ArticlePDF Available

Self-regulation processes in health psychology

Authors:

Abstract and Figures

Why do people stick to their unhealthy habits? And why is relapse common for those who at first seemed able to adopt new ones? These and similar questions have everything to do with self-regulation, the process of goal setting and monitoring progress toward goal achievement. Overall definitions of self-regulation tend to embody the basic ingredients of goal setting, steering process and strategies, feedback and self evaluation. This paper reviews contemporary literature on goal setting, goal pursuit and goal conflict. Facilitating and complicating factors for goal striving are discussed. Next, attention is paid to the importance of willpower in behavior change and self-regulation. Results from recent psychological experiments on self-regulation are summarized, and related to findings from longitudinal research. Finally, effective clinical applications of self-regulation theories are discussed. Theories on self-regulation have the potential to improve contemporary health interventions in the future. To this end, more theory-derived insights should be implemented in health promotion programs.
Content may be subject to copyright.
De auteur is als psycholoog verbon-
den aan JellinekMentrum, het
Amsterdam Institute for Addiction
Research (AIAR) en AMC-UvA. Hij
werkt als promovendus op het
project ‘Evaluating real time inter-
net therapy for alcohol depen-
dence’.
Correspondentieadres: Drs. M.
Blankers, Academisch Medisch
Centrum, Universiteit van Amster-
dam, Afdeling Psychiatrie, Kamer
PB.0.425, Postbus 75867, 1070 AW
Amsterdam.
E-mailadres:
m.blankers@amc.uva.nl
Matthijs Blankers
Zelfregulatieprocessen in de
gezondheidspsychologie
summary Self-regulation processes in health psychology
Why do people stick to their unhealthy habits? And why is relapse common
for those who at first seemed able to adopt new ones? These and similar
questions have everything to do with self-regulation, the process of goal
setting and monitoring progress toward goal achievement. Overall defini-
tions of self-regulation tend to embody the basic ingredients of goal setting,
steering process and strategies, feedback and self-evaluation. This paper
reviews contemporary literature on goal setting, goal pursuit and goal
conflict. Facilitating and complicating factors for goal striving are discus-
sed. Next, attention is paid to the importance of willpower in behavior
change and self-regulation. Results from recent psychological experiments
on self-regulation are summarized, and related to findings from longitudi-
nal research. Finally, effective clinical applications of self-regulation theories
are discussed. Theories on self-regulation have the potential to improve
contemporary health interventions in the future. To this end, more theory-
derived insights should be implemented in health promotion programs.
Inleiding
Grenzeloos leek zijn geluk toen Orpheus, zoon van de koning van Thracië,
wiens zang het ganse land in vervoering bracht, de nimf Eurydice tot zijn
vrouw nam. Grenzeloos ook zijn verdriet toen zijn Eurydice, kort na de
voltrekking van hun huwelijk, stierf als gevolg van een adderbeet. Het
vooruitzicht zonder Eurydice te leven was onverdraaglijk en zette Orpheus
aan een plan te smeden om haar uit de onderwereld terug te halen. Hij zou
afdalen in de ondergrondse gewelven waar koning Hades met zijn vrouw
Persephone als heerser de scepter zwaaide, hen in vervoering brengen en
zo de terugkeer van Eurydice mogelijk maken. En zo geschiedde. Het
ontroerde koningspaar stemde met zijn verzoek in op één voorwaarde:
Orpheus zou zijn vrouw voorgaan en niet naar haar omkijken voor het einde
van de dodenwereld was bereikt. Orpheus kon, nabij het einde van het pad
naar de wereld van het licht, verleid door gevoelens, zijn wil niet langer
224
psychologie & gezondheid | 2008-36/04
weerstaan, keek om, en zag nu voor altijd naar het
schimmenrijk verdwijnen, zijn geliefde Eurydice (Ovi-
dius, Metamorphosen).
Voorbeelden van de winst die te behalen is met
geslaagde pogingen impulsen te weerstaan, of van het
verlies wanneer het bieden van weerstand faalt, beper-
ken zich niet tot mythologische overleveringen. Meer
alledaagse verleidingen en hun inherente risico’s lonken
dagelijks en ieder moet hier van tijd tot tijd weerstand
aan bieden. Waarom eten mensen te veel, terwijl ze
weten dat dit ongezond is? Waarom is het moeilijk te
stoppen met roken of om alcoholconsumptie te beper-
ken tot een onschadelijke hoeveelheid? En waarom
vallen mensen vaak terug in slechte gewoontes die ze
eens de baas schenen?
Deze en vergelijkbare vragen onderstrepen het
belang van zelfregulatie. Zelfregulatie wordt doorgaans
gedefinieerd als het veranderen van response (cogni-
ties, gevoelens of gedrag) door het stellen van doelen
en vervolgens het bijsturen van response in de voorge-
nomen richting om de gestelde doelen te kunnen
bereiken (Higgins, 1996; Baumeister, 1998; Boldero &
Francis, 2002; Maes & Karoly, 2005). Hoewel precieze
formuleringen uiteenlopen, behoren begrippen als
doelen stellen, bijsturen, feedback en evaluatie tot de
standaardingrediënten van de meest bekende definities
(Zeidner, Boekaerts, & Pintrich, 2000; in Maes & Karoly,
2005). In de afgelopen jaren is de populariteit van
modellen en theorieën over zelfregulatie in zowel
fundamenteel als toegepast onderzoek aanzienlijk
geweest. Deze populariteit in de sociale, fundamenteel
psychologische en psycho-medische wetenschappen
heeft intussen geleid tot een diversiteit aan toepassin-
gen op gezondheidsgerelateerd gedrag. Dit artikel
probeert een overzicht te bieden van de ontwikkelingen
binnen de verschillende onderzoekstradities op het
gebied van zelfregulatie en probeert met name inzicht
te geven in de toepassing van kennis op het gebied van
zelfregulatie en gezondheid in interventieprogramma’s.
De besproken zelfregulatiemodellen zijn niet uitslui-
tend ontworpen voor toepassing in de gezondheids-
context. Wel zal het toespitsen van onderzoek naar
zelfregulatie op gezondheidsgerelateerd gedrag tot een
beter inzicht leiden in factoren die verschil maken
tussen effectieve en ineffectieve pogingen ongezond
gedrag te veranderen (De Ridder & De Wit, 2006).
Dat door een breed onderzoeksveld te beschouwen
in een relatief compact artikel een selectie moet worden
gemaakt uit de beschikbare inzichten is onvermijdelijk.
Doel is dan ook primair overzichtelijkheid, een intro-
ductie en handreiking voor verdere verdieping in zelf-
regulatie, niet het bieden van een volledige samenvat-
ting van ruim dertig jaar onderzoek.
De wortels van onderzoek naar zelfregulatie liggen
in de cybernetic theory. Deze theorie beschrijft hoe
homeostase kan worden bereikt wanneer een mecha-
nisme, geleid door een doel of standaard, zich aanpast
aan wisselende omstandigheden van de omgeving om
deze standaard steeds zo goed mogelijk te benaderen
(Baumeister & Vohs, 2004). De thermostaat van de
centrale verwarming is bijvoorbeeld een homeostatisch
mechanisme. Carver en Scheier (1981) horen bij de
eersten die deze theorie toepasten op het gedrag van
mensen. De door hen beschreven toepassing van de
cybernetic theory op hoe mensen hun eigen situatie
interpreteren en afzetten tegen doelen of referentie-
waarden en vervolgens proberen te veranderen heeft
ervoor gezorgd dat zelfmonitoring nu een centale
positie inneemt in het denken over zelfregulatie van
gedrag.
