koers te verleggen: laten we ons
richten op de “in de ogen van de burgers belangrijke criminaliteit”, dat wil zeggen die gevallen van
criminaliteit die burgers ook feitelijk ter kennis van de politie brengen.
Inleiding
Hoeveel misdrijven worden er gepleegd? Dat klinkt als een eenvoudige vraag. Toch is het antwoord erop
niet bekend. Zeker, er zijn allerlei cijfers in omloop die soms met enige gretigheid worden
geïnterpreteerd alsof ze de “werkelijke” omvang van criminaliteit goed weergeven. Vaak wordt met die
cijfers dan gepoogd een beeld van aard, omvang en locatie van het vóórkomen van misdrijven te geven.
We moeten evenwel onder ogen zien dat zulks maar tot betrekkelijke hoogte een succes is.
De twee voornaamste bronnen van criminaliteitscijfers zijn politieregistraties en slacht- offerenquêtes.
In dit essay zullen we nagaan wat er precies schort aan deze bronnen. Strikt genomen is niet te bepalen
hoe goed of hoe slecht de cijfers een weergave vormen van de “werkelijke” criminaliteit als we die
laatste niet kennen. We zullen daarom vooral nagaan of we kunnen vaststellen op welke punten
politieregistraties en slachtofferenquêtes, vatbaar zijn voor vertekening. Dat is onze indirecte weg om
na te gaan in hoeverre ze mogelijk een onjuist beeld geven en of daar iets aan te doen is.
1 Senior onderzoeker NSCR, A msterdam; emeritus hoog leraar Afdeling Strafrec ht en Criminologie, Vrije
Universiteit Amsterdam.
2 Universitair docent Criminologie, Afdeling Strafre cht en Criminolo gie, Faculteit der Rechtsgeleer dheid, Vrije
Universiteit Amsterdam.
We schreven hierboven “werkelijke” criminaliteit steeds tussen aanhalingstekens om aan te geven dat
het een moeilijk benaderbaar begrip is. “Werkelijke” criminaliteit is moeilijk te meten, maar dat
betekent niet dat een dergelijke grootheid niet bestaat. Terecht wordt er wel op gewezen dat het begrip
criminaliteit een lastig concept is. Het is lastig omdat dat wat strafbaar is gesteld tijd- en
plaatsafhankelijk is. Ook zitten er vaak juridische haken en ogen aan het vaststellen of een bepaalde
gedraging strafbaar is. Die constateringen zijn natuurlijk juist, maar dat impliceert ook dat, in een
geografisch en temporeel bepaalde periode en gegeven de in die periode geldende omschrijving van
wat als een misdrijf telt, sprake is van een wel bepaald, maar moeilijk vast te stellen begrip.
Registratieproblemen, door de politie of in zelfrapportage in slachtofferenquêtes, zijn zo oud als de
criminologie, en dan ook regelmatig voorwerp van studie en reflectie. In ons taalgebied is Van
Kerckvoorde (1995) een vooraanstaande publicatie op dit gebied, die ook een mooie behandeling vanuit
historisch perspectief bevat.
Is het mogelijk door het combineren van politieregistraties en slachtofferenquêtes de werkelijke
criminaliteit beter te bepalen? Wij zullen hier betogen dat dat maar beperkt mogelijk is. We constateren
dat de onderkende problemen onoplosbaar zijn. Daarom doen we een voorstel om de aandacht te
verleggen van “werkelijke criminaliteit” naar “als belangrijk ervaren criminaliteit”.
Probleemschets
Het meten van de omvang, aard en locatie van het voorkomen van misdaad wordt in de regel gedaan op
basis van officiële registraties. Er zijn verschillende vormen en soorten van registraties, bij de politie, bij
het openbaar ministerie en bij de rechtspraak. Een veelgebruikte benadering is die op grond van wat
door politie wordt geregistreerd op basis van haar eigen bevindingen of op basis van meldingen of
aangiften van getuigen of slachtoffers. Dat is de input-kant van de politieactiviteiten: hoe vaak bemerkt
de politie dat er sprake is van een misdrijf? Men kan ook kijken naar de output-kant van de
strafrechtketen. Dan wordt geteld hoe vaak een officier van justitie een strafbeschikking heeft opgelegd
of een strafrechter een veroordeling heeft uitgesproken voor het begaan van een strafbaar feit.
Uiteraard bevat de output-registratie veel minder gevallen dan de input-registratie. Immers, de politie
lost lang niet alle zaken op, en stuurt ook niet alle wel opgeloste zaken naar het OM. Het OM seponeert
vervolgens ook heel wat zaken. Komt een zaak voor de rechter, dan zal die de rechter uiteraard ook af
en toe vrijspreken.
Men kan er over twisten welke registratie “beter” is, de input- of de outputregistratie. Bij de
inputregistratie zullen ook allerlei gevallen zitten die wel degelijk gevallen van misdaad zijn, maar
waarvan dat niet onomstotelijk wordt vastgesteld door een veroordeling. Aan de andere kant zullen er
ook gevallen tussen zitten die ten onrechte als een geval van misdaad worden gezien, en er verderop in
de strafrechtketen zouden zijn uitgefilterd. De outputregistratie heeft als sterk punt dat er in ieder geval
meer dan één persoon (een politiebeambte én een officier van justitie, én soms ook nog een rechter)
naar het geval heeft gekeken. Daarom zoal er allicht minder twijfel kunnen bestaan omtrent of een
dergelijk in een veroordeling eindigend feit een geval van een misdaad is geweest. Natuurlijk, ook dan
kan dat oordeel niet terecht zijn. Rechtelijke dwalingen komen voor, al lijkt het niet aannemelijk dat het
aantal dwalingen de criminaliteitscijfers wezenlijk vertekent. So far so good, maar dat betekent niet dat
op basis van de cijfers van veroordeelde feiten een weergave kan worden gegeven van de werkelijk
gepleegde criminaliteit. E is immers sprake van selectie van criminaliteit die in beeld komt bij de politie,
die tot opsporingshandelingen leidt, die tot oplossing van de zaak en het aanhouden van e n verdachte
leidt, die tot vervolging leidt en waarvoor een veroordeling volgt. De aantallen feiten die in veroordeling
eindigen maken dus wel een relatief zuivere registratie uit: dat wat is geregistreerd heeft een grote kans
correct te zijn. Echter, de totaliteit aan gebeurtenissen die tot veroordeling leiden is zowel qua aard als
qua omvang een minieme en niet-representatieve afspiegeling van de werkelijke criminaliteit. Een groot
en bovendien selectief deel van de zaken valt in die keten van opsporing, vervolging en berechting af,
ook als het wel degelijk om ‘echte’ gevallen van criminaliteit gaat.
