ChapterPDF Available

De gespecialiseerde generalist; Kunst en Design en het Osmotisch Oxymoron

Authors:
14 15
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
irritant veel weerstand vraagt. Subjectiveren eist van docenten dat ze
existentiële vragen aan hun studenten durven stellen, existentieel in
dat opzicht dat ze ook zichzelf als docent durven onderuit te halen.
Het staat dus ook toe dat docenten subjectief en dus onmeetbaar of
onkwalificeerbaar beoordelen. Subjectiveren houdt onder meer in
dat de potentiële kunstenaar hiermee leert omgaan, zich tegenover
al die uiteenlopende subjectieve meningen een eigen houding weet
te vinden. Subjectiveren is een pedagogisch proces waarin men bo-
vendien het risico loopt ver in de diepte te zakken, jawel, op de rand
van de depressie te geraken. Subjectiveringsarbeid schuurt immers
tegen de existentie van mensen. Maar subjectiveren is ook de enige
mogelijkheid om uit de studenten hun allerhoogste hoogte te halen,
om het onmogelijke mogelijk te maken. Dat zou de ware betekenis
moeten zijn van ‘werk maken van talent’, zoals een FHK-slogan
propageert. Naast breedte, veronderstelt dat dus ook diepgang en
ruimte voor het onmogelijke, het onmeetbare, en nog niet bereken-
bare. Alleen onderwijs dat dit risico neemt ambieert meer dan het
afleveren van eendimenionale kunstenaars.
We kunnen beginnen met de vaststelling dat de opkomst van de pro-
sumer1 vooralsnog niet hee geleid tot een significante reductie van
de groei van de creatieve industrie2, waarin zowel de autonoom kun-
stenaar als de ontwerper zorgen voor een spectaculaire disjunctie
tussen de groei van de werkgelegenheid en de gerealiseerde omzet.
Oewel, de sector is nog steeds sterk aan het groeien, maar er is wel
steeds minder te verdelen. Daarnaast is er recentelijk voldoende
aandacht geweest voor de herdefiniëring van de positie van het
autonome binnen het autonome. Met de emersie van de hybride3
kunstenaar hee een ogenschijnlijk geïntegreerde en geaccepteerde
werkvorm een naam gekregen. Het gaat hier dan om het gegeven
dat de micro-economie van de autonoom kunstenaar in feite vanuit
diverse bronnen wordt gevoed, die niet noodzakelijkerwijs aan de
autonome praktijk gebonden zijn. De kunstenaarspraktijk is dus
geen monocultuur maar een hybride werkvorm. Deze vaststelling
doet vermoeden dat er nog steeds onduidelijkheid is over hoe de au-
tonoom kunstenaar om kan gaan met toegepast werk, maar of deze
erkenning voldoende is om de branche-eigen collectieve cognitieve
dissonantie te doorbreken, is nog niet duidelijk. Belangrijker voor dit
Marc Boumeester
Marc Boumeester is onderzoeker en docent. Zijn
onderzoek beweegt zich in het gebied tussen aec-
tieve perceptie, socio-architectonische condities en
instabiele media, in het bijzonder cinema. Hij gee
les in mediafilosofie en designtheorie.
Kunst en design
en het osmotisch
oxymoron.
Bibliografie
Biesta, G. (2013) Goed onderwijs en de cultuur van
het meten. Ethiek, politiek en democratie. Boom
Lemma: Den Haag.
De gespecialiseerde generalist.
De eendimensionale kunstenaar.
1 Met de term ‘Prosumer’, doelt Alvin Toer op een persoon die inhoud /content produceert voor online
publicaties terwijl deze ook actief soortgelijke content van hetzelfde platform consumeert. Voorbeelden zijn
Facebook, Youtube etc. De term wordt ook wel gebruikt om te verwijzen naar apparaten die zich in de niche
bevinden tussen het professionele domein en dat van de consument.
2 Ruen, P., Koops, O. (2013) Creatieve industrie in cijfers. In Boekman, p.93
Braams, N., Urlings, N. (2010) Creatieve Industrie in Nederland. Centraal Bureau voor de Statistiek.
3 Gielen, P. , Winkel, C. van, Zwaan, K. (2012) De Hybride Kunstenaar. hp://lectoratenakvstjoost.files.word-
press.com/2012/03/eindrapporthybridiseringnlbe.pdf
16 17
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
betoog is de analogie die er te vinden is in het discours rondom (me-
dia-) specialismen en dan voornamelijk gezien als het specialisme
in een antagonistisch symbiotische relatie met het generalisme. Een
specialisatie in een specialisatie zou automatisch een specialisatie
in een generalisme uitsluiten, sterker nog; er is nog maar erg weinig
erkenning voor het generalistisch specialisme, dus deze dualiteit uit
zich dan veelal in een asymmetrisch argument: het is het specialisme
versus al het andere. Met andere woorden; als je geen herkenbaar
specialisme hebt, maar je je bekwaamt in het samenbrengen van een
groot aantal vaardigheden, dan heb je dus niks. Het is een gevaarlijke
tegenstelling: of specialisme of alles = niks.
