Technical ReportPDF Available

Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt. Op weg naar optimale inzet van natuurlijke vijanden

Authors:

Abstract and Figures

Om handvatten te geven voor het inzetten van natuurlijke vijanden tegen de belangrijkste plagen in de Zundertse boomteelt is via literatuurstudie, enquêtes en interviews de volgende trits beschreven: plaag → natuurlijke vijand → ecologische vereisten van de natuurlijke vijand → maatregelenset ter stimulering van de natuurlijke vijand. Het blijkt dat voorlopers in de boomteelt al volop experimenteren met onderdelen van deze maatregelenset en dat winst te behalen is in de uitwisseling van goede praktijken en het inzetten van het totaalpakket aan maatregelen.
No caption available
… 
No caption available
… 
No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
Functionele
agrobio-
diversiteit
in de Zundertse
boomteelt
Op weg naar optimale
inzet van natuurlijke
vijanden
Adviesrapport in
opdracht van Treeport
Hugo Hoofwijk en Derk Jan Stobbelaar
December 2016, Wageningen
Van Hall Lare nstein is een internatio nale groene kennisinstelling, waa r we met passie en kunde onderwijs verzorgen, o ndersteu
nd door
toegepast onderzoek binnen diverse lectoraten. We leiden pro
-actieve profe ssionals o p, die op een verantwo orde en ondernemende wijze
een positieve bijdrage leveren aan een duurzame samenleving.
Datum
December 2016
Auteur
Hugo Hoofwijk en Derk Jan Stobbelaar
Status
Definitief
Functionele
agrobiodiversiteit in de
Zundertse boomteelt
Op weg naar optimale inzet van natuurlijke vijanden
Adviesrapport in opdracht van Treeport
University of Applied Sciences
Inhoudsopgave
Samenvatting 7
1 Functionele agrobiodiversiteit voor boomtelers 9
1.1 Gewasbeschermingsmiddelen en natuurlijke vijanden 9
1.2 Treeport als aanjager 9
1.3 Doelstellingen van het FABB project 9
1.4 Natuurlijke vijanden, biologische bestrijding en FABB 10
1.5 Leeswijzer 10
2 Bewust gebruik van insecticiden 11
2.1 Van breed naar specifiek 11
2.2 Van preventief naar curatief 11
2.3 Wijze van toepassen 11
2.4 Van chemische naar biologische gewasbescherming 12
3 Plagen in de boomteelt 13
3.1 Dop- en Schildluis 13
3.2 Bladluis 14
3.3 Beukenbladluis 15
3.4 Spintmijten 15
3.5 Trips 16
3.6 Kevers 17
3.7 Rupsen / Vlinders 18
3.8 Buxusmot 19
4 Natuurlijke vijanden 20
4.1 Wie eet wie? 20
4.2 De natuurlijke vijanden en hun habitats 21
4.2.1 Lieveheersbeestjes (Coccinellidae) 22
4.2.2 Sluipwespen (o.a. Braconidae) 25
4.2.3 Zweefvliegen (o.a. Syrphidae) 27
4.2.4 Gaasvliegen (o.a. Chrysopidae en Hemerobiidae) 31
4.2.5 Roofwantsen (o.a. Anthocoridae) 34
4.2.6 Roofgalmug (Cecidomyiidae) 37
4.2.7 Roofmijten (o.a. Phytoseiidae) 39
4.2.8 Graafwespen (Sphecoidae, Crabronidae) 41
4.2.9 Aaltjes 43
4.2.10 Oorwormen (Forficula auricularia) 44
4.2.11 Spinnen en 'bodemkevers' 46
4.2.12 Vogels 49
4.2.13 Vleermuizen (Chiroptera) 51
Larenstein
5 Uitnodigen van natuurlijke vijanden 53
5.1 Maatregelen ter stimulering van natuurlijke vijanden 53
5.2 De maatregelen in detail 54
5.2.1 Bloemstroken 54
5.2.2 Ruigten 57
5.2.3 Bosschages 58
5.2.4 Aanbieden van kunstmatige schuilplaatsen 62
5.2.5 Uitzetten van natuurlijke vijanden 64
5.2.6 Ongestoorde grond 64
5.2.7 Overige teeltmaatregelen 64
5.3 Landschapscomplementering 65
5.4 De maatregelen in de praktijk 67
6 De Zundertse praktijk 68
6.1 Natuurlijk produceren 68
6.2 Biologische bestrijding 68
6.3 Chemische bestrijding 69
6.4 FABB 69
6.5 Natuurlijke elementen op het bedrijf 69
6.6 De keten 70
7 Aanbevelingen en reflectie 71
7.1 Tips voor de teelt 71
7.2. Tips voor Treeport 71
7.3 Proefopzet 72
7.4 Reflectie 72
Literatuurlijst 75
Bijlage 1 Projectmethode 77
Bijlage 2 Specifieke natuurlijke vijanden 78
Bijlage 3 Bloeiende en besdragende struiken voor bosschage,
houtwal en singel 83
Bijlage 4 Enquêtes 85
Bijlage 5 Interviews 86
University of Applied Sciences
Want natuurlijke vijanden zijn jouw natuurlijke vrienden
Titel
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt. Op weg naar optimale inzet van natuurlijke vijanden.
Sleutelwoorden
levenscyclus, complementariteitstheorie, ziekten en plagen, bedrijfssysteem, boomteelt, functionele
agrobiodiversiteit
Referaat
Om handvatten te geven voor het inzetten van natuurlijke vijanden tegen de belangrijkste plagen in de
Zundertse boomteelt is via literatuurstudie, enquêtes en interviews de volgende trits beschreven: plaag →
natuurlijke vijand → ecologische vereisten van de natuurlijke vijand → maatregelenset ter stimulering van de
natuurlijke vijand. Het blijkt dat voorlopers in de boomteelt al volop experimenteren met onderdelen van deze
maatregelenset en dat winst te behalen is in de uitwisseling van goede praktijken en het inzetten van het
totaalpakket aan maatregelen.
Funcionele Agrobiodiversiteit in de Boomteelt Zundert
is een deelproject van Koepelproject Plantgezondheid van LTO Nederland
Projectuitvoering
Lectoraat Duurzaam Landschapsbeheer van Hogeschool Van Hall Larenstein en De Groene Link
Begeleidingscommissie
Jolanda van Hasselt en Gerard de Baaij (beiden Treeport) René van Gastel (Groeibalans)
Met dank aan Roos van Maanen voor het kritisch becommentariëren van het concept
Fotoverantwoording
De foto op de omslag is van Derek Parker en valt onder de Creative Commons gebruiksvoorwaarden. Ook alle
andere in dit rapport opgenomen foto’s vallen onder de Creative Commons gebruiksvoorwaarden.
Bronvermelding
Teksto vername uit deze publicatie wordt aangemoedigd, mits voorzien van een deugdelijke bronvermelding.
University of Applied Sciences
7
Samenvatting
Het project Functionele Agrobiodiversiteit in de Boomteelt in Zundert (FABB) heeft twee doelen: 1: Het bieden
van handvatten aan boomkwekers om op een bedrijfseconomisch interessante wijze de natuurlijke
omstandigheden op en rondom hun bedrijf zodanig aan te passen dat de natuurlijke bestrijders van ziekten en
plagen zich optimaal kunnen ontwikkelen, en 2: Het voorbereiden van praktijkproeven.
Daarvoor zijn door middel van een enquête onder de Treeportleden eerst de belangrijkste plaagorganismen voor
de boomtelers in Zundert geïdentificeerd: dop- en schildluis, bladluis (met speciale aandacht voor de
beukenbladluis), spintmijten, trips, kevers en rupsen. Omdat de buxusmot aan een opmars bezig is, is deze aan
de lijst toegevoegd. Daarna zijn door literatuurstudie en interviews de levenscycli van de belangrijkste natuurlijke
vijanden van deze plaagorganismen beschreven. Vervolgens zijn beheer en inrichtingsmaatregelen beschreven
die noodzakelijk zijn om deze natuurlijke vijanden een duurzaam leefmilieu te bieden op de teeltbedrijven. Dit
leidt tot een beschrijving van de reeks
plaag natuurlijke vijand ecologische vereisten van de natuurlijke vijand
maatregelen ter stimulering van de natuurlijke vijand
Ieder organisme heeft zijn eigen eisen en voorkeuren, maar in zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
goed is voor natuurlijke vijanden als op redelijk korte afstand van elkaar houtige elementen voorkomen (voor
overwintering) en als er gedurende een lange periode bloeiende planten te vinden zijn (voornamelijk van belang
als voedsel voor volwassen natuurlijke vijanden).
Daarna is getoetst in hoeverre deze maatregelen al toegepast worden in de teeltwijze van de koplopers binnen
de Zundertse boomteeltbedrijven. Het blijkt dat veel van de bezochte boomteeltbedrijven al op zoek zijn naar
methoden om onafhankelijker te worden van gewasbeschermingsmiddelen en daartoe een strategie hebben
ontwikkeld waarin plantweerstand, bodemkwaliteit en natuurlijke vijanden gezamenlijk een rol spelen. Dit doen
zij omdat zij dit een prettiger manier van werken vinden, maar ook omdat zij voorzien dat het gebruik van
gewasbestrijdingsmiddelen in de boomteelt steeds meer aan banden gelegd zal worden. Ook blijkt dat er op
ieder bedrijf, of in de directe omgeving ervan, al redelijk wat landschapselementen aanwezig zijn die van belang
zijn voor de levenscyclus van natuurlijke vijanden. De kwaliteit van deze landschapselementen is niet altijd
optimaal. Om functionele agrobiodiversiteit in Zundert verder vorm te geven is het dus vaak niet nodig om grond
op te offeren voor bijvoorbeeld het aanleggen van houtsingels of ruigtes; vaak helpt het al om de kwaliteit van de
bestaande landschapselementen te verhogen.
Inmiddels loopt er op basis van de studie een proef met een eenjarig bloemenmengsel dat bij verschillende
telers, op een demonstratiebedrijf en op gemeentelijke terreinen op tijdelijk braakliggende gronden gezaaid is.
Gemeten wordt hoe de plagen en natuurlijke vijanden zich in deze stroken en in het gewas ontwikkelen. Een
volgende stap is om andere landschapselementen die noodzakelijk zijn voor de levenscyclus van de natuurlijke
vijanden op de bedrijven aan te pakken.
University of Applied Sciences
9
1 Functionele agrobiodiversiteit
voor boomtelers
1.1 Gewasbeschermingsmiddelen en natuurlijke vijanden
De wettelijke gebruiksvoorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen worden de komende tijd steeds strenger.
Daarnaast lijkt het er op dat de werkzaamheid van de beschikbare middelen terugloopt. Omdat de boomteelt
een kleine sector is, is het voor producenten van gewasbeschermingsmiddelen niet aantrekkelijk om specifiek
voor toepassingen in de boomteelt te investeren. Als gevolg hiervan wordt het voor de boomteelt beschikbare
middelenpakket steeds kleiner1. Voor herbiciden is deze ontwikkeling al ver gevorderd; de komende tijd zullen
ook de insecticiden en daarna de fungiciden steeds verder ingeperkt worden.
Gewasbeschermingsmiddelen zijn niet de enige manier om ziekten en plagen te onderdrukken: vrijwel alle
ziekten en plagen hebben natuurlijke vijanden. Deze natuurlijke vijanden komen in meer of mindere mate op alle
bedrijven voor. Met name in de gesloten teelten worden ze daarnaast ook gericht ingezet, dit heet biologische
bestrijding. In de open teelten is biologische bestrijding moeilijker: de natuurlijke vijanden kunnen niet zomaar
'uit een doosje worden gehaald' want dan vliegen (of lopen) ze weg. Als we natuurlijke vijanden een grotere rol
willen laten vervullen in de plaagbestrijding, dan zullen we de natuurlijke omstandigheden op en rondom het
bedrijf zodanig moeten aanpassen dat de natuurlijke vijanden uitgenodigd worden om zich op en rond het
bedrijf te vestigen.
Naast natuurlijke plaagbeheersing kunnen deze nuttige insecten ook zorgen voor bestuiving of een bijdrage
leveren aan de bodemvruchtbaarheid. Dit alles samen heet functionele agrobiodiversiteit’, ofwel FAB. Voor de
akkerbouw en in mindere mate voor de fruitteelt is er al veel bekend over FAB, voor de boomteelt is de kennis
hierover nog beperkt en gefragmenteerd. Tegelijkertijd zien meer en meer boomtelers in dat een natuurlijk
evenwicht een positief effect kan hebben op de groei van bomen en planten, en dat ziekten en plagen niet persé
enkel op chemische wijze bestreden hoeven te worden. Het ontbreekt hen echter vaak aan praktische
handvatten om hiermee om te gaan.
1.2 Treeport als aanjager
De Coöperatieve Vereniging Treeport Zundert ontplooit initiatieven, voert projecten uit en organiseert
activiteiten die bijdragen aan een gezonde en gebalanceerde boomkwekerijsector in de regio West-Brabant. Op
dit moment zijn zon 100 boomkwekerijen, toeleveranciers, adviseurs en andere aan de boomteeltsector
verbonden bedrijven lid of vriend van de organisatie.
Eén van de kernactiviteiten van Treeport is het ontwikkelen en verspreiden van kennis, met en onder de
aangesloten telers. Dit doet ze onder meer middels het project Functionele Agrobiodiversiteit in de Boomteelt
(FABB). FABB is onderdeel van het koepelproject plantgezondheid, een project van LTO bomen en vaste planten.
Groene draad van dit koepelproject is een verminderde afhankelijkheid van chemie met een gelijkblijvende of
betere bestrijding van plaagorganismen.
1.3 Doelstellingen van het FABB project
Het eerste doel van het FABB project is handvatten te bieden aan boomkwekers om op een bedrijfseconomisch
interessante wijze de natuurlijke omstandigheden op en rondom hun bedrijf zodanig aan te passen dat de
natuurlijke bestrijders van ziekten en plagen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Hierbij wordt gestreefd naar een
gebiedsbenadering: niet alle maatregelen hoeven op het bedrijf zelf genomen te worden; een deel van de
maatregelen kan ook 'bij de buren' (collega boomteeltbedrijven, maar ook natuurgebieden, oevers van sloten en
beken, wegbermen, landgoederen, natuurgebieden) worden gevonden zodat kosten en ruimtebeslag verdeeld
worden. Het tweede doel van dit project is om op basis van de handvatten voor FABB praktijkproeven op de
1 Zie voor een beschrijving van deze ontwikkeling bijvoorbeeld het interview met Jan Veltman in Boom in Business
2013-4.
Larenstein
10
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Zundertse boomteeltbedrijven voor te bereiden. Deze proeven moeten geënt zijn op de beschikbare
wetenschappelijke- en ervaringskennis en toepasbaar zijn in het huidige bedrijfssysteem.
Dit rapport is dan ook een adviesrapport, waarin de gebruikte gegevens weliswaar zo veel mogelijk
wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar die in een zo praktisch toepasbare vorm gegoten zijn.
1.4 Natuurlijke vijanden, biologische bestrijding en FABB
In dit rapport maken we onderscheid tussen 'natuurlijke vijanden', 'biologische bestrijding' en 'FABB'. In al deze
gevallen gaat het weliswaar om de bestrijding van schadelijke organismen door een natuurlijke vijand van deze
schadelijke organismen, maar er zijn verschillen:
Met natuurlijke vijanden bedoelen we dieren die plaagorganismen doden. Dat doen ze om als voedsel te
gebruiken, maar ook wel om een deel van hun eigen levenscyclus te volbrengen (bijvoorbeeld door eieren te
leggen in een plaagorganismen).
Met name in de kastuinbouw is het gebruik van biologische bestrijding inmiddels gemeengoed: plaaginsecten
worden hierbij bestreden door de natuurlijke vijanden van die insecten doelbewust uit te zetten. Deze
natuurlijke vijanden zijn massaal gekweekt en kunnen bij de bekende leveranciers zoals Koppert en Biobest
worden gekocht. In de open teelten is biologische bestrijding een stuk lastiger: de natuurlijke vijanden hebben
immers de neiging weg te vliegen of weg te lopen. Daarom wordt biologische bestrijding in de open teelten
aanzienlijk minder toegepast dan in de gesloten teelten. Toch begint biologische bestrijding in de fruitteelt
inmiddels ook vaste voet aan de grond te krijgen.
Biologische bestrijding heeft een aantal voordelen: het werkt selectief, het laat geen residu achter en het
veroorzaakt geen resistentie. Kwekers die al langer biologische bestrijding toepassen ervaren de verbeterde
arbeidsomstandigheden als een groot voordeel (Van de r Horst, 1998).
Functionele AgroBiodiversiteit in de Boomteelt, ofwel FABB, is een methode om natuurlijke vijanden ook in de
buitenteelt in te zetten. In tegenstelling tot de gesloten teelten is het niet werkbaar om natuurlijke vijanden te
bestellen en in de teelt los te laten. In FABB is het de bedoeling om de spontaan voorkomende natuurlijke
vijanden 'uit te nodigen' om zich op en vlak bij de percelen te vestigen. Door het aanbieden van bijvoorbeeld
extra voedsel, schuilplekken en overwinteringsmogelijkheden hebben ze betere overlevingskansen en kan hun
bijdrage aan de plaagbestrijding worden verhoogd.
1.5 Leeswijzer
Om de effectiviteit van FABB maximaal te laten zijn, kan de kweker de volgende stappen volgen:
Bewust gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen Hoofdstuk 2. Dit is de basis om de
natuurlijke vijanden te beschermen
Ken de plaaginsecten Hoofdstuk 3. FABB begint bij weten welke plaaginsecten er aanwezig zijn.
Ken de natuurlijke vijanden Hoofdstuk 4. Ieder plaaginsect heeft z'n eigen natuurlijke vijanden.
Nodig natuurlijke vijanden uit op het bedrijf Hoofdstuk 5. Natuurlijke vijanden komen en blijven
alleen op het bedrijf als de omstandigheden voor hen jaarrond goed zijn.
Aansluitend op deze theoretische beschouwing kijken we naar de praktijk in Zundert.
De huidige en de mogelijke rol van FABB in de Zundertse praktijk worden beschreven Hoofdstuk 6.
Het rapport sluit af met aanbevelingen, waarin theorie en praktijk gekoppeld worden. Hoofdstuk 7.
Zie bijlage 1 voor de globale projectmethode. Indien nodig wordt in de inleiding van de hoofstukken de daar
toegepaste methodische stap verder uitgediept.
University of Applied Sciences
11
2 Bewust gebruik van insecticiden
Insecticiden zijn bedoeld om insecten te bestrijden. Veel natuurlijke vijanden horen echter zelf ook tot de
insecten, of leven van insecten. Gebruik van insecticiden kan dan ook schadelijk zijn voor natuurlijke vijanden. De
invloed van herbiciden en fungiciden is minder direct, maar ook die kunnen invloed hebben op de natuurlijke
vijanden. Wanneer we de natuurlijke vijanden optimaal in willen zetten, is het dus van belang kritisch te kijken
naar met name de toepassing van insecticiden.
2.1 Van breed naar specifiek
Breedwerkende insecticiden (zoals Admire en Decis) werken niet alleen tegen veel verschillende plagen, ze
hebben ook hun invloed op veel 'niet-doelwit organismen' (figuur 2.1). Vervang breedwerkende insecticiden zo
veel mogelijk door specifieke insecticiden.
Figuur 2.1: effect van gewasbeschermingsmiddelen op natuurlijke vijanden (aangepast van: beedeals.nl)
2.2 Van preventief naar curatief
Wanneer het gewas goed gemonitord wordt kan het aantal preventieve bespuitingen over het algemeen flink
omlaag. Als er vooral of alleen nog maar curatief wordt bespoten, is de negatieve impact op de natuurlijke
vijanden een stuk kleiner. Denk ook na over de schadedrempel: het is niet alleen belangrijk om een plaag te
constateren maar ook om inzicht te hebben welke mate van aantasting nog acceptabel is. Bijvoorbeeld Corylus of
Betula kunnen een aanzienlijke bladluispopulatie verdragen voordat schade optreedt. Maar daarentegen kunnen
enkele exemplaren Californische trips al een grote schade op visueel aantrekkelijke planten veroorzaken en deze
onverkoopbaar maken (Van der Horst, 1998).