Zeker als we willen overwegen om slachtofferenquêtes te combineren met registratie- cijfers lijkt
daarom de inputregistratie van de politie een mogelijk betere benadering voor het vaststellen van het
voorkomen van misdaad. Immers, slachtofferenquêtes vragen in het algemeen of mensen slachtoffer
zijn geworden van een geval van misdaad en of ze dat aan de politie hebben laten weten. Dat sluit
duidelijk aan bij de politiële inputregistratie Daarom zullen wij onze aandacht daar nu op richten.
Factoren van vertekening van politieregistraties van criminaliteit
Om te kunnen worden geregistreerd moet van een criminele gebeurtenis melding worden gemaakt, of
de politie moet de gebeurtenis zelf constateren. Misdrijven die bij de politie worden aangebracht
worden brengmisdrijven genoemd (Elffers, 2003). Dat zijn die incidenten die burgers ter kennis brengen
van de politie. Of burgers melding maken begint bij de vraag of ze een incident wel als criminaliteit
herkennen. Van sommige vormen van criminaliteit is het vrij helder, een inbraak in je woning is een
duidelijk herkenbare vorm. Maar hoe zit dat met uitgescholden en bedreigd worden op straat? Niet elke
burger zal dat herkennen als een incident dat je als misdrijf telt. Het is te verwachten dat het herkennen
van een incident als een geval van misdaad zal variëren tussen verschillende typen van delicten. Denk
bijvoorbeeld aan een poging tot inbraak waarbij er geen sporen zijn van een poging tot braak. Zonder
directe waarneming van die poging tot criminaliteit merk je er niets van en meld je dus niet. Zelfs als je
het wel hebt zien gebeuren is het nog de vraag of zo’n mislukte poging wel als misdrijf wordt gezien: het
is immers goed afgelopen. Niet iedereen zal een poging tot een misdrijf ook als een misdrijf ervaren.
Toch zou zo’n poging veelal wel behoren mee te tellen bij het bepalen van aard, omvang en locatie van
criminaliteit. Het niet herkennen van misdrijven of strafbare pogingen daartoe zal leiden tot een stevige
ondervertegenwoordiging in de politieregistraties. En voor sommige vormen van criminaliteit zal het
herkennen lastiger zijn dan voor andere vormen. Een vorm van criminaliteit waarvoor vermoedelijk in
hoge mate geldt dat herkenning ervan lastig is, is cybercrime. Het inbreken in een computer via malware
is tegenwoordig niet al te ingewikkeld. Malware kan vervolgens de computer doorzoeken op mogelijke
kwetsbaarheden voor verder misbruik en daar eventueel gebruik van maken. Van dit alles hoeft het
(potentiële) slachtoffer niets mee te krijgen.
Naast het al dan niet herkennen ervan, kan bij brengmisdrijven ook een rol spelen dat het slachtoffer
het incident niet ervaart als vorm van criminaliteit waarvan melding kan worden gedaan. De situatie van
een vechtpartij waar twee personen bij betrokken zijn, hoeft niet te leiden tot een melding van
criminaliteit als beiden vinden dat zij dader zijn of niet vinden dat de politie erbij moet worden
betrokken. Dit laatste punt geldt in de regel voor alle criminaliteit tussen misdadigers onderling. Deze
gevallen van criminaliteit worden dan alleen naar de politie ‘gebracht’ als er sprake is van waarneming
door e n getuige d e besluit er melding van te maken. Voor die getuige geldt dan eerst weer d t die een
incident moet herkennen als vorm van criminaliteit, en dat hij het als vorm van criminaliteit ervaart die
meldenswaardig is.
Een incident kan dus al dan niet worden herkend en erkend als meldenswaardig. Maar zelfs als er wel
een melding wordt gedaan bij de politie hoeft dit niet tot registratie in de vorm van een aangifte te
leiden. Soms besluit de politie iets anders te doen met die melding. Zo kan een melding van overlast op
een plein door hanggroepjongeren ertoe leiden dat een wijkagent polshoogte gaat nemen. Als de groep
zich al heeft verplaatst of blijkt geen ernstige overlast te geven, dan hoeft die situatie niet tot verdere
registratie te leiden. Zelfs als een slachtoffer van criminaliteit zich meldt bij het bureau kan de situatie
zich voordoen dat er geen registratie wordt gedaan in de vorm van een aangifte. Weliswaar is er een
wettelijke verplichting aangifte op te nemen (krachtens artikel 163 lid 6 Sv), maar lang niet altijd is, in de
ogen van de behandelende agent, duidelijk òf iemand eigenlijk aangifte wil doen of daar verstandig aan
doet. Dit lijkt met name bij mogelijke zedenmisdrijven een probleem voor de registratie te zijn. Hierover
werd eind 2015 in verschillende Nederlandse media discussie gevoerd naar aanleiding van een
opiniestuk van Laterveer (2015) over haar ervaring met het niet kunnen doen van aangifte.3Ter discussie
werd gebracht in hoeverre de mate waarin een slachtoffer schat dat een aangifte zinvol is, van invloed is
op het doen van een melding van bij de politie. Of de politie vervolgens de melding registreert als
aangifte wordt ook beïnvloed door de schatting van de betreffende politiebeambte op mogelijkheden
voor opsporingsonderzoek en eventueel vervolging.
Zo komen wij bij de vijfde factor die de registratie van brengmisdrijven beïnvloedt, namelijk een
mogelijke discrepantie tussen hoe criminaliteit wordt ervaren door een slachtoffer en de wijze waarop
daarvan registratie wordt gedaan in de politiesystemen. De burger die slachtoffer is geworden van een
inbraak, komt zich bij de politie melden met die mededeling. Ook als de politie dat geval wel degelijk
opneemt in de politieregistratie, is vervolgens dat incident niet meer gemakkelijk als zodanig terug te
vinden. De omschrijving van de inbraak wordt bijvoorbeeld diefstal door middel van braak, of het
gebruik maken van een valse sleutel. De wijze waarop de melding van een slachtoffer wordt
geregistreerd en gecategoriseerd beïnvloedt daarmee het zicht op de werkelijke criminaliteit. Hier
wreekt zich dat een incident niet slechts één onomstotelijke beschrijving en kwalificering als geval van
misdaad kent.4 Die wijze van vervorming van ervaren misdaad naar registratie van criminaliteit is
logischerwijs verschillend voor verschillende typen criminaliteit. Het voorbeeld hierboven van een
inbraak is maar een kleine vervorming en alleszins nog redelijk te volgen als we inzicht in de mate en
aard van inbraken willen krijgen. Maar voor, bijvoorbeeld, veel vormen van dierenmishandeling geldt
dat zij doorgaans worden geregistreerd als economische delicten, waarbij het delict wordt omschreven
als het vernielen van andermans eigendom. Hoezeer ook juridisch correct, die omschrijving geeft weinig
inzicht in de aard (en daarmee de omvang) van d werkelijke vorm die dat delict had, namelijk geweld
3 Zie ook de rea ctie van Swie r (2015) in de Volkskra nt. Een wete nschappelijk diepgaand er behandeling van deze problematie k vindt me n bij Haket (2007).