Nu is er absoluut niets tegen asymmetrische logica (althans binnen
dit kader) maar toch geef ik een tegenargument. Als alternatief voor
dit structuralistisch antagonisme stel ik een derde weg voor (‘
third pill’, zoals Slavoj Žižek 4 het zou stellen, inclusief zijn charisma-
tische tongval), en ga met Deleuze in de propositie om te beginnen
in het midden, ‘the theorem of the excluded middle’ .5 In principe
is elke discussie over de antithese generalisme versus specialisme
vrij snel de mond te snoeren door in de geschiedenis te duiken. Het
zou zelfs banaal zijn hier een aantal voorbeelden in te voegen of een
historische causaliteit te isoleren die een argument bevat om de dis-
cussie overbodig te maken (zoals de opmerking dat veel pre-indus-
triële productie al generiek gespecialiseerd was). Maar omdat dat de
beschrijving van situaties door middel van retrospectieve causaliteit
of temporale opeenvolging hoogstwaarschijnlijk het meest onhan-
dige instrument daarvoor is (en daarbij buitengewoon gevoelig voor
subjectieve interpretatie en misinformatie), is het van weinig belang
om deze weg in te slaan. Het gaat immers om de huidige situatie,
waarbij huidig dan ook meteen onderhevig is aan corrosie. Dus is het
beter om te spreken van de progressieve vector in de situatie, waarbij
de interne causaliteit – al dan niet temporaal – slechts aan zichzelf
refereert en niet aan iets anders. Daarvoor zal het nodig zijn een
brug te slaan naar de discussie over de positie en rol van onderzoek
in het kunst- en ontwerponderwijs, en de positie van dit discours in
het metadiscours over de economische validiteit hiervan, uitgedrukt
in termen van de post-neoliberale economie. Ik geef vijf punten
ter overweging.
1 Medium gedreven handelen
Veel motivatie voor de discussie over de schijnbare dichotomie tus-
sen specialisme en generalisme komt voor uit het medium gedreven
denkframe. Het is niet nodig bijzonder geïnformeerd te zijn om
te kunnen stellen dat de convergentie van media voortschrijdt en
dat de vormen waarin deze media worden ingezet aan grote veran-
deringen onderhevig zijn. Hierdoor zijn veel klassieke of traditionele
verdelingen in mediatypologie achterhaald. Als we het hebben over
een filmpje, dan hebben we het eigenlijk over een videootje, maar
eigenlijk over een bestand en eigenlijk specifiek over een H264 etc.
En daarmee is de onzekerheid over hoe daarmee om te gaan enorm
toegenomen. Niet in de laatste plaats vanwege de economische im-
plicaties hiervan. Lemma’s als mixed media, multimedia, interactief
of cyberspace, dekken inmiddels de lading niet meer, ook al is de ter-
minologie in sommige delen van het veld nog steeds zeer actief. Als
je kijkt naar wat er gebeurt als de mix al in het medium zit, bijvoor-
beeld in het grensvlak ‘moving image & still image’ 6, of door de digi-
tale manipulatie van ‘echte’ beelden et cetera. En wat als er continue
conversies plaatsvinden tussen het analoge en het digitale domein,
voor zover daar dan nog een duidelijk onderscheid tussen te maken
is (3d printen et cetera) of wat er gebeurt als een medium een hoge
mate van autonomie krijgt met hardware vormen als Arduino7 of
door het ontwerpen van protocollen als eindproduct.8 En zeker ook
als het mediumsysteem belangrijker wordt dan de inhoud of de
vorm (het feit dat je reageert op een post is belangrijker dan hoe je
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
4 Žižek, S. (2006) How to read Lacan? London, Granta Books
5 Deleuze, G. (2012) Dierence and Repetition. London and New York, Continuum
6 Beckman, K., Ma, J. (ed.) (2008) Still Moving. Durham, Duke University Press
7 Arduino is een open source computerplatform, bedoeld voor het maken en ontwerpen van slimme en
‘zelfdenkende’ objecten die kunnen reageren op hun omgeving.
8 Cody Wilson veroorzaakte in mei 2013 een ferme rel door de blueprint van een printbaar pistool op het
internet te zeen. Pas na meer dan 100.000 downloads werd het ontwerp op last van de autoriteiten verwij-
derd, maar het is nog steeds makkelijk te vinden.
18 19
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
reageert, denk ook aan TL DR9) lijkt het nuiger om een beschrijving
van de media te maken in termen van media-posities dan in termen
van media typologie. Je krijgt dan zoiets als een verdeling in Lens
Based Media of Networked Media10, wat al opmerkelijk preciezer is.
Toch lijkt het zinvol om nog een stap verder te gaan en daarmee het
domein van praktische inzetbaarheid wellicht verlaten.
Meta-mediaal denken is per definitie niet generalistisch noch
gespecialiseerd, het refereert aan het moment dat een concept/idee/
gedachte dusdanig geconcentreerd is dat het bijna tastbaar is, het
mentale medium dusdanig gesatureerd is met deze notie dat elk
contact met een ‘fysiek’ medium (fysiek kan hier dus ook digitaal
en virtueel zijn) onvermijdelijk zal leiden tot een geconcretiseerde
condensatie in dat medium. Denk ook aan ‘Het zit in de Ether’ of
‘Het hangt in de lucht’. Het meta- medium als proto-product. Kun
je dan nog spreken van een medium-specialisatie? Is het dan niet
zo dat de specialisatie niet in het medium ligt, maar in het kunste-
naarseigen proto-product? Met een generieke verschijningsvorm?
