ArticlePDF Available

Hoe straffen en morele educatie samen gaan: vier lessen uit de pedagogiek voor toezicht

Authors:

Abstract

Pedagogisch onderzoek laat zien dat straffen en morele ontwikkeling onder condities samen gaan. In dit artikel onderzoeken wij of de in de pedagogiek onderkende condities voor het verkrijgen van een hogere morele ontwikkeling in combinatie met straffen ook voor het pu-blieke toezicht op bedrijven kunnen gelden. We veronderstellen daarbij dat een hogere morele ontwikkeling van bedrijven tot een verbetering van hun naleefgedrag leidt. Op basis van een metaforische vergelijking tussen pedagogiek en toezicht komen we op vier factoren die de effectiviteit van een morele boodschap van een overheidstoezichthouder bij handhaving bepalen, te weten: morele autoriteit van de toezichthouder, wederzijds vertrouwen, liefde van de toezichthouder voor de onder toezicht gestelde en erkenning van diens identiteit door de toezichthouder.
Hoe straffen en morele educatie samen gaan:
vier lessen uit de pedagogiek voor toezicht
Han de Haasa en Martin de Breeb
Trefwoorden:
Handhaving, morele educatie, morele ontwikkeling, pedagogiek, straffen.
Samenvatting
Pedagogisch onderzoek laat zien dat straffen en morele ontwikkeling onder condities samen
gaan. In dit artikel onderzoeken wij of de in de pedagogiek onderkende condities voor het
verkrijgen van een hogere morele ontwikkeling in combinatie met straffen ook voor het
publieke toezicht op bedrijven kunnen gelden. We veronderstellen daarbij dat een hogere
morele ontwikkeling van bedrijven tot een verbetering van hun naleefgedrag leidt. Op basis
van een metaforische vergelijking tussen pedagogiek en toezicht komen we op vier factoren
die de effectiviteit van een morele boodschap van een overheidstoezichthouder bij handhaving
bepalen, te weten: morele autoriteit van de toezichthouder, wederzijds vertrouwen, liefde van
de toezichthouder voor de onder toezicht gestelde en erkenning van diens identiteit door de
toezichthouder.
a Ing. J.M.G. (Han) de Haas is als promovendus verbonden aan de Rotterdam School of Management van de
Erasmus Universiteit. Han de Haas is werkzaam bij de Provincie Noord-Brabant als regisseur handhaving
omgevingsrecht. Correspondentieadres: jmdhaas@brabant.nl.
b Dr. ing. M.A. (Martin) de Bree MBA is als onderzoeker verbonden aan de Rotterdam School of Management
van de Erasmus Universiteit. Martin de Bree is directeur-eigenaar van adviesbureau Next Step Management,
Hellevoetsluis.
1
Als de toezichthouder bij een onderneming een overtreding constateert kan deze via een
nader te bepalen interventie ingrijpen. Wij vragen ons af of een morele boodschap in
combinatie met een sanctie, het naleefgedrag van een bedrijf bevordert.
Onderzoeksresultaten uit de pedagogiek laten zien dat een morele boodschap onder
condities de morele ontwikkeling en daarmee het gedrag verbetert. Vier factoren zijn onzes
inziens toepasbaar in het overheidstoezicht.
Introductie
Er op los slaan met een hoge boete, als het moet dan moet het. Maar of dat de manier is om
bedrijven op het rechte pad te krijgen?’ Chris Fonteijn, bestuursvoorzitter van de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) vraagt zich in de NRC van 11 april 2015 af of er andere
mogelijkheden zijn om bedrijven op ‘het rechte pad’ te brengen en te houden dan door het
uitdelen van boetes. Als de overheid ingrijpt bij het niet naleven van de wet en hiervan
afgeleide regels, is dat meestal door middel van sancties of het dreigen daarmee. Sancties of
straffen zijn gericht op het opzettelijk en openlijk toebrengen van pijn of verlies door een
persoon of organisatie die daarvoor de macht en de kracht heeft.1 Voor de rechtvaardiging van
straffen worden veelal twee visies onderscheiden; vergelding en afschrikking.2 De Landelijke
handhavingstrategie is een recentelijke door inspectie-organisaties in het domein van
omgevingsrecht vastgestelde sanctiestrategie. In deze strategie is het afwegingskader
vastgelegd hoe door deze inspectie-organisatie vergelding en afschrikking wordt toegepast.3
Straffen of sanctioneren is een moreel proces. De rechtvaardiging van straffen of
sanctioneren is echter moreel problematisch omdat het om handelingen of gedragingen gaat
1 J. Deigh, 'Punishment and Proportionality', Criminal Justice Ethics, 2014, p. 185-199.
2 P. Westerman, Rechtsfilosofie. Inleiding. Heerlen: Open Universiteit, 1998.
3 Landelijke handhavingstrategie (1.7), Bestuurlijk Omgevingsberaad 4 juni 2014, document beschikbaar via
http://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/handhaving/landelijke/introductie/. De Landelijke
handhavingstrategie stelt voor gemeenten, waterschappen, provincies en rijksinspecties het kader om tot
uniforme interventies te komen.
2
die in moreel deugdelijke verhoudingen als verkeerd worden gekwalificeerd. Het is meestal
verkeerd om mensen op te sluiten of hen geld te ontnemen zonder rendement.4 De motivatie
om toch te straffen betreft het behoud van de sociale orde.5 Binnen een rechtsstaat is door
toekenning van het staatsgezag, het behoud van de sociale orde belegd bij diverse onderdelen
van de overheid. Verschillende overheidsorganisaties hebben de taak en de macht om de orde
te handhaven. Hierbij is uitgangspunt dat de uitvoering van deze overheidstaak en het daarbij
toepassen van sancties, op een moreel verantwoordelijke wijze dient te gebeuren.
De veronderstelling bij sanctioneren door de overheid, of het dreigen hiermee, is dat de
overtreder en eventuele potentiële overtreders worden afgeschrikt zodat zij in de toekomst de
regels zullen naleven. Deze redenering volgt het rationele keuze model en gaat ervan uit dat
bestraffen onder condities bijdraagt aan normconform gedrag.6 De rationele keuzes worden
ingedeeld in de pakkans, de sanctiekans en de strafmaat. Wat betreft de strafmaat laat de
hoogte van de straf zien wat de mate van maatschappelijke afkeuring van de handeling of
gedraging is. In de criminologie wordt dit de educatieve werking van afschrikking genoemd.7
De roep om strenger te straffen in reactie op misstanden in het bedrijfsleven wordt door de
politiek meestal beargumenteerd vanuit de gedachte dat van straffen een afschrikkende
werking uitgaat en daarmee de sociale orde wordt behouden.8
Aan het toepassen van sancties door de overheid kleven echter belangrijke bezwaren. Van
der Plicht concludeert dat controle en bestraffing een beperkt afschrikkend effect hebben én
4 R. A. Duff & D. Garland, A reader on punishment Oxford University Press, 1994.
5 J. Deigh, zie voetnoot 1.
6 D. Balliet, L.B. Mulder & P.A. Van Lange, 'Reward, punishment, and cooperation: a meta-analysis.', Psychol
Bull, 2011, p. 594-615 en J. van Erp, W. Huisman, H. van de Bunt, & P. Ponsaers, Toezicht en compliance.
