ArticlePDF Available

Abstract

The strength of ordinary parenthood. Promoting life skills of parents Parental life skills are proven to have a positive effect on parents’ well-being and on the development of their children. Recent developments in Dutch youth policies are more demanding of parents’ own strength and with that of their life skills. It is therefore important to determine which life skills or “21 st century skills” parents indicate to require to strengthen their parenthood. Subsequently, professionals working with parents can connect their interventions to this. The aim of this study was to assess whether, according to parents, life skills effectively contribute to strengthen them. Semi structured interviews were conducted among 110 parents (74 mothers, 36 fathers) in different stages of parenthood, from pregnancy until the child moves out. Questions in the interview covered the five life skills: self- awareness, self- management, social awareness, relationship skills and responsible decision- making. Parents indicated a preference to develop themselves in dealing with stressful situations in the parental workplace and planning of tasks (self-management), dealing with conflicts and effective communication (relational skills), and making the right decisions for their child (responsible decision-making). Besides this, differences exist between parents in different stages of parenthood and their self-confidence as a parent. Parents feel most insecure during their child’s preschool puberty and adolescence periods. To strengthen parents, more attention must be given to what they indicate to require in terms of life skills, when they are feeling vulnerable and in which areas they would like to develop themselves. Then not only will a connection be made to the parents’ needs, a contribution to the well-being of families will be made as well.
De kracht van alledaags ouderschap.
Versterken van levensvaardigheden van ouders.
[The strength of ordinary parenthood.
Promoting life skills of parents]
Petterson D. a, Gravesteijn, C. b, & Peschier, C. ab
1
aOnderzoeker lectoraat Ouderschap en Ouderbegeleiding, Zernikedreef 11, 2333 CK Leiden,
Nederland
bLector Ouderschap en Ouderbegeleiding, Zernikedreef 11, 2333 CK Leiden, Nederland
abAfgestudeerd student Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool Leiden, Zernikedreef 11,
2333 CK Leiden, Nederland
1
Daphne Petterson
petterson.d@hsleiden.nl
Sleutelwoorden: kracht; ouderschap; levensvaardigheden, ouderschapsfasen
Keywords: strength, parenthood, life- skills, stages of parenthood
Samenvatting
Levensvaardigheden van ouders blijken een positief effect te hebben op het welzijn van
ouders en hun kinderen. De huidige ontwikkelingen in het Nederlandse jeugdbeleid vragen
steeds meer van de eigen kracht van ouders en daarmee van hun levensvaardigheden. Het is
dan ook van belang om in kaart te brengen welke levensvaardigheden of '21st century skills'
ouders aangeven nodig te hebben voor het versterken van hun ouderschap. Op deze manier
kunnen professionals die werken met ouders hun interventies hierop aansluiten. In dit
onderzoek wordt daarom in kaart gebracht op welke manier levensvaardigheden volgens
ouders effectief bijdragen aan het versterken van hun ouderschap. Bij 110 ouders (74
moeders, 36 vaders) zijn semigestructureerde interviews afgenomen in verschillende fasen
van het ouderschap, van zwangerschap totdat het kind het ouderlijk huis verlaat. Vragen in de
interviews omvatten de vijf levensvaardigheden: zelfbewustzijn, zelfmanagement,
relatievaardigheden, maatschappelijk bewustzijn en verantwoordelijke besluitvorming. Aan
de hand van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ouders zich gedurende hun
ouderschap vooral willen ontwikkelen in het omgaan met stressvolle situaties op de ouderlijke
werkvloer en het plannen van taken (zelfmanagement), het omgaan met conflicten en effectief
communiceren (relatievaardigheden) en het nemen van juiste beslissingen voor hun kind
(verantwoordelijke besluitvorming). Daarnaast zijn er ook verschillen per ouderschapsfasen in
behoeften en ervaren ondersteuning en hoe zeker zij zich voelen als ouder. Vooral tijdens de
peuterpuberteit en de adolescentieperiode van hun kind voelen ouders zich onzeker. Om
ouders te versterken in hun ouderschap is het nodig om aandacht te hebben voor wat ouders
aangeven nodig te hebben aan levensvaardigheden, wanneer zij zich kwetsbaar voelen en op
welke gebieden zij zich willen ontwikkelen. Dan wordt niet alleen aangesloten bij de
behoeften van ouders, maar wordt ook een bijdrage geleverd aan het welzijn van gezinnen.
Abstract
Parental life skills are proven to have a positive effect on parents’ well-being and on the
development of their children. Recent developments in Dutch youth policies are more
demanding of parents’ own strength and with that of their life skills. It is therefore important
to determine which life skills or “21st century skills” parents indicate to require to strengthen
their parenthood. Subsequently, professionals working with parents can connect their
interventions to this. The aim of this study was to assess whether, according to parents, life
skills effectively contribute to strengthen them. Semi structured interviews were conducted
among 110 parents (74 mothers, 36 fathers) in different stages of parenthood, from pregnancy
until the child moves out. Questions in the interview covered the five life skills: self-
awareness, self- management, social awareness, relationship skills and responsible decision-
making. Parents indicated a preference to develop themselves in dealing with stressful
situations in the parental workplace and planning of tasks (self-management), dealing with
conflicts and effective communication (relational skills), and making the right decisions for
their child (responsible decision-making). Besides this, differences exist between parents in
different stages of parenthood and their self-confidence as a parent. Parents feel most insecure
during their child’s preschool puberty and adolescence periods. To strengthen parents, more
attention must be given to what they indicate to require in terms of life skills, when they are
feeling vulnerable and in which areas they would like to develop themselves. Then not only
will a connection be made to the parents’ needs, a contribution to the well-being of families
will be made as well.
Inleiding
Begin 2015 is de nieuwe Jeugdwet ingevoerd. Eén van de doelen is dat professionals
jeugdigen en ouders ondersteunen bij het eerder en vaker zelfstandig oplossen van problemen
(Nederlands Jeugd Instituut, 2010; Eijck, Kooijman, & Yperen, 2013). Voor ouders betekent
dit dat zij de regie over hun leven en dat van het gezin zoveel mogelijk zelf in handen moeten
gaan nemen, en vaker steun moeten zoeken in hun sociale omgeving. Er wordt dus meer
verwacht van ouders, terwijl er tegelijkertijd minder geld beschikbaar is voor ondersteuning
van ouders. Dit vraagt van professionals en beleidsmakers om de begeleiding van gezinnen op
een andere manier vorm te geven, zodat ouders en kinderen vroegtijdig en op effectieve wijze
versterkt worden. Hierdoor is het van belang inzicht te krijgen in factoren die preventief en
effectief bijdragen aan het welzijn van ouders, zodat professionals hierop in kunnen zetten
tijdens de begeleiding van gezinnen.
Eén van de factoren die ouders ondersteunt is hun sociale netwerk (Baartman, 2009;
De Vos, Glebbeek & Wielers, 2009; Peschier, 2014). Door inzet van het sociale netwerk kan
de zorg voor en over de kinderen met anderen worden gedeeld. Als ouders zich gesteund
voelen, bevordert dit hun zelfvertrouwen, zijn de relaties met hun kinderen positief en hebben
ze een ontspannen houding in de opvoeding (Baartman, 2009; Bartelink, 2012). Dit laatste
punt blijkt volgens het Gezinsrapport (2011) van belang voor het welzijn van ouders en hun
kinderen. Door de sociale steun die ouders en kinderen ontvangen, kunnen problemen
verminderd of zelfs voorkómen worden (Bucx, 2011; Egten, Zeijl, Hoog, Nankoe, & Petronia,
2008; Gaag, Gilsing, & Mak, 2013; NJI, 2010). Dit kan op den duur leiden tot een
verminderde zorgafhankelijkheid en een vermindering van doorverwijzingen naar specifieke
zorg (Cardol, 2015). Het inzetten en versterken van een sociaal netwerk is echter niet
vanzelfsprekend, omdat de informele, pedagogische netwerken van gezinnen in de afgelopen
jaren verdund zijn en mensen zich minder bekommeren om anderen (Winter, 2001).
Bovendien hebben niet alle ouders de beschikking over een sociaal netwerk of zijn zij
onvoldoende in staat om hun netwerk in te zetten vanwege gevoelens van schaamte,
wantrouwen of sociale angst (Hoek, Miley, & Remmerswaal, 2010).