Een opvallend voorbeeld in de jaren negentig was Pillman van Micha
Klein, een concept waarvan de verschijningsvorm 2d of 3d kon zijn,
aankelijk van de situatie. Hiermee wil ik zeker niet suggereren dat
de positie van medium gebonden onderzoek en experiment in dit
kader van ondergeschikt belang is. Ik denk echter dat het niet langer
nuig is dit uit te drukken in graden van specialisme. Het werkveld
van de ontwerper is ingebed in stormachtige techno-sociale ontwik-
kelingen. De zich steeds versnellende ontwikkelingen op elektro-
chromisch gebied maakt het mogelijk elk oppervlak van elke (bewe-
gende) communicatie uiting te voorzien en daarbij direct gebruik te
maken van informatie over de toeschouwer. De befaamde scene uit
Minority Report11 is heel gemakkelijk in praktijk te brengen, slechts
economische belangen en een klein beetje ethiek belemmeren de
uitvoering. De toekomstig ontwerper zal zich in toenemende mate
in deze discussie mengen; het is immers niet het medium meer wat
de toepasbaarheid en wenselijkheid bepaalt. Net als met de ‘sociale
media’ is de deelname belangrijker dan de boodschap. Participatie
is een bijna politieke keuze, zonder deelnemers is er bijvoorbeeld
geen Facebook en dus geen multinationaal media imperium. Om so-
ciaal-maatschappelijk betrokken te zijn hebben we dus geen extern
thema nodig, de media zijn het thema.
2 Van Meta-Media naar Assemblage
Wat zich beweegt in een veld tussen de aectieve capaciteiten van
media, de ‘onderbewuste waarneming’ - en het virtuele, als het niet
geactualiseerde deel van realiteit - en het pragmatisch realisme van
het autonoom ontwerp waarbij een directe relatie gelegd wordt
tussen ontwerpfilosofie en praktijk, is van enorm belang voor de dis-
cussie. Het aanvankelijke startpunt ligt bij de propositie dat als je een
medium zou beoordelen op haar capaciteiten (wat het kan doen), in
plaats van op de eigenschappen (wat het is), er een heel andere clas-
sificatie mogelijk is. Op basis van een herverdeling in dit medialand-
schap is het dus mogelijk om twee media te vergelijken en elkaars
sterke punten uit te wisselen zonder dat het noodzakelijk is dat ze
van hetzelfde ‘materiaal’12 zijn. Vanuit deze gedachte hebben we een
experimentele researchstudio13opgezet in de faculteit bouwkunde
van TU Del, waarbij de ‘media’ architectuur en cinema op gelijke
wijze werden ingezet in het ontwerpproces van een groep master-
studenten.14 Het bleek al snel dat studenten heel natuurlijk reageren
als ze een set vaardigheden uit een ander metier aangereikt krijgen
dan hun eigen, juist om binnen hun eigen medium een ontwerp te
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
9 TL DR: Too Long Didn’t Read; commentaar als een post te lang is om snel te lezen. Belangrijker dan de
inhoud is de lengte.
10 Het Piet Zwart Instituut gebruikt deze indeling in één van de masterprogramma’s.
11 Minority Report is een film van Steven Spielberg uit 2002.De ‘befaamde’ scene speelt zich af in een
‘shopping mall’, waar de hoofdpersoon herkend wordt door het systeem en de wanden continu commerciële
boodschappen speciaal voor hem vertonen (het systeem vergist zich overigens omdat de hoofdpersoon de
ogen van iemand anders in hee, kennelijk wilde de maker geen dystopie verbeelden zonder de ingebouwde
gebruiksaanwijzing hoe deze te saboteren).
12 Benne, Jane (2010) Vibrant Maer: A Political Ecology of Things. Durham and London, Duke University Press
13 Researchstudio Camera-Eye 2004, TU Del, faculteit bouwkunde
14 De relatie tussen cinema en architectuur werd uiteraard al eerder gelegd, maar mijn grote bezwaar tegen
de klassieke benadering is dat er altijd sprake is van een ongelijke verhouding. D.w.z. er staat altijd één
medium in dienst van het andere (en dus zijn ze niet als gelijkwaardig ingezet). Er wordt bijvoorbeeld veel
gekeken naar welke rol architectuur in cinema speelt of hoe architectuur geoptimaliseerd kan worden voor
een cineastische ervaring, maar dat vind ik weinig interessant.
20 21
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
maken. Denk aan het (soms leerlijk) omzeen van architectuur in
een film, om vervolgens deze film aan te passen aan een aantal eisen
of wensen, en om dan uiteindelijk deze film terug te vertalen naar
architectuur. Het gaat ook om wat de verhoogde intensiteit in per-
ceptie (het aanscherpen van de zintuigen – zeven of meer - als on-
derdeel van de methodiek) voor het omgevings-ervaren-waarderen
kan betekenen. Hierdoor lijkt deze stijl een fenomenologisch karak-
ter te ontwikkelen, maar hee in feite veel meer overeen met een
psychogeografische15 aanpak. Het bleek heel goed mogelijk om zeer
concrete uitspraken te doen over de actuele realiteit zonder gebruik
te maken van de traditionele cartografie (zoals visie en dimensie)
waarbij het ‘soe’ en nieuwe instrumentarium ruimte bood voor een
verrassend uitgangspunt in het ontwerpen van urbane interventies.
