ArticlePDF Available

Seksuele doding in Nederland: Een voorlopig overzicht

Authors:
Article

Seksuele doding in Nederland: Een voorlopig overzicht

Abstract and Figures

Seksuele doding wordt breed uitgemeten in de media, en leidt vaak tot hevige maatschappelijke reacties. Toch vormt seksuele doding slechts drie tot vijf procent van het totaal aantal opgeloste dodingen, wat neerkomt op ongeveer vijf tot tien zaken per jaar. Hoewel sinds een aantal decennia op internationaal gebied wetenschappelijke aandacht aan dit onderwerp wordt besteed, is dergelijk onderzoek in Nederland zeer schaars. Zo is er tot op heden geen duidelijk wetenschappelijk overzicht van de aard en incidentie van seksuele doding in ons land.
No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
16 het Tijdschrift voor de Politie – jg.78/nr.5/16
Wat we weten en wat er zou moeten gebeuren
Seksuele doding in Nederland:
een voorlopig overzicht
Emma Spangen-
berg en Marieke
Liem, Universiteit
Leiden,
m.c.a.liem@fgga.
leidenuniv.nl.
Seksuele doding1 wordt breed uitgemeten in de media, en leidt vaak tot
hevige maatschappelijke reacties. Toch vormt seksuele doding slechts
drie tot vijf procent van het totaal aantal opgeloste dodingen, wat
neerkomt op ongeveer vijf tot tien zaken per jaar. Hoewel sinds een
aantal decennia op internationaal gebied wetenschappelijke aandacht
aan dit onderwerp wordt besteed, is dergelijk onderzoek in Nederland
zeer schaars. Zo is er tot op heden geen duidelijk wetenschappelijk
overzicht van de aard en incidentie van seksuele doding in ons land.
De afgelopen jaren heeft er een aantal seksuele
dodingen in de belangstelling gestaan, waaronder
de zaak van de 16-jarige Marianne Vaatstra en de
Schiedammer Parkmoord waarbij het tienjarige
meisje Nienke Kleiss om het leven werd gebracht. Beide
zaken kenden een lang onderzoek- en strafproces. Andere
in het oog springende zaken omvatten de moord op de
Amsterdamse bejaarde vrouw Bep Theunissen door haar
18-jarige buurjongen, en de zaak van het 12-jarige meisje
Milly Boele uit Dordrecht. Zij werd gedood door haar
26-jarige buurman, die werkzaam was binnen de politie als
surveillant.
De prostitutiesfeer kent tevens een aantal seksuele
dodingen, zoals de tot op heden onopgeloste moord op de
19-jarige Hongaarse moeder Bernadett Szabo op de Wallen
en de moord op de 43-jarige Ilona Quaedflieg, een van de
vrouwen uit de reeks prostitutiemoorden in Heerlen, waar-
bij er onvoldoende bewijs was tegen de verdachte Peter C..
Definitie van seksuele doding ontbreekt
Tot op heden ontbreek het aan een universeel geaccep-
teerde definitie van seksuele doding. Een aantal zaken kan
direct als zodanig worden onderscheiden. In andere zaken
is het seksuele motief echter moeilijk vast te stellen. Het
motief voor seksuele doding is uiteenlopend en past niet
altijd in het stereotype ‘lustmoord’. Denk hierbij aan seksu-
eel contact waarna er een ruzie ontstaat met een dodelijke
afloop, dan kan het zijn dat de dader niet handelde vanuit
een lustmotief.
In de beperkte Nederlandse onderzoeksliteratuur (Leis-
tra & Nieuwbeerta, 2003; Nieuwbeerta & Leistra, 2007)
spreekt men van seksuele doding wanneer het slachtoffer
voor, tijdens of na de doding seksueel misbruikt is of hier
een poging tot gedaan is. Hierbij kan sprake zijn van vrij-
willig geslachtsverkeer – denk hierbij aan seksuele doding
tussen partners of doding binnen de prostitutiesfeer. De
meeste internationale definities richten zich op het bewijs
van de plaats delict, waarbij er aanwijzingen dienen te zijn
van seksuele activiteiten van de dader (Folino, 2000;
Greenall, 2012; Ressler et al., 1988). Het kan hierbij gaan
om masturbatie en/of penetratie van het slachtoffer (oraal,
vaginaal of anaal (Beauregard & Martineau, 2012; Greenall
& Wright, 2015; Maniglio, 2010), het (gedeeltelijk) naakt
achterlaten van het lichaam en/of het verminken van
geslachtsdelen (Beech et al., 2005; Greenall & Richardson,
2015; Kerr et al,. 2013).