Een andere factor die ouders kan ondersteunen in hun ouderschap, zijn hun
levensvaardigheden (Gottman & DeClaire, 1997; Gravesteijn & Petterson, 2014; McKeown et
al., 2003; Sameroff, 2009; WHO, 2003). Hierbij gaat het niet over opvoedvaardigheden, maar
over vaardigheden die ouders in staat stellen om met dagelijkse (lastige) situaties in hun
ouderschap om te gaan, zoals het omgaan met stress of frustraties op de ouderlijke werkvloer,
het aangaan van relaties en het vragen van hulp. Ouderschap, het ‘zijn van ouder’, houdt
namelijk meer in dan alleen opvoeden (Gravesteijn, 2015; Pas, 2013; Weille, 2011). Ouders
hebben naast opvoeden ook andere taken, zoals werken, het onderhouden van hun
partnerrelatie, hun (geestelijke) gezondheid en hun sociale contacten. In een Nederlands
onderzoek (Bucx, 2011) naar de ouderschapsbeleving van ouders met kinderen jonger dan 18
jaar oud, geeft de helft van de vaders en iets meer dan de helft van de moeders aan het
ouderschap moeilijker te vinden dan van tevoren gedacht. Dit behoeft aandacht, omdat
wetenschappelijk onderzoek van Nelson en collega's (2013) aantoont dat wanneer ouders zich
goed voelen in hun ouderschap dit niet alleen van positieve invloed is op hun opvoedgedrag,
maar ook op het welzijn van hun kinderen. Nederlands onderzoek bevestigt dit beeld. In Het
Gezinsrapport (2011) wordt geconcludeerd dat 1) tevredenheid over de opvoeding én 2)
vaardigheden van de ouder van invloed zijn op zowel het welzijn van de ouder als het welzijn
van het kind. Deze aspecten blijken zelfs in grotere mate samen te hangen met het
probleemgedrag en de gezondheid van kinderen, dan de kindkenmerken en de
sociaaleconomische status van ouders (Bucx, 2011). Recent exploratief onderzoek laat
bovendien zien dat deze levensvaardigheden sterk lijken samen te hangen met het welzijn van
zowel ouders als hun kinderen (Gravesteijn & Ketner, 2016). Uit verschillende andere
onderzoeken blijken de levensvaardigheden van ouders ook van invloed op de
levensvaardigheden en ontwikkeling van hun kinderen (Gottman & DeClaire, 1997;
McKeown et al., 2003; Sameroff, 2009). Op basis van wetenschappelijk onderzoek en
gesprekken met deskundigen (CASEL, 2013; WHO, 2003) zijn vijf effectieve
levensvaardigheden geïdentificeerd. In tabel 1 wordt beschreven wat onder deze vaardigheden
verstaan wordt.
Tabel 1: Effectieve levensvaardigheden
Zelfbewustzijn
In staat zijn om eigen emoties en gedachten te herkennen en
weten wat de invloed van het eigen gedrag is. Een ouder voelt
zich zeker over zichzelf en wat hij of zij kan.
Zelfmanagement
In staat zijn om eigen emoties, gedachten en gedrag te
beheersen in verschillende situaties, kunnen omgaan met stress,
zichzelf motiveren en naar doelen werken en deze behalen.
Maatschappelijk
bewustzijn
In staat om zich in te leven in andere mensen met verschillende
achtergronden en culturen en om sociale en ethische normen
van gedrag te begrijpen.
Relatievaardigheden
In staat om met verschillende mensen positieve relaties aan te
gaan. Dit betekent helder communiceren, actief luisteren,
samenwerken, groepsdruk weerstaan, onderhandelen en hulp
aanbieden wanneer dit nodig is.
Verantwoordelijke
besluitvorming
In staat om constructieve en respectvolle keuzes over
persoonlijk gedrag en sociale interactie te maken.
Er is echter nog maar weinig onderzoek gedaan naar de vraag wat ouders zélf aangeven nodig
te hebben aan levensvaardigheden gedurende hun gehele ouderschap (Gravesteijn, 2015). Dit
is belangrijk om te weten, omdat levensvaardigheden bijdragen aan het welzijn van ouders en
hun kinderen en ouders het ouderschap met kinderen onder de 18 jaar moeilijker vinden dan
gedacht. Ellen Galinsky (1987) is een van de weinigen die onderzoek gedaan heeft naar
behoeften en taken van ouders met kinderen in alle leeftijden. Aan de hand van gesprekken
met meer dan 200 ouders concludeerde zij dat het ouderschap onder te verdelen is in zes
verschillende fasen die steeds weer andere, soms nieuwe vaardigheden, taken en
verantwoordelijkheden van ouders vragen. Deze ouderschapsfasen zijn als volgt ingedeeld: 1.
Zwangerschap (voorstellingsfase), 2. Na de geboorte (voedingsfase, kind 1-2 jaar oud), 3.
Peuterfase (autoriteitsfase, kind 2-4 jaar oud), 4. Basisschoolleeftijd (interpretatiefase, kind 4-
12 jaar oud), 5. Adolescentie (interafhankelijkheidsfase, kind 12 22 jaar oud), 6. Uit huis
gaande kind (vertrekfase, kind >18 jaar oud). Het is van belang om te onderzoeken welke
vaardigheden en steun Nederlandse ouders belangrijk vinden in de verschillende fasen van
hun ouderschap. De volgende onderzoeksvraag staat centraal:
In hoeverre dragen levensvaardigheden in de verschillende ouderschapsfasen volgens ouders
effectief bij aan het versterken van hun ouderschap?
Methode
In dit onderzoek is gebruik gemaakt van kwalitatieve onderzoeksmethoden (Boeije, 2014) om
te achterhalen hoe ouders zelf denken over de levensvaardigheden die zij nodig hebben tijdens
hun ouderschap. Een doelgerichte steekproef is geworven door vierdejaarsstudenten
Toegepaste Psychologie van Hogeschool Leiden binnen het eigen netwerk door middel van de
sneeuwbalmethode. Er is voor gekozen om exclusiecriteria te hanteren, zodat de
onderzoeksgroep zo homogeen mogelijk blijft en om externe factoren, zoals scheiding, buiten
beschouwing te kunnen laten. De volgende groepen zijn uitgesloten van deelname: adoptie- of
stiefouders, gescheiden ouders, gediagnosticeerde psychiatrische aandoening bij ouder en
kind, op het moment van onderzoek professionele hulp van jeugdzorg en ouders die de
ouderschapsfase als ouder eerder hebben meegemaakt (vanwege een ouder kind). Er is
onderzoek verricht naar de zes verschillende ouderschapsfasen van Galinsky (1987). De
interafhankelijkheidsfase (adolescentieperiode) is opgesplitst in twee afhankelijke
onderzoeken, vanwege het verschil in relatie tussen ouders en kinderen in de vroege (12-15
jaar) en late adolescentie (16-22 jaar); conflicten in de late adolescentie nemen doorgaans af
in frequentie, maar toe in emotionele intensiteit ten opzichte van de vroege en midden
adolescentie (Slot & Aken, 2013).
Er zijn semigestructureerde interviews per afzonderlijke ouderschapsfase afgenomen.
Allereerst is er in een pilot van totaal tien ouders het interviewschema getoetst en aangepast,
zoals het aantal interviewvragen. Vervolgens zijn interviews afgenomen bij 110 ouders (74
moeders en 36 vaders) uit verschillende ouderschapsfasen. De meeste ouders zijn geboren in
Nederland, enkele ouders classificeerden zichzelf als Marokkaans (5), Russisch (1),
Antilliaans (1), Zuid-Afrikaans (1). Er werd een gelijke verdeling van ouders gemaakt per
ouderschapsfase (minimaal 15 ouders per fase), zodat de resultaten uiteindelijk met elkaar
vergeleken konden worden (zie tabel 2). De interviews duurden 45-70 minuten en zijn bij
ouders thuis afgenomen. De interviews zijn met toestemming van de ouders opgenomen met
geluidsapparatuur. Allereerst werd het onderzoek uitgelegd, vragen gesteld over
demografische gegevens en werd gevraagd wat ouders onder ouderschap verstaan en hoe zij
hun ouderschap in de specifieke ouderschapsfase beleven. Om te achterhalen welke
levensvaardigheden ouders (willen) inzetten in de specifieke ouderschapsfase, werd gevraagd
wat zij leuk en minder leuke dingen vinden in hun ouderschap, waar zij tegenaan lopen en wat
zij willen ontwikkelen. Ook werd specifiek gevraagd naar de vijf verschillende
levensvaardigheden, bijvoorbeeld: ‘In hoeverre ervaart u stress?’ (zelfmanagement) en ‘In
hoeverre ervaart u conflicten in uw ouderschap? (relatievaardigheden). In de appendix is het
interviewschema toegevoegd.