Dit ook is getest in verschillende workshops (onder andere in Hong
Kong, Nanjing, Budapest, Moskou en New Jersey) en in publicatie
verschenen.16 Het vervolgonderzoek spitst zich toe op de aectieve
capaciteiten van media. Het includeert zo het subjectieve, virtuele
domein als ‘harde’ waarde in zijn verschijning (hard is hier bedoeld
als net zo hard als kleur, materiaal, dimensie enzovoorts.) en ontsluit
daarmee het potentieel van het niet-gerealiseerde tot instrument
van de ontwerper. In het radicaal empirisme noemt men dit real vir-
tual,17 het virtuele is het deel van de realiteit dat niet is geconcreti-
seerd. De onderbewuste, sub-narratieve kracht van (bewegend) beeld
is natuurlijk niet nieuw in de beeldende kunst of in het ontwerp. En
er is ook het nodige over getheoretiseerd, maar dit gaat veel verder.18
Ook hier is een MSc researchstudio voor opgezet, die in 2013 haar
eerste afgestudeerden hee afgeleverd.19 Mijn collega, de filosoof
en architect Andrej Radman licht toe: “Experience is never of some-
thing, rather it is something and as such irreducible to what we call lived
experience. The main consequence of such a revelation, according to
Robin Evans, is that goal-oriented human action (intentionality) cannot
in any serious way be used as a design criterion (determinism) because
freedom of action is never a de facto established condition but always a
nascent possibility (virtuality/the unconscious/desire).”20
De propositie van het New Materialism21 claimt dat het hoog tijd
is het antropocentrisch vetrekpunt in het denken over de relatie
mens-object te verlaten. De interne wensen en verlangens van het
materiële verdienen een gelijkwaardige positie in het krachtenveld
mens-object. Jane Benne schrij hierover: “the capacity of things –
edibles, commodities, storms, metals - not only to impede or block the
will and designs of humans but also to act as quasi agents or forces with
trajectories, propensities, or tendencies
of their own.22
Het onderzoek naar materialiteit, naar medium-specificiteit, naar
het medium specifiek krachtenveld wordt volgens deze logica dus
ook beïnvloed door het materiaal zelf. Niet als onderwerp alleen,
maar ook als actor. Deze positie werpt dan een heel nieuw licht op
het reeds genoemde materiaal en medium onderzoek. Om de relatie
geheel om te draaien (het materiaal onderzoekt de onderzoeker)
is interessanter voor een psychoanalytische studie. Maar er is best
een argument om op zijn minst te spreken van een dialoog tussen
onderzoeker en het onderzochte. Beide elementen zijn onderdeel
van een assemblage23. Het gaat niet om wat de eigenschappen van
deze elementen zijn, maar wat ze doen in deze relatie. Immers, de
symbiose levert niet alleen nieuwe inzichten en kennis op, maar
verlegt ook de grenzen van het materiaal zelf (de kracht van water
is vooral zichtbaar als langdurig, flexibel proces, totdat iemand uit
een vliegtuig springt en te pleer slaat tegen het wateroppervlak,
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
15 Psychogeografie is een term voor het eect dat een geografische omgeving op onze emotie en gedrag hee.
16 Boumeester, M. (2009) Cinematic mapping reviewed; transitioning to “collected subjectivism’ by trans-
ferring media typologies. In Penz, F., Lu, A. (Eds.), Urban Cinematics , p.90-99. Cambridge, University of
Cambridge, United Kingdom
17 Žižek, Slavoj (2006) How to read Lacan? London, Granta Books, p.27.
18 DeLanda, Ma. (2006) A New Philosophy of Society: Assemblage Theory And Social Complexity. London
and New York: Continuum
19 Graduation project AAA, TU Del, faculteit Bouwkunde
20 Quote dr.ir.Andrej Radman
21 ‘New materialism shows how the mind is always already material (the mind is an idea of the
body), how maer is necessarily something of the mind (the mind has the body as its object), and
how nature and culture are always already “naturecultures.”’. Uit: Dolphijn, R., Tuin, I. van der (2012)
New Materialism: Interviews & Cartographies. Ann Arbor, Open Humanities Press, University of
Michigan Library.
22 Benne, J. (2010) Vibrant Maer. Durham, London, Duke University Press
23 Assemblage is een term voor een situatie waarin verschillende (soorten) actoren op elkaar inwer-
ken. Iedereen is altijd onderdeel van verschillende assemblages (thuis, werk, relatie enz.), daarom is
elke situatie weer anders, ook al zijn er dezelfde personen bij betrokken en is de seing hetzelfde.
22 23
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
de kracht blijkt dus ook heel acuut te zijn). Nieuwe allianties kun-
nen worden gevormd die niet logischerwijze van het materiaal zelf
verwacht kunnen worden, maar die met een beetje hulp snel in
kracht winnen (materiaal met geheugen, zelfreinigend vermogen et
cetera). De vraag is hoe dit onderzoek te duiden in de praktijk van
de kunstenaar/ontwerper; wellicht belangrijker is de vraag hoe deze
positie te duiden in het kunst- en ontwerponderwijs. Het is immers
dit onderzoek dat de onderzoeker specialiseert.
3 Onderzoek als heuristisch instrument
De rol van onderzoek in de leeromgeving van het kunst- en ont-
werponderwijs is onderwerp van een actuele discussie met een
lange historie – alweer een mooie tegenstelling – en dit tekent
de complexiteit van het thema vrij precies. In traditionele zin zou
men kunnen zeggen dat de kunstenaar per definitie de kaders van
‘het bestaande’ voortdurend oprekt en waar mogelijk (en zo nodig)
het imaginaire concretiseert24. In alle gevallen wordt een intrinsiek
onderzoek direct of indirect omgezet in een product en mede
aankelijk van de materialiteit van het proces zal dit onderzoek in
meer of mindere mate medium-aankelijk zijn (materiaalexperi-
ment), gewaarwordingsgericht (vormstudie-tonaliteit) en/of con-
ceptueel (Position-Aussage-Deutung25). De perceptie van de beel-
dende kunstenaar/vormgever is dus per definitie niet louter input,
noch output, maar ‘throughput’26. Hoewel het ook te veronderstel-
len is dat dit voor alle perceptie zou gelden. Echter in geval van de
kunstenaar/vormgever is dit proces waarschijnlijk het duidelijkst
kenbaar. Voor zowel kunstenaars als vormgevers gaat op dat dit
onderzoek wordt geëntameerd door een interne of externe vraag, die
een voornamelijk subjectief karakter hee en waarvan de resultaten
zich veelal in een (audio)visuele expressievorm zullen manifesteren.
