ArticlePDF Available

Ponsaers, P. , Devroe, E. (2016). “Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2016). Het kanaalplan en de sluipende privatisering”, in Themanummer Criminele organisaties en Organisatiecriminaliteit, Cahiers Politiestudies , n°39, 2016/2, Antwerpen / Apeldoorn: Maklu, 213-236.

Authors:

Abstract and Figures

In januari 2016 kwam de Belgische regering relatief snel met een antwoord op de Parijse gebeurtenissen. Tegen 2019 wil de overheid in heel het land geleidelijk aan 1.000 extra politiemensen bijkomend operationeel inzetten in de strijd tegen terreur . Dit jaar worden er hiervan reeds 300 bijkomend ingezet in het kader van het zogenaamde “kanaalplan” in het Brusselse . Dit plan strekt zich uit over Sint-Jans-Molenbeek, Vilvoorde (dat weliswaar geen deel uitmaakt van het Brussels gewest, maar wel langs de kanaalzone ligt) , Anderlecht, Koekelberg, Laken (wat geen zelfstandige gemeente is in het Brusselse gewest, maar sinds 1921 een onderdeel van de stad Brussel) , Schaarbeek, Sint-Gillis en Sint-Joost-ten-Node, samen goed voor een investering van 39 miljoen euro. Het is merkwaardig dat het “kanaal”-plan opteert voor een samenwerking tussen alle gemeenten langs het kanaal gelegen, uitgezonderd de stad Brussel zelf, waarvan enkel een beperkt onderdeel participeert, met name Laken. Sinds 2013 wordt het ambt van burgemeester in de stad Brussel waargenomen door de Franstalige socialist Yvan Mayeur (PS) . Bovendien valt het op dat het plan zich richt op samenwerking op gemeentelijk niveau en niet op deze tussen de politiezones. Het plan doorsnijdt als het ware de lokale politiestructuur ten voordele van een alliantie tussen burgemeesters van gemeenten. De meest urgente maatregelen hebben betrekking op Sint-Jans-Molenbeek en Vilvoorde. Molenbeek krijgt er meteen vanaf 1 februari 2016 in een eerste fase 50 politiemensen bij en Vilvoorde 20, omdat “beide gemeenten relatief veel Syriëstrijders en geradicaliseerde potentiële strijders tellen”. Het gaat om federale personeelsleden die toegevoegd worden aan de lokale politiezones. De coördinatie zal worden waargenomen door de korpschef van zone Brussel-West/Molenbeek en de Brusselse Dirco van de federale politie.
No caption available
… 
No caption available
… 
No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
CPS 2016-2, nr. 39 213
OPINIE
Molenbeek (maart 2016) na Parijs
(november 2015)
Het kanaalplan en de sluipende privatisering
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2016-2, nr. 39
p. 213-236
© Maklu-Uitgevers
ISBN 978-90-466-0820-3
Paul Ponsaers1 & Elke Devroe2 Paul Ponsaers & Elke Devroe
1. De feiten
De gebeurtenissen in Parijs gedurende de avond en nacht van 13 november 2015
omvatten een zestal terroristische aanslagen. De groep terroristen functioneerde in
drie commando’s
3
. Tijdens de aanslagen vielen 129 doden en meer dan 350 gewonden.
Eén zwaargewond slachtoffer overleed een week na de feiten, waardoor het totale aantal
dodelijke slachtoffers op 130 kwam. De aanslagen werden opgeëist door IS.
(1) Het eerste commando voerde de aanslagen uit op en rond het Stade de France.
Tijdens de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen het Duitse en het Franse nationale
elftal bliezen drie zelfmoordterroristen zichzelf op. Bilal Hadfi (20) trachtte het Stade
de France te betreden, doch de toegang werd hem geweigerd. Hij blies zichzelf op in
de omgeving met zijn bommengordel. Hij was Fransman en woonde in België, meer
bepaald in Neder-over-Heembeek. Hij radicaliseerde in 2014. Hij vocht met IS in Syrië
gedurende meer dan een jaar. Het Belgische O.M. wist dat hij naar Syrië was vertrokken,
maar was niet op de hoogte van zijn terugkeer. Gedurende de maanden voorafgaand aan
de aanslagen was hij actief op sociale media, waar hij pro-jihadistische boodschappen
postte en communiceerde met een Libische branche van IS. Op Facebook plaatste
hij een oproep om aanslagen in het westen te plegen. Van de twee andere leden van
dit commando, die zichzelf eveneens opbliezen, blijft de precieze identiteit voorlopig
onbekend4.
1 Prof. dr. emeritus, Vakgroep Strafrecht, Criminologie en Sociaal Recht, Rechtsfaculteit, UGent, België.
2 Associate Prof., Institute of Security and Global Affairs (ISGA), University of Leiden, Nederland.
3 Gebaseerd op mediaverslaggeving waarin verwezen wordt naar verklaringen van Franse en Belgische ge-
rechtelijke autoriteiten.
4
Er werd een vermoedelijk vals Syrisch paspoort gevonden op naam van Ahmad Al Mohammad in de nabijheid
van deze terrorist. Het gaat om een paspoort, dat werd gebruik om het statuut van vluchteling in oktober 2015
op het Griekse eiland Leros aan te vragen. De tweede onbekende terrorist werd eveneens gecontroleerd in
Paul Ponsaers & Elke Devroe
214 CPS 2016-2, nr. 39
(2) Het tweede commando was afkomstig uit Sint-Jans-Molenbeek en pleegde vier
aanslagen op restaurants en cafés in de straten van het 10e en 11e arrondissement van
de Franse hoofdstad. Abdelhamid Abaaoud (28) wordt ervan verdacht de coördinator
te zijn. Na de gebeurtenissen van 13 november 2015 wist hij te ontkomen. Amper 5
dagen later, op 18 november, vond een grootschalige politie-actie plaats in Saint-Denis.
Volgens Molins, de procureur van Parijs, werden door de politie alleen al 5.000 kogels
afgevuurd tijdens deze actie. Het vuurgevecht met de terroristen duurde ongeveer een
uur. Een vrouw blies zichzelf op tijdens de interventie, waardoor een plafond naar
beneden kwam. Bij de inval werden acht personen gearresteerd. Het was tijdens deze
politie-actie dat Abaaoud werd gedood. Hij was van Belgisch-Marokkaanse nationaliteit
en woonachtig in Molenbeek. Rond 2010 begaf hij zich op het criminele pad, samen
met Brahim Abdeslam (cfr. infra). In 2010 en 2011 werden de twee verscheidene malen
opgepakt wegens kleine vergrijpen. Hij kende eveneens Bilal Hadfi (cfr. supra) uit die
tijd. Hij vertrok in 2014 naar Syrië. Al snel groeide hij uit tot de spil in een netwerk van
jonge jihadisten dat actief was in Syrië en later ook in België en Frankrijk. Eind 2014
kreeg de familie van Abaaoud te horen dat hij was gesneuveld in de strijd. Maar dat bleek
onjuist. Samen met twee andere Belgische Syrië-gangers reisde hij uit Syrië terug naar
België. In de slipstream van de Charlie Hebdo aanslag begin 2015 werd door de Belgische
politie een inval uitgevoerd op een safe-house in Verviers. Abaaoud was niet aanwezig en
wist naar Syrië te ontkomen. Hij schrijft daarover in het IS-propagandatijdschrift Dabiq.
Na een vuurgevecht van 10 minuten, zijn mijn broeders gezegend met het martelaarschap,
zoals zij al zo lang wensten. Na de raid kregen de inlichtingendiensten door dat ik de broeders
had bezocht en dat we samen bezig waren geweest plannen te maken voor acties”. Na de
gebeurtenissen in Verviers verzocht de burgemeester van Molenbeek om een lijst van
geradicaliseerde verdachten. Abaaoud stond op de lijst als zijnde “geradicaliseerd en
naar Syrië vertrokken”. De gemeente had hem uit de gemeentelijke basisadministratie
geschrapt. Intussen werd hij door het Belgische gerecht bij verstek veroordeeld tot 20
jaar gevangenisstraf wegens het ronselen van strijders voor IS. De Belgische autoriteiten
vermoeden dat Abaaoud ook de hand had in de mislukte aanslag op een Thalys-trein
in augustus 2015. Hij zou in contact hebben gestaan met Ayoub El Khazzani, die door
drie Amerikanen werd overmeesterd toen hij met een kalasjnikov een aanslag wilde
plegen op de Thalys-reizigers5.
Salah Abdeslam (26) maakte eveneens deel uit van het tweede commando. Hij was
lange tijd voortvluchtig, maar kon op 18 maart 2016 uiteindelijk gevat worden in
België. Zijn broer, Brahim Abdeslam (31), maakte eveneens deel uit van dit commando.
Hij bracht zijn bommengordel tot ontploffing voor een restaurant op de boulevard
Voltaire tijdens de aanslagenreeks. Beide mannen hadden de Franse nationaliteit en
waren woonachtig in Sint-Jans-Molenbeek. De broers baatten in Molenbeek samen
een café uit dat administratief werd gesloten wegens drugsdealing. Nochtans stond
oktober 2015 op Leros, terwijl de man zich mengde onder de vluchtelingen uit Syrië. In november 2015 werd
hij geïdentificeerd als Mohammad Al Mahmod, maar er zijn grote twijfels omtrent zijn precieze identiteit.
Het lijkt waarschijnlijk dat hij een broer is van eerstgenoemde.
5 Gedurende augustus 2015 weten twee Amerikaanse mariniers een bloedbad te voorkomen door een man te
overmeesteren die van plan was een aanslag te plegen in een Thalys die op weg was van Amsterdam naar
Parijs. Het gaat om Ayoub El Khazzani. Hij wordt opgepakt. De trein reed op het moment van de schietpartij,
om 17.50 uur, zo’n 30 kilometer ten noorden van de Noord-Franse stad Arras. De trein is vervolgens naar
Arras geleid. Daar is de vermoedelijke dader opgepakt. De dader was een 26-jarige man van Marokkaanse
afkomst. Hij zou volgens een politiebron al langer gevolgd worden door de veiligheidsdiensten en als mos-
limextremist te boek staan. Hij woonde in Spanje en in Brussel-Zuid stapte hij op de trein.
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 215
het tweetal in de buurt bekend als “bon vivants”. Jongens die hielden van uitgaan,
vrouwen en voetbal. Het is pas gedurende de zomer van 2015 dat vrienden merkten
dat de twee begonnen te veranderen. Ze verkochten hun café en gooiden hun leven
radicaal om. “Ze begonnen met sporten en bidden. Drie maanden geleden zijn ze gestopt
met roken. Ze maakten zich klaar voor de oorlog”, vertelt een vriend. De broers Abdeslam
stonden in contact met Abdelhamid Abaaoud (cfr. supra) en werden geregistreerd als
“geradicaliseerd, behorend tot de beweging van de moslimbroederschap”. Omdat zij
in Molenbeek waren gehuisvest begon de politie aldaar een onderzoek naar de twee.
De verantwoordelijkheid voor dat onderzoek lag echter bij de federale politie, die
wel op de hoogte was, maar geen actie ondernam. De federale politie had bovendien
aan de lokale politie gevraagd om zich niet bezig te houden met personen die op de
lijst stonden.