Onderzoek naar zelfregulatie wordt in de psycholo-
gie gedaan vanuit verschillende disciplines, waarvan de
ontwikkelingspsychologie, arbeid- en organisatie-
psychologie en de gezondheidspsychologie de voor-
naamste zijn. Sommige auteurs vrezen dat door een
tekort aan samenwerking tussen de disciplines een
desintegratie van nieuwe kennis rond zelfregulatie
dreigt (Austin & Vancouver, 1996; Boekaerts, Maes, &
Karoly, 2005) en proberen in hun publicaties te unifice-
ren. Het toepassingsgebied van zelfregulatie van ge-
drag waar dit artikel specifiek op richt is de
gezondheidspsychologie.
Zelfregulatiemodellen onderscheiden zich hoofdza-
kelijk van andere modellen door de rol van doelen op
gedrag centraal te stellen, en de uitkomst van gedrag
met dit gestelde doel te vergelijken. Zelfregulatie-
modellen veronderstellen dat het veranderen van
gedrag een continu proces is, waarbij elke verandering
wordt teruggekoppeld en vervolgens van invloed is op
het verdere verloop ervan. Dit is een belangrijk onder-
scheid met bijvoorbeeld het Health Belief Model (HBM)
(Becker, 1974) of de Theory of Planned Behavior (TPB)
(Ajzen, 1991). Het HBM en de TPB beschouwen het
individu als een rationele beslisser, die een afweging
maakt op basis van attitudes, waarden en normen over
het gedrag en die zich vervolgens gedraagt in overeen-
stemming met deze afweging. De gedragsverandering
wordt gezien als een discrete en statische gebeurtenis,
gefaciliteerd door de oorspronkelijke afweging.
Gedragsverandering wordt binnen de zelfregulatietheo-
rieën juist gezien als een geleidelijk proces dat een
zeker tijdsverloop kent. Gedurende deze periode veran-
dert het gedrag geleidelijk en wordt steeds opnieuw
225
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
geëvalueerd of het gestelde doel al is bereikt en nog
steeds van belang is (Carver & Scheier, 1990; Newman,
Higgins, & Vookles, 1992; Boldero & Francis, 2002).
Een ander verschil is dat bij zelfregulatietheorieën de
invloed van emoties en impliciete cognities of cues op
het stellen en nastreven van doelen een belangrijke rol
krijgt toebedeeld (Shah & Kruglanski, 2002; Aarts,
Custers, & Holland, 2007).
Dit zal geïllustreerd worden met een voorbeeld: het
reduceren van overgewicht. Allereerst wordt op basis
van een combinatie van attitudes, opvattingen, emoties
en cognities - ik heb overgewicht, overgewicht is onge-
zond, ik voel mij hierdoor ongelukkig, te zwaar zijn is
ongezond - het doel gesteld om af te vallen. Vervolgens
wordt dit doel nagestreefd en wanneer de persoon met
overgewicht enige tijd later op de weegschaal staat en
constateert dat hij of zij is afgevallen, zal dit invloed
hebben op de oorspronkelijk attitudes, opvattingen en
emoties (Fishbach, Dhar, & Zhang, 2006; Koo & Fish-
bach, 2008). Zo is het mogelijk dat het doel ten aanzien
van gewichtsafname wordt bijgesteld - ik heb niet meer
zo veel last van overgewicht - of dat vanuit de sociale
omgeving signalen worden ontvangen die tot herzie-
ning van deze doelen leiden (Fishbach, Shah, & Krug-
lanski, 2004). Ook is het mogelijk dat andere doelen
een belangrijkere rol gaan spelen (Fishback & Dhar,
2005). Deze gewijzigde doelen kunnen vanzelfsprekend
een andere invloed op het gestelde doel hebben dan de
oorspronkelijke (Fishbach et al., 2006). Zo kan het
oorspronkelijke doel om af te vallen minder sterk
geactiveerd raken of worden vervangen door een nieuw
doel: op het huidige gewicht blijven. Dit nieuwe doel zal
een andere invloed hebben op het (eet)gedrag dan het
doel om af te vallen. Dit gedrag is van invloed op
gewichtsverandering, waardoor de situatie ten opzichte
van het doel wederom verandert. Intentionele gedrags-
verandering is daarom altijd het gevolg van een wissel-
werking tussen doelen, gedrag en de evaluatie van deze
twee. De uitkomsten van gedrag worden geëvalueerd,
deze evaluatie heeft invloed op cognities, attitudes en
emoties, wat op zichzelf weer leidt tot een aangepast
doel en nieuw gedrag (Boldero & Francis, 2002).
Doelen
Onderzoek naar het stellen, nastreven en evalueren van
doelen heeft sinds lang een belangrijke rol in de psycho-
logische wetenschap (Austin & Vancouver, 1996). Vaak
ook staan doelen centraal bij theorieën over het veran-
deren van gedrag. Twee gemeenschappelijke opvattin-
gen zijn te ontleden uit de verschillende modellen die
gedragsverandering beschrijven (Austin & Vancouver,
1996; Maes & Karoly, 2005): doelen sturen activiteit en
verandering en het stellen van doelen is het product van
onze cognitieve vermogens (Cameron & Leventhal,
2003).
Er zijn drie mechanismen te onderscheiden waar-
langs doelen tot gedragsverandering leiden (Locke &
Latham, 2002). Allereerst hebben doelen een sturende
invloed op ons gedrag: ze vestigen aandacht op activi-
teiten die voor het doel relevant zijn en onttrekken
bezigheden aan de bewuste waarneming die hiervoor
niet van belang zijn. Bovendien hebben doelen een
motiverende invloed: heldere, concrete doelen leiden
tot sterke actiebereidheid en beïnvloeden het doorzet-
tingsvermogen in positieve zin. Ten derde hebben
doelen het vermogen zichzelf te versterken door rele-
vante kennis en vaardigheden toegankelijker te maken
(Locke & Latham, 2002).
Het verschil tussen concrete en vage doelen wordt
duidelijk gemaakt door een onderscheid aan te brengen
in doelintenties en implementatie-intenties (Gollwitzer,
1993; Gollwitzer & Brandstätter, 1997; Gollwitzer, 1999;
Sheeran, Webb, & Gollwitzer, 2006). Een
implementatie-intentie is een concrete uitwerking van
een doelintentie. Wanneer bijvoorbeeld de doelintentie
bestaat om Xte realiseren, waarin Xeen wenselijk
gedrag of een wenselijke toestand is, dan zou een
implementatie-intentie daarbij zijn: ‘Wanneer situatie Y
zich voordoet, dan zal ik Zdoen, om zodoende de
realisatie van mijn doel Xdichterbij te brengen.’ Een
implementatie-intentie zorgt ervoor dat wanneer een
situatie die sterke gelijkenis met Yvertoont zich voor-
doet, het waarschijnlijk is dat Zwordt uitgevoerd (Goll-
witzer, Fujita, & Oettingen, 2004).
Een voorbeeld van een planintentie die op deze wijze
in dienst staat van de doelintentie om het alcohol-
gebruik te verminderen is het voornemen om in een
café na ieder glas alcohol twee glazen fris of water te
drinken. Op deze manier is er een duidelijke gedragsre-
gel geformuleerd, waaraan eenmaal in het café aange-
komen slechts gehoorzaamd hoeft te worden om de
doelintentie te implementeren. De planintentie zit wat
betreft abstractie een niveau onder de doelintentie.
Figuur 1 toont het feedbacksysteem van Miller,
Galanter en Pribram (1960). Doelen vervullen hierin de
rol van referentiepunt, aan de hand waarvan het huidige
gedrag wordt geëvalueerd (Karoly, 1993; Austin &
Vancouver, 1996; Carver, 2004). Het feedbacksysteem
bestaat uit vier elementen: input,referentiewaarde,
comparator en output.