Nederlands Tijdschrift Voor Criminologie, 2008, p. 83-95.
7 F.E. Zimring, G.J. Hawkins & J. Vorenberg, Deterrence: The legal threat in crime control, University of
Chicago Press Chicago, 1973.
8 C.G. van Wingerde, De afschrikking voorbij. Een empirische studie naar afschrikking, generale preventie en
regel- naleving in de Nederlandse afvalbranche, Wolf Legal Publishers, 2012.
3
van beperkte invloed zijn op regelnaleving. 9 Winter en May vinden dat het opleggen van een
boete door de inspectieorganisatie als pesten kan worden ervaren.10 Onderzoek van Mulder
laat zien dat een sanctie vaak meer negatieve effecten heeft in termen van
rechtvaardigheidsgevoelens en moreel bewustzijn dan een waarschuwing.11 Mascini en Van
Wijk betogen dat waarschuwen en straffen veel negatiever kunnen worden ervaren door het
betreffende bedrijf dan de toezichthouder beoogde.12 Volgens Ayres en Braithwaite zijn
sancties daarom pas aangewezen als andere, niet op bestraffing gerichte interventies niet
werken.13
In de toezichtpraktijk wordt de beperkte effectiviteit van de op sancties gebaseerde
toezichtstrategie ook ervaren. Zo is de door de Provincie Noord-Brabant vastgesteld dat de
spontane naleving van bedrijven zich de laatste jaren stabiliseert op gemiddeld circa 68%.14
De ACM stelt dat naast de traditionele sancties ‘maatwerkoplossingen’ nodig zijn, zoals
‘normoverdragende’ gesprekken, toezeggingsbesluiten, informele zienswijzen, monitoring en
marktscans’ om marktproblemen op te lossen. Wat betreft de toezichtstijl staat het ‘effect
centraal, instrumenten zijn volgend’.15 De Autoriteit Financiële Markten (AFM) geeft in het
Jaarverslag 2014 aan dat informele maatregelen doelmatiger kunnen zijn dan meer formele
9 J. van der Pligt, W. Koomen & F. van Harreveld, Bestraffen, belonen en beïnvloeden; een
gedragswetenschappelijk perspectief op handhaving, Boom Juridische Uitgevers 2007.
10 S.C. Winter & P.J. May, 'Motivation for Compliance with Environmental Regulations', Journal of Policy
Analysis and Management, 2001, p. 675-698.
11 L. Mulder, G. van der Vegt & S. Ponsioen, Omgaan met regelovertreding en vertrouwensrelaties, Boom
Lemma Uitgevers 2014.
12 P. Mascini & E. van Wijk, Responsive regulation at the Dutch food and consumer product safety authority:
An empirical assessment of assumptions underlying the theory. Regulation & Governance, 2009, p. 27-47.
13 I. Ayres & J. Braithwaite, Responsive regulation: Transcending the deregulation debate, Oxford University
Press 1992.
14 Zie Kaderstellende nota "Handhavingskoers 2013-2016" Provincie Noord-Brabant, 2013, (document
beschikbaar via www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/veiligheid-en-
handhaving/handhaving/handhavingskoers-2013_2016). Spontane naleving wil zeggen dat bij 68% van de eerste
controles bij een onderneming geen overtreding wordt aangetroffen.
15 Autoriteit Consument en Markt, ACM jaarverslag 2014, (document beschikbaar via
https://jaarverslag.acm.nl).
4
maatregelen.16 In deze signalen klinkt de behoefte door om tot een aanpak te komen die
anders is, en verder gaat dan alleen het opleggen van een sanctie. Er zijn in aanvulling op de
sanctie interventies gewenst die bijdragen aan een betere naleving van de regel.
Als sancties op zichzelf een beperkte waarde hebben, welke mogelijkheden zijn er dan
om de effectiviteit van sancties te vergroten? Enkele auteurs suggereren dat een morele
boodschap op de onderneming kan bijdragen aan regelnaleving,17 maar tegelijkertijd is het
onderzoek naar de toepassing van een morele boodschap in een toezichtrelatie zeer beperkt.
In dit artikel maken we gebruik van een metaforische vergelijking tussen enerzijds het
opvoeden van een kind en het toepassen van straf en anderzijds het gebruik van een morele
boodschap in combinatie met een sanctie door overheidstoezichthouder. Hiertoe bestuderen
wij de pedagogische literatuur met betrekking tot de mechanismen van morele ontwikkeling
van kinderen waar dit gecombineerd wordt met straffen. Er zijn onzes inziens verschillende
overeenkomsten tussen opvoeden van kinderen en toezicht op bedrijven. Ten eerste is er
sprake van een verticale, hiërarchische relatie. Er is in beide relaties sprake van een gezag van
de ene partij of persoon over de ander. Ten tweede wordt in beide relaties een norm
overgedragen. Ten derde kan bij overtreding van de norm in beide relaties een straf worden
toegepast. Inherent aan het gebruik van metaforen is dat wordt onderkend dat er ook
onmiskenbare verschillen zijn tussen de beide zaken die metaforisch vergeleken worden.
Van de in de pedagogische literatuur gevonden factoren die van invloed zijn op morele
ontwikkeling in combinatie met straffen, gaan we na in hoeverre deze toepasbaar zijn op
overheidstoezicht. Dit betreft een in de wetenschap nog niet eerder gemaakte analyse. Eerst
bespreken we hoe de pedagogiek kijkt naar de ogenschijnlijk strijdige verbinding tussen
16 Autoriteit Financiële Markten, AFM jaarverslag 2014, (document beschikbaar via https://www.afm.nl/nl-
nl/verslaglegging/jaarverslag).
17 Zie onder andere L.K. Treviño, G.R. Weaver & S.J. Reynolds, 'Behavioral ethics in organizations: A review',
Journal of Management, 2006, p. 951-990, W. Huisman & A.W. Beukelman, Invloeden op regelnaleving door
bedrijven; inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, Boom Juridische Uitgevers, 2007, C.G. van Wingerde, zie
voetnoot 8. en L. Mulder e.a., zie voetnoot 11.
5
straffen en morele ontwikkeling. Daarna gaan we in op de vraag of bevindingen uit de
pedagogiek toepasbaar zijn voor het overheidstoezicht. Tenslotte beschrijven wij de
implicaties die dit model heeft voor de praktijk en welke bijdrage aan de wetenschappelijke
kennis wordt geleverd.
PEDAGOGISCHE VISIE OP STRAFFEN EN MORELE EDUCATIE
Binnen de pedagogiek is uitgebreid de morele ontwikkeling van kinderen bestudeerd. Hierbij
is ook de relatie straffen en morele ontwikkeling onderzocht. Verder zijn in de pedagogiek de
condities waaronder straffen en morele ontwikkeling al dan niet samen kunnen gaan en de
hierop van toepassing zijnde afhankelijkheden bestudeerd. In het navolgende analyseren we
de literatuur op dit terrein en komen tot voorwaarden voor morele educatie.
