ArticlePDF Available

Monitoring Commissie Corporate Governance Code – Rapport monitoring boekjaar 2014

Authors:
173Afl. 4 - Maart 2016Ondernemingsrecht 2016/36
Actualiteiten
Monitoring Commissie
Corporate Governance Code –
Rapport monitoring boekjaar
2014
Ondernemingsrecht 2 0 1 6 / 3 6
1 . Inleiding
Op 11 febr uari 2016 heef t de Monitoring Commi ssie Cor porate
Governance Code (hierna: de Commissie) het Rapport monito-
ring boekjaar 2014 (hierna: het Rapport) gepubliceerd. In het
Rapport wordt verslag gedaan van de monitoringactiviteiten
van de Commissie in 2015. Het Rapport presenteert de resul-
taten van drie onderliggende onderzoeken
1 naar: (i) de nale-
ving van de Corporate Governance Code
2 (hierna: de Code) in
het boekjaar 2014
3 ; (i i ) b e s c h e r m i n g s m a a t r e g e l e n 4 ; en (iii) de
internationale context van de Code
5 . Daarnaast biedt het Rap-
port een overzicht van relevante nationale en internationale
ontwikkelingen op het gebied van corporate governance.
6 T e -
gelijk met het Rapport werd door de Commissie het Consul-
tatiedocument met voorstellen voor herziening van de Code
gepresenteerd (hierna: het Consultatiedocument).
7
Het Rapport is het tweede monitoringrapport van de Com-
missie-Van Manen.
8 De Commissie heeft tot taak de actua-
liteit en bruikbaarheid van de Code te bevorderen. De Com-
missie voert die taak onder meer uit door: (i) het ten minste
jaarlijks inventariseren op welke wijze en in welke mate de
voorschriften van de Code worden nageleefd; (ii) zich op de
1 Het Rappor t is evenals de onderliggende onderzoeken b eschikbaar via
ww w.mccg.nl . In de dr ukfase van de ze afleveri ng verscheen de reac tie van
de Minist er van Economische Zaken op het Rappor t (en het proces van ac-
tuali sering van de Code). Zie Kamerstukken II 2015/16, 31 083, nr. 51.
2 Aangewezen als gedra gscode in de zi n van art. 2:391 lid 5 BW bij Besluit
van 10 december 20 09 tot wijziging v an het Besluit van 23 dec ember 2004
tot vaststelling van nadere voorsch riften omt rent de inhoud va n het jaar-
verslag, Stb. 200 9, 545.
3 R.M. Renes, R. Jeurissen, T.E. Lambooy, L. Paape, J.J.B. de Swart en R.A.
Diepeveen, Corporate Governance in Nederland: Onderzoek naar de naleving
van de Ned erlandse Cor porate Gove rnance Code in het boek jaar 2014, Nyen-
rode Busi ness Universiteit 2015 (hiern a: Renes et al. (2015)).
4 A.A . Bootsma, A . Gruntfest, J.B.S. Hijin k en L. in ’t Veld, Besc herming bij N e-
derlandse beursvennootschappen, Erasmus Universiteit R otterdam 2015.
5 R .B.H. Hooghi emstra, W. Kaufma nn, K. van Veen en C.L .M. Hermes, Onder-
zoek naar de inter nationale context van de Nederla ndse Cor porate G over-
nance Co de , Rijksuniver siteit Groningen 2015.
6 Dat aspec t van het Rapport blijft in het bestek van deze bijdrage verder
buiten bes chouwing. Zie ho ofdstuk 8 van het Rapp ort.
7 Het Consultatiedocument is eveneens b eschikbaar via ww w.mccg.nl . Het
Consultatiedocument komt in Ondernemingsrecht afzonderlijk aan de orde
in een themanummer over herziening van de Code, onder ga stredac teur-
schap van m r. Ch.E . Honée.