Het input-element registreert het gedrag op tijdstip
(t) zodat dit binnen het feedbacksysteem bekend is. Het
geregistreerde gedrag wordt vervolgens door de compa-
226
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
rator met de referentiewaarde vergeleken. Deze
referentiewaarde is het gestelde doel en bevat informa-
tie over wat wenselijk of voorgenomen is. Door de
comparator wordt een vergelijking gemaakt tussen de
referentiewaarde en het geregistreerde gedrag: is het
gestelde doel al bereikt of is bijsturing noodzakelijk?
Het antwoord op deze vraag wordt door het output-
element gebruikt om een gedragsintentie op te stellen
die overeenkomt met de richting die de referentie-
waarde aangeeft. Deze gedragsintentie vormt in samen-
spel met omgevingsinvloeden het uiteindelijke gedrag
op tijdstip (t+1). De feedbackloop is nu éénmaal doorlo-
pen: het proces vindt echter continu plaats, waardoor
op ieder moment gedrag wordt geregistreerd, vergele-
ken wordt met de referentiewaarde, en vervolgens wordt
bijgestuurd (Miller, Galanter, & Pribram, 1960; Levent-
hal, Brissette, & Leventhal, 2003).
Vanuit dit model beschouwd is zelfregulatie een
eenvoudig proces en blijft onderbelicht waarom het
verwezenlijken van doelen vaak mislukt. Een belangrijke
oorzaak hiervan is dat vaak meerdere en soms tegen-
strijdige doelen tegelijk actief zijn, waardoor meerdere
doelen tegelijkertijd worden nagestreefd (Fishbach &
Zhang, 2008). Mensen willen lijnen of stoppen met
drinken maar ook van het leven genieten, sporten maar
ook luieren, academisch presteren maar ook veel
sociale activiteiten ondernemen. Hierdoor moeten
constant prioriteiten worden gesteld met betrekking tot
de verschillende doelen, om zodoende het succesvol
nastreven van de verschillende geactiveerde doelen te
optimaliseren (Kruglanski et al., 2002; Gollwitzer,
Heckhausen, & Steller, 1990; in, Louro, Pieters, &
Zeelenberg, 2007). Hierna worden twee belangrijke
complicerende factoren van gedragsverandering be-
sproken, namelijk doelconflicten en een gebrek aan
capaciteit om wilskracht uit te oefenen. Het model uit
Figuur 1 kan hierbij als leidraad worden beschouwd.
Doelen in conflict
Mensen willen zelden maar één ding. Vaak hebben
mensen meerdere doelen die tegelijkertijd geactiveerd
zijn en hen niet vanzelfsprekend in dezelfde richting
sturen. Wanneer een situatie zich voordoet waarin twee
geactiveerde doelen elkaar tegenwerken is er sprake van
een doelconflict. Bij het nastreven van doelen moet
daarom steeds opnieuw een afweging worden gemaakt
welke doelen de meeste prioriteit krijgen, en het sterkst
worden nagestreefd (Higgins, 1989; Kruglanski et al.,
2002; Fishbach & Zhang, 2008). Een veelvoorkomend
dilemma ontstaat wanneer een langetermijndoel,
waarvan de beloning hoog is als het wordt bereikt, maar
waarvan het tegelijkertijd lang zal duren voordat het
bereikt is, moet worden afgewogen tegen een korte-
termijndoel, met weliswaar een minder hoge beloning,
maar wel een die op korte termijn te realiseren is (Bau-
meister, Heatherton, & Tice, 1994; Loewenstein, 1996;
Metcalfe & Mischel, 1999). Wanneer bijvoorbeeld een
probleemdrinker probeert het drinkgedrag te verande-
ren, zal deze persoon zich enerzijds als langetermijn-
doel stellen om niet – of in elk geval minder – te drin-
ken, terwijl er anderzijds sprake is van het kortetermijn-
comparator
input
referentiewaarde
output
gedrag
Figuur 1. Feedbacksysteem van Miller, Galanter en Pribram (1960).
227
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
doel om gevoelens van trek te bevredigen. Deze twee
doelen leiden hier duidelijk tot een conflict: het is
onmogelijk om beide tegelijk na te streven. Doorgaans
zal het sterkste, meest geactiveerde en meest concrete
doel in dit conflict winnen en in staat zijn het uiteinde-
lijke gedrag te sturen (Gollwitzer, Fujita, & Oettingen,
2004).
Dit laatste is een interessant gegeven, omdat doelen
in kracht en mate van activatie kunnen fluctueren door
de tijd. Dit kan veroorzaakt worden door intra-
persoonlijke veranderingen, maar ook door omgevings-
cues. Het zoeken van voedsel, uitrusten of seksuele
bevrediging, doelen die gevoed worden door basale
drijfveren zoals honger, vermoeidheid of seksuele
opwinding, fluctueren in de mate van activatie en
kunnen met het nastreven van langetermijndoelen
interfereren (Loewenstein, 1996; Shah & Kruglanski,
2002). Het menselijk lichaam heeft een goed ontwik-
keld systeem om primaire drijfveren invloed op gedrag
uit te laten uitoefenen wanneer dat nodig lijkt. Deze
intrapersoonlijke invloed die door de tijd fluctueert kan
echter een conflict opleveren met langetermijndoelen,
wanneer de activatie van kortetermijndoelen als gevolg
van toegenomen activiteit van basale drijfveren tijdelijk
wordt vergroot (Nordgren, Van der Pligt, & Harreveld,
2006). Omgevingsinvloeden, maar ook homeostati-
sche mechanismen binnen het individu kunnen een
toegenomen activiteit van deze basale drijfveren uitlok-
ken, waardoor het nastreven van kortetermijndoelen ten
koste van langetermijndoelen in deze situaties wordt
versterkt (Shah & Kruglanski, 2002; 2003).
Ditto en collegae (2006) toonden de implicaties van
dit fenomeen. Deelnemers aan hun experimenten
moesten beslissen of ze deelnamen aan loterijen met
variërende winstkansen. Als ze wonnen kregen deelne-
mers koekjes te eten, verlies betekende dat men ver-
plicht langer deelnam aan experimenten. Deelnemers
waarvan de basale drijfveer ‘honger’ was geactiveerd
door de geur van verse baklucht in de testruimte
(omgevingscue) namen grotere risico’s en presteerden
slechter dan deelnemers bij wie deze drijfveer niet was
geactiveerd. De omgevingscue in de proefruimte ver-
sterkte de activatie van het doel ‘bevredigen van trek’,
leidend tot conflict met het doel ‘goed presteren in dit
experiment’. Deelnemers bij wie de basale drijfveer niet
was geactiveerd waren beter in staat om het korte-
termijndoel - bevredigen van trek - te onderdrukken en
daardoor beter in staat het langetermijndoel - goed
presteren tijdens dit experiment - na te streven.
Ariely en Loewenstein (2006) creëerden een doel-
conflict in hun onderzoek naar het effect van seksuele
opwinding op beoordelings- en beslissingsvaardigheid.
Deelnemers werden toegewezen aan ofwel een conditie
waarin seksuele opwinding werd geïnduceerd, ofwel
aan een neutrale controleconditie waarin dit niet ge-
beurde. Vervolgens werd hen gevraagd of zij bereid
waren om onveilige seks te hebben. Deelnemers in de
conditie waarin seksuele opwinding werd geïnduceerd
waren vaker bereid tot het hebben van onveilige seks
dan deelnemers in de controleconditie. Onder invloed
van het versterkt geactiveerde kortetermijndoel ‘seksu-
ele bevrediging’ nam de invloed van een conflicterend
doel ‘gebruiken van voorbehoedsmiddelen’ af, met als
gevolg een slechtere benadering van een bovenliggend
langetermijndoel: ‘bevorderen van gezond gedrag’.