De laatste deelnemer aan dit commando was Chakib Akrouh (25). Zijn vingerafdruk-
ken werden gevonden op één van de drie kalachnikovs die tijdens de aanslagen
werden gebruikt. Hij ontvluchtte op 13 november en bracht zijn bommengordel tot
ontploffing ter gelegenheid van de tussenkomst van de RAID op 18 november in
Saint-Denis. Hij was van Belgisch-Marokkaanse nationaliteit, en eveneens woonachtig
in Sint-Jans-Molenbeek. Hij vertrok in januari 2013 naar Syrië en later nogmaals in
januari 2015. Hij zou de reis naar Syrië hebben gemaakt in gezelschap van Gelel
Attar6, ook uit Molenbeek, die zeer dicht stond bij de ronselaar Khalid Zerkani7, die
in juli 2015 veroordeeld werd tot 12 jaar. Volgens zijn familie was het Gelel Attar
die hem radicaliseerde. In juli 2015 werd Chakib bij verstek veroordeeld tot 5 jaar
gevangenisstraf tijdens het proces “Zerkani”. Hij frequenteerde de Loqman moskee,
dezelfde als deze die werd bezocht door Ayoub El Khazzani, die de aanslag op de
Thalys trachtte te ondernemen8 (cfr. supra).
6 Het gaat om een Belg van Marokkaanse afkomst. In de nasleep van de Parijse aanslagen werd Attar in
Marokko gearresteerd in de buurt van Casablanca.
7 Het netwerk rond Zerkani werd opgerold eind februari 2014, dus voor de gebeurtenissen in Parijs. Tijdens
de week van 21 tot 28 februari werden in 11 politiezones 55 huiszoekingen doorgevoerd en 74 personen
ondervraagd in het kader van deze grootschalige actie. Khalid Zerkani was één van de belangrijkste ronselaars
van Syrië-strijders en stond in 2015 samen met 31 andere mensen terecht. Het ging om een aantal mensen
die ook Syrië-strijders zouden geronseld hebben of hen geholpen zouden hebben bij het vertrek terwijl an-
deren naar Syrië zouden vertrokken zijn of op het punt zouden gestaan hebben om dat te doen. Volgens het
federaal parket zou Zerkani minstens tussen 2012 en begin 2014 jongeren gerekruteerd hebben om te gaan
strijden in de Syrische burgeroorlog. De man zou dat zowel in sportclubs gedaan hebben als in zogenaamde
‘keldermoskeeën’, geïmproviseerde gebedplaatsen waar hij zijn toehoorders indoctrineerde en overtuigde
om de wapens op te nemen. Zerkani werd in de loop van de week van 21 tot 28 februari 2015 samen met
twee andere verdachten opgepakt en aangehouden bij een grootscheepse actie van de federale gerechtelijke
politie. Hij zou zijn ronselpraktijken en preken tot in de gevangenis hebben voortgezet, reden waarom hij
in isolement werd geplaatst. Zelf ontkent Zerkani echter dat hij ook maar iemand naar Syrië zou gestuurd
hebben.
In
een tweede zaak tegen Zerkani stonden de Brusselse broers Othman en Mohamed Akzinnay terecht, samen
met 32 anderen. Zij ook rekruteerden Syriëstrijders in Brussel tussen 2012 en 2014, en verleenden hulp bij
hun vertrek. Hun schoonbroer, Elias K., de uitbater van een islamitische bibliotheek zou trainingskampen
hebben georganiseerd tijdens weekends aan zee, in Oostende. Youssef B., een andere 19-jarige verdachte
in de entourage van Zerkani, was in het bezit van iPods met jihadische videoboodschappen alsook van een
reeks van paspoorten uit het buitenland, voornamelijk Marokkaanse. De speurders vonden eveneens een
koffer met geld, afkomstig uit verschillende diefstallen aan het Brusselse Zuidstation. Dat geld werd gebruikt
om de vertrekkers naar Syrië te financieren.
8 Het gaat om een moskee ondergebracht in een kleine woning, welke niet is erkend door de autoriteiten.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
216 CPS 2016-2, nr. 39
(3) Het derde commando voerde de aanslag uit op de concertzaal Bataclan. Drie
terroristen drongen tijdens een optreden de concertzaal binnen. Met automatische
vuurwapens werd vanaf het balkon geschoten op de bezoekers. Verschillende malen
herlaadden ze hun wapens. De schietpartij duurde ongeveer tien tot twintig minu-
ten. Toen het schieten ophield had er zich buiten het pand een grote politiemacht
verzameld. Na het schieten duurde het ongeveer twee uur voordat de politie het pand
binnenviel. Alle drie daders kwamen vervolgens om: een werd doodgeschoten en de
andere twee bliezen zich op.
Mostefai Ismaël Omar (29) was één van de drie terroristen die verantwoordelijk zijn voor
de moordpartij in Bataclan. Hij werd als eerste geïdentificeerd via een vingerafdruk van
een vingerkootje dat in de Bataclan werd teruggevonden nadat hij zijn bomgordel tot
ontploffing had gebracht. Hij had de Franse nationaliteit en werd in de Parijse voorstad
Courcouronnes geboren. Zijn vader was van Algerijnse afkomst, zijn moeder van
Portugese. Sinds 2009 was hij woonachtig in Chartres, een stad op zo’n 90 kilometer van
Parijs. Hij leefde volgens zijn buren een onopvallend leven als “een kleine crimineel”.
Tussen 2004 en 2010 werd hij acht keer veroordeeld, maar belandde nooit achter de
tralies. Bij de Franse inlichtingendiensten stond hij bekend als “geradicaliseerd” sinds
2010. Hij zou in 2013 en 2014 maandenlang in Syrië zijn geweest. Daarna heeft hij zich
bij een kleine, salafistische organisatie aangesloten in Chartres.
Samy Amimour (28) was ook één van de Bataclan-overvallers die zichzelf uiteindelijk
opblies. Hij werd geboren in Parijs, en was woonachtig in de buitenwijk Drancy. Hij
kwam uit een verwesterd migrantengezin. Zijn moeder, een feministe en overtuigd
republikeinse, hield zich bezig met buurtwerk, ondermeer tegen jeugdcriminaliteit.
Zij vader werkte in de internationale handel, en zijn zus studeerde. Hij studeerde
keurig af in een literaire richting en krijgt een vaste baan bij een busmaatschappij.
In 2006 dienden de eerste tekenen van radicalisering zich aan. Hij ging de beruchte
moskee van Le Blanc-Mesnil bezoeken. Hij kreeg foute contacten en raakte in de
ban van radicale predikers op internet. Hij bekritiseerde zijn ouders en keerde zich
geleidelijk van hen af. In 2012 werd de radicalisering compleet. Hij begon een djellaba
te dragen, liet een sikje staan en zegde zijn baan op. Hij wilde naar Jemen, voor een
training, maar werd opgepakt en langdurig verhoord. Hij kwam vervolgens onder
toezicht te staan en mocht het land niet verlaten. Toch slaagde hij erin om in oktober
2013 naar Syrië af te reizen, waar hij in de zomer van 2014 nog steeds verbleef. Hij
keerde nooit meer naar Frankrijk terug, behalve dan voor zijn “ultieme daad”. In de
herfst van 2013 werd een internationaal aanhoudingsmandaat uitgevaardigd tegen
hem. Zijn vader deed in 2014 een poging om hem te redden. In de Franse pers vertelde
de vader hoe hij in de lente afreisde naar Syrië en zijn zoon opzocht. Hij liet hem
een brief van zijn moeder lezen, met honderd euro erin. Maar de jongeman gaf het
geld terug en reageerde afwijzend. Strijdmakkers toonden gruwelijke beelden van
moordpartijen waar hij aan had meegewerkt. De vader besefte dat er niets meer te
doen viel en keerde terug. Het is niet duidelijk hoe de jongeman in Frankrijk terug
raakte zonder argwaan te wekken.
Het derde lid van het Bataclan-commando was Foued Mohamed-Aggad (23). Het duurde
enige tijd vooraleer de politie erin slaagde hem te identificeren. Uiteindelijk lukte dat
dankzij getuigenissen van zijn familieleden en op basis van DNA-onderzoek. Hij was
afkomstig uit Wissembourg, een gemeente in het uiterste noordoosten van Frankrijk,
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 217
vlak aan de grens met Duitsland. De gemeente behoort tot het departement Bas-Rhin,
in de Elzas. Het was daar dat Foued opgroeide. Zijn ouders waren arbeiders. Zijn vader
was van Algerijnse herkomst, zijn moeder Marokkaanse. Ze hadden in totaal vier
kinderen. Nadat hij enkele kleine jobs deed, ondernam hij vruchteloze pogingen om
toe te treden tot de Franse politie en het leger. Rond 2012 begon hij te radicaliseren.
Hij bezocht regelmatig de moskee. Hij radicaliseerde vooral via de sociale media. Hij
kwam via internet in contact met Mourad Farès (alias Abou Hassan). Farès pochte ermee
dat hij de belangrijkste ronselaar was van Franse Syriëstrijders9. De jongeman reisde
in december 2013 af naar Syrië met een tiental jongeren uit zijn buurt om voor IS te
gaan vechten. Twee leden van de groep stierven kort na hun aankomst. De anderen,
waaronder de broer van Foued, beslisten terug te keren naar Frankrijk in de lente van
2014. Zij werden ondervraagd en opgesloten in Frankrijk. Enkel hijzelf bleef in Syrië.
Hij verwierf een zekere bekendheid in het jihadistisch milieu, aangezien hij regelmatig
communiqués verspreidde via de sociale media. Hij stond geseind door Interpol omwille
van zijn radicaal profiel. Hij slaagde erin de veiligheidsdiensten te verschalken bij zijn
terugkeer naar Frankrijk.
Uit het onderzoek bleek dat de aanslagen minutieus werden voorbereid gedurende de
maanden die de aanslagen vooraf gingen. Begin september 2015 werden safe-houses
gehuurd in België, één appartement in Charleroi en nog één in Schaarbeek, waar de
vingerafdrukken van Bilal Hadfi en Salah Abdeslam10 werden gevonden. Hier werden
sporen teruggevonden van explosieven die werden gebruikt voor de samenstelling van
bommengordels. Abdelhamid Abaaoud verbleef in Charleroi vóór de aanslagen11. Er
werd tevens een huis gehuurd in Auvelais, in de regio van Namen, in het zuiden van
het land.
Enkele dagen voordat de aanslagen plaatsvonden werden drie wagens gehuurd. Op 10
en 11 november werd Salah Abdeslam gezien aan boord van één van de wagens, op de
Franse snelwegen tussen Parijs en België. Op 12 november vertrok een groep vanuit
Brussel naar Parijs met twee wagens, over Charleroi, waar een derde wagen zich bij het
konvooi aansloot. Ze kwamen toe in Parijs in de vroege avond en verdeelden zich over
twee logementen die voorheen gehuurd werden. Het Bataclan commando logeerde in
twee hotelkamers in Alfortville. De anderen verbleven in een gehuurd appartement
in Bobigny. Op 13 november, om 19.40h vertrok de Bataclan groep met een wagen.
De drie kamikazes van het Stade de France werden aan boord van een andere wagen
gebracht door Salah Abdeslam. Tien minuten later vertrok de terrasploeg met de derde
wagen. Er zijn vermoedens dat de aanslagen werden gecoördineerd vanuit Brussel. De
coördinatoren zouden hebben gecommuniceerd met het Bataclan commando en met
Abdelhamid Abaaoud gedurende de avond van de 13de november.
Een dag na de aanslagen werd een wagen teruggevonden in Montreuil. In het voertuig
werd zwaar wapentuig aangetroffen, daarnaast lag er een parkeerbonnetje uit Sint-
Jans-Molenbeek. Deze vondst leidde de daaropvolgende dag tot een grootscheepse
9 Mourad Farès wordt aangehouden in september 2014.
10
Op 9 september 2015 werdt Salah Abdeslam gecontroleerd aan de Oostenrijks-Hongaarse grens, wanneer hij
terugkeerde uit Budapest. Hij werd vergezeld door twee mannen met een Belgische identiteitskaart, welke
naderhand vals bleken te zijn. Beide mannen worden ervan verdacht de aanslagen vanuit Brussel te hebben
gecoördineerd op 13 november.