Weijers stelt dat de waarde van straffen een onderdeel is van de communicatie tussen
de ouder die straft en het kind dat wordt gestraft.18 De waarde van straffen ligt volgens
Weijers niet alleen bij de gestrafte persoon, maar ook bij de intenties van de straffende ouder.
Met de straf dient de ‘genezing van de overtreding’ te worden bereikt. Niet te worden gestraft,
als men wel een straf verdient, staat eigenlijk gelijk aan het niet behandelen van de persoon
met verantwoordelijkheid. Weijers onderstreept dat straf in de opvoeding leidt tot een
wederkerige relatie; het begrip van de opvoeder en de verantwoordelijkheid voor de morele
ontwikkeling van het kind en de erkenning van het kind dat deze verantwoordelijk is voor zijn
fouten.19
Door Van der Helm zijn de voor- en nadelen van straffen in relatie tot de gesloten
jeugdzorg besproken.20 Er is in de pedagogische wereld een minderheidsstroming met de
18 I. Weijers, 'Punishment and Upbringing: Considerations for an educative justification of punishment', Journal
of Moral Education 2000-1, p. 61-73.
19 I. Weijers, zie voetnoot 18, p. 65+66.
20 P. van der Helm, M. Beld & G.J. Stams, "De hardnekkige mythe dat straffen helpt bij opvoeding in de
gesloten jeugdzorg", ResearchGate, 2014, p. 164-175.
6
opvatting dat met straf effectief het gedrag kan worden beïnvloed.21 Deze stroming is van
mening dat straf effectiever is dan belonen, omdat beloningen opraken maar straffen nooit.22
Van der Helm stelt dat de hoofdstroom in de pedagogische wereld zich niet kan vinden in
deze opvatting. Al in 1966 liet Peters zien dat de positieve educatieve waarde van straffen
twijfelachtig is en dat het vervreemding veroorzaakt.23
Straf leert vooral wat niet te doen, in plaats van wat wel te doen24 en met straf wordt de
waarde van de te leren gedraging gemaskeerd.25 Verder leidt straf bij kinderen tot de toename
van liegen. Als het kind eerlijk is wordt het gestraft, door te liegen wordt dit gevolg
vermeden.26 Een meta-analyse van straffen laat zien dat straffen zonder rehabilitatie geen
effect heeft.27 Een positieve benadering van het kind en het corrigeren op maat, dat wil zeggen
het niet vijandig en gewelddadig straffen, geeft de beste resultaten om de voorgestane
gedragsverandering te verkrijgen.28 De correctie van het kind is daarmee gericht op het leren
van de juiste waarden. Deze waarden zijn onderdeel van de morele educatie.
Voordat we straffen in relatie tot morele educatie analyseren is het nodig om het begrip
morele educatie vanuit de pedagogische visie te beschrijven. Voor Marshall betekent morele
educatie het bij brengen van het respect voor de regel.29 Olthof ziet morele educatie of morele
21 B.F. Singer, Psychological studies of punishment. California Law Review, 1970, p. 405-443.
22 G. Dari-Mattiacci & G. de Geest, Carrots, sticks, and the multiplication effect, Journal of Law, Economics,
and Organization, 2009, p. 365-384.
23 R. Peters, Ethics and education, London, George Allen & Unwin, 1966.
24 P. van der Helm e.a., zie voetnoot 20, p. 168, verwijzing naar het Journal Aggression and Violent Behavior,
1979.
25 J. McCord, 'Discipline and the use of sanctions', Aggression and Violent Behavior, 1997, p. 313-319.
26 J. McCord, zie voetnoot 25.
27 D.A. Andrews & J. Bonta, The psychology of criminal conduct, 5de editie, 2010.
28 P. van der Helm e.a., zie voetnoot 20.
29 J.D. Marshall, 'Punishment and Moral Education', Journal of Moral Education, 1984, p. 83-89.
7
opvoeding, het kind te leren zelf bepaalde gedragingen te beschouwen als 'goed' of 'niet
goed'.30 Het kind wordt geleerd om te oordelen over situaties en gedragingen.
De vraag is of vanuit een pedagogische visie straffen en morele educatie samen gaan.
Marshall heeft hier grote problemen mee omdat de ‘ontwikkeling van de rationele autonomie’
van het kind wordt aangetast.31 Door straffen, of het dreigen hiermee, wordt de morele
educatie, zijnde het bijbrengen van respect voor de regel, ondermijnd. Hobson vindt de
analyse van Marshall te strikt.32 Hobson beargumenteert dat straf en morele opvoeding
verenigbaar en uitwisselbaar zijn. Hij betoogt dat straf de morele opvoeding kan helpen omdat
straf de randvoorwaarden creëert voor het succesvol inzetten van morele educatie waardoor
het kind de moreel relevante informatie leert kennen.
Straffen speelt een essentiële rol in het socialisatieproces van kinderen. Leven in een
sociale context levert beperkingen op en dat kan sancties opleveren als bepaald gedrag wordt
vertoond dat het welzijn van de gemeenschap aantast. Hobson heeft drie argumenten waarom
straffen de morele educatie kan ondersteunen. Ten eerste kunnen hele jonge kinderen alleen
met een vorm van straf worden gecorrigeerd in de richting van de goede manieren. Ten
tweede leert straffen de relativiteit van de verschillende overtredingen (kleine dingetjes, lichte
straffen; grote overtredingen, strengere straf) in te zien en weet het kind dat het serieus wordt
genomen in het handelen. Ten derde helpt straffen de morele ontwikkeling door het eigen
gedrag af te zetten tegen het gedrag van anderen.
Hobson merkt hierbij op dat straf in relatie tot morele educatie zorgvuldig en
verantwoordelijk dient plaats te vinden. Als een ouder of leraar straft moet ook duidelijk
worden gemaakt dat ‘they still have a basic sympathy with the child and an interest in his or
30 T. Olthof, Empathie, morele opvoeding en het hanteren van een moreel perspectief: Implicaties van
onderzoek naar morele emoties, Themasessie: Gehechtheid, empathie en morele opvoeding, 1999.
31 J.D. Marshall, 'The Incompatibility of Punishment and Moral Education: a reply to Peter Hobson', Journal of
Moral Education, 1989, p. 144-147; en J.D. Marshall, zie voetnoot 29.
32 P. Hobson, 'The Compatibility of Punishment and Moral Education', Journal of Moral Education, 1986, p.
221-228.
8
her future progress’. In het debat tussen Marshall en Hobson kan Marshall zich in plaats van
straf vinden in een moderne gezaghebbende pedagogische rol, die kinderen door beïnvloeding
en training aanzet tot de juiste houding.33 Deze visie van Marshall sluit aan bij de door Ward
en Salmon beschreven communicatietheorie van straf.34 In deze theorie lichten zij toe dat bij
de communicatieve rechtvaardiging van straf de focus ligt op de relatie. De te corrigeren
persoon wordt met respect en waardigheid benaderd, de eventuele straf wordt proportioneel
gegeven en hierbij wordt het gedrag van de bestrafte betrokken. Hierbij is wat betreft het
gedrag van de bestrafte de vraag of sprake is van berouw en hervorming.