Wilskracht
Maar zelfs als het meest gezonde doel, in lijn met het
hoofddoel, het sterkst geactiveerd is, kan zelfregulatie
mislukken. Namelijk wanneer het vermogen ontbreekt
om gedrag effectief te corrigeren en geactiveerde doelen
na te streven. Dan blijft de poging het gedrag doelmatig
te veranderen steken in goede planintenties. Het ver-
mogen om planintenties uit te voeren, waartoe som-
mige mensen beter in staat zijn dan anderen, is in de
literatuur vaak met wilskracht aangeduid (Mischel,
Cantor, & Feldman, 1996; Metcalfe & Mischel, 1999;
Loewenstein, 2000a; Baumeister & Vohs, 2004).
Hoewel de eerder besproken primaire driften en de
doelen die daaruit voortkomen een nuttige functie
kunnen hebben door ons gedrag te sturen, is het ook
mogelijk dat deze driften ons sturen in een richting die
in conflict is met onze hoofddoelen en ons eigenbelang.
Cognitieve vermogens stellen ons in staat om over de
verleidingen van het moment heen te kijken en lange-
termijndoelen na te streven in plaats van toe te geven
aan onze behoeftes van dit moment. De cognitieve
inspanning die nodig is om doelen die zijn geactiveerd
op een effectieve manier ten uitvoer te brengen, wordt
wilskracht genoemd. Wilskracht kan worden aange-
wend om ongewenst gedrag te onderdrukken, maar ook
om nieuwe gedragspatronen te implementeren. Het
uitoefenen van wilskracht zal doorgaans tot minder
aangename gevoelens op de korte termijn leiden, maar
stelt ons in staat onze situatie op de langere termijn te
verbeteren (Loewenstein, 2000b). Wat de bestudering
van wilskracht met name interessant maakt is dat er
sterke inter- en zelfs intrapersoonlijke variantie is in de
hoeveelheid wilskracht die kan worden aangewend.
Deze variantie is in verschillende onderzoekstradities
onderzocht met vragenlijsten (Rosenbaum, 1980;
Tangney, Baumeister & Boone, 2004), maar ook met
directe gedragsmaten (Mischel, 1972, 1974; Sethi et al.,
228
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
2000; Gailliot et al., 2007) en neuropsychologische
tests (Kerr & Zelazo, 2004; Bechara, 2005).
In grote lijnen blijkt uit deze literatuur dat de geme-
ten wilskrachtcapaciteit voorspellend is voor persoon-
lijk, sociaal en maatschappelijk functioneren. De stu-
dies van Mischel en collegae (Mischel & Ebbesen, 1970;
Mischel, 1972; Mischel, 1974; Mischel, Shoda, & Peake
1988; Mischel, Shoda & Rodriguez, 1989) laten zien dat
de prestaties van vier jaar oude kinderen in het delay of
gratification paradigma voorspellend zijn voor hun
functioneren op een breed scala aan competentie-
gebieden tien jaar later. In dit paradigma krijgt een kind
eerst in een proefruimte speelgoed te zien waarbij
wordt verteld dat het er later die dag mee mag spelen.
Vervolgens leert de proefleider het kind een spel, waarin
de proefleider de proefruimte moet verlaten en pas
terugkomt wanneer het kind met een bel rinkelt. Hierna
wordt het kind twee verschillende beloningen in het
vooruitzicht gesteld (bijvoorbeeld snoep of speelgoed),
die beide aantrekkelijk zijn maar waarvan er één duide-
lijk aantrekkelijker is dan de ander. Nu wordt aan het
kind verteld dat de proefleider - net als in het zojuist
geleerde spel - de proefruimte zal verlaten en dat het
kind de meest aantrekkelijke beloning krijgt wanneer
het afwacht totdat de proefleider uit zichzelf terugkeert.
Het kind kan ook de bel gebruiken om op elk willekeurig
moment de proefleider direct te laten terugkeren. In dit
laatste geval krijgt het kind niet de meest aantrekkelijke,
maar de andere, iets minder aantrekkelijke beloning.
Wanneer het kind de bel niet gebruikt, keert de proef-
leider na ongeveer een kwartier terug naar de proef-
ruimte (Mischel et al., 1989). Tien jaar later worden de
kinderen die op 4-jarige leeftijd in de bovenstaande test
beter presteerden door hun omgeving omschreven als
meer sociaal en academisch competent, beter in staat
met frustratie om te gaan en beter verleidingen te
weerstaan. Deze groep is in het latere leven beter in
staat ideeën verbaal uit te drukken, kan zich beter
concentreren, beter plannen en vooruitdenken en wordt
door de directe omgeving omschreven als zelfverzeker-
der en meer volwassen (Mischel et al., 1988). Tangney
en collegae (2004) lieten zien dat studenten die hoog
scoren op de door hen ontwikkelde maat van wilskracht,
de Self Control Scale, op school gemiddeld hogere cijfers
haalden en bovendien minder psychopathologie,
hogere self-esteem, minder ongecontroleerd eet- en
(alcohol)drinkgedrag en betere interpersoonlijke rela-
ties rapporteren dan studenten die op dit meetinstru-
ment laag scoren. Deze resultaten sluiten aan bij het
omvangrijke werk van Mischel en collega’s.
Klinische toepassingen
Omdat uit de hiervoor besproken resultaten blijkt dat
het slecht kunnen realiseren van doelen voorspellend is
voor uiteenlopende ongezonde leefwijzen, zou er winst
te behalen zijn wanneer interventies op dit verband
kunnen inspelen. Is het mogelijk om het vermogen
doelen effectief na te streven te verbeteren of de wils-
kracht te vergroten van mensen die problemen onder-
vinden in het uitoefenen van zelfregulatie en het veran-
deren van hun gedrag? Muraven, Baumeister en Tice
(1999) hebben geprobeerd om door middel van training
wilskracht te vergroten. Vijf groepen deelnemers kregen
instructies om gedurende twee weken verschillende
oefeningen te doen waarin zelfregulatie moest worden
uitgeoefend. Eén groep moest de lichaamshouding
verbeteren door zichzelf te corrigeren wanneer ze een
slechte lichaamshouding innamen. Een tweede groep
moest proberen hun stemming te verbeteren wanneer
ze slecht gehumeurd waren. Twee andere groepen
moesten nauwkeurig bijhouden hoeveel en wat ze aten.
Een controlegroep kreeg geen opdrachten. Voor en na
de onderzoeksperiode werd wilskracht expliciet geme-
ten met behulp van handgrepen zoals bij fitness worden
gebruikt om de handspieren te trainen. Omdat het
kracht kost en tot vermoeidheid leidt deze handgrepen
ingeknepen te houden, is dit een adequate operationali-
satie van wilskracht (Muraven, Tice, & Baumeister,
1998). Er is in toenemende mate wilskracht vereist om
de neiging te onderdrukken om de grepen te ontspan-
nen. Met behulp van deze handgreepmeting was een
verschil in wilskracht waarneembaar tussen experimen-
tele groepen en de controlegroep: de laatste presteerde
slechter na twee weken, de groep die hun lichaamshou-
ding had moeten verbeteren en één van de groepen die
het eetgedrag hadden bijgehouden presteerden juist
beter op de handgreepmeting. Dit onderzoek van
Muraven en collega’s (1999) geeft een eerste aanwijzing
dat het uitoefenen van zelfregulatie de beschikbare
hoeveelheid wilskracht kan beïnvloeden, en dat wils-
kracht een te trainen krachtbron is. Daarnaast blijkt uit
deze studie dat wilskracht van generieke aard is en voor
het uitoefenen van zelfregulatie in uiteenlopende
domeinen kan worden aangewend.