2.3 Wijze van toepassen
Natuurlijke vijanden zitten vaak in de begroeiing van de perceelsranden. Ze kunnen daar direct worden geraakt
door drift of zij kunnen het middel later binnenkrijgen doordat ze foerageren op pollen en nectar van planten die
het middel hebben opgenomen. Het is dus heel belangrijk om drift zoveel mogelijk te beperken. Dit kan onder
meer door middel van driftreducerende doppen en driftreducerende technieken (zoals luchtondersteuning,
Wingsprayer, Tunnelspuit, Wannerspuit etc) (beedeals.nl: toolkaart Wijs Middelengebruik Boomteelt).
Wanneer in plaats van volvelds te spuiten, stroken of gedeelten van het perceel behandeld worden, kunnen de
natuurlijke vijanden naar een niet behandeld deel vluchten. Veel plagen zijn minder mobiel en worden dus toch
wel bestreden (Boer et al., 2003).
Larenstein
12
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
2.4 Van chemische naar biologische gewasbescherming
Biologische insecticiden (en ook biologische fungiciden) zijn in opkomst. Maar ook deze middelen zijn ontwikkeld
om insecten te doden, dus er kan zeker niet zonder meer gesteld worden dat ze minder schadelijk zijn voor
natuurlijke vijanden. Toch zijn er enkele biologische insecticiden die, bij correcte toepassing, amper negatief
effect hebben op natuurlijke vijanden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan middelen op basis van azadirachtin (Azatin
en NeemAazal) tegen spintmijten, tripslarven, rupsen, bladluizen en kevers; veilig voor de meeste natuurlijke
vijanden.
University of Applied Sciences
13
3 Plagen in de boomteelt
Natuurlijk kan in dit rapport niet worden ingegaan op alle plagen waar de boomteelt mee te maken heeft.
Daarom is door middel van een enquête en gesprekken met werkveldpartijen bepaald welke plagen in de
Zundertse boomteelt het meest voorkomen, dan wel in de praktijk de meeste problemen opleveren of een groot
gevaar dreigen te worden (buxusmot). De indeling die door hen werd aangedragen is hierbij aangehouden,
omdat die aangeeft in welke categorieën gedacht wordt. Deze acht plagen worden in dit hoofdstuk gebruik
makend van bestaande literatuur beschreven.
3.1 Dop- en Schildluis
Dopluis (Gebaseerd op groenkennisnet.nl)
Dopluizen (Platte dopluizen, halve dopluizen, ,gewone dopluizen) hebben veel waardplanten, zowel
groentegewassen als siergewassen. Naast de gewone dopluis (Parthenolecanium corni), is er ook de platte
dopluis (Loccus hesperidum) en halve dopluis (Saissetia coffeae).Dopluizen zitten vaak op verscholen plekken in
een gewas, waardoor aantastingen gemakkelijk kunnen worden gemist. Ze hebben een grijze of bruine kleur en
zitten verspreidt over de hele plant inclusief de wordtel. Meestal worden ze aangetroffen tegen de nerven van
een blad, zowel aan de boven- als aan de onderkant. Ze gedijen goed onder vochtige, warme omstandigheden.
Dopluizen zuigen aan bladeren en twijgjes. Hierdoor ontstaan verkleuringen, groeiremmingen en uiteindelijk
bladval. Dit alles is de directe schade. Net als bij wittevliegen en bladluizen scheiden dopluizen honingdauw (te
veel aan suikers opgezogen uit de plant) af, dat weer een voedingsbodem vormt voor roetdauwschimmels. Deze
vervuiling van het gewas is de indirecte schade. Onder kasomstandigheden zijn er drie tot zes generaties per jaar
(buiten de kas zijn één tot twee generaties mogelijk). De voortplanting is vaak ongeslachtelijk
(parthenogenetisch), waarbij de vrouwtjes voor vrouwelijke nakomelingen zorgen. Het schild van de dopluizen is
niet van het insect af te halen. Dit in tegenstelling tot het schild bij schildluizen. Alle stadia bezitten poten,
behalve de eileggende vrouwtjes. De vrouwtjes kunnen in een aantal weken zeer veel (tot 3000) eieren leggen.
De eieren liggen beschermd onder het harde schild van de vrouwtjes. De eerste nymfen, de "crawlers/kruipers"
verspreiden zich over de hele plant. De mortaliteit (sterfte onder de dopluizen) is in dit stadium groot.
Schildluis (Gebaseerd op groenkennisnet.nl)
De vrouwtjes leggen eieren onder het schildje. Hieruit komt na ongeveer 10 dagen het eerste nimfe stadium, dat
zich lopend verplaatst. Gedurende de eerste dagen verspreiden zij zich over de plant en zoeken een plek om zich
te vestigen. Met hun monddelen zuigen ze zich vast aan de plant, waarna ze beginnen met de vorming van een
schildje. Het vrouwelijke individu ontwikkelt zich via een tweede nimfenstadium tot adult. De mannelijke nimf in
het tweede nimfenstadium begint lange dunne wasdraden te produceren en tevens wit poederachtige was af te
scheiden. Er ontstaat een langgerekte witte cocon. Voor hun verdere ontwikkeling maken de mannetjes een
prepop- en popstadium door, afgeschermd door de waslaag. Zij hebben inmiddels een meer langgerekte vorm
gekregen. De volwassen mannetjes zien er uit als zeer kleine vliegjes. De levenscyclus varieert van 60 tot 120.
Dopluis (foto Svetlana Lisova) Schildluis (foto Maja Dumat)
Larenstein
14
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Gebaseerd op Van der Horst, 1998
Schildluizen (Diaspididae) en dopluizen (Coccoidae) zijn bedekt met een harde wasachtige laag of met een groot
aantal wasachtige draadjes. Hier verschuilen zij zich onder. Zij zitten voor het grootste deel van hun leven
vastgezogen aan takken en bladeren van hun waardplanten. Schildluizen hebben een los schildje op het lichaam
en zijn vrij plat. De schildjes zijn verschillend van vorm en grootte, afhankelijk van de soort.
3.2 Bladluis
Gebaseerd op Van der Horst, 1998
Bladluizen behoren tot de orde van de snavelinsecten (Hemiptera). In ons land komen ongeveer 600 soorten
bladluizen voor. Hiervan kunnen veel soorten boomkwekerij gewas sen aantasten. Bladluizen zijn te verdelen in
twee groepen, de waardwisselende en de niet-waardwisselende soorten. De niet-waardwisselende soorten
kunnen hun levenscyclus op één gewas voltooien. Soorten die van waardplant wisselen vermeerderen zich in de
zomer op hun zomerwaardplant en gaan in de winter naar hun winterwaardplant. Hierop worden na paring
eieren gelegd voor de overwintering. De zomerwaardplanten zijn kruiden of houtige gewassen. De
winterwaardplanten zijn houtige, winterharde gewassen. Veel bladluizen zijn polyfaag, dat wil zeggen dat zij
verschillende gewassen kunnen aantasten. In kas en tunnel komen vaak polyfage soorten voor. Door de gunstige
leefomstandigheden kunnen deze veel schade aan de gewassen toebrengen. De meest voorkomende polyfage
soorten zijn aardappeltopluis, groene perzikluis, katoenluis en zwarte bonenluis. In buitenteelten komen
polyfage soorten ook voor, maar daar is de schade aan de gewassen vaak minder. De voortplanting van
bladluizen vindt zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk (parthenogenetisch) plaats. Binnen een soort komen
verschillende verschijningsvormen voor: ongevleugelde en gevleugelde exemplaren, levendbarende vrouwtjes,
mannetjes en ovipare vrouwtjes die na paring wintereieren afzetten. De ontwikkeling van bladluizen kan zeer
snel verlopen omdat bevruchting niet noodzakelijk is. Bovendien kunnen nakomelingen na de geboorte snel
nieuwe nakomelingen produceren. Determinatie Voor een effectieve bladluisbestrijding is determinatie
essentieel omdat veel soorten ongevoelig zijn voor bepaalde chemische middelen. In het veld is herkenning (met
een loep, vergroting 10 x) van veel soorten mogelijk, zoals aardappeltopluis, groene perzikluis, katoenluis en
zwarte bonenluis. Bladluizen veroorzaken verschillende aantastingen zoals:
Larven en volwassen bladluizen onttrekken voedingsstoffen uit de plant en verstoren hiermee de
groeihormonenbalans. Vroeg in het voorjaar kan dit een sterke groeiremming veroorzaken en in sommige
gevallen kunnen planten afsterven.
Plantensap is arm aan eiwitten en rijk aan suiker. Om voldoende eiwitten op te nemen onttrekken bladluizen
veel voedsel aan de planten. Het overschot aan suiker wordt dan op het blad afgescheiden in de vorm van
honingdauw. Op deze afscheiding groeien roetdauwschimmels. Deze vervuilen de planten sterk en tasten de
sierwaarde aan. Tevens is de fotosynthese van de plant geremd waardoor de plant trager groeit.
Bladluizen kunnen met hun speeksel giftige stoffen in de planten overbrengen die groeistoornissen
veroorzaken.
• Sommige bladluizen brengen virussen over.
Spontaan voorkomende natuurlijke vijanden van bladluis zijn zweefvliegen, lieveheersbeestjes, sluipwespen,
roofwantsen, oorwormen, gaasvliegen en roofgalmuggen.
In binnenteelten ontstaat in korte tijd schade door bladluisaantasting. De schadedrempel is hier laag gedurende
het hele seizoen. De oorzaak hiervan is dat het gewas zacht is en de populatieopbouw van de bladluizen snel
Bonenluis (foto Sasha Kohlmann) Bladluizen aangevallen door lieveheersbeestje en haar larve (foto T-Mizo)
University of Applied Sciences
15
gaat. De schadedrempel op boomkwekerijgewassen in de buitenteelten is afhankelijk van het tijdstip van
aantasting. In het vroege voorjaar kan een bladluisaantasting een aanzienlijke groeiremming veroorzaken.
Vooral in het voorjaar is het dus van belang om alert te zijn op de aanwezigheid van bladluis. Later in de zomer
ontstaat minder snel schade. De schadedrempel is dan hoger en een bestrijding is minder snel noodzakelijk. De
planten zijn meer af gehard en hebben hun omvang (maat) bereikt. Ook zijn er dan meer natuurlijke vijanden
actief. Het blijven volgen van de bladluispopulatie blijft echter noodzakelijk in verband met de afzet van
wintereieren. Een bestrijding kan nog noodzakelijk zijn om de handelswaarde van de planten te behouden of om
de aanwezigheid van bladluizen in het volgend voorjaar te voorkomen. Uit ervaring is bekend dat voor de
berkenbladluis (Euceraphis betulae), de gele hazelbladluis (Myzocallis coryli) en de grote esdoornluis
(Drepanosiphum platanoidis) een hoge schadedrempel geldt, dat wil zeggen dat veel bladluizen weinig schade
aanrichten.
3.3 Beukenbladluis
Gebaseerd op groenkennisnet.nl
De beukenbladluis is van speciaal belang voor Zundert vanwege de vele beuken die daar geteeld worden.
Enigszins blauwwitte luizen die in een witte wollige wasafscheiding zijn gehuld. Ze zitten aan de onderzijde van
de beukenbladeren, vooral in de vertakkingen van de hoofdnerf. De gekrulde misvormde bladeren kunnen in
jonge beuken (beukenhaag) voor problemen zorgen. De groei blijft achter, de sierwaarde van de plant stelt niet
veel voor en in planten kunnen afsterven. De luizen overwinteren als ei op de schors van de plant. De eerste
luizen zijn ongevleugelde vrouwtjes. Later in het seizoen ontstaan meerdere generaties, met ook gevleugelde
vrouwtjes. In het najaar worden gevleugelde mannetjes geboren. Na bevruchting leggen de ongevleugelde
vrouwtjes de eieren op de schors.
3.4 Spintmijten
Gebaseerd op groenkennisnet.nl
Spintmijten zijn kleine spinachtige beestjes die aan de onderkant van bladeren leven tussen spinsel met kleine
witte vlekjes. Ze zorgen voor een vale bladkleur en vroegtijdige bladval. Met hun zuigsnuit zuigen ze sap uit de
Beukenbladluis (foto S. Rae) Beukenbladluis (foto Mausboam)
Bonenspintmijt (foto Gilles San Martin) Spintmijt (foto Mollivan Jon)
Larenstein
16
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
cellen. De wijfjes leggen aan de bladonderzijde tientallen eieren. De generatieduur is 3 - 4 weken. Vooral bij
warm en droog weer vindt een snelle vermeerdering plaats.
Gebaseerd op Van der Horst, 1998
De meest voorkomende schadelijke spintmijten (Tetranychidae) in boomkwekerij gewassen zijn de
bonenspintmijt, de fruitspintmijt, de lindenspintmijt en de sparrenspintmijt. De bonenspintmijt en de
fruitspintmijt zijn polyfaag, dat wil zeggen dat zij zich op verscheidene gewassen kunnen vermeerderen.
Lindenspintmijt komt voor op Tilia en de sparrenspintmijt tast coniferen aan.
Bij het begin van een aantasting zijn lichtgekleurde stipjes aan de bovenkant van het blad te zien. Deze plek
breidt zich geleidelijk uit over het hele blad. Aan de onderzijde van het blad ontstaat een glanzend spinsel en het
blad wordt grijswit door de zuigactiviteit. Deze mijt heeft een lange reeks aan waardplanten. Zeer gevoelige
waardplanten zijn o.a. Aralia (bonte cultivars), Callicarpa, Cornus (bonte cultivars), Daphne, Hydrangea,
Laburnum, Potentilla, Skimmia, Sorbus, Rosa, en Ulmus.
3.5 Trips
Gebaseerd op groenkennisnet.nl
De kleine, slanke insecten zuigen in de groeipunten, hierdoor ontstaan misvorming en groeiremming. We vinden
ze op de bladonderzijde, op jonge scheuten en in bloemknoppen. De insecten doorboren de buitenste cellen om
sappen op te kunnen zuigen. Daardoor komt er lucht in de cellen, er ontstaan zilverachtige plekjes. Later kunnen
de bladeren bruin worden en bij ernstige aantasting kunnen de bladeren afvallen. Jonge scheuten worden
misvormd en geremd in de groei. Ook bloemknoppen en bloemen kunnen misvormd worden. Tripsen kunnen
ook virussen overbrengen. Ze overwinteren onder afgevallen blad en in de grond. Er zijn meerdere generaties
per jaar. De generatieduur is ongeveer één maand. Droog en warm weer bevorderen de ontwikkeling.
Gebaseerd op Van der Horst, 1998
Tripsen behoren tot de orde van de franjevleugeligen (Thysanoptera). In de boomteelt komen verschillende
soorten tripsen voor. Kenmerken voor herkenning zijn het aantal segmenten van de antenne en de beharing van
poten of de vleugels. Een trips heeft zes ontwikkelingsstadia namelijk: ei, twee larvestadia, voorpop, pop, en het
volwassen stadium. De voortplanting kan zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk plaatsvinden. Larven, poppen en
adulten overwinteren in plantenresten, in kieren in muren en kasconstructies en kunnen tot ongeveer 8 cm diep
in de grond gaan. De verpopping vindt meestal plaats op vochtige plaatsen of in spleten in de grond. In de
zomermaanden kunnen tripsen schade veroorzaken in de buitenteelten. In kas- of tunnelteelten kan de
aantasting het hele jaar doorgaan. Trips veroorzaakt schade aan de plant door cellen aan te prikken en die leeg
te zuigen. Het weefsel rondom de aangeprikte plek sterft af. De groei van de plant vermindert door het verlies
van bladgroen. Bij een ernstige aantasting kunnen de bladeren verdrogen en afvallen. Ook kan misvorming
optreden bij knoppen, bladeren en bloemen. De schade is afhankelijk van de soort trips.
Trips (foto Christophe Quintin) Trips larve (foto Christophe Quintin)
University of Applied Sciences
17
3.6 Kevers
Gebaseerd op Van der Horst, 1998
Kevers behoren tot de orde der schildvleugeligen (Coleoptera). In deze groep komen zowel schadelijke als
nuttige insecten voor. Kevers hebben één paar leerachtige vleugels, de dekschilden, met daaronder een paar
vliezige vleugels. Zowel volwassen kevers als larven hebben bijtende monddelen. In Nederland komen ongeveer
3800 soorten kevers voor, waarvan ca. 500 soorten snuitkevers. Kenmerkend bij de laatste is de gebogen,
snuitvormig verlengde kop. De larven zijn pootloos en meestal geelwit met een bruine kop. De meeste soorten
zijn polyfaag. Haantjes hebben een ovaal lijf. Opvallend is de metaalglans op de schilden. De larven hebben
borstpoten. De belangrijkste haantjes in de boomteelt zijn het blauwe wilgenhaantje (Phyllodecta vulgatissima),
het bronzen wilgenhaantje (Phyllodecta vitellinae), elzenhaantje (Agelastica alni), heidehaantje (Lochmaea
suturalis) en het grote- en kleine populierenhaantje (Chrysomela soorten).
In Zundert hebben redelijk wat telers last van de taxuskever ( Gebaseerd op groenkennisnet.nl).
Zowel de volwassen kevers als de larven veroorzaken schade. Volwassen kevers vreten ronde gaten in de
bladeren, beginnen bij de rand. Dit wordt 'hapvreterij' genoemd. De taxuskever vormt een plaag in een groot
aantal siergewassen o.a. cyclamen, kalanchoë, fuchsia en azalea. De meeste schade ontstaat door vreterij aan
knoppen en nog zachte bast van jonge struiken. Deze schade wordt vooral veroorzaakt door de larven. Wortels,
wortelknollen en wortelstokken kunnen ernstig worden aangetast, maar ook doordat aan de stengelbasis de
bast van de plant wordt geknaagd. Hierdoor is geen sapstroom meer mogelijk en verwelken de planten en
sterven af. Een larve kan al voldoende zijn om een plant te laten doodgaan. Door de wonden die aan de wortel
ontstaan, kunnen schadelijke organismen zoals schimmels en bacteriën de plant binnendringen. Een volwassen
taxuskever is 8 - 12 mm lang, zijn bruinzwarte kleur en hebben vaalgele vlekjes. De dekschilden zijn gegroefd en
met het lichaam vergroeid zodat ze niet kunnen vliegen. Ze zijn genoodzaakt te lopen, wat ze erg goed kunnen.
De kevers zijn vooral 's nachts actief. De populatie bestaat volledig uit wijfjes. De voortplanting geschiedt
ongeslachtelijk (parthenogenetisch). Vanaf mei tot oktober leggen de wijfjes eieren, gemiddeld 4,5 ei per dag
over een periode van circa 200 dagen bij een temperatuur van 21ºC. De eieren zijn rond en eerst wit van kleur,
maar al snel worden ze bruin. De larven leven in de grond. Zijn aanvankelijk 1 mm lang en worden uiteindelijk 12
mm lang. De kop is bruin, het lichaam wit doorschijnend tot rozeachtig. De taxuskever overwintert als larve in de
grond. De volgroeide larven verpoppen in her voorjaar in de grond. Buiten is er één generatie per jaar. In de kas
verloopt de ontwikkeling veel sneller en kunnen meerdere generaties per jaar voorkomen.
De kevers knagen ronde happen vanuit de bladrand, en beschadigen tevens knoppen, bloem- en vruchtstelen.