Voorwaarden voor straffen in de pedagogiek
Op basis van de verkenning van de relatie tussen morele educatie en straffen gaan we nu op
zoek naar voorwaarden die aan straffen worden gesteld, voordat van ‘educatief straffen’ kan
worden gesproken. We komen op basis van de pedagogische literatuur tot vier factoren die
voor de ouder of pedagoog relevant zijn voor de morele opvoeding van het kind bij het
toepassen van een straf.
Het debat tussen Marshall en Hobson levert twee factoren op. De eerste is dat de straf
plaatsvindt binnen een situatie die is gebaseerd op vertrouwen.35 Het begrip vertrouwen wordt
door Weijers gepreciseerd naar het wederzijds vertrouwen, het vertrouwen tussen ouder en, of
pedagoog en het kind.36 Vertrouwen is de verwachting van iemand dat degene die hij of zij
vertrouwt, zal handelen op een manier die de ander niet zal benadelen. Bij wederzijds
33 Marshall (1989) baseert zijn idee van de gezaghebbende pedagogische rol op het disciplinary punishment
model van Foucault, 1979: “In the disciplinary model, punishment is not seen as repressive alone, nor as the
consequence of legislation but, rather, as a technique of modern power to ensure governance and that individuals
lead useful, docile and practical lives.”
34 T. Ward & K. Salmon, 'The ethics of punishment: Correctional practice implications', Aggression and Violent
Behavior, (2009), p. 239-247.
35 I. Weijers, zie voetnoot 18.
36 I. Weijers, zie voetnoot 18.
9
vertrouwen gaat het dus om de wederzijdse verwachting van ouder en kind over het handelen
van de ander.
De tweede factor is dat de ouder morele autoriteit heeft. Een persoon heeft morele
autoriteit als hij aan de binnenkant is wie hij of zij aan de buitenkant is: iemand uit één stuk,
die door het vuur gaat, die grote offers brengt, niet voor eigen verrijking, maar voor anderen.37
In het verlengde hiervan benoemt Hobson de derde factor: de straf dient verbonden te zijn
aan de liefde voor het kind.38 Hobson legt dit als volgt uit: het moet duidelijk zijn dat de
straffende ouder het kind liefheeft, een basale sympathie voor het kind koestert en belang
heeft bij de ontwikkeling van het kind. Straffen zou wellicht strijdig kunnen lijken met het
belang van het kind, maar als de straf bedoelt is om het kind het verschil tussen sociaal
geaccepteerd en niet sociaal geaccepteerd handelen bij te brengen, helpt straffen het kind
uiteindelijk om te kunnen functioneren in de samenleving. Straffen door de ouder gebeurt dan
om normen en waarden over te brengen.
De vierde factor komt van Weijers. Hij signaleert de factor erkenning van de persoon.
Erkenning van de persoon of identiteit heeft betrekking op schuld zonder schaamte. Deze
factor is van belang omdat de begrippen schuld en schaamte implicaties hebben voor de
morele opvoeding.39 Schuld is verbonden aan het overtreden van de regels, schaamte is
verbonden aan een persoonlijke mislukking en, of tekortkoming. Schuld kan worden bestraft
en kan worden vergeven en erkenning van schuld kan iemand weer tot een volwaardig lid van
de gemeenschap maken. Schaamte heeft geen relatie tot vergeving, schaamte plaatst iemand
buiten de gemeenschap en leidt daarmee tot morele uitsluiting. Bij schuld kunnen ook
schaamte gevoelens aan de orde zijn, maar deze vorm van schaamte leidt niet tot morele
uitsluiting. Deze vorm van schaamte ondersteunt de rehabilitatie en de morele ontwikkeling
37 I. Demaerel, Dringend gezocht: morele autoriteit! http://www.socialevraagstukken.nl/dringend-gezocht-
morele-autoriteit/
38 P. Hobson, zie voetnoot 32.
39 I. Weijers, zie voetnoot 18.
10
van de gestrafte. Door de gedraging en, of het handelen van de persoon centraal te stellen en
deze daarvoor moreel verantwoordelijk te houden vindt erkenning van de identiteit plaats.
Op basis van de analyse van de pedagogische literatuur kan worden geconcludeerd dat
onder voorwaarden morele educatie samen kan gaan met straffen. De factoren die de
effectiviteit van de morele educatie bepalen zijn morele autoriteit, wederzijds vertrouwen,
liefde voor het kind en erkenning van de identiteit. In het volgende deel onderzoeken we of de
inzichten uit de pedagogiek toepasbaar zijn voor het overheidstoezicht. Dit vanuit de
onderkenning dat een kind niet zomaar te vergelijken is met een onderneming.
11
MORELE BOODSCHAP IN OVERHEIDSTOEZICHT
In dit deel gaan we dieper in op de vraag hoe een morele boodschap in combinatie met
straffen uitwerkt bij overheidstoezicht. Eerst lichten we de metaforische vergelijking van de
pedagogiek ten opzichte van overheidstoezicht toe voor wat betreft morele ontwikkeling.
Vervolgens gebruiken we de gevonden factoren voor morele educatie om een model te
vormen voor sanctioneren in relatie tot morele ontwikkeling in overheidstoezicht.
De inzet van de morele boodschap door de toezichthouder is bedoeld om de morele
ontwikkeling bij de onder toezicht gestelde te verhogen. In de morele boodschap van de
toezichthouder doet deze een uitspraak over het ethisch handelen van een onderneming. De
inhoud van de boodschap kan bestaan uit het benoemen van ‘het foute’ van de overtreding,
een uitleg van de schade aan mens en maatschappij, een oproep tot een andere kijk op het
handelen en het wijzen op de verantwoordelijkheid van de onderneming.40
Onder morele ontwikkeling verstaan we de verbetering van het ethisch gedrag van de
onder toezicht staande onderneming. De verhoging van de morele ontwikkeling is nodig
omdat wordt verondersteld dat langs die weg een duurzame verbetering van de naleving door
ondernemingen kan worden bereikt. De geldigheid van deze veronderstelling wordt in het
kader van dit artikel niet nader onderzocht.
We sluiten voor het proces van morele ontwikkeling en besluitvorming aan bij de door
Jones geformuleerde, algemene waarneming: For the moral decision-making process to
begin, a person must recognize the moral issues’.41 Door Jones is het door Rest voorgestelde
model, waarin Rest in vier stappen analyseert hoe een individu tot een ethische beslissing en
daarna handeling komt, verder ontwikkeld.42 De modellen van Rest en Jones grijpen terug op
40 De wijze waarop de morele boodschap kan worden toegepast is afgeleid van het onderzoek van J. van Erp,
Messy business: Media representations of administrative sanctions for corporate offenders, Law & Policy, 35,
2013.
41 T.M. Jones, 'Ethical Decision Making by Individuals in Organizations: An Issue-Contingent Model', The
Academy of Management Review, 1991, p. 366-395.
42 J.R. Rest, Moral development: Advances in research and theory, Praeger Publishers, 1986.
12
het Cognitive Moral Development (CMD) model van Kohlberg.43 In dit model wordt ervan
uitgegaan dat de moraliteit van een kind zich ontwikkelt naar ‘hogere’ ethische afwegingen.