Hierin ook de grote tweespalt met definities die gegeven kunnen
worden van academisch onderzoek waarin termen als objectiviteit,
methodologie en participatie binnen het discours de toon zeen, en
waarbij er een (soms arbitrair) onderscheid gemaakt wordt tussen
fundamenteel en toegepast onderzoek. Aangezien veel van deze
termen diametraal tegenover de eerder genoemde kenmerken van
onderzoek binnen het kunst- en ontwerponderwijs staan, ligt het
voor de hand hierin een fundamenteel onderscheid te zien. En dit
is echter precies het punt waarom de discussie hierover nog immer
springlevend is. Immers de Wet op het hoger onderwijs en weten-
schappelijk onderzoek definieert hogescholen als zijnde: gericht
op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en
ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. […] en zij
dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen
bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.”27
Ten aanzien van onderwijs in de kunsten en vormgeving worden
hierop geen uitzonderingen gemaakt, waarmee eigenlijk elke ver-
plichting vervalt (of incentive ontbreekt) tot het stimuleren
en integreren van onderzoek wat zich niet direct richt op de
beroepspraktijk. Dit terwijl juist de VKO28 het schisma tussen sub-
jectieve onderzoekskwaliteiten, maatschappelijke relevantie en
wetenschappelijke integriteit nog tracht te verenigen door simpel-
weg te stellen dat: “het onderzoek aan hogescholen wordt omschreven
als onderzoek dat is geworteld in de beroepspraktijk en dat bijdraagt
aan de verbetering en innovatie van die beroepspraktijk. Dit vindt plaats
door het genereren van kennis en inzichten, maar ook door het leveren
van toepasbare producten en ontwerpen en concrete oplossingen voor
praktijkproblemen. Daarbij is het onderzoek doorgaans multi- en of
transdisciplinair van aard en ingebed in een scala van interne en externe
organisatorische verbanden. Dit met behoud van de wetenschappeli-
jke betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek zelf.”29 Let hierbij
vooral op de laatste zin.30
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
24 Massumi, B. (2002) Parables for the Virtual: Movement, Aect, Sensation. Durham, Duke University Press
25 Positionering, doelzeen en betekenisgeving. Algemeen classificatiemodel op basis van Gestalt theorie.
26 Massumi, B. (2002) Parables for the Virtual: Movement, Aect, Sensation. Durham: Duke University Press
27 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: hp://ween.overheid.nl/BWBR0005682/
Hoofdstuk1/Titel1/geldigheidsdatum_14-02-2013
28 VKO hp://www.vkohogescholen.nl/
29 Definitie VKO
30 HBO Raad Kwaliteitszorgstelsel ten aanzien van het onderzoek aan hogescholen 2009-2015.
24 25
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
Waar plaatst dat nu de opleiding in het kunst en ontwerponder-
wijs? Niet echt HBO en ook geen universiteit. De intrinsieke rol van
fundamenteel of toegepast onderzoek is onuitgesproken en niet
gespecificeerd alomtegenwoordig, mag nochtans hoogst subjectief
zijn, maar zal altijd leiden tot concrete en openbare resultaten, waar-
bij regelmatig de grenzen van het imaginaire worden opgerekt. Dit
laatste overigens met een duidelijke belangstelling en waardering
van de sectoren die traditioneel onbetwist als onderzoekend worden
geclassificeerd (technische & humanistieke faculteiten) waarmee dan
ook waardevolle samenwerkingen kunnen worden opgezet (Lab´s,
Interfaculteiten et cetera). Daarnaast is een instituut als dit ook één
van de weinige plaatsen waar externe opdrachtgevers terecht kun-
nen met een uiterst open en vage vraagstelling “Ter viering van het
zoveel jarig bestaan van ons departement zoeken we iets waarmee
we dat luister kunnen bijzeen, het mag niet te veel kosten”. Niet
direct het soort vraag waar een HEAO een antwoord op zou kun-
nen geven. Kennelijk is er dus een duidelijke waarde toe te kennen
aan het onderzoek binnen de kunst en het ontwerp en wordt het
‘soe’, imaginatieve, non-lineaire en subjectief scheppende niet als
bedreigend gezien door de academische wereld, maar juist als een
waardevolle aanvulling op het methodische, deels overbodige en ge-
nerieke karakter van veel wetenschappelijk onderzoek. De verwoede
pogingen vanuit de branche van het kunst- en ontwerponderwijs
om te kwantificeren hoe het onderzoek in het onderwijs is geïn-
tegreerd lijkt zich dan ook af te spelen in het verkeerde gremium,
waarbij de verplichting om één en ander controleerbaar te maken
(accreditatie) genadeloos indierent is voor dit speciale type van
onderwijs. Met andere woorden, de vraag is te generiek en bevat veel
fallische componenten. Maar in plaats van een response te formuleren
die daar op in gaat, lijken alle pogingen er op gericht om een inschikkend
antwoord te formuleren waarbij het onvermijdelijk lijkt om kramp-
achtige constructies te bedenken en defensief gedrag te vertonen.