In onderzoek naar fataal geweld in Nederland wordt er
doorgaans een onderscheid gemaakt tussen partnerdoding,
kinderdoding, ouderdoding, doding bij ruzies, roofdoding
en seksuele doding (Ganpat & Liem, 2013; Leistra &
Nieuwbeerta, 2007). Het probleem met een dergelijke
categorisatie van seksuele doding is dat deze dodingen
ongewild kunnen worden opgenomen in foutieve catego-
rieën als het seksuele motief niet expliciet naar voren komt.
De incidentie op basis van deze Nederlandse onderzoeken
(Leistra & Nieuwbeerta, 2003; 2007) betreft daarom een
ondergrens van de daadwerkelijke incidentie.
Een ander probleem doet zich voor in de rechtspraak.
Het uitvoeren van seksuele handelingen met een levenloos
lichaam is in Nederland niet strafbaar gesteld, waardoor
zaken waarin sprake is van seksuele activiteiten ná het
overlijden van het slachtoffer, moeilijk zijn te traceren. Tot
De categorisatie is
onbetrouwbaar en we
moeten rekening houden
met het dark number
17het Tijdschrift voor de Politie – jg.78/nr.5/16
Seksuele doding in Nederland
slot blijft ongeveer 20 procent van alle dodingen die jaar-
lijks in Nederland gepleegd worden onopgelost. Bij het
weergeven van seksuele dodingen moet daarom rekening
gehouden worden met het zogenaamde dark number. Er
worden personen voor een langdurige periode vermist en
sommige lichamen worden nooit gevonden. Mogelijk ver-
klaart dit binnen de prostitutiesfeer een hoge prevalentie
van onopgeloste dodingen (LePard et al., 2015).
Onderzoek naar de aard en incidentie van
seksuele doding
Behalve dat een internationale definitie ontbreekt, is seksu-
ele doding als apart type doding tevens nog onvoldoende
gedocumenteerd en gedefinieerd in overheidsstatistieken.
In de Europese statistieken zoals The UN-CTS, The Euro-
pean Sourcebook, Eurostat, World Health Organization
(WHO) wordt er geen specifieke aandacht besteed aan
seksuele doding. Het European Sourcebook of Crime and
Criminal Justice Statistics maakt verschil in de hoofdcatego-
rie seksueel misbruik, maar de categorie seksuele doding
ontbreekt (Aebi, et al., 2014). In het Handbook of European
Homicide Research en in de European Homicide Monitor
(EHM) worden door de landen Nederland, Duitsland,
Finland, Zwitserland en Zweden wel aandacht besteedt aan
seksuele doding (Birkel & Dern, 2013; Ganpat & Liem,
2013; Granath, et al., 2011; Markwalder & Killias, 2013).
Op basis van eerder onderzoek kan gesteld worden dat het
percentage seksuele dodingen in Europa tussen de 1 en 4
procent van de opgeloste dodingen ligt (Granath, et al.,
2011).
In de Angelsaksische regio’s is meer onderzoek naar
seksuele doding uitgevoerd, waarbij de incidentie varieert
van 0,2 procent in de Verenigde Staten tot 1 procent van alle
dodingen in Australië, en tot 4 procent in het Verenigd
Koningrijk (James & Proulx, 2014; Mouzos, 2003). Wan-
neer we alleen naar dodingen kijken waar vrouwen het
slachtoffer van zijn geworden, varieert de incidentie van 4
procent in New York tot wel 16 procent van alle vrouwen-
moorden in Zuid-Afrika (Abrahams et al., 2008; Frye et al.,
2005; Greenall, 2012).
