ArticlePDF Available

Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld

Authors:
Tijdschrift voor Criminologie
2016 (58) 2
Inhoudsopgave
Redactioneel
Georganiseerde misdaad in de 21ste eeuw 3
Toine Spapens, Emile Kolthoff & Wouter Stol
Onderzoeksnotities
Geëiste en opgelegde sancties bij de strafrechtelijke afhandeling van
georganiseerde criminaliteit 19
Karin van Wingerde & Henk van de Bunt
Slachtoffer van arbeidsuitbuiting? 37
Een kwalitatieve studie naar ideaaltypische trajecten die leiden tot
zelfidentificatie als slachtoffer van mensenhandel
Niki Tielbaard, Masja van Meeteren & Xenia Commandeur
Organisatiestructuren van jihadistische netwerken in Nederland 55
Verschillen en overeenkomsten tussen 2000 en 2013
Jasper de Bie & Christianne de Poot
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de
bovenwereld 77
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
Kroniek
Biocriminologisch onderzoek in binnen- en buitenland 92
Liza Cornet & Katy de Kogel
Boekbesprekingen
Optische regelnaleving 108
Karin van Wingerde
Plegers van zedendelicten 112
Anton van Wijk
Disentangling criminal careers for disadvantaged youth 117
Jan Kornelis Dijkstra
Criminality and family formation: disentangling the relationship between
family life events and criminal offending for high-risk men and women 121
Tina Kretschmer
Summaries 125
Auteursgegevens 127
Ondermijnende aspecten van georganiseerde
criminaliteit en de rol van de bovenwereld
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
Het begrip ondermijning lijkt in de literatuur onlosmakelijk verbonden met georgani‐
seerde criminaliteit, zelfs zo, dat ze vaak als synoniem worden gebruikt. Bij het defini‐
eren van ondermijning wordt door sommige betrokkenen uitgegaan van de gevolgen van
het fenomeen, terwijl anderen eerder kijken naar de verschijningsvormen. Discussie
over de oorzaken van het fenomeen ontbreekt. Vaak wordt het label ook geplakt op acti‐
viteiten die feitelijk geen ondermijning betreffen.
In de voorliggende beschouwing wordt het begrip ondermijning kritisch tegen het licht
gehouden en geanalyseerd. De centrale vraag is wat er onder het begrip ondermijning
moet worden verstaan, en vooral ook: wat niet? Het fenomeen ondermijning wordt ver‐
der geëxploreerd, met als doel het wetenschappelijk debat op gang te brengen en empi‐
risch onderzoek te stimuleren. De rol van de overheid en andere instituties bij het facili‐
teren van ondermijning komt daarbij uitdrukkelijk aan de orde evenals de mogelijkhe‐
den om de weerbaarheid van deze te versterken.
Inleiding
Op 9 januari 2016 brengt de NOS het nieuws naar buiten dat onderzoekers
voor het eerst afvalstoffen van xtc-productie hebben aangetroffen in
mais.1 Op de bijbehorende boerderij in de gemeente Someren werd in
maart 2015 een groot xtc-laboratorium ontmanteld, waarvan het che‐
misch afval in gierputten verdween. De boer heeft een deel van de ver‐
vuilde mest uit die putten vorig jaar uitgereden over zijn land. De mais is
volgens de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit niet in de voedselke‐
ten beland. Het lijkt een kwestie van tijd voordat chemisch afval wordt
aangetroffen in gewassen die bestemd zijn voor menselijke consumptie.
De Volkskrant publiceerde vorig jaar een serie artikelen van de hand van Jan
Tromp over ondermijning in Brabant. Volgens Tromp zegt bijna een op de vijf
burgemeesters in Nederland dat criminelen die zich bijvoorbeeld bezighouden
met mensenhandel, hennepteelt, synthetische drugs of het lidmaatschap van 1%-
1Zie http:// nos. nl/ artikel/ 2079436 -mdma -resten -van -xtc -productie -gevonden -in -maisplanten.
html.
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 77
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
motorbendes,2 het gezag in hun gemeente ondermijnen. Een Brabantse burge‐
meester vertelt hoe de georganiseerde criminaliteit op lokaal niveau infiltreert in
de politiek. De verantwoordelijke instanties – van zorgverlener tot opsporing –
blijken de kennis, contacten en informatie te ontberen om adequaat te signaleren
en acteren. Burgers verliezen hierdoor het vertrouwen in hun overheid.
De suggestie wordt in deze en andere artikelen gewekt dat we bij ondermijning te
maken hebben met een nieuw en plotseling opgekomen fenomeen. Of dat beeld
klopt, is nog maar de vraag, maar allerlei vaak breed in de media uitgemeten
excessen laten wel zien dat het probleem de overheid steeds meer boven het
hoofd dreigt te groeien: op landelijk en – vooral – lokaal niveau.
Het begrip ondermijning wordt te pas en te onpas gebruikt en lijkt eerder een
politieke dan een wetenschappelijke betekenis te hebben. De literatuur tot dusver
biedt nauwelijks houvast: het wetenschappelijk debat blijft steken in het beschrij‐
ven van georganiseerde misdaad waarin ondermijning, áls het al wordt genoemd,
als bijkomend aspect wordt beschouwd en het mainstreamdebat wordt gevoerd in
praktijk- en beleidspublicaties. Dergelijke publicaties onderstrepen wel de nood‐
zaak voor een wetenschappelijke benadering en dat rechtvaardigt ook een
beschouwing van het begrip in dit themanummer over georganiseerde criminali‐
teit.
In deze bijdrage wordt het begrip ondermijning kritisch tegen het licht gehouden
en geanalyseerd. Ten diepste is de term ondermijnende criminaliteit een pleo‐
nasme – elke vorm van criminaliteit is immers ondermijnend. We volgen hier ech‐
ter de gangbare aanname dat ondermijning te maken heeft met georganiseerde
misdaad en met name met de gevolgen daarvan. De centrale vraag is wat er onder
het begrip ondermijning moet worden verstaan, en vooral ook: wat niet? Vervol‐
gens wordt ingegaan op de eigenstandige rol van de bovenwereld bij het facilite‐
ren en dus ook bij het voorkomen van ondermijning.
Dit artikel is ingericht als een drieluik. Als eerste wordt het begrip ondermijning
verder geëxploreerd om te bepalen waar we het eigenlijk over hebben. Er wordt
een niet-uitputtend overzicht gegeven van Engelstalige en Nederlandstalige lite‐
ratuur en waar mogelijk geput uit de casuïstiek van de ondermijningsbeelden die
recent in heel Nederland zijn samengesteld.
Vervolgens wordt de rol van de bovenwereld bij het faciliteren van ondermijning
belicht vanuit verschillende invalshoeken. De mechanismen die hierbij een rol
spelen, zijn nog lang niet helder en deze bijdrage sluit dan ook af met een voorstel
hoe de kennis op dit terrein verder kan worden verdiept en hoe de overheid om te
beginnen een meer reflexieve houding zou moeten aannemen om haar rol te
erkennen en weerbaarder te worden tegen ondermijning.
21%-motorbendes of outlaw motorcycle gangs (OMG’s) zijn geen normale motorclubs, maar laten
zich kennen door verstoringen van de openbare orde, waarbij geweld en bedreigingen niet
geschuwd worden. De chapters hebben veel leden, die zich met (zware en ondermijnende) crimi‐
naliteit bezighouden (Dienst Landelijke Informatieorganisatie, 2014).