Oaten en Cheng (2006) vonden ook dat verbeterin-
gen van het zelfregulatievermogen in één domein leiden
tot verbeteringen in ongerelateerde domeinen. Voor
hun experimenten schreven deelnemers zich in voor
een vier maanden durend programma waarin zij gehol-
pen werden hun persoonlijke financiën op orde te
krijgen. Deelnemers kregen een dagboek mee waarin zij
hun inkomsten en uitgaven noteerden. Onder begelei-
229
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
ding werd een plan opgesteld om zelfstandig de con-
trole over het uitgavenpatroon te verbeteren. De meeste
deelnemers verbeterden in deze periode hun regulatie
van uitgaven. Opvallend was echter dat gedurende de
vier maanden van het programma de deelnemers ook
beter werden in het uitvoeren van enkele experimentele
wilskrachtmetingen (onderdrukken van bepaalde
gedachten; weerstand bieden aan afleidende visuele
stimuli) en dat de training van het financiële beste-
dingspatroon een positief effect had op onder meer het
eetgedrag, het doen van het huishouden, op studie-
gewoonten, alcohol- en drugsgebruik en op de tabaks-
consumptie van de deelnemers. Oaten en Cheng
(2006) concluderen dat door regelmatig wilskracht uit
te oefenen het vermogen dit te doen toeneemt. Deze
conclusie is in lijn met die van Muraven et al. (1999) en
steunt de hypothese dat het trainen van wilskracht in
het ene domein kan leiden tot een vergroting van
wilskracht en een verbetering van het zelfregulatie-
vermogen in andere, ongerelateerde domeinen.
Verbetering van zelfregulatievermogens is ook
gevonden in de evaluatie van interventieprogramma’s
die zich richten op het verbeteren van het executieve
aandachtssysteem. Sohlberg, McLaughlin, Pavese,
Heidrich en Posner (2000) concluderen dat het inzet-
ten van Aandacht Proces Training (APT) bij mensen met
letsel in hersengebieden die bij executieve functies
betrokken zijn leidt tot generieke verbeteringen van dit
executieve aandachtssysteem. APT is ook succesvol
gebleken in het verbeteren van aandachtsfuncties en
zelfregulatievermogens van kinderen met ADHD
(Kerns, Esso & Thompson, 1999). In een overzichts-
artikel van Cicerone en collegae (2005) waarin de
effectiviteit van cognitieve rehabilitatie-interventies
werd onderzocht bespreken zij twee randomized clinical
trials (RCTs) die laten zien dat APT effectief is voor
mensen met hersenletsel als gevolg van trauma. De
auteurs concluderen dat de aanbeveling om APT in te
zetten om de aandachtsfuncties van mensen met
hersenletsel te verbeteren gerechtvaardigd is. Ter
verbetering van executieve functies, waarin het bijhou-
den en reguleren van gedrag en het nastreven van
doelen een centrale positie innemen (Bechara, 2005)
hebben de auteurs negen interventies gevonden en
opgenomen in hun review. Op basis van de gevonden
effecten concluderen zij dat interventies die het interna-
liseren van zelfregulatiestrategieën bevorderen een
toepasbare mogelijkheid zijn de executieve functies te
verbeteren. Daarnaast bleek het oefenen van formele
probleemoplossingstrategieën en training om doelen
effectiever na te streven deze functies positief te beïn-
vloeden, wat voor de cliënten merkbaar was in alle-
daagse situaties. Want in plaats van alleen het vermo-
gen wilskracht in te zetten te trainen, is het mogelijk
nog effectiever om cliënten ook vaardigheden aan te
leren hoe zij in specifieke situaties moeten handelen.
Zodoende kunnen de eisen die worden gesteld aan de
wilskracht- en zelfregulatievermogens van deze cliënten
worden verminderd. Toekomstig onderzoek zal volgens
Cicerone en collegae (2005) uitwijzen of dergelijke
interventies ook inzetbaar zijn om emotionele zelfcon-
trole of psychosociale vaardigheden te verbeteren.
Andere voorbeelden van onderzoek naar de effectivi-
teit van zelfregulatietraining als een klinische toepas-
sing worden besproken in de meta-analyse van Walters
(2000). Hierin worden resultaten uit 17 RCTs rond
trainingsprogramma’s ter verbetering van de zelfcon-
trole van probleemdrinkers beschreven. Deze trainin-
gen bestaan doorgaans uit oefeningen als het bijhou-
den van het alcoholgebruik, het stellen van drinkdoelen,
inventarisatie van risicosituaties en reguleren van
gebruik: minder vaak en langzamer drinken, langere tijd
inlassen tussen twee consumpties en de overstap naar
dranken met lagere alcoholpercentages. Feitelijk zijn dit
weer concrete oefeningen op relevante gebieden,
waardoor niet alleen generieke wilskrachtvermogens
worden getraind, maar ook de domeinspecifieke presta-
ties worden bevorderd. Op basis van deze meta-analyse
concludeert Walters (2000) dat zowel in vergelijking
met onbehandelde controlegroepen als in vergelijking
met interventies die op abstinentie zijn gericht, de
zelfcontroletrainingen voor probleemdrinkers tot betere
resultaten leiden. De zelfcontroletrainingen leiden tot
minder alcoholgebruik en minder persoonlijke proble-
men bij de deelnemers. Een extra argument ten gunste
van deze trainingen is dat het besef bij de deelnemers
dat ze zelf controle hebben over hun drinkgedrag en
daarmee controle over het eigen leven toeneemt. Dit
beïnvloedt het zelfvertrouwen en de eigeneffectiviteit
van de cliënt positief. Ook dit is een motivator om het
nieuwe gedragspatroon te internaliseren (Bandura,
1989).
Overzicht en vooruitblik
In dit artikel is getracht een overzicht gegeven van de
theorievorming rond en toepassingen van zelfregulatie
in relatie tot aanleren van gezond gedrag. Zelfregulatie
zoals besproken in dit artikel behelst het veranderen
van gedrag door het stellen van doelen en vervolgens
het bijsturen van gedrag in de voorgenomen richting
om de gestelde doelen te kunnen bereiken (Higgins,
1996; Baumeister, Bratslavsky, Muraven & Tice, 1998;
Boldero & Francis, 2002; Maes & Karoly, 2005). Het
230
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
onderscheid tussen zelfregulatie theorieën en modellen
als het Health Belief Model (HBM) of de Theory of Plan-
ned Behavior (TPB) is gelegen in het feit dat zelfregulatie
uitgaat van de veronderstelling dat gedragsverandering
een continu en door doelen geleid proces is. Terugkop-
peling van de gedragsverandering terwijl deze plaats-
vindt is van invloed op het verdere verloop ervan (Car-
ver & Scheier, 1990; Newman et al., 1992; Boldero &
Francis, 2002).
Van centraal belang is het stellen en nastreven van
doelen (Austin & Vancouver, 1996). Hieromtrent zijn
drie belangrijke mechanismen besproken: doelen
vestigen aandacht op doelrelevante zaken, ze hebben
een motiverende invloed, en een zelfversterkende
werking. Concrete doelen hebben een sterker effect op
gedrag dan vage (Gollwitzer et al., 2004). Een bemoei-
lijkende factor tijdens het uitoefenen van zelfregulatie is
dat tegenstrijdige doelen op hetzelfde moment en bij
dezelfde persoon actief kunnen zijn (Fishbach & Zhang,
2008). De activatie van doelen kan fluctueren door de
tijd - met name geldt dit voor doelen die gestoeld zijn
op basale drijfveren (Loewenstein, 1996; Shah & Krug-
lanski, 2002).