Seksuele dodingen in Nederland in 1992-2014
Om de aard en incidentie van seksuele dodingen in Neder-
land in kaart te brengen, hebben we reeds bestaande over-
zichten (Baas, 2011; Leistra & Nieuwbeerta, 2003; Nieuw-
beerta & Leistra, 2007) voor de periode 1992-2006
aangevuld met een analyse van recent gepleegde zaken in
de periode 2007-2014. De eerder gepubliceerde overzich-
ten van 1992-2006 hebben gebruik gemaakt van ANP-
persberichten, jaarlijkse overzichten van moord en dood-
slag van het weekblad Elsevier, het Moord & Doodslag
Bestand van de dienst Nationale Recherche Informatie
(NRI), het ‘Violent Crime Linkage Analysis System
(ViCLAS)’ van de NRI, het databestand ‘OM-data’ van het
Openbaar Ministerie, de gegevens van het Strafregister van
de Dienst Centrale Justitiële Documentatie van het ministe-
rie van Justitie, en tenslotte het bestand ‘Moord in 1998’ van
het WODC (zie voor meer informatie Leistra & Nieuw-
beerta, 2003; Nieuwbeerta & Leistra, 2007).
Voor de periode 2007-2014 hebben we gegevens verkre-
gen uit ANP-persberichten. Jaarlijkse overzichten van
moord en doodslag van het weekblad Elsevier vormden een
belangrijke informatiebron; daarnaast werden de gegevens
aangevuld met informatie uit Rechtspraak.nl en overige
open bronnen. Door middel van de databank LexisNexis
werd voorts gezocht naar specifieke gevallen uit deze lijsten
met zoektermen als de plaatsnaam, datum gevolgd door
‘dood’, eventueel aangevuld met specifieke kenmerken van
de casus.
Zaakkarakteristieken
In de provincies Noord-Holland (22%) en Zuid-Holland
(18%) werden in de periode 1992-2014 de meeste seksuele
dodingen gepleegd, waarbij Amsterdam en Rotterdam de
lijst aanvoerden. Voorts laten de resultaten zien dat seksu-
ele dodingen heterogeen van aard zijn. Dit wil zeggen dat de
Foto: ANP, Robert Vos
18 het Tijdschrift voor de Politie – jg.78/nr.5/16
Seksuele doding in Nederland
dodingen divers zijn en er niet in algemeenheden over kan
worden gesproken: onder de geïdentificeerde seksuele dodin-
gen is een grote variatie in modus operandi, dader-karakteris-
tieken, slachtofferkarakteristieken en onderliggend motief.
Bijna de helft van de slachtoffers is om het leven
gebracht door middel van wurging en/of verstikking. De
hoge prevalentie van wurging kan mogelijk worden ver-
klaard door de persoonlijke methode van het doden: het
contact hierbij is intiem en geeft meer controle aan de dader
(Beech, et al., 2005; Schlesinger et al., 2010). Het doden
met een steekwapen was na wurging de meest gebruikelijke
methode en werd in bijna een derde van de dodingen toege-
past. Bijna de helft (44%) van de dodingen vond plaats in
een woning en een kwart (26%) van de slachtoffers werd
gedood op een openbare weg. In totaal bleef één op de vijf
van de seksuele dodingen onopgelost – hier liet de plaats
delict weliswaar overduidelijk tekenen van seksueel geweld
zien, maar is de dader is tot op heden onbekend.
Slachtofferkarakteristieken
In totaal werden in de onderzochte periode 143 mensen
slachtoffer van seksuele doding (105 vrouwen en 38 man-
nen), wat neerkomt op ongeveer 6 slachtoffers per jaar.
Mannen liepen een kans van 0,21 per 100.000 om slachtof-
fer te worden van seksuele doding; bij vrouwen is die kans
bijna drie keer zo hoog (0,56 per 100.000). Jeugdige slacht-
offers onder de 18 jaar vormden bijna één vijfde van het
totaal, en oudere slachtoffers van boven de 61 jaar vormden
slechts één tiende van het totaal. In de leeftijdscategorie
van 20-40 jaar maken vrouwen aanzienlijk meer kans dan
mannen om slachtoffer te worden van seksuele doding;
hierbij was hun kans 1,17 per 100.000 vergeleken met een
kans van 0,20 per 100.000 bij mannen.
Daderkarakteristieken
Op één uitzondering na zijn alle daders van seksuele dodin-
gen mannen. Meer dan de helft van de daders was 20 tot 30
jaar oud ten tijde van het delict. Daarnaast bevond ongeveer
één vijfde van de daders zich in de leeftijdscategorie van
31-40 jaar (18%) en was een kleiner deel jonger dan 20 jaar
(15%). De motieven van de daders bestonden voornamelijk
uit woede (24%) en daarnaast uit seksuele opwinding/
bevrediging (21%). Twee op de drie (64%) daders waren
autochtoon. Van ongeveer de helft (45%) van de daders is
bekend dat zij ten tijde van het delict onder invloed waren
van drank, drugs of een combinatie hiervan.