4 Strafvorderlijk wordt dit verder in de keten vaak opgelost door complexe s ubsidiaire tenla steleggingen, en het gebruik va n verzachtende termen a ls ”althans”,
omstreeks”, etc. V oor de verteken ing die er tussen criminele gebeur tenis en gere gistreerde gebeur tenis plaatsgrijpt vormt dat g een oplossing.
tegen een dier.
Opsommend, we zien vijf vertekeningsfactoren (Elffers,2003): brengmisdrijven die burgers waarnemen
of ervaren kunnen: (a) niet worden herkend als geval van misdaad; (b) niet worden gemeld bij de politie;
(c) wel worden gemeld maar niet aangegeven; (d) niet worden geregistreerd; (e) bij registratie worden
vervormd.
Naast het registreren van brengcriminaliteit constateert de politie ook zelf gevallen van misdaad:
haalmisdrijven (Elffers, 2003). Of de politie zulke gevallen tegenkomt en dan registreert, wordt uiteraard
sterk beïnvloed door de inzet van politiepersoneel en de kwaliteit van hun waarneming. Allereerst is een
belangrijke factor die de registratie van haalcriminaliteit beïnvloedt de capaciteit die de politie
beschikbaar heeft of maakt om zulke criminaliteit te constateren. Als voorbeeld voor het effect op de
vertekening van registratiecijfers door politie-inzet kunnen we kijken naar verkeersmisdrijven. Het
constateren van dronken rijden vergt veel politie-inzet. Dat betekent dat heel veel gevallen van dronken
rijden niet zullen worden waargenomen, ongeacht hoe makkelijk of moeilijk het is om een geval van
dronkenschap vast te stellen. Dat geldt ook zelfs wanneer dat laatste, het vaststellen van een
overtreding, met vrijwel 100% zekerheid kan plaatsvinden door automatische registratie. Zo zal
trajectcontrole op de snelweg een accurate weergave in de registratie geven van
snelheidsovertredingen (overigens meestal niet gekwalificeerd als misdrijf maar als overtreding) ter
plaatse. De haalcapaciteit van de camera’s is immers zeer hoog. Maar zolang niet alle wegen van zulke
systemen zijn voorzien, kunnen we er van uitgaan dat op het totaal van snelheidsovertredingen de
registraties door middel van trajectcontrole een beperkte weergave zijn van alle werkelijk gepleegde
snelheidsovertredingen. Als de mate van selectie door onvolledige waarneming al geldt voor goed vast
te stellen vormen van criminaliteit, dan is duidelijk dat voor minder zichtbare vormen dat tot een
navenant sterkere selectie leidt.
De politie neemt zelf maar weinig misdrijven waar. Dat is ook niet zo vreemd. De meeste daders plegen
hun misdrijven immers niet onder de neus van de politie. De mate waarin de politie gericht aan het
zoeken is of er criminaliteit valt waar te nemen, en vervolgens de mate waarin die criminaliteit dan ook
wordt gevonden, bepaalt dus de registratie. In de regel geldt dat de politie haalcriminaliteit kan
registreren na toevallige waarneming of na gericht zoeken. De politie zoekt gericht naar vormen van
criminaliteit waar het beleid prioriteit aan heeft toegekend. Extra problematisch voor de registratie is
daarbij dat zulke prioriteiten vaak snel wisselen: wat vorig jaar als prioriteit gold, wordt vaak dit jaar
door een nieuwe vervangen. En die wisselingen in prioriteit variëren dan ook nog lokaal en regionaal. Als
voorbeeld, de politie zoekt actief naar hennepplantages of synthetische drugslaboratoria in woonwijken,
vanwege de risico’s voor de volksgezondheid. Het kunnen registreren van zulke vormen van criminaliteit
wordt bepaald door de mate waarin de politie succesvol is in het kunnen vinden van de locaties waar die
criminaliteit wordt gepleegd. De registratie die volgt na zo een succesvolle vondst leidt weer tot de
eerder genoemde vervorming want een hennepplantage wordt niet als zodanig geregistreerd, maar valt
al snel onder vier of vijf verschillende delictsomschrijvingen.
Daarmee komen wij op het laatste punt van het probleem van criminaliteitscijfers. De registraties in de
verschillende systemen hebben soms betrekking op één incident, waarvan ook één registratie wordt
geadministreerd. Soms echter hebben meerdere geregistreerde feiten betrekking op één incident. Dat
laatste is het geval wanneer een incident, zoals het exploiteren van een hennepplantage, tot overtreding
van verschillende wetten leidt. De vraag is dan natuurlijk wat moeten wij precies meten als we de
criminaliteit willen meten; de verschillende overtredingen van verschillende wetten of de criminele
gebeurtenis?
Men kan zich afvragen of het mogelijk is de mate van inzet van de politie te gebruiken als een
weegfactor, teneinde daarmee de aantallen haalmisdrijven te corrigeren en zodoende de werkelijke
haalcriminaliteit beter te benaderen. Dat is in theorie een prachtig idee, maar het is praktisch volstrekt
onuitvoerbaar. Er bestaat geen registratie van waar elke agent zijn tijd aan besteedt op het niveau van
individuele haalmisdrijven. Het lijkt wel zeker dat zo’n registratie er ook niet gaat komen (Elffers &
Bruinsma, 2005).
De mate van vertekening
In de vorige paragraaf hebben wij aangevoerd dat politieregistraties op een aantal punten de werkelijke
criminaliteit niet volledig en juist weergeven. Thans zullen we nagaan hoe serieus dat probleem eigenlijk
is: is er sprake van een wezenlijke misrepresentatie, zodat we op grond van politiecijfers een behoorlijk
verkeerd beeld krijgen? Of valt het allemaal wel mee, is er weliswaar sprake van vertekening, maar is die
qua aard en omvang beperkt? Teneinde daarover een gefundeerde mening te vormen zullen we de in de
vorige paragraaf aan de orde gestelde vertekeningsmechanismen een voor een nagaan: wat is er over
bekend, en valt de vertekening vanwege die factoren te kwantificeren?