De larven vreten jonge wortels en ontschorsen dikkere wortels. Ook vreten ze de bast van de wortelhals (daarbij
kan een callusrand ontstaan). De vreterij leidt bijna altijd tot het afsterven van de plant. Het is belangrijk om ook
aan gewassen die geen duidelijke bovengrondse aantasting en/of schadesymptomen geven, aandacht te
besteden. Dit kunnen broedplaatsen zijn voor de kevers. Met name in de vollegrond moet er aandacht zijn voor
beheersing van deze plaag in moerhoeken. Gevoelige gewasgroepen zijn:
• voor kevers en larven: Taxus, Rhododendron, Cornus, Euonymus, Viburnum, Rosaceae (met name geslachten
als Fragaria, Waldsteinia, Rubus), Vitaceae (met name Vitis, Parthenocissus);
• voor de larven: coniferen (met name Thuja, Picea), Astilbe, Primula en Sedum.
Blauw wilgenhaantje (foto Jürgen Mangelsdorf) Elzenhaantje (foto Bumbus)
Larenstein
18
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
3.7 Rupsen / Vlinders
Gebaseerd op vlindernet.nl
Aan de uiteindelijke vlinder gaan een aantal stadia vooraf. Van eitje naar rups, van rups naar pop en van pop
naar vlinder. De eitjes worden afgezet op waardplant, de plant die de rups prefereert. Vlindervrouwtjes zijn in
staat om geschikte waardplanten te vinden omdat ze aan het uiteinde van hun pootjes een gevoelig orgaantje
hebben waarmee ze suikers ongeveer 2000 keer sneller kunnen proeven dan een mens.
Een vrouwtje zet soms meer dan honderd of zelfs duizend eitjes af. Als de rups uit zijn eitje kruipt wil hij maar
één ding: eten. Tijdens zijn ontwikkeling moet de rups enkele malen vervellen omdat de huid niet meegroeit. Dit
gebeurt meestal vier of vijf keer. Veel vlindersoorten zijn als rups aanwezig tussen april en september. Sommige
soorten kunnen gemakkelijk gevonden worden in de tuin, parken of wegbermen. Veel tuinplanten worden door
rupsen als voedsel gebruikt, zoals bijvoorbeeld kruisbloemigen, liguster en geraniums. De laatste vervelling van
de rups is anders dan alle voorgaande vervellingen: in plaats van een zachte rupsenhuid komt er een stevige
pophuid tevoorschijn.
Veel rupsen verlaten vlak voor de laatste vervelling de waardplant om zich in of op de grond te verpoppen. Er
zijn ook soorten die zichzelf vasthechten aan de waardplant; dit kan op verschillende manieren. Sommige
soorten spinnen een zijdeachtige cocon, vaak tussen bladeren of achter schors. Er zijn ook soorten die zich
binnen in de waardplant verpoppen. Hoelang het popstadium duurt hangt af van de soort. Bij een groot
koolwitje duurt het ongeveer twee weken.
Tenslotte barst de pop open en kruipt de vlinder naar buiten. De vleugels zijn nat en opgevouwen en de vlinder
kan nog niet vliegen. Vanuit het lijf wordt bloed in de vleugels gepompt en krijgen de vleugels hun uiteindelijke
vorm. De vlinder kan tijdens dit proces niet vliegen, en is dus erg kwetsbaar! Zodra de vleugels opgepompt zijn
kan de vlinder op zoek naar voedsel en een partner.
Als voorbeeld van een voor de teelt schadelijke rups hier een beschrijving van de Duponchelia rups / vlinder
(gebaseerd op groenkennisnet.nl
De vlinder komt sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw in Nederland voor. De vlinders/motten zijn licht-
tot donkerbruin. Op de vleugels is een witte kronkelende lijn zichtbaar. Het opvallend lange achterlijf staat
omhoog gebogen. De vleugelspanwijdte is 9 tot 12 mm. De vlinders/motten kunnen goed vliegen en verspreiden
zich daardoor goed in een gewas. De rupsen vreten aan allerlei gewassen en veroorzaken daardoor veel schade
in siergewassen o.a. potplanten (Kalanchoë, Cyclamen, Begonia). De rupsen kunnen zich invreten in de stengel
en zijn te vinden op vochtige plaatsen, voornamelijk onderin het gewas of in te hart van de plant. Vaak ook op
afstervend organisch materiaal op de grond. In potplanten kunnen ook de wortels worden aangevreten.
De vrouwtjes zetten de eieren vaak onderin het gewas af. De kleur van de eieren is roze-rood en ze worden in
groepjes afgezet aan de onderkant van de bladeren op of bij de nerven aan de stengelbasis. Na circa 8 dagen
komen de rupsen uit het ei. Ze zijn 20 tot 30 mm lang en roomwit van kleur met een donkere kop en bruine
schildjes op het lichaam. Na ongeveer vier weken zijn de rupsen volgroeid en gaan verpoppen. Het popstadium
duurt één tot twee weken. De levenswijze van de rupsen verschilt echter sterk van die van andere rupsen
doordat ze zich ophouden diep verborgen/verscholen in een gewas en niet of nauwelijks op de bladeren.
Rups van bastaardsatijnvlinder (foto Chris Cooper) Spinselmot (foto Lynne Hand)
University of Applied Sciences
19
3.8 Buxusmot
Gebaseerd op groenkennisnet.nl
De mot is vrij groot en heeft een spanwijdte van ongeveer 4 cm. Buxusmotten hebben witte vleugels met een
bruine rand, sommige exemplaren zijn geheel bruin. De rupsen zijn in het volgroeide stadium 4 cm groot, ze zijn
aanvankelijk vuilgeel, na enkele dagen krijgen ze bruine lengtestrepen. Oudere rupsen hebben een zwarte kop,
zwarte lengtestrepen en zwarte stippen op een groen huid.
De motten zetten hun eitjes af in de vorm van platte eispiegels aan de onderzijde van het blad. De eispiegels zijn
aanvankelijk geel groen van kleur, maar tegen de tijd, dat de eitjes uitkomen zijn duidelijk de zwarte kopjes van
de rupsjes zichtbaar. De poppen en vlinders kan men gedurende korte periodes tussen april en september
aantreffen. De jonge rupsjes vreten aan de onderzijde van het blad. De eerste symptomen van vraatschade lijken
vanaf de bovenzijde op een soort van blaasjes of mineergangen, die ontstaan, doordat de rupsjes aan de
onderzijde de opperhuid en een deel van het onderliggende bladmoes wegvreten. In het daarop volgende
stadium ontstaat vraatschade aan de hele plant en worden blaadjes aan elkaar gesponnen. Volgroeide rupsen
verpoppen in de plant, vaak buiten direct zicht.
Buxusmot (foto Christophe Quintin) Rups van buxusmot (foto Klasse im Garten)
Larenstein
20
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
4 Natuurlijke vijanden
4.1 Wie eet wie?
Elk van de in hoofdstuk 3 aangegeven plagen kent meerdere natuurlijke vijanden. Sommige natuurlijke vijanden
worden al toegepast als biologische bestrijder, andere (nog) niet. In tabel 4.1 staat een overzicht van de
natuurlijke vijanden die aangrijpen op de meest voorkomende plagen in de Zundertse boomteelt. Deze tabel is
gebaseerd op de literatuur die in de rest van dit hoofdstuk gebruikt is om de natuurlijke vijanden te beschrijven.
De nummers in de eerste kolom verwijzen naar de paragraafnummers waar de plagen resp. de natuurlijke
vijanden beschreven worden.
4.2.1 Lieveheersbeestje
4.2.2 Sluipwespen
4.2.3 Zweefvliegen
4.2.4 Gaasvliegen
4.2.5 Roofwantsen
4.2.6 Roofgalmuggen
4.2.7 Roofmijten & bodemmijten
4.2.8 Graafwespen
4.2.9 Aaltjes
4.2.10 Oorwormen
4.2.11 Spinnen en loopkevers
4.2.12 Vogels
4.2.13 Vleermuizen
3.1.1 Dop- en schildluis 1,2 1,2
3.1.2 Bladluis 1,2 1,2 1 1,2 1,2
3.1.3 Beukenbladluis
3.1.4 Spintmijten 1 1 1,2
3.1.5 Trips 1 1 1,2 1,2
3.1.6 Kevers 1,2
3.1.7 Rupsen 1 1,2
3.1.8 Buxusmot exp. exp. exp.
(1)
Deze natuurlijke vijand wordt gebruikt als biologische bestrijder
(2)
Deze natuurlijke vijand wordt ook in de buitenteelt gebruikt als biologische bestrijder
(exp)
De inzet van deze natuurlijke vijand is nog in experimenteel stadium
Tabel 4.1: de natuurlijke vijanden van de belangrijkste plaagorganismen in de Zundertse boomteelt
Uit deze tabel blijkt dat alle plaagorganismen door verschillende natuurlijke vijanden bestreden kunnen worden.
De inzet van meerdere natuurlijke vijanden versterkt waarschijnlijk het plaagonderdrukkende effect omdat dipjes
in de populatie van de ene soort natuurlijke vijanden opgevangen kan worden door een andere (Opdam, 2016).
Wanneer er meerdere natuurlijke vijanden ingezet worden kan het af en toe voorkomen dat ze elkaar negatief
beïnvloeden (bijvoorbeeld door elkaars eieren of larven op te eten, zie bijvoorbeeld Messelink et al., 2012), maar
dat is zeker geen gemeengoed (Jansen et al., 2006).
University of Applied Sciences
21
Ook blijkt uit tabel 4.1 dat er voor de Buxusmot alleen nog experimentele gegevens zijn. Onderzoek hiernaar is
dringend noodzakelijk om deze oprukkende plaag effectief via FABB te kunnen bestrijden.
Verder is opvallend dat veel (en steeds meer) natuurlijke vijanden ook als biologische bestrijders te krijgen zijn
(dus uit een doosje komen’). Dat kan een aanvulling zijn op de van nature voorkomende natuurlijke vijanden. De
voor de van nature voorkomende natuurlijke vijanden benodigde 'uitnodigende omgeving' is ook gunstig voor
het in stand houden van de populatie biologische bestrijders.
4.2 De natuurlijke vijanden en hun habitats
In bovenstaande tabel worden 13 natuurlijke vijanden genoemd. In deze paragraaf worden ze allemaal
beschreven. Van elke natuurlijke vijand beschrijven we:
Kort de kenmerken van de natuurlijke vijand, incl. afbeelding
Welke plagen ze helpen controleren of bestrijden
In deze paragraaf beschrijven we families natuurlijke vijanden (sluipwespen, zweefvliegen, …) die
families plaagorganismen (trips, kevers) bestrijden. Families kunnen worden onderverdeeld in
geslachten en die, op hun beurt, weer in soorten. In de biologische bestrijding, maar ook in de literatuur
over functionele agrobiodiversiteit, worden vaak specifieke geslachten of soorten gebruikt dan wel
genoemd als natuurlijke vijand van een specifieke plaag. Omwille van de leesbaarheid hebben we die
informatie niet in deze paragraaf opgenomen, maar in Bijlage 2.
De levenscyclus
Het voedsel
Maatregelen ter stimulering (versterking natuurlijke habitat, creëren kunstmatige habitat); maatregelen
die in hoofdstuk 5 verder worden uitgewerkt zijn dikgedrukt en van paragraafverwijzing voorzien.
Informatiebronnen: literatuurlijst & websites. De gebruikte bronnen zijn niet op de wetenschappelijke
manier in de tekst opgenomen, dat zou de leesbaarheid te veel hinderen. Per paragraaf worden de
gebruikte bronnen opgesomd. Natuurlijk kunnen de hier genoemde bronnen ook gebruikt worden om
meer te weten te komen over de natuurlijke vijand die in de paragraaf beknopt beschreven wordt.
NB: Over de maatregelen om de natuurlijke vijanden te stimuleren is weinig literatuur beschikbaar; in dit
rapport hebben we de maatregelen afgeleid uit de levenscyclus van de soorten.
Larenstein
22
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
4.2.1 Lieveheersbeestjes (Coccinellidae)
Korte beschrijving
In Nederland komen ruim 40 soorten lieveheersbeestjes voor. De meest voorkomende zijn de zevenstip
(Coccinella septempunctata), de inheemse tweestip (Adalia bipunctata) en het veelkleurig Aziatisch
lieveheersbeestje (Harmonia axyridis).
Vooral effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
En ook tegen:
Dop- en schildluis
Beukenbladluis
Spintmijt
Trips
Kevers
Aanwezige mierenkolonies verminderen de doeltreffendheid van lieveheersbeestjes: ze vallen lieveheersbeestjes
aan om hun kweekvan bladluizen te beschermen. De bestrijding van bladluizen met lieveheersbeestjes kan
dus minder doeltreffend zijn als vooraf eventuele mierenkolonies niet verwijderd worden (door bijvoorbeeld
barrières met insectenlijm aan te brengen).
Levenscyclus
Het lieveheersbeestje overwintert als kever. In het voorjaar leggen de wijfjes helder oranjegele eitjes, doorgaans
in groepjes op de onder- of bovenkant van het bladoppervlak en vaak te midden van bladluiskoloniën. Na 2 tot
10 dagen komen de eitjes uit; dan zijn het larven. De larven zijn langwerpig, dikwijls met wratjes of dorentjes en
haren bezet en veelal fraai grijs met geel gekleurd. Als ze volgroeid zijn, zijn ze net zo groot als de kevertjes: 5 à 8
mm. De larven verpoppen na één tot drie weken tot het volwassen dier, dat 3 maanden tot een jaar leeft.
Afhankelijk van de soort kent het lieveheersbeestje één tot vijf generaties per jaar (figuur 4.1).
Lieveheersbeestje (foto Ian Jacobs) Larve lieveheersbeestje en bladluizen (foto Mark Yokoyama)
University of Applied Sciences
23
Figuur 4.1 Fenologie van het Lieveheersbeestje (uit: Verschoore, 2014)
Voedsel
Zowel de larven als de adulte lieveheersbeestjes zijn predatoren en voeden zich voornamelijk met bladluizen.
Vooral de larven zijn vraatzuchtig: één larve kan gedurende zijn complete ontwikkeling 90 tot 800 bladluizen
verorberen. Daarnaast kunnen ze zich ook voeden met bladvlooien, keverlarven, mijten en andere zachte
ongewervelden. Wanneer het aantal prooien te laag is, kunnen ze nectar, pollen en/of honingdauw gebruiken als
noodrantsoen. Ook kunnen ze dan migreren, tot maximaal 4 kilometer.
Er zijn ook lieveheersbeestjes met een specifieke voedselvoorkeur: de viervlek (Exochomus quadripustulatus) eet
vooral dopluizen met wasdraden, terwijl het spintetend lieveheersbeestje (Stethorus punctillum) vooral spint eet.
Herkennen
Zowel de volwassen kevertjes als de larven zijn gemakkelijk herkenbaar. De volwassen kevertjes hebben
oranjerode, gele of zwarte dekschilden met daarop een aantal stippen. De larven zijn langwerpig, hebben zes
poten, zijn dikwijls met wratjes of dorentjes en haren bezet en veelal fraai en bont gekleurd.
Zo eenvoudig als het is om te herkennen dat men te maken heeft met een lieveheersbeestje, zo lastig is het om
te zien met welke soort lieveheersbeestje men van doen heeft. Kleur en aantal stippen varieert namelijk sterk,
ook binnen één soort. Voor het determineren van de soort kan men gebruik maken van de determinatietabel op
www.stippen.nl.
Het geïmporteerde Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis), ooit ingevoerd als biologische bestrijder van
bladluis, is een agressieve predator en kan zich ook tegoed doen aan de larven van andere lieveheersbeestjes.
Bovendien draagt het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje parasitaire schimmels bij zich. Zelf is hij daarvoor
immuun, maar voor het zevenstippelig lieveheersbeestje zijn de schimmels dodelijk. Determinatie is niet
makkelijk, maar het Aziatisch lieveheersbeestje is herkenbaar aan de zwarte 'M'-vormige tekening op het
halsschild (pronotum) en het van achteren vaak wat geplooide of gedeukte rugschild (elytrum).
Maatregelen ter stimulering
Lieveheersbeestjes gebruiken nectar, pollen en/of honingdauw als er te weinig prooien aanwezig zijn.
Het is dus zinvol om er voor te zorgen dat er bloeiende planten beschikbaar zijn, bijvoorbeeld in een
bloemstrook (zie paragraaf 5.2.1).
Naast de bloemstroken zullen zeker ook ruigtes (zie paragraaf 5.2.2) voorzien in de bloei die voor de
Larenstein
24
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
lieveheersbeestjes zo belangrijk is. Daarnaast bieden de ruigtes ook schuil- en overwinteringsplekken.
Lieveheersbeestjes overwinteren achter schors, dor blad, in kieren of onder stenen en in het strooisel.
Per soort zijn er verschillen: het zevenstippelig lieveheersbeestje leeft voornamelijk in de (reeds
genoemde) ruigte, terwijl het tweestippelig lieveheersbeestje in bomen en struiken leeft. Die laatste
soort heeft dus baat bij bosschages (zie paragraaf 5.2.3). Het viervleklieveheersbeestje leeft vooral op
naaldbomen. Hij heeft amper de neiging om daarvan weg te vliegen, en lijkt zich 'vast te zuigen' aan de
boom. Het is dus wijs om ook naaldbomen op te nemen in de bosschages.
Wanneer er een tekort aan natuurlijke schuilplaatsen is of aan zit te komen (bijvoorbeeld voordat de
bomen van het perceel worden weggehaald) is het zinvol om lieveheersbeestjes een kunstmatige
schuilplaats (zie paragraaf 5.2.4) te bieden om te schuilen en te overwinteren.
Literatuur
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, 1998:Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
adavalue.com over biologische bestrijding
groenkennisnet.nl over lieveheersbeestjes
insecticidenvrijeteelt.nl over lieveheersbeestjes
lieveheersbeestjes.be over lieveheersbeestjes
roodmetzwartestippen.nl over lieveheersbeestjes
stippen.nl over lieveheersbeestjes
waterwezens.nl educatieve modellen van lieveheersbeest, larve en pop
Wikipedia over lieveheersbeestjes
University of Applied Sciences
25
4.2.2 Sluipwespen (o.a. Braconidae)
Korte beschrijving
Er bestaan ontzettend veel soorten sluipwespen, waarvan verschillende nuttig zijn als natuurlijke vijand van
onder meer luizen. Sluipwespen kunnen vliegen; daardoor zijn ze in staat om bladluiskolonies op te zoeken.
Effectief tegen de volgende plagen
Dop- en schildluis
Bladluis
Beukenbladluis
Rupsen
Mogelijkerwijs: Buxusmot2
Levenscyclus
Sluipwespen zijn parasitair: het vrouwtje legt door haar legboor een eitje in de bladluis (figuur 4.2). Uit het ei
komt een larve die zich voedt met de geparasiteerde luis. De geparasiteerde luizen zwellen op en krijgen een
bruin, leerachtig uiterlijk: bladluismummie. Na enige tijd verpopt de larve zich en komt de sluipwesp uit de
mummie tevoorschijn. Er is dan een rond gaatje zichtbaar in de bladluismummie. De paring vindt over het
algemeen plaats binnen een dag na het verlaten van de mummie.
Figuur 4.2: Het aantal per maand geparasiteerde bladluizen door sluipwespen (uit: Verschoore, 2014)
2 Er wordt geëxperimenteerd met de inzet van sluipwespen (Trichogramma) tegen de buxusmot.
Sluipwesp (foto Christophe Quintin) Sluipwesp, bladluizen en bladluismummies (foto Mark Yokoyama)
Larenstein
26
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Voedsel
De larve voedt zich met de geparasiteerde gastheer, waardoor deze naar verloop van tijd sterft. Volwassen
sluipwespen voeden zich met nectar en honingdauw, wat ze nodig hebben als energiebron. Eiwitten, nodig voor
de eiproductie, halen ze meestal uit pollen of uit hun gastheer door hem te verwonden en nadien aan de wonde
te likken.