Ook is aandacht besteed aan een ander belangrijk
concept: wilskracht. Deze stelt mensen in staat om de
invloed van basale driften of kortetermijndoelen op het
gedrag te onderdrukken om in staat te zijn lange-
termijndoelen effectiever na te kunnen streven (Bau-
meister & Vohs, 2004). Mensen verschillen sterk in de
hoeveelheid die ze ervan kunnen uitoefenen. Enerzijds
is het vermogen om op jonge leeftijd wilskracht uit te
kunnen oefenen voorspellend voor het functioneren op
diverse terreinen als volwassene, zoals onder andere
blijkt uit het werk van Mischel (1970; 1972; 1974; 1988).
Anderzijds laten diverse auteurs in uiteenlopende
onderzoeksparadigma’s zien dat de hoeveelheid be-
schikbare kracht te beïnvloeden is door training (Mura-
ven et al., 1999; Oaten & Cheng, 2006). Deze resultaten
zijn interessant voor klinische toepassingen. Opvallend
is dat het trainen van zelfregulatie in een specifiek
domein leidt tot een vergroting van de wilskracht over
het algemeen. Deze toegenomen generieke capaciteit
kan vervolgens worden aangewend om gedrags-
veranderingen te realiseren in uiteenlopende gebieden,
ook als deze inhoudelijk niet gerelateerd zijn aan het-
geen waarin de wilskracht in eerste instantie is getraind
(Sohlberg et al., 2000). Dit ondersteunt de hypothese
dat wilskracht generiek is en dat zelfregulatie gebruik
maakt van deze krachtbron.
Wilskracht hangt sterk samen met aandachts-
controle en executieve functies. Hoewel interventies die
op deze inzichten gebaseerd zijn nog geen gemeengoed
zijn, laten verscheidene effectstudies positieve resulta-
ten zien (Cicerone et al., 2005). Ook is het positief dat
onderzoek naar zelfregulatie door de verschillende
psychologische disciplines wordt gedragen en gestimu-
leerd (Boekaerts et al., 2005). Ontwikkelings-
psychologen onderstrepen sinds lange tijd het belang
van zelfregulatie voor het socialisatieproces en het
ontwikkelen van zelfcontrole bij jonge kinderen. Neu-
ropsychologen doen onderzoek naar de neurologische
substraten van executieve functies, aandacht en be-
wustzijn; zaken die nauw verwant zijn aan zelfregulatie.
Klinisch psychologen, met nadruk in de verslavingszorg
en bij de behandeling van compulsief gedrag, kennen
het belang van zelfregulatie uit hun praktijk. Sociaal
psychologen die onderzoek doen naar het zelf voelen
zich betrokken bij het onderzoek naar zelfregulatie en
beschouwen dit vermogen als een onderscheidend
element van het zelf. De cognitieve psychologie ten
slotte doet onderzoek naar aandacht en de besteding
van beperkte capaciteit voor parallelle verwerkings-
processen (Baumeister & Vohs, 2004). Wel wordt
gewezen op het gegeven dat fragmentatie over discipli-
nes mogelijk leidt tot desintegratie van kennis (Bruner,
1990; in Boekaerts et al., 2005).
Hopelijk kan in de toekomst het multidisciplinaire
karakter van het onderzoek naar zelfregulatie ertoe
leiden dat meer kennis wordt geïntegreerd. Ook is het
aannemelijk dat er in de komende jaren nog meer dan
nu een vertaalslag kan worden gemaakt om de funda-
mentele kennis over mechanismen van zelfregulatie toe
te passen in de klinische praktijk. Op dit moment zijn er
veel op theorie gestoelde inzichten die ten onrechte nog
geen toepassing hebben. In een tijd waarin met name in
de geestelijke gezondheidszorg de nadruk ligt op
vroegtijdige, lichte interventies en bevordering van
zelfredzaamheid van cliënten, en waar veel middelen
worden besteed aan de preventie van het ontstaan van
ziektebeelden, is veel winst te verwachten van interven-
ties die erop gericht zijn de vaardigheden en daarmee
de zelfstandigheid van cliënten op deze gebieden te
vergroten. In lijn met de klinische toepassingen die
eerder in dit artikel zijn besproken is het goed denkbaar
dat meer fundamentele kennis over zelfregulatie-
mechanismen toepassing vindt in uiteenlopende
behandelprogramma’s. Bovendien zou dit een belang-
rijke toevoeging kunnen betekenen aan de huidige
preventieve zorgprogramma’s, waarin het overgrote
deel van de inspanningen nog altijd gericht is op het
overtuigen van mensen dat bepaalde dingen ongezond
zijn. Willen pogingen om mensen gezonder te laten
leven slagen, dan zal er veel meer aandacht moeten
komen voor de manieren waarop mensen het hoofd
231
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
kunnen bieden aan uiteenlopende verlokkingen die
weliswaar zeer aangenaam, maar ook erg ongezond zijn
(De Ridder, 2003). Tegelijkertijd is het denkbaar dat
deze toepassingsgebieden van zelfregulatie het funda-
mentele onderzoeksveld inspireren en nieuwe inzichten
ontstaan in de samenhang tussen zelfregulatie en het
aanleren van gezond gedrag. In ieder geval zullen
nieuwe vragen worden opgeworpen.
Literatuur
Aarts, H., Custers, R., & Holland, R.W. (2007). The nonconscious
cessation of goal pursuit: When goals and negative affect are
coactivated. Journal of Personality and Social Psychology, 92,
165-178.
Ajzen, I. (1991). The theory of planned behaviour. Organizational
Behaviour and Human Decision Processes, 50, 179-211.
Ariely, D., & Loewenstein, G. (2006). The heat of the moment: The
effect of sexual arousal on sexual decision making. Journal of
Behavioral Decision Making, 19, 87-98.
Austin, J.T., & Vancouver, J.B. (1996). Goal constructs in psychology:
Structure, process, and content. Psychological Bulletin, 120,
338-375.
Bandura, A. (1989). Human agency in social cognitive theory. Ameri-
can Psychologist, 44, 1175-1184.
Baumeister, R.F. (1998). The self. In D.T. Gilbert, S.T. Fiske, & G.
Lindzey (Eds.), Handbook of social psychology (4th ed., pp. 680-
740). New York: McGraw-Hill.
Baumeister, R.F., Bratslavsky, E., Muraven, M., & Tice, D.M. (1998).
Ego depletion: Is the active self a limited resource? Journal of
Personality and Social Psychology, 74, 1252-1265.
Baumeister, R.F., Heatherton, T.F., & Tice, D.M. (1994). Losing
control: How and why people fail at self-regulation. San Diego, CA:
Academic Press.
Baumeister, R.F., & Vohs, K.D. (Eds.) (2004). Handbook of self-
regulation. New York: Guilford Press.
Bechara, A. (2005). Decision making, impulse control and loss of
willpower to resist drugs: A neurocognitive perspective. Nature
Neuroscience, 8, 1458-1463.
Becker, M.H. (1974). The health belief model and personal health
behavior. Health Education Monographs, 2, 324-473.
Boekaerts, M., Maes, S., & Karoly, P. (2005). Self-regulationacross
domains of applied psychology: Is there an emerging consen-
sus? Applied Psychology: An International Review, 54, 149-154.
Boldero, J., & Francis, J. (2002). Goals, standards, and the self:
Reference values serving different functions. Personality and
Social Psychology Review, 6, 232-241.
Cameron, L.D., & Leventhal, H. (Eds.) (2003). The self-regulation of
health and illness behaviour. London: Routledge.
Carver, C.S. (2004). Self-regulation of action and affect. In R.F.
Baumeister & K.D. Vohs (Eds.), Handbook of Self-regulation.
