ArticlePDF Available

Attila's 'Bellum Gallicum': Caesars De bello Gallico als model voor vv.1-95 van het Waltharius-epos

Authors:

Abstract

The medieval Latin poem ‘Waltharius’ is a Germanic saga transformed into a traditional Latin epic. This transformation has been effected, not just by the use of Latin hexameters, but also by the appropriation of complete lines and half-lines from ancient Latin epics, first and foremost Virgil’s Aeneid. In contrast, the opening of the Waltharius is curiously unepic. Instead of indicating the general theme and invoking a divinity, as the ancient poets did, our poet opens with an ethno-geographic overview that would not be out of place in a scientific or historical treatise. In this paper I will argue that the ethno-geographic opening of the Waltharius, together with the subsequent description of Attila’s conquest of Gaul, have been modelled on Caesar’s De Bello Gallico, with Attila playing the parts of Orgetorix and Caesar himself.
Inhoud Lampas 47 (2014) 2
Van de redactie 81
Suzanne Adema De Defectione Haeduorum
Caesars crisiscommunicatie 83
Frederik Bakker Attila’s ‘Bellum Gallicum’ 100
Caesars De Bello Gallico als model voor vv. 1-95 van het
Waltharius-epos
Rolf Strootman Van de Hellespont tot India: Cleopatra vii en de ‘Donaties 120
van Alexandrië’
Diederik De structuur van de Historia Augusta 138
Burgersdijk
Berenice Verhelst Het overspel van Ares en Aphrodite 158
Lachen met Odyssee 8.266-366 in Nonnus’ Dionysiaca
Casper de Jonge Hattrick acasa in de internationale Pubquiz 173
Hugo Koning
47e jaargang nummer 2 juni 2014
AMPAS
Ltijdschrift voor classici
LAMPAS
47 (2014) 2
issn 0165-8204
Lampas472_omslag R6.indd 1 22-04-14 08:52
Attila’s ‘Bellum Gallicum’
Caesars De Bello Gallico als model voor vv.1-95 van het
Waltharius-epos
Frederik Bakker
Summary: The medieval Latin poem ‘Waltharius’ is a Germanic saga transformed
into a traditional Latin epic. This transformation has been effected, not just by
the use of Latin hexameters, but also by the appropriation of complete lines and
half-lines from ancient Latin epics, first and foremost Virgil’s Aeneid. In contrast,
the opening of the Waltharius is curiously unepic. Instead of indicating the gene-
ral theme and invoking a divinity, as the ancient poets did, our poet opens with an
ethno-geographic overview that would not be out of place in a scientific or histo-
rical treatise. In this paper I will argue that the ethno-geographic opening of the
Waltharius, together with the subsequent description of Attila’s conquest of Gaul,
have been modelled on Caesar’s De Bello Gallico, with Attila playing the parts of
Orgetorix and Caesar himself.
1  Inleiding
Het Middeleeuwse Waltharius-epos verenigt twee uiteenlopende tradities.
Inhoudelijk is het een Germaanse heldensage. Qua vorm echter is het een
(kort) Latijns epos, en dan gaat het niet slechts om de taal en het metrum: vele
– hele en halve – verzen zijn rechtstreeks, soms met kunstige variaties, ont-
leend aan, en hele scenes gemodelleerd naar antieke voorbeelden, in de eerste
plaats Vergilius’ Aeneis. In dit verband is het opmerkelijk dat juist de opening
van het Waltharius-epos zich helemaal niet bij deze traditie aansluit: in plaats
van een aanduiding van het thema en een aanroep van een godheid krijgen we
een etno-geografische uiteenzetting voorgezet, die eerder lijkt thuis te horen
in een geografisch of historisch prozawerk. In dit artikel zal ik betogen dat
de etno-geografische inleiding, maar ook de daaropvolgende beschrijving van
Attila’s veroveringstocht, deels gemodelleerd zijn naar Caesars De Bello Gal-
lico. Ook zal ik onderzoeken welke inhoudelijke overeenkomsten tussen de
beide werken misschien tot deze ontlening aanleiding hebben gegeven. Bij
wijze van inleiding zal ik echter eerst wat zeggen over het Waltharius-epos
zelf.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 100 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 101
2   Het Waltharius-epos
2.1 Auteur en datering
Het Waltharius-epos is in de negende of tiende eeuw geschreven door een
jonge monnik op basis van een Germaans volksverhaal. Over het auteurschap
van het werk is niets met zekerheid bekend. De meest genoemde kandidaat
is de Sankt-Galler monnik Ekkehard I (ca. 910-973), die volgens een aan-
tekening in een elfde-eeuwse kroniek op nog jeugdige leeftijd een Vita Wal-
tharii manu fortis in verzen zou hebben geschreven. Het is echter niet zeker
dat met deze titel inderdaad het Waltharius-epos is bedoeld, en vele andere
auteurs en dateringen zijn dan ook voorgesteld.1
2.2 Inhoud
De inhoud van het epos kan als volgt worden samengevat:
1-95: In Europa wonen vele volkeren, waaronder de Hunnen, die uitblin-
ken in moed. Onder leiding van hun koning Attila trekken deze op een ze-
ker moment achtereenvolgens op tegen de Franken, de Bourgondiërs en de
Aquitaniërs. Elk van deze volkeren onderwerpt zich, betaalt schatting en le-
vert een gijzelaar. De gijzelaars zijn: de jonge Frankische edelman Hagano,
de Bourgondische koningsdochter Hiltgunt en de Aquitanische koningszoon
Waltharius.
96-427: De drie gijzelaars groeien op bij de Hunnen in Pannonië. Waltha-
rius en Hagano worden vrienden en ontwikkelen zich tot de twee machtigste
strijders van Attila’s leger. Wanneer Hagano hoort dat Gibicho, de koning
der Franken, is gestorven en dat diens zoon en opvolger, Guntharius, het ver-
drag met de Hunnen heeft opgezegd, vlucht hij terug naar huis. Een tijd la-
ter gaan ook Waltharius en Hiltgunt, die heimelijk verloofd zijn, ervandoor,
waarbij ze een grote schat met zich meevoeren.
428-1061: Wanneer Waltharius en Hiltgunt bij Worms de Rijn over steken,
blijven zij en hun schat niet onopgemerkt. Omdat zijn vader indertijd aan At-
tila schatting heeft betaald, meent Guntharius recht te hebben op deze schat,
en trekt hij er met twaalf getrouwen, waaronder de onwillige Hagano, op uit
om hun deze afhandig te maken. Waltharius verschanst zich in een nauw ra-
vijn in de Vogezen, waar hij zijn tegenstanders één voor één het hoofd kan
bieden. Elf van Guntharius’ strijders bijten zo in het stof. Alleen Hagano wei-
gert tegen zijn oude wapenbroeder te strijden.
1062-1456: Beroofd van zijn krijgers vlucht Guntharius naar Hagano en
weet deze alsnog aan zijn kant te krijgen. Ze lokken Waltharius uit zijn schuil-
plaats en vallen hem met zijn tweeën aan. Wanneer door de opgelopen ver-
1 Voor de verschillende theorieën m.b.t. de oorsprong, het auteurschap en de datering van het werk
zie bijvoorbeeld Langosch (1973: 49-96) en Vogt-Spira (1994: 5-12).
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 101 22-04-14 08:51
102 Lampas 47 (2014) 2
wondingen geen van drieën nog tot vechten in staat is, begraven ze de strijd-
bijl, laten zich door Hiltgunt verzorgen, en delen de schat. Daarna keren
Guntharius en Hagano terug naar Worms, en reizen Waltharius en Hiltgunt
verder naar Aquitanië, waar ze trouwen en nog lang en gelukkig leven.