8 Zie over het ee rste rapport A. D oorman, ‘Mon itoring Commiss ie Corporate
Governance Code – Rapport monitoring boekjaa r 2013’, Ondernemings-
recht 2015/56, p. 298-301. Zie in kr itische zin o ok P. Frentrop, ‘2015 mar-
keert het einde van corp orate governa nce in Nederla nd’, FD 24 december
2015, p. 11: “Toch behandelen ook de au toriteiten het onder werp corpor ate
governance laks. De Mon itoring Commissie die het onderwerp op verzoek
van de reger ing in de gaten houdt, publiceerde op 29 januari 2015 haar
rapport . Over het boekjaar 2 013 wel te verstaa n.”
hoogte te stellen van nationale en internationale ontwikke-
lingen en gebruiken op het terrein van corporate governan-
ce met het oog op convergentie van nationale codes; en (iii)
het signaleren van leemtes of onduidelijkheden in de Code.
9
In het Rapport geeft de Commissie een verantwoording over
de uitvoering van die taken.
2 . N a l e v i n g b o e k j a a r 2 0 1 4
Uit het nalevingsonderzoek van Nyenrode Business Univer-
siteit blij kt dat de naleving van de Code in bo ekjaar 2014 on -
verminderd hoog is. De gemiddelde nalevingspercentages
variëren van 97,15% onder de onderzochte lokale fondsen
tot 100% onder de onderzochte AEX-vennootschappen. Voor
een juiste interpretatie van deze uitkomsten is een aantal
opmerkingen van belang over: (i) wat in de Code onder ‘na-
leving’ wordt verstaan; (ii) de gevolgde methodologie in het
nalevingsonderzoek; en (iii) de vennootschappen die in het
nalevingsonderzoek zijn betrokken.
De Code wordt als nageleefd beschouwd indien: (i) een be-
paling wordt toegepast; (ii) gemotiveerd wordt uitgelegd (in
het jaarverslag of elders) waarom van een bepaling wordt
afgeweken; of (iii) de bepaling niet van toepassing is, bij-
voorbeeld omdat die ziet op een situatie die zich bij de des-
betreffende vennootschap niet voordoet. Van niet-naleving
is derhalve uitsluitend sprake als een bepaling, die op de
desbetreffende vennootschap van toepassing is, niet wordt
toegepast en evenmin adequaat wordt uitgelegd waarom
die niet wordt toegepast. De Code is immers gebaseerd op
het ‘pas toe of leg uit’-beginsel.
10
Interessant is dat veel van de bepalingen die het vaakst niet
worden nageleefd betrekking hebben op de positie van be-
stuurders, zoals beloningsbeleid en benoeming en ontslag
van bestuurders.
11 De Commissie merkt daarover op dat
achterliggende redenen voor niet-naleving niet nader zijn
onderzocht. In de literatuur worden dergelijke bepalingen
geschaard onder de categorie ‘ managerially contested pro-
visions ’, bepalingen die het meest raken aan de persoonlijke
belangen van bestuurders en om die reden het minst wor-
den nageleefd.
12
9 Z ie artikel 2 van h et Besluit van de Min ister van Econom ische Zaken va n 29
november 2013, houdende instelling van de Monitoring Comm issie Corpo-
rate Govern ance Code, Stcrt. 2013, 34316.
10 Vgl. een van de b evindingen uit een bijeen komst van de Com missie met
extern e accountants, we ergegeven op p. 18 van het Rapp ort: “De Code kan
steviger b enadruk ken dat het geven van goede uitleg ook naleving van de
Code is. Te vaak wordt uitleg nog in de context geplaatst van niet-naleven.
Dit komt omdat er tegenwoordig veel aandacht is voor compliance en uit-
leg geven als n iet-compliant wordt gep ercipieerd.”
11 Zie het overz icht in het Rappor t op p. 23. Enkele voorbe elden zijn bepaling
II.2.13 ‘Overzicht van bezoldigingsbeleid’, II.2.14 ‘Belangr ijkste elementen
van contract met bestuurder openbaar maken’ en IV.1.1 ‘Procedure om-
trent rol van de algemene vergadering m.b.t. benoeming en ontslag be -
stuurd ers en commissa rissen’.