78 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
Ondermijning: een nadere verkenning van het fenomeen
In een recent interview in het politievakblad Blauw wordt de volgende uitspraak
van Van der Torre geciteerd:
‘(…) Criminelen bezitten soms een groot deel van de panden in een wijk, heb‐
ben een machtsbasis in zo’n stad verworven, kunnen de beste adviseurs inhu‐
ren en reken maar dat ze ook ambtenaren bij de gemeenten onder de knop
hebben en dat ze soms via politici een vinger in de pap hebben bij het
(her)benoemen van burgemeesters. Dat is ultiem ondermijnend.’ (Zuring,
2015, 9-10)
In hetzelfde nummer van Blauw wordt een recherchekundige geïnterviewd. Deze
functionaris had de opdracht de uit de hand gelopen situatie op een woonwagen‐
centrum in Haarlem in kaart te brengen:
‘(…) De gemeente had een stichting er tussen gezet om contact met de bewo‐
ners te onderhouden, de politie kwam niet verder dan de ingang van het
kamp en liet zich regelmatig de huisregels opleggen en de Belastingdienst gaf
aan dat ze een schatting maakte van de verschuldigde belastingen en deze
vervolgens direct als oninbaar afboekten. Zo creëer je als overheid natuurlijk
wel een probleem.’
De recherchekundige komt tot de conclusie dat het:
‘(…) nu eenmaal tijd [kost] om met z’n allen toe te geven dat we een probleem
hebben laten ontstaan’. (Van der Veen, 2015, 18)
Ook in het politieke debat is het thema ondermijning inmiddels ingedaald. Dat
blijkt onder andere uit de brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan de
Tweede Kamer, waarin hij zich verantwoordt voor de aanpak van de georgani‐
seerde criminaliteit in 2014. Hij pleit hierin voor kwaliteitsverbetering en inte‐
grale samenwerking. Het doel is niet zozeer een stijging van het aantal strafrech‐
telijke interventies, maar het verder versterken van de integrale aanpak van
ondermijning. Zo kondigt de minister aan dat het aantal integrale handhavingsac‐
ties de komende jaren verder zal stijgen en dat de positie van de burgemeester
binnen de aanpak van ondermijning verder wordt versterkt.3 Een belangrijke ont‐
wikkeling afgelopen jaar was volgens de minister de steeds verdergaande samen‐
werking van overheidsdiensten bij de aanpak van ondermijning. Zo is het aantal
in RIEC-verband uitgevoerde bestuursrechtelijke interventies toegenomen, van
381 in 2013 naar 931 in 2014.4 Ook het aantal integrale casus dat in RIEC-ver‐
band is behandeld, is toegenomen en wel van 930 in 2013 tot 1.445 in 2014. Uit
de Veiligheidsagenda 2015-2018 van het ministerie van Veiligheid en Justitie
3 Kamerstukken 2014/15, 29911, 114.
4 RIEC staat voor Regionaal Informatie en Expertise Centrum.
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 79
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
blijkt dat de minister en de gezagen met elkaar zijn overeengekomen dat de aan‐
pak van ondermijnende criminaliteit een van de centrale thema’s is geworden.5
Een andere belangrijke ontwikkeling, die zich ook in 2014 heeft doorgezet, is het
opleveren van een bestuurlijke criminaliteitsbeeldanalyse (BCBA) door elk RIEC.
Deze analyses, ook wel ondermijningsbeelden genoemd, geven inzicht in de ver‐
schillende lokale verschijningsvormen van georganiseerde en ondermijnende cri‐
minaliteit.
Ondermijnende criminaliteit in internationaal perspectief
Wetenschappelijke referenties in het Engelse taalgebied op de zoektermen ‘under‐
mining’, ‘undermining crime’ of ‘pervasive crime’ zijn nagenoeg afwezig en in
Nederland beperkt de literatuur over ondermijning zich met name tot beleidsrap‐
porten en vakpublicaties.6 Ondermijning blijkt vooral een Nederlandse term te
zijn. De zoekterm ‘consequences of organized crime’ levert wel de nodige hits op
die in verband kunnen worden gebracht met het begrip ondermijning.
De eerste manifestaties van het begrip in de literatuur vinden we in het midden
van de jaren negentig van de vorige eeuw. Men spreekt dan nog niet zozeer van
‘ondermijnende criminaliteit’, maar wel van de ondermijnende gevolgen van
(meestal georganiseerde) misdaad. De Angelsaksische literatuur heeft vooral oog
voor de effecten op het economisch verkeer. Pinotti (2011) laat in een uitvoerige
studie voor het eerst gedetailleerd zien wat de precieze economische gevolgen zijn
van georganiseerde misdaad. De activiteiten van de maffia in twee Italiaanse
regio’s hebben een verlies van 16 procent op het bruto nationaal product tot
gevolg.
Skaperdas (2001) stelt dat georganiseerde misdaad ontstaat uit het machtsva‐
cuüm dat wordt gecreëerd door het gebrek aan handhaving door de staat. Dat
gebrek aan handhaving kan volgens Skaperdas geografische, sociale of etnische
oorzaken hebben, ontstaan door het verbieden van bepaalde middelen (drugs) of
gewoon door het onvermogen van de overheid:
‘Maffia’s en bendes zijn hiërarchisch georganiseerd en kunnen worden beschouwd
als leveranciers van een primitieve staat, met economische kosten die meestal
veel hoger zijn dan die van modern bestuur.’
Ook McDowell en Novis (2001) hebben het economisch perspectief als uitgangs‐
punt in hun bespreking van de gevolgen van witwassen als laatste schakel in de
keten van georganiseerde misdaad. Volgens McDowell en Novis is het legale
financiële en bancaire systeem bijna altijd betrokken bij witwassen en alleen al
daardoor lopen de gevestigde systemen het risico van aantasting van hun integri‐
teit. Maar ook de legale private sector (met name het MKB) wordt volgens McDo‐
well aangetast door de activiteiten van criminele organisaties die hun criminele
5 Kamerstukken 2014/15, 28684, 412.
6Dit artikel beperkt zich om pragmatische redenen tot Engelstalige en Nederlandstalige literatuur.
Het is niet uitgesloten dat relevante literatuur in bijvoorbeeld de Italiaanse of Spaanse taal is
gepubliceerd, maar dat valt buiten de scope van deze bijdrage.
80 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
opbrengsten willen witwassen. De daders gebruiken vaak dekmantelbedrijven
(frontstores) voor hun activiteiten of proberen een belang te verwerven in legale
bedrijven in bijvoorbeeld de projectontwikkeling of hotelbranche, om via die
bedrijven hun geld wit te wassen (McDowell & Novis, 2001, 8). Zij wijzen erop dat
de economische macht op deze wijze verschuift van de overheid, de markt en de
burgers naar criminele organisaties, en dat dit corrumperende effecten heeft.
In een interessante analyse laat Paoli (2002) zien dat criminele organisaties vaak
veel minder georganiseerd zijn dan op het eerste gezicht lijkt en er ook vaak
sprake is van gelegenheidscoalities. Dit beeld komt deels ook naar voren in de
ondermijningsbeelden, waar voorbeelden werden genoemd van Marokkaanse cri‐
minelen die verbleven op woonwagencentra en van daaruit samen met de traditi‐
onele bewoners hun criminele activiteiten organiseerden. De duurzame en groot‐
schalige criminele organisaties die Paoli (2002) wel aantrof, waren niet uitslui‐
tend betrokken bij illegale economische activiteiten en hun interne configuratie
was eerder het gevolg van sociale of familienetwerken dan van illegale marktdyna‐
miek.
Shelley voorspelde in 1995 dat transnationale georganiseerde misdaad in de 21ste
eeuw een serieuze bedreiging is voor de natiestaat (Shelley, 1995, 463). Zij ver‐
klaart dat de kosten van georganiseerde misdaad niet alleen monetair zijn, maar
dat politieke structuren en de sociale orde in landen er eveneens door worden
aangetast. De instabiliteit die daarvan weer het gevolg is, geeft gelegenheid voor
meer criminaliteit en belet het functioneren van democratische instituties. De
civil society wordt ondermijnd door intimidatie van burgers en de pers (Shelley,
1995, 467-468).