2.3 Germaanse heldensage
Het Waltharius-epos is de uitgebreidste en meest volledige versie van de Ger-
maanse Walthersage die we kennen, en tevens een van de oudste. Alleen de
Waldere-fragmenten, restanten van een Angelsaksisch Walther-gedicht, zijn
misschien ouder,2 maar ook daarvan is de datering omstreden. Daarnaast is
het verhaal onderwerp geweest van een Middel hoogduits Walther gedicht,
waarvan twee fragmenten bewaard zijn gebleven, en van een episode uit de
Oudnoorse Thidrekssaga. Verschillende Middel hoogduitse gedichten ma-
ken bovendien toespelingen op de Walthersage of voeren Walther als onover-
winnelijke kampvechter ten tonele (zie afbeelding 1).3
Inhoudelijk is de Walthersage nauw verbonden met de Nibelungencyclus,
ons bekend uit verschillende Middelhoogduitse en Oudnoorse werken, waar-
mee het de personages Attila (Duits: Etzel; Oudnoors: Atli), Guntharius
(Gunther, Gunnar) en Hagano (Hagen, Högni) deelt. In het Nibelungenlied,
de beroemdste Duitse vertegen woordiger van deze cyclus, wordt zelfs enkele
malen expliciet verwezen naar de Walthersage, die zich enkele decennia vóór
de in het Nibelungenlied beschreven gebeurtenissen afspeelt.4
Twee van de genoemde personages gaan met zekerheid terug op histori-
sche figuren: Attila (Etzel, Atli) is gebaseerd op de historische Attila, die van
434 tot 453 als heerser over de Hunnen Europa onveilig maakte, en Gunt-
harius (Gunther, Gunnar) gaat terug op Gundicharius, de koning van het
Bourgonden rijk op de linkeroever van de Rijn, die in 435 of 436 met een groot
deel van zijn volk door Hunnen werd afgeslacht.5 Het Waltharius-epos wijkt
hiervan in zoverre af dat het Guntharius opvoert als koning van de Franken
in plaats van de Bourgonden.6
Daarentegen kunnen de personages Waltharius en Hiltgunt niet eenduidig
tot historische figuren worden herleid, en lijken de in het epos beschreven
voorvallen zelf evenmin op historische gebeurtenissen terug te gaan: Attila’s
succesvolle oorlog heeft in ieder geval weinig te maken met de historische
2 De beide fragmenten zijn opgenomen, met Duitse vertaling, in Vogt-Spira (1994: 182-185).
3 Voor de verschillende versies van en toespelingen op de Walthersage zie bijvoorbeeld Voorwinden
(1993c: 352-353) en Bornholdt (2005: 44-45, 63-74).
4 Voor het Nibelungenlied en de Nibelungensage zie Voorwinden (1993b), Van Vreedendaal (2011:
vii-xxxiv, 331-336).
5 Althof (1905: 17-18), Voorwinden (1993b: 307), Van Vreedendaal (2011: ix-xi, 331-332).
6 Althof (1905: 16, 44-45), Voorwinden (1993c: 353), Vogt-Spira (1994: 16); Van Vreedendaal (2011:
334).
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 102 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 103
Gallische veldtocht van 451, die ein-
digde met Attila’s nederlaag op de
Catalaunische velden.
2.4 Klassieke achtergrond
Hoewel het onderwerp van het
Waltharius-epos Germaans is, sluit
het werk zich in andere opzichten
nauw aan bij de klassieke Latijnse
literatuur. Niet alleen de taal en het
metrum, maar de hele vorm is die
van een (kort) Latijns epos, en de
aansluiting bij deze traditie wordt
onderstreept door talloze ontlenin-
gen aan en variaties op verzen en
passages uit antieke epen. Verreweg
het belangrijkste voorbeeld is Ver-
gilius’ Aeneis, waaruit niet minder
dan zeven verzen ongewijzigd zijn
overgenomen, maar ook de Ge-
orgica en de Bucolica hebben hun
sporen nagelaten. Andere belangrijke voorbeelden zijn de Psychomachia en
de Apotheosis van de Christelijke dichter Prudentius, van wie eveneens een
compleet vers is opgenomen, en Statius’ Thebais. Verder wordt de invloed
van Ovidius, Silius Italicus en Lucanus vermoed. Naast deze epische – of al-
thans in epische versvorm geschreven – werken, heeft ook de Vulgaat talrij-
ke motieven en zinswendingen geleverd, terwijl de Etymologiae van Isido-
rus van Sevilla als bron voor vele etnische en geografische gegevens hebben
gediend.7
3   De etno-geografische inleiding
3.1 Het openingsvers
Hoewel het Waltharius-epos zich formeel dus vooral aansluit bij het antieke
epos, zijn bepaalde aspecten ervan moeilijk met deze traditie te rijmen. Het
duidelijkste voorbeeld hiervan vinden we al meteen aan het begin. Terwijl de
Aeneis en andere Latijnse epen beginnen met een korte, soms cryptische, aan-
7 Voor de relatie van het Waltharius-epos tot de klassieke voorbeelden zie Langosch (1973: 35-39),
D’Angelo (1991: 159-163) en Vogt-Spira (1994: 13-14). Voor Isidorus’ Etymologiae als bron voor
vele etnische en geografische bijzonderheden in het Waltharius-epos zie Schütte (1986).
Afb. 1 Walther in gevecht met Har-
tunc, illustratie uit 15e eeuws handschrift
van de Rosengarten zu Worms. Bron:
http://commons.wikimedia.org/wiki/
File:Walther_von_Kerlingen_und_Har-
tunc.png.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 103 22-04-14 08:51
104 Lampas 47 (2014) 2
duiding van het onderwerp en een
aanroep van een godheid, opent het
Waltharius-epos met een etno-geo-
grafische uiteen zetting, die niet zou
misstaan in een wetenschappelijk
proza-werk. De passage begint met
het volgende vers (W.1):
Tertia pars orbis, fratres, Europa
vocatur,8
Een derde deel van de wereld, broeders,
wordt Europa genoemd,
De dichter refereert hier aan een
oude opvatting dat de wereld pre-
cies drie delen kent: Europa, Azië
en Afrika.9 Deze opvatting is in
de Middeleeuwen vooral verbreid
door een passage in het populaire
werk van Isidorus van Sevilla, Ety-
mologiae 14.2.1:10
Orbis a rotunditate circuli dictus, [...]. Undique enim Oceanus circumfluens eius
in circulo ambit fines. Divisus est autem trifarie: e quibus una pars Asia, altera Eu-
ropa, tertia Africa nuncupatur.
De (aard)schijf ontleent haar naam aan de rondheid van een cirkel, [...]. De Oce-
aan, die er aan alle kanten omheenstroomt, omgeeft haar gebied in een cirkel. De
aardschijf nu is drievoudig verdeeld: hiervan wordt één deel Azië, het tweede deel
Europa, het derde Afrika genoemd (zie afbeelding 2).
Verschillende commentatoren hebben geprobeerd om voor de opening van
het Waltharius-epos, en met name het eerste vers, parallellen te vinden in de
klassieke Latijnse epiek. De meeste komen niet veel verder dan wat vage ver-
bale overeenkomsten. De meest overtuigende poging is gedaan door Edoardo
D’Angelo (1991: 165-7), die Waltharius’ openingsvers in verband brengt met
Lucanus’ Pharsalia 9.411-3:
Tertia pars rerum Libye, si credere famae
cuncta velis; at, si ventos caelumque sequaris,
pars erit Europae […]
8 Hier en elders volg ik de editie van Vogt-Spira (1994); de vertaling is van de auteur.
9 Zie Althof (1905: 9).
10 Vogt-Spira (1994: 15), Schütte (1986: 71).
Afb. 2. T-O kaart, illustratie van Isidorus
Etymologiae 14.2 uit de eerste gedrukte
editie van dit werk door Guntherus Ziner,
Augsburg, 1472. Bron: http://commons.
wikimedia.org/wiki/File:T_and_O_map_
Guntherus_Ziner_1472_bw.jpg
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 104 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 105
Een derde deel van de wereld is Libye, als je in alles het gerucht
wilt geloven; maar, als je de winden en het klimaat volgt,
zal het een deel zijn van Europa […]
In deze verzen neemt Lucanus stelling tegen de traditionele driedeling van de
wereld, en kiest in plaats daarvan voor een tweedeling waarbij Libye (=Afri-
ka) tot Europa behoort. De dichter van het Waltharius-epos zou zich dan op
zijn beurt weer tegen Lucanus hebben afgezet, en – met gebruikmaking van
diens verzen – de meer traditionele opvatting van Isidorus hebben bekrach-
tigd.