Het is goed zich te realiseren dat politiecijfers vaak worden gebruikt voor vergelijking in de tijd. Daarvoor
geldt dat vertekening mogelijkerwijs niet zo’n ernstig probleem is, voor zover althans de
vertekeningsfactoren redelijk stabiel zijn in de tijdspanne waarover wordt vergeleken. Als zowel in 2014
als in 2015 ongeveer 30% van alle vernielingen wordt aangegeven, dan kan je aan de geregistreerde
aantallen vernielingen in beide jaren goed zien of er sprake is van een stijging of daling. Weliswaar zijn
die aantallen elk voor zich vertekend ten opzichte van de werkelijke aantallen, maar de mate van
vertekening is nagenoeg constant. Helaas is de aanname van stabiliteit van vertekening vaak moeilijk
hard te maken. Analoge argumentatie kan van nut zijn bij andere vergelijkingen, zoals tussen
politiedistricten, getroffen bevolkingsgroepen, soorten misdrijven, telkenmale mits de
vertekeningsgraad min of meer constant is over de te vergelijken eenheden. We zullen daarom steeds
onderscheid maken naar absoluut gebruik van politiecijfers en vergelijkend gebruik.
Vertekeningsfactor a): misdrijf niet als zodanig herkend
Het is duidelijk dat de mate waarin misdrijven als zodanig door slachtoffers en omstanders (en daders
trouwens ook) worden herkend in de loop van de tijd aan verandering onderhevig is. In de eerste plaats
kan dat komen doordat gebeurtenissen die vroeger in de strafwet of jurisprudentie niet als misdrijf
werden aangemerkt, later wel die status verwierven. Soms gebeurt dat door nieuwe strafbaarstellingen
door de wetgever, in het Wetboek van Strafrecht, of wellicht vaker, in instrumentele wetten. Denk
bijvoorbeeld aan handel met voorkennis, of aan allerlei milieudelicten. Soms ook gebeurt het door
rechterlijke wetsuitleg (denk aan het tongzoenarrest, dat de omschrijving van aanranding en
verkrachting aanscherpte). Het kan natuurlijk ook de andere kant op, dat wil zeggen dat wat vroeger als
strafbaar werd aangemerkt die status verliest. Door de versoepeling van de euthanasieregelgeving zijn
bepaalde gebeurtenissen die vroeger als moord zouden worden omschreven gedecriminaliseerd.
Misschien wel belangrijker dan veranderingen in wet of jurisprudentie is verminderde of juist versterkte
maatschappelijke acceptatie van bepaalde gebeurtenissen. Huiselijk geweld of kindermishandeling is
daarvan een voorbeeld: waar men vroeger veelal vond dat men zich niet moest bemoeien met wat er
achter de voordeur van anderen gebeurt, is er nu een sterke maatschappelijke druk om dat bij bepaalde
gebeurtenissen juist wèl te doen. Wet noch wetsuitleg zijn veranderd, maar burgers herkennen en
erkennen zulke gebeurtenissen als misdrijf, waar ze dat vroeger niet zouden hebben gedaan. Soms
worden burgers daartoe gestimuleerd door overheidscampagnes of meldpunten. De acceptatie van
coffeeshops waar men softdrugs kan kopen is een voorbeeld de andere kant op, dat is vrijwel algemeen
geaccepteerd, onder voorwaarden.
Waar het niet moeilijk is om voorbeelden te verzinnen van ontwikkelingen die tot vaker dan wel juist
minder vaak herkennen als misdrijf aanleiding geven, is ons geen onder- zoek bekend dat dit
verschijnsel kwantificeert voor verschillende misdrijven. We kunnen ons dan ook geen mening vormen
over de mate waarin dit fenomeen politiecijfers vertekent. Wanneer cijfers binnen een zelfde tijdvak
worden vergeleken, bijvoorbeeld tussen regio’s, zal dit probleem allicht minder spelen. Ook voor
vergelijkingen door de tijd over korte tijdsperiodes, zeg één of een paar jaar terug zal dit verschijnsel
niet al te storend zijn, veranderingen in maatschappelijke opvattingen plegen traag te gaan. Dat geldt
minder ten aanzien van het veranderen van wettelijke strafbaarstellingen, die immers juist op een
bepaald punt in de tijd gelokaliseerd zijn. Hier is onderzoek denkbaar, in die zin dat we kort na een
wetswijziging dan meer of juist minder gevallen in de politiecijfers verwachten, waarbij we er natuurlijk
rekening mee moeten houden dat er allicht enige of zelfs behoorlijk veel tijd overheen gaat voordat een
wetswijziging ook doordringt tot het collectieve bewustzijn.
Vertekeningsfactoren b) en c): als zodanig herkend misdrijf wordt niet aan de
politie gemeld, of wel gemeld maar de melder wil daar geen aangifte van
maken
Niet iedereen die zich bewust is dat hij weet heeft van een misdrijf, wendt zich met die informatie tot
de politie. Slechts 38% van hen die een gewelds-, vermogens- of vandalismemisdrijf hebben
meegemaakt meldt dat de politie (Veiligheidsmonitor 2015:77). Dat is natuurlijk verrassend weinig, en
Van der Kemp (2015) stelt aan de orde of het publiek eigenlijk nog wel op de politie mag mopperen, of
zich mag ergeren aan het feit dat de vraag naar stijging of daling van criminaliteit niet kan worden
beantwoord. Als in meer dan 60% van alle gevallen dat het publiek een misdrijf meemaakt, men niet
eens de moeite neemt om dat aan de politie te laten weten, is het geen wonder dat slechts een
onvolledig beeld van de criminaliteit beschikbaar is. Enigszins cynisch legt Van der Kemp de schuld bij de
burger: die kan het kennelijk niks schelen dat de politie geen weet krijgt van een groot deel van de
misdrijven die hen overkomen. Hij wordt daarin gesteund door onderzoek naar de redenen waarom
burgers geen aangifte doen. De cijfers hierover zijn al wat ouder, sinds 2012 gaat de veiligheidsmonitor
niet meer in op de reden waarom mensen wel of niet melding maken. We geven hier de cijfers van de
voorganger van de Veiligheidsmonitor, de Politiemonitor 2003 (waarin 125000 Nederlanders werden
ondervraagd) deed dat wel, en daaruit komt dit citaat:
“Gevraagd naar de redenen om geen aangifte te doen, antwoordt 36 procent dat ze het niet
belangrijk genoeg vonden en 34 procent dat aangifte doen toch niets zou helpen. Daarnaast
noemt 21 procent de schade te gering om aangifte te doen, terwijl 20 procent zulke zaken zelf
regelt.” (Politiemonitor 2003:60)
Dat wil zeggen dat een ruime meerderheid van niet-aangevers laat weten dat ze weliswaar kennis
dragen van een misdrijf, maar dat het om zaken gaat waarvoor aangifte doen niet de moeite waard is.