Hierbij is in het CMD model geen relatie gelegd tussen straffen en morele ontwikkeling. Het
streven om op een hoger moreel niveau afwegingen te maken is de cognitieve ontwikkeling
van het ethisch besef. Een hogere morele ontwikkeling biedt volgens de modellen van Rest en
Jones de basis voor de verbetering van de ethische besluitvorming die op zijn beurt weer een
beter moreel handelen en gedragen tot gevolg heeft.
Het zou onjuist zijn om zonder meer aan te nemen dat de factoren die in de pedagogiek
relevant worden geacht voor morele ontwikkeling in relatie tot straffen, gelden voor het
overheidstoezicht. Daarom verkennen we de toepasbaarheid van deze factoren nader en
ontwikkelen vervolgens een model met factoren die van invloed zijn op morele ontwikkeling
in een toezichtsrelatie: Morele Educatie en Toezicht. Uit dit model leiden we proposities af ten
aanzien van deze factoren.
Condities voor een effectieve morele boodschap in het overheidstoezicht
In het hierna te bespreken model (Figuur 1) gaat het om het door middel van een morele
boodschap bevorderen van de morele ontwikkeling bij de onder toezicht gestelde, de
onderneming. Onze propositie is dat de vier ‘pedagogische factoren’ ook gelden bij het
toepassen van een morele boodschap door een overheidstoezichthouder. Het door middel van
een morele boodschap bevorderen van de morele ontwikkeling definiëren we in dit kader als
morele educatie. Deze formulering van het begrip morele educatie impliceert dat het gaat om
het bijbrengen van respect voor de regel en het leren oordelen over waarden en belangen die
de regel beoogt te beschermen. Hierna gaan we in op elk van de vier factoren uit het model.
43 L. Kohlberg, 'Moral stages and moralization: The cognitive-developmental approach', Moral Development
and Behavior: Theory, Research, and Social Issues, 1976, p. 31-53.
13
Wij onderbouwen het model en komen tot proposities met betrekking tot het geven van een
morele boodschap door de toezichthouder in relatie tot het toepassen van een sanctie.
Figuur 1 Model Morele Educatie Toezicht
Van deze vier factoren in het model Morele Educatie en Toezicht heeft wederzijds
vertrouwen betrekking op de relatie tussen onderneming en toezichthouder. Het veronderstelt
van beide actoren een besluit om de ander te vertrouwen. De drie andere factoren hebben
betrekking op het gedrag van de toezichthouder en dat gedrag draagt mogelijk bij aan het
wederzijdse vertrouwen. Liefde impliceert dat de toezichthouder de onderneming goedgezind
is. Erkenning van de identiteit dat alleen het gedrag van de onderneming wordt bekritiseerd
14
(en niet de identiteit). Morele autoriteit houdt in dat de toezichthouder en de inspectie-
organisatie het goede voorbeeld geeft met betrekking tot ethisch gedrag. Hieronder gaan we in
op de betekenis en de uitwerking van de afzonderlijke factoren in de toezichtsrelatie.
Morele autoriteit
De pedagogiek laat zien dat bij straffen in relatie tot morele ontwikkeling het een
basisconditie is dat het kind de morele autoriteit van de ouder of pedagoog ziet. 44 Alleen als
de ouder of pedagoog morele autoriteit laat zien, kan van het kind worden verwacht dat deze
de verantwoordelijkheid neemt voor het foute gedrag. Zo verwachten we dat in analogie met
de ouder-kind relatie, ook de toezichthouder over morele autoriteit moet beschikken en dat
laat zien richting de onderneming.
Hoe aannemelijk is het dat morele autoriteit van de toezichthouder in de perceptie van de
onderneming, bijdraagt aan de morele ontwikkeling? Een toezichthouder die niet het juiste
voorbeeld geeft en bijvoorbeeld in het nieuws komt door het overtreden van regels, zal
inboeten aan gezag en zal, als deze een bedrijf oproept om respect voor de regels te hebben, al
snel als hypocriet worden beschouwd. Omgekeerd zal een toezichthouder die zich
aantoonbaar aan de regels houdt, met gezag op ethisch gedrag kunnen aanspreken. Eerder
duidde Stoopendaal op een spiegelende werking die op toezichthouders van toepassing is.45
Dit wijst er op dat een toezichthouder die zich ethisch gedraagt, vergelijkbaar gedrag oproept
bij de onder toezicht staande organisatie. De door de Nationale Ombudsman opgestelde
Behoorlijkheidswijzer kan hierbij als een belangwekkende richtlijn voor de toezichthouder
worden gezien.46
44 I. Weijers, zie voetnoot 18.
45 A. Stoopendaal, M. de Bree, F. Keuter & P. Robben, Systeemtoezicht in de Nederlandse Gezondheidszorg.
Een experimentele innovatie van toezicht, Tijdschrift voor Toezicht, 2014 (5) 2
15
In de Behoorlijkheidswijzer speelt in het eerlijk en betrouwbaar handelen, het begrip
integriteit een belangrijke rol. Vanuit de spiegelende werking helpt als een ouder zelf niet
rookt als deze het kind van het roken af wil houden, zo zal het naar verwachting bevorderlijk
zijn als een toezichthouder integer handelt als deze het integer handelen van een bedrijf wil
bevorderen. Integriteit vergt dat de toezichthouder handelt conform de morele waarden en
normen die ethisch zijn. Kaptein heeft het begrip integriteit voor de overheid uitgewerkt.47
Kaptein beschrijft dat integriteit een moreel begrip is: “Integriteit is consistent handelen in
overeenstemming met de morele waarden en normen die voor de functie gelden”. Daarvoor is
het noodzakelijk dat de overheidstoezichthouder weet welke morele waarden gelden en
daarnaar handelt. Maar integriteit is niet alleen handelen in overeenstemming met wat moreel
is, maar ook, en zelfs primair, wat ethisch is. Ethiek is de reflectie op de moraal. Ethiek
fungeert als een denkbeeldige rechter die beoordeelt wat goed en slecht is, verantwoord en
onverantwoord, acceptabel en onacceptabel.
Bovenstaande overwegingen lijken er op te wijzen dat toezichthouders die moreel het
goede voorbeeld geven en daardoor morele autoriteit genieten, meer kunnen bereiken met een
morele boodschap.
Propositie 1: Als de toezichthouder morele autoriteit geniet bij het geven van een morele
boodschap, in combinatie met het opleggen van een sanctie, dan heeft dit een
positief effect op de morele ontwikkeling van de onder toezicht gestelde.
46 Nationale Ombudsman, Behoorlijkheidswijzer, 2014. De Behoorlijkheidswijzer is gebaseerd op de door de
Nationale Ombudsman geformuleerde behoorlijkheidsnormen. In de jaarlijkse verslagen van de Nationale
Ombudsman wordt o.a. verslag gedaan over de bij de overheid geconstateerde rechtmatigheid en behoorlijkheid.
De Behoorlijkheidswijzer sluit aan op de Code of Good Administrative Behaviour van de European
Ombudsman. In het artikel van J. Mendes, Good Administration in EU Law and the European Code of Good
Administrative Behaviour, 2009, beschikbaar via http://ssrn.com/abstract=1554907 wordt een overzicht gegeven
van de doelstelling en totstandkoming van de Code.