11 Er werden ook vingerafdrukken gevonden van Bilal Hadfi.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
218 CPS 2016-2, nr. 39
politieactie in België. De Belgische federale politie verspreidde na de aanslagen een
opsporingsbericht voor Mohamed Abrini (30).12 Hij wordt genoemd als de handlanger
van Salah Abdeslam. Hij werd op 11 november 2015, twee dagen voor de aanslagen
in Parijs, omstreeks 19.00 uur gefilmd samen met Salah Abdeslam in een tankstation
in Ressons op de autosnelweg richting Parijs. Mohamed Abrini zat aan het stuur van
de wagen die twee dagen later gebruikt werd bij het plegen van de aanslagen in Parijs.
Volgens het bericht is de man vuurwapengevaarlijk.
Uit politie-informatie blijkt dat Salah Abdeslam terugkeerde naar België met een
Golf gedurende de morgen van 14 november 2015 samen met twee personen uit
Sint-Jans-Molenbeek. De politie verrichtte in de eerste dagen na de aanslagen zeven
aanhoudingen in België. Van deze zeven personen, werden er in de dagen erna
vijf weer vrijgelaten. Ook in Duitsland werden enkele dagen later enkele personen
aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de aanslagen. Amper 4 dagen na
zijn arrestatie op 18 maart 2016 worden de aanslagen op de nationale luchthaven en
het metrostation Maalbeek gepleegd.
Wat leren we uit de Franse aanslagen?
Negen terroristen kwamen om, waarvan er twee onbekend blijven, één is gevat na
een vlucht van vier maanden. De daders zijn grotendeels bekend intussen, doch er
blijven nog blinde vlekken. De meeste terroristen waren voorheen reeds bekend bij
de veiligheidsdiensten, hetgeen niet betekent dat de diensten een goede en voldoende
kennis hadden omtrent de exacte locatie van betrokkenen. Daarenboven blijkt dat
ondanks deze bekendheid bij de diensten, waarschijnlijk omwille van precies deze
laatste observatie, de aanslagen niet verhinderd konden worden.
Het ging om een gemengd Frans-Belgische groep van essentieel jonge, Europese
“home grown” terroristen. Zij opereerden in drie commando’s. Terwijl de herkomst
van de leden van het eerste commando onduidelijk blijft, kwam vooral het tweede uit
het Brusselse Sint-Jans-Molenbeek, en het derde kwam dan weer uit verschillende
streken in Frankrijk zelf. Het was de opvallende netwerkdensiteit op het grondgebied
van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek die aanleiding gaf tot erg veel kritiek in het
buitenland, mede omdat de klaarblijkelijk beschikbare intelligence onvoldoende tot
adequaat handelen had geleid.
Alle daders radicaliseerden in dezelfde tijdsperiode. Contacten tussen leden verliepen
via bepaalde sleutelpersonen. Verschillende leden waren in het verleden als kleine
criminelen actief en kenden elkaar uit die periode. Verder fungeerde Abdelhamid
Abaaoud als spil in het netwerk en trad op als als ronselaar en katalysator. Overigens
mag hierbij de rol van andere ronselaars niet onderschat worden. Opmerkelijk is
dat verschillende van deze ronselaars weliswaar door het Belgische gerecht werden
opgespoord, vervolgd en veroordeeld, doch dat dit niet noodzakelijk leidde tot de neu-
tralisering van de radicaliseringsprocessen van de jonge betrokkenen. In dit verband
12 Abrina was pas 18 jaar als hij in 2003 voor het eerst achter de tralies vloog voor een diefstal met geweld. Hij
werd veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Dit scenario herhaalde zich bij herhaling. In december
2008 werd hij voor vier jaar opgesloten. Even voordien had hij in Grimbergen met een aantal kompanen een
garagehouder zwaar toegetakeld bij een diefstal. Na de aanslagen in Parijs dook hij onder. Het is onduidelijk
of hij deelnam aan de Parijse aanslagen.
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 219
dient benadrukt dat een aantal onder hen opvallend snel dit radicaliseringsproces
doorliepen.
Verder is het opvallend dat leden intensief gebruik maakten van internet en sociale media
om zich te informeren en onderling te communiceren. Sommigen onder hen ontleenden
daaraan hun status binnen de Jihadistische omgeving. Anderen radicaliseerden zichzelf
via deze weg. Opvallend is tevens dat alle gekende daders Franstalig waren, hetgeen de
communicatie onderling mogelijk maakte.
De meest opvallende vaststelling is dat verschillende daders ongemerkt wisten te ver-
trekken naar Syrië, waar hun radicalisering werd voltooid, en naderhand naar Europa
terugkeerden, dat alles onder de radar van de veiligheidsdiensten13. Het valt aan te
nemen dat diverse leden elkaar daar hebben leren kennen. Het is in Syrië dat het
extremistisch gedachtegoed werd getransformeerd in een “passage à l’acte”. Alles
wijst erop dat de daders daar uiteindelijk werden geïnstrueerd en dat de aanslagen er
werden voorbereid.
Ook valt op dat de aanslagen nauwgezet werden voorbereid. Verschillende leden
waren afkomstig uit Sint-Jans-Molenbeek, doch het logistieke netwerk was veel
ruimer dan deze gemeente, zowel in België als in Frankrijk. De groep kreeg hulp
van medestanders bij de voorbereiding van de aanslagen, tijdens de operatie en
gedurende de vlucht naderhand. Het sociale netwerk rond de daders blijkt groter
dan op het eerste gezicht werd aangenomen. Dat netwerk is deels lokaal, deels
internationaal van aard.
13 Abdelhamid Abaaoud vertrok in 2014 naar Syrië, keerde terug naar de EU en vertrok opnieuw; Bilal
Hadfi vocht in Syrië gedurende meer dan een jaar; Chakib Akrouh vertrok bij herhaling naar Syrië;
Mostefai Ismaël Omar was in 2013 en 2014 maandenlang in Syrië; Samy Amimour reisde in oktober 2013
af naar Syrië. Hij keerde voor de aanslagen niet meer terug; Foued Mohamed-Aggad reisde in december 2013
af naar Syrië. Enkel Brahim en Salah Abdeslam waren, voorzover bekend, nooit in Syrië. Zij radicaliseerden
via sociale media en door toedoen van Abaaoud.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
220 CPS 2016-2, nr. 39
2. Het kanaalplan
Kaart 1 : Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar 19 gemeenten, inclusief de situering van Sint-
Jans-Molenbeek langs de kanaalzone Brussel-Charleroi
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is één van de drie Belgische gewesten en bestaat
uit 19 gemeenten met elk een eigen burgemeester. Eén van die 19 is Brussel-stad14.
Sint-Jans-Molenbeek is ook deel ervan en ligt in het noord-westen van het gewest.
Sint-Jans-Molenbeek heeft zijn oostgrens aan het mistroostige kanaal Charleroi-Brussel.
De gemeente maakte de laatste jaren een stormachtige groei door en telt zowat 95.000
inwoners, terwijl dit er in 2000 nog maar 71.000 waren. Molenbeek is een industrie-,
maar vooral een woongemeente. Van 1992 tot 2012 was de burgemeester van Molenbeek
een Franstalig socialist (PS, Philippe Moureaux), terwijl sinds 2013 het ambt bekleed
wordt door een Franstalig liberaal (MR, Françoise Schepmans).
Sinds de politiehervorming in 1991, is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onderverdeeld
in 6 politiezones, elk met een andere capaciteit. De grootste zone is (1) PZ Brussel
Hoofdstad/Elsene. Hier staat 1 politieambtenaar in voor slechts 107 inwoners, waarmee
14 Eigen politieke instellingen verkreeg het Brussels gewest pas vrij laat, in 1989, met eigen hoofdstedelijke
instellingen: het Brussels Hoofdstedelijke Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 221
dit korps het sterkst scoort in het Brusselse gewest. Verder zijn er: (2) de PZ Brussel-
West met Sint-Jans-Molenbeek, Koekelberg, Jette, Ganshoren en Sint-Agatha-Berchem.
De omringingscoëfficiënt is in deze zone het minst voordelig, vergeleken met alle
andere politiezones, met name 1 inspecteur per 245 inwoners. De wijkwerking wordt
er sterk benadrukt op basis van een geografische indeling van het grondgebied van de
politiezone in 17 sectoren; (3) de PZ Zuid, met Anderlecht, Vorst en Sint-Gillis, met
1 politieman per 215 inwoners; (4) de PZ Ukkel/Watermaal-Bosvoorde/Oudergem,
met een omringingscoëfficiënt van 1 politieambtenaar per 237 inwoners; (5) de PZ
Montgomery, met Etterbeek, Sint-Lambrechts-Woluwe en Sint-Pieters-Woluwe, met 1
politieambtenaar voor 211 inwoners; en (6) de PZ Polbruno, met Evere, Sint-Joost-ten-
Node en Schaarbeek, met 1 agent per 188 inwoners.
Kaart 2 : De indeling van Brussels Hoofdstedelijk Gewest in zes politiezones
De gebeurtenissen in Paris op 13 november 2015 hebben Europa grondig door elkaar
geschud. In de nasleep hiervan kwam ons land in toenemende mate in het vizier van
internationale waarnemers, die wezen op Sint-Jans-Molenbeek als broeinest van de
internationale terreur. Op advies van OCAD verhoogde de regering het dreigingsniveau
naar het hoogst denkbare. Het leger verscheen in het straatbeeld, grootschalige huis-
zoekingen vonden plaats, anti-terreur maatregelen allerhande werden voorgesteld, de
Paul Ponsaers & Elke Devroe
222 CPS 2016-2, nr. 39
herstructurering van de Brusselse zonale politie kwam ter sprake, de verbreding van
de inzet van de private veiligheidssector verscheen op de agenda, en nog veel meer.
Kaart 3 : De betrokken (deel-)gemeenten in het federaal “kanaalplan
In januari 2016 kwam de Belgische regering relatief snel met een antwoord op de
Parijse gebeurtenissen. Tegen 2019 wil de overheid in heel het land geleidelijk aan 1.000
extra politiemensen bijkomend operationeel inzetten in de strijd tegen terreur15. Dit
jaar worden er hiervan reeds 300 bijkomend ingezet in het kader van het zogenaamde
“kanaalplan” in het Brusselse16. Dit plan strekt zich uit over Sint-Jans-Molenbeek,
15
Het Kanaalplan is slechts één deel van een veel groter veiligheidsproject. Voor dit grotere “Federaal Actieplan
tegen Gewelddadig Extremisme en Terrorisme” trok de regering 300 miljoen euro uit. Er zou nog bijkomend
100 miljoen resten om dit jaar te besteden in het kader van het veiligheidsbeleid. In het federale plan worden
op termijn 1.000 extra politiemensen voorzien, verder een 100-tal personeelsleden voor de Staatsveiligheid
en voor de speciale eenheden ook een stuk of 70. Bovendien zullen de diensten binnenkort met nieuwere
technologieën werken, die ook de informatiestroom tussen de Schengenlanden zal bevorderen. De controles
op de luchthavens van Zaventem en Charleroi zullen ook worden opgedreven. Daarvoor wordt ook extra
personeel voorzien. In het Plan is er geen vermelding van bijkomend personeel noch middelen voor het
maatschappelijk middenveld, hetgeen grotendeels tot de bevoegdheidssfeer behoort van het Brussel Gewest.