Herkennen
Sluipwespen zijn klein: zo'n 1 tot 4 mm groot. Over het algemeen hebben ze twee paar vliezige, doorzichtige
vleugels; de voorvleugels zijn beduidend groter dan de achtervleugels. Ze hebben lange antennes. Kop en
lichaam zijn zwart, de poten bruin.
Vooral aan de bladluismummies in een gewas is de aanwezigheid van sluipwespen waar te nemen.
Bladluismummies zijn gelig tot bruin, dikker dan gewone bladluizen en bewegen amper ze lijken bijna dood.
Wanneer de larve al uit de bladluis gekropen is, heeft de mummie een rond gaatje in de rug.
Wie deze nuttige wespen wil leeren kennen, moet maar eens een paar blaadjes met geparasiteerde
bladluizen in een fleschje doen en een paar dagen laten liggen. Tien tegen één dat er zich een of meer
sluipwespjes uit geïnfecteerde luizen ontwikkelen. Op rozen b.v. kunnen we zulke bladluizen met sluipwespen
heel vaak vinden.Schenk,1918 / 45
Maatregelen ter stimulering
Sluipwespen kunnen uitgezet worden (zie paragraaf 5.2.5).
Het uitzetten en handhaven van een populatie sluipwespen gaat beter als er bloemstroken (zie
paragraaf 5.2.1) zijn. In bloemstroken kunnen sluipwespen zich voeden met pollen en honing en
daarnaast zich op de luizen vermeerderen.
Literatuur
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, M., 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Schenk, P.J., 1918: Vijanden van bladluizen. In: Tijdschrift Over Plantenziekten (1918) 24: 37.
Verschoren. L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
Hortipendium over sluipwespen tegen Buxusmot
kvlt.be over sluipwespen
National Geographic filmpje: sluipwesp vs. rups
Tuinkrant.com over hoe sluipwespen luizen bestrijden
Wikipedia over sluipwespen
University of Applied Sciences
27
4.2.3 Zweefvliegen (o.a. Syrphidae)
Korte beschrijving:
Volwassen zweefvliegen zijn zo'n 8 tot 15 millimeter groot. Ze zijn te herkennen aan hun vlieggedrag: stilstand in
de lucht wordt afgewisseld met plotselinge bewegingen. Met hun zwart-gele strepen lijken ze wel wat op
wespen, bijen of hommels, hierdoor vallen ze minder snel ten prooi voor andere roofinsecten. Zweefvliegen
hebben twee vleugels en zijn daarmee te onderscheiden van wespen die vier vleugels hebben.
De larven zijn 10 tot 20 mm lang, crême-wit of groen van kleur, en in de schemering en 's avonds actief.
Effectief tegen de volgende plagen:
Bladluis
Beukenbladluis
Levenscyclus
De levenscyclus van zweefvliegen kent vier stadia: ei, larve, pop en adult (figuur 4.3).
Zweefvliegen doorlopen één tot vijf generaties per jaar. De zweefvlieg overwintert als volwassen dier tussen dor
blad, in kieren of achter schors in houtige beplantingen.
Zweefvlieg (Foto Mick Talbot) Larve van geelbandkrieltje (Paragus quadrifasciatus) eet bladluis (foto: Eran Finkle)
Larenstein
28
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Figuur 4.3 Fenologie van de zweefvlieg (uit: Verschoore, 2014)
Voedsel
Volwassen zweefvliegen hebben stuifmeel en nectar nodig, waarvoor ze regelmatig geschikte bloemen bezoeken.
Larven zijn carnivoor: ze zuigen hun prooi, vooral bladluizen, leeg. Van de ruim 350 zweefvliegsoorten in
Nederland eet ruim de helft van de soorten bladluizen. Eén larve kan gedurende zijn ontwikkeling 400 tot 700
bladluizen verorberen. Vrouwelijke volwassen zweefvliegen worden naar bladluispopulaties aangetrokken door
de geur van honingdauw, die wordt afgescheiden door de bladluizen.
Zweefvliegen kunnen, op zoek naar een omgeving met voldoende stuifmeel, nectar en prooien, redelijk grote
afstanden afleggen. 150 tot 200 meter is mogelijk, mits er geen barrières zijn zoals hoge houtwallen of andere
veldgrenzen.
Herkennen
Volwassen zweefvliegen hebben twee doorzichtige vleugels en een zwart-geel bandenpatroon op het achterlijf.
De eieren van zweefvliegen zijn klein, wit en ovaal. De larven zijn half doorzichtig, wormachtig en eten tot 1000
bladluizen in hun leven. De poppen zijn glad en druppelvormig. De ontwikkeling van ei tot volwassen zweefvlieg
duurt 17 dagen bij 22 graden, hogere temperaturen verkorten deze cyclus. Zweefvliegen overwinteren als
volwassen insect (soms als zwanger vrouwtje) in struiken en bosjes, tussen dorre blaadjes en ander strooisel, of
als pop op het gewas. Per jaar komen 3 tot 9 generaties voor.
Zweefvlieglarven lozen hun darminhoud vlak voordat ze gaan verpoppen. De zwarte vlek die hierdoor ontstaat is
kenmerkend voor de aanwezigheid van zweefvliegen.
Maatregelen ter stimulering
Bloemstroken (zie paragraaf 5.2.1) zijn bij uitstek geschikt om zweefvliegen aan te trekken.
Zweefvliegen kunnen overwinteren in ruigtes (zie paragraaf 5.2.2) en bosschages (zie paragraaf 5.2.3).
Met name voor de overwintering, maar ook als schuilplek in de zomer, kan zweefvliegen een
kunstmatige schuilplaats (zie paragraaf 5.2.4) geboden worden.
University of Applied Sciences
29
Literatuur
Bloksma, J. P. Jansonius & G. Brouwer, 1998: Natuur in en om de boomgaard. Louis Bolk Instituut & DLV.
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, M., 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Linden, A. van der, 2006: Bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij : resultaten van
natuurlijke- en biologische bestrijding op kwekerijen. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving PPO.
Linden, A. van der & C. Conijn, 2007. Het bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij en de
bollenteelt. Entomologische Berichten 67(6) 2007 , p. 237.
Linden, A. van der, C. Conijn, F. Nouwens, P. van Dalfsen, J. Hiemstra, H. Helsen, H & F. Geers, 2006:
Natuurlijke vijanden in de boomkwekerij : de natuur komt u een handje te hulp. Praktijkonderzoek Plant
& Omgeving PPO.
Reemer et al, 2009: De Nederlandse zweefvliegen. Nationaal historisch museum Naturalis & knnv
uitgeverij .
Scheele, H., H. van Gurp, F. van Alebeek, E. Belder, R. van den Broek, J. Buurma, J. Elderson, P. van Rijn,
M. Vlaswinkel & J. Willemse, 2007: Eindrapportage FAB 2005-2007 : Functionele Agro Biodiversiteit
(FA B ) . LTO.
Schenk, P.J., 1918: Vijanden van bladluizen. In: Tijdschrift Over Plantenziekten (1918) 24: 37.
Smits, A., J. de Blok, F. van de Kuik & J. Hiemstra, 2009: Hulp bij bestrijding van plagen: Natuurlijke
vijanden op de boomkwekerij . PPO / Telen met toekomst.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
Discover life over Melangyna cincta
Donegal Wildlife over zweefvliegen versus beukenbladluis
Hortipendium over sluipwespen tegen Buxusmot
Handboek Insecticidevrije Teelt over zweefvliegen
kvlt.be over zweefvliegen
nederlandsesoorten.nl over Melangyna cincta
Wikipedia over zweefvliegen
Opmerkelijk
De rol van zweefvliegen in de bestrijding van luizen is al heel lang bekend. Dit is wat P. Schenk er in 1918 over
schreef:
Men ziet de vaak fraai geteekende en allerminst griezelige vliegen in den zonneschijn in grooten getale boven
bloemen, liefst boven zulke met openliggenden honing, dien zij met stuifmeel als voedsel gebruiken, in den
nazomer zag ik ze heel vaak boven asters, herfstasters en bloeiende Hedera arborea. De vliegen leggen haar
kleine witte eitjes op planten, liefst te midden van bladluizen, welke straks de prooi zullen worden van de
vraatzuchtige larven, die we maden noemen.
En al rond 1860 beschreef Alfred Brehm in bijna poëtische stijl de strijd tussen zweefvliegen en bladluizen:
,,Wormpjes, die door hun vorm en bewegingen veel op bloedzuigers gelijken, grootendeels groen van kleur
(sommige zuiver groen, andere weer grijsachtig), ziet men in den zomer op de met bladluizen bedekte bladeren
zitten; het zijn de maden van zweefvliegen. Lenig en behendig kunnen zij her lichaam naar voren uitstrekken,
maar ook zoo sterk samentrekken, dat het bijna den vorm heeft van een ei; dit geschiedt wanneer men haar
aanvat. Met de weeke wratten aan her achterlijf houden zij zich vast, terwijl het grootste, voorste deel van het
lichaam, tastend en steeds dunner wordend, door de lucht wordt bewogen. Aan her voorste uiteinde merkt men
alleen twee hoornachtige haakjes en daartusschen een hoornplaatje met drie spitsen er op. Met de haakjes
houdt de made zich vast; het plaatje is als het ware de vork, waarmede de buit wordt opgepikt. Als de zuiger van
een pomp beweegt het voorste deel van het lichaam zich naar voren en naar achteren en pompt het slachtoffer
Larenstein
30
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
leeg, Alleen het leege huidje blijft over." ,,Opmerkelijk is het, dat deze schijnbaar ongewapende made zulk een
geweldige slachting aanricht onder de argelooze en weerlooze bladluizen, die kalm blijven zuigen naast bet
roofdier, dat zooeven 20 of 30 van hare makkers nauwelijks voldoende achtte voor een zijner talrijke
maaltijden." ,,Het leegzuigen van eene luis duurt niet langer dan 1-1.5 minuut, zoodat een paar dozijn in een half
uur verorberd wordt."
University of Applied Sciences
31
4.2.4 Gaasvliegen (o.a. Chrysopidae en Hemerobiidae)
Korte beschrijving
Volwassen gaasvliegen hebben twee paar vliezige vleugels met netvormig vertakte aders. Ze hebben
goudglanzende ogen, en een groen of buingekleurd lichaam. Gaasvliegen hebben lange antennes. In Europa
komen twee families voor: de groene gaasvlieg (Chrysopidae) en de bruine gaasvlieg (Hemerobiidae).
De groene gaasvlieg wordt al vele jaren verkocht als luisbestrijder door verschillende producenten van
biologische bestrijders. Eieren of larven kunnen worden losgelaten in buitengewassen al of niet in combinatie
met extra voedsel. De larven worden over het algemeen gezien als effectieve biologische bestrijders met een
hoge prooiconsumptie.
De larven van gaasvliegen worden ook bladluisleeuwen genoemd.
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
en ook tegen
Dop- en schildluis
Beukenbladluis
Spint
Trips
Rupsen
Natuurlijk evenwicht
Vanuit onderzoeken in de geïntegreerde fruitteelt weet men dat het aantal gaasvliegen in rechte lijn stijgt met de
aanwezigheid en de ontwikkeling van de bloembermen en elzenhagen.
Levenscyclus
De gaasvlieg heeft een vierdelige levenscyclus: ei, larve, pop en adult (figuur 4.4). Eén vrouwtje kan 200 tot 500
eitjes leggen gedurende haar leven. Dit doet ze op de boven- of onderkant van bladeren in de buurt van een
kolonie van prooidieren. Er zijn meestal twee generaties per jaar. De ontwikkeling van de verschillende stadia en
generaties verloopt niet synchroon, zodat we gedurende het hele seizoen alle stadia kunnen tegenkomen.
Groene gaasvliegen overwinteren als adult. In de herfst gaan de adulten in diapauze en vertrekken ze naar
bosjes, bosranden en boomgaarden, maar ook menselijk bebouwing. Bruine gaasvliegen overwinteren als pop in
een cocon.
Gaasvlieg (foto: David Marquina Reyes) Gaasvlieglarve (foto: Katja Schultz)
Larenstein
32
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Figuur 4.4 Fenologie van de gaasvlieg (uit: Verschoore, 2014)
Voedsel
Gaasvlieglarven zijn rovers: één larve kan gedurende zijn volledige ontwikkeling 400 tot 1000 bladluizen of
andere prooi-insecten verorberen. De larven hebben zes duidelijke poten en twee grote holle kaken van 1 cm
lengte waar ze bladluizen mee grijpen. De larven zijn vaak gecamoufleerd met leeggezogen bladluizen en andere
kleine materialen. Naast luizen, spint en trips staan ook vlindereitjes en witte vlieg op het menu. De bruine
gaasvlieg voedt zich ook als volwassen dier met plaaginsecten, de volwassen groene gaasvliegen eten stuifmeel,
nectar en honingdauw.
Volwassen gaasvliegen blijven in de omgeving waar het voedsel aanwezig is, maar kunnen tot 40 kilometer
afstand afleggen. Hierbij vliegen ze ongeveer 6 tot 12 meter hoog. De larven kunnen tot 30 meter afleggen op
zoek naar een prooi.
Maatregelen ter stimulering
Groene gaasvliegen overwinteren als adult. Het plaatsen van kunstmatige schuilplaatsen (zie paragraaf
5.2.4) kan voor een betere overleving in de winter zorgen.
Ook klimop, dor blad of de schors van houtige beplantingen vormen een overwinteringsplek. Verder
kunnen deze soorten worden gestimuleerd door bosschages (bosjes, hagen en andere overhoekjes, zie
paragraaf 5.2.3) te laten staan of aan te planten waar de soort kan schuilen en overwinteren. Dat kan
ook met een afwisselende erfbeplanting of door bijvoorbeeld jaarlijks gedeelten van slootkanten niet te
maaien.
Als adult hebben groene gaasvliegen stuifmeel en nectar of honingdauw nodig; bloemstroken dus (zie
paragraaf 5.2.1). Bloeiende randen zorgen voor stuifmeel die de volwassen gaasvliegen nodig hebben.
Ook vinden ze daar allerlei niet-schadelijke insecten die als prooi dienen. Zo kunnen gaasvliegen in de
lente in de akkerrand alvast grote aantallen opbouwen vóór de plagen in het gewas arriveren. Trekken ze
daarna het gewas in, dan kunnen zij opruiming houden onder plagen zoals bladluizen en rupsen.
Gaasvliegen hebben een voorkeur voor planten met behaarde en grote bladeren, om hun eieren op af te
zetten. Men kan er dus voor zorgen dat dergelijke planten in de ruigte (zie paragraaf 5.2.2) aanwezig zijn.
Ook met diverse teeltmaatregelen kunnen gaasvliegen gestimuleerd worden, zoals jaarlijks gedeelten
van slootkanten niet te maaien (zie paragraaf 5.2.7). Daar vinden ze dan voedsel of schuilgelegenheid.
University of Applied Sciences
33
Literatuur
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, M., 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
McEwen et al., 1999: Artificial overwintering chambers for green lacewings. In: Journal of Applied
Entomology 123:525-527.
McEwen, T., T. New & A. Wittington, 2007: Lacewings in the crop environment. Chapter 27: artificial
overwintering chambers.
Schelt, J. van & P. van Rijn, 2007: Gaasvliegen: vraatzuchtige larven voor de goede zaak. In:
Entomologische Berichten 67 (6): 268-270.
Schenk, P.J., 1918: Vijanden van bladluizen. In: Tijdschrift Over Plantenziekten (1918) 24: 37.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
groenkennisnet.nl over gaasvliegen
Handboek Insecticidevrije Teelt over gaasvliegen
kvlt.be over gaasvliegen
Wikipedia over gaasvliegen
Opmerkelijk
Ook over Gaasvliegen had Schenk in 1918 al wat te melden:
Verscheidene goede vrienden vinden we onder de Gaasvliegen; geen eigenlijke vliegen, waarvan een der
kenmerken is, dat zij slechts één paar vleugels bezitten, maar eene familie uit de orde der van twee paar vleugels
voorziene Netvleugeligen. Hier zijn het niet de volkomen dieren, die op de bladluizen azen, maar de larven. Zij zijn
zeer roofzuchtig en voeden zich met andere insekten, vooral met bladluizen, die zij aangrijpen en uitzuigen met
behulp van een orgaan, dat ongeveer den vorm heeft van eene ouderwetsche kandijschaar. 't Zijn sierlijke
diertjes, die men in den zomer vaak genoeg kan aantreffen en die zich op warme dagen ook gemakkelijk laten
vangen, want dan zijn zij lui en vadzig. Waarschijnlijk verschijnen er in den loop van een zomer twee generaties.
De larven leven te midden van bladluizen en zuigen deze de eene na de andere uit. Somtijds worden ook wel
andere insecten aangevallen en uitgezogen.” (Schenk, 1918 / :40)
Larenstein
34
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
4.2.5 Roofwantsen (o.a. Anthocoridae)
Korte beschrijving
Volwassen roofwantsen zijn 2 tot 4 millimeter lang en onopvallend donker gekleurd. Ze hebben een wat afgeplat
lichaam met een driehoekig halsschild dat achter de kop zit.
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
Beukenbladluis
Spint
Rupsen
Levenscyclus
Vele soorten overwinteren als volwassen wants. Roofwantsen overwinteren in houtwallen, hagen, de bast van
bomen, struikgewas, ruige slootkanten en tussen dor blad. Daar vinden ze in de lente ook hun eerste voedsel om
aan te sterken. Daarna worden nabij prooikolonies eieren afgezet: aan de onderkant van het blad van jonge
scheuten. Na 5 tot 10 dagen ontwikkelen zich hieruit de nimfen. De ongevleugelde larven komen enkel voor op
de plant waar de eitjes zijn afgezet. De nimfen leven ongeveer drie weken en gaan in die periode meer en meer
eten. Uiteindelijk, doorgaans vanaf de maand mei, ontwikkelen zich uit de nimfen de volwassen dieren.
Normaliter leven die drie tot vier weken; in die tijd leggen ze eitjes voor de volgende generatie (figuur 4.5).
Roofwants (foto: Mick Talbot) Nymphe van roofwants (foto: S. Rae)
University of Applied Sciences
35
Figuur 4.5 Fenologie van de roofwants (uit Verschoore, 2014)
Voedsel
Na het verlaten van den overwinteringsplaats voeden de volwassen dieren zich met stuifmeel van bloemen
(voornamelijk elzen), nodig voor de ei-ontwikkeling. Ook eten ze nectar, dat gebruiken ze als vliegenergie. Zodra
er voldoende dierlijke prooien zijn schakelen ze daarop over. Niet alleen de volwassen dieren, maar vooral de
nimfen zijn rovers. Ze zijn daarbij allerminst kieskeurig.
Roofwantsen zijn redelijk mobiel en kunnen goed vliegen waardoor ze snel nieuwe prooihaarden kunnen
ontdekken. Gebruikmakend van de geur vinden ze plekken met veel prooidieren.
Maatregelen ter stimulering
Roofwantsen zijn als volwassen zeer mobiel. Bij gebrek of afwezigheid van hun prooien gaan ze vliegend
op zoek naar vervangend voedsel. Dit kan hen aangeboden worden door geschikte nectar- en
stuifmeelleveranciers in bijvoorbeeld bloemstroken (zie paragraaf 5.2.1) aan te bieden.
Bosschages (zie paragraaf 5.2.3) en ruigtes (zie paragraaf 5.2.2) zijn interessant omdat ze niet alleen
voedsel leveren (bijvoorbeeld als aanvulling op de bloemstroken) maar ook omdat ze schuilplaatsen en
overwinteringsplaatsen bieden.
Wetenswaardigheden
Roofwantsen van de perebladvlo eten in het vroege voorjaar luis op zwarte els. Zo ontwikkelt zich een
beginpopulatie roofwantsen. Wanneer deze luis wordt bestreden of een luisvrije els om de boomgaard staat, is
de kans op schade door perebladvlo groter.