Dit zet vraagtekens bij de gedachte dat we eigenlijk geïnteresseerd zouden moeten zijn in “alle gevallen”
van criminaliteit. Je zou je kunnen voorstellen dat we eigenlijk alleen maar baat hebben bij kennis
omtrent zaken waar het publiek behoefte heeft aan steun van de politie, blijkend uit het doen van
aangifte. Ofwel, dat onze aandacht voor vertekening door niet melden en aangeven nergens op slaat,
omdat de aldus gedefinieerde “echt belangrijke” gevallen de statistiek wel degelijk halen. Anderzijds
blijkt dat aangifte toch vooral ook wordt gedaan omdat daarmee financiële compensatie van schade,
bijvoorbeeld door een verzekering, in zicht komt:
Redenen om aangifte te doen die het meest worden genoemd zijn: om een bewijs van de
verzekering te krijgen (53%), omdat de dader gepakt moest worden (49%) en omdat men het
een plicht vindt (40%). Redenen die verder relatief vaak worden genoemd zijn: om de gestolen
goederen terug te krijgen (34%), om te voorkomen dat de situatie erger zou worden (27%) en
om de politie extra te laten surveilleren (23%). (Politiemonitor 2003:60)
Je kunt je afvragen of een aangifte om die reden gedaan eigenlijk kwalificeert als een “echt belangrijk
geval”. Eigenlijk wordt de politie hier gebruikt als de registratie- afdeling van de
verzekeringsmaatschappijen, hetgeen zeker voor kleinere zaken wellicht niet wenselijk is. Wij menen dat
hier in totaliteit een beeld oprijst van onvoldoende helderheid voor onderzoek naar wat eigenlijk wordt
verstaan onder “een criminele gebeurtenis”. Zou het niet de moeite lonen om een serieuze poging te
wagen om het begrip op te breken in “geval van politie-waardige criminaliteit” en “bagatelgeval van
criminaliteit”, om op die manier het vraagstuk van de meldings- of aangiftebereidheid beter onder
controle te krijgen?
Het onderscheid tussen melden en aangeven is een bijzonderheid van het Nederlandse systeem. Wie
zich tot de politie wendt om hen op de hoogte te stellen van een gebeurtenis waarvan de rapporteur
vermoedt dat er sprake is van een misdrijf, krijgt vroeg of laat de vraag of men bereid is ook aangifte te
doen, en die aangifte, zoals in artikel 163 Sv is voorgeschreven, te ondertekenen. Voor zover er geen
sprake is van een verplichting tot aangifte (art. 160 Sv: dat gaat om misdrijven tegen de staatsveiligheid;
art. 162 Sv: dan gaat het om ambtenaren die in de uitoefening van hun ambt kennis nemen van een
misdrijf ) staat het de melder vrij daarvan af te zien. Soms realiseren mensen zich pas doordat ze een
aangifte gaan ondertekenen welke gevolgen dat met zich kan brengen (bekend worden van hun naam
en adres bij een verdachte, verstoorde relatie met de dader of zijn bekenden, kans op represailles,
bekend worden van hun eigen rol in de zich ontrold hebbende gebeurtenissen, noodzaak eventueel in
de rechtszaal te verschijnen,…), en men kan daarvoor terugschrikken. Politiemensen zullen, desgevraagd
of uit eigen beweging, melders wijzen op zulke risico’s. Het komt daarom regelmatig voor dat melders
uiteindelijk géén aangifte doen. In 2014 was dat bij bijna 1 op de 4 meldingen het geval (C&R 2014:19).5
Figuur 1 : Aangitepercentages 2012-2015 per regionale eenheid (RE)
Een van de andere zaken die naar voren kwamen uit de Politiemonitor-bevolking is dat het percentage
gevallen van bij een burger bekend misdrijf tot melding of aangifte leidde nogal uiteenloopt, zowel qua
regio als qua type criminaliteit. (Die grootheden worden vaak enigszins misleidend meldings- en
aangiftebereidheid genoemd, ofschoon het gaat om feitelijke percentages meldingen en aangiftes t.o.v.
het aantal bij burgers bekende gevallen; wij zullen hier aansluiten bij deze ingeburgerde terminologie).
We zullen hier echter niet op de Politiemonitor-bevolking ingaan, maar op zijn recentere nakomeling, de
Veiligheidsmonitor 2015. Kijken we naar aangiftebereidheid voor alle delicten, dan loopt dat over de 43
politiedistricten in 2015 uiteen van 20% in district Amsterdam Zuid tot 39% in district Helmond
(Veiligheidsmonitor 2015:187, tabel 4.8b). Tussen sommige typen criminaliteit zijn de verschillen nog
groter: aangiftebereidheid (landelijk) loopt uiteen van 12% voor seksuele delicten tot 55% voor (poging
tot) auto- diefstal, over heel Nederland (Veiligheidsmonitor 2015:186, tabel 4.8a; voor cybercrime zijn
deze percentages nog veel lager). Dat wil dus zeggen dat zelfs bijna de helft van de autodiefstallen
(nochtans het meest aangegeven misdrijf ) niet aan de politie ter ore zou komen! Als we ook kijken naar
aangiftepercentages door de recente tijd, dan blijkt dat over het hele land tezamen in tussen 2012 en
2015 niet geweldig uiteen te lopen (tussen de 29% in 2012 en 27% in 2015 ; Veiligheidsmonitor
2015:190). Kijken we echter naar de ontwikkelingen per regionale politie-eenheid voor dat tijdvak, dan
zien we een heel wat grilliger beeld (figuur 1). We zien voor de verschillende regionale eenheden sterk
uiteenlopende cijfers, in absolute zin en in termen van verandering.
5 Overigens is het jargon dat hier, in navolging van de Politie monitor, is gebruikt voor burgers niet helder.
Daarom formuleerden de e nquêteurs, begrijpelij k maar tekene nd voor de ge vreesde verwa rring, in de feite- lijke vragenlijst van de Politiemonito r de vraag naar
melding als: “Heeft u dit voorval aa ngegeven bij de politie?”, terwij l de vraag naar aangifte vervolgens dan wordt gesteld als: “H eeft u van deze aangifte een
aangiftekaart of proces-verbaal ondertekend?”.
Een en ander betekent dat ook voor veel comparatief gebruik van politieregistraties de cijfers
onbruikbaar zijn, als we ze willen zien als afspiegeling van de totale criminaliteit. We herhalen daarom
de vraag of we eigenlijk er goed aan doen om vast te houden aan het doel van het vaststellen van de
“totaal ervaren criminaliteit”.