Na de afname van de interviews zijn de interviews volledig uitgewerkt. Transcripten
zijn geanalyseerd om categorieën, thema’s en codes te creëren (Boeije, 2014), zodat in kaart
gebracht kon worden welke levensvaardigheden, volgens ouders, het ouderschap versterken.
Vertrouwelijkheid van de deelnemers is reeds gewaarborgd door het verwijderen van
identificeerbare informatie (bijvoorbeeld met behulp codes in plaats van namen). Tijdens de
eerste stap in de analyse werd door middel van open codering gekeken welke thema’s in de
interviews geïdentificeerd konden worden. Op basis hiervan werd een lijst met voorlopige
codes ontwikkeld. Tijdens deze fase werd er nog weinig ingegaan op de relevantie van de
gegevens voor de beantwoording van de hoofdvraag van het onderzoek. Op het moment dat er
geen nieuwe codes meer konden worden toegevoegd, is overgaan naar axiaal coderen,
waarbij de onderzoeker niet meer geleid werd door de data, maar door de codes. Codes
werden gesplitst, samengevoegd of opnieuw benoemd en er ontstonden nieuwe subcodes.
Bijvoorbeeld onder het thema ‘beleving ouderschap’ valt de code ‘veranderingen in
ouderschap’ en vervolgens de subcodes: ‘werk’, ‘sociaal leven’. Deze fase werd beëindigd
toen duidelijk was welke hoofd- en subcodes er waren. Gedurende de volgende fase, het
selectief coderen, werden verbanden gelegd tussen categorieën. Hierbij werd nagegaan wat
relevante gegevens zijn om de vragen van het onderzoek te kunnen beantwoorden en in
hoeverre deze relevante onderwerpen zich tot elkaar verhielden. De betrouwbaarheid is
vergroot door de analyse te laten doen door twee studenten Toegepaste Psychologie onder
begeleiding van een onderzoeker van het lectoraat Ouderschap & Ouderbegeleiding. Zij
hebben de uitkomsten van de analyses vergeleken en zijn gekomen tot consensus. Wanneer er
meningsverschillen ontstonden over (sub) codes of de verbanden tussen de relevante
onderwerpen, is dit besproken. Op basis van ieders interpretatie is uiteindelijk een keuze
gemaakt. Verder werd de betrouwbaarheid vergroot door het opnemen van de interviews op
geluidsapparatuur en het uittypen van het document.
Tabel 2: aantallen vaders en moeders per ouderschapsfase.
Ouderschapsfase
Moeders
Vaders
Totale groep ouders
Voorstellingsfase
(zwangerschap geboorte kind)
11
5
16
Voedingsfase
(0-2 jaar)
9
8
17
Autoriteitsfase
(2-4 jaar)
13
3
16
Interpretatiefase
(basisschoolperiode)
12
4
16
Interafhankelijkheidsfase
(adolescentie vroeg/midden)
7
8
15
Interafhankelijkheidsfase (laat)
14
1
15
(16-22 jaar oud)
Vertrekfase
(kind verlaat ouderlijk huis >18)
8
7
15
Totaal
74
36
110
Resultaten
Aan de hand van de vijf levensvaardigheden zijn de resultaten van de verschillende
onderzoeken samengevoegd en hieronder beschreven.
Zelfbewustzijn; voor het in kaart brengen van zelfbewustzijn is aan ouders gevraagd
wat volgens hen goed gaat in hun (toekomstige) ouderschap en wat zij anders zouden willen
doen. Tijdens de zwangerschapsperiode kijken bijna alle aanstaande ouders (15) met
optimisme naar hun toekomstige ouderschap en hopen goede ouders voor hun kind te zijn.
Wanneer het kind eenmaal geboren is, geven alle ouders (17) aan dat zij zichzelf goede
ouders vinden, omdat zij liefdevol zijn, in staat zijn goed voor het kind te zorgen en
wederzijdse liefde ervaren. Ouders benoemen wel dat zij het op een aantal gebieden nog beter
zouden kunnen doen, zoals consequenter zijn en meer kennis over de ontwikkeling van het
kind opdoen. Wanneer het kind tussen de 2 en 4 jaar oud is, geeft een aantal ouders aan dat
het ouderschap hen zelfvertrouwen geeft, omdat zij zien dat hun kind gelukkig is. Dit is een
bevestiging dat zij het goed doen als ouder. De helft van de ouders vindt echter dat
ouderschap onzeker maakt; zij weten niet zeker of zij juist handelen in sommige situaties,
twijfelen over de keuzes die ze uiteindelijk gemaakt hebben en sommige ouders geven aan dat
zij de ‘perfecte ouder’ willen zijn en vinden dit moeilijk om los te laten. Negen ouders met
een kind in de basisschoolleeftijd vinden zichzelf een goede ouder. De rest van de ouders
geeft aan dat zij probéren om een goede ouder te zijn, meestal een goede ouder zijn, het beter
zouden kunnen of zichzelf geen goede ouder vinden. De meerderheid van de ouders (14) wil
zichzelf ontwikkelen op het gebied van zelfvertrouwen, zelfbeheersing en reflectie. Ouders
met kinderen in de vroege adolescentie vinden zichzelf een goede ouder (11). Sommige
ouders (5) geven aan dat zij hieraan twijfelen of ‘hun best doen’. Als hun kinderen eenmaal
16-22 jaar oud zijn, ervaren drie ouders zelfvertrouwen in hun ouderschap. Andere ouders
(12) geven aan dat het ouderschap hen onzeker maakt. In deze fasen leren ouders
uiteenlopende dingen van hun kind. Zo geven ouders aan meer inzicht in zichzelf te hebben
gekregen, omdat hun kind hen een spiegel voorhoudt. Als het kind eenmaal het ouderlijk huis
verlaat, zeggen veertien ouders dat zij zichzelf een goede ouder vinden.
Zelfmanagement; Om te achterhalen in hoeverre ouders hun eigen emoties en gedrag
kunnen managen, is gevraagd waar ouders zich zorgen over maken, in hoeverre zij stress
ervaren op de ouderlijke werkvloer en hoe zij met emoties en stress omgaan. Toekomstige
ouders (4) maken zich zorgen over het verloop van de zwangerschap en vinden het lastig om
rust te nemen en adequaat om te gaan met hun emoties (5). De helft van de ouders van
pasgeboren kinderen maakt zich ook zorgen over maatschappelijke kwesties, de gezondheid
van het kind en de financiële situatie en vindt het moeilijk dat zij continu bezorgd zijn om hun
kind. Verder benoemen deze ouders dat zij het moeilijk vinden om te plannen, hun kind los te
laten en geduldig te zijn. Als het kindje tussen de 2 en 4 jaar oud is, maken ouders zich nog
steeds zorgen over de financiële situatie, maar daarnaast ook over de toekomst van het kind en
over hun eigen draaglast en draagkracht. Ouders (6) geven aan dat zij het zwaar vinden om na
een werkdag om te gaan met driftbuien van het kind en rustig en consequent te handelen. Ook
hebben ouders (5) moeite met het vinden van een balans tussen de verschillende rollen
(ouderschap, werkgever/werknemer en partner), tijd vrij te maken voor zichzelf, de partner en
het kind (6), goed te plannen en zich aan deze planning te houden (5). Ouders met kinderen in
de basisschoolleeftijd blijven zich zorgen maken over hun financiële situatie (3) en daarnaast
over (de gezondheid van) hun kinderen (10). De helft van deze groep ouders wil minder
piekeren, rustiger reageren, kennis krijgen over hoe om te gaan met stress, meer zelfcontrole
bij emoties, hun kind kunnen 'loslaten', meer rust nemen, omgaan met lastige situaties, meer
tijd voor zichzelf, de partner en het gezin en beter communiceren met de partner over
tijdsindeling. Zeven ouders vinden dat zij hun tijd goed kunnen inplannen, wat er volgens hen
voor zorgt dat zij minder gestrest zijn. De meerderheid van de ouders met een kind in de
vroege adolescentie maakt zich zorgen (13). De zorgen gaan voornamelijk over het kind zelf
(6), zoals nalatigheid, stomme fouten, naïviteit en negatieve aandacht. Deze ouders geven aan
dat zij moeten leren omgaan met de snelle veranderingen die het kind meemaakt. Daarnaast
vinden zij (3) het moeilijk om hun eigen impulsen te beheersen en om te gaan met stress. Als
het kind ouder wordt, benoemen ouders dat zij het nog steeds moeilijk vinden om hun kind los
te laten en geven aan dat zij zich zorgen maken over het uitgaansleven van het kind. Wanneer
het kind uit huis is, maken ouders zich zorgen of de kinderen gelukkig worden (10), of
kinderen hun draai kunnen vinden, over de financiële situatie van het kind (5) en verlies van
de eigen baan (4). Ouders hebben gedurende hun ouderschap geleerd om zaken te relativeren
en rustiger en geduldiger te zijn. Wel geven ouders aan dat als zij zaken anders zouden mogen
doen in hun ouderschap, zij minder gestrest hadden willen zijn, een betere balans hadden
willen vinden tussen werk en het kind en geduldiger hadden willen zijn. Daarnaast hadden
ouders meer willen genieten van de kinderjaren van hun kind.