Literatuur
Bloksma, J., P.J. Jansonius & G. Brouwer, 1998: Natuur in en om de boomgaard. Louis Bolk Instituut & DLV.
Boer, M., H. Kloen & J.A. Guldemond, 2003: Ondernemen met biodiversiteit. CLM, Louis Bolk Instituut en
DLV.
Brouwer, G., 2013. Natuurlijke vijanden: weet wat ze eten, weet hoe ze te bevorderen. DLV Plant.
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Horst, M. ter, 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Linden, A. van der & C. Conijn, 2007. Het bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij en de
bollenteelt. Entomologische Berichten 67(6) 2007 , p. 237.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Larenstein
36
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Websites
groenkennisnet.nl over roofwantsen
kvlt.be over roofwantsen
stuge.be over roofwantsen
tuinkrant.com: Roofwantsen nuttig in de bestrijding
Wikipedia over roofwantsen
University of Applied Sciences
37
4.2.6 Roofgalmug (Cecidomyiidae)
Korte beschrijving
Galmuggen zijn erg tere insecten die vaak maar 2 tot 3 millimeter lang zijn. Ze hebben een dun, langwerpig lijf en
dunne poten. De kop is duidelijk zichtbaar met draadachtige antennes. Ze worden gekarakteriseerd door één
paar smalle, harige vleugels. Galmuggen zijn gevoelig voor droogte en sterven massaal bij een lage relatieve
luchtvochtigheid. Om deze reden zijn de muggen hoogstwaarschijnlijk alleen 's nachts en in de schemering actief;
overdag verschuilen ze zich in de planten.
Het merendeel van de galmuggen is fytofaag (eet planten), en is dus schadelijk voor verschillende gewassen. De
larven van een aantal soorten zijn echter predatoren en belangrijke natuurlijke vijanden van verschillende
plaaginsecten (bladluizen, spintmijten, ...). Deze laatste groep, de roofgalmuggen, wordt hierna verder
beschreven.
De bekendste roofgalmuggen zijn de bladluisroofgalmug (Aphidoletes aphidimyza Rondani) en de
spintroofgalmug (Therodiplosis persicae).
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
Beukenbladluis
Spint
Schildluis
Trips
Levenscyclus
Roofgalmuggen kunnen vliegen, en zijn dus in staat om prooikolonies op te zoeken. Omdat de kleine larven niet
in staat zijn om zich over grote afstanden te verplaatsen moet er vaak een aanzienlijke populatie prooien
aanwezig zijn voordat de volwassen dieren eieren leggen. Galmuggen worden dan ook het meest gezien bij
hogere dichtheden van plagen.
Een vrouwtje leeft ongeveer één week en kan in die tijd ongeveer 60 eitjes leggen. De larven komen na 3-7
dagen uit en worden al snel roodbruin van kleur. Na een kleine 2 weken zijn de larven geheel ontwikkeld. Ze
laten zich op de grond vallen en verpoppen op geringe diepte in een cocon. De volgende generatie galmuggen
komt na 2-3 weken te voorschijn.
Gewoonlijk zijn er jaarlijks twee generaties; van de laatste generatie overwinteren de larven in een cocon in de
grond om in het voorjaar te verpoppen.
De piekperiode voor de larven ligt van juni tot september.
Roofgalmug (foto: Christophe Quintin) Larve van bladluisroofgalmug tussen luizen (foto: Whitney Cranshaw
Larenstein
38
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Voedsel
De larven van een aantal soorten voeden zich met de eieren en jonge larven van andere insecten of mijten. Een
larve van de bladluisroofgalmug eet gedurende zijn ontwikkeling ongeveer 100 bladluizen. Die van de
spintroofgalmug verorbert circa 30 spintmijten of 80 spinteitjes per dag. De larven eten alle ontwikkelingsstadia
van hun prooien.
De larven van de bladluisjagende soorten zuigen de lichaamsinhoud van bladluizen op, waarna die bladluizen
sterven. Daardoor zijn galmuggen snel en doelmatig.
Bij een tekort aan voedselbronnen treden de larven in een soort rusttoestand waarbij ze niet meer bewegen en
niet verpoppen. Wanneer er opnieuw voldoende prooien zijn, worden ze weer actief.
Volwassen roofgalmuggen voeden zich met nectar of honingdauw.
Maatregelen ter stimulering
Volwassen roofgalmuggen voeden zich met nectar of honingdauw. Met bloemstroken (zie paragraaf
5.2.1) kan hierin voorzien worden.
Voor de overwintering van de galmug is het belangrijk dat de grond niet verstoord wordt (zie paragraaf
5.2.6).
Literatuur
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, M., 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Linden, A. van der & C. Conijn, 2007. Het bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij en de
bollenteelt. Entomologische Berichten 67(6) 2007 , p. 237.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
groenkennisnet.nl over (roof)galmuggen
kvlt.be over roofgalmuggen
Wikipedia over galmuggen
University of Applied Sciences
39
4.2.7 Roofmijten (o.a. Phytoseiidae)
Korte beschrijving
De roofmijten behoren voornamelijk tot de familie van de echte roofmijten (Phytoseiidae) en de fluweelmijten
(Trombidiidae). Ook de bodemroofmijten (Laelapidae) behoren tot deze groep.
Roofmijten zijn klein: een volwassen exemplaar is ongeveer een halve millimeter lang.
Op boomgewassen worden verschillende soorten spontaan gevonden, met als dominante roofmijtsoort
Amblyseius andersoni. Andere veel voorkomende soorten zijn Euseius finlandicus, Neoseiulus californicus en de
appelroofmijt Typhlodromus pyri.
Roofmijten zijn door het inzetten van breedwerkende pesticiden, grotendeels verdwenen uit de land- en
tuinbouwpercelen. In de natuur en in onbehandeld groen komen ze voor op de bladeren van vruchtbomen,
loofbomen, struiken en kruidachtigen.
Effectief tegen de volgende plagen
Spint
Trips
Daarnaast eten ze ook andere mijten en witte vlieg.
Levenscyclus
De roofmijt kent vier stadia: ei, larve, nimf, adult, in vier tot zes generaties per jaar. Hun piekperiode valt in april
tot september. De roofmijt overwintert doorgaans als volwassen dier in schuilplaatsen, bijvoorbeeld tussen
schors van oudere bomen of tussen afgevallen bladeren; er zijn ook soorten die als ei overwinteren.
Voedsel
Sommige roofmijt-soorten zijn gespecialiseerde soorten die zich slechts kunnen voeden met één
prooisoort. Maar over het algemeen zijn de inheemse roofmijten niet kieskeurig en leven van
verschillende soorten schadelijke mijten; als deze roofmijten preventief worden ingezet vinden ze altijd
wel iets van hun gading. Het zijn de nimfen, maar vooral de volwassen vrouwtjes die vraatzuchtig zijn:
die eten spint- of tripseitjes, tripslarven en volwassen spintwijfjes.
Sommige soorten kunnen lang zonder voedsel en veel soorten kunnen zich bij gebrek aan prooi ook
in leven houden met stuifmeel en plantensappen of met kannibalisme.
Roofmijt onder microscoop (foto: Peter Fenda) Amblyseius andersoni in komkommer (foto: Antonio Hidalgo)
Larenstein
40
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
De bodemroofmijt wordt in de boomkwekerij ingezet tegen varenrouwmug, maar eet ook andere
plaagdieren.
Hoewel de roofmijten niet zo vraatzuchtig zijn als bepaalde insecten zoals het 'spintetende
lieveheersbeestje' (Stethorus punctillum) en de 'spintroofgalmug' (Therodiplosis persicae) zijn roofmijten
toch uiterst doelmatige bestrijders van spint omdat ze meerdere generaties per jaar voortbrengen en dat
deze zich gelijktijdig met de spintaantasting zullen ontwikkelen. Eén à twee roofmijten per blad volstaan
om de vermeerdering van de schadelijke soorten te voorkomen.
Herkennen
Omdat ze erg klein en moeilijk waarneembaar zijn heb je een goede loep nodig, met een vergroting van minstens
10x om roofmijten van spintmijten te kunnen onderscheiden. Het echte determinatie werk is enkel mogelijk met
een microscoop en vraagt de nodige kennis en ervaring.
Maatregelen ter stimulering
Roofmijten hebben het in de boomteelt minder makkelijk dan in bijvoorbeeld de fruitteelt, omdat de
bomen in de boomteelten hooguit enkele jaren op een perceel staan en roofmijten op jonge bomen
minder overwinteringmogelijkheden hebben. Bovendien kunnen met sterke snoei in de winter ook
roofmijten worden verwijderd. Het aantal roofmijten dat in een perceel voorkomt hangt dan ook nauw
samen met het aantal waardplanten in de omringende bosschages (zie paragraaf 5.1.3)
Een roofmijt verspreidt zich niet door vliegen, maar door over het gewas te lopen. Met
teeltmaatregelen kan daarop ingespeeld worden (zie paragraaf 5.2.7). Zo kunnen bijvoorbeeld
nylondraden over de planten gespannen worden zodat de roofmijten van plant tot plant kunnen lopen.
Roofmijten ter bestrijding van spint kunnen zich goed ontwikkelen bij een hoge relatieve
luchtvochtigheid. In de (half) gesloten teelten kunnen daarvoor specifieke teeltmaatregelen (zie
paragraaf 5.2.7) ingezet worden.
Wanneer roofmijten uitgezet worden, is het belangrijk om te bedenken dat sommige soorten alleen
maar curatief ingezet kunnen worden: bij gebrek aan prooi zouden ze anders elkaar opeten. Andere
soorten kunnen bij gebrek aan prooi ook terugvallen op stuifmeel en kunnen dus wél preventief uitgezet
worden.
Het opbouwen van een natuurlijke populatie roofmijten gebeurt niet van vandaag op morgen en het
vraagt van de teler enkele jaren geduld en waakzaamheid. Zo is er pas vanaf het derde jaar een
voldoende evenwicht bereikt tussen de spintmijten en hun vijanden. Om er zeker van te zijn dat
roofmijten aanwezig zijn in de teelt zouden ze ieder voorjaar opnieuw moeten worden geïntroduceerd
(Van der Linden en Conijn, 2007).
Literatuur
Dorrestein, W., 2011: Ziekten en plagen; boomteelt en vaste plantenteelt. DLV Plant.
Van der Horst, M., 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Van Kuik, A.J., 2004: Geïntegreerde gewasbescherming in de Boom- en Vasteplantenteelt. PPO.
Van der Linden, A. & C. Conijn, 2007. Het bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij en de
bollenteelt. Entomologische Berichten 67(6) 2007 , p. 237.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
kvlt.be over roofmijten.
University of Applied Sciences
41
4.2.8 Graafwespen (Sphecoidae, Crabronidae)
Korte beschrijving
Graafwespen zijn solitair levende wespen met een relatief brede kop. De meeste soorten nestelen in de grond in
zelf gegraven holletjes. Enkele soorten nestelen in geknakte braamstengels. De graafwesp vult het nest met
verlamde insecten. De eieren worden erbij gelegd en de wespenlarven moeten leven van het opgeslagen voedsel
totdat ze verpoppen.
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
Rupsen
Ook zweefvliegen staan op het menu.
Levenscyclus
De vrouwtjes maken een nest in de grond (bij de grotere soorten) of in holle stengels of in gangen in dood hout
(de kleinere soorten) en enkele soorten metselen een nestje van klei. Elk vrouwtje legt een voedselvoorraad van
gevangen prooien aan voor haar larven. Prooien worden met een steek uit de angel verlamd en dan naar het
nest gedragen. Per cel worden enkele prooien verzameld, waarna het vrouwtje er een ei bij legt, de cel sluit en
aan een volgende cel begint. De wespenlarve leeft van de verlamde prooien. Elk vrouwtje doet haar werk alleen
(solitair), maar veel soorten nesten wel in grote groepen bij elkaar op geschikte locaties (vooral in zandgrond).
Voedsel
Verschillende groepen graafwespen hebben zich op verschillende soorten prooien gespecialiseerd. Zo zijn er
rupsendoders, vliegendoders en soorten die zich gespecialiseerd hebben op larven van kevers, op spinnen, op
bladluizen, enz. De vrouwelijke wespen begraven door een angelsteek verlamde rupsen, kevers, vliegen, spinnen,
bladluizen enz. en leggen bij deze prooi eitjes, waaruit larven te voorschijn komen, die zich met de verlamde
dieren voeden. Dat de prooi niet gedood maar slechts verlamd wordt, heeft het voordeel dat zij niet tot bederf
overgaat, maar lange tijd in 'verse' toestand ter beschikking blijft voor de larven.
Graafwesp (foto: Gail Hampshire) Graafwesp bij zijn holletje (foto: Jon D. Anderson)
Larenstein
42
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
De bekende rupsendoders gebruiken rupsen als prooi: de larve leeft van de rupsen en overwintert als pop in het
nest (figuur 4.6).
Figuur 4.6 De graafwesp geeft haar jong een voedselvoorraad mee in de vorm van een verlamde prooi,
hier een rups (van 10voorbiologie.nl)
Maatregelen ter stimulering
Graafwespen hebben profijt van ongestoorde grond (zie paragraaf 5.2.6) om nesten te kunnen maken.
Ruigtes (zie paragraaf 5.2.2) zijn belangrijk, omdat daar holle stengels gevonden worden om de eieren in
te leggen.
Plaatselijk kunnen de dichtheden van graafwespen en hun kolonies met nesten heel hoog zijn, maar meestal is
het aantal individuen niet hoog. Interessant is om te onderzoeken onder welke condities de dichtheden van
graafwespen hoog zijn.
Literatuur
Schenk, P.J., 1918: Vijanden van bladluizen. In: Tijdschrift Over Plantenziekten (1918) 24: 37.
Websites
10voorbiologie.nl over graafwespen
groenkennisnet over graafwespen
Wikipedia over graafwespen
University of Applied Sciences
43
4.2.9 Aaltjes
Korte beschrijving
Veel aaltjes zijn schadelijk voor de agrarische productie. Maar er zijn ook aaltjes die we graag zien, omdat ze
plaagorganismen opruimen.
Effectief tegen de volgende plagen
Kevers, met name snuitkevers zoals taxuskever
en ook tegen
Rupsen
Trips
Buxusmot3
Levenscyclus
Afhankelijk van de soort leggen de vrouwtjes 30 tot 500 eieren. Uit het ei komt een larve. Na een aantal
vervellingen ontstaat weer een volwassen aaltje waarmee de levenscyclus is voltooid. De tijdsduur die nodig is
om een levenscyclus te volbrengen varieert van drie weken tot ruim een jaar. Aaltjes halen een leeftijd van
enkele weken tot twee jaar (aaltjesschema.nl).
Voedsel
De parasitaire nematoden zoeken actief naar de larven van de snuitkever/taxuskever en dringen deze binnen. De
nematoden voeden zich met de inhoud van de larven, waarbij specifieke bacteriën vrijkomen uit het darmkanaal
van de aaltjes. Deze bacteriën zetten gastheerweefsel om in producten die makkelijk zijn op te nemen door de
nematoden. Na infectie stoppen de larven met vreten en sterven. In de dode larven ontstaat een nieuwe
generatie nuttige nematoden die op zoek gaan naar nieuwe larven om te infecteren.
Maatregelen ter stimulering
Aangezien veel aaltjes juist een nadelige invloed hebben op het gewas, ligt het niet voor de hand om generieke
maatregelen uit te voeren gericht op het stimuleren van aaltjes. De 'helpende aaltjes' Heterorhabditis
bacteriophora en Steinernema feltiae kunnen eenvoudig worden gekocht en uitgezet (zie paragraaf 5.2.5).
Biologische bestrijding
Doorgaans worden de nematoden als bodembespuiting gebruikt (tegen de larven van de plaagdieren), maar ook
gewasbespuiting kan worden toegepast (o.a. tegen volwassen taxuskevers).
Literatuur
Horst, M. ter, 1998: Plagen in de Boomkwekerij. Boomteeltpraktijkonderzoek Boskoop.
Websites
aaltjesschema.nl over de biologie van aaltjes
biocontrole.nl over nuttige aaltjes
koppert.nl over nuttige aaltjes
nemasys.nl over nuttige aaltjes
3 Er wordt geëxperimenteerd met de inzet van nematoden die op insecten parasiteren (Steinernema carpocapsae en
Heterorhabditis bacteriophora) om te zien of ze ook tegen buxusmot effectief zijn.
Larenstein
44
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
4.2.10 Oorwormen (Forficula auricularia)
Korte beschrijving
Wereldwijd zijn er ongeveer 1800 soorten oorwormen beschreven. In Europa is de bekendste en meest
algemene vertegenwoordiger de gewone oorworm (Forficula auricularia). Op enkele uitzonderingen na hebben
alle oorwormen twee karakteristieke tangachtige aanhangsels aan het achterlijf.
Oorwormen zijn typische kruipende insecten. Hoewel ze in aanleg vier vleugels bezitten, vliegen ze zelden tot
nooit. De actieradius van de oorworm is dan ook redelijk beperkt. Als ze al vliegen gebeurt dit altijd 's nachts
waardoor een oorworm door de mens maar zelden vliegend wordt aangetroffen..
Effectief tegen de volgende plagen
Dop- en schildluis
Bladluis
Beukenbladluis
Spint
Kleine rupsen
Volgens het CLM zijn oorwormen doorgaans pas laat in het seizoen (rond half juni) groot genoeg om een
substantiële bijdrage te leveren aan de plaagbestrijding (Boer et al., 2003). Vroege explosies van plaaginsecten
kunnen daarom niet door oorwormen worden voorkomen. Onderzoek van Wageningen UR geeft aan dat de
oorworm plaaginsecten al bestrijdt als ze nog maar in lage dichtheid aanwezig zijn (Vroege Vogels, 22 juli 2016,
geluidsfragment vanaf 04:05). Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de roofwants, die komt doorgaans pas in actie
als het 'de moeite waard is' (als de populatie prooidieren groot genoeg is).
Levenscyclus
De levenscyclus van de oorworm bestaat uit drie stadia: ei, nimfe en adult. Doorgaans vormen ze één, bij
uitzondering twee generaties per jaar. Adulte oorwormen overwinteren als koppel in een nestje onder de grond.
In het najaar trekken oorwormen zich terug in de grond. De paring heeft dan meestal al plaats gevonden. Het
vrouwtje graaft een nestholte in de grond. Het vrouwtje legt er in het voorjaar ongeveer vijftig eitjes. Afhankelijk
van de temperatuur komen de eitjes eind maart of begin april uit, en een maand later verlaten de jongen als
larven het nest. In juli of augustus worden de jonge oorwormen volwassen. Oorwormen verstoppen zich overdag
en komen in de schemering en 's nachts tevoorschijn om voedsel te zoeken.
Voedsel
Oorwormen zijn alleseters. Ze kunnen overleven op plantaardig voedsel, maar zijn voor een goede ontwikkeling
toch afhankelijk van voedsel van dierlijke oorsprong. Ze voeden zich het liefst met bladluizen, wol-, dop- en
schildluizen, bladvlooien (ei en larve), insecteneieren, kleine rupsen. Verder eten ze ook slakken, algen, mos en
schimmeldraden.
Oorwurm (foto: Christophe Quintin) Nymphen van oorworm (foto: Pudding4brains)
University of Applied Sciences
45
Maatregelen ter stimulering
In oudere aanplant zijn vermoedelijk zoveel natuurlijke schuilplaatsen dat er geen kunstmatige
schuilplaatsen (zie paragraaf 5.2.4) meer nodig zijn. In jonge aanplant kunnen kunstmatige
schuilplaatsen worden ingezet worden gebruikt om de populatie oorwormen een vliegende start te
geven. De kunstmatige schuilplaatsen worden eerst in de oude aanplant of op een andere plek met veel
oorwormen opgehangen. Zodra ze bewoond zijn, kunnen ze worden 'getransplanteerd' naar de nieuwe
aanplant.