Vertekeningsmechanisme (d) registratiefouten
“Alles wordt geregistreerd, tenzij dat niet nodig is” was ooit het adagium van een wacht- commandant
op een niet nader te noemen politiebureau, en daar is in een kort zinnetje het hele probleem
weergegeven. “Altijd aangifte opnemen” is een wettelijke verplichting (Art 163 lid 6 Sv) die evenwel niet
zo eenvoudig op te volgen is. Het is een vroom voornemen, dat nogal eens in de nieuwjaarstoespraken
van politiechefs voorkomt. Het miskent dat het helemaal niet altijd duidelijk is of een gebeurtenis
waarover een burger de politie komt aanspreken eigenlijk onder de noemer van “alles” valt, in de zin dat
het een door een burger als geval van criminaliteit ervaren gebeurtenis is. De politieman of vrouw
achter de balie, aan de telefoon of tijdens de surveillance moet daarover een beslissing nemen. Een
verstandige beslissing is allerminst altijd “aangifte opnemen”. Bekijk eens dit voorbeeld: “Help, ik ben
bestolen” gilt een burger aan de balie. Is dat een verzoek om aangifte te doen? Of een verzoek om hulp?
Een vergeetachtige oude dame die komt klagen dat haar huissleutel is gerold wordt misschien beter
geholpen door haar handtas samen nog eens onderste boven te keren, dan door een aangifte van dit
veronderstelde misdrijf op te nemen. Boze jongeren die een politiek statement over het jeugdloon
komen maken willen natuurlijk niet echt aangifte doen tegen een bepaalde werkgever, maar aandacht
voor hun standpunt genereren. Een paranoïde man die meent te worden belaagd kan misschien beter
naar de geestelijke gezondheidszorg worden begeleid dan dat zijn aangifte wordt opgenomen. Het
sussen van een caféruzie kan een veel bevredigender actie van een politieagent zijn, dan dat hij twee
aangiften gaat opnemen van de vechtersbazen die elkaar van geweldpleging betichten. Kortom, tussen
“alles” en “alles wat tot een aangifte moet leiden” zit nogal wat ruimte. Politiemensen hebben de taak
om daar naar bevind van zaken een verstandige keus te maken. Het is op voorhand aannemelijk dat de
cultuur op een bepaald bureau daarop van invloed zal zijn: op sommige bureaus krijg je waardering als
je veel aangiftes opneemt, op andere misschien als je veelvuldig een helpende hand toesteekt. Het is,
menen wij, zo een mechanisme dat het verschil tussen melden en aangeven, zoals boven behandeld,
begrijpelijk maakt. Als een agent een gesprek met een burger niet als een verzoek om aangifte ervaart
en behandelt, wil dat natuurlijk geenszins zeggen dat die burger niet later in een slachtofferenquête
invult wel gemeld, maar niet aangegeven te hebben. Er is ons geen systematische studie van de
interactie tussen burgers en agenten tijdens het melden bekend, zodat we in het duister tasten over de
mate waarin dit de verhouding tussen politieregistraties en “alles wat de burger als geval van misdrijf
ervaart” aantast.
Vertekeningsmechanisme (e) vervorming
Als een agent hetgeen een burger hem meedeelt ervaart als een gebeurtenis waar aangifte over wordt
gedaan, wat registreert hij dan? De waarheid en niets dan de waarheid? De agent zal dat vast proberen,
maar lukt hem dat ook? Ook hier is weer ampel ruimte voor beslissingen. Het
aangifteregistratiesysteem is natuurlijk gericht op de politiële taak van de opsporing, en zal daarom een
gebeurtenis klasseren in categorieën die voor opsporing en vervolging nuttig zijn. Die categorieën zijn
niet zelden juridische categorieën die niet naadloos aansluiten op de beleving van de agent en van de
aangevende burger. Bovendien is het geenszins gezegd dat er een unieke “correcte registratie” is. U
vindt dat uw buurman zich wederrechtelijk aan uw gemeenschappelijke heg heeft vergrepen door hem
een halve meter lager te snoeien dan u prettig vindt. Wat doet een agent daarmee? Vernieling
registreren? Of ontvreemding van aan u toebehorend hout? Of zal hij zeggen dat er een civielrechtelijk
geschil tussen u en uw buurman bestaat, waarbij voor het strafrecht geen plaats is? Zal zijn keus voor
deze of andere oplossingen niet beïnvloed worden door het strafrechtelijk klimaat? We weten
bijvoorbeeld uit de studie van Egelkamp (2002) dat identieke gebeurtenissen door de tijd heen heel
anders beoordeeld worden: wat eerst als “duwen en trekken” werd gezien werd enkele jaren later als
“geweldpleging” genoteerd. Met uitzondering van deze studie is ons overigens geen kwantificering van
dit vervormingseffect bekend.
Kan gebruik van slachtofferenquêtes helpen?
De vijf hier besproken vertekeningsfactoren overziend, kunnen we niet anders dan concluderen dat de
vertekening die tussen “de werkelijke criminaliteit” en de “geregistreerde criminaliteit” ontstaat fors is.
We hebben onvoldoende zicht op de omvang van de werking van de verschillende factoren om te
kunnen hopen op een methode om de vertekening daarmee te corrigeren. Is het denkbaar dat door
gebruik te maken van slachtofferenquêtes de geregistreerde criminaliteit te corrigeren is en de
werkelijke criminaliteit beter kan worden benaderd? De redenering achter deze optimistische
veronderstelling is dat men via de slachtofferenquêtes kijk krijgt op de mate van non- registratie van
wel als criminaliteit ervaren gebeurtenissen, en op grond daarvan zou kunnen corrigeren. Als we weten
dat zeg slechts de helft van alle autodiefstallen wordt aangegeven, dan zouden er dus tweemaal zoveel
autodiefstallen door burgers worden ervaren als de politie registreert. Een correctiefactor van twee lost
dat dan op. Helaas, deze voorstelling van zaken is illusoir, stellen wij. Allereerst moeten we ons
natuurlijk realiseren dat op deze wijze slechts één van de genoemde vertekeningingsfactoren wordt
beschouwd, de andere blijven uit zicht. In de tweede plaats, slachtofferenquêtes geven informatie over
een beperkt aantal (in Nederland ca. tien) typen criminaliteit. Alle andere worden niet aan de
respondenten voorgelegd. Daarvan weten we dus ook niets over aangiftebereidheid. Ten derde, en dat
is de belangrijkste tegenwerping, deze cor- rectiemethode gaat ervan uit dat de antwoorden op een
slachtofferenquête betrouwbaar en valide zijn. Dat is evenwel onjuist. Elffers en Averdijk (2007; vergelijk
ook Averdijk & Elffers 2012; Elffers & Averdijk, 2012) lieten zien dat er grote twijfel op zijn plaats is aan
de nauwkeurigheid waarmee respondenten blijken te rapporteren over incidenten. In een studie waarin
ze Amsterdamse slachtofferenquêtes en politieregistratie vergeleken, schrijven zij:
Een opvallend groot gedeelte van de in de slachtofferenquête tegenover een interviewer
gerapporteerde aangiftes blijkt niet terug te vinden in de politieregistratie. Van 29% wordt
geen enkel spoor aangetroffen, van 7% is aannemelijk dat het incident eigenlijk op een
huisgenoot betrekking had, 28% wordt wel teruggevonden, maar heeft volgens de
politieregistratie betrekking op een eerder tijdvak dan waarnaar gevraagd werd (een jaar voor
de bevraging). Er is dus sprake van een fors ‘forward telescopingeffect’. Van slechts 35% wordt
eenduidig een directe tegenhanger in het politieregistratiesysteem aangetroffen. Elffers &
Averdijk (2007:3)6
In dit voorstel wordt geregistreerde criminaliteit vrijwel identiek aan “in de ogen van het publiek
belangrijke criminaliteit”. Immers, we hebben dan vier van de vijf onderkende vertekeningsfactoren
ondervangen: die tellen niet langer als vertekeningsfactor. Die vier factoren vormen een integraal
onderdeel van het proces dat het belang in de ogen van het publiek genereert. Slechts de vijfde
vertekeningsfactor, niet of anders registreren na aangifte, blijft bestaan. De impact van die factor kan
overigens door empirisch observatieonderzoek naar het registratieproces worden benaderd.