Maatschappelijk bewustzijn; Aan ouders is gevraagd in hoeverre zij zich kunnen
inleven in anderen en hoe zij omgaan met verschillen tussen mensen. Toekomstige vaders
geven aan rekening te houden met hun zwangere partner. Dit wordt ook bevestigd door een
groot deel van de aanstaande moeders. Wanneer het kindje net geboren is, wordt er door
ouders weinig gesproken over het inleven in anderen. Wanneer het kindje tussen de 2 en 4
jaar oud is, geven ouders aan dat zij zich goed kunnen inleven; zij tonen begrip voor de
gevoelens en de behoeften van de partner (5), van het kind (2) en voor de eigen ouders (2).
Verder vergelijken ouders zichzelf met andere ouders en beseffen zij dat hun kind eigen
voorkeuren en behoeften heeft. Wanneer het kind op de basisschool zit, geeft het merendeel
van de ouders aan dat zij goed in staat zijn om te luisteren naar en zich in te leven in hun kind.
De overige ouders benoemen dat zij vaker en bewuster willen luisteren en meer willen
doorvragen, zodat zij zich beter kunnen inleven in hun kind. Als het kind in de vroege
adolescentie zit, houden ouders meer rekening met de gemoedstoestand van hun kind. Ook
passen zij hun manier van communiceren aan; zij luisteren meer en beter naar hun kind en
vragen door om zich in te kunnen leven in hun kind. Wanneer de kinderen het ouderlijk huis
verlaten hebben, benoemen twee ouders dat tijdens het ouderschap inlevingsvermogen van
belang is.
Relatievaardigheden; Om de relatievaardigheden van ouders te achterhalen, is
gevraagd naar conflicten en positieve communicatie tussen anderen en henzelf. Tussen
aanstaande ouders neemt het aantal meningsverschillen toe, omdat zij niet op één lijn zitten
met de partner of omdat hun eigen ouders zich te veel met het ouderschap bemoeien. Zij
vinden het fijn om praktische hulp, emotionele steun en adviezen te ontvangen. Het contact
met andere (toekomstige) ouders neemt doorgaans toe, terwijl contacten met vrienden minder
worden. Ouders van pasgeboren kinderen en van 2-4 jaar oud hebben meningsverschillen met
hun partner over de opvoeding of over te weinig ruimte voor zichzelf. Tijdens de
basisschoolperiode van hun kind, benoemt het merendeel van de ouders dat de communicatie
tussen hun kinderen en hen goed is. De helft van de ouders wil leren om duidelijker, bewuster
en ‘liever’ te communiceren, hun gevoelens beter te verwoorden en minder fel te
communiceren bij conflicten. Zij willen kennis krijgen over hoe ze effectief kunnen
communiceren met hun kinderen. De conflicten die ouders in deze fase met hun partner
ervaren gaan over de opvoeding of taken in huis, ruzies tussen kinderen onderling of
conflicten over klusjes die niet gedaan worden. De meeste ouders ervaren sociale netwerken
als steun, omdat anderen met ideeën en oplossingen komen, je van de ervaringen van anderen
leert, je op een andere manier leert denken, dit contact bevestiging geeft en je bijvoorbeeld op
elkaars kinderen kunt passen. Tijdens de vroege adolescentie, geeft de meerderheid van de
ouders (7) aan dat het in deze fase van groot belang is om niet op alles in te gaan dat het kind
zegt. Ouders krijgen discussies met hun kind over praktische zaken, zoals eten, bedtijden, het
opruimen van de kamer en geld of over roken en alcoholgebruik, normen en waarden of de
egoïstische houding van het kind. Ouders vinden dat zij in de communicatie ‘meer moeten
slikken’, ‘soms beter niet kunnen reageren’, meer moeten relativeren en ‘moeten begrijpen dat
hun kinderen vanuit een emotie reageren’. In de late adolescentie benoemen bijna alle ouders
(12) dat goed communiceren met het kind belangrijk is voor de relatie, hoewel het voor
ouders soms lastig is om dit op juiste wijze te doen. Als het kind het ouderlijk huis verlaat is
sociale media een belangrijk middel om op de hoogte te blijven van wat het kind doet. Dit
bevordert volgens ouders het contact met het kind en hun eigen welzijn. Ouders vinden dat de
partner (3), familie (3), een goede leerkracht/school (3) beschermende factoren binnen hun
ouderschap zijn (geweest).
Verantwoordelijke besluitvorming; Aan ouders is gevraagd op welke manier zij
informatie zoeken om tot een besluit te komen. Er wordt gedurende de zwangerschap door
toekomstige moeders gezocht naar informatie over de veranderingen van het lichaam bij de
vrouw, ontwikkelingen van het kind, voeding, de bevalling, praktische zaken en moeders
vinden het fijn om ervaringen van andere moeders te lezen. Meestal wordt door moeders
informatie gezocht via internet op medische websites of in boeken, tijdschriften of via een app
op de telefoon. Toekomstige vaders zoeken niet naar informatie, want zij krijgen dit van hun
vrouw of via de verloskundigen. Daarnaast vinden ouders het fijn om ervaringen van andere
ouders uit hun eigen netwerk te horen. Als het kindje net geboren is, zoeken ouders nog steeds
op dezelfde manier naar informatie. Ze zoeken hulp over opvoeding, ontwikkelingen van het
kind, voeding, rustmomenten en de stoelgang. Wel benoemen ouders dat er soms te veel
informatie is, waardoor zij niet goed weten of het relevant of ‘waar’ is. Wanneer het kindje
tussen de 2 en 4 jaar oud is, blijven ouders actief informatie zoeken of advies vragen. Hierbij
gaat het over opvoeding, aandoeningen als waterpokken, ontwikkelingen van het kind,
zindelijkheid, omgaan met boosheid en over ouderschap in combinatie met geloof, en de
relatie met de partner. Ook deze groep ouders vindt dat ze meestal wel iets aan de informatie
hebben, maar dat het ook veel vragen oproept, omdat er zoveel informatie beschikbaar is. De
meerderheid van de ouders vraagt advies aan mensen uit hun directe omgeving, bijvoorbeeld
om erachter te komen of bepaald gedrag van hun kind ‘normaal gedrag’ is. Vijf van deze
ouders hebben ook daadwerkelijk iets aan de adviezen van andere ouders gehad. Andere
ouders vinden dat de adviezen van andere ouders niet bij hen passen en volgen deze adviezen
daarom niet op. Ouders met een kind in de basisschoolleeftijd vinden het moeilijk om te
beslissen in hoeverre zij hun kind los moeten laten, bescherming moeten bieden, dingen
moeten verbieden. Ook vinden zij het moeilijk een beslissing te nemen als hun partner er
anders over denkt of over de keuze van sport of vrienden. De helft van de ouders met
kinderen in de vroege adolescentieperiode wil meer kennis krijgen over de adolescentiefase.