In onverstoorde bosschages (zie paragraaf 5.2.3) zitten vaak volop oorwormen. Dit soort bosschages kan
dus een potentiële bron vormen voor kolonisatie, vooral in jonge aanplant. Het is raadzaam om het
gebruik van bestrijdingsmiddelen in en onder de haag te vermijden en bij nieuwe aanplant de oude
haagstructuur te laten bestaan.
In de winter verblijven oorwormen in een nest onder de grond. Ongestoorde grond (zie paragraaf 5.2.6)
is dan ook noodzakelijk voor de overwintering van de oorwormen.
Oorwormpotjes kunnen worden opgehangen in hagen of bosschages met gevestigde oorworm
populaties. Wanneer de oorwormen er hun intrek in hebben genomen, kunnen de potjes eenvoudig
weggehaald worden en tussen de aanplant opgehangen worden. Op deze wijze worden de oorwormen
in de aanplant uitgezet (zie paragraaf 5.2.5).
Wetenswaardigheden
In Franse boomgaarden leidde uitsluiting van oorwormen uit perenbomen in drie opeenvolgende jaren tot zware
aantasting door perenbladvlo, terwijl in controlebomen de aantasting op een laag niveau bleef (Sauphanor et al.,
1994, aangehaald in Helsen en Winkler, 2007). Bij een inventarisatie in honderd Nederlandse en Belgische
appelboomgaarden werd een sterk verband gevonden tussen de aantasting door appelbloedluis en de
oorwormdichtheid: boomgaarden met relatief veel oorwormen waren weinig aangetast door appelbloedluis en
problemen met appelbloedluis gingen altijd gepaard met lage oorwormdichtheden (Helsen & Simonse, 2006). In
een Zwitserse perenboomgaard gaf het loslaten van oorwormen een sterke reductie van de aantasting door
perenbladvlooien (Lahusen, 2006 aangehaald in Helsen en Winkler, 2007).
Literatuur
Amateurtuinvereniging Arentsburgh, 2004: Vriendschap met natuurlijke vijanden.
Boer, M., H. Kloen & J.A. Guldemond, 2003: Ondernemen met biodiversiteit. CLM, Louis Bolk Instituut en
DLV.
Helsen, H. & J. Simonse, 2006. Oorwormen helpen de fruitteler. Fruitteelt 96(16): 14-15.
Helsen, H. & K. Winkler, 2007: Oorwormen als predatoren in boomgaarden. In: Entomologische
Berichten 67 (6): 275-277.
Helsen, H. & K. Winkler, 2008: Stimuleren van de oorwormen als natuurlijke vijand van perenbladvlo en
appelbloedluis. PPO & NIOO.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
groenkennisnet.nl over oorwormen
kvlt.be over oorwormen
Wikipedia over oorwormen
Larenstein
46
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
4.2.11 Spinnen en 'bodemkevers'
Korte beschrijving
In deze paragraaf worden de spinnen en de op de bodem levende kevers tezamen besproken. Uiteraard zijn het
erg verschillende, en ook erg omvangrijke, diergroepen maar ze hebben ook veel gemeenschappelijk.
Doordat zij vooral s nachts actief zijn en overdag verscholen blijven, vallen ze weinig op en wordt hun belang
gemakkelijk onderschat. Uit onderzoek is bekend dat er enorme aantallen loopkevers en spinnen in akkerranden
kunnen voorkomen, tot enkele honderden per vierkante meter. Bij zulke dichtheden is hun effect op de
aanwezige plagen aanzienlijk. In akkers komen meestal veel lagere dichtheden voor.
In het voorjaar trekken deze rovers vanuit de akkerrand het perceel in, vreten daar de eerste rupsen en
bladluizen op en vertragen zo de opbouw van die plagen flink, waardoor schade aan het jonge gewas wordt
voorkomen. In de zomer komen ook de vliegende natuurlijke vijanden sluipwespen, zweefvliegen, gaasvliegen en
lieveheersbeestjes in actie. Die kunnen een bladluizenplaag helemaal doen verdwijnen. Het belang van deze
categorie natuurlijke vijanden zit 'm dus vooral er in dat ze eerder in het jaar dan de overige natuurlijke vijanden
actief zijn. Daardoor kunnen ze de ontwikkeling van plagen in de kiem smoren, omdat ze al in de akker aanwezig
zijn wanneer plagen zich beginnen te ontwikkelen.
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
Spint
Kevers
Rupsen
Daarnaast zijn kevers en spinnen effectief tegen een hele serie andere plaagorganismen.
Levenscyclus
Lopend komen spinnen niet veel verder dan enkele tot enige tientallen meters. Een groot aantal spinnensoorten
kan echter wel kilometers ver zweven aan spindraden. De spin klimt naar boven, naar een grashalm, struik of
paal. De spin produceert draden van spinzijde. Hieraan wordt getrokken door opwaartse en horizontale
luchtstromingen. Wanneer de trekkracht sterk genoeg is, laat de spin los en zweeft aan zijn draad door de lucht.
De randvoorwaarden voor dit zweefgedrag zijn een lage horizontale windsnelheid en opwarming van de bodem
zodat opwaartse luchtstromingen ontstaan. Hoge windsnelheid en regen onderdrukken het gedrag. Na verloop
van tijd en na enige afstand overbrugd te hebben (tot 4 km hoog en 300 km ver!), komen de spinnen weer op de
bodem terecht. Uit onderzoek4 blijkt dat ongeveer de helft van de spinnen via de lucht op een akker
terechtkomen, wat er op neer zou komen dat er gemiddeld dagelijks 1800 spinnen via hun parachute neerdalen
op een perceel van één hectare.
4 Tuinkrant.com
Soldaatje (foto: Thierry Marysael)
University of Applied Sciences
47
Loopkevers zijn heel goede lopers en vliegen maar zelden. Veel soorten loopkevers hebben één generatie per
jaar, andere twee. Ze kunnen meerdere jaren blijven leven. Sommige overwinteren als larve, andere als kever.
Hun piekperiode ligt juni, dan kunnen ze hoge dichtheden bereiken.
Weekschildkevers, ook wel bekend als soldaatjes, zijn vooral overdag actief. In tegenstelling tot de meeste ander
nuttige insecten zijn de larven actief in de herfst- en winterperiode. De volwassen kevers zijn van april tot eind
augustus waar te nemen.
Kortschildkevers zijn, afhankelijk van de soort, vooral overdag of 's nachts actief. Ze kunnen prima vliegen.
Kortschildkevers verkiezen een vochtige omgeving (onder stenen, in compost, rondom wortels, in nesten van
vogels en zoogdieren, …).
Voedsel
Spinnen hebben zeer uiteenlopende manieren om hun prooi te vangen: sommige soorten jagen actief op hun
prooien, andere liggen op de loer tot dat er een prooi passeert en nog andere maken als het ware
struikendraden om hun prooien te lokaliseren, weer andere maken webben. De belangrijkste rol als biologische
bestrijder van plaaginsecten spelen spinnen zeer vroeg in het voorjaar, wanneer de eerste gevleugelde bladluizen
vrouwtjes (fundatrix) uitvliegen. De meeste andere natuurlijke vijanden zijn dan nog weinig actief en zijn
bovendien meestal niet in staat om deze gevleugelde bladluizen te vangen. Spinnen zijn verantwoordelijk voor
het wegvangen van enorme hoeveelheden schadelijke insecten en spelen op hun manier een onmisbare rol in
het grote geheel dat bijdraagt tot het biologisch evenwicht in onze akkers (tuinkrant.com).
Loopkevers zijn overwegend predatoren die zich voeden met slakken, rupsen, bladluizen, wormen,
bladwesplarven, vliegenmaden en dergelijke. De larven zijn uitsluitend carnivoor.
Volwassen weekschildkevers leven van pollen en nectar (schermbloemigen) en van bladluizen en andere 'zachte'
insecten. Larven van weekschildkevers eten uitsluitend zachte insecten, zoals bladluizen, muggenlarven,
vliegenlarven, rupsen, en aardwormen.
Volwassen weekschildkevers voeden zich voornamelijk met nectar, pollen en honingdauw maar ook met
bladluizen of andere insecten. De larven voeden zich uitsluitend met insecten: bladluislarven, vliegenlarven,
muggenlarven, rupsen.
Afhankelijk van de soort voeden kortschildkevers zich met prooien of organisch materiaal. Van de kevers die zich
met prooien voeden, eten zowel de volwassen kevers als de larven allerhande prooien: vliegenlarven,
bladwespen, wantsen, springstaarten, rupsen, slakken, mijten en dergelijke.
Maatregelen ter stimulering
Loopkevers zijn vooral 's nachts actief en houden zich overdag schuil in de strooisellaag. Een ruigte (zie
paragraaf 5.2.2) geeft ze daar mogelijkheden voor, veel meer dan op een kale akker. Een meerjarige
ruigte is tevens belangrijk als overwinteringplaats, want op een kale akker is de winter strenger. Ook
biedt de ruigte in de winter voedsel in de vorm van allerlei kleine beestjes.
Ook éénjarige bloemen- en grasranden kunnen in het groeiseizoen opvallend hoge aantallen spinnen en
loopkevers herbergen. Bloemstroken (zie paragraaf 5.2.1) blijken dus niet alleen nuttig als nectar- en
stuifmeelbron voor vliegende natuurlijke vijanden, maar stimuleren ook de op de bodem levende rovers.
Door niet of minder vaak te ploegen (zie paragraaf 5.2.6) worden er minder kevers en prooien gedood
en blijft er meer te eten voor ze over.
Er zijn verschillende overige teeltmaatregelen (zie paragraaf 5.2.7) om hun populatie op een voldoende
hoog peil te houden: meer winterharde groenbemesters, meer vaste mest, geen gebruik van pesticiden
en een goede drainage.
Literatuur
Geertsema, W., E. Steingröver, W. van Wingerden, F. van Alebeek, & J. Rovers, 2004. Groenblauwe
dooradering in de Hoeksche Waard: een schets van de gewenste situatie voor plaagonderdrukking .
Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1042, 35 blz.
Linden, A. van der & I. Elberse, 2006: Natuurlijke vijanden, natuurlijk!. PPO.
Larenstein
48
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Oomen, G., 2014. Loopkevers. In: Ekoland januari 2014.
Scheele, H., H. van Gurp, F. van Alebeek, E. den Belder, R. van den Broek, J. Buurma, J. Elderson, P. van
Rijn, M. Vlaswinkel & J. Willemse, 2007: Eindrapportage FAB 2005-2007 : Functionele Agro Biodiversiteit
(FA B ) . LTO.
Verschoren, L., 2014: Veldgids nuttige insecten en roofmijten. PCS & HO Gent.
Websites
kvlt.be over kortschildkevers
kvlt.be over spinnen
kvlt.be over loopkevers
kvlt.be over weekschildkevers
tuinkrant.com over spinnen als natuurlijke bestrijders
University of Applied Sciences
49
4.2.12 Vogels
Effectief tegen de volgende plagen
Dop- en schildluis
Bladluis
Beukenbladluis
Kevers
Rupsen
Buxusmot (waarschijnlijk)5
Daarnaast hebben vogels ook een rol in het onderdrukken van andere plagen, zo worden Roodkopnontimalia
ingezet tegen rupsen in half gesloten paprikateelt (in Steenbergen), in gerbera's (in De Lier) en tegen bladwespen
in bessenteelt (Randwijk) (Bloksma et al., 2002).
Voedsel
Mezen eten veel insecten en rupsen. Een broedsel van meer dan tien jongen is niet ongewoon en die groeien ten
koste van heel veel rupsen. Bij pimpelmezen is vastgesteld dat een paar wel duizend voedselvluchten per dag
maakt en per vlucht zeker meer dan één rups meeneemt. En in het broedseizoen kan een paartje koolmezen met
jongen twintig tot honderd rupsen per uur aan.
Maatregelen ter stimulering
Veel vogels schuilen en nestelen graag in houtwallen, boomgroepen, rietkragen. Het aanleggen van
bosschages (zie paragraaf 5.2.3) is dus positief voor vogels.
Enkele algemene soorten, zoals koolmees en pimpelmees, kunnen vrij gemakkelijk onderdak worden
verstrekt met een kunstmatige schuilplaats (een nestkastje dus; zie paragraaf 5.2.4).
Om vogels aan te trekken, kan een bloemenmengsel worden gezaaid dat tijdens de bloeiperiode veel
insecten (en dus insectenetende vogels) aantrekt (zie paragraaf 5.2.1). Het mengsel kan zodanig worden
samengesteld dat het later in het seizoen ook voor zaadetende vogels interessant is.
Literatuur
Amateurtuinvereniging Arentsburgh, 2004: Vriendschap met natuurlijke vijanden.
Bloksma, J., P.J. Jansonius, G. Brouwer, 1998: Natuur in en om de boomgaard. Louis Bolk Instituut & DLV.
5 Kool- en pimpelmezen en ook roodstaarten eten weliswaar rupsen, maar wanneer ze rupsen van de buxusmot
opeten schijnen ze die ook weer uit te braken waarschijnlijk omdat de rups gifstoffen van de buxusplant bevat.
Mussen schijnen de rupsen wél te eten.
Koolmees met rups (foto: Willem vd Kerkhof) Grote klauwier met rups (foto: Valdemar Fishmen)
Larenstein
50
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Bloksma, J., U. Prins, J. de Wit, M. Bestman & H. Helsen, 2002: Geeft samenwerking tussen fruitteelt en
veehouderij meerwaarde? Louis Bolk Instituut en PPO.
Van der Linden, A., 2006: Bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij : resultaten van
natuurlijke- en biologische bestrijding op kwekerijen. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving PPO.
Van der Linden, A. & C. Conijn, 2007. Het bevorderen van natuurlijke vijanden in de boomkwekerij en de
bollenteelt. Entomologische Berichten 67(6) 2007 , p. 237.
Van Paassen, A., N. Schrieken, F. Biezer, J. Buys, G. Elbers & I.C. van 't Hof, 1998: Handboek Agrarisch
Natuurbeheer, hoofdstuk 14. Landschappen Nederland.
Websites
BioHelp over vogels tegen buxuskevers
Gerbera Kwekerij Edwin Knijnenburg, De Lier (ZH) en Reformatorisch Dagblad, 17 februari 1999 over de
inzet van Timalia's in de paprikateelt.
Hortipendium over vogels tegen buxuskevers
roodmetzwartestippen.nl over zaadmengsels voor vogels
Stadtgärtnerei Basel over vogels tegen buxuskevers
Opmerkelijk
Kippen in de boomkwekerij (uit Bloksma et al., 2002)
Al in 1918 werd door Van den Broek het advies gegeven om hoenderkuikensin te zetten voor de bestrijding van
de taxuskever in boomkwekerijgewassen. Ook in de moderne boomkwekerij wordt wel gebruik gemaakt van
kippen voor de bestrijding van onkruiden en insectenplagen.
Biologisch boomkweker Frits van der Laan in Boskoop houdt op een oppervlakte van 0,5 ha maximaal 20
krielkippen. De kippen lopen het hele jaar vrij rond. Ze worden enigszins gestuurd door ze op de gewenste plekken
bij te voeren. De taxuskever, die in de Nederlandse boomkwekerij de belangrijkste plaag vormt, speelt op dit
bedrijf nauwelijks meer een rol. Voor een deel zal dit komen doordat, door het weglaten van chemische
bestrijdingsmiddelen, andere vormen van natuurlijke bestrijding een rol spelen. Voor een belangrijk deel echter
worden de kippen verantwoordelijk gehouden voor de bestrijding.
Naast de bestrijding van taxuskever leveren de kippen een grote bijdrage aan de onkruidbestrijding. Alleen klein
kruiskruid en harig wilgenroosje worden door de kippen niet bestreden en deze gaan dus steeds meer
overheersen. Een lastig onkruid als straatgras wordt volledig bestreden: het onrijpe zaad wordt uit de aar gepikt
voordat het kan uitzaaien. Om schade aan de gewassen te voorkomen moet het aantal kippen met name in het
voorjaar niet te groot zijn. Verder zijn grasbanen ingezaaid om de kippen te allen tijden van vers groen te
voorzien.
De ervaring is dat de kippen slechts in de bovenste 1 tot 2 cm van de bodem woelen. Alleen als de kippen kuikens
hebben woelen ze soms dieper, maar dat is dan altijd zeer lokaal. Schade aan de wortels van de gewassen treedt
dan ook nauwelijks op. De kippen overnachten in het gewas. Een nachthok, dat de eerste jaren werd
aangeboden, werd nauwelijks gebruikt. De kippen worden hier uitsluitend ten dienste van de boomkwekerij
gehouden: eieren worden niet geraapt.
Kwartels bij kleinfruit (uit Bloksma et al., 2002)
Bij de teelt van kleinfruit in Nederland zijn geen praktijkvoorbeelden bekend van het gebruik van kippen als
plaagbestrijders. Wel zijn door PPO te Randwijk vanaf 1999 met succes kwartels (Chinese dwergkwartel en
Californische kwartel) en timalias in de biologische bessenteelt ingezet tegen bessenbladwespen. Voorlichter A.
van Eck (pers. meded.) ziet wel kansen voor het gebruik van krielkippen voor de bestrijding van
bessenbladwespen. Dit is een van de belangrijkste plagen in de beschermde teelt van rode bessen. Bij de
rassenkeuze moet dan gelet worden op robuuste takken, die niet breken als de kippen in de struiken klimmen. In
de beschermde teelt van bramen zijn de bramenbladgalmug en de aardbeibloesemkever plagen die mogelijk met
kippen bestreden zouden kunnen worden.
University of Applied Sciences
51
4.2.13 Vleermuizen (Chiroptera)
Korte beschrijving
Vleermuizen zijn erg waardevol voor de landbouw en veeteelt. Per nacht eten zij ongeveer een kwart tot de helft
van hun lichaamsgewicht aan insecten op, waardoor ze als natuurlijke bestrijders kunnen beschouwd worden.
Volgens een studie gepubliceerd in Science (Boyles et al., 2011) zouden vleermuizen de landbouwsector in de
Verenigde Staten jaarlijks gemiddeld 3,7 miljard dollar aan schade helpen voorkomen door het opeten van
schadelijke insecten (o-bio.be)
Effectief tegen de volgende plagen
Bladluis
Kevers
Indirect: rupsen
Levenscyclus
Omdat er 's winters nauwelijks insecten rondvliegen, houden de in Nederland en België voorkomende soorten
een winterslaap, waarbij ze hun metabolisme tot een uiterst laag pitje terugdraaien en hun lichaamstemperatuur
maar net boven het vriespunt blijft. Vleermuizen paren vóór de winter, maar de eisprong en bevruchting treden
pas een paar maanden later op. Meestal is er maar één jong; dat wordt gezoogd en blijft tijdens de jacht van de
moeder op de slaapplaats hangen. Vleermuizen kunnen tot tientallen jaren oud worden en planten zich maar
langzaam voort. Ze zijn meestal zeer trouw aan hun standplaats en overwinteringsplaats.
Onderscheid moet gemaakt worden tussen de zomer- en de winterverblijfplaats: vleermuizen verhuizen in de
lente van hun winterverblijf, waar ze hun winterslaap gehouden hebben, naar hun zomerverblijf. Bomen zijn
belangrijke verblijfplaatsen voor vleermuizen, zowel in de zomer als in de winter. Allerlei holtes kunnen
aantrekkelijk zijn voor vleermuizen, zoals verlaten spechtenholen of holen die door rotting bij een afgebroken tak
ontstaan zijn.
Voedsel
Alle Nederlandse vleermuizen zijn insecteneters. Deze insecten worden in de avondschemer in de lucht gevangen
door echolocatie. Sommige vleermuizen vangen hun prooi in de lucht, andere (grootoorvleermuis, ingekorven
vleermuis) kunnen hun prooi ook direct van bladeren afpikken.