De kwestie is niet: hoe beantwoorden we de vraag hoe wij onderzoek
implementeren in het werk, maar hoe maken we expliciet wat im-
pliciet (onderzoek) is. De transitie van extensief modelleren, naar in-
tensief denken en handelen. Daarbij is dus van ondergeschikt belang
of men de eigen positie kan uitdrukken in de zin van specialisme.
Men kan zich specialiseren met een doel, een eindpunt, onderzoek
tot het moment dat er een antwoord is (tegenover onderzoek tot
‘alle’ antwoorden gevonden zijn), om daarmee een ander proces te
ondersteunen. Wat op zich weer een onderdeel kan zijn van nog een
ander proces. Waarbij dus steeds niet alleen een onderdeel tot het
tijdelijk specialisme van de maker kan behoren, maar ook het proces
op zich.
4 Aordance
Praktisch onderzoek is een onderdeel van het ontwerpproces zelf.
Daar gaat het om onderzoek naar eigenheid, passies, bronmateriaal,
technieken en ontwerpmethodieken om te kunnen gebruiken in het
ontwerpproces en om een verdieping te verkrijgen in oplossingen.
Deze manier van onderzoek keert terug in alle praktijkvakken. De
logica dicteert dat de inhoud dus altijd groter is dan de vorm.
Zoals genoemd is er tegelijkertijd natuurlijk de parallelle ontwikke-
ling te signaleren, waarin de sterk toegenomen media-participatie
van de consument (de opkomst van de prosumer als gevolg van
revolutionair snelle ontwikkeling in productie-media) voor een
‘zij-flux’ zorgt, die de ontwikkeling van de professionele creatieve
industrie beïnvloedt (sommigen vrezen een ‘tegen-flux’ maar daar
lijken vooralsnog toch niet veel bewijzen voor te vinden). Hierdoor
lijkt de vraag wat je überhaupt aan een (design-) student kan en wil
leren actueler dan ooit te zijn.
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
26 27
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
Onderwijs in design gaat dus ook over het design van het onderwijs
Daarbij moeten dan de snelle ontwikkelingen van de productie-mid-
delen verdisconteerd worden, het is immers realiteit dat een student
aan het begin van de studie over een ander instrumentarium be-
schikt dan aan het einde. En dan bedoel ik niet het mentale instru-
mentarium dat ze als het goed is gedurende de studie opdoen. De
vraag is dus hoe je een curriculum flexibel genoeg kan houden om
in te spelen op veranderingen, terwijl het wel voldoende corpus
hee om van een curriculum te kunnen spreken, en waarbij de in-
en uitstroom condities niet werkelijk te voorspellen zijn (sociaal,
technologisch, economisch et cetera). Als we op basis van de theorie
van de psycholoog Maslow31 kijken naar hoe diens ‘vier stadia van
leren’ aansluiten bij de alle andere krachten die er op de student in-
werken (zoals de wens de student optimaal op de beroepspraktijk
voor te bereiden, die er zoals gezegd met grote waarschijnlijkheid
heel anders uitziet aan het einde van de studie, dan in het begin),
dan kunnen we een aantal uitspraken doen over specialismen. Door
Maslow wordt uitgegaan van de aanname dat studenten gedurende
hun studie een aantal fasen doorlopen; 1.onbewust, onbekwaam,
2.bewust, onbekwaam, 3.bewust,bekwaam, 4. onbewust, bekwaam.
Daarbij is het ook van belang de latere toevoeging ‘bewust bekwaam
van onbewust bekwaam’ te noemen. Dit stadium verwijst naar de
reflectieve vaardigheid van de student om zich bewust te worden
van het hiaat in een competentie. Een student in de eerste fase zal
zich een vrij naïeve zekerheid kunnen aanmeten omdat ‘al het on-
bekende’ nog niet in kaart is gebracht, de student in fase twee hee
daarvan al meer bewustzijn en zal zich graag willen vastbijten in
iets wat een zeker houvast gee, in fase drie zou een student zich-
zelf een specialist kunnen vinden (maar dat nog niet is), in fase vier
zal de student zich geen specialist meer noemen (maar is dat wel).
Meer van belang is fase vijf, hierin is namelijk het besef van de eigen
positie ten opzichte van de eigen competentieontwikkeling krachtig
genoeg aanwezig is om het onderscheid te maken tussen het eigen
oeuvre onderzoek (wat in feite de drijfveer is voor de ontwikkeling
van het eigen werk) en conditioneel, pragmatisch onderzoek (wat
ingaat op specifieke vragen die vanuit het eerste onderzoek voort-
komen). Het is op deze splitsing dat er een specialisme ontstaat; een
aantal bestaande voorbeelden zijn de bevriende filosoof die zich in
het oud-Grieks bekwaamde om een bepaalde reeks teksten over het
sublieme te kunnen doorgronden, of de bevriende schilder die zich
specialiseert in het mengen van soorten chocolade om een bepaalde
pigmentdiepte en structuur op het canvas te krijgen. Het jammere is
natuurlijk dat niet iedere student keurig deze ontwikkeling door-
loopt, en mocht dat wel het geval zijn dan is het zelden zo dat alle
vijf fasen aan bod komen. Onderwijsprogramma’s worden eerder
gemodelleerd op een ontwikkeling tot en met fase vier, met het
logische gevolg dat studenten de meeste waardering krijgen op het
moment dat ze maximaal in een bepaald medium gespecialiseerd
zijn, dan krijgen ze namelijk het diploma. Specialisatie kan dus ook
een instrumentaal onderdeel zijn, als middel tot een hoger doel.