Hoewel deze passage bewijst dat een geografische uiteenzetting als in W.1-
10 in een traditioneel Latijns epos wel degelijk een plaats kon hebben, geeft
hij ons geen voorbeeld van het gebruik van zo’n uiteenzetting als opening van
een epos: Lucanus zelf volgt in dit opzicht gewoon de epische conventie, met
een aanduiding van het thema en de aanroep van een god (in dit geval de ver-
goddelijkte Nero).
Het lijkt er dus op dat, als er al een klassiek voorbeeld is, we dit buiten de
epiek moeten zoeken. Rubén Florio merkt op dat het Waltharius-epos begint
‘op de wijze van de kronieken’ en verwijst hierbij naar Caesars De Bello Gal-
lico en Tacitus’ Germania. Hij lijkt hiermee niet veel meer te willen zeggen
dan dat deze beide werken ook met een etno-geografisch overzicht beginnen,
en hij vervolgt dan ook met de gebruikelijke lijst van woordelijke parallellen
uit de klassieke epiek.11 In werkelijkheid gaat de overeenkomst met één van
deze twee werken, namelijk Caesars De Bello Gallico, veel verder dan Florio
suggereert. Dat blijkt al meteen uit de eerste zin van dit werk, waar, evenals
in het openingsvers van het Waltharius-epos, sprake is van een geografische
driedeling:
Gallia est omnis divisa in partes tres12
Gallië als geheel bestaat uit drie delen
Hieronder wil ik de mogelijke overeenkomsten tussen de etno-geografische
inleidingen van Caesars De Bello Gallico en het Waltharius-epos nader on-
derzoeken om te zien of het eerste werk mogelijk als voorbeeld voor het
tweede heeft gediend. Vooruitlopend op de conclusies zal ik de te vergelij-
ken passages uitbreiden met het begin van de eigenlijke handeling in beide
werken. De te bespreken passages zijn: Waltharius 1-13 en Caesar De Bello
Gallico 1.1.1-1.2.2. Hieronder volgt van beide passages eerst de tekst met een
vertaling; daarna zullen de overeenkomsten één voor één worden besproken.
11 Florio (2002: 81).
12 Hier en elders volg ik de teksteditie van Wolfgang Hering (1987). De vertaling is die van Vincent
Hunink (1997) met hier en daar wat kleine wijzigingen.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 105 22-04-14 08:51
106 Lampas 47 (2014) 2
3.2 Tekst en vertaling van Waltharius 1-13
Tertia pars orbis, fratres, Europa vocatur,
moribus ac linguis varias et nomine gentes
distinguens, cultu, tum relligione sequestrans.
Inter quas gens Pannoniae residere probatur,
quam tamen et Hunos plerumque vocare solemus. 5
Hic populus fortis virtute vigebat et armis,
non circumpositas solum domitans regiones,
litoris Oceani sed pertransiverat oras,
foedera supplicibus donans sternensque rebelles:
ultra millenos fertur dominarier annos. 10
Attila rex quodam tulit illud tempore regnum,
impiger antiquos sibimet renovare triumphos.
Qui sua castra movens mandavit visere Francos,
Een derde deel van de wereld, broeders, wordt Europa genoemd.
Het onderscheidt naar zeden, talen en naam verscheidene
volkeren en zondert ze af op grond van cultuur en ook religie.
Onder hen woont ook, zo wordt gezegd, het volk van Pannonië,
dat we echter meestal ook de Hunnen noemen. 5
Dit volk blonk krachtig uit door moed en wapens,
en onderwierp niet slechts de naburige streken,
maar was zelfs al doorgedrongen tot de kustgebieden van de Oceaan,
waarbij het smekelingen verdragen gaf, en rebellen neersloeg:
er wordt gezegd dat zij al meer dan duizend jaar heersen.13 10
Koning Attila regeerde op zeker moment dat koninkrijk,
ijverig bezig om voor zichzelf de oude triomfen te hernieuwen.
Deze nu brak zijn kamp op en beval om de Franken te bezoeken,
3.3 Tekst en vertaling van Caesars De Bello Gallico, 1.1.1-1.2.2
(1.1) Gallia est omnis divisa in partes tres, quarum unam incolunt Belgae, aliam
Aquitani, tertiam qui ipsorum lingua Celtae, nostra Galli appellantur. (1.2a) Hi
omnes lingua, institutis, legibus inter se differunt. (1.2b) Gallos ab Aquitanis Ga-
runna flumen, a Belgis Matrona et Sequana dividit.
(1.3) Horum omnium fortissimi sunt Belgae, propterea quod a cultu atque hu-
manitate provinciae longissime absunt, minimeque ad eos mercatores saepe com-
meant atque ea, quae ad effeminandos animos pertinent, inportant proximique
sunt Germanis, qui trans Rhenum incolunt, quibuscum continenter bellum gerunt.
(1.4) Qua de causa Helvetii quoque reliquos Gallos virtute praecedunt, quod fere
cotidianis proeliis cum Germanis contendunt, cum aut suis finibus eos prohibent
aut ipsi in eorum finibus bellum gerunt.
(1.5) Eorum una pars, quam Gallos obtinere dictum est, initium capit a flumine
Rhodano, continetur Garunna flumine, Oceano, finibus Belgarum, attingit etiam
ab Sequanis et Helvetiis flumen Rhenum, vergit ad septentriones. (1.6) Belgae ab
13 Voor de onwaarschijnlijk lange duur van de Hunse heerschappij zie Althof (1905: 13-14).
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 106 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 107
extremis Galliae finibus oriuntur, pertinent ad inferiorem partem fluminis Rheni,
spectant in septentrionem et orientem solem. (1.7) Aquitania a Garunna flumi-
ne ad Pyrenaeos montes et eam partem Oceani, quae est ad Hispaniam, pertinet,
spectat inter occasum solis et septentriones.
(2.1a) Apud Helvetios longe nobilissimus fuit et ditissimus Orgetorix. (2.1b) Is
M. Messala, M. Pisone consulibus regni cupiditate inductus coniurationem nobi-
litatis fecit et civitati persuasit, ut de finibus suis cum omnibus copiis exirent: (2.2)
perfacile esse, cum virtute omnibus praestarent, totius Galliae imperio potiri.
(1.1) Gallië als geheel bestaat uit drie delen, waarvan de Belgen er één bewonen,
de Aquitaniërs een ander, en het derde degenen die in hun eigen taal ‘Kelten’ wor-
den genoemd en in de onze ‘Galliërs’. (1.2a) Al deze volkeren verschillen onder-
ling in taal, gebruiken en wetten. (1.2b) De Galliërs worden van de Aquitaniërs
gescheiden door de Garonne, en van de Belgen door de Marne en de Seine.
(1.3) Van al deze volkeren zijn de Belgen het dapperst, en wel doordat ze het
verst verwijderd zijn van de cultuur en verfijning van de Romeinse Provincie. Bij
hen komen het minst vaak handelaren om goederen te importeren die tot verwe-
kelijking leiden. En ze zitten het dichtst bij de Germanen, die aan de andere kant
van de Rijn wonen, met wie ze in voortdurende staat van oorlog verkeren. (1.4)
Om deze reden zijn ook de Helvetiërs heldhaftiger dan de andere Galliërs: bijna
dagelijks leveren ze strijd met de Germanen, doordat ze hen niet op hun eigen ge-
bied toelaten, of doordat ze zelf oorlog voeren op hun gebied.