12 Zie G. van der L aan, ‘Explaining c ompliance with corporate governance
codes: Towards a behavioral compliance theory’, in: Behavioral Corporate
Gover nance: Four Empiri cal Studies (diss. Groningen), Enschede: PPI Pu-
blishers 20 08, p. 63-84, waarover ook G. van der Laan , ‘Naar een gedrags-
matige benadering van goed ondernemingsbestuur’, MAB 2009, a fl. 7-8,
p. 274-280.
T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 173T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 173 3/16/2016 1:06:08 PM3/16/2016 1:06:08 PM
174 Afl. 4 - Maart 2016 Ondernemingsrecht 2016/36
ActualiteitenMONITORING COMMISSIE CORPORATE GOV ERNANCE CODE – RA PPORT MONITORING B OEKJAAR 2014
Ook de kwaliteit van de uitleg van bepalingen blijft volgens
de Commissie een aandachtspunt. De kwaliteit van de door
de vennootschappen gegeven uitleg is in meer algemene
zin een aandachtspunt bij de werking van het ‘pas toe of leg
uit’-beginsel.
13 18% van de gegeven uitleg wordt als van on-
voldoende kwaliteit beschouwd. De trend dat AEX-vennoot-
schappen meer bepalingen toepassen en minder uitleggen
en dat lokale fondsen juist meer bepalingen uitleggen heeft
zich in boekjaar 2014 voortgezet. Ook bij het overzicht van
de vaakst uitgelegde bepalingen valt op dat de zogenoemde
managerially contested provisions ’ relatief vaak worden uit-
gelegd.
14
Voor het nalevingsonderzoek is gebruikgemaakt van de
methodologie die in het onderzoek over boekjaar 2013 is
geïntroduceerd, een self-assessment door middel van het
door vennootschappen invullen van een online vragen-
lijst.
15 In totaal hebben 75 van de 95 Nederlandse beursven-
nootschappen wier (certificaten van) aandelen op Euronext
Amsterdam zijn genoteerd, en die voor de online vragenlijst
waren uitgenodigd, deelgenomen aan het nalevingsonder-
zoek. De Commissie is tevreden over deze respons van 79%,
al blijft het streven van de Commissie dat alle uitgenodigde
vennootschappen aan het nalevingsonderzoek deelnemen.
De deelname aan het self-assessment is licht gestegen.
In boekjaar 2013 was de respons 76%. Evenals bij de na-
levingscijfers neemt de respons af naar mate van de om-
vang van de vennootschappen. Van de uitgenodigde AEX-
vennootschappen heeft 95% aan het nalevingsonderzoek
deelgenomen, terwijl de respons voor de lokale fondsen op
68% ligt. Omdat dezelfde methodologie is gevolgd als voor
het vorige boekjaar, kan een vergelijking worden gemaakt
tussen de nalevingsresultaten over boekjaar 2014 ten op-
zichte van 2013. Ten opzichte van boekjaar 2013 hebben
zich geen heel grote verschuivingen in de nalevingscijfers
voorgedaan.
16
De Code is van toepassing op vennootschappen met sta-
tutaire zetel in Nederland waarvan de (certificaten van)
aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglemen-
teerde markt of een daarmee vergelijkbaar systeem of op
grote vennootschappen met statutaire zetel in Nederland
(> € 500 miljoen balanswaarde) waarvan de (certificaten
van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op een multi-
laterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar sys-
13 Vgl. hierover bijv. A. de Bos, J.G.C.M. Galle en M.E.P.A.R. Jans m.m.v. E.
Too rn, Vier jaar Code Banken , Ontwikkelingen in regelgeving en praktijk,
Uitgave in de IC FG-reeks, deel 2, D en Haag: BJu 2015.