Hierdoor kan dus de rol van een specialisme veranderen onder
invloed van het grotere ‘assemblage’, als we dat afzeen tegen een
bepaalde set van vaardigheden. Dan kan deze dus de ene keer leidend
zijn (een specialisatie) of dienend (als onderdeel van een generalisme).
Een consequentie hiervan is dat aard van elk onderwijsprogramma
dat zich nu ontwikkelt, vereist dat deze vragen intrinsiek onderdeel
worden van het programma zelf. Om dit een kader te geven is er
een researchprogramma opgezet: Asignifying Aordance of
Assemblage (AAA). Zoals de titel al aangee is de centrale gedachte
dat we altijd te maken hebben met een assemblage, een samenspel
van krachten (menselijk, instrumentaal, media, percepties, condities
et cetera), waaruit verschillende capaciteiten naar voren komen. Als
we deze benaderen op basis van wat ze ‘leveren’ (en dus niet op basis
waar we ze van (her-)kennen – Asignifying – het woord zegt het al:
los van elke typologie) dan is het mogelijk om vanuit een proto-ca-
paciteit tot een functionaliteit te komen en vanuit daar naar een
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
31 Deze theorie wordt toegeschreven aan psycholoog Abraham Maslow, maar komt niet voor in diens voor-
naamste literatuur. Maslow hee verschillende systemen ontwikkeld voor het classificeren van behoeen,
leermethoden en zelfontplooiing.
28 29
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
ontwerp. Heel simpel gesteld: als je een stoel ontwerpt, dan krijg
je een stoel. Maar als je onderzoekt wat ‘opzitbaarheid’ eigenlijk is
dan kun je tot iets heel nieuws komen. Veel van dit gedachtegoed
resoneert met de filosofie van Gilles Deleuze. Deze relatie is het
beste verwoord in een stukje van de AAA website: “AAA is shorthand
for what contemporary neuro-cognitive sciences classify under the
dynamic system theory (DST). Perception cannot be considered inde-
pendently because it is defined as an evolved adaptive and construc-
tive assemblage of the life-form and its environment. The founder of
the ecological school of perception James Jerome Gibson insisted that
perception is for action. Consequently, the environment - as the lawful
source of information about the risks and opportunities aorded - can-
not be considered independently of perception either. The traditional
chasm between the “two cultures” -- quasi-objective scientific empirical
and quasi-subjective humanistic speculative -- as well as the categories
of the knower and known, become obsolete. Gilles Deleuze’s advice is to
start from the middle (milieu) instead, hence the importance of the cur-
rent Aective Turn, between the too abstract (infinity) and not abstract
enough (finitude).”32
5 Economie
Als we Brigie Borja de Mozota33 volgen in haar studie naar de relatie
tussen de ontwerper en de manager, dan blinkt de eerstgenoemde
uit in ‘underdogness’ en positioneel wantrouwen ten opzichte van
de tweede, en deze in fundamenteel onderwaardering van de ‘so
resources’ en ‘human capital’ van de eerste. Herkenbaar en toe aan
revisie. Maar de vraag is of het noodzakelijk volgende economische
model (als opvolger van de economie van de structurele groei) deze
oppositionele posities nog wel zal kennen. Immers zal de weg uit
deze socio-economische en ecologische patstelling niet worden
gevonden in bestaande structuren? En loont het zich dus om ook in
economische zin te denken buiten de structuren van deze specialis-
men? Er zijn verschillende motieven om niet de Homo Universalis
als hoogst bereikbare ideaal te stellen, maar de Homo Connectus
(als zoiets bestaat). De ‘genetwerkte’ mens, die niet alleen altijd in
samenwerkingsverband opereert, maar zichzelf en zijn/haar rol,
ook altijd in het grotere kader ziet. De niet-egocentrische maar toch
ambitieuze mens, die eigenbelang en collectief belang als één ziet,
die inziet dat er geen winnaars zijn tenzij we allemaal winnen, die
ruimte laat voor het onuitgesprokene, het virtuele als tastbaar en
waardevol, die niet denkt in termen van meer of groter, maar in
termen van mooier en preciezer.
Als we informatie zien als het draaipunt tussen het virtuele en het ac-
tuele, en aect als het dynamisch surplus wat op dit snijvlak ontstaat,
dan is al snel duidelijk wat de rol van de kunstenaar/ontwerper in
de nieuwe economie kan zijn. Daarvoor moet eerst het bewustzijn
groeien over de economische validiteit en waarde van het ontwerp
van aect, zowel autonoom als toegepast. Daarnaast zal er op een
andere manier met de rol van het individu moeten worden omge-
gaan, de positie van het individu in het collectief verlangt immers de ene
keer een leidende rol, in een andere situatie een volgende rol. In de ene
situatie is men specialist, in de andere generalist. Follow and lead.34
Nieuwe vormen van aectief ontwerp kunnen ontstaan, zoals part-
to-part design (geen centraal ontwerp, verschillende blokken vullen
elkaar aan), Rhizomatic Design (geen centraal doel, ontwerp wat er
nodig is, wanneer het nodig is), Watershedding (ontwerp zonder
vooraf bepaald doel, de gebruiker definieert). Daarom zullen we gaan
werken met non-lineaire onderwijssystemen waarin groeps-compe-
tenties, modulair-progressief leren en centraal onderzoek een grote
rol spelen. Zoals te verwachten valt verloopt het denkproces hierover
globaal gezien compleet asynchroon. Op bijeenkomsten van asso-
ciaties zoals de Design Research Society (DRS35) wordt het pijnlijk
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
32 hp://3xa.org/
33 Borja de Mozota, B. (2003) Design Management. New York, Allworth Press
34 Zie ook: Boumeester, M. (2010) Designing Paradigm Shis; Follow and Lead. Paper gepresenteerd tijdens
Cumulus Conference in Genk, België.