Zo wordt ondermijnende criminaliteit steeds meer en steeds openlijker in ver‐
band gebracht met – zelfs bijna synoniem verklaard aan – georganiseerde mis‐
daad. In de internationale literatuur blijft de nadruk liggen op grensoverschrij‐
dende criminaliteit. Zo benadrukt het United Nations Office on Drugs and Crime
dat transnationale georganiseerde misdaad – zoals mensenhandel, drugshandel,
cybercrime en witwassen – de economische, sociale, culturele, politieke en demo‐
cratische ontwikkeling van samenlevingen wereldwijd ondermijnt.7
Ondermijnende criminaliteit in Nederland
Ook in Nederland duikt het begrip ondermijning halverwege de jaren negentig
van de vorige eeuw op en met name tijdens de parlementaire enquête opsporings‐
methoden, die dan plaatsvindt naar aanleiding van de zogenaamde IRT-affaire
(1996). Deze betrof een omstreden opsporingsmethode van een interregionaal
rechercheteam (IRT), dat bewust drugs op de markt liet komen en lokale crimine‐
len faciliteerde met het doel om de criminele organisaties die de regie voerden op
te rollen. De Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (de commis‐
sie-Van Traa) liet zich bijstaan door een viertal criminologen, die in een omvang‐
rijke bijlage bij het rapport van de commissie verslag doen van hun onderzoek
naar georganiseerde misdaad in Nederland. De groep Fijnaut, zoals het viertal in
de wandelgangen wordt genoemd, introduceerde het begrip ondermijning in hun
7 Zie www. unodc. org/ toc/ en/ crimes/ organized -crime. html (geraadpleegd op 15 maart 2016).
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 81
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
onderzoeksrapport bij de bespreking van een van de kenmerken van georgani‐
seerde misdaad, namelijk de bereidheid (en het vermogen) om offensieve contra‐
strategieën tegen de overheid te gebruiken (Fijnaut e.a., 1996). Eerder wees Fij‐
naut (1990, 90) al op een belangrijk kenmerk van georganiseerde misdaad, name‐
lijk dat wanneer de positie van de groep van buitenaf of van binnenuit in gevaar
wordt gebracht, men bereid is om geweld of corruptie te gebruiken om de eigen
belangen te verdedigen. Een kenmerk dat in de wetenschappelijke literatuur over
georganiseerde criminaliteit als typerend en onderscheidend wordt gezien ten
opzichte van andere vormen van criminaliteit. Zo stelt Abadinsky in zijn boek
over de verschillen en overeenkomsten tussen professionele misdaad en georgani‐
seerde criminaliteit dat professionele misdadigers steunen op hun deskundigheid,
terwijl het succes van georganiseerde misdadigers vooral afhankelijk is van hun
bereidheid en vermogen om andere personen te intimideren en zo nodig fysiek
geweld tegen hen te gebruiken (Abadinsky, 1983, p. 166). Dat roept associaties op
met praktijken van de Italiaanse maffia en Faber stelt dan ook terecht vast dat
ondermijning onbehagen oproept en een sterk intuïtief begrip is (Faber, 2013,
19):
‘Associaties met instorten en iets dat onherstelbaar fout gaat, liggen voor de
hand. Afschuw is dan ook wat ondermijning oproept en niets verderfelijker
dan degene die zich daar mee inlaat.’
De groep Fijnaut werkte dit thema verder uit in zijn onderzoeksrapport voor de
parlementaire enquêtecommissie (Fijnaut e.a., 1996): ‘Het gaat er hier niet langer
om het eigen optreden te verbergen voor de overheid, maar om het overheidsop‐
treden zelf actief te bestrijden.’ Fijnaut e.a. onderscheiden een drietal vormen
waarin deze strategieën voorkomen. In de eerste plaats het uitschakelen van func‐
tionarissen door middel van corruptie of door intimidatie, dan wel toepassing van
geweld. In de tweede plaats door het inzetten van invloedrijke derden (bijvoor‐
beeld vrijeberoepsbeoefenaars, wetenschappers of bestuurders) om tegenwicht te
bieden tegen mogelijk overheidsoptreden. In het deelrapport over fraude en wit‐
wassen, dat als bijlage bij het rapport van de groep Fijnaut is gevoegd, wordt een
voorbeeld gegeven van een hoogleraar die gunstige informatie verstrekt over de
handelwijzen van een bevriende hoofdverdachte in een criminele groepering. Ten
slotte kan de overheid door de inschakeling van de media in diskrediet worden
gebracht. Hiervan worden enkele voorbeelden beschreven in het deelrapport van
de groep Fijnaut over de situatie in Amsterdam. Volgens Fijnaut e.a. schuilt
‘(…) in dit vermogen van de georganiseerde criminaliteit om zich effectief te
verweren tegen de overheid uiteindelijk de grootste bedreiging voor de demo‐
cratie en de rechtsstaat. In haar meest extreme vorm kan georganiseerde cri‐
minaliteit zo succesvol zijn in het uitschakelen van het overheidsgezag dat zij
in feite een staat in de staat vormt.’ (Fijnaut e.a., 1996, par. II.2.2 c)
Waar Fijnaut met zijn rapportage aansloot bij de visie van Shelley dat de civil
society gevaar loopt, lijkt de politiek toch vooral te volharden in de economische
82 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
insteek. Het begrip georganiseerde criminaliteit wordt dan ook al snel uitgebreid
met financieel-economische criminaliteit. Zo valt in de memorie van toelichting
bij de begroting 2008 van het ministerie van Justitie8 bij de motivering van ope‐
rationele doelstelling 13.3 (‘Het bewerkstelligen van een effectieve en doelmatige
opsporing en vervolging’) te lezen dat het van groot belang is
‘(…) het zoeklicht ook te richten op minder zichtbare maar in hun uitwerking
ondermijnende verschijnselen waaronder georganiseerde misdaad en corrup‐
tie van maatschappelijke sectoren; evenals onveiligheid op de “elektronische
snelweg” (cybercrime) en financieel-economische criminaliteit die het weder‐
zijds vertrouwen aantasten dat nodig is voor zakelijke transacties’.
In 2008 verschijnt het rapport van de parlementaire werkgroep Joldersma met de
titel ‘Verwevenheid van de bovenwereld met de onderwereld’ (Joldersma e.a.,
2008). Hoewel het rapport zich uitsluitend baseert op resultaten van opsporings‐
onderzoek en daarmee per definitie een deel van de werkelijkheid mist, biedt het
toch belangrijke inzichten en aanknopingspunten. Waar de commissie-Van Traa
in 1996 nog concludeerde dat legale sectoren in Nederland niet in de greep van de
georganiseerde misdaad zijn en geen aanleiding zag om privileges van beroeps‐
groepen als notarissen en advocaten (zoals verschoningsrecht en geheimhouding)
ter discussie te stellen, gaat de commissie-Joldersma ruim tien jaar later een stap
verder. Zij stelt dat uit vervolgonderzoek en de Monitors Georganiseerde Crimi‐
naliteit blijkt dat steeds meer mensen uit de bovenwereld betrokken raken bij cri‐
minele activiteiten.
De bovenwereld laat zich volgens de commissie vanwege financieel gewin ook
gemakkelijk de onderwereld in trekken.