Er werden geen noties weergevonden van enige onderhandelingen ter zake.
16 Het kanaal Antwerpen – Brussel – Charleroi loopt van noord naar zuid door het Brusselse gewest langs de
westgrens van de vijfhoek, naast het historische centrum van het gewest. De Kanaalzone strekt zich over een
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 223
Vilvoorde (dat weliswaar geen deel uitmaakt van het Brussels gewest, maar wel langs de
kanaalzone ligt)
17
, Anderlecht, Koekelberg, Laken (wat geen zelfstandige gemeente is in
het Brusselse gewest, maar sinds 1921 een onderdeel van de stad Brussel)
18
, Schaarbeek,
Sint-Gillis en Sint-Joost-ten-Node, samen goed voor een investering van 39 miljoen euro.
Het is merkwaardig dat het “kanaal”-plan opteert voor een samenwerking tussen alle
gemeenten langs het kanaal gelegen, uitgezonderd de stad Brussel zelf, waarvan enkel
een beperkt onderdeel participeert, met name Laken. Sinds 2013 wordt het ambt van
burgemeester in de stad Brussel waargenomen door de Franstalige socialist Yvan Mayeur
(PS)19. Bovendien valt het op dat het plan zich richt op samenwerking op gemeentelijk
niveau en niet op deze tussen de politiezones. Het plan doorsnijdt als het ware de lokale
politiestructuur ten voordele van een alliantie tussen burgemeesters van gemeenten.
De meest urgente maatregelen hebben betrekking op Sint-Jans-Molenbeek en Vilvoorde.
Molenbeek krijgt er meteen vanaf 1 februari 2016 in een eerste fase 50 politiemensen
bij en Vilvoorde 20, omdat “beide gemeenten relatief veel Syriëstrijders en geradicaliseerde
potentiële strijders tellen”. Het gaat om federale personeelsleden die toegevoegd worden
aan de lokale politiezones. De coördinatie zal worden waargenomen door de korpschef
van zone Brussel-West/Molenbeek en de Brusselse Dirco van de federale politie.
In de praktijk zijn er echter vanaf begin februari 2016 slechts respectievelijk 29 en 6
agenten aan de slag, de helft van het in het vooruitzicht gestelde aantal. De realisatie
van het plan op korte termijn stoot immers op belangrijke weerstanden vanwege de
vakbonden. Het VSOA Politie, NSPV en ACV-OD dienden een stakingsaanzegging in
en ze worden gesteund door ACOD. De bonden zijn van mening dat het plan wordt
uitgevoerd zonder fatsoenlijk overleg. De federale inspecteurs die naar de lokale zones
afstand van 14 km uit. De kanaalzone komt grotendeels overeen met de 19de-eeuwse industriebuurten. In
de 20ste eeuw is de oude industrie er echter grotendeels verdwenen, zodat op vele plaatsen een verwaarloosd
industrieel erfgoed, veel leegstand en een fragiel sociaal-economisch netwerk zijn overgebleven. Vandaag
concentreren zich in deze centrale wijken, die onderling erg verschillen, talrijke problemen: een grote in-
stroom van immigrerende nieuwkomers, een hoge werkloosheidsgraad (de werkloosheidsgraad onder de
jeugd een van de hoogste van heel Europa), een laag opleidingsniveau, een verouderd woonbestand, grote
behoefte aan voorzieningen qua gezondheid, onderwijs en cultuur, gebrek aan groene ruimten, en een gebrek
aan stedelijke cohesie als gevolg van de wegtrekkende industrie. Kenmerkend voor het stadsweefsel is de
manier waarop grote percelen van de voormalige industrieën en kleinere percelen bestemd voor huisvesting
met elkaar vervlochten zijn. Het kanaal is op de meeste plaatsen een breuklijn waar de groeiende sociale
kloof in Brussel stad aan de oppervlakte komt, een muur die de stad doormidden snijdt in twee gescheiden
werelden, een scheidingslijn tussen de trendy cafés van het stadscentrum en de volkse migrantenbuurten
van Oud Molenbeek. Aangezien het grondgebied van de kanaalzone onder zeven verschillende gemeenten
valt, blijkt het echter moeilijk om tot een integrale aanpak te komen.
17 De gemeente wordt geconfronteerd met een gelijkaardige problematiek als Molenbeek. De Vlaamse socialist
Hans Bonte is er burgemeester en voert als lid van het federaal parlement een constructieve oppositiepolitiek
inzake de terreurproblematiek.
18 In Laken is de hoofdresidentie van het Belgisch vorstenpaar gelegen.
19 Na de nationale vakbondsbetoging die in Brussel gehouden werd op 6 november 2014 kwam er veel kritiek
op Mayeur, onder andere uit zijn eigen politiekorps. De politieagenten kregen meermaals het bevel om
zich terug te trekken, waardoor een tweehonderdtal relschoppers – waaronder Antwerpse dokwerkers – de
politie keer op keer kon bekogelen. Ook de uitrusting die de agenten kregen voor de manifestatie vonden
zij onvoldoende. N-VA voorzitter Bart De Wever, burgemeester van Antwerpen en tevens partijvoorzitter
sloot zich aan bij de kritiek op Mayeur. Vooral het feit dat Mayeur zelf meeliep in de betoging, viel in slechte
aarde. Mayeur verklaarde later dat het de Antwerps burgemeester Bart De Wever – die kritiek uitte op hoe
Mayeur de betoging had aangepakt – was die zijn verantwoordelijkheid niet had opgenomen, omdat hij de
dronken dokwerkers in Antwerpen preventief had moeten opnemen. De Minister van Binnenlandse Zaken
(eveneens N-VA) kwam ter gelegenheid van dit conflict scherp in botsing met de Brusselse burgemeester.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
224 CPS 2016-2, nr. 39
gedetacheerd worden zijn naar hun mening daarvan erg laattijdig op de hoogte gebracht
en er werden te weinig voorbereidingen getroffen. Kortom, het “kanaalplan” kent een
eerder pruttelende start, belooft veel op langere termijn, maar de uitvoering blijkt
voorlopig erg beperkt.
Wat wil de regering met het plan bereiken?
Eén van de hoekstenen van het plan is te weten te komen wie er precies in die gemeenten
verblijft en waar. Het opzet van het kanaalplan is vooral teruggekeerde Syriëstrijders
beter te kunnen lokaliseren. De gemeentebesturen, met hun respectievelijke radicali-
seringsambtenaren, zullen in dit kader verplicht worden om informatie uit te wisselen
met de politie, met het gerecht en met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Er zal meer
gescreend worden op radicaliserende jongeren, in samenwerking met de inlichtingen-
diensten, die eveneens meer middelen zullen bekomen.
Toen onze onderzoeksgroep in de kanaalzone onderzoek verrichtte in 2012 naar
aanleiding van een aantal ernstige ordeverstoringen viel het ons inderdaad reeds op
dat de bevolking een dermate groot verloop kende dat het nauwelijks mogelijk was
voor wijkinspecteurs om te volgen wie precies waar woonde
20
. Domiciliecontroles
bleken een haast onmogelijke opdracht. Het gaat om een erg “vlottende en tijdelijke
bevolking” in algemene zin, een probleem dat niet noodzakelijk verband houdt met de
terreurproblematiek, maar veeleer met de demografische (erg diverse) samenstelling
van de bevolking.
Niettemin valt uit de gebeurtenissen in Parijs te leren dat inderdaad verschillende Syri-
ëgangers uit Molenbeek terugkeerden, zonder dat dit bekend was bij de veiligheids- en
politiediensten. De vraag is maar of dit probleem wordt opgelost door een lokaal beleid
in specifieke gemeenten te voeren. Iemand die onder de radar van de diensten wil blijven
kan immers makkelijk een andere uitvalsbasis kiezen, en hierdoor de verscherpte lokale
controle vermijden. Het lijkt er eerder op dat de enige sluitende controle op vertrekkers
naar of terugkeerders uit Syrië kan plaatsvinden aan de Europese buitengrenzen. Maar
dat is natuurlijk lang geen nationaal verhaal meer.
Langer dan een jaar na de aanslag op Charlie Hebdo, ondanks meerdere aankondigingen
van de regering, bestaat er in België echter nog steeds geen centrale terreurdatabank
die alle informatie van leraren, hulpverleners, straathoekwerkers, gemeenten, politie
en gerechtelijke diensten over radicalen bundelt. Het wetsontwerp ter zake werd in
een advies van de privacycommissie met de grond gelijkgemaakt en moet dus her-
schreven worden. Een dergelijke centrale terreurdatabank zou o.i. kunnen leiden tot
verdergaande inzichten in deradicalisering. Deradicaliseringsstrategieën zouden, zo
blijkt uit onderzoek in opdracht van voormalig minister van Binnenlandse Zaken
Annemie Turtelboom (VLD)
21
, vooral vanuit sociale diensten, samen met familie,
vrienden en vertrouwenspersonen moeten worden geïnitieerd. Hoe belangrijk dergelijke
doorstroming van informatie is, bleek overduidelijk uit het verhaal van Bilal Hadfi, die
20
Liedenbaum, C., Descheemaeker, L., Easton, M., Noppe, J., Ponsaers, P., Terpstra, J., Vande Walle, G.,
Verhage, A. (2013). De Wijk achter de Botsing – Een Onderzoek naar Wijken in Nederland en België met ernstige
Ordeverstoringen, Reeks Politiestudies n°7, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu, pp. 268
21 Noppe, J., Ponsaers, P., Verhage, A., De Ruyver, B., Easton, M. (2010). Preventie van radicalisering in België,
Governance of Security Research Report Series, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu, pp. 185 .
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 225
in zijn school te kennen gaf de aanslagen op Charlie Hebdo genegen te zijn. De leraren
waren ongerust en probeerden dit aan te melden, maar er was geen gereglementeerd
communicatiekanaal aanwezig. Zeker toen Hadfi naar Syrië trok hadden alle alarmbellen
moeten afgaan. Informatie is essentieel in de terreurbestrijding, maar moet natuurlijk
voldoen aan de eisen van het grondrecht op privacy.
Het was evenwel toen reeds duidelijk dat de organisatie van informatiestromen tussen
politiële en gerechtelijke instanties enerzijds en organisaties uit het maatschappelijk
middenveld anderzijds niet onproblematisch was en er nood was aan erg heldere en
werkbare spelregels van de federale overheid. Een probleem dat intussen kennelijk
nog steeds niet werd opgelost. Momenteel voelt het justitieel welzijnswerk zich vol-
komen onbegrepen, hulpverleners in preventie en nazorg worden geacht zondermeer
beroepsinformatie te delen met politie of lokale politici, zonder dat de overheid enig
deontologisch kader voorziet, en aanmaant tot uitschakeling van het parket. Het beeld
van een vermeende almacht van de politie werkt contraproductief en roept wantrouwen
op bij de partners van het integraal veiligheidsbeleid. Ze belichaamt immers het beeld
van de onbetrouwbare overheid die het onvervangbare middenveld enkel nog ziet als
waterdrager voor politiële interventies22.