35 DRS (The Design Research Society) is een multidisciplinaire leeromgeving ter promotie en ontwikkeling
van onderzoek binnen de designgemeenschap wereldwijd. Opgericht in 1966 en daarmee de langst gevestig-
de onderzoeksgemeenschap binnen de ontwerpwereld.
30 31
Cahier ABV 6: De gespecialiseerde generalist.
duidelijk dat de mate van toegestane creativiteit in de ontwikkeling
van onderwijs programma’s erg conjunctureel en cultureel aanke-
lijk is. Vereenvoudigd gezegd zijn er twee polen: in de ene hoek zij
die al wel een mentale vernieuwingsslag hebben gemaakt, maar geen
support krijgen om dat in praktijk te krijgen. En in de andere hoek:
zij die het wiel opnieuw uitvinden, maar wat daar ook uitkomt direct
kunnen implementeren.36 Eersteklas recept voor middelmaat dus en
een zelfgekozen vorm van remmende voorsprong.
Het is duidelijk dat een kleine verschuiving in het denken in de
BRIC landen plus Zuid Korea & Mexico een onwaarschijnlijk groot
eect hee hoe de wereld er uit zal zien in 2050, terwijl het hoogst
onwaarschijnlijk is dat men daarbij tot de maximaal mogelijke
verbeteringen zal komen. Daarom is het van groot belang juist
in economisch zwakke tijden volop aandacht te geven aan het
ontwikkelen en doorvoeren van nieuwe vormen van onderwijs -
met name in kunst en ontwerp – omdat de voorsprong die er op dit
moment nog is van groot belang kan zijn voor het beïnvloeden van
het denken en handelen in andere delen van de wereld. Denk maar
aan het grootschalige Braziliaanse kennis-inkoop project Science
Without Borders,37 waarbij ontwerpstudenten met een zak geld op
pad worden gestuurd om bij de verschillende academies kennis en
kunde ‘in te kopen’. Maar ook vanuit China en Korea zijn er al jaren
verschillende vormen van kennis-inkoop te zien.
Door dit niet als een bedreiging te zien, maar als een enorme kans
om de wereld van het ontwerp (en daarmee de wereld als geheel) te
beïnvloeden, hebben we niet alleen de mogelijkheid het begrip ken-
niseconomie daadwerkelijk vorm te geven, maar ook een instrument
in handen om de ontwerpers van de snelst groeiende economieën
een meer respectvolle en duurzame toekomst te laten vormgeven.
Marc BoumeesterDe gespecialiceerde generalist.
Conclusie
Zouden wij ons nog moeten richten op de vraag of het specialisme
nog bestaansrecht hee? Representatie bestaat niet, alles wat er
is hee zijn eigen bestaan. Simulacra kunnen we hooguit zien als:
‘those systems in which dierent relates to dierent by means of
dierence itself. What is essential is that we find in these systems no
prior identity, no internal resemblance’.38 Kunst is niet over politiek,
kunst is politiek en ontwerp is economie. Economie is politiek. Op
dit moment moeten we keuzes maken die van cruciaal belang zijn,
meer van hetzelfde soort denken hee geen zin. De organisatie van
het autonoom of toegepast ontwerpen van aect, met een duidelijke
ruimte voor onderzoek op mesoniveau (voor de kunstenaar zelf),
met eventueel praktijkgericht onderzoek als heuristisch instrument
(micro), hee een hoge prioriteit. De verlamming van de schijnbare
antagonerende relatie tussen vorm in inhoud moet doorbroken
worden, de heerschappij van het structuralisme moet overwonnen.
Er zijn onderdelen die het onderscheid tussen specialisme en gene-
ralisme van ‘binnen uit’ verweken; zoals verdwijnende medium-
specificiteit, vergrote deelname aan de productie et cetera. Tegelij-
kertijd zijn er genoeg redenen om de aandacht voor materialiteit en
mediumgericht onderzoek te behouden. Op het moment dat we de
situatiespecificiteit en temporaliteit van ons handelen in ons hande-
len betrekken verdwijnen de bestaande antithesen en scheppen we de
voorwaarden voor een derde weg, waarin kunst en ontwerp meer dan
ooit hun politieke meerwaarde kunnen claimen en daarmee ook hun
economische validiteit bewijzen. Het gespecialiseerde generalisme
blijkt een oxymoron, maar wel van het soort waarbij beide termen in
elkaar overvloeien.<?>
36 Bezoek aan de Conferentie 2011 in Paris en de Conferentie 2013 in Oslo.
37 Science without Borders is opgezet en gefinancierd door de Braziliaanse overheid. Het beurzenprogramma
biedt Braziliaanse topstudenten de mogelijkheid om aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling te studeren
of onderzoek te doen. Het totale programma voorziet tot en met 2014 in minimaal 75.000 beurzen. Andere
deelnemende landen zijn onder andere de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland en Groot-Briannië. 38 Deleuze, G. (2012) Dierence and Repetition. London and New York, Continuum, p.299
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.