De andere helft vindt dat zij genoeg informatie bezit over de vroege adolescentie of ze kunnen
zelfstandig voldoende informatie verzamelen door te putten uit eigen ervaringen, te praten
met anderen of door het lezen van boeken. Ouders voelen zich geregeld onzeker, omdat zij
niet goed weten hoe zij dingen voor hun kind het best kunnen aanpakken. Ook in de latere
adolescentie vinden ouders (3) het moeilijk om beslissingen te nemen over hun kind,
bijvoorbeeld over thema’s als uitgaan of drankgebruik. Als het kind uit huis is, vindt een
aantal (2) ouders het nemen van besluiten iets moeilijks in het ouderschap, omdat zij niet
altijd weten wat goed is voor hun kind. Andere ouders geven aan dat zij geleerd hebben om
bewustere keuzes te maken. Gedurende het gehele ouderschap wordt nagedacht over hun
eigen opvoeding en wat ouders hiervan zelf meenemen in hun eigen ouderschap.
Discussie
Onderzoek laat zien dat het inzetten van levensvaardigheden door ouders een positief effect
heeft op hun welzijn en de levensvaardigheden en ontwikkeling van hun kinderen (McKeown
et al., 2003; Sameroff, 2009; WHO, 2003). Met het huidige onderzoek is in kaart gebracht in
hoeverre ouders zelf behoefte hebben aan het ontwikkelen van deze levensvaardigheden
gedurende de ouderschapsfasen en in hoeverre deze levensvaardigheden hun ouderschap
versterkt. Ouders hebben in iedere fasen behoefte aan uiteenlopende levensvaardigheden. Er
zijn echter ook overeenkomsten. Zo geven ouders aan dat zij zich in alle ouderschapsfasen
zorgen maken over hun kind en dat zij willen leren omgaan met hun boosheid en stress en het
plannen van tijd voor henzelf en de partner. Het is dan ook van belang om ouders in alle fasen
te versterken in deze vaardigheden, omdat stress en negatieve emoties het welzijn van ouders
en hun kinderen negatief kan beïnvloeden (McElwain, Halberstadt, & Volling, 2007; WHO,
1997).
Het huidige onderzoek laat verder een verschil zien in de mate waarin ouders zich (on)
zeker voelen in hun rol als ouder gedurende de ouderschapsfasen. Bij de overgang naar en bij
beginnend ouderschap, voelen ouders zich doorgaans zeker over hun rol als ouder. Andere
onderzoeken laten op dit gebied uiteenlopende uitkomsten zien; er zijn onderzoeken die deze
uitkomst bevestigen, anderen laten zien dat ouders zich juist in deze periode onzeker voelen
(o.a. Evenson & Simon, 2005; Kluwer, 2010; Aassve, Goisis, & Sironi, 2012; Nelson, et.al.,
2013). Een mogelijke verklaring voor de uitkomst van het onderhavige onderzoek is dat de
meerderheid van de ouders aangeeft dat zij veel informatie lezen en ontvangen. Deze kennis
kan ouders handvatten en zekerheid geven (Diekstra et al., 2008). Daarnaast benoemen ouders
uit het huidige onderzoek dat zij steun krijgen vanuit de directe omgeving. Ook deze steun
bevordert het zelfvertrouwen van ouders (Speetjes, Van der Linden, & Goossens, 2009; Hogg
& Worth, 2009: Diekstra et al., 2008; NJI, 2010; Gravesteijn, 2015).
Als hun kinderen tussen de twee en vier jaar zijn, geven ouders aan dat zij zich vaker
onzeker voelen over hun rol als ouder. Literatuuroverzichten van Nelson en collega's (2013)
en Kluwer (2010) bevestigen dit beeld. Het hier beschreven onderzoek levert hiervoor
mogelijke verklaringen. Juist deze periode vraagt veel van ouders: een druk ouderlijk schema,
een moeilijke fase in het ouderschap vanwege driftbuien van het kind, ouders zijn vaak moe
en het aantal conflicten tussen partners neemt toe. Ook uit onderzoek van Elbach & Mock
(2011) en een literatuuroverzicht van Kluwer (2010), blijkt dat ouders van jonge kinderen
onderling meer conflicten met elkaar hebben dan voorheen. Dit is een belangrijk
aandachtspunt binnen deze ouderschapsfase, omdat het adequaat omgaan met conflicten en
communicatievaardigheden bijdragen aan het welzijn van ouders en gezinnen (Feinberg et al.,
2014; McKeown, Pratschke, & Haase, 2003). Een andere verklaring voor gevoelens van
onzekerheden tijdens deze fase kan zijn dat de informatie die ouders in deze fase van hun
ouderschap krijgen te veel en soms tegenstrijdig is, waardoor ze niet meer weten of informatie
juist is (Connell-Carrick, 2006).
Wanneer kinderen eenmaal op de basisschool zitten, vindt het merendeel van de
ouders zichzelf een goede ouder. Dit kan te maken hebben met het feit dat ouders zichzelf
beter kennen als ouder en beter weten welke aanpak bij hun kind werkt (Galinsky, 1987).
Hierdoor ervaren ouders meer controle over het kind en de opvoedsituatie, wat hun
zelfvertrouwen versterkt (Bandura, 1997). Een andere verklaring voor het toenemende
zelfvertrouwen is dat ouders aangeven doorgaans meer te communiceren met andere ouders
en meer mogelijkheden hebben om bijvoorbeeld op het schoolplein of bij sportclubjes hun
ervaringen te delen, advies te vragen en steun te vinden (Speetjes, Van der Linden, &
Goossens, 2009; Hogg & Worth, 2009: Diekstra et al., 2008; NJI, 2010; Gravesteijn, 2015).
Tegelijkertijd ervaren ouders in deze periode ook stress. Ze vinden het lastig om een besluit te
nemen, zoals het kind vrijlaten in fietsen, sport en vrienden. Dit heeft volgens ouders onder
andere te maken met het steeds meer moeten loslaten van het kind.
Gedurende de adolescentieperiode benoemen steeds meer ouders dat zij zich onzeker
voelen over hun ouderschap. Ouders geven aan dat zij moeten leren omgaan met de snelle
lichamelijk en geestelijke veranderingen van hun kind, zij veel rekening moeten houden met
de gemoedstoestand van hun kind en hun kind meer moeten loslaten. In het huidige onderzoek
en in literatuur (Slot & Aken, 2013) komt ook naar voren dat ouders in deze fase enerzijds
meer conflicten met hun kinderen hebben en veel kritiek van hen krijgen, anderzijds ook
zelfinzicht krijgen door de feedback van hun kinderen. Dit kan onzekerheid bij ouders
teweegbrengen, omdat zij zich meer bewust worden van hun zwakkere punten of
kwetsbaarheden en de relatie met hun kind onder druk staat. Een andere verklaring voor
onzekere gevoelens bij ouders is dat adolescenten steeds meer activiteiten zelfstandig
ondernemen, waardoor ouders het gevoel krijgen dat zij minder controle over hun kind en de
opvoedsituatie hebben (Bandura, 1997). Ook hebben ouders in deze fase veel vragen over hoe
om te gaan met moeilijke conflictvolle situaties met hun kind en vragen over de
ontwikkelingen van hun kind. Gebrek aan kennis kan ten koste gaan van het ouderwelzijn en
kan mogelijk een verklaring zijn voor de gevoelens van onzekerheid (Speetjes, Van der
Linden & Goossens, 2009; Hogg & Worth, 2009: Diekstra et al., 2008; NJI, 2010).
De hier beschreven studie toont aan dat ouders tijdens elke ouderschapsfase voor
uiteenlopende moeilijkheden en uitdagingen staan en behoefte hebben aan het versterken van
hun levensvaardigheden gedurende hun ouderschap. Vaardigheden die ouders gedurende hun
gehele ouderschap verder willen ontwikkelen, zijn: omgaan met stressvolle situaties en het
plannen van taken (zelfmanagement), omgaan met conflicten en communiceren
(relatievaardigheden) en het nemen van een juiste beslissing (verantwoordelijke
besluitvorming). Dit geeft professionals die werken met ouders inzicht in de behoeften van
ouders en biedt hen de mogelijkheid om interventies en ouderbegeleiding op deze behoefte
van ouders aan te laten sluiten.