(1.5) Het deel dat, als gezegd, door de Galliërs wordt bezet, begint bij de Rhô-
ne. Het wordt begrensd door de Garonne, de Oceaan en het gebied van de Belgen,
en komt bij de Sequani en Helvetiërs zelfs tot aan de Rijn. Het is naar het noorden
gericht. (1.6) Het land van de Belgen begint waar dat van de Galliërs ophoudt, en
strekt zich uit langs de benedenloop van de Rijn. Het is gericht naar het noord-
oosten. (1.7) Aquitanië strekt zich uit van de Garonne tot aan de Pyreneeën en
het deel van de Oceaan dat bij Spanje ligt. Het is gericht naar het noordwesten.
(2.1a) Orgetorix was verreweg de aanzienlijkste en rijkste Helvetiër. (2.1b) Tij-
dens het consulaat van Marcus Messala en Marcus Piso zette hij een samenzwe-
ring van de adel op touw, omdat hij graag koning wilde worden. Hij wist de
mensen te overtuigen met alles wat ze hadden hun grondgebied te verlaten: (2.2)
waren ze niet de dappersten van allemaal? Dus was het heel makkelijk om de
macht over heel Gallië te veroveren.
3.4 Vergelijking van Waltharius 1-13 en Caesars De  Bello  Gallico
1.1.1-1.2.2
3.4.1 Geografische driedeling
Zoals boven al is opgemerkt beginnen beide werken met een geografische
driedeling. Bij Caesar (De Bello Gallico.1.1.1) wordt de plaats van de hande-
ling, Gallië, in drie delen verdeeld, die elk worden benoemd. In het Walthari-
us-epos (W. 1) is de plaats van de handeling, Europa, zelf een derde deel van
de wereld, en blijven de overige twee delen onvermeld.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 107 22-04-14 08:51
108 Lampas 47 (2014) 2
3.4.2. Volkeren in verschillende opzichten van elkaar onderscheiden
Meteen aansluitend worden in beide werken volkeren op grond van verschil-
lende criteria van elkaar onderscheiden: bij Caesar (De Bello Gallico 1.1.2a)
op grond van taal (lingua), gebruiken en wetten, en in het Waltharius-epos
(W. 2-3) eerst op grond van zeden, talen (linguis) en naam, en vervolgens – als
een soort toegift – op grond van ‘cultuur en ook religie’ (cultu, tum religione).
Deze laatste twee criteria komen niet als zodanig voor bij Caesar, maar wel
vinden we ook bij hem ‘cultuur’ vermeld als lid van een begrippenpaar: in De
Bello Gallico 1.1.3 stelt hij dat de Belgen onder meer zo dapper zijn door hun
grote afstand tot ‘de cultuur en verfijning’ (cultu atque humanitate) van de
Romeinse Provincia.
3.4.3 Volk met twee namen
In beide werken treffen we ook een volk met twee namen aan: in het Waltha-
rius-epos (W. 4-5) ‘het volk van Pannonië’, dat ook bekend staat als de Hun-
nen, en bij Caesar (De Bello Gallico 1.1.1) de Kelten, die ook Galliërs heten.
3.4.4 Volk uitblinkend in kracht en moed
In beide werken is ook sprake van volkeren die zich onderscheiden door
kracht en moed: in het Waltharius-epos (W. 6) blinken de Hunnen krachtig
(fortis) uit door moed (virtute) en wapens; bij Caesar (De Bello Gallico 1.1.3)
gelden de Belgen als de sterkste (fortissimi) bewoners van heel Gallië, en (De
Bello Gallico 1.1.4) overtreffen de Helvetiërs op hun beurt de overige Galliërs
in moed (virtute).
3.4.5 Vijandige betrekkingen met naburige volkeren
Zowel bij Caesar (De Bello Gallico 1.1.3-4) als in het Waltharius-epos (W.
7-8) wordt de uitzonderlijke moed van bovengenoemde volkeren in verband
gebracht met hun strijd tegen de naburen: bij Caesar dient de voortdurende
strijd tegen de aangrenzende Germanen als verklaring voor de moed van de
Belgen en de Helvetiërs, in het Waltharius-epos blijkt de moed van de Hun-
nen uit hun onderwerping van zowel naburige als verderaf gelegen gebieden.
Hierna volgen er in het Waltharius-epos twee verzen die niet direct met
Caesars De Bello Gallico kunnen worden verbonden: vers 9 beschrijft de ma-
nier waarop de Hunnen hun heerschappij weten te handhaven (over dit vers
later meer), en vers 10 noemt de uitzonderlijke duur van hun heerschappij.
3.4.6 Introductie van de leider
Na het etno-geografische overzicht wordt in beide werken de leider van één
van de eerder genoemde dappere volkeren geïntroduceerd. Bij Caesar (De
Bello Gallico 1.2.1a) is dit Orgetorix, de voornaamste en rijkste van de Helve-
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 108 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 109
tiërs; in het Waltharius-epos (W. 11) gaat het om Attila, de koning der Hun-
nen.
3.4.7 Ambitie van de leider
Beide leiders hebben een grote ambitie: Orgetorix wordt geleid door begeerte
naar het koningschap (De Bello Gallico 1.2.1b), en Attila, die al koning is, wil
de oude triomfen van zijn volk doen herleven (W. 12).
3.4.8 Aanzet tot actie door de leider
Beide leiders geven, gedreven door hun ambitie, de aanzet tot de handeling
waarmee het eigenlijke verhaal begint: Orgetorix overreedt zijn volksgenoten
om met heel hun hebben en houden uit hun woongebieden weg te trekken en
te proberen zich van heel Gallië meester te maken (De Bello Gallico 1.2.1b-2),
en Attila beveelt zijn troepen om de Franken ‘te bezoeken’ (W. 13).
Hierna lopen de beide plots uiteen. Attila onderwerpt met succes achter-
eenvolgens de Franken, de Bourgondiërs en de Aquitaniërs, maar Orgetorix
komt al snel ten val (De Bello Gallico 1.4): zijn geheime agenda lekt uit, hij
wordt gevangen gezet, hij ontsnapt, maar overlijdt, en als de Helvetiërs daar-
na zonder hem zijn plannen toch willen doorzetten, vinden ze Caesar op hun
weg, die vervolgens zelf Gallië onderwerpt.
Uit het bovenstaande blijkt dat bijna alle versregels van W. 1-13 op de een
of andere manier beantwoorden aan elementen uit Caesars De Bello Gallico
1.1.1-1.2.2. De enige verzen die geen directe relatie met Caesars werk lijken te
hebben, zijn 9 en 10 (op vers 9 zal ik later nog terugkomen). Omgekeerd zijn
de meeste elementen van Caesars De Bello Gallico1.1.1-1.2.2 op de een of an-
dere manier in W. 1-13 vertegenwoordigd. De opvallendste omissies zijn die
passages waarin de drie delen van Gallië worden benoemd en afgebakend (De
Bello Gallico 1.1.2b & 1.1.5-7). Toch blijken ook die een zekere rol te spelen
in het Waltharius-epos, zoals ik hieronder zal aantonen. We kunnen echter nu
al stellen dat de overeenkomst van de beide passages zo groot is, dat van toeval
geen sprake kan zijn: de dichter van het Waltharius-epos heeft zijn opening
bewust gemodelleerd naar de opening van Caesars De Bello Gallico.
4   Attila’s Gallische oorlog
Na de inleiding gaat het Waltharius-epos verder met een verslag van Attila’s
veldtocht (W. 11-95), waarbij achtereenvolgens de Franken, de Bourgondiërs
en de Aquitaniërs worden onderworpen. Hoewel de naam ‘Gallië’ in het epos
niet voorkomt, blijken alle drie de volkeren binnen de grenzen van Caesars
Gallië te wonen. Sterker nog: elk van de drie volkeren correspondeert met
één van de drie delen van Caesars Gallië. Om dit aan te tonen zal ik hieronder
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 109 22-04-14 08:51
110 Lampas 47 (2014) 2
eerst in het kort Caesars afbakening en onderverdeling van Gallië bespreken,
en daarna per onderworpen volk uit het Waltharius-epos laten zien hoe dit
met één van de drie delen van Gallië samenhangt.