14 Zie het overz icht in het Rapport op p . 28. Enkele voorbeel den zijn bepaling
II.2.8 ‘Ma ximale vertrek vergoeding, II.1.1 ‘B enoemingsterm ijn bestuur-
ders’, II.2.5 ‘Vereisten toekenn ing aandelen zonder financiële tegenprest a-
ties aan b estuurders’ en II. 2.4 ‘Uitoefening speriode opties’.
15 Zie voor kritiek op die methode G. van der Laan, ‘Commissie Governance
laat slager eigen vlees keuren’, FD 30 januari 2015, p. 11. Zie over de me-
thodolog ische discussie ook mijn reactie op G. van der Laan en J-M.B. de
Roo, ‘Veronder stelde toepass ing van de Nederlan dse corporate g overnance
code’, MAB 2014, afl. 10, p. 4 09-416 en het naschr ift van Van der La an daar-
bij in MAB 2015, afl. 4, p . 155-158.
16 Zie voor deta ils het Rapport op p. 2 3-24.
teem.
17 In het nalevingsonderzoek zijn uitsluitend de 95
vennootschappen betrokken wier (certificaten van) aande-
len ultimo boekjaar 2014 waren toegelaten tot de handel op
Euronext Amsterdam. Vennootschappen met statutaire ze-
tel in Nederland wier (certificaten van) aandelen uitsluitend
zijn toegelaten tot de handel op een andere effectenbeurs
dan Euronext Amsterdam, de zogenoemde ‘beurs-NV’s in
den vreemde’
18 , zijn derhalve niet in het nalevingsonder-
zoek betrokken. Het gaat om een toenemend aantal ven-
nootschappen. Ultimo 2014 waren er 60 beurs-NV’s in den
vreemde
19 , waarvan 48 onder het toepassingsbereik van de
Code vielen.
20 Uit eerder onderzoek, over boekjaar 2012,
blijkt dat juist bij beurs-NV’s in den vreemde de naleving
van de Code achterblijft ten opzichte van de ‘Amsterdamse’
beurs-NV’s.
21 Deze onderzoeksbevinding geeft enige nuan-
cering van de hoge nalevingscijfers bij Amsterdamse beurs-
NV’s.
Er zijn mijns inziens goede redenen om beurs-NV’s in den
vreemde die onder het toepassingsbereik van de Code val-
len in de nalevingsonderzoeken op te nemen. Niet alleen
vanwege het in absolute en relatieve zin, ten opzichte van
het dalende aantal Amsterdamse beurs-NV’s, toenemende
aantal beurs-NV’s in den vreemde, maar ook omdat juist
de beurs-NV’s in den vreemde een goed beeld kunnen ge-
ven van internationale corporate governance gebruiken,
bijvoorbeeld ten aanzien van de toepassing van de one-tier
board , waarover de Commissie mogelijk nog een separate
consultatie laat volgen.
22 In de eerste nalevingsonderzoe-
ken, over boekjaren 2004 en 2005, werd ook nog een selec-
tie van beurs-NV’s in den vreemde in de nalevingsonder-
zoeken betrokken.
23
17 Zie sub 2 van de pr eambule van de Code. Dit toepassingsbereik wordt ook
in het voorstel voor de herziene Code gehandhaafd. Zie het Consultatiedo-
cument , p. 54.
18 A .A. Bo otsma en J.B .S. Hijink , ‘De beurs-NV in den vreemde. Een per spec-
tief op mode rnisering va n het NV-recht’, Ondernemingsrecht 2014/15 . Of in
de termi nologie van Renes e t al. (2015), p. vii-vii i: ‘Beursvenno otschappen’
(alle vennoots chappen die onder he t toepassing sbereik van de Cod e vallen)
versus ‘Nederlandse beur svennootschappen’ (beursvennootsc happen met
een notering aan Euronext Amsterdam, dus exclusief beurs- NV’s in den
vreemde).
19 Zie A.A. Bootsma, J.B.S. Hijink en L. in ’t Veld, ‘Multiple corporate citizen-
ship. Over de meervoudige ‘nationaliteit’ van beursvennootschappen en
wat dat betekent voor wet- en regelgevers’, Ondernemingsrecht 2015/12,
p. 618 (hierna: Bo otsma et al. (2015)).