Tevens ligt het in de bedoeling van het plan om de document- en paspoortfraude en
de wapen- en drugshandel, waarmee terroristen hun activiteiten financieren, harder
aan te pakken. Er zal in de kanaalzone in dit kader ook een gloednieuwe inspectiecel
komen in de strijd tegen sociale fraude, zwartwerk, uitbuiting en mensenhandel. Op
zich opnieuw een nuttig initiatief. De feiten leren ons dat de Parijse terreurgroep actief
was in tal van illegale activiteiten: allerhande vormen van kleine criminaliteit, het dealen
van drugs, de aankoop van wapens en het gebruik van valse identiteitsdocumenten. Ook
wenst de regering met dit plan maatregelen te nemen tegen clandestiene haatpredikers
en ronselaars. Moskeeën zullen extra gecontroleerd worden. Opnieuw maatregelen die
erg noodzakelijk zijn, zo blijkt uit het feitenrelaas na de Parijse aanslagen. Maar het
blijft “kurieren am Symptom”.
Voor de aanpak van radicalisme is een meervoudige aanpak op verschillende niveaus nodig.
Een goede samenwerking tussen het gerecht, de federale en de lokale politie, de betrokken
burgemeesters en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is daarbij absoluut noodzakelijk”,
stelt minister van Binnenlandse Zaken, Jan Jambon. Hij benadrukt dat een engage-
ment van de Brusselse gemeenten onmisbaar is om de gezamenlijke aanpak te doen
slagen. Het is maar de vraag of de 19 Brusselse burgemeesters zich willen scharen
achter zijn zienswijze. De Vlaams-nationalistische signatuur van de minister van
Binnenlandse zaken blijft nogal wat weerstanden oproepen bij een aantal belangrijke
Franstalige burgemeesters en bij de Brusselse minister-president (PS). Ondanks dat
is Jambon erin geslaagd om vier Brusselse én één Vlaamse politiezone onderling
te laten samenwerken in dit kanaalplan. Op zich al een mooi resultaat, doch geen
definitieve overwinning…
22 Overigens wordt onderschat door de politieke verantwoordelijken dat in de strijd tegen het terrorisme de
wrevel groeit over de groeiende macht van de federale politie.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
226 CPS 2016-2, nr. 39
Waar ligt de kat dan gebonden?
Reeds lang voor 13 november 2015 was al duidelijk dat de besparingspolitiek van de
Belgische overheid gestaag invrat op de basisfilosofie achter het Belgische politiebestel
dat in 2001 werd ingevoerd ter gelegenheid van de politiehervorming, met name de
gemeenschapsgerichte politie of “Community Policing” (COP). Sindsdien is de spagaat
tussen de voorgestane politievisie enerzijds en de politiepraktijk “in actie” anderzijds
enkel maar vergroot. Dit leidt onzes inziens tot een feitelijke versmalling van het
mandaat van de politie. De inzet van “Community Officers”, die binnen de lokale poli-
tiekorpsen belast zijn met het buurtgerichte werk, komt hiermee op te helling te staan.
Naar aanleiding van de implementatie van de hervormde Belgische politie in 2001
werd geopteerd voor een gemeenschapsgerichte politie of ‘Community Policing’ (COP).
Sindsdien vormt dat gedachtegoed de leidraad voor het politieel handelen in ons land.
Tenminste, dat is de officiële zienswijze die nog steeds met de mond wordt beleden
van beleidszijde. In essentie is de rode draad doorheen deze COP-visie dat politie
een breed maatschappelijk mandaat dient op te nemen, die haar legitimiteit ontleent
aan de instemming van de bevolking. COP is wezenlijk een instemmingsmodel, een
“consent”-model. In deze zienswijze werkt de politie in en ten dienste van de gemeen-
schap, is maatschappelijk betrokken en is gericht op de bevordering van de veiligheid
en het welzijn van de bevolking.
De bakermat van het “consent” model is het Verenigd Koninkrijk. Het centrum van dit
denken is het voorkomen van misdrijven en het bewaren van de vrede door een constante
en zichtbare aanwezigheid op straat van geüniformeerde, in principe ongewapende,
politiemensen. De politie wordt in een dergelijke zienswijze één van de partners in het
brede maatschappelijke middenveld die de oorzaken van criminaliteit, onrust en sociale
wanorde trachten te beheersen. COP houdt dan ook een essentiële preventieve opdracht in
: het voorkomen dat er zich problemen verdichten in bepaalde groepen of op specifieke
plaatsen, en de ambitie om bij te dragen aan het terugdringen van de oorzaken ervan.
Dat betekent dat, daar waar het gaat om radicalisering van jongeren, de voedingsbodem
van die radicalisering moet worden tegengegaan. Heel concreet komt dat neer op het
verschaffen van tewerkstelling, van degelijk onderwijs en sociale huisvesting, van
bijstand en zorg. Uiteraard is dat niet de uitsluitende opdracht van de politie, maar is
dat een gemeenschappelijke opdracht van de publieke overheid, tot op grote hoogte van
het lokaal gemeentelijk beleid. Buurthuizen, straathoek- en jeugdwerkers, opvoeders,
inburgerings- en hulpverleningscentra en vele anderen dragen daartoe bij, samen met
diverse gemeentelijke diensten. De politie moet er dan op toekijken dat er geen breuken
ontstaan in de maatschappelijke textuur, dat ieders rechten worden gewaarborgd, dat
geen spanningen of kortsluitingen ontstaan, enz. Doorheen de tijd heen zijn we deze
aanpak een “integrale veiligheidsaanpak” beginnen te noemen. Politie is in een dergelijke
visie niet langer louter een organisatie, maar een werkwoord, met name “policing”.
Het lijkt er fel op dat we in ons land op een turbulent keerpunt zijn gekomen. Er lijkt een
groeiende kloof te ontstaan tussen de visie op het politiewerk, die officieel wordt omarmd
en bij herhaling is neergelegd in beleidsdocumenten, en de concrete politiepraktijk.
Er is een grote kloof tussen wat er wordt gezegd en wat er feitelijk gebeurt. Terwijl de
politie in grote mate blijft vasthouden aan een maatschappelijk geïntegreerde politie,
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 227
gebaseerd op een “consent” model (instemming), sluipt het “control” model (beheersing)
de politieke besluitvorming binnen, met nadruk op terreurbestrijding en een politie
die op grotere afstand komt te staan van het publiek. Kortom: de politie prefereert het
“consent” model, maar krijgt sluipenderwijs het “control” model opgediend.
Een dergelijk “control” model grijpt in grote mate terug naar een verouderde Napole-
ontische opvatting over politie, waarin het politieel optreden sterk centralistisch wordt
opgevat en waardoor in een stad als Parijs vandaag nog steeds de Nationale Politie de
plak zwaait, zonder aansluiting op het stedelijk beleid van de metropool. Zo’n vaart
loopt het alsnog niet in ons land. Voorlopig is er een relatief grote consensus omtrent
de handhaving van het Belgisch bestel, gesteund op twee pijlers, met name een fede-
rale politie en lokale zonale korpsen. De grondgedachte bij de hervorming van 2001
was in grote mate de politiële werking nauw te laten aansluiten op het gemeentelijke
beleid, zodat precies hoger genoemd ‘integraal veiligheidsbeleid’ reële kansen kreeg. De
ervaring leert immers dat een evenwichtig integraal veiligheidsbeleid een lange adem
heeft en slechts resultaten oplevert wanneer het geschraagd wordt door verschillende
partners met elk een eigen rol en verantwoordelijkheid en niet door middel van snel
spektakelsucces.
Het hernemen van het oude voorstel van samensmelting van de zes politiezones van
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op zich best verdedigbaar, en onzes inziens
zelfs noodzakelijk, indien dit echter ook leidt tot de samenvoeging van de 19 Brusselse
gemeenten tot één bestuursniveau, of één stedelijk gebied. Het is slechts op deze
manier dat een ‘integraal veiligheidsbeleid’ ook in Brussel vorm kan gegeven worden
23
.
Het creëren van één Brusselse politiezone, zonder te raken aan de 19 afzonderlijke
gemeenten, kan echter enkel maar tot een grotere afstand tussen het bestuur en de politie
leiden en meteen ook tot minder gemeenschapsgerichtheid. Of door het voorliggend
armlastig kanaalplan hieraan ten gronde wordt geremedieerd valt ernstig te betwijfelen,
gegeven het feit dat Brussel stad in grote mate buiten de oefening wordt gehouden,
laat staan dat de federale overheid bereid is om de gemeentelijke fusie in het Brussels
gewest ten gronde door te zetten.
Het grootste probleem ligt evenwel niet in de tendens tot schaalvergroting van de
politie. Het meest schrijnende probleem ligt in het feit dat de overheid in toenemende
mate, in de huidige tijden van schaarste, besparingen doorvoert binnen het ruime
veld van sociale voorzieningen en de welvaartsstaat uitholt, alle regionale en lokale
programma’s gericht op sociale rechtvaardigheid en cohesie ten spijt. Hierdoor komt
de gemeenschapsgerichte politie in grote mate onder druk te staan. Partnerships met
scholen, jeugdwerkers, buurthuizen e.d.m. worden, zonder financiële ademruimte
voor het maatschappelijk middenveld, herleid tot symbolische retoriek. Of, hoe de
politietaak in toenemende wordt versmald tot het bestrijden van symptomen bij gebrek
aan voldoende middelen om haar medewerking te verlenen aan een omvattend stedelijk
project.
23 De Europese realiteit leert ons dat metropolen best worden voorzien van robuuste korpsen (denk maar aan
de London Metropolitan Police), die onder de supervisie van één burgemeester functioneren, precies met
het oog op het garanderen van een goede aansluiting op het globaal stedelijk beleid. Denk hierbij ook aan
Berlijn, waar de premier van de Berlijnse deelstaat meteen ook fungeert als burgemeester van de stad en in
grote mate grip heeft op het korps dat actief is op het metropolitaan grondgebied.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
228 CPS 2016-2, nr. 39
Vandaag zien we dat de overheid in haar terreurkoorts ten gevolge van de gebeurtenissen
in Parijs “vlug-vlug” allerhande maatregelen uittekent, die vooral gericht zijn op de
(terechte en noodzakelijke) ontwikkeling van het repressieve luik van de terreurbe-
strijding en het preventieve luik grotendeels ongemoeid wordt gelaten. We moeten
vaststellen dat voorgaande jaren veel te laat en veel te weinig doortastend beleid werd
ontwikkeld op het versterken van het maatschappelijk middenveld om radicalisering
te voorkomen. De genomen maatregelen steunen vooral op het blinde geloof in de
afschrikkende werking van opsporing en sanctie tegen reeds radicale jongeren, terwijl
experts het belang van een degelijke sociale preventie benadrukken. In dit verband
dient vermeld dat België helemaal achteraan de lijst komt in de jongste “European Social
Survey24” inzake vertrouwen in politie en justitie. De Belgische deelnemers gunden de
Belgische politie en justitie slechts 5,5 op 10. Alle West-Europese landen scoorden beter.
3. De krimp naar “kerntaken”
Bovenstaande vond plaats in een bijzonder klimaat. Lang vóór de aanslagen in Parijs
kondigde de nieuwe coalitie in haar regeerakkoord van 9 oktober 2014 aan dat de
reglementering betreffende de private veiligheid zou geëvalueerd worden. Er werd in het
vooruitzicht gesteld dat op basis van deze evaluatie zou gewerkt worden aan een nieuwe
en vereenvoudigde wetgeving, waarbij bepaalde taken, die niet tot de “kerntaken” van
politie behoren, zouden kunnen uitgevoerd worden door private veiligheidsdiensten.
Er werd aan toegevoegd dat dit initiatief rekening zou houden met het kerntakendebat
van de politiediensten, en eveneens dat er steeds een overeenkomst met de politie zou
worden afgesloten, die altijd toezicht zou blijven uitoefenen op de uitvoering van deze
taken. Er werd tevens een correcte controle op de sector in het vooruitzicht gesteld. In
zijn beleidsverklaring benadrukte Jambon dat veiligheid een gedeelde verantwoordelijk-
heid blijft25.