4.1 De drie delen van Gallië in De Bello Gallico
Caesars beschrijving van de verdeling van Gallië in De Bello Gallico 1.1.2b &
1.1.5-7 is vrij rechttoe rechtaan. Op twee punten laat de beschrijving echter te
wensen over. Om te beginnen zegt Caesar niets over de zuidelijke afbakening
van het gebied van de eigenlijke Galliërs: uit latere passages blijkt echter dat
hij hier alleen aan het vrije Gallië denkt, dus met uitsluiting van de langs de
Middellandse Zee gelegen Provincia. Verder is de onderlinge afbakening van
de Belgen en de Galliërs niet helemaal duidelijk, omdat de Marne en de Seine
geen gesloten grens vormen: aan de oostzijde, vanaf de bron van de Marne tot
aan de Rijn, is de grens onbepaald. Bij gebrek aan verdere informatie ligt het
voor de hand de grens langs de kortste weg, dat is in oostelijke richting, naar
de Rijn door te trekken. Op deze manier zouden de Sequani nog net tot de
Galliërs, maar hun noorderburen tot de Belgen behoren. Deze interpretatie
wordt bevestigd door Caesars opmerking dat het gebied van de Galliërs ‘bij
de Sequani en Helvetiërs zelfs tot aan de Rijn komt’. Hiermee wordt immers
gesuggereerd dat deze beide volkeren onder de Galliërs in dit opzicht een uit-
zonderingspositie innemen, en dat de overige volkeren langs de Rijn dus geen
Galliërs zijn.14
De indeling van Gallië volgens Caesars inleiding wordt geïllustreerd op het
linkerkaartje van afbeelding 3 hier onder. Met het oog op de vergelijking met
het Waltharius-epos is ook het gebied van de Haedui, met de rivier de Saône
(‘Arar’) en stad Chalon-sur-Saône (‘Cabillonum’), ingetekend.
4.2 De drie door Attila onderworpen volkeren in het Waltharius-epos
Het eerste volk waartegen Attila optrekt, zijn de Franken. Aanvankelijk geeft
de dichter nauwelijks informatie over de ligging van hun rijk. Pas veel later in
het gedicht (vanaf W. 432) leren we dat Worms, op de linkeroever van de Rijn,
hun hoofdstad is, en dat verder nog de Vogezen en de steden Metz, Straats-
burg en Spiers tot hun rijk behoren.15 Al deze plaatsen liggen, zoals afbeelding
14 Op grond van een latere passage menen sommigen dat de grens toch noordelijker moet lopen.
In BG 2.3.4 namelijk berichten de Belgische Remi aan Caesar dat alle overige Belgen in opstand
zijn gekomen, maar in het daarop volgende overzicht (BG 2.4.4-10) ontbreken volkeren als de
Mediomatrici en de Treveri, die ten noorden van de Sequani wonen. Hieruit zou dan volgen dat
Caesar deze volkeren niet tot de Belgen, maar tot de Galliërs rekende. Zie Ihm (1897: 203.45-50)
en Zeuss (1837: 187).
15 Rijn: 432; Worms (Wormatia): 433 et passim; Vogezen (Vosagus): 490 et passim (zie ook 555-6
waar de bewoners van de Vogezen als Franken worden geïdentificeerd); Metz (Mettensis urbs):
582 & 644; Straatsburg (Argentina oppida): 1009; Spiers (Spira): 1010.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 110 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 111
3 laat zien, binnen de grenzen van Gallië, en wel in dat deel dat volgens Cae-
sars inleiding aan de Belgen toebehoorde.
Daarna wendt Attila de teugel naar Bourgondië. Nadat zijn troepen de
Saône en de Rhône zijn overgestoken,16 verspreiden ze zich, plunderen het
land en verschijnen tenslotte voor Chalon-sur-Saône, waar koning Heriricus,
Hiltgunts vader, zich bevindt. Bourgondië strekt zich dus uit langs de weste-
lijke oevers van de Saône en de Rhône. Dit is het gebied waar in Caesars tijd
de Gallische Haedui woonden, en de stad Chalon, waar Heriricus verblijft,
wordt in De Bello Gallico zelfs expliciet genoemd: in het Latijn van beide au-
teurs draagt ze ook vrijwel dezelfde naam: Cabillonum (n.sg.) bij Caesar, en
Cabillona (n.pl.) in het Waltharius-epos.17
Tenslotte trekken de Hunnen op tegen de Aquitaniërs, over wie Alphere,
Waltharius’ vader, de scepter zwaait. Hoewel dit volk dezelfde naam draagt
als één van de drie hoofdvolkeren van Caesars Gallië, hadden onze dichter en
zijn tijdgenoten hierbij waarschijnlijk een groter gebied voor ogen. Terwijl
namelijk volgens Caesar Aquitanië vanaf de Pyreneeën niet verder reikte dan
16 Met ‘Rhône’ wordt hier waarschijnlijk alleen de benedenloop van de Rhône, na de samenvloeiing
met de Saône, bedoeld.
17 Caesar BG 7.42.5 en 7.90.7 en Waltharius 52.
Afb. 3 Gallië in Caesars De Bello Gallico (links) en in het Waltharius-epos (rechts).
De dikgedrukte lijnen op beide kaartjes zijn de rivieren en gebergten die volgens
Caesar de drie delen van Gallië begrenzen; de stippellijn geeft het waarschijnlijke
verloop van het ontbrekende deel van de grens tussen de Belgen en de Galliërs aan.
De gebruikte afkortingen zijn:
Ar. = Argentina oppida (Straatsburg) Sp. = Spira (Spiers)
Ca. = Cabillonum/-a (Chalon-sur-Saône) Vos. = Vosagus (Vogezen)
Me. = Mettensis urbs (Metz) Wo. = Wormatia (Worms)
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 111 22-04-14 08:51
112 Lampas 47 (2014) 2
de Garonne, verstond men onder dezelfde naam later een gebied dat zich he-
lemaal uitstrekte tot aan de – veel noordelijker gelegen – Loire.18
De ligging van de woongebieden van de Franken, de Bourgondiërs en de
Aquitaniërs in het Waltharius-epos wordt geïllustreerd in het rechterkaartje
van afbeelding 3. Het linkerkaartje illustreert de driedeling van Gallië volgens
Caesar.
Zoals het bovenstaande betoog en de beide kaartjes laten zien, bestaat er
inderdaad een zekere overeenkomst tussen de drie door Attila onderworpen
volkeren in het Waltharius-epos en de drie delen van Gallië in Caesars De
Bello Gallico: Waltharius’ Aquitaniërs delen de naam en (een deel van) hun
gebied met de oude Aquitaniërs, Hiltgunts Bourgondiërs bewonen hetzelfde
gebied als de Gallische Haedui, met wie ze zelfs een stad (Chalon) en een ri-
vier (de Saône) gemeen hebben, en Guntharius’ Frankische rijk valt geheel
binnen het gebied van de oude Belgen. Attila’s veroveringstocht in het Wal-
tharius-epos strekt zich dus uit over alle drie de delen van Caesars Gallië, en
kan met recht een Gallische oorlog worden genoemd, waarbij Attila, die aan-
vankelijk was gemodelleerd naar Orgetorix, nu, als daadwerkelijke onder-
werper van Gallië, dezelfde rol speelt als Julius Caesar zelf.