Conclusie
Seksuele dodingen worden gekenmerkt door mannelijke
daders en vrouwelijke slachtoffers. Het merendeel van de
slachtoffers werden om het leven gebracht door middel van
wurging. De meeste dodingen vonden plaats in de grote
steden. Seksuele doding karakteriseert zich – in overeen-
komst met internationaal onderzoek – ook in Nederland als
een heterogeen fenomeen.
Dit onderzoek geeft een basaal overzicht van seksuele
dodingen in Nederland van de afgelopen jaren. Vervolgon-
derzoek dient nader in te gaan op de casuïstiek van de
dodingen voor een breder inzicht in de aard van seksuele
doding. Er moet rekening worden gehouden met een selec-
tie-effect zolang het ontbreekt aan een eenduidig toegepaste
definitie van seksuele doding. Er blijven veel dodingen
onopgelost, deels door het ontbreken van een uniform
system om zaken als seksuele dodingen gemakkelijk op te
kunnen sporen. Helaas heeft dit vergaande consequenties
voor de opsporing.
Tot slot: wat zijn de gevolgen voor de
politieorganisatie?
In Nederland ontbreekt het aan een universele databron
voor levensdelicten. Bij de verschillende politieregio’s is er
Er is geen
uniform registratiesysteem,
dat heeft vergaande
consequenties
Foto: ANP, Catrinus van der Veen
Ontknoping zaak-Vaatstra.
19het Tijdschrift voor de Politie – jg.78/nr.5/16
Seksuele doding in Nederland
geen uniform registratiesysteem, met als het gevolg dat
informatie en de mogelijkheden om gegevens met elkaar te
verbinden ontbreken. Dit heeft gevolgen voor het zogeheten
dark number van zaken met een mogelijk seksueel motief.
Ook op internationaal niveau ontbreekt het nog aan een
registratiesysteem voor seksuele doding. Hoewel het
Federal Bureau of Investigation (FBI) in de Verenigde
Staten gebruik maakt van het Violent Criminal Apprehen-
sion Program (ViCAP)-systeem, wordt dit in de praktijk
weinig toegepast (Newton, 2008). In Canada is het sys-
teem Violent Crime Linkage Analysis System (ViCLAS)
ontworpen, wat een groter succes heeft. De voornaamste
reden is dat in de Verenigde Staten het gebruik van het
systeem niet verplicht is en in Canada wel (Miller, 2015).
Ook in Nederland wordt ViCLAS ingezet als databank,
hierin worden gegevens van opgeloste en onopgeloste
zedenzaken opgenomen (Aanwijzing opsporing en ver-
volging inzake seksueel misbruik, 2014). De mogelijkhe-
den van ViClAS kunnen in ons land worden vergroot als
de regionale eenheden consequent informatie opnemen
en doorgeven aan de Landelijke Eenheid. Het gebruik
van een uniform registratiesysteem voor moord en dood-
slag dat landelijk inzicht geeft in levensdelicten, maakt
het verbinden van gegevens mogelijk met als gevolg een
transparant beeld van zaak- en slachtofferkarakteristie-
ken, met zo mogelijk een toename in de oplossingsgraad
van deze extreme vorm van dodelijk geweld. «
Literatuurlijst
Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. (31
December 2014).
Wet- en regelgeving - Aanwijzing opsporing en vervolging inzake
seksueel misbruik - BWBR0029026. Opgeroepen op 28 Juni 2015,
van wetten.overheid.nl: http://wetten.overheid.nl/BWBR0029026/
Bijlage5/geldigheidsdatum_29-06-2015.
Aebi, F. M., Akdeniz, G., Barclay, G., Campistol, C., Caneppele, S.,
Gruszczyńska, B., et al. (2014). European Sourcebook of Crime and
Criminal Justice Statistics. Helsinki: European Institute for Crime
Prevention and Control.
Baas, M. (2011). Seksuele doding in Nederland, Een onderzoek naar de
aard en incidentie van seksuele dodingen in Nederland gedurende de
periode 1992-2009. Niet-gepubliceerde Master Thesis. Leiden:
Universiteit Leiden.
Beauregard, E., & Martineau, M. (2012). A Descriptive Study of
Sexual Homicide in Canada: Implications for Police Investigation.