‘De aanvankelijk sterke scheiding tussen onderwereld en bovenwereld wordt
steeds meer fictief. Het Financieel Expertise Centrum spreekt in 2008 inmid‐
dels van een systematische criminele betrokkenheid van personen binnen
bepaalde beroepsgroepen bij de onderwereld. Ook de betrokkenheid van
diverse financiële ondernemingen is volgens dit centrum niet meer als inci‐
dent af te doen. Hoewel verschillende sectoren vatbaar zijn voor verweven‐
heid, blijkt met name vastgoed een ideale schakel te zijn tussen bovenwereld
en onderwereld. De sector biedt de gelegenheid de grenzen van bonafide en
malafide handelen op te zoeken of zelfs moedwillig over de grenzen van inte‐
ger handelen heen te stappen.’ (Joldersma e.a., 2008, 26-27)
In de in 2013 verschenen handleiding Integraal, tenzij… Leidraad om samen het cri‐
minele ondernemingsklimaat te verslechteren van de Stuurgroep Geïntegreerde aan‐
8Kamerstukken II 2007/08, 31200, VI, 2.
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 83
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
pak Ondermijnende Criminaliteit9 is voor het eerst sprake van de faciliterende rol
die legale sectoren kunnen spelen voor de criminele industrie (GOC, 2013).
In de vierde rapportage van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit wordt het
onderwerp ondermijning voor het eerst in deze reeks aangeroerd (Kruisbergen
e.a., 2012). Het rapport spreekt over de ondermijnende effecten van georgani‐
seerde misdaad en ‘het verlies aan vertrouwen in maatschappelijke instituties
door toedoen van deze ondermijnende criminaliteit’.
Kleemans en Van de Bunt (2008) laten die relatie tussen ondermijning en georga‐
niseerde criminaliteit mooi zien in een analyse van 120 zaken uit de Monitor
Georganiseerde Criminaliteit. Uit hun analyse blijkt dat die verwevenheid zeer
hecht is en een groot scala aan beroepen omvat, zowel in de (internationale) han‐
del en de transportsector als in de professies en de financiële wereld. Zij bevesti‐
gen het eerdergenoemde beeld van Paoli (2002), dat sociale netwerken een
belangrijke rol spelen bij de totstandkoming van de verwevenheid.
Medio 2007 gaat het project Emergo in de gemeente Amsterdam van start.10 Bin‐
nen dit project werkt de gemeente Amsterdam samen met onder andere het
stadsdeel Centrum, de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en verschillende
rijksinstanties aan de leefbaarheid van het postcodegebied 1012, ook wel bekend
als de Amsterdamse Wallen. De vergaande samenwerking tussen de verschillende
overheden is bekrachtigd in het convenant Emergo, dat op 11 juli 2007 werd
ondertekend door de toenmalige ministers van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, de staatssecretaris van Financiën, de burgemeester,
de stadsdeelvoorzitter, de hoofdofficier van justitie en de regiochef van de politie.
Aanleiding voor het aangaan van de samenwerking was de grote zorg over ver‐
menging van onderwereld en bovenwereld in het centrum van Amsterdam.
Vooral in het Wallengebied baren het witwassen in vastgoed en bedrijven en
betrokkenheid van georganiseerde criminaliteit bij branches als de prostitutie,
coffeeshops, smartshops en delen van de horeca zorgen. In het project Emergo
gaat een krachtige bestuurlijke aanpak gelijk op met een intensieve strafrechte‐
lijke en fiscale inzet. Kern van het project was de gelegenheidsstructuur voor
(georganiseerde) misdaad binnen het centrum in kaart te brengen, om die vervol‐
gens zo veel mogelijk te ontmantelen. De algemene conclusie van het project is
dat in de binnenstad van Amsterdam geen sprake is van één of meer criminele
groepen die het maatschappelijk leven op een maffiose manier controleren of – al
dan niet in de vorm van een kartel – bepaalde gedoogde of legale economische
sectoren in hun greep hebben. Het beeld dat veeleer uit de bestaande literatuur
wordt gedestilleerd, is dat van personen en groepen die al dan niet beroepsmatig
en/of bedrijfsmatig op operationeel niveau of op infrastructureel niveau sleutel‐
rollen spelen dan wel sleutelposities innemen in het bedrijven van zware (georga‐
niseerde) misdaad in de binnenstad (Projectgroep Emergo, 2011).
9In deze Stuurgroep zijn de volgende organisaties vertegenwoordigd: het Openbaar Ministerie, de
Nationale politie, het Landelijk Informatie en Expertise Centrum, de gemeente Tilburg (covoor‐
zitter TaskForce B5), het ministerie van Financiën en het ministerie van Veiligheid en Justitie.
10 Zie www. amsterdam. nl/ wonen -leefomgeving/ veiligheid/ openbare -orde/ kennisbank/ bestuurlijke -
aanpak/ projecten_ van/ projecten/ het_ van_ traa -team_ -_ /.
84 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
Maar ook zonder dat er sprake is van (georganiseerde) criminaliteit kan er sprake
zijn van ondermijning. De verwevenheid van onderwereld en bovenwereld sugge‐
reert immers een tweezijdig handelen: de onderwereld zoekt die verwevenheid,
maar de bovenwereld (de instituties) speelt daarin een belangrijke rol en loopt het
risico dat zij zelf niet alleen object of slachtoffer is van ondermijning, maar zelf
ook de rol van facilitator van ondermijning gaat vervullen. Daar gaat de volgende
paragraaf over.
Ondermijning: de overheid als object en actor
Bij de voorbereiding van de ondermijningsbeelden waar de auteurs in 2015 aan
meewerkten, bleek dat er burgemeesters zijn die hun college niet 100 procent ver‐
trouwen en dat er voorbeelden zijn van raadsleden die door criminele organisaties
naar een verkiesbare plaats zijn geleid. Hier is ondermijning het primaire doel,
uiteraard met het oogmerk om daar later (crimineel) voordeel uit te kunnen
halen. Een duidelijk voorbeeld uit de interviews kan de spagaat waarin burge‐
meesters zich soms bevinden verduidelijken:
‘De gemeenteraad wil vertrouwelijk vergaderen over de problematiek op het
lokale woonwagencentrum. Een van de raadsleden woont op het woonwagen‐
centrum. Wat te doen?’
Bij de samenstelling van het ondermijningsbeeld gaven vertegenwoordigers van
gemeenten talloze voorbeelden die laten zien hoezeer bestuurders object zijn
(geworden) van intimidatie, dreiging en geweld. De minister van Veiligheid en
Justitie signaleert in zijn aanbiedingsbrief bij het Jaarverslag RIEC-LIEC 2014 en
de Verantwoording aanpak georganiseerde criminaliteit 2014 aan de Tweede
Kamer ook een toename van bedreigingen en intimidaties als gevolg van de inten‐
sievere rol van het bestuur bij de aanpak van ondermijning. Hij stelt dat dit onac‐
ceptabel is en noemt dit een aantasting van de rechtsstaat, die moet worden aan‐
gepakt.11
Ondermijning en criminaliteit: een complexe relatie
Uit de ondermijningsbeelden waaraan eerder werd gerefereerd, blijkt dat het label
ondermijning in de praktijk op verschillende vormen van criminaliteit wordt
geplakt, die daarvoor niet in aanmerking komen.
Om van ondermijning te spreken is echter een aantasting van de rechtsstaat of
samenleving in brede zin noodzakelijk, hoe ondermijnend bepaalde gedragingen
ook voor een individueel slachtoffer kunnen zijn. Daar staat tegenover dat ook
ondermijnende activiteiten worden gesignaleerd die in strikt juridische zin geen
criminaliteit zijn. Uit alle voorbeelden die bij het opstellen van de ondermijnings‐
beelden werden aangereikt, kunnen ruwweg vier ‘typen van misdragingen’ wor‐
den onderscheiden:
11 Kamerstukken II 2014/15, 29911, 114
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 85
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
1gedrag dat weliswaar hinderlijk, mogelijk zelfs intimiderend is, maar op de
keper beschouwd niet crimineel, laat staan ondermijnend genoemd kan wor‐
den: baldadig gedrag van hangjongeren bijvoorbeeld;
2gedrag dat wel een strafbaar feit behelst, maar dat niet ondermijnend is: een
eenmalige tasjesdief of een uit de hand gelopen vechtpartij;
3gedrag dat wel ondermijnend is, maar niet strafbaar: een wijkagent die niet
optreedt als dat geboden is, belangenverstrengeling van een bestuurder zon‐
der dat sprake is van corruptie, of de miljoenen die verdwijnen bij woningcor‐
poraties als gevolg van wanbestuur;
4gedrag dat én ondermijnend én strafbaar/crimineel is: het ontwrichten van
de samenhang in wijken, het op grote schaal systematisch schenden van wet‐
telijke normen, of intimidatie, omkoping of chantage van burgers, bedrijven,
bestuurders en het ambtelijk uitvoerend apparaat.