20 De t waalf beurs-NV’s in den vreemde wier (certi ficaten van) aandelen zijn
toegelat en tot de handel op een mult ilaterale handel sfaciliteit of een da ar-
mee vergelijkbaar syste em voldeden niet aa n het groot te-criterium van
€ 500 miljo en balanswaa rde. Overigens zou s trikt genomen o ok Koninklij-
ke Reesink NV niet in het nalevings onderzoek betrokken mo eten worden,
omdat die venn ootschap met noter ing op de multilater ale handelsfaci liteit
Alternext Amsterdam en een balanswaar de van kleiner dan € 500 miljoen
niet onder het toepassing sbereik van de Code valt. De vennootschap pa st
de Code vr ijwillig toe, zie he t jaarverslag 2014 op p. 76 e.v.
21 Zie A .A. Boots ma en J.B.S. Hiji nk, ‘De beurs -NV in den vreemd e. Toepassing
en naleving van de Nederla ndse Corporate Governa nce Code’, MAB 2014,
afl . 5, p. 198-209 (hier na: Bootsma en Hijin k (2014)).
22 Zie Consultatiedoc ument, p. 25.
23 Zie Bo otsma en Hijin k (2014), p. 198, met verwijzingen. Vgl. over het na -
leven van de (Nederlandse) Code door toepassing van e en buitenlandse
corporate governance code Handeling en I 2003/04 , 28179, nr. 38 en Kamer-
stukken II 2006/07, 31083, nr. 1 , p. 8.
T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 174T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 174 3/16/2016 1:06:08 PM3/16/2016 1:06:08 PM
175Afl. 4 - Maart 2016Ondernemingsrecht 2016/36
Actualiteiten MONITORING COMMISSIE CORPORATE GOV ERNANCE CODE – RA PPORT MONITORING B OEKJAAR 2014
3 . Beschermingsmaatregelen
Uit het onderzoek naar beschermingsmaatregelen van de
Erasmus Universiteit Rotterdam is onder meer naar voren
gekomen dat: (i) de dalende trend in het gebruik van be-
schermingsmaatregelen sinds 2009 enigszins lijkt af te
vlakken; (ii) beschermingspreferente aandelen de meest
voorkomende beschermingsmaatregel zijn, zowel bij Am-
sterdamse beurs-NV’s als bij beurs-NV’s in den vreemde; en
(iii) beurs-NV’s in den vreemde zowel in relatieve als in ab-
solute aantallen minder vaak dan Amsterdamse beurs-NV’s
gebruikmaken van ‘traditionele’ beschermingsmaatrege-
len.
24 In het onderzoek wordt daarnaast gesignaleerd dat
het gebruik van andere maatregelen waar een beschermend
effect van kan uitgaan, zoals bijzondere goedkeuringsrech-
ten voor vertegenwoordigers van grootaandeelhouders in
de raad van commissarissen
25 , dual-class aandelen ( high/low
voting stock ) 26 , loyaliteitsstemrecht 27 en andere vormen van
meervoudig stemrecht, in opkomst is. De vertegenwoordi-
ging van grootaandeelhouders in de raad van commissa-
rissen doet zich met name, maar niet uitsluitend, voor bij
recente beursgangen van Amsterdamse beurs-NV’s, terwijl
de bijzondere stemrechtaandelen met name, maar niet uit-
sluitend, voorkomen bij beurs-NV’s in den vreemde. In het
onderzoek wordt gesignaleerd dat het gebruik van deze an-
dersoortige beschermingsmaatregelen niet zozeer gericht
is op de bescherming van de vennootschap tegen vijandige
overnames, maar op de bescherming van de positie van zit-
tende grootaandeelhouders.