Een gemiddelde kolonie eet per zomer enkele tientallen kilo's insecten. Er zijn geen andere dieren die zoveel
nachtinsecten eten. Veel van deze insecten zijn schadelijk voor de land- en bosbouw, dus levert de vleermuis bij
de jacht een nuttige bijdrage.
Kleine bruine vleermuis (foto: J.N. Stuart)
Larenstein
52
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Maatregelen ter stimulering
Aan de rand van / bij boomteeltpercelen kunnen kunstmatige schuilgelegenheden (zie paragraaf 5.2.4)
worden neergezet of opgehangen: vleermuispalen of vleermuiskasten.
Vleermuizen kunnen dus worden geholpen door het aanplanten van bosschages (zie paragraaf 5.2.3): in
bos of kleinschalig landschap vliegen vleermuizen gewoon tussen de bomen door, in meer open
landschap volgen ze hagen en houtwallen.
Literatuur
Lommen, J., 2015:Boer zoekt vleermuis. CLM.
Websites
o-bio.be over onder meer het economische belang van vleermuizen voor de landbouw
Wikipedia over vleermuizen
Vleermuis.net over de ecologie van vleermuizen
Vroege Vogels over de vleermuispaal
University of Applied Sciences
53
5 Uitnodigen van natuurlijke vijanden
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien welke stimuleringsmaatregelen er per natuurlijke vijand getroffen kan
worden. In paragraaf 5.1 zetten we de stimuleringsmaatregelen die voor de meeste natuurlijke vijanden van
belang zijn op een rij. In paragraaf 5.2 beschrijven we de maatregelen in meer detail en in paragraaf 5.3 gaan we
in op de noodzakelijke samenhang tussen de maatregelen. In paragraaf 5.4 tot slot, gaan we in op de vraag hoe
de maatregelen op het boomteeltbedrijf ingepast kunnen worden.
Een belangrijke voorwaarde voor de effectiviteit van de maatregelen is dat bestrijdingsmiddelen selectief
gebruikt worden; zie hoofdstuk 2.
5.1 Maatregelen ter stimulering van natuurlijke vijanden
De kweker kan natuurlijk zelf kiezen of hij alle in tabel 5.1 genoemde maatregelen neemt, of volstaat met één of
twee.
Voorbeeld: een kweker wil proberen de overlast van bladluizen in te perken door de omstandigheden
voor lieveheersbeestjes te optimaliseren. De tabel in paragraaf 5.1 geeft aan dat daar vier maatregelen
voor mogelijk zijn: bloemstroken, ruigte, bosschages en kunstmatige schuilplaatsen. Vlakbij het
betreffende perceel is al een goed ontwikkelde windkerende haag (= bosschage), met een behoorlijke
biodiversiteit. De kweker kan dan besluiten om z'n pijlen te richten op de andere drie maatregelen.
Daarbij is het belangrijk te realiseren dat maatregelen die zijn gericht op het stimuleren van een bepaalde
natuurlijke vijand, vaak ook hun positieve invloed hebben op andere natuurlijke vijanden. Een win-win situatie
dus.
Larenstein
54
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Tabel 5.1: maatregelen ter stimulering van natuurlijke vijanden.
4.2.1 Lieveheersbeestje
4.2.2 Sluipwespen
4.2.3 Zweefvliegen
4.2.4 Gaasvliegen
4.2.5 Roofwantsen
4.2.6 Roofgalmuggen
4.2.7 Roofmijten & bodemmijten
4.2.8 Graafwespen
4.2.9 Aaltjes
4.2.10 Oorwormen
4.2.11 Spinnen en loopkevers
4.2.12 Vogels
4.2.13 Vleermuizen
5.2.1 Bloemstroken
5.2.2 Ruigtes
5.2.3 Bosschages
5.2.4 Kunstmatige
schuilplaatsen
5.2.5 Uitzetten
5.2.6 Ongestoorde
grond
5.2.7 Overige
teeltmaatregelen
De nummers in de eerste kolom van tabel 5.1 verwijzen naar de paragraafnummers waar de natuurlijke vijanden
resp. de maatregelen beschreven worden.
5.2 De maatregelen in detail
5.2.1 Bloemstroken
Eénjarige mengsels hebben ontegenzeggelijk voordelen boven meerjarige mengsels. Ze zijn makkelijker
te beheren, want ze vestigen zich minder makkelijk (als onkruid) in het gewas. In meerjarige mengsels
bestaat bovendien eerder het risico dat een paar soorten gaan domineren. Daarnaast komen eenjarige
kruidenranden al vroeg in het seizoen in bloei en produceren meer bloemen dan meerjarige randen
(Handboek insecticidevrije teelt over kruidenranden). Anderzijds kunnen meerjarige mengsels van
belang zijn voor het borgen van voldoende structuur; zie hiervoor paragraaf 5.3.
Het is aan te raden de kruidenranden dicht bij het gewas te plaatsen; een afstand van zo'n 200 meter is
voor de meeste natuurlijke vijanden nog goed te overbruggen (Handboek Insecticidevrije Teelt).
Op kwekerijen waar weinig ruimte beschikbaar is, of waar de afstanden tussen de bloemstroken en het
gewas te groot zouden worden, kan in plaats van een bloemstrook ook gedacht worden aan kleine
vakjes van enkele vierkante meters of verplaatsbare bakken met bloeiende planten.
Zaai tijdig in: éenjarige mengsels rond half april, meerjarige mengsels in het najaar. Voor inzaai moet de
strook zoveel mogelijk onkruidvrij zijn. Als er gras heeft gestaan is het belangrijk de graszode zo fijn
University of Applied Sciences
55
mogelijk te maken om hergroei te voorkomen, bijvoorbeeld door te frezen. Laat het aanwezige onkruid
eerst kiemen en frees daarna een tweede keer (vals zaaibed). Moeilijke wortelonkruiden kunnen
eventueel met chemische middelen of met een schoffelmachine aangepakt worden. Het zaaibed moet
een gelijkmatig en goed verkruimelde toplaag zijn van enkele cm (overeenkomend met de maximale
zaaidiepte) op een vastere ondergrond. Dit kan worden bereikt met behulp van een rotorkopeg of
zaaibedcombinatie. Omdat de zaadjes in het mengsel sterk in grootte en gewicht verschillen, zal het
mengsel gaan scheiden door het trillen van de zaaimachine. Het is daarom beter de zaaimachine niet
vooraf maar pas op het land te vullen, en de voorraad tijdens het uitzaaien te roeren. Bij het inzaaien
van kruidenranden wordt gemiddeld 1 á 2 gram zaad per vierkante meter aangeraden. Rollen
(aandrukken) tijdens of direct na zaaien heeft de voorkeur. Er zijn geen speciale machines in de handel
voor een smalle strook; zaai in dit geval met de hand. Vermeng fijn zaad met droog zand om een betere
verdeling van het zaad te krijgen. Voor een goede kieming en opkomst is vocht van groot belang. Heeft
een vegetatie zich eenmaal gevestigd dan is het meestal niet nodig extra water te geven. Liggen er nog
waterslangen op het bedrijf die niet worden gebruikt? Sluit die dan aan en leg ze in de bloemenstrook.
De werking van kruidenranden is optimaal wanneer ze tussen de drie en zes meter breed zijn (Bloksma
et al., 1998; Scheele et al., 2007; Insecticidevrijeteelt.wikidot.com over kruidenranden).
Indien u ervoor kiest om de strook te maaien, maai dan niet vóór half juli. Anders kunnen de eenjarige
planten geen zaad vormen en zullen ze het volgende groeiseizoen verdwenen zijn; en er kunnen vogels
broeden in de strook. Het beste is bloemenmengsels één keer per jaar te maaien, bij voorkeur in een
droge periode. Hierna blijft het maaisel 4 á 5 dagen liggen, om zaaduitval te bevorderen. Voor de
verschraling is het raadzaam daarna het maaisel af te voeren. Maai ook een gedeelte (of alles) niet: in de
winter biedt een afgestorven vegetatie dekking aan dieren (Bloksma et al., 1998; Boer et al., 2003).
Voor wat betreft de soortensamenstelling geldt in het algemeen dat schermbloemigen (pastinaak, wilde
peen, venkel, dille, bereklauw, fluitekruid iets minder) en composieten (paardebloem, duizendblad,
boerenwormkruid, jacobskruiskruid, margriet, biggekruid, leeuwetand) interessant zijn voor natuurlijke
vijanden. Vlinderbloemigen zoals klaver zijn vooral interessant voor bijen en hommels, minder voor
natuurlijke vijanden (Bloksma et al., 1998). Ook typische vlinderplanten (zoals havikskruid, beemdkroon,
paarse dovenetel) kunnen beter vermeden worden omdat ze wel de (vlinder)plagen bevorderen (die
met hun roltong de nectar bereiken) en niet de natuurlijke vijanden (die het voedsel niet kunnen
bereiken). Ook planten die waardplant zijn voor ziekten en plagen moeten uiteraard vermeden worden
(Scheele et al., 2007).
Naast deze algemene stelregels kan het mengsel specifiek worden samengesteld; zie de tabel hieronder.
Larenstein
56
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Doelsoort Samenstelling mengsel
4.2.1.
Lieveheersbeestjes
Planten met open bloemen en composieten hebben hierbij de voorkeur. Een
specifiek 'lieveheersbeestjes-mengsel' is bijvoorbeeld korenbloem, grote
klaproos, gewone margriet, gele ganzebloem, echte kamille, luzerne, middelste
teunisbloem, peen, gewone smeerwortel en stalkaars. Planten of bloemen die
lieveheersbeestjes oninteressant vinden zijn onder andere klavers, kleine
pimpernel, glad walstro, wilde tijm en niet inheemse maar wel veel toegepaste
groenbemester Phacelia.
4.2.2.
Sluipwespen
Sluipwespen hebben maar zeer korte monddelen waarmee ze alleen de nectar
in open bloemen kunnen bereiken. Voor hen zijn schermbloemigen zoals venkel
en koriander vaak zeer geschikt, maar ook soorten zoals boekweit en bernagie.
Bij composieten zit de nectar over het algemeen te diep, de korenbloem is
hierop een uitzondering want die soort heeft extraflorale nectarklieren.
Sommige planten produceren ook (‘extraflorale’) nectar buiten de bloem. Zo
heeft voederwikke kliertjes op de steunblaadjes langs de stengel die al voor de
bloei nectar afscheiden en daarmee doorgaan tot ver na de bloei. Voor
natuurlijke vijanden zijn deze kliertjes zeer geschikt als suikerbron.
4.2.3.
Zweefvliegen
Ook zweefvliegen, zeker de exemplaren die luizen aanpakken, hebben maar zeer
korte monddelen waarmee ze alleen de nectar in open bloemen kunnen
bereiken. Ook voor hen zijn schermbloemigen en asterachtigen dan ook vaak
zeer
geschikt; de meest voorkomende soorten nuttige zweefvliegen zijn hiermee
aan te trekken. Te denken valt aan venkel, koriander, boekweit, bernagie,
margriet (Leucanthemum vulgare), gele morgenster (Tragopogon pratensis),
korenbloem (Centaurea cyanus), duizendblad (Achillea millefolium), Veronica
spp., Centaurea spp, wilde peen, fluitekruid, Centaurea, Solidago, Helenium,
Callistephus, Veronica, Salix, Cornus mas, gele ganzebloem, Hedera arborea en
valse kamille.
Ook zweefvliegen kunnen profiteren van planten met extraflorale nectar.
4.2.4.
Gaasvliegen
Vooral schermbloemigen (Apiaceae) en bloemsoorten met open bloemen lijken
geschikt als voedselbron; composieten zijn alleen geschikt als ze ondiepe
buisbloempjes of extraflorale nectar hebben.
4.2.5.
Roofwantsen
Vooral korenbloem, gele ganzebloem en valse kamille zijn interessant, maar ook
boekweit, kruisbloemigen (bladrammenas, gele mosterd) en schermbloemigen
(wilde wortel, karwij) (stuge.be).
4.2.6.
Roofgalmuggen
Roofgalmuggen hebben profijt van bloemstroken, maar in de literatuur zijn geen
specifieke bloemsoorten genoemd.
4.2.7
Roof- en
bodemmijten
Mijten hebben profijt van bloemstroken, maar in de literatuur zijn geen
specifieke bloemsoorten genoemd.
4.2.12
Voge ls
Denk bijvoorbeeld aan een mengsel met onder meer bolderik, gewone ossetong,
fluitekruid, korenbloem, wilde marjolein, veldsalie, paarse morgenster,
pastinaak.
Natuurlijke vijanden tref je pas aan als minimaal tien procent van de planten in bloei staat, maar bij
meer bloemen neemt het aantal nuttige beestjes sterk toe. Boven de vijftig procent houdt die toename
op (Scheele et al., 2007).
University of Applied Sciences
57
Naast een positief effect op de natuurlijke vijanden hebben bloemstroken nog een aantal andere
voordelen: beperking van drift en uitspoeling, vermindering van erosie en positieve uitstraling van het
bedrijf en de sector (Boer et al., 2003).
Het onderhoud van de kruidenranden is vooral gebaseerd op het voorkomen van vergrassing. Bij
eenjarige kruidenranden is er weinig onderhoud nodig, hier moet vooral tijdens het opkomen van het
zaad gelet worden op onkruid zoals ridderzuring, melde en perzikkruid. Bij meerjarige kruidenranden is
meer onderhoud nodig en moeten ook onkruiden verwijderd worden. In meerjarige kruidenranden kan
wel gefaseerd maaibeheer toegepast worden, wat inhoud dat de kruidenrand in delen wordt gemaaid in
plaats van in één keer. Zo ontstaat variatie in de rand, die voedselvoorziening kan bieden voor de
aanwezige insecten (Handboek Insecticidevrije Teelt).
Uit praktijkervaringen blijkt dat de kosten voor aanleg en onderhoud vaak minder zijn dan die van het
gebruik van insecticiden (Handboek Insecticidevrije Teelt). Maar de effecten zijn waarschijnlijk ook
minder en in ieder geval minder goed te sturen; inzet van chemische middelen blijft in veel gevallen dan
ook nog in enige mate nodig.
5.2.2 Ruigten
Een ruigte vult in ecologische zin het gat tussen een (eenjarige) bloemstrook en een bosschage, houtwal of
andere houtige structuur. In de ruigte kunnen natuurlijke vijanden voedsel vinden en overwinteren, en vanuit de
ruigten kunnen ze de percelen in om plagen te onderdrukken.
Ruigten kunnen worden speciaal worden aangelegd, bijvoorbeeld als aparte strook of in een overhoekje. Ook
kunnen bestaande elementen als ruigte worden beheerd, denk aan slootkanten, wegbermen, rijbanen en
kopakkers. Ook de eventuele begroeiing tussen en onder het gewas op de akker geldt in dit rapport als 'ruigte'.
De vegetatie in een ruigte kan bestaan uit spontaan opkomende kruiden zoals paardebloem, hondsdraf,
paarse dovenetel, klaverzuring, zwaluwtong, herderstasje, ereprijs, perzikkruid, kruiskruid, brandnetel,
muur, boterbloem, ooievaarsbek, klaver, gele morgenster, grasklokje margriet, sleedoorn en Gelderse
roos. Vooral hondsdraf en paarse dovenetel kunnen in grotere hoeveelheden voorkomen en bloeien al
vroeg. Op natte plekken staan pinksterbloem, penningkruid en kruipende boterbloem (Bloksma et al.,
1998; Boer et al., 2003).
U kunt er ook voor kiezen om de ruigte in te zaaien met een door u gewenste plantensoort. Dit kost wat
meer dan het spontaan opkomende onkruid, maar heeft als voordeel dat minder gewenste soorten
weinig kans krijgen en er vaak meer bloei is. Inzaaien van de spontane wilde soorten op plekken waar ze
niet spontaan voorkomen heeft geen zin: ze worden meteen overgroeid door andere onkruiden.
(Bloksma et al., 1998; Paassen, 1998).
Als begroeiing voor kopakkers en rijbanen (een smalle strook tussen de wielen) wordt vooral witte
weideklaver genoemd, want witte weideklaver kan beter tegen berijden dan witte cultuurklaver of rode
klaver, en blijft lager. Mengsel voor een grasbaan met witte weideklaver: 45% Engels raaigras, 45%
veldbeemdgras, 10% witte weideklaver. Ook doorzaaien van klaver in een bestaande rijbaan is mogelijk:
maai het gras in het voorjaar of het najaar kort, krab de zode iets open (bijvoorbeeld met een
strokenpoetser) en zaai klaver met de hand in tussen de wielsporen (5 à 7 kg/ha). Klaver verspreid zich
vandaaruit. Door niet alle rijbanen tegelijkertijd te maaien komt klaver tot bloei. Vooral de eerste jaren
na het zaaien doet klaver het goed, daarna neemt het weer af. Klaver blijft langer aanwezig door een
goede bodemstructuur, vrij hoge pH, kalk, weinig berijden en niet korter te maaien dan ca. 8 cm
(Bloksma et al., 1998).
Ondergroei onder of tussen het gewas is niet alleen gunstig voor de natuurlijke vijanden. Ook de
bodemstructuur (ademhaling, waterafvoer), het bodemleven (buffering van vochtigheid en
temperatuur) en de humusopbouw varen er wel bij. Tevens kan het uitspoeling van mineralen in de
winterperiode voorkomen en vergroot het de verdamping in het vroege voorjaar waardoor de bodem
droger is en mineralisatie eerder op gang kan komen (Boer et al., 2003).
Maai de ruigte eenmaal per jaar of eens in de twee tot drie jaar. De frequentie is afhankelijk van hoe
ruig u het wil laten worden. Maai bij voorkeur in september of, nog beter, in de nawinter (februari
/maart); maaien in het voorjaar verstoort de voortplanting van planten en dieren. Maai bij voorkeur niet
Larenstein
58
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
alles in één keer, maar faseer dit over een aantal jaren. Voer het maaisel niet direct af, maar pas na
enkele dagen in verband met zaadverspreiding. Bovendien geeft u eventueel aanwezige dieren de kans
om weg te kruipen. Maai, indien mogelijk, handmatig (zeis of bosmaaier) en voer het maaisel af. Klepel
of brand de ruigte niet. Bij klepelen blijft het gewas versnipperd achter, dat bevordert de voedselrijkdom
van de grond en daarmee de aanwezigheid van ongewenste planten, zoals brandnetel, kleefkruid en
akkerdistel. (Paassen, 1998; Bloksma et al., 1998; Boer et al., 2003)
Door geen of minder onkruidbestrijdingsmiddelen te gebruiken ontstaat een meer gevarieerde
kruidenbegroeiing. Dat levert meer en diverser voedsel, schuil- en voortplantingsgelegenheid voor
natuurlijke vijanden, maar ook voor vogels en zoogdieren. (Paassen, 1998) Soms groeien in een ruigte
grote aantallen minder gewenste planten, zoals akkerdistel en grote brandnetel. Maai deze pleksgewijs
of voer zo nodig bestrijding uit met een rugspuit of strijker. Doe dat voor de bloei, dan zaaien de planten
zich niet uit (Boer et al., 2003).
De verschillende soorten worden zo gekozen dat de bloeiperioden elkaar opvolgen zodanig dat jaarrond
bloei aanwezig is. En natuurlijk geen waardplanten voor ziekten en plagen zaaien die de het gewas aan
kunnen tasten. Voor enkele natuurlijke vijanden worden in de literatuur specifieke ruigtesoorten
genoemd, zie onderstaande tabel
Doelsoort Samenstelling ruigte
4.2.1.
Lieveheersbeestjes
Kruiden (o.m. engelwortel, dille, venkel, munt, tijm, koriander, moederkruid,
citroenmelisse, peterselie en lavendel), vaste planten (o.m. honingbij balsem,
guldenroede en scheefbloem) en wilde planten (o.m. duizendblad, witte
klaver, boerenwormkruid, harige wikke, paardebloemen).