Het is overigens de vraag in hoeverre deze geografische overeenkomst door
de dichter zelf is gecreëerd. Het Waltharius-epos gaat terug op een Germaan-
se sage, waarin vele details al vastlagen. Zo blijkt de ligging van Guntharius’
rijk in het Waltharius-epos nauwkeurig overeen te komen met die van Gun-
thers rijk in de Middel hoog duitse Nibelungen traditie.19 Daarentegen worden
Waltharius’ Aquitanische afkomst en Hiltgunts verbinding met Chalon-sur-
Saône niet bevestigd door Germaanse bronnen, waar Walther afwisselend uit
Spanje en de Franse stad Langres,20 en Hiltgunt uit Aragon of Grieken land
komt.21 Het is dus mogelijk, maar geenszins te bewijzen, dat de dichter in
deze beide gevallen van de traditie is afgeweken en de plaatsen van herkomst
heeft aangepast om de geografische overeenkomst met Caesars Gallië te be-
nadrukken.
5   De oversteek van de Saône
Afgezien van de geografische, en – in het geval van de Aquitaniërs – de no-
minale, overeenkomst van de drie door Attila onderworpen volkeren met de
drie delen van Caesars Gallië, lijkt de beschrijving van Attila’s Gallische oor-
18 Althof (1905: 39-40).
19 Ook Gunther regeert vanuit Worms (Nibelungenlied, strofe 4 et passim) over een rijk waartoe
ook Metz (ibidem strofe 7 et passim) en Spiers (strofe 1505) behoren. Dat het Nibelungenlied
door het oudere Waltharius-epos beïnvloed zou zijn, lijkt uitgesloten: zie Kratz (1984: xxiv).
20 Voorwinden (1993c: 353); Bornholdt (2005: 72, tabel).
21 Althof (1905: 29); Bornholdt (2005: 66, 71, 116).
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 112 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 113
log in W. 11-95 weinig specifieke overeenkomsten met Caesars De Bello Gal-
lico te vertonen. Toch is er één overeenkomst die nadere bestudering verdient.
Zowel in het Waltharius-epos (50-51) als in De Bello Gallico (1.12.1) steekt
een volk – respectievelijk de Hunnen en de Helvetiërs – met vijandige bedoe-
lingen in westelijke richting de Saône over. In het eerste geval markeert deze
oversteek het begin van de confrontatie tussen de Hunnen en de Bourgondi-
ers (W. 50-71), in het tweede geval maakt hij deel uit van een passage waarin
de Helvetiërs eerst de Haedui belagen en vervolgens zelf door Caesar worden
verslagen (De Bello Gallico 1.11-29). Hieronder wil ik deze beide passages
vergelijken. Daartoe zal ik allereerst van de Waltharius-passage de comple-
te tekst en vertaling geven, en vervolgens bij de bespreking van de parallellen
met Caesars De Bello Gallico daaruit die stukken citeren en vertalen die voor
de vergelijking relevant lijken.
5.1 Tekst en vertaling van Waltharius 50-71
Iamque Ararim Rodanumque amnes transiverat altos 50
atque ad praedandum cuneus dispergitur omnis.
Forte Cabillonis sedit Heriricus, et ecce
attollens oculos speculator vociferatur:
«Quaenam condenso consurgit pulvere nubes?
Vis inimica venit, portas iam claudite cunctas!» 55
Iam tum, quid Franci fecissent, ipse sciebat
princeps et cunctos compellat sic seniores:
«Si gens tam fortis, cui nos similare nequimus,
cessit Pannoniae, qua nos virtute putatis
huic conferre manum et patriam defendere dulcem? 60
Est satius, pactum faciant censumque capessant.
Unica nata mihi, quam tradere pro regione
non dubito; tantum pergant, qui foedera firment.»
Ibant legati totis gladiis spoliati:
hostibus insinuant, quod regis iussio mandat, 65
ut cessent vastare, rogant. Quos Attila ductor,
ut solitus fuerat, blande suscepit et inquit:
«Foedera plus cupio quam proelia mittere vulgo;
pace quidem Huni malunt regnare, sed armis
inviti feriunt quos cernunt esse rebelles: 70
rex ad nos veniens dextram det atque resumat.»
Reeds was de hele schare de diepe rivieren Saône en Rhône 50
overgestoken en verspreidde zich om te plunderen.
Toevallig zat Heriricus te Chalon, en zie:
de ogen opheffend riep de uitkijker:
«Wat voor wolk verheft zich daar met verdicht stof?
Een vijandelijke macht nadert, sluit meteen alle poorten!» 55
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 113 22-04-14 08:51
114 Lampas 47 (2014) 2
Reeds toen wist de vorst wat de Franken hadden gedaan,
en aldus sprak hij alle edelen toe:
«Als een zo dapper volk, waarmee wij ons niet kunnen vergelijken,
gezwicht is voor de Pannoniërs, met welke moed – denken jullie – kunnen
wij dan met hen de strijd aangaan en het zoete vaderland verdedigen? 60
Het is beter, dat ze een verdrag sluiten en een schatting ontvangen.
Eén enkele dochter heb ik, die ik zonder aarzeling uitlever voor
ons land; laat slechts boden uitgaan, om het verdrag te bekrachtigen.»
Er gingen gezanten, geheel van zwaarden ontbloot:
ze meldden de vijanden, wat het bevel van de koning hun opdroeg, 65
en vroegen hun op te houden met plunderen. Attila, de aanvoerder,
ontving hen vriendelijk, zoals hij gewoon was, en zei:
«Liever wil ik het volk verdragen schenken dan oorlogen aandoen;
in vrede willen de Hunnen het liefst regeren, maar met wapens
treffen zij – met tegenzin – diegenen van wie zij merken dat het rebellen zijn: 70
laat jullie koning naar ons toe komen en de rechterhand geven en aannemen.»
5.2 Vergelijking van Waltharius 50-71 en Caesars De  Bello  Gallico
1.11-12
5.2.1 Oversteek van de Saône en Rhône
In het Waltharius-epos begint de confrontatie tussen de Hunnen en de Bour-
gondiërs op het moment dat de Hunnen de Saône en de Rhône zijn overge-
stoken (W. 50). Ook de Helvetiërs in De Bello Gallico steken op een gegeven
ogenblik de Saône over (De Bello Gallico 1.12.1: corresponderende woorden
zijn onderstreept):
Flumen est Arar, quod per fines Haeduorum et Sequanorum in Rhodanum influit,
incredibili lenitate, ita ut oculis, in utram partem fluat, iudicari non possit. Id Hel-
vetii ratibus ac lintribus iunctis transibant.
Er is een rivier, de Saône, die door het gebied van de Haedui en de Sequani loopt
en uitmondt in de Rhône. Hij stroomt ongelooflijk langzaam; je kunt zelfs niet
met je ogen uitmaken in welke richting hij stroomt. Deze rivier staken de Helve-
tiërs over met vlotten en aaneengebonden schuitjes.
In De Bello Gallico betekent deze oversteek echter niet het begin van de
vijandelijk heden. In tegenstelling tot de Bourgondiërs bezitten de Haedui na-
melijk ook wat landerijen op de oostelijke oever van de Saône, zodat de vijan-
delijkheden al eerder beginnen.
5.2.2 Begin van de vijandelijkheden: plundering
Net als de Hunnen in het Waltharius-epos (W. 50-51), beginnen ook de Hel-
vetiërs in De Bello Gallico, zodra ze het gebied van hun slachtoffers hebben
bereikt, met plunderen (De Bello Gallico 1.11.1):
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 114 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 115
Helvetii iam per angustias et fines Sequanorum suas copias traduxerant et in Hae-
duorum fines pervenerant eorumque agros populabantur.
De Helvetiërs hadden hun troepen al langs de nauwe weg en het gebied van de Se-
quani overgebracht en het gebied van de Haedui bereikt, en waren bezig hun ak-
kers te plunderden.