47 M. Kaptein, Dienaren van het Volk: Over de macht van integriteit, document beschikbaar via
www.muelkaptein.com, 2013.
16
17
Wederzijds vertrouwen
Vanuit de pedagogische visie, zoals blijkt uit onderzoek van Van der Helm en Weijers, dient
de straf plaats te vinden binnen een situatie die is gebaseerd op onderling vertrouwen.48,49
Hierbij is de ouder of pedagoog verantwoordelijk voor de morele ontwikkeling van het kind,
en het kind erkent dat deze verantwoordelijk is voor zijn of haar fouten. Wederzijds
vertrouwen betekent voor het overheidstoezicht een wederkerige relatie tussen de onder
toezicht gestelde, de wet en de toezichthouder. Vertrouwen is het geloof dat de ander degene
die vertrouwt niet (onnodig) zal benadelen.
De relatie tussen toezicht en vertrouwen is een veel besproken thema. Hoewel van
oudsher wordt gesteld dat toezicht moet zijn gebaseerd op “gezond wantrouwen”, zien
anderen de waarde van het concept vertrouwen bij toezicht. Beide partijen in een
toezichtsrelatie kunnen bijdragen aan het vertrouwen door zich aan de gemaakte afspraken te
houden, te zorgen voor deskundigheid, open te zijn over eventuele problemen en zelfreflectie
te tonen.50 In een dergelijke ontwikkeling groeit het wederzijdse vertrouwen als gevolg van de
wijze waarop de partijen zich gedragen. Meer vertrouwen leidt dan weer tot meer openheid,
wat weer leidt tot meer vertrouwen etc. Een dergelijke spiraal van positieve feedback kan
leiden tot een hoger niveau van borging van regelnaleving. Van Dorp en Pret laten zien dat
een bestendiging van vertrouwen in een convenant een positieve uitwerking op de naleving
kan hebben.51 Gunningham en Sinclair stellen dat vertrouwen essentieel is voor het borgen
van de naleving.52
48 P. van der Helm e.a., zie voetnoot 20.
49 I. Weijers, zie voetnoot 18.
50 J.M.G. de Haas, P. Meerman, M. de Bree, Compliance Management and System-based Supervision, in
9th International Conference on Environmental Compliance and Enforcement, INECE, 2011
51 R. van Dorp en J. Pret, Trust based supervision, in Innovating Environmental Compliance Assurance, edited
by Martin de Bree & Henk Ruessink, INECE, 2015
52 N. Gunningham en D. Sinclair, Organizational Trust and the Limits of Management-Based Regulation, Law
& Society Review, 2009, Volume 43, Number 4.
18
Bij vertrouwen in de toezichthouder speelt rechtvaardigheid een grote rol. Tyler
benadrukt, op basis van zijn onderzoek naar regelnaleving, het belang van de rechtvaardige
wet en de rechtvaardige toezichthouder.53 Voermans sluit zich aan bij het onderzoek van Tyler
en onderschrijft de conclusie dat de moraliteit, en innerlijke rechtvaardigheid van wetgeving
sterk bepalend zijn voor de naleving ervan.54 Verder steunt hij de conclusie van Tyler dat niet
afschrikking de naleving van wetgeving bepaalt, maar legitimiteit. Van procedurele
legitimiteit of rechtvaardigheid is sprake als een wet of regel het resultaat is van een eerlijk en
zorgvuldig afwegingsproces. Dit afwegingsproces heeft een instrumenteel aspect, namelijk de
vraag of er kans is om deel te nemen aan het afwegingsproces en of er een mogelijkheid is om
gehoord te worden en dat daarmee iets wordt gedaan? Daarnaast is er het relationele aspect:
wordt er behoorlijk en zorgvuldig omgegaan met de betrokkenen bij het afwegingsproces en
wordt daarmee het orgaan dat de wet of regel vaststelt, vertrouwd. Voermans zegt hierover:
“Een gelegitimeerde wetgever wordt vaak op zijn woord vertrouwd, en bijna vanzelf -zonder
nadere afweging- door de rechtsgenoten gehoorzaamd: dat vormt als het ware de x-factor van
wetgeving.”
Six betoogt dat vertrouwen en controle niet strijdig behoeven te zijn maar naast elkaar
kunnen worden toegepast en elkaar zelfs kunnen versterken.55 Het vertrouwen in een
organisatie wordt versterkt door het interpersoonlijke vertrouwen tussen de individuele
inspecteur en de individuen bij de onder toezicht gestelde organisatie. Six stelt dat door een
afgewogen toepassing van controles, het vertrouwen van de toezichthouder in de
onderneming en van de onderneming in de toezichthouder van een stevig fundament wordt
voorzien.
53 T.R. Tyler, Why people obey the law, Princeton University Press, 2006.
54 W. Voermans, 'Het vertrouwen in de wetgever, of de x-factor van de wet', 2007.
55 F. Six, 'Trust in Regulatory Relations: How new insights from trust research improve regulation theory',
Public Management Review, 2013, p.163-185.
19
20
Propositie 2: Als er wederzijds vertrouwen is tussen de toezichthouder en de onderneming
dan heeft het geven van een morele boodschap, in combinatie met het opleggen
van een sanctie, een positief effect op de morele ontwikkeling van de onder
toezicht gestelde.
Liefde
Liefde en toezicht vormen op het eerste gezicht een vreemde combinatie. We gaan hier eerst
dieper in op het begrip liefde en leggen daarna de relatie met toezicht. Vanuit de pedagogische
visie dient straf verbonden te zijn aan de liefde voor het kind. Het kind dient bij de straf de
overtuiging te hebben dat de ouder geen alternatief heeft voor de straf en dat de ouder handelt
in het belang van het kind. Een straf zonder de overtuiging bij het kind dat de straf verdiend
is, werkt ondermijnend voor de ontwikkeling van de morele waarden. Hierbij dient het kind te
beseffen dat de ouder corrigeert op basis van liefde ten opzichte van het kind.
Vanuit de Griekse oudheid zijn er vier typeringen van het begrip liefde, namelijk de
extatische liefde (Eros), liefde als vriendschap (Philia), liefde als onvoorwaardelijke overgave
aan God (Agape) en liefde als familiaire verwantschap (Storge).56 Het begrip liefde dat in de
toezichtrelatie wordt bedoeld lijkt op wat met philia wordt bedoeld, een vorm van liefde die
Aristoteles beschrijft als goedgezindheid.57 Aristoteles geeft aan dat philia verder gaat dan
simpelweg iemand aardig vinden. Hij duidt het als het goede voor iemand anders willen, voor
zijn of haar welzijn en niet voor het eigen en bereid zijn om daarnaar te handelen. Door
Hobson wordt liefde geduid als een combinatie van basale sympathie en belang hebben bij de
toekomstige ontwikkeling van de ander. In lijn met het concept philia, definiëren we conform
56 C.S. Lewis, The four loves: The much beloved exploration of the nature of love, Harcourt, 1960.
57 G. J. Hughes, Aristotle on Ethics, Routledge, 2001.
21
Oord liefde als het opzettelijk handelen en, of een sympathieke reactie naar de ander, ter
bevordering van het algehele welzijn.58
Hoe kan nu een liefdevolle toezichthouder, dus een toezichthouder die de
onderneming goedgezind is, bijdragen aan diens morele ontwikkeling? De
Behoorlijkheidswijzer 2014 van de Nationale Ombudsman geeft hiertoe nuttige
handreikingen. De Behoorlijkheidswijzer 2014 stelt dat de overheid proportioneel dient te
handelen. Letterlijk wordt de aanbeveling gedaan dat de overheid “om haar doel te bereiken
een middel kiest dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige
verhouding staat tot dat doel”. Het lijkt evident dat een straf gemakkelijker te accepteren is
voor de gestrafte als deze ervan overtuigd is dat de degene die straft het welzijn van de
gestrafte nastreeft. Het lijkt aannemelijk dat een toezichthouder die zichtbaar oog heeft voor
het welzijn van de onderneming bij het toekennen van een sanctie, op meer begrip kan
rekenen dan een toezichthouder die dit niet doet.