28
De Commissie concludeert dat de geschetste ontwikke-
lingen ten aanzien van beschermingsmaatregelen in het
kader geplaatst kunnen worden van de actuele discussie
over het gebruik van beschermingsmaatregelen door het
bestuur en/of (groot)aandeelhouders enerzijds en de rech-
ten van (minderheids)aandeelhouders van de vennootschap
24 Onder ‘trad itionele’ bes chermingsmaatregelen wordt in het onderzoek
verstaan: cert ificering van aa ndelen, beschermingspreferente aandelen,
priorit eitsaandelen en toepa ssing van de struc tuurregelin g.
25 Zie daar over ook R. Abma , ‘Kroniek van he t seizoen van jaa rlijkse algemen e
vergaderingen 2015’, Ondernemingsrecht 2015/105 en W.W.C .I.G. B ijveld,
‘De relationship agreement tussen een beursvennootschap en haar groot-
aandeelhouder’, TOP 2015, afl . 7.
26 Zie M.P. Buir ma, ‘High/low Votin g Stock. Een nieuwe t rend?’, TOP 2016, afl .
1. Zie ook Boot sma et al. (2015), p. 617, m et verdere verwijzin gen.
27 M. van Olffen, ‘Nederlandse loyaliteitsaandelen met een Fran s sausje’, On-
dernemingsrecht 2013/67 en A. A. Bootsma, ‘Loyal iteitsstemrecht naar Ita li-
aans re cht en bij Fiat Chrysle r Automobiles NV ’, Ondernemingsrecht 2015/5
(hierna: B ootsma (2015)).
28 Het onders cheid wordt treffe nd verwoord in een rea ctie van P. Högfeldt op
A. de Jong en A. Röell, ‘Financing and Control in the Netherlands: A Histo-
rical Perspect ive’, in: R.K. Morck (red.), A Histor y of Corporate Governance
Around t he World, Chic ago: University of C hicago Pres s 2005, p. 511: “There
is a funda mental difference bet ween (a) mechanism s that prima rily pro-
tect the large sh areholders’ interests by separating ownership from con-
trol, like dual-clas s shares, pyramiding, and cross-shareholding, and (b)
other devices like the administratiekantoor, preference shares, the X rule,
voting li mits, and so on that ent rench management co ntrol by diluting and
limiting the value of sh areholder control. T he first ty pe of defenses implie s
reinforced shareholder control via separation of ownership and cont rol,
while the l atter type o pens up for and suppo rts manager ial control by wea -
kening sha reholder control [cur s. in origineel].”
anderzijds.
29 Deze discussie is nog niet uitgekristalliseerd en
dient volgens de Commissie plaats te vinden in de vennoot-
schapsrechtelijke context. De Commissie houdt, in lijn met
de Commissie-Tabaksblat, vast aan het uitgangspunt dat
eventuele regulering van het gebruik van beschermings-
maatregelen bij wet dient te worden geregeld.
30
De Code bevat een best practice bepaling, IV.3.11, op basis
waarvan in het jaarverslag (thans: bestuursverslag) een
overzicht opgenomen dient te worden van alle uitstaande
of potentieel inzetbare beschermingsmaatregelen tegen
een overname van zeggenschap over de vennootschap. In
het onderzoek naar beschermingsmaatregelen is op basis
van desk research , in aanvulling op het self-assessment in het
nalevingsonderzoek, de naleving van deze bepaling onder
de loep genomen. In boekjaar 2014 werd de bepaling door
91%
31 van de 95 onderzochte Amsterdamse beurs-NV’s na-
geleefd.
32 Uit het onderzoek komt naar voren dat de reik-
wijdte van het begrip ‘beschermingsmaatregelen’ in de zin
van de bepaling niet geheel duidelijk is. De Commissie geeft
als guidance aan vennootschappen niet alleen transparant
te zijn over detraditionele beschermingsmaatregelen,
maar ook over andere vennootschapsrechtelijke mogelijk-
heden waarvan een beschermend effect kan uitgaan.