Hoewel er nauwelijks woordelijke overeen komsten zijn met W. 50-51, ver-
tonen de structuur en het tijdgebruik van De Bello Gallico 1.11.1 wel een op-
vallende gelijkenis met deze Waltharius-verzen, zoals het volgende schema
illustreert:
In beide passages is de beschrijving van een doortocht of oversteek in het
plusquam perfectum nevengeschikt aan de beschrijving van een plundering in
een historische tijd (resp. imperfectum en praesens historicum).22
5.2.3 Besef van eigen weerloosheid, gezantschap, verzoek om einde aan
plunderingen
In het Waltharius-epos volgt hierop een kleurrijke passage (W. 52-66), met
ontleningen aan verschillende antieke werken,23 waarin de vijand vanuit de
koninklijke residentie, Chalon, wordt opgemerkt, en de koning in een toe-
spraak tot zijn edelen de weerloosheid van de Bourgondiërs tegenover de
Hunnen constateert. Vervolgens worden er gezanten uitgestuurd die Attila
ertoe moeten bewegen om een einde aan de plunderingen te maken.
Ook de Haedui in De Bello Gallico stellen vast dat ze zich niet tegen hun
vijanden kunnen verdedigen en sturen gezanten uit, niet echter naar de aan-
voerder van de vijanden, maar naar hun bondgenoot Caesar, bij wie ze zich
beklagen over de verwoesting van hun akkers (De Bello Gallico 1.11.2-3):
Haedui, cum se suaque ab iis defendere non possent, legatos ad Caesarem mittunt
rogatum auxilium: ita se omni tempore de populo Romano meritos esse, ut paene
22 Daarnaast lijkt W. 51 ook geïnspireerd door de Vulgaat, 1 Sam 13:17: Et egressi sunt ad
praedandum de castris Philisthim tres cunei: unus cuneus pergebat ‘En drie scharen gingen
van het kamp van de Filistijnen uit om te plunderen: één schare ging voort …’
23 W. 52-53 ~ Vulgaat 2 Sam 18:24-26; W. 53-55 ~ Vergilius Aeneis 9.33-38 en Statius Thebais
10.491-2.
BG 1.11.1 Helvetii iam per angustias
et fines
Sequanorum
suas
copias
traduxerant et in
Haeduorum
fines
pervenerant
eorumque agros
populabantur.
W 50-51 iamque Ararim
Rodanum-
que amnes ...
altos
cuneus
... omnis
transiverat atque ad
praedandum
... dispergitur
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 115 22-04-14 08:51
116 Lampas 47 (2014) 2
in conspectu exercitus nostri agri vastari, liberi eorum in servitutem abduci, oppida
expugnari non debuerint.
De Haedui waren niet in staat zichzelf en hun bezittingen tegen de Helvetiërs te
verdedigen en stuurden gezanten naar Caesar om hulp te vragen: hadden ze zich
niet altijd loyaal opgesteld tegenover de Romeinen? Dan was het nu toch niet ver-
diend dat min of meer onder de ogen van het Romeinse leger hun akkers werden
geplunderd, hun eigen kinderen als slaaf weggevoerd en hun steden ingenomen!
Deze passage markeert het moment waarop Orgetorix en de Helvetiërs als
veroveraars van Gallië (en als model voor Attila en de Hunnen) definitief
worden afgelost door Caesar en de Romeinen.
5.2.4 Inwilliging van het verzoek
In beide werken wordt het verzoek van de gezanten ingewilligd: Caesar be-
sluit in te grijpen ten gunste van de Haedui (De Bello Gallico 1.11.6) en Attila
schenkt de Bourgondiërs vrede (W. 71). Overigens is in deze passages de rol
van Attila wel een heel andere dan die van Caesar: Attila’s ‘vrede’ wordt ge-
kocht met gijzelaars en geld; Caesar daarentegen is een bondgenoot, die zijn
vrienden zonder zulke eisen te hulp schiet. Iets verderop in De Bello Gallico
zien we Caesar overigens alsnog in de rol van arrogante overwinnaar, wan-
neer hij van de Helvetiërs gijzelaars en een schadevergoeding eist (De Bello
Gallico 1.14.6). En dit is niet de laatste keer dat we Caesar deze rol zien spelen.
6   Attila, Caesar & pius Aeneas
In zijn antwoord aan de Bourgondische gezanten (W. 68-70: zie boven) vat
Attila de twee kanten van het Hunse optreden in de oorlog mooi samen: ge-
nade voor wie zich onderwerpen, en mee dogen loos heid tegenover hen die
zich verzetten. Attila’s uitspraak in deze verzen kan worden gezien als een
herhaling en uitbreiding van de beschrijving van het Hunse krijgsethos in W.
9 (zie boven).
Ook Caesars optreden in De Bello Gallico vertoont deze beide aspec-
ten. Vooral in boek 2, bij de strijd tegen de Belgen, laat Caesar zich op zijn
vergevings gezindheid voorstaan. Zowel de Bellovaci (De Bello Gallico 2.14.5)
als de Atuatuci (De Bello Gallico 2.31.4) doen met succes een beroep op Cae-
sars ‘genade en mildheid’ (sua clementia ac mansuetudine). Aan de laatstge-
noemden zegt Caesar (De Bello Gallico 2.32.1) dat hij hen ‘meer volgens zijn
eigen gewoonte dan op grond van hun verdienste’ (magis consuetudine sua
quam merito eorum) zal sparen. Even daarvoor (De Bello Gallico 2.28.3) heeft
Caesar het restant van de Nerviërs al genade geschonken, ‘om te laten zien dat
hij stakkers en smekelingen met mededogen behandelde’ (ut in miseros ac sup-
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 116 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 117
plices usus misericordia videretur).
Over zijn meedogenloosheid is Caesar veel minder openhartig. De duide-
lijkste gevallen, waarin hij zelf verantwoordelijkheid neemt voor de beschre-
ven wreedheden, zijn te vinden in De Bello Gallico 3.16.4 en 6.34.8, waar
Caesar opdracht geeft tot de vernietiging van respectievelijk de Veneti en de
Eburonen. In het tweede geval is het uitdrukkelijke doel van Caesars maat-
regelen ‘dat als straf voor een dergelijke misdaad de stam en de naam van het
volk zouden worden weggevaagd’ (‘pro tali facinore stirps ac nomen civitatis
tollatur’).
Toch vinden we nergens in De Bello Gallico een echte parallel voor W. 9
of W. 68-70, waar genade en meedogenloosheid worden voorgesteld als twee
kanten van dezelfde medaille. Daarvoor moeten we ons wenden tot het be-
langrijkste model van het Waltharius-epos: de Aeneis van Vergilius.24 Daar, in
6.851-3, lezen we de volgende beroemde verzen:
Tu regere imperio populos, Romane, memento
(hae tibi erunt artes), pacique imponere morem,
parcere subiectis et debellare superbos.
Jij, Romein, moet bedenken: jij bent tot heerser geboren.
Dit zal jouw eigen talent zijn: een hechte vrede opleggen,
onderworpenen sparen, neerslaan wie zich verzetten.25
Met deze woorden richt de schim van Anchises zich tot zijn zoon Aeneas,
maar tegelijkertijd ook, door deze aan te spreken als ‘Romein’, tot het late-
re Romeinse volk, en in het bijzonder tot Aeneas’ zelfverklaarde Romeinse
nazaten: Gaius Julius Caesar en keizer Augustus. De inhoudelijke overeen-
komst van de beide Waltharius-passages met de hierboven geciteerde Vergi-
lius-verzen is zo groot dat sommige commentatoren menen, mijns inziens
terecht, dat hier sprake is van een verwijzing die door de beoogde lezers of
toehoorders (nl. de kloosterbroeders van de dichter) moeilijk over het hoofd
gezien kon worden.26 Hoewel de beide Waltharius-passages dus niet herleid
kunnen worden tot passages uit De Bello Gallico, versterkt de verwijzing naar
de geciteerde Vergilius-verzen wel de identificatie van de Hunnen met de Ro-
meinen, en van Attila met Julius Caesar, een identificatie die, zoals we heb-
ben gezien, ook ten grondslag ligt aan de parallellie van W. 1-95 met Caesars
De Bello Gallico.