International Journal of Offender Therapy and Comparative
Criminology, 57 (12), 1454– 1476.
Beech, A., Fisher, D., & Ward, T. (2005). Sexual Murderers’ Implicit
Theories. Journal of Interpersonal Violence, 20(11), 1366-1389.
Birkel, C., & Dern, H. (2013). Homicide in Germany. In M. Liem, &
W. A. Pridemore, Handbook of European Homicide Research:
Patterns, Explanations, and Country Studies (pp. 313-328). New
York: Springer.
Folino, J. (2000). Sexual Homicides and Their Classification Accor-
ding to Motivation: A Report From Argentina. International Journal
of Offender Therapy and Comparative Criminology, 44 (6), 740-750.
Frye, V., Hosein, V., Blaney, S., & Wilt, S. (2005). Femicide in New
York City; 1990 to 1999. Homicide Studies, 9 (3), 204-228.
Ganpat, S., & Liem, M. (2013). Homicide in the Netherlands. In M.
Liem & W. Pridemore (Eds.), Handbook of European Homicide
Research; Patterns, Explanations, and Country Studies (pp. 329-
339). New York: Springer.
Granath, S., Hagstedt, J., Kiviuori, J., Lethi, M., Ganpat, S., Liem, M.,
et al. (2011). Homicide in Finland, the Netherlands and Sweden A
First Study on the European Homicide Monitor Data. Stockholm:
The Swedish National Council for Crime Prevention.
Greenall, P. (2012). Understanding sexual homicide. Journal of
Sexual Aggression, 18 (3), 338-354.
Greenall, P., & Wright, M. (2015). Exploring the criminal histories of
stranger sexual killers. The Journal of Forensic Psychiatry &
Psychology , 26 (2), 242-259.
Kerr, K., Beech, A., & Murphy, D. (2013). Sexual homicide: Defini-
tion, motivation and comparison with other forms of sexual offen-
ding. Aggression and Violent Behavior, 18, 1-10.
Kong, R., Johnson, H., Beattie, S., & Cardillo, A. (2003). Sexual
offences in Canada. Juristat Canadian Centre for Justice Statistics,
23 (6), 1-26.
Leistra, G., & Nieuwbeerta, P. (2003). Moord en doodslag in Neder-
land 1992-2001. Amsterdam: Prometheus.
LePard, D., Demers, S., Langan, C., & Rossmo, K. (2015). Challenges
in serial murder investigations involving missing persons. Police
Practice and Research: An International Journal, 16 (4), 328-340.
Miller, T. C. (2015, July 30). The FBI Built a Database That Can
Catch Rapists –Almost Nobody Uses It. Opgeroepen op 10 8, 2015,
van Pro Publica Journalism in the Public Interest: https://www.
propublica.org/article/the-fbi-built-a-database-that-can-catch-
rapists-almost-nobody-uses-it
Mouzos, J. (2003). Homicide in the Course of Other Crime in Austra-
lia. Trends & Issues in Crime and Justice (252), 1-6.
Newton, M. (2008). Criminal Investigations: Serial Killers. New York:
Infobase Publishing.
Nieuwbeerta, P. & Leistra, G. (2007). Dodelijk geweld. Moord en
doodslag in Nederland. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
Ressler, R., Burgess, A., & Douglas, J. (1988). Sexual Homicide:
Patterns and Motives. New York: The Free Press.
Schlesinger, L., Kassen, M., Mesa, B., & Pinizzotto, A. (2010). Ritual
and Signature in Serial Sexual Homicide. The journal of the
American Academy of Psychiatry and the Law, 38 (2), 239-246.
Smit, P., de Jong, R. R., & Bijleveld, C. C. (2013). Homicide Data in
Europe: Definitions, Sources, and Statistics. In M. Liem, & W. A.
Pridemore, Handbook of European Homicide Research: Patterns,
Explanations, and Country Studies (pp. 5-23). New York: Springer.
Noot
1 Wanneer de term doding wordt gebruikt refereert dit zowel naar moord
(Art. 289 en 291 W.v. Str.Sr.) als naar doodslag (Art. 287, 288 en 290
W.v. Str.).