4 . I n t e r n a t i o n a l e v e r g e l i j k i n g
De Rijksuniversiteit Groningen heeft met het oog op de her-
ziening van de Code de inhoud van de corporate governance
codes in een zestal jurisdicties – Duitsland, Frankrijk, Hong
Kong, Italië, Singapore en het Verenigd Koninkrijk – en ver-
der aangevuld met de Global Governance Principles van het
International Corporate Governance Network en de cor-
porate governance regelgeving in de Verenigde Staten van
Amerika (hierna: de VS) vergeleken met de inhoud van de
Nederlandse Code.
33 Meer specifiek zijn in de internationale
vergelijking van corporate governance codes de volgende
thema’s aan de orde gekomen: strategische risicobeheer-
29 Zie met name R. Abma, ‘De uit wassen van ons flexibele vennootschaps-
recht’, Ondernemingsrecht 2015/87 en Eumed ion, Position Paper Positie
minderheidsaandeelhouders in ondernemingen met controlerend aandeel-
houder, 15 oktober 2015, beschi kbaar via w ww.eumedion.n l . Zie voor een
eerste reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie op het concept
position paper ook Kamerstukken II 2015/16, Aanhang sel van de Handeli n-
gen 667. Zie over het concept position paper verder Boot sma et al. (2015),
p. 623-624.
30 Zie reeds de Co de Tabaksblat uit 2003, p. 53, a angehaald in het R apport op
p. 43.
31 Vgl. de uitkom sten voor bepaling IV.3.11 uit het nalevin gsonderzoek op
basis van h et self-assessment op p. 103 (AEX), p. 107 (AMX), p. 112 (AMS) en
p. 117 (Lokaal) van het onderliggende r apport van Nyenrode (Renes et a l.
(2015)).
32 Bij de overige negen vennootschappen die de bepaling niet (volledig)
naleven, kan de oorzaak van niet-naleving gelegen zijn in de veron-
derstell ing dat de toepa sselijkheid van de struc tuurre geling niet a ls
bescher ming(smaatr egel) in de zin van de bepaling wordt ervaren (twee-
maal) of in de omstandigheid dat de desbetreffende vennootschap onbe-
schermd i s en om die reden geen mededeling i n het jaarverslag heeft ge -
daan (zevenmaal).
33 In de V S be st aat gee n co rp ora te g ove rn anc e c ode voo r be ur sve nno ot sch ap -
pen. Voo r de VS is onder me er gekeken naar d e notering svoorwaa rden van
de New York Stock Exchange en federale wetgeving in de Sarbanes-Oxley
Act van 20 02 en de Dodd-Frank Ac t van 2010.
T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 175T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 175 3/16/2016 1:06:08 PM3/16/2016 1:06:08 PM
176 Afl. 4 - Maart 2016 Ondernemingsrecht 2016/36
ActualiteitenMONITORING COMMISSIE CORPORATE GOV ERNANCE CODE – RA PPORT MONITORING B OEKJAAR 2014
sing, interne auditfunctie, benoeming(stermijnen) en rol
van de externe accountant, gedrag en cultuur binnen (de
top van) de vennootschap, benoeming(stermijnen) en ver-
trek van bestuurders en commissarissen, maatschappelijk
verantwoord ondernemen, beloning van bestuurders, di-
versiteit, de executive committee , de one-tier board en loyali-
teitsdividend voor aandeelhouders.
Het voert voor deze bijdrage te ver om op al deze thema’s
nader in te gaan.
34 De algemene conclusie is dat de Code in-
ternationaal in de pas loopt. De uitwerking van de onder-
werpen in de versch illende codes komt grotendeels overeen.
Op enkele gebieden gaat de Nederlandse Code echter verder
dan de codes waarmee een internationale vergelijking is
gemaakt: de klokkenluidersregeling , de publicatievereisten
rondom het contract van een bestuurder bij benoeming en
maatschappelijk verantwoord ondernemen.