Een tekortkoming van het huidige onderzoek is dat niet alle levensvaardigheden in de
interviews voldoende aan bod zijn gekomen. Ouders gaven bijvoorbeeld vaak aan dat zij het
lastig vinden om met hun emoties om te gaan, maar minder over het inleven in anderen en het
omgaan met verschillen. Een mogelijke verklaring is dat in het ouderschap deze vaardigheid
maatschappelijke bewustwording minder wordt uitgedaagd of dit minder van invloed is op
het welzijn van ouders. Daarnaast werd, vanwege de beperkte tijdsduur van dit onderzoek, in
elke ouderschapsfase een andere groep ouders ondervraagd. Wellicht zouden de uitkomsten
van het huidige onderzoek verschillen als ouders longitudinaal gevolgd worden. Een
longitudinaal onderzoek van het lectoraat Ouderschap & Ouderbegeleiding, ‘Leuker voor
later’ waarbij dezelfde ouders middels vragenlijsten en interviews jarenlang gevolgd worden,
zal uitwijzen welke levensvaardigheden van invloed zijn op het welzijn van ouders in
verschillende fasen en of ouders zich gedurende hun ouderschap ontwikkelen in hun
levensvaardigheden.
Een sterk punt van dit huidige onderzoek is dat gebruik is gemaakt van
exclusiecriteria. De gezinnen zijn bijvoorbeeld niet verwikkeld in een echtscheiding of
kennen geen gezondheids- en gedragsproblematiek. Hierdoor worden ouderschapservaringen
van ouders zo weinig mogelijk beïnvloed door externe factoren. Ook deze ouders benoemen
dat zij zich regelmatig onzeker voelen en behoeften hebben aan het ontwikkelen van hun
levensvaardigheden in verschillende ouderschapsfasen. Verondersteld wordt dat ouders, die
gescheiden zijn of die gezondheids- en gedragsproblematiek hebben, een nog sterkere
behoefte hebben aan het ontwikkelen van hun levensvaardigheden, omdat zij meer uitdagende
situaties in hun ouderschap kennen. Toekomstig onderzoek zou zich daarom ook moeten
richten op levensvaardigheden van deze groepen ouders.
Samengevat laat dit onderzoek zien dat ouders niet alleen vragen hebben over
opvoeding en behoefte hebben aan opvoedvaardigheden, maar ook versterkt willen worden in
hun levensvaardigheden. Op de ouderlijke werkvloer gaat het dan om vaardigheden zoals het
kunnen plannen van tijd, leren omgaan met eigen emoties in hun ouderschap en het kunnen
omgaan met conflicten. In Amerika bestaan al verschillende programma’s gericht op de
levensvaardigheden van ouders en hun kinderen gedurende de ouderschapsfasen (Casel,
2013). In andere Europese landen, vooral Scandinavische landen, zijn verschillende
initiatieven waarbij ingezet wordt op de praktische, emotionele en sociale aspecten van het
ouderschap. Dat zijn bijvoorbeeld programma’s die zich richten op de beleving van ouders, de
partnerrelatie en de werk- privébalans. Ouders ervaren zulk soort initiatieven als belangrijk en
prettig (Ligtermoet, & Okma, 2014). Echter, in Nederland is er tot nu toe vooral aandacht
geweest voor opvoeden en opvoedvaardigheden en wordt er in de ondersteuning van ouders te
weinig aandacht besteed aan ouderschap en levensvaardigheden. Omdat we uit onderzoek
(McKeown et al., 2003; Sameroff, 2009; Gottman & DeClaire, 1997) weten dat investeren in
ouders, ook de kinderen versterkt, zou er (preventief) meer aandacht mogen zijn voor de
beleving en de levensvaardigheden van ouders. Door interventies voor ouders hierop te
richten, zullen ouders de regie van het ouderschap nog meer in eigen hand kunnen nemen,
zodat moeilijkheden op de ouderlijke werkvloer worden verminderd en ouders en kinderen
worden versterkt.
Literatuur
Aassve, A., Goisis, A., & Sironi, M. (2012). Happiness and childbearing across Europe.
Social Indicators Research, 108, 6586.
Baartman, H. (2009). Grootbrengen en mishandelen van kinderen: wiens zorg? In: Investeren
rondom kinderen. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling & Raad voor
de Volksgezondheid & Zorg.
Bandura, A. (1997). Self-efficacy. The exercise of control. New York: Freeman.
Bartelink, C. (2012). Wat werkt bij het versterken van het sociale netwerk van gezinnen?
Utrecht: Nederlands Jeugd Instituut
Bouchard, G. (2009). Parents-to-be with Overly Optimistic Expectations
of Parenthood: Who Are They and What Should Counsellors Do? Canadian
Journal of Counselling, 43(3), 165.
Bucx, F. (2011). Gezinsrapport, 2011. Een portret van het gezinsleven in Nederland. Den
Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Cardol, C. (2015). Van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. De veranderende rol
van ouders in de jeugdzorg. In C. Gravesteijn, & M. Aartsma (Red.), Meer dan
opvoeden. Perspectieven op het werken met ouders. (pp. 37-50). Bussum, Nederland:
Coutinho.
Casel. (2013). Casel Guide. Effective Social and Emotional Learning Programs.
Chicago: Collaborative for Academic, Social, and Emotional Learning
Connell-Carrick, K. (2006). Trends in popular parenting books and the need for parental
critical thinking. Child Welfare, 85, 819-836. DOI 10.1111/j.1365-2648.2012.06030.x
Delmore-Ko, P., Pancer, S. M., Hunsberger, B., & Pratt, M. (2000). Becoming a parent: the
relation between prenatal expectations and postnatal experience. Journal of Familiy
Psychology, 14(4), 625640.
Diekstra, R. F. W., Wubs, J. M., Vreeburg, L. E., Sklad, M. J., & Ruiter, M. de (2008).
Naar een canon van opvoeding. Wat inwoners van Den Haag weten van
ontwikkeling en opvoeding van kinderen en jongeren. Uithoorn: Karakter.
Egten, C. van, Zeijl, E., De Hoog, S., Nankoe, C., & Petronia, E. (2008). Gezinnen
van de toekomst. Opvoeding en opvoedingsondersteuning. Den Haag: Equality.
Eijck, G. van, Kooijman, H., & Yperen, T. van. (2013). Transitie en transformatie van
de zorg voor jeugd. Utrecht: Nederlands Jeugd Instituut.
Elbach, R. P., & Mock, S. E. (2011). Idealizing Parenthood to Rationalize Parental
Investments. Psychological Science, 22, 203208.
Evenson, J., & Simon, R. (2005). Clarifying the Relationship between Parenthood and
Depression. Journal of Health and Social Behavior, 46, 341358.
Feinberg, M. E., Jones, D. E., Roettger, M. E., Solmeyer, A., & Hostetler, M. L. (2014).
Long-term follow-up of a randomized trial of family foundations: Effects on
children’s emotional, behavioral, and school adjustment. Journal of Family
Psychology, 28(6), 821831.
Gaag, R. van der, Gilsing, R., & Mak, J. (2013). Participatie in zicht: Gemeenten,
jeugdigen, ouders en jeugdzorgcliënten in de transitie Jeugdzorg. Verwey-
Jonker Instituut.
Galinsky, E. (1987). The six stages of parenthood. Boston: Da Capo Press.
Gottman, J. M., & DeClaire, J. (1997). The heart of parenting: How to raise an emotionally
intelligent child. New York: Simon and Schuster.
Gravesteijn, C. (2015). Ouderschap in Ontwikkeling. Amsterdam: Uitgeverij SWP
Gravesteijn, C., & Ketner, S. (2016). Ouderschap is multitasken: ondersteun ouders alle
ballen in de lucht te houden. Aandacht, 1, 21-30
Hoek, M., Miley, H., & Remmerswaal, P. (2010). Het informele netwerk: een
omstandigheid of een buffer? Ouderschapskennis, 13, 172173.
Hogg, R., & Worth, A. (2009). What support do parents of young children need? A
user-focused study. Community Practitioner, 82(1), 314.
Kluwer, E. (2010). From partnership to parenthood: A review of martial change across the
transition to parenthood. Journal of Family Theory and Review, 2, 105125.
Ligtermoet, I., & Okma, K. (2014). Steun voor aanstaande ouders bij ouderschap en
opvoeding. Visiedocument voor gemeenten. Utrecht: Nederlands Jeugd Instituut
McElwain, N.L., Halberstadt, A.G., & Volling, B.L. (2007). Mother- and father- reported
reactions to children’s negative emotions: relations to young children’s emotion
understanding and friendship quality. Child Development, 78, 1407-1425.
McKeown, K., Pratschke, J., & Haase, T. (2003). Family well-being: What makes a
difference? Study based on a representative sample of parents & children in Ireland.
Dublin: Céifin Centre, Department of Social & Family Affairs.