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Chapter
Full-text available
In the Netherlands, on average, 223 persons per year die in a homicide (Lethal violence. homicide in the Netherlands 1992-2006, 2007). This chapter provides an overview of all 3,771 homicide cases that occurred in the period 1992–2009, by outlining the epidemiology of homicide and by describing the types of homicide and the characteristics of those involved. In doing so, a distinction is made between domestic homicides, homicides in the context of an argument, criminal homicides, robbery homicides, and sexual homicides. In addition, this contribution offers several explanations specific to the Netherlands for the recent decline in the rate of lethal violence (e.g., population size, societal distribution, the use of firearms, unemployment rate, substance use, and detention policy). Finally, it presents an insight into policies and the general punishment of homicide in the Netherlands.
Book
This comprehensive work provides a sourcebook of information about the substantive, methodological, and policy-oriented aspects of homicide research in Europe. Part one of this work covers the most recent substantive and methodological information about European homicide research. The second part will contains detailed case studies on homicide research in 15-20 individual European nations. This work will be both conceptual and practical. conceptual and practical. Conceptual aspects will focus on theoretical frameworks and patterns and trends of violence in Europe. Practical aspects will examine the results of empirical research, topics relating to different data sources and the variation of legal definitions of violence throughout Europe, and policy issues relating to variation in homicide prevention and punishment of homicide offenders throughout Europe. This handbook will not only provide an up-to-date reference that brings together known information, but will also offer previously unpublished comprehensive literature reviews and original research findings. The editors' distinctive approach is to provide readers with an English-language central source of information about the voluminous literature on European homicide research that is currently spread widely in dozens of different European and American journals. © Springer Science+Business Media, LLC 2012. All rights reserved.
Article
Police agencies investigating serial murders involving missing persons face unique challenges. First, some missing persons are never reported missing or are reported missing long after they were last seen. Second, even when they are reported missing, some serial murder victims are not identified as such because police adhere to the theory that they died of causes other than foul play, or are still alive and have simply moved or run away. Finally, even when serial murder is suspected, the absence of forensic evidence can delay police in confirming that foul play is involved, therefore compromising or slowing the investigation. This article outlines how these investigative challenges have affected various North American serial murder cases. A better understanding of these challenges can help police managers and investigators in North America and internationally remain vigilant and prevent future investigative failures.
Article
Although sexual homicide is receiving increasing research attention, few studies have examined the criminal histories of sexual killers in any detail. This study examined the criminal histories of 81 British stranger sexual killers to determine whether they were generalist, specialists or both and whether their criminal histories reflected violent, sexual, marginality and over control pathways. Results found most stranger sexual killers were generalist offenders and sexual homicide was part of a varied criminal repertoire and non-sexual crimes predominate. This ‘antisocial orientation’ means future offending may not be limited to sexual violence. Criminal histories reflected the violent, sexual, marginality and over control pathways, but offenders in the violent pathway were more criminally orientated. The clinical and investigative implications of these findings were considered as they suggest knowledge of the criminal histories of stranger sexual killers is an important consideration for criminal justice professionals.
Article
Sexual homicide is a crime that receives much media attention, but one that still has a relatively small research base compared to other crimes. Although the idea of someone deriving sexual gratification from or during the killing of another is an anathema to many, forensic professionals need to understand sexual homicide and the range of circumstances and motivations that lie behind it. This paper explores this complex crime: it illustrates the various definitions and labels used; it suggests that sexual homicide is rare and is committed by individuals who, although having troubled histories, may not differ from other offenders. Then, by examining the various legal and behavioural circumstances in which sexual homicide can occur, this paper illustrates the diversity of sexual homicide and presents it in a more understandable manner. Finally, the paper suggests that knowledge of this diversity is required both for investigative and clinical purposes.
Article
This article reports resultsof an ongoing studyof femicide in New York City. Using medical examiner records, femicides occurring between 1990 and 1999 were categorized according to whether an intimate partner perpetrated the homicide. Descriptive analyses results revealed that most femicide victims were young, Black, and killed in poor neighborhoods. Among cases with a known perpetrator, 40% were intimate partner femicides. Whereas the rate of nonintimate partner femicide decreased between 1990 and 1999, the rate of intimate partner femicide remained relatively stable. Multivariate analyses revealed that the strongest predictors of femicide by an intimate partner included having children under 18, living in a private residence, and being foreign born. Homicide followed by the suicide of the offender was also strongly associated with intimate partner femicide. Intimate partner femicide exhibits a unique epidemiology, and this knowledge should be used to plan and guide prevention activities.