In figuur 1 worden de vier mogelijke verschijningsvormen gevisualiseerd:
Ondermijnende criminaliteit is voor een niet te onderschatten deel afhankelijk
van de wijze waarop de overheid op dat handelen reageert: beperkingen oplegt
dan wel ruimte biedt. Die samenhang kan in een eenvoudig schema worden weer‐
gegeven:
1. Geen
criminaliteit /
niet
ondermijnend
2. Criminaliteit /
niet
ondermijnend
3. Geen
criminaliteit /
ondermijnend
4. Criminaliteit /
ondermijnend
Figuur 1 Verschijningsvormen van criminaliteit en ondermijning
86 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
Criminelen maken gebruik van de mogelijkheden die de overheid en andere geves‐
tigde instituten hun bieden voor het uitvoeren van hun criminele activiteiten. Ze
hebben informatie en vergunningen nodig van de lokale overheid, ze hebben een
bankrekening nodig en moeten banktransacties uitvoeren om hun criminele geld
wit te wassen, voor het investeren in onroerend hebben ze makelaars, projectont‐
wikkelaars en notarissen nodig, en ze laten signalen van hun criminele activitei‐
ten achter, die de overheid kan opvangen als ze goed kijkt.
Groepen, families, individuen, maar ook bedrijven en ondernemers die actief zijn
in of vanuit het criminele circuit zoeken voortdurend naar mogelijkheden en
ruimte – waarbij ze vaak beschikken over allerlei hulpbronnen, zoals kennis over
de sociale en machtsverhoudingen in de wijk of buurt, sociale en familiaire net‐
werken, en over fysieke hulpbronnen (indrukwekkend voorkomen, brutaliteit),
liquide middelen, intermediairs (faciliteerders) en (soms) de intelligentie om de
situatie naar hun hand te zetten. Aan de andere kant is het de overheid die ver‐
gunningen verleent en toezicht moet houden op de daarin gestelde voorwaarden.
Daarbij kunnen signalen van criminaliteit worden opgevangen of niet. En als ze
worden opgevangen, kan er iets mee worden gedaan of niet. En dat doen kan weer
conflicteren met beleidsdoelstellingen of politieke prioriteiten. Vrijeberoepsbeoe‐
fenaren hebben enerzijds te maken met wettelijke voorschriften – de Wet ter
voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bijvoorbeeld –
en anderzijds met financiële belangen en mogelijk druk van derden.
niet-kijken
vaardigheden
intimidatie
handhaving
vrienden
eenzaamheid
gedogen
vergunningen
onderduiken
kennis
rendement
politieke-functies
nepotisme
subsidies
arbeidsintensief
geld
familie
awareness
wegkijken
corruptie
chantage
bedreiging
milieu
moeilijk
Handelen van
de overheid
Handelen van
criminelen
Criminelen zoeken
ruimte en
gelegenheid
Overheid biedt
ruimte en
gelegenheid
Ondermijnende criminaliteit
en aantasting weerbaarheid
samenleving
Figuur 2 De complexe relatie tussen overheid en georganiseerde criminaliteit
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 87
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
Waar criminelen aan de ene kant ruimte zoeken, biedt de overheid, maar ook
andere gevestigde maatschappelijke instellingen zoals banken, makelaars en pro‐
jectontwikkelaars, op haar beurt daarbij vaak gelegenheid. Door gebrek aan capa‐
citeit, risicoblindheid, weerbaarheid, handelingsverlegenheid, onmacht, angst,
door weg te kijken (‘gedogen’) of – paradoxaal genoeg – omdat wet- en regelgeving
optreden of doorpakken verbieden. Maar ook omdat professionals in de uitvoe‐
ring – zij die dagelijks in de wijken en buurten verkeren – zich binnen de eigen
organisatie niet (voldoende) gesteund of zelfs tegengewerkt voelen om, in de
woorden van een van de respondenten van een gemeente: ‘ons werk te doen zoals
het hoort’. Soms is er sprake van gebrek aan vertrouwen in de kwaliteit of zelfs de
integriteit van collega’s of bestuurders. Soms spelen andere belangen, bijvoor‐
beeld als grote financiële investeringen op het spel staan, wat op zich een argu‐
ment kan zijn om weg te kijken. Geen gemakkelijke boodschap, maar de volgende
indrukwekkende voorbeelden spreken voor zich:
‘Een raadslid in de gemeente informeert voor derden bij ambtenaren over
vergunningen en bestemmingsplannen voor concrete locaties. De indruk
bestaat dat het raadslid zich als tussenpersoon laat gebruiken voor familiele‐
den die horecalocaties willen exploiteren en in verband worden gebracht met
OMG’s.’ (respondent van gemeente)
En:
‘Ik vind het bijzonder dat iemand (doelend op de heer L.) zonder inkomen en
zonder bezit, met antecedenten in de hennep, een hypotheek krijgt van zeven
ton. Ik ben een jaar bezig geweest om die bankdirecteur te pakken te krijgen.
Ik wilde dat hij mij dit zou uitleggen. Hij verkocht me slap geouwehoer. Mijn
onderbuikgevoel is dat zij wel degelijk wisten dat het niet pluis was. Toen is
die boel afgebrand, en wordt het straks met een veiling verkocht. De
gemeente heeft daar 40.000 euro moeten betalen om de asbest te verwijde‐
ren.’ (respondent van gemeente)
Discussie
In deze bijdrage is een korte beschouwing van het begrip ondermijning en de
eigenstandige rol van de bovenwereld daarin gegeven. Hoewel ondermijning
vooral bij beleidsmakers en professionals op de agenda lijkt te staan, zijn er vol‐
doende aanknopingspunten voor een wetenschappelijk debat, waar dit artikel een
aanzet voor hoopt te geven.
De problematiek rondom ondermijning is eerst verschoven van het strafrecht
naar het bestuursrecht en beide zijn nu aanwezig in de thans gepropageerde inte‐
grale aanpak. Wetenschappelijk is er nog nauwelijks sprake van debat en de aan‐
dacht lijkt te verschuiven van de criminologie naar de bestuurskunde. Beide
domeinen zijn echter essentieel voor een beter begrip van het fenomeen en een
88 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
Ondermijnende aspecten van georganiseerde criminaliteit en de rol van de bovenwereld
wetenschappelijke variant van de integrale aanpak – een multidisciplinaire bena‐
dering, waaraan ook juristen, economen, psychologen en mogelijk zelfs historici
deelnemen – lijkt eveneens noodzakelijk voor een beter begrip.
Naast de noodzaak van een wetenschappelijk debat laten analyses tot dusver
vooral zien dat de overheid zelf – bewust of onbewust – ondermijning faciliteert.
Zo worden niet alleen de instituties ondermijnd, maar uiteindelijk ook het ver‐
trouwen in de kwaliteit en de legitimiteit van de rechtsstaat.