Research, Theory, and Applications (pp. 13-39). New York: Guil-
ford.
Carver, C.S., & Scheier, M.F. (1981). Attention and self-regulation: a
control-theory approach to human behavior. New York: Springer-
Verlag.
Carver, C.S., & Scheier, M.F. (1990). Origins and functions of posi-
tive and negative affect: A control-process view. Psychological
Review, 97, 19-35.
Cicerone, K., Dahlberg, C., Malec, J., Langenbahn, D., Felicetti, T.,
Kneipp, S., Ellmo, W., Kalmar, K., Giacino, J., & Harley, J. (2005).
Evidence based cognitive rehabilitation: updated review of the
literature from 1998 through 2002. Archives of Physical Medicine
and Rehabilitation, 86, 1681-1692.
Ditto, P.H., Pizarro, D.A., Epstein, E.B., Jacobson, J.A., & MacDo-
nald, T.K. (2006). Visceral influences on risk{taking behavior.
Journal of Behavioral Decision Making, 19, 99-113.
Fishbach, A., & Dhar, R. (2005). Goals as excuses or guides: The
liberating effect of perceived goal progress on choice. Journal of
Consumer Research, 32, 370-377.
Fishbach, A., Dhar , R., & Zhang, Y. (2006). Subgoals as Substitutes
or Complements: The Role of Goal Accessibility.Journal of
Personality and Social Psychology, 91, 232-242.
Fishbach, A., Shah, J.Y., & Kruglanski, A.W. (2004). Emotional
Transferin Goal Systems. Journal of Experimental Social Psycho-
logy, 40, 723-738.
Fishbach, A., & Zhang, Y. (2008). Togetheror apart: When goals and
temptations complement versus compete. Journal of Personality
and Social Psychology, 94, 547-559.
Gailliot, M.T., Baumeister, R.F., DeWall, C.N., Maner, J.K., Plant,
E.A., Tice, D.M., Brewer, L.E., & Schmeichel, B.J. (2007). Self-
control relies on glucose as a limited energy source: Willpower is
more than a metaphor. Journal of Personality and Social Psycho-
logy, 92, 325-336.
Gollwitzer, P.M. (1993). Goal achievement: The role of intentions.
European Review of Social Psychology, 4, 141-185.
Gollwitzer, P.M. (1999). Implementation intentions: Strong effects
of simple plans. American Psychologist, 54, 493-503.
Gollwitzer, P.M., & Brandstätter, V. (1997). Implementation inten-
tions and effective goal pursuit. Journal of Personality and Social
Psychology, 73, 186-199.
Gollwitzer, P.M., Fujita, K., & Oettingen, G. (2004). Planning and
the implementation of goals. In R.F. Baumeister & K.D. Vohs
(Eds.) Handbook of self-regulation: Research, theory and applica-
tions (pp. 211-228). New York: Guilford Press.
Higgins, E.T. (1987). Self-discrepancy: a theory relating self and
affect. Psychological Review, 94, 319-340.
Higgins, E.T. (1989). Self-discrepancy theory: What patterns of self
beliefs cause people to suffer? In L. Berkowitz (Ed.), Advances in
experimental social psychology (Vol. 22, pp. 93-136). New York:
Academic Press.
232
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
Higgins, E.T. (1996). The ‘self digest’: Self-knowledge serving self-
regulatory functions. Journal of Personality and Social Psychology,
71, 1062-1083.
Karoly, P. (1993). Mechanisms of self-regulation:A systems view.
Annual Review of Psychology, 44, 23-52.
Kerns, K.A., Esso, K. & Thompson, J. (1999). Investigation of a direct
intervention for improving attention in young children with
ADHD. Developmental Neuropsychology, 16, 273-295.
Kerr, A., & Zelazo,P.D. (2004). Development of ‘hot’ executive
function: The Children’s Gambling Task. Brain and Cognition, 55,
148-157.
Koo, M., & Fishbach, A. (2008). Dynamics of Self-Regulation: How
(Un)accomplished Goal Actions Affect Motivation. Journal of
Personality and Social Psychology, 94, 183-195.
Kruglanski, A.W., Shah, J.Y., Fishbach, A., Friedman, R., Chun, W.Y.,
& Sleeth-Keppler, D. (2002). A theory of goal systems. In M. P.
Zanna (Ed.), Advances in experimental social psychology (Vol. 34,
pp. 331-378). San Diego, CA: Academic Press.
Leventhal, H., Brisette, I., & Leventhal, E.A. (2003). The common-
sense model of self-regulation of health and illness. In L.D.
Cameron & H. Leventhal (Eds.), The self-regulation of health and
illness behaviour (pp. 42-65). London: Routledge.
Locke, E.A., & Latham, G.P. (2002). Building a practically useful
theory of goal setting and task motivation: a 35-year odyssey.
American Psychologist, 57, 705-717.
Loewenstein, G. (1996). Out of control: Visceral influences on
behavior. Organizational Behavior and Human Decision Processes,
65, 272-292.
Loewenstein, G. (2000a). Willpower: A Decision-theorist’s Perspec-
tive. Law and Philosophy 19, 51-76.
Loewenstein, G. (2000b). Emotions in Economic Theory and Econo-
mic Behavior. The American Economic Review 90, 426-432.
Louro, M.J.S., Pieters, F.G.M., & Zeelenberg, M. (2007). Dynamics
of multiple goal pursuit. Journal of Personality and Social Psycho-
logy,93, 174-193.
Maes, S., & Karoly, P. (2005). Self-regulationassessment and inter-
vention in physical health and illness: a review. Applied Psycho-
logy: an international review, 54, 267-299.
Metcalfe, J., & Mischel, W. (1999). A hot/cool-system analysis of
delay of gratification: Dynamics of willpower. Psychological
Review, 106, 3-19.
Miller, G.A., Galanter, E., & Pribram, K.H. (1960). Plans and the
structure of behavior. New York: Holt, Rinehart and Winston.
Mischel, W. (1972). Cognitive and Attentional Mechanisms in Delay
of Gratification. Journal of Personality and Social Psychology, 21,
204-218.
Mischel, W. (1974). Processes in delay of gratification. In L. Berko-
witz (Ed.), Advances in experimental social psychology, 7, 249-291.
Mischel, W., Cantor, N., & Feldman, S. (1996). Principles of self-
regulation: The nature of willpower and self-control. In E. T.
Higgins & A. W. Kruglanski (Eds.), Social psychology: Handbook
of basic principles (pp. 329-360). New York: Guilford Press.
Mischel, W., & Ebbesen, E.B. (1970). Attention in delay of gratifica-
tion. Journal of Personality and Social Psychology, 16, 329-337.
Mischel, W., Shoda, Y., & Peake, P.K. (1988). The nature of adoles-
cent competencies predicted by preschool delay of gratification.
Journal of Personality and Social Psychology, 54, 687-696.
Mischel, W., Shoda, Y., & Rodriguez, M.I. (1989). Delay of gratifica-
tion in children. Science 244, 933-938.
Muraven, M., Baumeister, R.F., & Tice, D.M. (1999). Longitudinal
improvement of self-regulation through practice: Building
self-control through repeated exercise. Journal of Personality and
Social Psychology, 139, 446-457.
Muraven, M., Tice, D.M., & Baumeister, R.F. (1998). Self-controlas
a limited resource: Regulatory depletion patterns. Journal of
Personality and Social Psychology, 74, 774-789.
Newman, L.S., Higgins, E.T., & Vookles, J. (1992). Self-guide
strength and emotional vulnerability: Birth order as a moderator
of self-affect relations. Personality and Social Psychology Bulletin,
18, 402-411.