Een liefdevolle toezichthouder zal meer zichtbare aandacht besteden aan de belangen
van de onderneming. Pérezts beschrijft het positieve effect van zogenoemde comfort zones
waarin toezichthouders en vertegenwoordigers van bedrijven met elkaar in gesprek gaan.59
Een comfort zone maakt het mogelijk om op persoonlijk niveau de belangen van de
onderneming én de toezichthouder te bespreken. Het in dit contact aanspreken op de
geconstateerde overschrijding van de norm en het zo nodig toelichten van de ratio van de
norm, zal bij de onderneming tot begrip leiden waarom de toezichthouder intervenieert.
Verder zal dit gesprek tot een betere risico analyse en compliance leiden en wordt de morele
ontwikkeling van de onderneming verbeterd.
58 T.J. Oord, Defining love: A philosophical, scientific, and theological engagement, Brazos Press, 2010.
59 M. Pérezts en S. Picard, Compliance or comfort zone? The work of embedded ethics in performing
regulation. Journal of Business Ethics, 2015, 131(4), 833-852.
22
23
Propositie 3: Als de toezichthouder liefde voor de onderneming toont bij het geven van een
morele boodschap, in combinatie met het opleggen van een sanctie, dan heeft
dit een positief effect op de morele ontwikkeling van de onder toezicht
gestelde.
Erkenning identiteit
In de pedagogische en de algemene literatuur over straffen wordt in relatie tot moraliteit,
aangegeven dat de erkenning van de persoonlijke identiteit centraal dient te staan. Het gaat
dan om het moreel verantwoordelijk houden voor de gedraging en, of het handelen. Slechts
het gedrag wordt afgekeurd en niet de persoon die zich op onacceptabele wijze gedraagt.
Weijers koppelt afkeuring van het gedrag aan schuld, zonder dat sprake is van schaamte, dat
aan de persoon is gekoppeld.60 Voor het overheidstoezicht betekent deze factor dat het
handelen en, of de gedraging van de onderneming wordt beoordeeld en niet de persoonlijke
identiteit van de onderneming. Dit is effectief omdat gedrag kan worden veranderd, inclusief
de achterliggende normen en waarden en cultuur, terwijl de identiteit niet kan worden
veranderd. Als de onderneming niet handelt of zich gedraagt conform de wet of de regel of
wat maatschappelijk mag en kan worden verlangd, dan wordt dat gedrag als probleem
centraal gesteld.
Deze aanpak sluit aan bij de theorie van Restorative Justice van Braithwaite die het
probleem centraal stelt, in plaats van ‘het spelen op de persoon’.61 Door vanuit het toezicht de
gedraging en, of handeling centraal te stellen en de onderneming hierop aan te spreken kan
naar verwachting het morele van de gedraging en, of handeling bespreekbaar worden
gemaakt.
60 I. Weijers, zie voetnoot 18.
61 J. Braithwaite, Evidence for Restorative Justice, The Vermont Bar Journal, (2014), document beschikbaar via:
www.vtbar.org.
24
Deze handelwijze is ook consistent met de door Ward en Salmon beschreven
communicatietheorie over straffen.62 Binnen de communicatietheorie ligt de focus namelijk op
de relatie tussen degene die straft en de gestrafte. Qua relatie is er sprake van een
gelijkwaardige morele status. Hierdoor wordt de gestrafte als een persoon van waarde
aangesproken en met respect benaderd. Het verschil met liefde is dat hier de gestrafte als
persoon wordt erkend, terwijl bij liefde de toezichthouder de te bestraffen persoon goedgezind
is. Voor wat fout is gedaan wordt de te straffen persoon moreel verantwoordelijk gehouden.
Via de communicatie-aanpak wordt getracht om de gestrafte te overtuigen van wat moreel
correct gedrag is.
Bij de aanpak gebaseerd op Restorative Justice en de communicatietheorie is een
expliciete erkenning van de persoonlijke identiteit van de onderneming aan de orde. Deze
handelwijze sluit ook aan bij het human resource management-onderzoek naar feedback. Bij
constructieve feedback ligt de focus op de afwijking van de norm waaraan de werknemer
dient te voldoen én dient kritiek op de persoonlijke identiteit te worden vermeden.63 De
onderneming ‘is’ niet slecht, maar de foute gedraging wordt afgekeurd, waardoor ruimte
wordt gelaten voor ander gedrag binnen dezelfde, erkende identiteit.
Propositie 4: Als de toezichthouder de morele boodschap richt op de ernst van de te
sanctioneren handeling en, of gedraging, én niet op de identiteit van het bedrijf,
dan heeft dit een positief effect op de morele ontwikkeling van de onder
toezicht gestelde.
62 Ward en Salmon, zie voetnoot 34.
63 H. Aguinis, R.K. Gottfredson H. Joo, Delivering effective performance feedback: The strengths-based
approach. Business Horizons, 2012, 55(2), 105-111.
25
Implicaties
Bijdrage aan de wetenschap en perspectieven voor nader onderzoek
In dit artikel hebben we de voorwaarden bestudeerd waaronder een morele boodschap van een
overheidstoezichthouder kan leiden tot morele ontwikkeling bij een onder toezicht staande
onderneming. Een verkenning van sanctioneren in relatie tot morele educatie in het
overheidstoezicht is nog niet eerder gedaan en biedt daarmee de kans om nieuwe inzichten
voor het toezicht te geven. De geanalyseerde pedagogische inzichten hebben als
inspiratiebron gediend voor het overheidstoezicht, waarbij de ouder-kind relatie uit de
pedagogiek een metafoor vormt voor de toezichthouder-onderneming relatie. Dit artikel heeft
een model opgeleverd met vier factoren die voor de effectiviteit van een morele boodschap
relevant zijn.
In hoeverre de vier pedagogische factoren daadwerkelijk voor het overheidstoezicht
gelden, dient via empirisch onderzoek nader te worden aangetoond. Dat onderzoek zal
inzichtelijk dienen te maken hoe groot de invloed van de vier factoren is. Door middel van
empirisch onderzoek naar de geldigheid van het model, kan het model verder worden verfijnd.