Meij, H. (2011). De basis van opvoeding en ontwikkeling. Utrecht: Nederlands
Jeugd Insituut
Nederlands Jeugd Instituut. (2010). Versterken van de eigen kracht en het sociale
netwerk van jeugdigen, ouders en gezinnen: 38 interventies uit de Effectieve
Jeugdinterventies. Utrecht: Nederlands Jeugd Instituut.
Nelson, S. K., Kushlev, K., English, T., Dunn, E. W., & Lyubomirsky, S. (2013). In
Defense of Parenthood: Children Are Associated With More Joy Than Misery.
Psychological Science, 24(1), 310.
Nomaguchi, K. M. (2012). Parenthood and psychological well-being: Clarifying the
role of child age and parent-child relationship quality. Social Science Research,
41(2), 489498.
Pas, A. van der. (2013). Handboek methodische ouderbegeleiding: opvoedproblemen
nader verklaard. Amsterdam: SWP Publishers.
Peschier, C. (2014). Versterking van de eigen kracht en het sociale netwerk van
(toekomstige) ouders in relatie tot hun persoonlijk welbevinden. (Ongepubliceerd
manuscript). Leiden: Hogeschool Leiden.
Petterson, D., & Gravesteijn, C. (2014). Ouderschapsfasen. Rapport. Leiden: Hogeschool
Leiden
Rutherford, H.J.V., Wallace N.S., Laurent, H.K. & Mayes, L.C. (2015). Emotion regulation
in parenthood. Developmental Review, 36.
Sameroff, A.J. (2009). The transactional model of development: How children and
contexts shape each other. Washington, DC: American Psychological Association.
Scheffers, M. (2014). Sterk met een vitaal netwerk: Empowerment en de sociaal
netwerkmethodiek. Bussum: Uitgeverij Coutinho.
Slot, W., & Aken, M., van (2013). Psychologie van de adolescentie. Basisboek.
Amersfoort: ThiemeMeulenhoff
Speetjens, P., Linden, D. van der, & Goossens, F. (2009). Kennis over opvoeden:
De vragen van ouders, het aanbod van de overheid en de mogelijkheden van
de markt. Utrecht: Trimbos-instituut.
Vos, H. de, Glebbeek, A. C., & Wielers, R. J. J. (2009). Overheidsonmacht in de
jeugdzorg: een pleidooi voor omwegbeleid. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling & Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.
Winter, M. de. (2011). Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Amsterdam: Uitgeverij
SWP.
Weille, K. L. (2011). Ouderschap: een wilde rit in de achtbaan - ongelooflijk, glorieus,
ellendig, aangrijpend en intens. Ouderschapskennis, 2, 102 117.
World Health Organization (WHO). (2003). Skills for health. Skills-based health education
including life skills: An important component of a child-friendly/health-promoting
school. Geneva: World Health Organization.
Appendix: Interviewschema
Ouderschap
1. Wat betekent het ouderschap voor u?
2. Welke gevoelens brengt het ouderschap voor u met zich mee?
3. Wat vindt u het leukste aan het zijn van een ouder? Waarom vindt u dat?
4. Wat is één van de meest moeilijke dingen in het ouder zijn? Waarom vindt u dat?
Doorvragen: hoe zou u hierin ondersteund willen worden?
Evalueren wordt in het boek van Galinksy (1981) beschreven als : terugkijken, beoordelen,
herzien om weer verder te gaan. Het betekent om oude beelden te beoordelen en nieuwe
beelden te vormen.
5. Evalueert u weleens uw ouderschapsrol, zo ja, op welke wijze?
6. Hoe beïnvloedt het hebben van kinderen de relatie met uw partner?
7. Hoe beïnvloedt het hebben van kind(eren) uw relatie met uw ouders?
8. Kunt u zich nog herinneren hoe u zelf was toen u de leeftijd had die uw kind nu heeft?
9. Hoe was u toen als kind? Beïnvloedt deze herinnering u als ouder?
10. Als u terug kijkt naar uw eigen jeugd en uw eigen vader en/of moeder in hun rol als
ouders: Wat zou u dan willen overnemen van hen en wat juist niet?
11. Hoe heeft het krijgen van kind(eren) uw werk en de rest van uw leven beïnvloed?
12. Wat heeft u geleerd van het moeder zijn/vader zijn? Bent u veranderd? Hoe? Als u
opnieuw zou kunnen beginnen aan het ouderschap, zou u dan dingen anders doen?
13. Waar maakt u zich zorgen over als het over uzelf en uw gezin gaat?
14. Welke wensen heeft u voor uzelf en uw gezin?
15. Vind u dat u een goede ouder bent? Waarom wel of niet?
16. Wat heeft u nodig om een goede ouder te zijn? Vraagt u hierbij hulp? Van wie en
over welke onderwerpen?
Levensvaardigheden
Zelfbewustzijn: dit concept omvat zelfcontrole, het evalueren van jezelf, het bouwen aan
eigen waarde en zelfvertrouwen. En bijvoorbeeld het stellen van doelen.
17. In hoeverre bent u zelfbewust in uw rol als ouder?
18. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
19. Wat zou u aan uw zelfbewustzijn willen ontwikkelen?
Zelfmanagement: zorgt ervoor dat je kan omgaan met verschillende gevoelens/situaties.
Bijvoorbeeld het omgaan met stress en boosheid. Daarnaast bevat dit concept ook het
verdelen van de tijd, het beheersen van impulsen en ontspanning.
20. Hoe gaat u om met uw emoties in uw rol als ouder?
21. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
22. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
23. Hoe gaat u om met stress in uw rol als ouder?
24. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
25. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
26. In hoeverre vindt u dat u goed uw tijd kan indelen tussen: vrienden, familie, kinderen,
werk, partner en tijd voor u zelf?
27. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
Maatschappelijke bewustzijn: omvat het luisteren naar anderen, empathie tonen en het
herkennen en erkennen van individuele verschillen en verschillen tussen groepen.
28. In hoeverre vindt u dat u naar uw kinderen kan luisteren?
29. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
30. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
Relatievaardigheden: Het vermogen om gezonde en belonende relaties op te bouwen met
verschillende personen en groepen. Hiervoor moet je duidelijk kunnen communiceren, actief
luisteren, samenwerken, omgaan met sociale druk, onderhandelen bij conflicten en hulp
bieden als dat nodig is.
31. Wat vindt u van uw communicatie tussen u en uw kind?
32. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
33. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
34. Welke problemen en conflicten komt u tegen in u rol als ouder?
35. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
36. Vindt u dat het hebben van netwerken (contact hebben met andere ouders/leerkrachten
etc) u creatieve oplossingen biedt bij problemen.
37. Hoe kom dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
38. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
Verantwoordelijke besluitvorming: Het vermogen om opbouwende en respectvolle
beslissingen te maken over persoonlijk gedrag en sociale interacties. Deze beslissingen zijn op
basis van het afwegen van ethische normen, sociale normen, bezorgdheid over veiligheid en
een realistische evaluatie van consequenties van acties en het welzijn van zichzelf en anderen.
39. Welke beslissingen vindt u moeilijk om te maken in u rol als ouder
40. Hoe komt dit terug in het dagelijks leven en uw gedrag?
41. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
42. Op welke wijze evalueert u uw ouderschapsrol?
43. Wat zou u hieraan willen verbeteren en welke ondersteuning heeft u daarvoor nodig?
... However, parental self-esteem and emotion regulation did not continue to deteriorate during toddlerhood, but started to increase instead. Although previous research indicated that during this period, often referred to as 'the terrible twos', parenting stress peaks and parenting enjoyments bottoms (Fagot & Kavanagh, 1993;Williford et al., 2007), and parents feel insecure about their role as parent as they have to cope with the tantrums of their child (Petterson et al., 2017), the results of the present study indicate that this challenging phase does not negatively impact parental self-esteem or emotion regulation. It may be that the child's increased autonomy and increasingly more regulated sleeping pattern makes caring for a toddler less exhausting and more rewarding than caring for an infant (Crnic et al., 2005;Richter et al., 2019). ...