Misschien vindt u, lezer, ons voorstel te radicaal? Niet ontkend kan worden dat we de wereld van de
criminaliteitscijfers drastisch opschudden. De, ongetwijfeld niet altijd stabiele, perceptie van het publiek
gaat een hele belangrijke rol spelen bij het bepalen van criminaliteitscijfers. Dat laatste is trouwens
allerminst ongebruikelijk in ons vakgebied, zaken als “vertrouwen in de politie” worden immers óók
vastgesteld door naar de perceptie van burgers te vragen. Wij menen dat het tijd is voor een radicale
nieuwe richting. Het vraagstuk van de vertekening van de “werkelijke criminaliteit” is al decennia oud en
er is geen oplossing in zicht. Is het dan niet de hoogste tijd voor iets nieuws?
Wij zijn ons bewust van het feit dat ons voorstel, kijk naar “in de ogen van het publiek belangrijke
criminaliteit” nog heel wat uitwerking behoeft. Er zitten allerlei haken en ogen aan het gebruik van de
perceptie van publiek als maat. Niettemin, wij denken dat ons voorstel, bij passende uitwerking, een
grote stap voorwaarts kan zijn. Uw criminologische perceptie kan een andere zijn, maar duidelijk mag
zijn dat wij ook die willen horen.
6 Men spreekt van telescop ing als een r espondent zich een voorval wel herinnert, maar het onjuist i n de tijd plaatst. Als wo rdt gevraagd of iemands fiets de
afgelopen 12 maanden is gestolen, ko mt het regelmatig voor dat respondenten een dergelijke diefstal rapporteren die feitelijk eerder had plaatsgevonden. Dit
wordt wel for ward telesco ping genoemd. Ook het o mgekeerde komt voor, me n rapporteert een ondervo nden diefstal niet, omdat men, ten onrechte , meent dat
die gebeurtenis eerder dan de bevra agde periode viel, backward te lescoping.
Literatuur
Averdijk, M. & H. Elffers (2012) The Discrepancy between Survey-Based Victim Accounts and Police Reports Data
Revisited. International Review of Victimology 18/2, 91-107 DOI: 10.1177/0269758011432955.
Elffers, H. (2003) Leugens, verdraaide leugens, statistiek en … misdaadstatistiek. STAtOR 4/3, 10-16.
Elffers, H. en M. Averdijk (2007). Aangeven aan te geven. Rapport NSCR-2007-5. Leiden: NSCR.
Elffers, H. & M. Averdijk (2012) Slachtofferenquêtes overschatten het criminaliteitsniveau nogal stevig.
In: Pauwels, L., S. de Keulenaer, S. Deltenre, E. Devroe, H. Elffers, J. Forceville, R. Kerkab, E. Maes, D.
Moons, S. Pleysier, P. Ponsaers, E. van Dael (red., 2012) Criminografische ontwikkelingen II: van (victim)-
survey tot penitentiaire statistiek. Maklu, Antwerpen/Apeldoorn, 27-38.
Elffers, H. & G. Bruinsma (2005) De misdaadcijfers lopen terug! Politie, proficiat! Of, eh, …? Tijdschrift voor
Criminologie 47/4, 376-388.
Egelkamp, M. M. (2002). Inflation von Gewalt? Strafrechtliche und kriminologische Analysen von
Qualifikationsentscheidungen in den Niederlanden und Deutschland (Doctoral dissertation,
University of Groningen).
Haket, V.T. (2007) Veranderende verhalen in het strafrecht : de ontwikkeling van verhalen over verkrachting in het
strafproces. Dissertatie Leiden. NSCR/Leiden University.
Kemp, J.J. van der (2015, November 25). De criminaliteitscijfers kloppen niet en dat is uw schuld. Ad Valvas.
Kerckvoorde, J. van. (1995). Een maat voor het kwaad? (Vol. 8). Leuven University Press.
Laterveer. A. (2015). Bewijslast. Op http://www.joop.nl/opinies/bewijslast.
Reep, C. M. M. (2014). Slachtoffer geweest? Vergelijking van de respondentopgaven in de
Veiligheidsmonitor 2012 met aangiftegegevens van de politie.
Snippe, J., Boendermaker, M., Mennes, R., & Bieleman, B. (2016). Voor schatten geschikt. Vooronderzoek
databronnen en methoden omvang huiselijk geweld en kindermishandeling. Groningen: Intraval. In
opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie
van Veiligheid en Justitie.
Swier, B. (2015). Kritiek op zedenpolitie mist onderbouwing. Volkskrant, 8 november 2015.
http://www.volkskrant.nl/opinie/kritiek-op-zedenpolitie-mist-onderbouwing~a4181486?
Vynckier, G., & Hardyns, W. (2010). Politieaangifte onder de loep. Criminografische ontwikkelingen II: van (victim)-
survey tot penitentiaire statistiek, 3, 9.