4.2.3
Zweefvliegen
Zweefvliegen hebben profijt van ruigten, maar in de literatuur zijn geen
specifieke plantensoorten genoemd.
4.2.4.
Gaasvliegen
Planten met behaarde en grote bladeren.
4.2.5.
Roofwantsen
Komen hiervoor in aanmerking: valse kamille, korenbloem, gele ganzebloem,
Phacelia, boekweit, kruisbloemigen (bladrammenas, gele mosterd) en ook
schermbloemigen (wilde wortel, karwij). (stuge.be)
4.2.8
Graafwespen
Graafwespen hebben profijt van ruigten, maar in de literatuur zijn geen
specifieke plantensoorten genoemd.
4.2.11.
Spinnen en kevers
Spinnen en ook kevers hebben profijt van ruigten, maar in de literatuur zijn
geen specifieke plantensoorten genoemd.
Een ruigte heeft potentieel ook nadelen. Het kan een schuilplaats bieden aan muizen, waardoor de kans
op schade door deze knagers vergroot wordt. Door een begroeiing te kiezen die in de winter afsterft
kunnen problemen met muizen grotendeels worden voorkomen. Voorts is er een risico op vergrassing
als de ondergroei niet slaagt; gras concurreert behoorlijk met de boom. Door goede watervoorziening en
mechanisatie is de kans dat de ondergroei goed aanslaat echter groot. Eventueel kan bij een mislukte
aanplant opnieuw ingezaaid worden (Boer et al., 2003).
5.2.3 Bosschages
In dit rapport gebruiken we de term 'bosschages' wanneer we praten over hagen, houtwallen en (wind)singels.
Bosschages maken het landschap zowel voor mensen als voor dieren aantrekkelijker. Maar zoals op veel plaatsen
in Nederland zijn ze ook in regio Zundert goeddeels verdwenen. Vanuit het perspectief van de natuurlijke
vijanden is dat jammer, want ze vormen een prima plek voor voedsel en overwintering. Verder nestelen er
vogels, en vinden trekvogels er voedsel. Ook zorgen bosschages voor minder wind in het gewas, waardoor
University of Applied Sciences
59
sommige gewassen beter groeien.
Bosschages bieden overwinteringsmogelijkheden voor insecten. Natuurlijke vijanden die er overwinteren zijn
onder andere wespen, zweefvliegen, gaasvliegen, lieveheersbeestjes en roofwantsen. Als de bosschages niet al
te ver van de akker staan, kunnen deze natuurlijke vijanden zich al vroeg in het seizoen naar de akker of het
containerveld verplaatsen. Naast het overwinteren kunnen bosschages ook nectarbronnen zijn voor sluipwespen
en zweefvliegen. Ook vormen ze een schuilplaats voor onder andere kleine zoogdieren, amfibieën en kevers.
Daarnaast is het een nestgelegenheid voor vogels, zoals mezen die rupsen en bladluizen eten. Een nadeel is dat
bosschages licht wegnemen, maar dit kan verholpen worden door overhangende takken te verwijderen
(handboek insecticidevrije teelt over houtwallen).
Net zoals bij de ruigtes is het ook bij de bosschages niet altijd nodig om ze nieuw aan te leggen: vaak kan door
beter beheer van bestaande bosschages al veel gewonnen worden (Boer et al., 2003). Hierbij kan gedacht
worden aan het opstellen van een goed plan voor snoei en dunning, of aan het vergroten van de biodiversiteit
door het aanplanten van ontbrekende soorten.
Streef naar grote soortenrijkdom van de begroeiing. een grotere soortenrijkdom zorgt voor meer
soorten en grotere aantallen (broed)vogels, meer zoogdieren, zoals vleermuizen, muizen en egels en
meer soorten insecten, zoals dag- en nachtvlinders. Ook uit landschappelijk oogpunt is een gevarieerde
singel met rijkbloeiende en besdragende struiken en bomen die in hoogte, dichtheid en ouderdom van
elkaar verschillen veel aantrekkelijker. Meer broedgelegenheid voor insectenetende vogels levert een
bijdrage aan de bestrijding van plagen en ziekten. Goed ontwikkelde houtsingels zijn ook gunstig voor
ongewervelde natuurlijke vijanden (Paassen, 1998). Een soortenrijke haag zorgt ook voor een lang
uitgerekte bloeiperiode.
Het is afhankelijk van het landschap en bodem welke soorten geschikt zijn in bosschages. Bij het
aanplanten wordt geadviseerd soorten te gebruiken die van nature in de omgeving voorkomen. Hierdoor
is de overlevingskans voor de bomen en struiken hoger. Zo komt op veengrond voornamelijk wilgen,
elzen en essen voor, terwijl op zandgrond sleedoorn, populier en gelderse roos voorkomen. Plant ook
bomen die oud kunnen worden (holten!) (Paassen, 1998).
De soortkeuze in een houtige structuur die u speciaal voor natuurlijke vijanden aanlegt: kies voor zwarte
en grauwe els (hierop komen soortspecifieke luizen voor die natuurlijke vijanden aantrekken, zodoende
vormen ze een reservoir), haagbeuk , wilg (Salix incarna en alba), grauwe wilg en krulwilg (Salix
matsudana en Salix cinerea, gematigde groeiers die niet meteen omhoog schieten), klimop (klimopluis
trekt natuurlijke vijanden), es (Fraxius angustifolia en oxyphylla), eik (Quercus ilex en pubescens), laurier
(Prunus laurocerasus), Sneeuwbal (Viburnum lantana en tirus), eventueel judasboom (Cercis
siliquastrum en Corylus avellana), vlier (Sambucus nigra), cypres (Cupressus sempervirens), vuilboom
(Rhamnus alaternus).
Kies niet voor luisvrije elzensoorten (als Italiaanse els en witte els), eenstijlige meidoorn (Crataegus
monogyna, levert weinig natuurlijke vijanden en is tevens een bron van bacterievuur), populier (Populus
nigra, is voor natuurlijke vijanden niet zo geschikt, maar is wel nuttig als windvanger), exoten zoals
paardenkastanje, robinia en plataan (zijn bijna "steriel" te noemen), lijsterbes (bacterievuurgevoelig),
meidoorn en sierappels (Boer et al., 2003).
Naast deze algemene stelregels kan het mengsel specifiek worden samengesteld; zie de onderstaande
tabel.
Larenstein
60
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Doelsoort Samenstelling bosschages
4.2.1.
Lieveheersbeestje
Grauwe wilg (Salix cinerea), hazelaar (Corylus avellana), hondsroos (Rosa canina),
sleedoorn (Prunus spinosa), veldesdoorn (Acer campestre) (Handboek
Insecticidevrije Teelt)
4.2.3.
Zweefvliegen
Hazelaar (Corylus avellana), klimop (Hedera helix), rode kornoelje (Cornus
sanguinea), sleedoorn (Prunus spinosa) (Handboek Insecticidevrije Teelt)
4.2.4
Gaasvliegen
Veldesdoorn (Acer campestre) (Handboek Insecticidevrije Teelt)
4.2.5.
Roofwantsen
Haagbeuk wordt vaak genoemd als bevorderlijk voor roofwantsen. Maar ook
andere inheemse bloeiende struiken komen in aanmerking, o.m. boswilg, zwarte
els, vuilboom, rode en gele kornoelje, zwarte vlier, liguster, judasboom, Gelderse
roos en andere viburnum-
soorten, klimop en rode beuk. Vooral in het voorjaar, als
er nog weinig prooien in de aanplant zijn, zijn vroegbloeiende gewassen zoals
boswilg, gele kornoelje, e.a. geschikte eiwitbronnen(Stuge.be). Daarnaast bieden
bijvoorbeeld wilgen alternatieve prooi ingeval er weinig prooi op de akker te
vinden is.
Grauwe wilg (Salix cinerea), hazelaar (Corylus avellana), sleedoorn (Prunus
spinosa) (Handboek Insecticidevrije Teelt)
4.2.7.
Roofmijten
Vooral braam en in mindere mate ook Cornus sanguinea blijken goede
waardplanten te zijn voor de roofmijten (kvlt.be).
4.2.10.
Oorwormen
De zwarte els is relatief gunstig met grote aantallen oorwormen. Misschien dat
een gemengde haag nog gunstiger is: het voedsel zal dan gevarieerder en in een
groter deel van het seizoen aanwezig zijn. Mogelijk is het beheer van de haag van
groter belang dan de plantensoort (Helsen en Winkler, 2008).
4.2.12
Voge ls
Vogels hebben profijt van bosschages, maar in de literatuur zijn geen specifieke
plantensoorten genoemd.
4.2.13
Vleermuizen
Vleermuizen hebben profijt van bosschages, vooral wanneer die in lijnverband
staan. In de literatuur zijn geen specifieke plantensoorten genoemd.
Streef naar een bloeiboog, bijvoorbeeld met els, hazelaar en gele kornoelje in februari/maart, wilg in
maart/april, krenteboompje, kersensoorten, sleedoorn, wilg en bessensoorten in april/mei, rode
kornoelje, kardinaalsmuts, vuilboom en gelderse roos in mei/juni, veldesdoorn, liguster, wilde
kamperfoelie, rozen, vlier en vuilboom in juni/juli, klimop, kamperfoelie, rozen en vuilboom in
juli/aug/sept (Bloksma et al., 1998); zie ook bijlage 3. Vroegbloeiers zijn van belang om er voor te zorgen
dat de natuurlijke vijanden niet pas halverwege of aan het eind van het groeiseizoen 'paraat staan'
(Paassen, 1998).
De kruidige vegetaties onder en rondom bomen en struiken hebben ook een functie als
overwinteringsplaats. Deze vegetatie zorgt in het voorjaar voor een extra bron van stuifmeel, nectar en
prooien voor de natuurlijke vijanden (Handboek Insecticidevrije Teelt) . In deze ondergroei kunnen veel
plantensoorten een plek vinden zoals lookzonder-look, dagkoekoeksbloem en vingerhoedskruid (Boer
et al., 2003). Laat een ruige ondergroei ontstaan; spuit, brand of klepel deze niet. Verschijnen er lastige
onkruiden, zoals grote brandnetel en akkerdistel, bestrijd deze dan pleksgewijs. Maai ze bij voorkeur
handmatig (zeis of bosmaaier). Spaar hier een daar een groepje, daar waar ze niet al te veel in de weg
staan. Deze soorten zijn belangrijke voedselplanten voor dagvlinders, zoals atalanta, gehakkelde aurelia,
kleine vos en hun rupsen.
University of Applied Sciences
61
Streef ook naar een bloeiboog in de ondergroei, bijvoorbeeld met narcissen, sneeuwklokjes
(februari/maart/april), longkruid (april), fluitekruid (mei/juni), smeerwortel (mei-augustus), paarse en
gele dovenetel (april juli), kaasjeskruid en duizendblad (juni oktober), valeriaan (juni september).
De onderlinge plantafstand beter niet te eng nemen om de planten min of meer hun natuurlijke
groeivorm aan te kunnen laten nemen en te behouden (Stugu.be over gemengde hagen).
De afstand tussen verschillende bosschages is idealiter niet groter dan 200 meter. (Bloksma et al.,
1998).
Hoewel ook smalle singels al de nodige natuurwaarden hebben, verdient het de aanbeveling zo breed
mogelijke bosschages aan te leggen. Bij voorkeur minimaal 3 meter breed, dan is er voldoende ruimte
voor een ruige ondergroei van kruiden en diverse soorten bomen en struiken, waaronder rijkbloeiende
en besdragende soorten (Paassen, 1998). Om de omvang te beperken kan om de paar jaar een deel van
de struiken worden teruggezet of uitgedund. Dit vraagt een ander en tijdrovender beheer dan de
traditionele geschoren haag (Bloksma et al., 1998).
Bij de aanleg van de houtige structuur moet gelet worden op de plaats waar ze komt. Wanneer de
bosschages aan de zuidzijde van een perceel geplaatst wordt, zal ze licht tegenhouden. Het is daarom
raadzaam de bosschages aan de noordkant te planten (Handboek Insecticidevrije Teelt).
Te hoog groeiende bomen en struiken moeten worden ingekort zodat het zonlicht in de houtige
structuur blijft schijnen en insecten er over heen kunnen blijven vliegen (Handboek Insecticidevrije Teelt
over houtwal). Het is nodig er voor te zorgen dat na een snoeibeurt voldoende overjarig hout overblijft,
want de meeste gewassen bloeien op meerjarig hout. Daarom de snoei beperken tot ongeveer 50% van
het volume of na een aantal jaren telkens éénzijdig te herhalen (Stugu.be over gemengde hagen); dan
kunnen ook vogels en andere dieren in de bosschages hun toevluchtsoord blijven vinden. Het inkorten
van bomen en struiken dient tussen september en april te gebeuren, zodat de vogels tijdens het
broedseizoen niet gestoord worden (Handboek Insecticidevrije Teelt over houtwal). Het snoeihout kan in
een takkenril worden gestapeld en door het laten liggen van bladeren en takken wordt het aantrekkelijk
voor vogels, kleine zoogdieren en insecten (ibid). Ook dood hout, of het nu op de grond ligt of nog in
levende bomen en struiken hangt, is waardevol voor insecten en insectenetende vogels (Paassen, 1998).
In een bestaande windsingel zijn diverse soorten struiken bij te planten. Bij een dichte windsingel is het
noodzakelijk om open gaten te maken om de nieuwe struiken een kans te geven uit te groeien (Bloksma
et al., 1998).
Een groot voordeel van bosschages is dat het geen werk kost tijdens het groeiseizoen. Als de houtige
structuur eenmaal staat en de juiste soorten zijn gekozen is er een constante bijdrage aan de natuur in
en rond de boomgaard (Bloksma et al., 1998).
Figuur 5.1 geeft een voorbeeld van een brede windsingel langs een productieboomgaard.
Larenstein
62
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
Figuur 5.1: brede windsingel (uit Paassen, 1998)
5.2.4 Aanbieden van kunstmatige schuilplaatsen
Natuurlijke vijanden hebben de natuurlijke elementen in de omgeving nodig voor voedsel en als
schuilgelegenheid. Dat laatste kunnen we ook kunstmatig aanbieden.
University of Applied Sciences
63
Doelsoort Onderkomen Afbeelding
4.2.1.
Lieveheers-
beestjes
Er bestaan speciale huisjes die dienen als schuil- en
overwinteringsplaats voor lieveheesbeestjes. Die zijn
voorzien van gleuven, met daarachter een droge en
windvrije plek voor de lieveheersbeestjes. Door het
gebruik van gleuven is het huisje voor veel andere insecten
minder interessant (afbeelding: roodmetzwartestippen.nl).
4.2.3
Zweefvliegen
In de zomer hebben zweefvliegen behoefte aan een
schuilplek, in de winter aan een plek waar ze kunnen
overwinteren. Zeker wanneer er weinig natuurlijke holten
aanwezig zijn, zoals vlak na de oogst, is het gunstig om
kunstmatige schuilplekken op te hangen. Bijvoorbeeld in
de vorm van een bundeltje bamboestokjes. Een richtgetal
is 250 tot 500 van deze 'huisjes' per hectare. (Afbeelding:
Alliance Group).
4.2.4.
Gaasvliegen
Voor gaasvliegen zijn diverse schuilplaatsen ontwikkeld.
Effectief blijkt een klein houten kastje van 15x15x15 cm
gevuld met stro; de afstand tussen de lamellen is 3 cm. De
gaasvliegen kunnen tussen de schuingeplaatste lamellen
naar binnen; overwogen kan worden een lokstof toe te
passen (kamfer of caryophyllene).
Zolang de kastjes droog zijn, worden ze bijna uitsluitend
bewoond door gaasvliegen. Zodra ze vochtig worden
echter, zijn het vooral vliegen en spinnen die er onderdak
vinden.
4.2.10.
Oorwormen
Kunstmatige schuilplaatsen zijn eenvoudig te maken.
Effectief is een stenen bloempotje, omgekeerd hangend
aan een ijzerdraadje en gevuld met stro of houtwol.
Oorwormen op een perceel introduceren kan door goed
bezette oorwormpotjes te verhangen van bijvoorbeeld de
windsingel naar het perceel. De oorwormpotjes kunnen
het best boven in de boom worden gehangen, in de
maanden mei tot september.
4.2.12.
Voge ls
Het ophangen van nestkastjes kan het beste al in het
najaar gebeuren omdat vogels vaak in de kast
overwinteren. Na ieder broedseizoen moet de kastjes
schoongemaakt worden omdat vogels geen nest bouwen
op een oud nest. Het plaatsen van nestkasten is zeker
zinvol als in de onmiddellijke omgeving van de aanplant
weinig nestgelegenheid te vinden is. De kasten kunnen op
het perceel ophangen worden (3 à 4 per hectare), maar
ook in de buurt ervan (bijvoorbeeld in houtwal, singel of
windkering).(afbeelding: Treeport)
Larenstein
64
Functionele agrobiodiversiteit in de Zundertse boomteelt
5.2.5 Uitzetten van natuurlijke vijanden
Biologische bestrijding door middel van het uitzetten van natuurlijke vijanden is met name in de binnenteelten
heel gebruikelijk. In de buitenteelten ligt dit anders, want je wil natuurlijk niet dat de natuurlijke vijanden er
vandoor gaan zodra je ze uit de verpakking hebt gehaald. Om de natuurlijke vijanden 'te verleiden' om op en
vlakbij de percelen te blijven, zal je moeten zorgen dat ze zich er prettig voelen. Dat kan door het nemen van de
maatregelen die in paragraaf 4.1 voor elke natuurlijke vijand zijn besproken.
Min of meer tot verbazing van de paprika-teler uit Steenbergen bleken de vier roodkoptimalia's die hij in
zijn niet-afgesloten kas had uitgezet, daar gewoon te blijven. Kennelijk was er voldoende voedsel voor
de diertjes en wilden ze niet weg”, aldus de teler. (Gereformeerd Dagblad, 17 februari 1999)
Gekweekte natuurlijke vijanden kunnen vroeg in het voorjaar uitgezet worden op het moment dat er nog
onvoldoende natuurlijke vijanden spontaan aanwezig zijn. Later in het teeltseizoen kan dit ter correctie gebeuren
wanneer de spontaan voorkomende natuurlijke vijanden de plagen niet aankunnen (Van der Horst, 1998).
Steeds meer natuurlijke vijanden zijn in de handel algemeen verkrijgbaar; ze worden verkocht als biologische
bestrijder. Het gaat hierbij vooral over toepassing in gesloten teelten. In Bijlage 2 geven niet alleen een overzicht
van de verschillende soorten binnen de diverse families, ook geven we aan welke soorten in de handel
verkrijgbaar zijn als biologische bestrijder. Daarnaast geven we ook aan of de betreffende soort specifiek voor
buitentoepassing in de handel wordt gebracht.
5.2.6 Ongestoorde grond
Veel natuurlijke vijanden brengen op z'n minst een deel van hun leven op of in de bodem door. Bijvoorbeeld om
te overwinteren (zoals de oorworm en de graafwesp) of te verpoppen (zoals de roofgalmug). Of ze lopen er rond
op zoek naar voedsel (zoals spinnen en kevers). Niet of minder vaak ploegen zorgt er dan voor dat er meer
spinnetjes en kevers overleven, en dat meer van hun voedsel overleeft.
5.2.7 Overige teeltmaatregelen
Maak van snoeihout en maaisel, afkomstig uit de boomkwekerij, schuilhopen en houtrillen. Daarmee
bent u niet alleen van het hout en maaisel af. U heeft ook een prima voedsel-, schuil- en
voortplantingsplaats voor ongewervelden, vogels en zoogdieren (waaronder kleine marterachtigen)
gemaakt. Situeer een schuilhoop in of langs de windsingel of op een overhoek, bij voorkeur in