Article
Full-text available
We know a great deal about the immediate impact of becoming a parent, but less on the more long-term impact as parents are adapting to the rapid developmental changes that characterize the early childhood period. This longitudinal study explored how parental self-esteem and emotion regulation develops during pregnancy, infancy, toddlerhood and preschool-age. We used nine waves of data from 550 Dutch fathers and mothers to examine stability and change in self-esteem and emotion regulation from pregnancy until 4 years postpartum, for both first and later pregnancies. Self-esteem and emotion regulation showed the same trajectory of change, with decreases during pregnancy and infancy, and increases during toddlerhood and preschool-age. Fathers had higher mean-levels of self-esteem and emotion regulation than mothers, but child age-related changes were the same for fathers and mothers. First-time parents and second-, third-, or fourth-time parents did not differ in mean-level self-esteem and emotion regulation, nor in age-related change. Over the course of 4 years postpartum, parents slightly increased in self-esteem and emotion regulation. The results suggest that, for the average parent, the birth of a child causes a temporary deviation from the overall trend toward greater self-esteem and emotion regulation. Since both traits are predictive for parental well-being, positive parenting and child development, future research needs to investigate if an intervention should and could ease the transition to parenthood and thereby prevent this decline.
Chapter
Full-text available
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, de continuïteit, de tweezijdigheid en de collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen, doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen, maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.
Article
Full-text available
Recent scholarly and media accounts paint a portrait of unhappy parents who find remarkably little joy in taking care of their children, but the scientific basis for these claims remains inconclusive. In the three studies reported here, we used a strategy of converging evidence to test whether parents evaluate their lives more positively than do nonparents (Study 1), feel relatively better than do nonparents on a day-to-day basis (Study 2), and derive more positive feelings from caring for their children than from other daily activities (Study 3). The results indicate that, contrary to previous reports, parents (and especially fathers) report relatively higher levels of happiness, positive emotion, and meaning in life than do nonparents.
Article
Full-text available
Although recent scholarship has emphasized the importance of examining the rewards of raising children in understanding variations in psychological consequences of parenthood, empirical research remains focused on the demands of parenthood. Using a sample of parents with children aged 0-22 in the National Survey of Families and Households (N=6228), this paper examines the association between age of children and parental psychological well-being, focusing on a key element of rewards of parenthood, parental relationship satisfaction with their children, as a mediator of the link. Findings indicate that parents whose oldest child is under age five report higher satisfaction with the relationship with their children, higher self-esteem, higher self-efficacy, and less depression than do parents whose oldest child is school-age or adolescent. When parental satisfaction is taken into account, the differences in self-esteem, self-efficacy, and depression by age of children disappear.
Article
Emotion regulation, defined as the capacity to influence one's experience and expression of emotion, is a complex skill now recognized to evolve throughout the lifetime. Here we examine the role of emotion regulation in parenthood, and propose that regulatory function during this period is distinct from the emotion regulation skills acquired and implemented during other periods of life. In this review, we consider the unique demands of caring for a child and recognize that parents have to maintain a regulated state as well as facilitate regulation in their child, especially early in development. We examine neurobiological, hormonal and behavioral shifts during the transition to parenthood that may facilitate parental regulation in response to infant cues. Furthermore, we consider how parents shape emotion regulation in their child, and the clinical implications of regulatory functioning within the parent–child relationship.
Article
Inleiding De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Aan de andere kant blijkt uit onderzoek dat 36 procent van de ouders met thuiswonende kinderen zegt zich in het afgelopen jaar wel eens zorgen te hebben gemaakt over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Zestig procent van deze ouders heeft daarvoor hulp of advies gezocht buiten het gezin, de familie of de vriendenkring (CBS, 2008). Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. In veel pedagogische en ontwikkelingspsychologische literatuur is te lezen dat veel problemen heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij kinderen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten. Vroegtijdige opvoedingsvoorlichting, advies en ondersteuning aan ouders en beroepsopvoeders kan verergering van problematiek en verwijzing naar specialistische voorzieningen voorkomen. Deze ondersteuning moet gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis over de factoren die een gezonde opvoeding en ontwikkeling van jeugdigen kenmerken. Die kennis biedt veel handvatten over hoe jeugdigen door opvoeders over veel van de 'normale' problemen heen te helpen zijn. Zo zijn ouders goed voor te lichten over effectieve manieren van opvoeden, waarbij te voorkomen is dat gewoon oppositioneel gedrag uitgroeit tot ernstiger vormen van gedragsproblematiek (Speetjens, De Graaf & Blokland, 2007). Ook pedagogisch medewerkers in de kinderopvang en leerkrachten horen in hun opleiding opvoedingsvaardigheden aangeleerd te krijgen die horen bij het omgaan met kinderen in de groep. In deze notitie gaan we in op de factoren die een gezonde opvoeding en ontwikkeling kenmerken. We beschrijven een levensloopmodel waarin opvoeding en ontwikkeling in samenhang worden gepresenteerd. Het model is gebaseerd op de alom geaccepteerde opvatting binnen de hedendaagse ontwikkelingspsychologie, namelijk dat ontwikkeling gezien wordt als een interactief proces tussen kind en (pedagogische) omgeving. De omgeving heeft invloed op de ontwikkeling van het kind. Bij een kind dat opgroeit in een liefdevolle, stabiele en stimulerende omgeving is de kans groter dat het zich goed ontwikkelt dan bij een kind dat opgroeit in een minder ondersteunende omgeving. Maar het kind heeft ook invloed op de omgeving. Een kind met een moeilijk temperament bijvoorbeeld, roept bij de opvoeder (en ook bij anderen) ander gedrag op dan een kind dat makkelijk is in de omgang (Van den Akker, Deković, Prinzie & Asscher, 2010). 2 Voor het antwoord op de vraag waaraan een pedagogische omgeving in algemene zin moet voldoen om de ontwikkeling van een kind zo goed mogelijk te laten verlopen, vinden we aanknopingspunten bij de vier zogenoemde pedagogische basisdoelen, zoals beschreven door Riksen-Walraven (2004). We beschrijven deze doelen hier eerst in algemene zin. Vervolgens specificeren we ze in concrete opvoedingsvaardigheden. Daarna gaan we in op de verschillende ontwikkelingsopgaven die kinderen moeten uitvoeren en de daarbij behorende opvoedingsopgaven. Tot slot presenteren we een interactief model waarin ontwikkelings-en opvoedingstaken zijn geïntegreerd. 1. Pedagogische basisdoelen Op basis van onderzoeksresultaten in de literatuur komt Riksen-Walraven (2004) tot een viertal pedagogische basisdoelen. Deze basisdoelen zijn in eerste instantie geformuleerd voor de kinderopvang, maar gelden volgens haar voor elke opvoedomgeving (thuis, school). We beschrijven de basisdoelen hier kort.
Article
Originally proposed in 1975, the transactional model has become central to understanding the interplay of nature and nurture in explaining the development of positive and negative outcomes for children. Although scientists have long acknowledged that nature and nurture work together in producing positive or negative developmental outcomes, such cooperation has been difficult to demonstrate because of inadequate conceptual models, experimental designs, or statistical methodologies. This book documents the state-of-the-art research in developmental psychology for overcoming these inadequacies and presents new ideas for future work. The book is divided into five parts. Part I introduces the transactional model and designs for transactional research. Parts II and III focus on the predictive power of the transactional model and the many social settings that contribute to child progress. Part II specifically examines the relations between infants and children and their parents, focusing on the relationship between child characteristics and behaviors and parents' child-rearing beliefs and behaviors. Part III broadens the perspective on child development to include the effects of the interplay among children and parents, neighborhood, school, ethnic, and socioeconomic environments. Parts IV and V discuss new directions in transactional psychology and examine the idea of the transaction itself. The overall result is a comprehensive examination of the transactional model with a focus on practical implications for how children grow and develop. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)
Article
A fair number of parents-to-be expect parenthood to be the impetus for improving their couple relationship, but this expectation is likely to be disconfirmed for most of them. With a focus on childrearing attitudes, the author investigates the factors differentiating parents-to-be who have overly optimistic expectations about parenthood from those who have realistic expectations. A sample of 174 French-Canadian couples expecting their first child completed questionnaires during the last trimester of pregnancy. Results indicated that, compared to realistic parents-to-be, those with overly optimistic expectations show less complexity in their attitudes toward childrearing. Implications of these findings for counsellors are discussed.
Article
The transition to parenthood is generally seen as one of the most challenging events in the early stages of marriage. But is it really that detrimental for marriage and do all couples go through the same changes? This article provides a state-of-the-art review of research on marital change across the transition to parenthood. I first address to what extent the transition to parenthood affects the partner relationship. I then consider factors that explain why some couples fare better or worse than others across the transition to parenthood. Two factors that play a central role are (1) adaptive processes and (2) personal and situational characteristics. Finally, this article builds an evidence-based case for an integrative model of the transition to parenthood.