... In de daarop volgende jaren groeiden slachtofferenquêtes snel uit tot een populair onderzoeksinstrument onder criminologen, niet in het minst omdat ze een goed alternatief leken te bieden voor de officiële criminaliteitsstatistieken. Deze laatste kampen immers met een dark number-probleem; ze houden enkel rekening met zaken die officieel geregistreerd worden door politie en/of justitie, terwijl natuurlijk lang niet elk misdrijf ter kennis komt van deze instanties (Elffers & van der Kemp, 2016) 1 . Een tweede reden voor de populariteit van de slachtofferenquêtes lag in de mogelijkheid die ze boden om bijkomende vragen te stellen, bijvoorbeeld over het profiel van het slachtoffer of de omstandigheden waarin het misdrijf plaatsvond. ...
... In het licht van de bovenstaande bedenkingen bij zowel de realistisch-positivistische als de institutionele visie, lijkt een 'kritisch-realistische' visie op de slachtoffergegevens verzameld via de JOP-schoolmonitor, ons de meest vruchtbare (Hebberecht, 2008;Lea, 2002). Naar de werkelijke aard en omvang van criminaliteit en slachtofferschap onder adolescenten blijft het gissen; slachtofferenquêtes kunnen vanwege de eerder aangehaalde gebreken geen soelaas brengen (Elffers & van der Kemp, 2016). Dat betekent echter niet dat ze nutteloos zouden zijn. ...
Chapter
Full-text available
Zeggen dat jeugddelinquentie de maatschappelijke gemoederen weet te beroeren, is een platitude geworden in criminologische bijdragen. Maar ze blijft wel waar. Denk maar aan de heisa die vorig jaar ontstond over de 'Zehbi's', een meisjesbende die de stationsbuurt van Brugge onveilig maakte, of aan de rellen op het Brusselse Muntplein naar aanleiding van het optreden van de sociale mediaster Vargasss 92. Minder banaal is de vaststelling dat de aandacht of bezorgdheid zich vaak eenzijdig richt op de jongere als dader; de aandacht voor slachtofferschap onder jongeren is veel minder groot. Dat is onterecht, want jongeren hebben in vergelijking met andere groepen van de bevolking een disproportioneel grote kans om slachtoffer te worden van criminaliteit, geweld en misbruik (Finkelhor, 2014).
Preprint
Full-text available
To what extent can a dashboard be useful for the Inspectorate overseeing the police? What are different perspectives to take into account in this regard?
Preprint
Full-text available
To what extent can a dashboard be useful for the Inspectorate overseeing the police? What are different perspectives to take into account in this regard?
Article
Full-text available
This article investigates the discrepancy between victimization surveys and police data, or the extent to which crimes that are reported in one source can be traced back to the other. We used traditional reverse and forward record checks to investigate reciprocal validity. In addition, we designed a new, more comprehensive measure that is more optimally geared towards calculating the total discrepancy between the two data sources. We used victimization surveys and police data from Amsterdam, The Netherlands. Results of the reverse record check showed that in 48% of cases a survey respondent did not mention victimization, even though it appeared in police registration. Results of the forward record check showed that only 35% of reported victimization in the survey could be traced back to police data within the reference period. Forward telescoping occurred in 28% of cases. In 7% of cases, respondents reported victimization experienced by household members. Furthermore, 29% of victimization reported to the police according to survey respondents could not be traced back to police data. Finally, we calculated the total discrepancy between the police data and the victimization survey and found that reports of 18% of respondents in the victimization survey were not congruent with the police data.
Article
Geweldscriminaliteitis een vandethema's die sinds jarenin het middelpunt van depubliekebelangstellingstaan. Het is daarbij niet altijd even duidelijk om welke handelingen, delicten of problemen het gaat.Het beeld van geweld wordt sterk bepaald door de mediadie vooral uitzonderlijke geweldsmisdrijven belichten. Het gevolg hiervan is, dat de ernst van de gewelds criminaliteit gemakkelijk wordt overschat. Uitspraken over de omvang van deze vorm van criminaliteit zijn doorgaans op politie statistieken gebaseerd die de afgelopen 25 jaar een sterke toename van de (geregistreerde) geweldscriminaliteitlaten zien. Zie: Samenvatting
Article
In dit boek is de manier waarop verhalen over verkrachting geconstrueerd worden in het strafproces onderzocht, vanaf het moment van de melding tot het moment van de afdoening. De onderzoeksvraag is: op welke manier worden verhalen die een rol spelen bij de behandeling van verkrachtingszaken in het strafrecht geconstrueerd, hoe ontwikkelen deze verhalen zich in het strafrechtelijke proces en waarom gaat het op deze manier? Interactie blijkt heel belangrijk te zijn bij de constructie van verhalen. Hoewel verhalen in het strafrecht aan de verteller worden toegeschreven, hebben vrienden en familieleden, rechercheurs en officieren van justitie er invloed op. Gezamenlijk bepalen zij hoe een zaak wordt geconstrueerd en wordt afgehandeld.
De criminaliteitscijfers kloppen niet en dat is uw schuld
  • J J Kemp
  • Van Der
Kemp, J.J. van der (2015, November 25). De criminaliteitscijfers kloppen niet en dat is uw schuld. Ad Valvas.
Een maat voor het kwaad?
  • J Van Kerckvoorde
Kerckvoorde, J. van. (1995). Een maat voor het kwaad? (Vol. 8). Leuven University Press.
Slachtoffer geweest? Vergelijking van de respondentopgaven in de Veiligheidsmonitor
  • C M M Reep
Reep, C. M. M. (2014). Slachtoffer geweest? Vergelijking van de respondentopgaven in de Veiligheidsmonitor 2012 met aangiftegegevens van de politie.
Voor schatten geschikt. Vooronderzoek databronnen en methoden omvang huiselijk geweld en kindermishandeling. Groningen: Intraval
  • J Snippe
  • M Boendermaker
  • R Mennes
  • B Bieleman
Snippe, J., Boendermaker, M., Mennes, R., & Bieleman, B. (2016). Voor schatten geschikt. Vooronderzoek databronnen en methoden omvang huiselijk geweld en kindermishandeling. Groningen: Intraval. In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek-en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Kritiek op zedenpolitie mist onderbouwing. Volkskrant
  • B Swier
Swier, B. (2015). Kritiek op zedenpolitie mist onderbouwing. Volkskrant, 8 november 2015. http://www.volkskrant.nl/opinie/kritiek-op-zedenpolitie-mist-onderbouwing~a4181486?
Criminografische ontwikkelingen II: van (victim)-survey tot penitentiaire statistiek
  • G Vynckier
  • W Hardyns
Vynckier, G., & Hardyns, W. (2010). Politieaangifte onder de loep. Criminografische ontwikkelingen II: van (victim)-survey tot penitentiaire statistiek, 3, 9.
Leugens, verdraaide leugens, statistiek en … misdaadstatistiek
  • H Elffers
Elffers, H. (2003) Leugens, verdraaide leugens, statistiek en … misdaadstatistiek. STAtOR 4/3, 10-16.