Verder is meer kennis gewenst over de wijze waarop de toezichthouder het morele
ontwikkelingsniveau van de onderneming kan verhogen. De vraag hierbij is in welke mate de
vier pedagogische factoren hieraan bijdragen. Deze kennis is van belang voor de beslissing
om een morele boodschap toe te passen, het kiezen van de inhoud van de boodschap en de
wijze van communiceren van de boodschap. Aanvullend wordt hierbij de vraag opgeroepen of
een morele boodschap ook preventief, dus zonder dat er sprake is van een overtreding, kan
worden gegeven.
Er is reden om aan te nemen dat de werking en de vorm van de morele boodschap
relevant kan zijn voor de effectiviteit van de boodschap. Nader onderzoek kan meer kennis
opleveren over twee perspectieven. Het eerste perspectief betreft het inzicht in de werking van
26
de morele boodschap. Op basis van de literatuur mag worden verwacht dat door de inzet van
de morele boodschap het morele bewustzijn van de onderneming op een hoger moreel
ontwikkelingsniveau wordt gebracht, maar hoe de uitwerking is bij het geadresseerde bedrijf,
is niet bekend. Het is in het verlengde de vraag of met de morele boodschap de intrinsieke
motivatie voor naleving van de regels zodanig wordt gestimuleerd dat de onderneming de
regels wil naleven.64 Hierbij geldt de notie dat een onderneming uit verschillende
vertegenwoordigers bestaat die allen invloed hebben op het ethisch besluitvormingsniveau.
Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe processen van morele bewustwording,
beoordeling, prioritering en actie binnen organisaties door een morele boodschap kunnen
worden beïnvloed.65
Het tweede perspectief betreft de notie dat het concept van de morele boodschap een te
beperkte kan zijn voor het verkrijgen van de morele educatieve functie van de boodschap.
Analoog aan de pedagogiek, waar het kind van adolescent naar volwassenheid groeit, geldt
wellicht in een volwassen verhouding dat alleen het geven van een morele boodschap niet
volstaat. In een volwassen verhouding is niet zo zeer een morele boodschap aan de orde, maar
een morele dialoog. Deze volwassen verhouding geldt ook voor de onderneming en de
managers die sturing geven aan de onderneming in relatie tot de overheidstoezichthouder. Het
aangaan van een dialoog, zoals ook door Braithwaite is gesuggereerd, is belangrijk voor de
beoogde educatieve functie. Een dialoog heeft het voordeel dat de onderneming ruimte voelt
voor de eigen opvattingen zonder dat de toezichthouder tracht zijn opvattingen op te dringen
en dat de toezichthouder betere informatie krijgt over de onderneming.66 De gedachte van
Braithwaite sluit aan bij de ontwikkeling van het door Kunneman ontwikkelde concept van
64 H. Elffers, Compliance analyseren met behulp van het willen-kunnen-durven-model. Justitiele Verkenningen,
(2014), 4.
65 L.K. Treviño e.a., zie voetnoot 17.
66 Toespraak van John Braithwaite tijdens het VIDE / INECE congres op 21 april 2015, Erasmus Universiteit,
Rotterdam.
27
moreel kapitaal.67 Het in de toezichtrelatie bewegen van een ‘verticale’ naar een ‘horizontale
morele dialoog’ is een concept dat nadere studie verdient. Door te onderzoeken hoe een
‘horizontale morele dialoog’ door de overheidstoezichthouder werkt, zal het inzicht in het
gebruik van moraliteit in het toezicht worden vergroot.
Betekenis voor de toezichtpraktijk
Een toezichthouder die liefde toont voor de onderneming, morele autoriteit demonstreert, de
onderneming aanspreekt op het handelen en gedragen, en de onderneming benadert in een
sfeer van wederzijds vertrouwen, deze toezichthouder kan de morele ontwikkeling van een
onderneming ondersteunen. De verhoging van de morele ontwikkeling komt ten goede aan het
naleefgedrag en daarmee de publieke belangen die de toezichthouder dient.
In dit artikel hebben we onderzocht of het toepassen van een morele boodschap door
een overheidstoezichthouder, in combinatie met een sanctie, de morele ontwikkeling van een
bedrijf kan bevorderen. Op basis van inzichten uit de pedagogiek komen we tot de
veronderstelling dat vier factoren voor morele educatie een belangrijke rol spelen. Het
startpunt om een morele boodschap uit te dragen is de constatering van de toezichthouder van
een overtreding. Bij de beoordeling van de overtreding is voor de toezichthouder de afweging
aan de orde waarom, waarmee en op welke wijze deze een interventie zal inzetten om
daarmee naleving te bewerkstelligen. Hiertoe staat de toezichthouder een scala aan bestuurs-
en strafrechtelijke interventie-instrumenten ter beschikking.68 Naast het opleggen van een
sanctie is ook het gebruik van de morele boodschap, binnen de condities van de morele
educatie, een optionele interventie. In dit artikel hebben we laten zien dat sanctioneren en het
geven van een morele boodschap onder condities goed te combineren zijn. Als hierbij de
factoren voor morele educatie in acht worden genomen kan de morele ontwikkeling van het
67 H. Kunneman, Het belang van moreel kapitaal in zorg en welzijn. Rijswijk: Quantes, (2012).
68 Zie o.a. Algemene wet bestuursrecht, Wetboek van Strafrecht, Landelijke handhavingstrategie, zie voetnoot 3.
28
gesanctioneerde bedrijf worden bevorderd. Een hogere morele ontwikkeling leidt tot een
verbetering van de ethische besluitvorming en het moreel handelen en gedragen van de
onderneming. De verbetering van de ethische besluitvorming biedt de basis voor een
duurzame verbetering van het naleefgedrag, omdat de onderneming zich ten diepste bewust
wordt van de ‘rechtvaardige regel’.
We sluiten dit artikel af met enkele opmerkingen ten aanzien van de beperkingen van
een morele boodschap. De eerste betreft het gevaar van capture. De toezichthouder zal
moeten waken voor strategisch gedrag van de onderneming om te voorkomen dat de
toezichthouder doorschiet in liefdevol gedrag en aan het lijntje wordt gehouden; de
toezichthouder doet er goed aan te waken voor naïviteit.69
Een tweede punt betreft de notie dat de gevoeligheid voor morele boodschappen per
bedrijf verschilt of in de tijd kan variëren voor een bedrijf, afhankelijk van de
omstandigheden. Uit onderzoek is bekend dat bij bedrijven die in een sterke concurrerende
omgeving opereren, de ethische afwegingen naar de achtergrond verdwijnen.70
Ten derde zijn, als de toezichthouder effectief de morele ontwikkeling van een
onderneming wil beïnvloeden, waarschijnlijk specifieke competenties van deze
toezichthouder nodig. Wij veronderstellen dat een toezichthouder die inzicht heeft in de
werking van morele ontwikkeling bij bedrijven én weet hoe deze kennis omgezet kan worden
naar effectieve acties om morele ontwikkeling te bevorderen, het vak toezicht professioneler
zal uitvoeren.
69 W. Huisman, Tussen winst en moraal. Achtergronden van regelnaleving en regelovertreding door
ondernemingen, 2001.
70 P. T. M. Desmet, N. Hoogervorst en M. Van Dijke, Prophets vs. profits: How market competition influences
leaders' disciplining behavior towards ethical transgressions. The Leadership Quarterly, 2015, 26(6), 1034-1050.
29
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.