35
Op het eerste gezicht lijkt het opmerkelijk dat de executive
committee en het loyaliteitsdividend voor aandeelhouders
in geen enkele onderzochte code worden geadresseerd. Ook
de one-tier bestuursstructuur blijkt geen grote rol van be-
tekenis te hebben in de onderzochte codes. In het Rapport
worden echter twee terechte kanttekeningen bij de inter-
nationale vergelijking geplaatst. In de eerste plaats wordt
opgemerkt dat de internationale rechtsvergelijking slechts
betrekking heeft op de inhoud van de corporate governance
codes. Wetgeving op het gebied van bestuur en toezicht is
(met uitzondering van de VS) buiten beschouwing gebleven.
Het kan daarom niet uitgesloten worden dat bepaalde on-
derwerpen niet in een corporate governance code, maar in
wetgeving zijn geregeld. Het loyaliteitsdividend biedt daar-
van een voorbeeld. Dat is in ten minste twee van de onder-
zochte jurisdicties, Frankrijk en Italië, bij wet geregeld.
36
Daarnaast wordt door de Commissie opgemerkt dat ‘de in-
houd van een nationale code in de context dient te worden
geplaatst van de voorgeschiedenis van de Code, nationale
tradities zoals het bestuursmodel (one tier of two tier struc-
tuur), cultuur en de invloed van het politieke klimaat’.
37 D e
internationale vergelijking ziet met andere woorden alleen
op (een onderdeel van de) ‘ law in the books ’ en niet op ‘ law
in action . De uitkomsten van de internationale vergelijking
hebben voor de Commissie niettemin nuttige inzichten op-
geleverd voor de voorstellen voor herziening van de Code.
34 Zie hoofdstuk 7 van het Rapport . De thema’s inter ne auditfu nctie, benoe-
ming en ontslag van bestuurders en commissar issen, diversiteit en strate-
gische r isicobeheersing worden tevens nader belicht in hoofdstu k 5 van
het Rappor t.
35 Maatsc happelijk verant woord ondernemen wordt in het voorstel voor de
herziene Code niet meer afzonderlijk benoemd, maar wordt geacht inte-
graal de el uit te maken van de fo cus van de vennoot schap op lange term ijn
waardecreatie (Consultatiedocument, p. 7-8). De transparantievereisten
over het contract van de best uurder bij benoeming zullen minder gedeta il-
leerd worden . Vgl. bepaling II.2 .14 van de huidige Code met bepaling 3.4.2
uit het voors tel voor de herziene Code (Consu ltatiedocument , p. 74).
36 Zie voor loyaliteitsdividend naar Frans recht art. L232-14 Code de Com-
merce en voor loyaliteitsdividend naar Italiaans recht art. 127-quater Testo
Unico de lla Finanza . Zie Bootsma (2015) voor verdere ver wijzingen.
37 Rapport, p. 51.
5 . U i t l e i d i n g
Het jaar 2015 stond voor de Commissie vooral in het teken
van de herziening van de Code. Een afzonderlijke bespre-
king van het onderhavige Rapport over boekjaar 2014 toont
zich echter relevant, omdat de uitgevoerde onderzoeken
naar de naleving van de Code, naar beschermingsmaatrege-
len en naar de internationale context van de Code inzichten
hebben opgeleverd die hebben meegewogen bij het formu-
leren van de voorstellen voor herziening van de Code in het
Consultatiedocument.
Over de boekjaren 2015 en 2016 zal nog gemonitord worden
op basis van de huidige Code. De verwachting is dat de her-
ziene Code in werking zal treden vanaf het boekjaar begin-
nend op of na 1 januari 2017.
38
B a r t B o o t s m a 39
38 Consultatiedocument, p. 5.
39 Mr. drs. A.A. Bootsma is promovendus aan Erasmus School of L aw en ver-
bonden aan het Instituut voor Ondernemingsrecht (Iv O) en het IvO Center
for Financ ial Law & Gover nance (ICFG). Hij heeft meegewerkt aan onder-
zoek in opdracht van de Monitoring Commissie Corporate Governance
Code.
T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 176T2b_Ondernemingsrecht_1604_bw_V03.indd 176 3/16/2016 1:06:08 PM3/16/2016 1:06:08 PM
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.