In het verlengde hiervan haastte de nieuwe minister zich te benadrukken dat de filosofie
van gemeenschapsgerichte politie zal behouden blijven, waarbij onder meer de rol van
de wijkpolitie zal worden versterkt: ‘Het doel blijft om meer blauw op straat en blauw meer
op straat te krijgen’. En meteen werd daaraan toegevoegd: ‘Daarom dienen de politieagenten
opnieuw op hun essentiële taken te worden gericht en moeten ze bevrijd worden van onnodige
administratieve taken. Het kerntakendebat zal worden verder gezet en samen met de andere
partners (veiligheidskorps, de veiligheid van de staat (VSSE), private sector, defensie …) zal
gezocht worden naar de meest pragmatische en meest efficiënte oplossing’. Tot dit algemeen
statement beperkte Jambon zich toen voorlopig in zijn beleidsverklaring.
24 Het gaat om een breed vergelijkend bevolkingsonderzoek naar vertrouwen, levenstevredenheid en opvat-
tingen over migranten in 15 Europese landen.
25 Meteen werd aangekondigd: ‘Zowel publieke als private actoren hebben een belangrijke rol te spelen in het bevor-
deren van de veiligheid van de burger. In dit verband kan geënt worden op de kennis, ervaringen en/of middelen
die partijen kunnen bijdragen door samenwerkingsverbanden aan te gaan die voor beiden een win-win betekenen.
De mogelijkheden voor dergelijke publiek-private samenwerkingsverbanden zullen worden onderzocht teneinde de
veiligheid van de burger te verzekeren. Het is wel cruciaal dat deze sectoren kunnen opereren binnen een duidelijk en
vereenvoudigd wettelijk kader. De wet private bewaking en de wet privédetectives zijn volgens mij toe aan een evalu-
atie en een herziening. Deze herziening zal gebeuren in overleg met de betrokken partners, zoals bijvoorbeeld ook
de verzekeringsmaatschappijen. Ik zal waken over de controle op deze sector en over de integriteit van het personeel
ervan’.
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 229
In deze context mag niet over het hoofd worden gezien dat de Belgische publieke politie
over het algemeen beschouwd wordt als duur. Vooral het uitbesteden van politietaken
aan de private sector trad opnieuw op de voorgrond in de context van het debat over het
terugdringen van de overheidsuitgaven. Kostenbesparing leek wel het middel bij uitstek
om de commerciële veiligheidssector in te schakelen. De minister stelde in navolging
hiervan een taskforce ‘Kerntakendebat politie’ in, met drie personen van de lokale politie,
drie van de federale politie en drie externe experten, met name prof. dr. B. De Ruyver
(UGent), prof. dr. Willy Bruggeman (Benelux Universitair Centrum) en dr. David Stans
(ULg). De taskforce zou tegen eind februari 2015 haar voorstellen formuleren. Daarna
zal er worden overlegd met alle betrokken actoren, de sociale partners, de Vlaamse
Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG), en uiteraard ook het Parlement, zo werd
in het vooruitzicht gesteld. Daarna zou hij een voorstel voorleggen aan de regering. De
taskforce ging aan de slag in alle luwte, want intussen waren er andere hete politieke
thema’s die hoog op de politieke agenda stonden26.
In de nasleep van de Charlie Hebdo aanslagen in Parijs en de daaropvolgende arrestaties
in het kader van de terreurbestrijding in ons land, kort na de jaarwisseling 2014-2015,
laaide het debat in het Parlement terug op. Het dreigingsniveau werd door OCAD
opgetrokken naar niveau 3. Als gevolg daarvan verhoogde de druk op de politiedien-
sten
27
. Open VLD fractieleider Patrick Dewael riep op 26 februari 2015 de minister
van Binnenlandse Zaken op om spoedig met zijn plannen over de kerntaken van de
politie naar de Kamer te komen. ‘We moeten onze goed getrainde politiemensen inzetten
voor echte politietaken’, zo hield hij voor. Dewael porde de minister: ‘Het aanhoudend
verhoogde dreigingsniveau bewijst de noodzaak om het kerntakendebat van de politie in een
stroomversnelling te brengen. Never waste a good crisis. Onze goed getrainde politiemensen
zijn al te vaak bezig met oneigenlijke taken en opdrachten die niets te maken hebben met
politiewerk.’ Het Kamerlid verwijst onder meer naar het begeleiden van gevangenen naar
de rechtbank en het vervullen van administratieve verplichtingen. Jambon benadrukte
in zijn antwoord dat de regering op korte termijn het kerntakendebat zou afronden
en een lijst van taken zal voorstellen, die drie categorieën van taken zal bevatten, met
name: (1) taken die als de echte sleuteltaken van de politie kunnen worden beschouwd;
(2) taken die ooit belangrijk waren maar nu niet meer nodig zijn; (3) en taken die ook
door andere instanties (openbare diensten of privéfirma’s) kunnen worden uitgevoerd.
De private veiligheidssector kwam in beweging en meldde dat de Beroepsvereniging
van bewakingsondernemingen (BVBO) een grote bijdrage kan en wil leveren aan het
huidige debat over de kerntaken van politie en justitie. Binnen het veiligheidsland-
schap in ons land is er ruimte voor meer private veiligheid, zo vond het BVBO, en
dit als antwoord zowel op de groeiende vraag naar meer politie en veiligheid als op
de noodzaak voor de politie om zich op haar kerntaken te focussen. Minister Jambon
hoorde reeds de sector en beloofde een constructief overleg. Het kerntaken debat moet
volgens de BVBO structureel worden gevoerd, via een globale en doordachte aanpak.
Het BVBO heeft dan ook bedenkingen bij fragmentarische oplossingen “die recent naar
26 In afwachting werd door Open-VLD kamerlid Sabien Lahaye-Battheu reeds het initiatief genomen om een
wetsvoorstel in die zin in te dienen. Dit wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 10 april 1990 geeft een op-
somming van politietaken die kunnen worden overgedragen naar de private veiligheidszorg (Lahaye-Battheu,
2014).
27 De discussie wordt in grote mate doorkruist doordat de regering besliste militairen in te zetten in het kader
van de verhoogde terreurdreiging.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
230 CPS 2016-2, nr. 39
voren werden geschoven zoals betaalpolitie, waarbij een opbod gaat ontstaan tussen diensten
die bewakingsondernemingen vandaag al kunnen uitoefenen en diensten die in de toekomst
de politie tegen betaling gaat leveren. Ook de instelling van een nieuw gemengd – politie en
leger – veiligheidskorps voor de beveiliging van een aantal strategische gebouwen, waarvan de
private bewaking vandaag reeds een belangrijk deel voor haar rekening neemt, lijkt de sector
niet de beste aanpak. Begeleiding van deurwaarders kan volgens het BVBO perfect gebeuren
door bewakingsagenten en zou kunnen ingeschoven worden in een ruimer kader van het
openstellen van niet kerntaken.
Ook de vakbonden laten zich niet onbetuigd. Het ACV Politie weet begin november
2015 te melden dat de taskforce “een rapport heeft afgeleverd met voorstellen inzake het
takenplan voor de politie. Deze discussie is niet nieuw en werd bij de vorige Regering ook reeds
gevoerd. Verschillende oorzaken liggen aan de basis van dit debat. De toenemende werkdruk,
de stijgende kosten voor de werking van de politiediensten en het steeds slinkende budget.
Doch niet in het minst is er de druk vanuit de private sector om taken van de politie over te
nemen onder het vals voorwendsel zoveel mogelijk politiemiddelen vrij te maken en deze te
herinvesteren in de kernopdrachten en prioriteiten van de politie. We maken ons als vakbond
geen illusies. De geldelijke middelen zullen naar de privé worden versast met een afbouw van
de werking van de openbare diensten als gevolg”28.
Gewapend met de voorstellen van de taskforce en de inzichten van alle betrokkenen
start de minister de politieke besluitvorming in dit dossier. Het Kerstakkoord 2015
komt eraan. De federale topministers, aangevuld met enkele vakministers, raken het
eens over een groot akkoord dat een aantal aanslepende “probleemdossiers” bevat. De
ministers zaten hiervoor lange tijd samen in de Lambermont. Premier Michel heeft het
over “structurele en substantiële akkoorden”. Een klein onderdeel van dit erg verscheiden
onderhandelingspakket wordt gevormd door de kerntaken van de politie, waarover de
regering uiteindelijk dus een politiek akkoord bereikt.
Wat behelst dat akkoord?
De politie krijgt de komende jaren meer dan 2.500 extra mensen op het terrein. Een
groot deel van het korps komt vanuit Defensie. Er worden “middelen en capaciteit
vrijgemaakt voor prioritaire opdrachten”. Dat resulteert in :
(1) 450 lokale politiemensen extra (“dichter bij de burger”). De regering verwacht
hiervoor in ruil 24/7 snellere interventies enerzijds, en meer contact tussen burgers
en wijkagenten anderzijds.
(2) 400 federale agenten extra (“voor de harde aanpak in prioritaire domeinen”). De
regering verwacht in dit kader bijkomende ondersteuning door de federale politie van
de lokale politie onder de vorm van manschappen (via de algemene reserve) en betere
doorstroming van informatie. Van de federale politie wordt meer slagkracht verwacht
28 En verder: “De overheid stelt het af en toe ook wat te simplistisch voor. Ondersteunende processen zoals logistiek,
HR, curatieve, arbeids- en controlegeneeskunde, … zijn volgens deze overheid geen ‘kerntaak’ voor de politie… Als
vakbond zijn we het met deze valse redenering helemaal niet eens. Het administratief en logistiek kader heeft zeker
zijn belang als ondersteuning voor het operationeel kader. Deze taken outsourcen zal enkel gepaard gaan met een
niet onbelangrijke meerkost en een afbouw van de service aan het personeel. Als vakbond en als goede huisvader zijn
we wel akkoord een kosten-batenanalyse uit te voeren teneinde het rendement van bepaalde taken vast te stellen”.
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 231
: “hardere strijd tegen terreur en zwaar banditisme”, “meer slagkracht voor Speciale
Eenheden, grenspolitie, gerechtelijke politie in het kader van de terreurbestrijding,
de Computer Crime Unit”, “meer internationale samenwerking” en “meer controles
tegen wegpiraten”.
(3) Daarbovenop komt er een nieuw korps, de Directie Bewaking en Bescherming, dat
1.660 manschappen zal tellen, (“voor bewaking en bescherming”) en zal ressorteren
onder de federale politie, zo wordt aangekondigd. Dit nieuwe korps zal instaan voor
de bescherming en bewaking van gebouwen, voor protocollaire escortes en voor de
bewaking van gerechtshoven. Het korps zal vooral bestaan uit personeel dat overkomt
van Defensie (1.220) en vanuit Justitie (400). De bedoeling is de leden van deze nieuwe
directie het statuut van “agent van politie” te geven en het statuut aan te passen, zodat ze
hun taken naar behoren kunnen uitvoeren. Ook wordt bekeken om de personeelsleden
in bepaalde omstandigheden wapens te laten dragen, nadat ze de nodige opleidingen
achter de rug hebben.
Een aantal politietaken zal duurder gemaakt worden, andere taken worden dan weer uit-
besteed of gewoon stopgezet. Zo zullen een aantal opdrachten die de politie nu uitvoert,
betalend worden gemaakt. Het gaat onder meer om het begeleiden van waardevervoer.