We keren terug naar de casus in Someren, waar deze bijdrage mee begon. Het che‐
misch afval dat niet over het land werd uitgereden, bevond zich ten tijde van de
berichtgeving door de NOS begin 2016 sinds de inval in maart van het jaar daar‐
voor nog steeds in de gierputten van de boerderij. De gemeente kon het niet eens
worden met andere overheidsinstanties wie de boel op moest ruimen. Intussen
hebben omwonenden last van stankoverlast en geven sommige aan gezondheids‐
klachten te ondervinden, als gevolg van het chemisch afval. Een dergelijke opstel‐
ling van overheden is in wezen net zo ondermijnend als het drugsgerelateerde
strafbare feit dat eraan ten grondslag ligt. De burger verliest daarmee het vertrou‐
wen in de overheid. Ook gedeputeerde Johan van den Hout leek dit te beseffen en
verwoordt het tegen de NOS als volgt:
‘Het kan natuurlijk niet zo zijn dat mensen maandenlang naast drugsafval
moeten leven omdat overheden aan het kissebissen zijn. Als de gemeente de
boel niet opruimt, dan moet de provincie het desnoods maar doen. De reke‐
ning leggen we dan uiteindelijk wel neer waar die hoort.’
En zo geschiedde.
Om een dergelijk proces te stoppen zal met voortvarendheid en overtuiging moe‐
ten worden aangepakt. Een voormalig officier van justitie in Den Bosch pleitte
vorig jaar in een van zijn columns voor een deltaplan tegen ondermijnende crimi‐
naliteit. Zo’n deltaplan is in elk geval meer dan na een crisis weer een congres, een
rondetafelgesprek met de minister van Veiligheid en Justitie of het toewijzen van
weer een aantal extra politiemensen, met vaak de – wat ons betreft onterechte,
zelfs misleidende – boodschap in zich dat de overheid de problematiek onder con‐
trole heeft, dan wel weer onder controle zal krijgen. Het doorzetten van de inte‐
grale aanpak is een goede eerste stap in zo’n deltaplan. Het geeft in ieder geval de
burger het gevoel dat de overheid erbovenop zit. Tegelijkertijd zal echter naar bin‐
nen moeten worden gekeken. De kwetsbaarheden binnen de instituties moeten
worden blootgelegd en aangepakt. Dat vraagt om een reflexieve opstelling met
het oogmerk onze instituties weer weerbaar te maken.
Om te beginnen (1) is daarvoor nodig dat op politiek-bestuurlijk en beleidsbepa‐
lend niveau voluit wordt onderkend en erkend dat we te maken hebben met een
majeure dreiging, die met man en macht aangepakt dient te worden. Dat inzicht
betekent ook (2) de bereidheid om in de strijd tegen ondermijnende praktijken te
investeren in en te experimenteren met onorthodoxe maatregelen – uiteraard
binnen de grenzen die de rechtsstaat daartoe biedt. Natuurlijk zijn (3) succesjes
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005 89
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
op zijn tijd nodig, al was het maar om te laten zien dat de overheid actief is, maar
daar moet het niet bij blijven: (4) daadwerkelijk effect zal toch een kwestie zijn
van lange adem, die de politiek-bestuurlijke spanningsboog vaak overstijgt. Juist
tegen die achtergrond is (5) van belang dat wordt geïnvesteerd in maatschappelijk
draagvlak. Dat wil zeggen dat de autoriteiten, in plaats van de suggestie hoog te
houden dat men de zaak onder controle heeft, het belang van hun inzet delen met
de burgers. Dat zal zorgvuldig moeten gebeuren, al was het maar om te voorko‐
men dat het vertrouwen in plaats van te versterken juist opnieuw wordt onder‐
mijnd. De strijd tegen ondermijning betekent in praktische zin (6) ook dat instan‐
ties, veel meer dan nu het geval is, leren samenwerken, elkaars taal spreken en
informatie delen. Professionals in de uitvoering (7) – zij die geacht worden het
contact (de confrontatie) in het veld aan te gaan – dienen over de benodigde ken‐
nis en kwaliteiten te beschikken. Hun kennis, contacten en vertrouwen zijn cruci‐
aal voor het vroegtijdig oppakken van signalen, het bedenken en doordenken van
oplossingen en het helpen implementeren ervan. Zij dienen (8) de ruimte en
ondersteuning te krijgen om – al dan niet georganiseerd – te reflecteren op hun
handelen.
In dat totale proces kan de wetenschap een rol vervullen. Op welke manier onder‐
mijning precies de organisatie binnensluipt, wat professionals ertoe aanzet weg te
kijken of te gedogen, wat hun motieven zijn, binnen welke context zij tot hun
handelen komen en hoe mechanismen en processen in elkaar grijpen, dit alles
blijft tot dusver goeddeels aan het zicht onttrokken. Daar kan nader onderzoek
helpen bij:
1 het analyseren, duiden en begrijpen van hetgeen feitelijk aan de hand is;
2 het doordenken van mogelijke oplossingsrichtingen; en
3het in breder theoretisch perspectief plaatsen van de geobserveerde proces‐
sen.
Literatuur
Abadinsky, H. (1983). The criminal elite; professional and organized crime. Westport, CT:
Greenwood Press.
Dienst Landelijke Informatieorganisatie (2014). Outlawbikers in Nederland. Woerden:
DLIO.
Faber, W. (2013). Ondermijning als activiteit en als gevolg: een poging tot duiding van een
lastig te definiëren fenomenen. Finecscience, 4 februari, 16-22. www. finec. eu/
finecscience. html, geraadpleegd op 15 maart 2016.
Fijnaut, C. (1990). De connecties tussen EG-fraude en georganiseerde misdaad. In: H. de
Doelder (red.). Bestrijding van EG-fraude. Arnhem: Gouda Quint, 87-96.
Fijnaut, C., Bovenkerk, F., Bruinsma, G.J.N. & Bunt, H.G. van de (1996). Eindrapport geor‐
ganiseerde criminaliteit in Nederland. Bijlage VII. Inzake opsporing. Enquêtecommissie
Opsporingsmethoden. Den Haag: Sdu Uitgevers.
Joldersma, C., Teeven, F., Wit, J. de, Heerts, T., Anker, E. & Roon, E. de (2008). Verweven‐
heid van de bovenwereld met de onderwereld. Rapport van de parlementaire werk‐
groep verwevenheid onderwereld/bovenwereld. Kamerstukken II 2008/09, 29911, nr.
14.
90 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
doi: 10.5553/TvC/0165182X2016058002005
SUMMARIES
Organized crime in the 21st century
Toine Spapens, Emile Kolthoff & Wouter Stol
In the past decades, organised crime inter‐
nationalised rapidly as a result of increas‐
ing mobility and ‘open’ borders. At the
same time developments in information
and communication technology have led to
modernisation of existing types of crime
and the introduction of novel ones. Finally,
criminals have benefited from increasingly
diversified migration streams. In the Neth‐
erlands and Belgium, organised crime
appeared on the agenda in the 1990s. For a
long time emphasis was on ‘trade crimes’
i.e. trafficking in drugs and humans, as well
as human smuggling, followed by the pro‐
duction of synthetic drugs and cannabis.
More recently the Low Countries are con‐
fronted by more visible manifestations of
organised crime, for example rapid growth
of outlaw motorcycle gangs. Criminals also
try to utilise their capital to invest in busi‐
nesses and real estate and to influence local
politics.
Punishing organized crime in the
Netherlands. Discrepancies between
demanded and imposed sanctions
Karin van Wingerde & Henk van de Bunt
The image that criminal enforcement of
organized crime is difficult, is commonly
reflected in the media and popular debate.
Commentators often argue that organized
crime is punished less severely than possi‐
ble, due to the complexity of the offences,
time constraints, and the increased inter‐
connectedness between legal and illegal
activities, which creates difficulties to find
sufficient evidence to convict offenders.
Using data from the Dutch Organized
Crime Monitor, this article focuses on the
ways in which offenders of organized crime
are ‘treated’ by the criminal justice system
and on the discrepancies between deman‐
ded sanctions and the actual sanctions exe‐
cuted in cases of organized crime.