24 Althof (1905: 12-13 en 37-38).
25 Vertaling Piet Schrijvers (2011).
26 Zie bijvoorbeeld Wolf (1995: 119) of het online-commentaar van Thomas Miller (2009) op W. 9
en W. 68-70 [https://coursewikis.fas.harvard.edu/ml105/Table_of_Contents].
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 117 22-04-14 08:51
118 Lampas 47 (2014) 2
7   Conclusie
In dit artikel hebben we enkele opvallende overeenkomsten gezien tussen het
Waltharius-epos (met name vv.1-95) en Caesars De Bello Gallico. De etno-
geografische inleiding plus het begin van de handeling van beide werken (W.
1-13 en De Bello Gallico 1.1.1-1.2.2.) vertoont zo’n grote mate van overeen-
stemming, zowel thematisch als structureel, dat hier wel sprake moet zijn van
directe ontlening. Ook hebben we gezien dat de drie volkeren die Attila in
W. 11-95 achtereenvolgens onderwerpt, geografisch corresponderen met de
drie delen van Gallië uit Caesars inleiding, waarbij één van die volkeren, de
Aquitaniërs, zelfs dezelfde naam draagt als één van die delen. Deze overeen-
komst kan waarschijnlijk maar ten dele worden toegeschreven aan de dich-
ter, die immers ook rekening moest houden met de geografische details van
de oorspronkelijke sage. Tenslotte zijn er de parallellen in de beschrijvingen
van de Hunneninval in Bourgondië (W. 50-71) en de inval der Helvetiërs in
het land van Haedui (De Bello Gallico 1.11-12). Al deze overeenkomsten te-
zamen suggereren dat Caesars De Bello Gallico, en met name enkele passages
uit het eerste boek, model gestaan heeft voor de beschrijving van Attila’s ex-
peditie in vv.1-95 van het Waltharius-epos, waarbij Attila achtereenvolgens
gemodelleerd is naar Orgetorix en Caesar zelf.27
f.bakker@ftr.ru.nl
Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, Radboud Uni-
versiteit Nijmegen, Postbus 9103, 6500 hd Nijmegen
Bibliografie
Althof, H. 1905. Waltharii poesis. Das Waltharilied Ekkehards i. von St. Gallen. Zweiter Teil: Kom-
mentar, Leipzig.
Bornholdt, C. 2005. Engaging Moments: The Origins of Medieval Bridal-Quest Narrative, Berlijn.
D’Angelo, E. 1991. ‘Lucano nel «Waltharius»?’, Studi Medievali 32, 159-190.
Florio, R. 2002. Waltharius; Edición revisada, introducción, comentario y traducción castellana, Bar-
celona.
Hering, W. 1987. C. Iulii Caesaris commentarii rerum gestarum, Vol. i: Bellum Gallicum, Berlijn.
Hunink, V.J.C. 1997. Gaius Julius Caesar, Oorlog in Gallië, & Aulus Hirtius, Aanvulling op Caesars
‘Oorlog in Gallië’, vertaald en ingeleid, Amsterdam.
Ihm, M. 1897. ‘Belgae’ in Paulys Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft, Bd. iii, 203-
207.
Kratz, D.M. 1984. Waltharius and Ruodlieb, Vancouver.
Langosch, K. 1973. Waltharius, die Dichtung und die Forschung, Darmstadt.
27 Bij deze bedank ik Harm-Jan van Dam voor zijn uitgebreide en nuttige commentaar op een eer-
dere versie van dit artikel. Ik draag het artikel op aan Lodewijk Saldiën voor zijn jarenlange
vriendschap, inspiratie een aanmoediging.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 118 22-04-14 08:51
Frederik Bakker Atilla’s ‘Bellum Gallicum’ 119
Schrijvers, P.H. 2011. Vergilius, Aeneas, uitgegeven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voor-
zien, Groningen.
Schütte, B. 1986. ‘Länder und Völker im “Waltharius”’, Mittellateinisches Jahrbuch 21, 70-74.
Vogt-Spira, G. 1994. Waltharius. Lateinisch / Deutsch, Stuttgart.
Voorwinden, N.Th.J. 1993a. ‘Etzel’, in Gerritsen, W.P. & A.G. van Melle (eds.). 1993. Van Aiol tot de
Zwaanridder, Nijmegen, 121-5.
Voorwinden, N.Th.J. 1993b. ‘Siegfried’, in Gerritsen, W.P. & A.G. van Melle (eds.). 1993. Van Aiol tot
de Zwaanridder, Nijmegen, 303-16.
Voorwinden, N.Th.J. 1993c. ‘Waltharius’, in Gerritsen, W.P. & A.G. van Melle (eds.). 1993. Van Aiol
tot de Zwaanridder, Nijmegen, 350-4.
Vredendaal, J. van. 2011. Nibelungenlied: een middeleeuws epos over liefde en wraak / uit het Middel-
hoogduits vertaald, geannoteerd en ingeleid, Amsterdam.
Wolf, A. 1995. Heldensage und Epos, Tübingen.
Zeuss, J.K. 1837. Die Deutschen und die Nachbarstämme, München.
Lampas 2014-2 binnenwerk.indd 119 22-04-14 08:51
Inhoud Lampas 47 (2014) 2
Van de redactie 81
Suzanne Adema De Defectione Haeduorum
Caesars crisiscommunicatie 83
Frederik Bakker Attila’s ‘Bellum Gallicum’ 100
Caesars De Bello Gallico als model voor vv. 1-95 van het
Waltharius-epos
Rolf Strootman Van de Hellespont tot India: Cleopatra vii en de ‘Donaties 120
van Alexandrië’
Diederik De structuur van de Historia Augusta 138
Burgersdijk
Berenice Verhelst Het overspel van Ares en Aphrodite 158
Lachen met Odyssee 8.266-366 in Nonnus’ Dionysiaca
Casper de Jonge Hattrick acasa in de internationale Pubquiz 173
Hugo Koning
47e jaargang nummer 2 juni 2014
AMPAS
Ltijdschrift voor classici
LAMPAS
47 (2014) 2
issn 0165-8204
Lampas472_omslag R6.indd 1 22-04-14 08:52
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Engaging Moments: The Origins of Medieval BridalQuest Narrative
  • C Bornholdt
  • Berlijn
  • E Angelo
Bornholdt, C. 2005. Engaging Moments: The Origins of Medieval BridalQuest Narrative, Berlijn. D'Angelo, E. 1991. 'Lucano nel «Waltharius»?', Studi Medievali 32, 159-190.
Vergilius, Aeneas, uitgegeven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voor zien
  • P H Schrijvers
Schrijvers, P.H. 2011. Vergilius, Aeneas, uitgegeven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voor zien, Groningen.
Länder und Völker im "Waltharius
  • B Schütte
Schütte, B. 1986. 'Länder und Völker im "Waltharius"', Mittellateinisches Jahrbuch 21, 70-74.
Nibelungenlied: een middeleeuws epos over liefde en wraak / uit het Middel hoogduits vertaald, geannoteerd en ingeleid
  • J Van Vredendaal
Vredendaal, J. van. 2011. Nibelungenlied: een middeleeuws epos over liefde en wraak / uit het Middel hoogduits vertaald, geannoteerd en ingeleid, Amsterdam. Wolf, A. 1995. Heldensage und Epos, Tübingen. Zeuss, J.K. 1837. Die Deutschen und die Nachbarstämme, München. Van de redactie 81
  • A Wolf
Wolf, A. 1995. Heldensage und Epos, Tübingen.
Waltharius; Edición revisada, introducción, comentario y traducción castellana, Barcelona
  • R Florio
Florio, R. 2002. Waltharius; Edición revisada, introducción, comentario y traducción castellana, Barcelona.
  • G Vogt-Spira
Vogt-Spira, G. 1994. Waltharius. Lateinisch / Deutsch, Stuttgart.
  • N Voorwinden
  • J Th
Voorwinden, N.Th.J. 1993a. 'Etzel', in Gerritsen, W.P. & A.G. van Melle (eds.). 1993. Van Aiol tot de Zwaanridder, Nijmegen, 121-5.