Daar betalen privémaatschappijen nu een klein bedrag voor. Dat zal in de toekomst
volledig betalend worden. Verder zal bijvoorbeeld Electrabel moeten betalen voor de
bewaking van de kerncentrales. Andere opdrachten zullen uitbesteed worden. Dat gaat
dan van de interne postbedeling tot het verwerken van PV’s en het beheer van flitspalen,
al zal dat steeds onder toezicht van de politie blijven. Enkele taken worden simpelweg
stopgezet. Het gaat onder meer om opvorderingen bij stakingen, de verkeerseducatie
door de federale politie en de interne medische dienst. Jambon wees erop dat de politie
in de toekomst zich nog meer op die kerntaken moet richten. Ook wordt gedacht aan
het terugbrengen van gestolen goederen naar de rechtmatige eigenaars. Volgens de
minister is dat een taak die ook door gewone ambtenaren kan worden uitgevoerd.
Een “slimmere” samenwerking met de privé-sector wordt verder in het vooruitzicht
gesteld. Er wordt benadrukt dat de politie het monopolie op geweld en dwang zal
behouden. Wel wil Jambon dat private bewakingsdiensten “pragmatischer” met hun
bevoegdheden kunnen omgaan. Vandaag kunnen ze bijvoorbeeld enkel opereren in
industriezones als daar fysieke omheiningen aanwezig zijn. Een gemeenteraad zou daar
een mouw aan kunnen passen door met pictogrammen te werken, zo wordt voorgesteld.
Er wordt tevens voorgesteld het real-time cameratoezicht uit te breiden, terwijl echter
de beoordeling om over te gaan tot een interventie altijd een politionele beslissing blijft.
Met dit akkoord trekt de minister van Binnenlandse Zaken naar het Parlement. Het
blijkt echter dat, zowel binnen de meerderheid als de oppositie nogal wat vragen rijzen
bij de overstap van 1.220 militairen. Een vorig initiatief mondde uit in de verhuis van
slechts een handvol soldaten. “The proof of the pudding is in the eating”, stelde Sabien
Lahaye-Battheu (Open Vld), terwijl Vanessa Matz (cdH) zich afvroeg of Jambon geen
dubbeltellingen deed. “Vooraleer je pudding kan proeven, moet je die eerst wel klaarmaken”,
reageerde de minister. Hij wees erop dat in het verleden was gerekruteerd bij operati-
onele militairen. “Ditmaal is het de bedoeling beginnende militairen, in het kader van de
korte loopbaan bij Defensie, meteen een perspectief voor te schotelen om naar de politie over
te schakelen”.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
232 CPS 2016-2, nr. 39
Alain Top (sp.a) uitte zijn zorgen over hoe zou omgegaan worden met de controle,
opvolging en verantwoordelijkheid inzake privacy bij het doorschuiven van taken naar
de private veiligheidssector. “Hoe meer je uit handen geeft, hoe meer controle er nodig is om
ervoor te zorgen dat zaken niet in verkeerde handen terecht komen”, luidde het. Ook Gilles
Vanden Burre (Ecolo) stelde zich vragen bij die democratische controle.
Olivier Maingain (Défi) meende dat Europa zich op een dag vragen zal stellen bij de
capaciteit van de politie om de beveiliging van de Europese instellingen op zich te
nemen. De vicepremier bevestigde dat ons land tekort schiet in zijn taken als “host
nation” bij de bewaking van de gebouwen. “We worden daarover regelmatig op de vingers
getikt”. Vandaag wordt blijkbaar aan dat probleem een mouw gepast door de inzet van
militairen als gevolg van dreigingsniveau 3. In de toekomst moet de nieuwe Directie
echter een oplossing bieden.
Veerle Heeren (CD&V) waarschuwde dat het een huzarenstukje zou zijn om de hervor-
mingen budgetneutraal door te voeren, zoals de regering ambieert, op de oprichting
van de nieuwe directie na. ‘Als er sprake is van informatisering, is mijn ervaring dat er
altijd budgetverhogingen bij komen kijken’, stelde Heeren. Jambon kondigde aan dat
er voor de komende vijf jaar telkens 16 miljoen euro is gebudgetteerd voor de uitbouw
van I-Police.
Volgens minister Jambon is het de bedoeling het plan in een 20-tal concrete projecten
uit te rollen in de loop van 2016-2018. Er komt verder overleg met de betrokken partners
en er zal een werkgroep opgericht worden voor de uitrol van het takenplan. In de
slipstream van dit debat komt minister van Justitie Koen Geens (CD&V) binnenkort
met een wetsontwerp over de afschaffing van de systematische bijstand van gerechts-
deurwaarders door de lokale politie. Voortaan zullen de deurwaarders en de politie een
inschatting maken van het eventuele risico. Daarvoor moet ook het protocol tussen
beide partijen worden herzien.
Opnieuw de kat gebonden?
Nadere beschouwing van dit Kerstakkoord leert ons een aantal zaken. Op de eerste
plaats valt het op dat de regering als het ware behept is met de reflex voor elk soort van
probleem “nieuwe blikken van politieambtenaren te openen”. Beleid wordt vertaald in
aantallen manschappen en budget hiervoor, doch er wordt veel te weinig indringend
ingegaan op de aard en de kwaliteit van het politiewerk. Dat zagen we voorheen in het
Kanaalplan en evenzeer in dit Kerstakkoord. Het blijft opmerkelijk dat in tijden van een
groot gebrek aan publieke financiële middelen toch grote budgetten kunnen vrijgemaakt
worden in het kader van het federaal veiligheidsbeleid. Of: hoe een besparingslogica
bij de politie kan leiden tot grotere uitgaven. Uiteindelijk werd het kerntakendebat toch
gevoerd om de schaars beschikbare middelen beter te besteden, toch?
Op dit vlak blijft de aankondigingspolitiek van de regering vaag. In het kader van
het “Federaal Actieplan tegen Gewelddadig Extremisme en Terrorisme” kondigde de
regering aan 400 miljoen euro uit te trekken tegen 2019 voor de geleidelijke inzet
van 1.000 extra politiemensen. In het “Kanaalplan” wordt voorzien in de inzet van
300 bijkomende personeelsleden in het Brusselse. Naar ons begrip maken die 300
deel uit van het effectief van 1.000 dat reeds voorzien is in voorgenoemde “Federaal
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 233
Actieplan tegen Gewelddadig Extremisme en Terrorisme”. Het “Kerstakkoord” inzake
de kerntaken voorziet dan weer in 2.500 extra mensen op het terrein, waarvan een groot
deel afkomstig is van Defensie en Justitie29. De operatie is met andere woorden in grote
mate een ‘vestzak-broekzak’ operatie en bijkomende middelen worden allicht opnieuw
geput uit het “Federaal Actieplan tegen Gewelddadig Extremisme en Terrorisme”. Drie
initiatieven dus, met veel bombarie aangekondigd, maar uiteindelijk in grote mate
gebaseerd op dezelfde financieringsbron en het herschikken van de federale middelen.
In essentie wordt eigenlijk via de inrichting van een nieuwe Directie “Bewaking en
Bescherming” een taak overgeheveld van Defensie naar de federale politie, samen met
het personeel. De regering maakte er in het verleden al geen geheim van dat zij de
statische bewakingsopdrachten door militairen belangrijk vond en eigenlijk ontbrekend
in het huidig politiebestel. Gedurende (te) lange tijd heeft zij dit hiaat weten te dichten
in het kader van de handhaving van terreurdreiging niveau 3, hetgeen toeliet aan het
leger deze opdrachten toe te vertrouwen. Met de inrichting van de nieuwe dienst kan
dan “eindelijk” het terreurniveau dalen. Toch wel een eigenaardige oplossing: een
vermeend hiaat in het politiebestel wordt opgelost door het verhoogd en “uitzonderlijk”
dreigingsniveau alsnog te handhaven, in afwachting van de installatie van het nieuwe
politiekorps dat de facto erin bestaat de middelen van defensie af te romen.
Onze bekommernis reikt evenwel verder. Militairen overhevelen naar de politie impli-
ceert ook een cultuuromslag. Militairen zijn getraind in het functioneren in een extreem
hiërarchische, bureaucratische en reactieve organisatiestructuur, met bijzonder veel
interne regels en discipline, op grote afstand van de burger. Zij zijn echter op geen enkele
wijze gesocialiseerd in het functioneren in de geest van een proactieve en preventieve
gemeenschapsgerichte politie. Wie dacht dat een militair-bureaucratisch politiemodel
achterhaald was en voorbijgestreefd moet wellicht zijn mening ter zake grondig herzien.
“De politie, uw vriend”?
Tevens valt ons op dat de federale politie in toenemende mate in het carcan wordt
gedwongen van “crime fighter”. De gehanteerde termen lijken wel afkomstig te zijn uit
erg gedateerde handboeken: “harde strijd” en “slagkracht”, terwijl het woord “preventie
in het regeringsvocabularium eigenlijk gewoon niet voorkomt. Enkel de lokale politie
wordt gepaaid met COP-jargon (“dichter bij de burger”), maar dit gaat dan enkel gepaard
met een louter instrumenteel gebruik van de relaties met de burger om te voorzien
in een betere informatiedoorstroming. Reëel partnership met het maatschappelijk
middenveld, buiten de meer “pragmatische” samenwerking met de commerciële private
veiligheidssector, komt gewoonweg niet ter sprake.
Over deze toenadering tot de commerciële private sector kunnen we kort zijn. De poorten
worden niet open gesmeten, maar er wordt behoedzaam gezocht naar mogelijke pistes.
Het voorstel blijft eigenlijk bij het oplaten van wat (voor de hand liggende) ballonnetjes
om het terrein politiek af te tasten. Het gaat eigenlijk om een salami-politiek van trage
groei en verschuiving. In ieder geval hebben de partijen elkaar gevonden doorheen het
onderhandelingsproces en kan het lobbywerk gestaag en indringend doorgaan.
29 Hierbij dient vermeld dat in hetzelfde “Kerstakkoord” het legereffectief werd verminderd van 32.000 naar
25.000.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
234 CPS 2016-2, nr. 39
4. Conclusie
Het is onze overtuiging dat geschetste (elkaar versterkende) evoluties het gevolg zijn
van de beleidsopvattingen die politici hebben over de “ware aard” van het politiewerk,
met name misdaadbestrijding. Het blijkt een beleidsopvatting die vooral in tijden van
economische schaarste een grote aantrekkingskracht heeft. Nochtans weten we dat de
invloed van politie op criminaliteit zeer beperkt is, omdat de oorzaken van criminaliteit
zich buiten de invloedssfeer van de politie bevinden.
Een gemeenschapsgerichte politie vervult erg veel taken, zoals het handhaven van de
sociale vrede of sociale dienstverlening, die meestal niets van doen hebben met misdaad.
Het brengt de politie veelvuldig in contact met kwetsbare personen in de samenleving.
Een korps dat te nadrukkelijk focust op misdaadbestrijding verwaarloost onvermijdelijk
andere basisfuncties, zoals wijkwerking, onthaal, slachtofferbejegening en andere.
Sommige korpsen experimenteren vandaag met een elektronisch loket, zodat klagers
of slachtoffers eerst een afspraak moeten boeken vooraleer ze terecht kunnen bij hun
lokaal korps. Een overdadig accent op de misdaadbestrijding vervreemdt de politie van
de bevolking. Hierdoor ontstaat een breuk met de wijze waarop de Belgische politie zich
na de hervorming heeft ontwikkeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het jaarverslag
2014 van het Comité P, “in tempore non suspecto”, waarschuwde voor een groeiende kloof
tussen politie en bevolking in een aantal politiezones in Brussel.