Victim of labour exploitation? A
qualitative study revealing ideal-typical
pathways to self-identification as a
victim of human trafficking
Niki Tielbaard, Masja van Meeteren &
Xenia Commandeur
Although the Netherlands criminalised
some forms of labour exploitation as
human trafficking, many cases remain
undetected. This is probably due to low
self-identification among victims. Whereas
research revealed factors obstructing self-
identification among victims, it remains
unclear how some victims do arrive at self-
identification. Drawing on in-depth inter‐
views and focus group discussions with vic‐
tims and professionals, this qualitative
study identifies two ideal-typical pathways
to self-identification. In the first trajectory
self-identification is gradually formed
through information gathering and deteri‐
orating working conditions. In the second
trajectory self-identification is triggered by
a sudden vital event.
Organizational structures of jihadist
networks in the Netherlands. Differences
and similarities between 2000 and 2013
Jasper de Bie & Christianne de Poot
This paper uses social network analysis to
study and compare the organizational
structures and division of roles of three
jihadist networks in the Netherlands. It
uses unique Dutch police data covering the
2000-2013 period. This study demon‐
strates how the organizational structures
differ between different networks. The ear‐
liest network has a hierarchical cell struc‐
ture with a clear division of labour, while
the later networks are horizontal and
dense networks with less clear orientation
on tasks. The core member types in the
jihadist networks also differ. The earliest
network contains international jihad veter‐
ans with clear leadership skills, while the
later networks contain home-grown radi‐
cals with less status and often a lack of
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2 125
Summaries
expertise. Furthermore, several jihadists
evolve over time, when they used to be
supporters, but become core members in
posterior networks.
Undermining crime and the role of
government and institutions
Emile Kolthoff & Sjaak Khonraad
The concept of undermining or subversive
crime seems to be linked undistinguishably
to organized crime and both terms are
sometimes used synonymously. Defini‐
tions of the phenomenon are sometimes
based on its effects, while others have their
focus on its manifestations. Discussion on
the underlying causes is lacking. Regularly,
activities that actually do not relate to
undermining are labeled as such.
This reflection critically examines and eval‐
uates the concept of undermining. The cen‐
tral question is what has to be understood
under the concept of undermining and,
above all: what not? The phenomenon is
further explored, with the aim of stimulat‐
ing scientific debate and empirical
research. The role of the government and
other institutions in facilitating undermin‐
ing is explicitly discussed as well as the pos‐
sibilities to strengthen their resilience.
126 Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2
AUTEURSGEGEVENS
Dr. J.L. de Bie is onlangs gepromoveerd
aan het Instituut voor Strafrecht & Crimi‐
nologie van de faculteit rechtsgeleerdheid
van de Universiteit Leiden.
Prof. dr. H.G. van de Bunt is hoogleraar cri‐
minologie aan Erasmus School of Law,
Erasmus Universiteit Rotterdam.
Drs. X.D. Commandeur is onderzoeker
mensenhandel
Dr. L.J.M. Cornet is als wetenschappelijk
medewerker verbonden aan het Weten‐
schappelijk Onderzoek- en Documentatie‐
centrum (WODC) van het ministerie van
Veiligheid en Justitie.
Dr. J.K. Dijkstra is universitair hoofddo‐
cent bij de faculteit gedrags- en maatschap‐
pijwetenschappen van de Universiteit Gro‐
ningen.
Dr. J.L.H.T.M. Khonraad is lector Integrale
Veiligheid bij Avans Hogeschool in Den
Bosch.
Dr. C.H. de Kogel is als senior wetenschap‐
pelijk medewerker verbonden aan het
Wetenschappelijk Onderzoek- en Docu‐
mentatiecentrum (WODC) van het minis‐
terie van Veiligheid en Justitie.
Prof. dr. E.W. Kolthoff is hoogleraar crimi‐
nologie aan de Open Universiteit en lector
Veiligheid, openbare orde en recht bij
Avans Hogeschool in Den Bosch.
Dr. T. Kretschmer is assistant professor bij
de faculteit gedrags- en maatschappijwe‐
tenschappen van de Rijksuniversiteit Gro‐
ningen.
Dr. M.J. van Meeteren is Universitair
Hoofddocent Criminologie aan de Universi‐
teit Leiden.
Dr. C.J. de Poot is senior onderzoeker bij
het WODC van het ministerie van Veilig‐
heid en Justitie en tevens lector Forensisch
Onderzoek aan de Hogeschool van Amster‐
dam en de Politieacademie te Apeldoorn.
Prof. dr. A.C.M. Spapens is hoogleraar cri‐
minologie aan de Universiteit van Tilburg.
Prof. dr. W.Ph. Stol is lector Cybersafety
aan de NHL Hogeschool en Politieacademie
en bijzonder hoogleraar Politiestudies aan
de Open Universiteit.
N.M Tielbaard is masterstudent Opspo‐
ringscriminologie aan de Vrije Universiteit
Amsterdam en was stagiaire bij FairWork
te Amsterdam en masterstudent Veilig‐
heidsbeleid en Rechtshandhaving aan de
Universiteit Leiden.
Dr. mr. A. van Wijk is criminoloog en direc‐
teur van Bureau Beke.
Dr. C.G. van Wingerde is universitair
docent criminologie aan Erasmus School of
Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Tijdschrift voor Criminologie 2016 (58) 2 127
... Het concept is vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland en kort daarna ook naar België overgewaaid in het begin en in de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw (Prins, 2016). Het was een tijdperk waarin (de dreiging die uitging van) georganiseerde criminaliteit -eveneens een buitenlands concept -hoog op de politieke agenda kwam te staan van de Europese Unie (EU) en haar lidstaten en waarbij zowel op het nationale als internationale niveau enorm veel beleid werd ontwikkeld (Fijnaut, 2014;janssens & de Vos, 2018). Echter, noch de EU noch haar lidstaten wisten goed wat het concept georganiseerde criminaliteit inhield, hoe het zich manifesteerde en of het zich ook bij hen voordeed (Paoli & Vander beken, 2014). ...
... Naast een vage conceptualisering, hebben ondermijnende en georganiseerde criminaliteit de dreiging met elkaar gemeen die van beide concepten uitgaat. In het geval van 'georganiseerde criminaliteit' droeg de dreiging in de jaren 1990 bij tot beleidsontwikkelingen die ertoe hebben geleid dat politie en justitie meer bevoegdheden en vaak ook middelen kregen om de dreiging te kunnen weerstaan (Janssens & de Vos, 2018). Een soortgelijke evolutie is nu opnieuw waarneembaar, maar deze keer is het niet de politie en justitie die bijkomende bevoegdheden krijgen, maar steden en gemeenten. ...
... Elke vorm van (georganiseerde) criminaliteit heeft potentieel ondermijnende gevolgen, of een ondermijnende werking op specifieke actoren, organisaties en instituties (Kolthoff & Khonraad, 2016;Lam, Van der Wal & Kop, 2018). Ondermijning is niet een vorm van of een bepaalde soort criminaliteit, zoals het tegenwoordig in de media dikwijls wordt gepresenteerd. ...
Full-text available
Book
This book charts the development of crime and (in)security in Almere since 2010. It describes its development until 2030, in connection with the urban and social evolution of the city. In this way, the book explores the challenges this New Town has to tackle in order to keep the safety level in the city manageable.
... This also implies that there might be a strategic benefit in being able to call environmental crime organized. It increases its perceived seriousness and its visibility, similar to how 'serious crime' in the UK and 'undermining' in the Netherlands were brought into the organized crime fold (Kolthoff & Khonraad, 2016;Lavorgna & Sergi, 2016). ...