Het is markant dat over het veiligheidsbeleid bijzonder weinig verantwoording wordt
afgelegd, waardoor het aan elk grondig tegensprekelijk debat wordt onttrokken. Bij de
bepaling van het veiligheidsniveau wordt bijvoorbeeld zonder verdere commentaar
verwezen naar de “technische” adviezen van het OCAD. Het ontbreekt volkomen aan een
breed politiek en maatschappelijk debat over de geschetste evolutie van een “consent”
naar een “control” model. Er wordt gevraagd om meer middelen voor veiligheid, zonder
dat ook maar iemand blijk geeft na te denken over wat aan veiligheid bijdraagt en welke
rol de politie daarin speelt.
Ondertussen is de politie geleidelijk op weg een organisatie te worden die vooral con-
troletaken uitvoert en tegenover de burgers staat. Dat is een onverstandige keuze. Een
performant veiligheidsbeleid is een belangrijke politieke prioriteit. Het gaat om het
creëren van maatschappelijke stabiliteit, zekerheid en rechtvaardigheid. Dat impliceert
o.i. dat alle politieambtenaren doordrongen zijn van minstens twee fundamentele
basiswaarden: het plichtsbesef dat zij het volk op correcte wijze dienst moeten verlenen
én het professioneel inzicht dat zij zonder de hulp van het maatschappelijk middenveld
geen doeltreffend werk kunnen leveren, noch in de preventie van misdrijven, noch in
de nazorg. Of het huidig federaal regeringsbeleid hier daadwerkelijk toe bijdraagt is
echter zeer discutabel.
Blijkbaar is de huidige politieke klasse vergeten wat de preciese voedingsbodem was van
“Community (Oriented) Policing”. Het moet zijn dat hen het beeld voor ogen staat van
“ome agent” op geiten wollen sokken, en dus van een al té softe politie. Klaarblijkelijk is
men niet vertrouwd met het feit dat de zogenaamde Brixton Disorders aan de grondslag
Molenbeek (maart 2016) na Parijs (november 2015)
CPS 2016-2, nr. 39 235
lagen van de ontwikkeling ervan
30
. Het was na deze gewelddadige gebeurtenissen dat de
Britse regering een onderzoek gelastte, dat aanleiding gaf tot het zgn. Scarman Report,
dat gepubliceerd werd eind november 1981. Scarman concludeerde dat “complexe
politieke, sociale en economische factoren” de oorzaak waren voor “het ontstaan van de
neiging tot gewelddadig protest”. Het rapport gaf dan ook aanleiding tot een nieuwe
wetgeving in 1984, waaruit een onafhankelijk Police Complaints Authority voorvloeide.
Voornaamste objectief was het herstel van het vertrouwen van het publiek in de politie.
De aanbevelingen van Scarman om in eerste instantie de raciale achterstelling en
de teloorgang van de binnenstad aan te pakken werden niet geïmplementeerd en in
1985 deden zich opnieuw rellen voor in dezelfde buurt. Wanneer in 1999 terug een
commissie werd ingesteld, naar aanleiding van het gebrekkige politieoptreden in een
moordonderzoek, kwam deze in het Macpherson Report opnieuw tot de conclusie dat de
aanbevelingen van Scarman uit 1981 volkomen waren genegeerd door de regering. We
moeten eraan herinneren dat de Brixton Disorders en het Scarman Report de belangrijkste
inspiratiebronnen waren voor de ontwikkeling van het Community (Oriented) Policing
gedachtegoed als antwoord op een tot de draad versleten conflictstrategie. Gelijkaardige
rellen en onafhankelijke onderzoeksrapporten uit Noord-Ierland (men denke ondermeer
aan het Patten report) en de US hebben de architecten van COP ertoe gebracht de
oude law-and-order politiemodellen als volkomen bankroet te verklaren en een veel
gemeenschapsgerichter politiemodel te ontwikkelen. COP is geen “softe” policing
strategie, het is de enige die breed doorpakt naar de oorzaken van veiligheidsproblemen
en er doortastend werk van maakt. Het is geen luxe, maar absolute noodzaak. Er bestaat
gewoon geen alternatief.
Samengevat kwam men tot volgende inzichten : (1) De politie kan misdaad niet voorko-
men en niet effectief werken zonder de hulp van de bevolking; (2) De klassieke wijzen
van aanpak zijn te reactief, aangezien ze geen impact hebben op de omstandigheden
die criminaliteit en zelfs wanorde veroorzaken; en (3) Het politiebeleid wordt veel
te algemeen, en dus te weinig gericht, gevoerd (one size fits all) en er wordt geen of
onvoldoende rekening gehouden met de specifieke sociale omstandigheden waar zich
veiligheidsproblemen voordoen. Stilaan maakten de meeste west-Europese politiekorp-
sen zich door de jaren heen deze inzichten eigen. Het was met vallen en opstaan, maar
er was onmiskenbaar verandering merkbaar.
COP wordt met andere woorden zowat wereldwijd erkend als het enige werkbare model
in de huidige laatmoderniteit, niet zozeer in tijden van economische hoogconjunctuur en
voorspoed, maar vooral in periodes van schaarste, werkloosheid, etnische diversifiëring,
30 Tussen 10 en 12 april 1981 deden zich in Lambeth (Zuid-Londen) deze rellen voor, met als triest hoogtepunt
Bloody Saturday. Bij de rellen raakten 280 politiemensen en 45 burgers gewond, werden meer dan 100 voer-
tuigen uitgebrand (waaronder een meerderheid aan politiewagens), 150 gebouwen werden vernield, waarvan
er 30 uitbrandden. 82 personen werden gearresteerd. Lambeth was een gebied met ernstige sociale en econo-
mische problemen. De ganse UK onderging in deze jaren een diepgaande economische crisis, waarbij vooral
de gekleurde gemeenschap werd getroffen door hoge werkloosheid en barslechte woonomstandigheden.
De maanden die vooraf gingen aan het oproer werden gekenmerkt door toenemende spanningen tussen
politie en inwoners. De politie werd door de gekleurde gemeenschap gedefinieerd als de grote tegenstander,
hetgeen dan weer aanleiding gaf tot het sweepen van straten door indrukwekkende politiepeletons, essentieel
op basis van frequente controles en fouilles in de straat en van arrestaties. Wanneer op 10 april 1981 Michael
Bailey, die een messteek had opgelopen tijdens de rellen, door de politie werd gecontroleerd en omstaanders
dachten dat hij slachtoffer was van politiegeweld, sloeg de vlam volkomen in de pan. Grote groepen keerden
zich gewelddadig tégen de politie.
Paul Ponsaers & Elke Devroe
236 CPS 2016-2, nr. 39
verruwing en polarisering. Een staat die zich enkel met wapenstokken verschanst
achter barricaden, schilden en gevechtshelmen of een politie die zich louter nog mag
concentreren op misdaad- en terreurbestrijding zal deze strijd verliezen op termijn.
Hoe stoer deze gevechtstaal ook moge klinken, effectief is ze niet. Dat is gebleken na
de Brixton Disorders. Men heeft toen met schade en schande de les geleerd en met
vereende krachten een krachtig alternatief ontwikkeld. Moeten we nu écht opnieuw
doorheen dat hele proces?
Ter afsluiting moeten we eerlijkheidshalve erkennen dat veel elementen van de ambities
van COP enkel maar gerealiseerd kunnen worden (in een federaal land als België)
wanneer er een goed samenspel bestaat tussen enerzijds de federale overheid, die
tenslotte enkel maar greep heeft op de autoriteitsdepartementen, en anderzijds de
gewestelijke en gemeenschapsoverheden. Het zijn deze laatsten die in feite de sleutelbe-
waarders zijn tot het beleid inzake onderwijs, economie, werkgelegenheid, huisvesting,
armoedebestrijding, inburgering, welzijn, volksgezondheid en jeugd. Het is hier waar
het maatschappelijk middenveld vorm wordt gegeven en een waarachtig integraal
(veiligheids-)beleid kan worden geboetseerd. Zoals we nadrukkelijk pleiten voor een
doorgedreven partnership tussen politie en dat maatschappelijk middenveld, zijn we
dan ook verplicht om consequent te pleiten voor een veel ingrijpender beleidsafstem-
ming tussen de federale en gewestelijke regeringen zelf. Als dat voor sommige spelers
moeilijk ligt omwille van politieke redenen kunnen we maar enkel besluiten dat het
beter is al deze bevoegdheden in één hand te verzamelen, hetzij terug op federaal
niveau, hetzij ze samen te brengen op gewestelijk niveau. In dit perspectief is het haast
niet te begrijpen dat hedendaagse Vlaams-nationalisten op sleutelposities in federale
autoriteitsdepartementen de kaart spelen van oubollige Belgische nationale instituten
als leger en federale politie, zonder dat zij de kans met twee handen grijpen om de
onvermijdelijke brug te slaan naar de gewesten.
21 maart 2016, daags voor de aanslagen op Zaventem Nationaal en het metrostation
Maalbeek
CPS 2016-2, nr. 39 237
DEBAT
De staat waarin onze politie archiveert
Onderzoek politiedoden, recensie en toevoeging1
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2016-2, nr. 39
p. 237-240
© Maklu-Uitgevers
ISBN 978-90-466-0820-3
Michel van Hulten2
Recente gevallen van doden door politiegeweld of van overlijden in detentie doen in
de maatschappij en deden bij de onderzoeksters vragen opkomen naar overlijden door
geweldgebruik door politieambtenaren, en naar overlijden in een politiecel zoals suïcides
en overlijden door somatische problemen. Ook de vraag of de overheid zich voldoende
heeft ingespannen om het overlijden te voorkomen is opgekomen. De Nederlandse
overheid heeft namelijk op grond van art. 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens (EVRM) een zorgplicht voor alle personen die van overheidswege hun
vrijheid wordt benomen (gedetineerden) en moet het recht op leven van deze personen
beschermen.
Het onderzoek door Thoonen en Duijst is niet het eerste op dit terrein. Eerder onder-
zocht de Rijksrecherche dezelfde problematiek en publiceerde De politie een zorg! Analyse
van overlijdensgevallen onder de zorg van de politie 2000-2004. (Den Haag: Ando, 2006).
Opmerkelijk is dat – zonder er verder conclusies aan te verbinden – nu door Thoonen
en Duijst gemeld wordt dat ‘in 26 van de 37 dossiers uit die jaren de afdoeningsbe-
richten van het Openbaar Ministerie (OM) ontbreken’. En ‘van de overige 11 dossiers
concludeerde de Rijksrecherche tijdens dit onderzoek ten aanzien van de wel aanwezige
afdoeningsberichten dat de afweging over de afdoening in het ene geval zeer uitgebreid
was geformuleerd en in andere gevallen beperkt was tot de mededeling dat geen straf-
vervolging zou volgen’.
1
Deze bijdrage werd geschreven naar aanleiding van de bijdrage van Thoonen en Duijst in Cahier Politiestudies
n°37 (Thoonen, E., Duijst, W., “Onderzoek politiedoden onder de loep: verdragsverplichtingen en Nederlandse
praktijk”, Cahiers Politiestudies, Jaargang 2015-4, nr. 37, Antwerpen/Apeldoorn : Maklu-Uitgevers, 91-115).
Het gaat om een dossieronderzoek naar overlijdensgevallen van personen die ten tijde van hun overlijden
van hun vrijheid waren benomen door de Nederlandse politie (2005-2010).
2 De auteur van dit opiniestuk is dr. Michel van Hulten, Buitenplaats 49, 8212AB Lelystad, www.corruptie.org,
michel@vanhulten.com
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.