Chapter
Based on three case studies of transnational organized environmental crime, this chapter, on the one hand, aims to illustrate some direct and indirect harm caused by environmental black markets. On the other hand, it aims to critically assess the often artificial distinction between organized and corporate crime in environmental crimes. Since the 1990s, so-called green criminologists have critically studied the environment in the broadest sense of the word, focusing on various forms of environmental harm, crime and regulation, often drawing parallels between ecological and socioeconomic or political inequalities. Waste crime is the trade, treatment or disposal of waste in ways that breach international or domestic environmental legislation and cause harm or risk to the environment and human health. Wildlife crime is one of the areas that have long been recognized as a key environmental crisis. Many species, both big and small, are on the brink of extinction or have gone extinct because of trade and poaching.
... De typering narcostaat kan vanwege de koppeling met de dreigende verwevenheid tussen onder-en bovenwereld en de machtsposities die worden opgebouwd door verdiensten in de drugseconomie worden gezien als de overtreffende trap van een term die in beleidskringen in Nederland inmiddels goed is ingeburgerd: ondermijning. Over ondermijning is inmiddels het nodige geschreven (Kolthoff & Khonraad, 2016; Boutellier e.a., 2020; Staring e.a., 2021). In Nederland heeft de term ondermijning een belangrijke agendavormende werking gehad door de nadruk te leggen op de schadelijke effecten van verschillende vormen van criminaliteit, die in het verleden vaak als afzonderlijke fenomenen werden onderscheiden (Huisman & Kleemans, 2017), maar ook op de enorme geldbedragen en economische belangen in de georganiseerde misdaad en de ongrijpbaarheid van de doorwerking in de legale sectoren (Boutellier e.a., 2020, 10). ...
... Bovendien wordt de term, zoals Kolthoff en Khonraad (2016: 77) stellen, te pas en te onpas gebruikt, waardoor de invulling en betekenis van ondermijning eerder politiek(bestuurlijk) valt te noemen dan strikt wetenschappelijk. Het aantal wetenschappelijke publicaties waarin de term ondermijning op een kritische, historische, systematische en gestructureerde wijze wordt geoperationaliseerd, is tot op heden beperkt (zie Kolthoff & Khonraad, 2016;Lam, Van der Wal & Kop, 2018). 5 In de letterlijke betekenis verwijst het woord naar 'verzwakken' of de 'verzwakking van iemands positie of macht'. ...
... Bovendien wordt de term, zoals Kolthoff en Khonraad (2016: 77) stellen, te pas en te onpas gebruikt, waardoor de invulling en betekenis van ondermijning eerder politiek(-bestuurlijk) valt te noemen dan strikt wetenschappelijk. Het aantal wetenschappelijke publicaties waarin de term ondermijning op een kritische, historische, systematische en gestructureerde wijze wordt geoperationaliseerd, is tot op heden beperkt (zie Kolthoff & Khonraad, 2016;Lam, Van der Wal & Kop, 2018). 5 In de letterlijke betekenis verwijst het woord naar 'verzwakken' of de 'verzwakking van iemands positie of macht'. ...
... Script analysis can be useful to identify modus operandi and involved actors (both legal and illegal) (Sahramäki et al 2016). However, challenges remain in implementing this in enforcement practice because it also requires policy makers and enforcement agencies to analyse how they might (un)consciously facilitate (undermining) criminal activities (Kolthoff and Khonraad, 2016). ...
Full-text available
Book
U hebt het vijftigste nummer van de Cahiers Politiestudies in handen. Een gelegenheid die het redactiecomité niet ongemerkt wilde laten voorbijgaan. Dit is dan ook zonder meer een feestnummer geworden, waarin we diverse auteurs uitnodigden om terug te kijken op de vorige nummers en te reflecteren over “de essentie van politiewerk”. Voor deze ene keer heeft het redactiecomité beslist de stukken niet aan reviewing te onderwerpen, maar de auteurs vrank en vrij te laten schrijven over verleden, heden en toekomst. Het is een eerbetoon geworden voor u, de trouwe lezer van dit tijdschrift, maar tevens voor al diegenen die hun medewerking hebben verleend aan de gestage voortgang ervan. Met dank en proficiat. Voor het redactiecomité heeft “de essentie van politiewerk” een veelvoudige betekenis, die in grote mate weerspiegeld wordt in de thema’s die gedurende afgelopen jaargangen aan bod kwamen in de Cahiers Politiestudies. Tal van spanningsvelden worden hierin weerspiegeld. Er is ongetwijfeld een spanningsveld dat besloten ligt in de opdracht van de overheid om, middels de politie, bescherming te bieden aan de bevolking. Dat betekent enerzijds dat diezelfde bevolking, als adressant van deze opdracht, recht van spreken heeft en mee invulling kan geven aan deze opdracht. Een dergelijke invalshoek leunt nauw aan bij datgene dat we gemeenschapsgerichte politie (Community Oriented Policing of ook wel “nabijheidspolitie”) zijn gaan noemen, waarin een lokale, tot zelfs buurtaanpak, centraal staat. Het is in deze context dat de politie op zoek ging naar lokale partnerships met tal van maatschappelijke actoren om haar dienstverlening aan de bevolking te kunnen waarmaken. Dat betekent anderzijds ook dat de overheid niet enkel kan varen op al te populistische noodkreten. De overheid heeft ook de opdracht algemenere belangen te dienen door vormen van bedreigende, in Nederland genoemd “ondermijnende”, vormen van sociaal onaangepast gedrag tegen te gaan, zoals vormen van georganiseerde criminaliteit, corruptie, cybercrime, milieucriminaliteit, organisatiecriminaliteit en terrorisme. Der�gelijke problemen overstijgen gaandeweg de bekommernissen van buurtbewoners en gemeentenaren, en zijn in toenemende mate nationale en internationale bedreigingen.
Full-text available
Book
This research project is the result of a parliamentary vote in which the government was asked to consider how private landlords and housing corporations may be warned of the criminal intentions of potential users. The aim is to offer municipalities, housing corporations and bona fide private landlords instruments for the prevention and tackling of undermining activities. To this end, there is an increasing need for more knowledge about and insight into the nature and scope of the crime-facilitating function of residential and commercial premises in the Netherlands, and insight into which instruments are used in other countries. This objective has been translated into eight research questions. Dutch situation 1. How do residential and/or commercial premises play a role in facilitating undermining crime in the Netherlands? 2. What is (estimated) the extent of the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime in the Netherlands? 3. To what extent are there differences in nature and size between regions in the Netherlands? 4. Which indicators cited in the literature point to the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime in the Netherlands? And do the same indicators apply within urban and rural regions? International comparison 5. How do residential and/or commercial premises play a role in facilitating undermining crime in countries comparable to those of the Netherlands, and which indicators are known for this in those countries? 6. Which instruments, both preventive and repressive, are used in the countries involved in this research to counter this and what is the legal framework within which these instruments are used? 7. What are the positive and negative experiences in the countries involved in this study in combating the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime, and what advantages and disadvantages are experienced in using the various instruments? 8. Which instruments, from the countries involved in this study, could be further studied for tackling (both preventive and repressive) this phenomenon in the Netherlands?
Chapter
Public–private Financial-Intelligence Sharing Platforms (FISPs) have contributed to changing the mindset between law enforcement agencies and regulated entities in countering money-laundering. This chapter reflects on opportunities that intensified public–private cooperation offers to increase the possibilities of discovering more effective remedies against crime. The chapter also provides insights into the complexities and obstacles of joint-efforts and illustrates these challenges via the case of the founding-process of the newly established Serious Crime Task Force (SCTF) in the Netherlands. The SCTF initiative aims to process and produce more actionable intelligence on the activities of professional money-launderers, via intensified, co-located cooperation between banks, the Financial Intelligence Unit (FIU) and various Dutch law enforcement agencies. The SCTF case illustrates how cooperation in PPPs can also create tension between participating organisations when it crosses established formal positions, responsibilities and other established interests.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.