Nordgren, L.F., Pligt, J. van der, & Harreveld, F. van (2006). Visceral
drives in retrospect: explanations about the inaccessible past.
Psychological Science, 17, 635-640.
Oaten, M., & Cheng, K. (2007). Improvements in self-control from
financial monitoring. Journal of Economic Psychology,28, 487-501.
Ridder, D.T.D. de (2003). Verre doelen, onmiddellijke frustraties:
Zelfregulatieprocessen in gezondheidsgedrag. Oratie, Universiteit
Utrecht.
Ridder, D.T.D. de, & Wit, J.B.F. de (2006). Self-regulationin health
behavior: Concepts, theories and central issues. In D.T.D. de
Ridder & J.B.F. de Wit (Eds.), Self-regulation in health behavior
(pp. 1-19). London: John Wiley & Sons Ltd.
Rosenbaum, M. (1980). A schedule for assessing self-control beha-
viors: preliminary findings. Behavior Therapy, 11, 109-121.
Sethi, A., Mischel, W., Aber, J.L., Shoda, Y., & Rodriguez, M.L.
(2000). The role of strategic attention deployment in devel-
opment of self-regulation: Predicting preschoolers’ delay of
gratification from mother-toddler interactions. Developmental
Psychology, 36, 767-777.
Shah, J.Y., & Kruglanski, A.W. (2002). Priming against your will: How
accessible alternatives affect goal pursuit. Journal of Experimen-
tal Social Psychology, 38, 368-383.
Shah, J.Y., & Kruglanski, A.W. (2003). When opportunity knocks:
Bottom-up priming of goals by means and its effects on self-
regulation. Journal of Personality and Social Psychology, 84,
1109-1122.
Sheeran, P., Webb, T.L., & Gollwitzer, P.M. (2006). Implementation
intentions: Strategic automatisation of goal striving. In D.T.M.
de Ridder & J.B.F. de Wit (Eds.), Self-regulation in health behavior
(pp. 121-145). London: John Wiley & Sons Ltd.
Sohlberg, M.M., McLaughlin, K.A., Pavese, A., Heidrich, A., &
Posner, M.I. (2000). Evaluationof attention process training
and brain injury education in persons with acquired brain injury.
Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, 22, 656-676.
233
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
Tangney, J.P., Baumeister, R.F., & Boone, A.L. (2004). High self-
control predicts good adjustment, less pathology, better grades,
and interpersonal success. Journalof Personality, 72, 271-324.
Walters, G.D. (2000). Behavioral self-controltraining for problem
drinkers: a meta-analysis of randomized control studies. Behav-
ior Therapy, 31, 135-149.
234
zelfregulatieprocessen in de gezondheidspsychologie psychologie & gezondheid | 2008-36/04
... The concept of self-regulation is central to many theories and models adopted to identify the antecedents of health-related behaviour and explain the processes by which these antecedents predict health behaviour (Hagger, 2009; Leventhal, Leventhal, & Contrada, 1998; Rosenbaum, 1990; Schwarzer, 2008; Sniehotta, 2009). Self-regulation, broadly speaking, is the propensity of a person to invest cognitive, emotional, and behavioural resources to achieve a desired goal or outcome (Blankers, 2008; De Ridder & De Wit, 2006; Dekker, 2008; Van Damme, Crombez, Goubert, & Eccleston, 2009). In order to self-regulate individuals must delay short-term gratification in favour of the long-term goals and overcome a multitude of barriers, temptations, impulses, and habits likely to undermine the goal-directed behaviour ( Metcalfe & Mischel, 1999; Mischel, Shoda, & Rodrieguez, 1989). ...
Article
Full-text available
Successful self-regulation is associated with adherence to health-related behaviour in many domains. In contrast, self-regulatory failure is linked to poor adherence and drop-out. This review presents the strength model of self-control as a framework to explain self-regulation in health-related behaviour contexts. In the model, self-regulation is conceptualised as a limited resource that once depleted results in reduced capacity to further regulate the self. We provide an overview of the hypotheses of the strength model and review research applying the model to self-regulation in four health-related behaviour domains: dietary restraint and eating behaviour, alcohol consumption, smoking cessation and physical activity. Based on our review, we recommend practitioners adopt strategies to minimise self-regulatory failure in people engaging in health-related behaviours such as minimising demands on self-control resources in the early stages of uptake and eating regularly to prevent hypoglycaemia. We advocate techniques to improve self-control strength through rest and training on self-control tasks. Suggestions on how these techniques can be integrated into health-related behaviour-change interventions are provided. Recommendations for future research to identify the mechanisms underpinning self-control resource depletion, conduct further randomised controlled interventions using the model, and integrate strength model hypotheses into existing models of health-related behaviour are proposed.
Article
Full-text available
Self-regulation (SR) and Self-compassion (SC) emerge as effective psychological resources for promoting health. Objective: To describe health-promoting and risk-taking behaviors of university students in Chile and establish their relationship with SR and SC. Materials and Methods: Cross-sectional descriptive correlational study. A sample of Chilean undergraduate students (n=544) responded to a health questionnaire and the Short Self-Regulation Questionnaire and Self-Compassion Scale. Results: Low frequency of health-promoting behaviors and presence of risk-taking behaviors such as tobacco use (22.6%), drug use (41.3%) and problematic alcohol use (20.3%) were observed. SR impulse control was associated with a higher probability of healthy eating behavior (OR=1.56; CI 95%: 1.12-2.19; p <0.01) and better sleep quality (OR=1,7; CI: 1.24-2.38; p <0.01). Mindfulness, a component of SC, was associated with less regular physical activity (OR=0.69; CI: 0.49-0.95; p <0.05) and lower consumption of non-prescription drugs (OR=0.54; CI: 0.32-0.91; p <0.05), and self-judgment was related to a higher consumption of non-prescription drugs (OR=1.83; CI: 1.03-3.28; p <0.05). Conclusion: Impulse control influences both eating and sleep regulation, which are domains that tend to be altered among university students. SC is related to a lower probability of consuming non-prescription drugs. Both SR and SC emerge as potentially useful resources for promoting healthy habits and preventing risk behaviors.
Article
Full-text available
Research dealing with various aspects of* the theory of planned behavior (Ajzen, 1985, 1987) is reviewed, and some unresolved issues are discussed. In broad terms, the theory is found to be well supported by empirical evidence. Intentions to perform behaviors of different kinds can be predicted with high accuracy from attitudes toward the behavior, subjective norms, and perceived behavioral control; and these intentions, together with perceptions of behavioral control, account for considerable variance in actual behavior. Attitudes, subjective norms, and perceived behavioral control are shown to be related to appropriate sets of salient behavioral, normative, and control beliefs about the behavior, but the exact nature of these relations is still uncertain. Expectancy— value formulations are found to be only partly successful in dealing with these relations. Optimal rescaling of expectancy and value measures is offered as a means of dealing with measurement limitations. Finally, inclusion of past behavior in the prediction equation is shown to provide a means of testing the theory*s sufficiency, another issue that remains unresolved. The limited available evidence concerning this question shows that the theory is predicting behavior quite well in comparison to the ceiling imposed by behavioral reliability.
Article
Full-text available
This study tested hypotheses derived from developmental extensions of Higgins's self-discrepancy theory. Discrepancies between one's actual self and ideal-other self (a self-guide consisting of attributes someone would ideally like the individual to possess) cause dejection, whereas discrepancies with the ought-other self (beliefs about attributes someone thinks one ought to ham) cause agitation. Self-guides also differ in strength (the accessibility of, coherence of, and commitment to a self-guide). Consideration of the features of parent-child interaction hypothesized to increase self-guide strength led to the prediction that first-borns would have strong "other"-standpoint self-guides and that their discrepancies would be more highly correlated with emotional distress than those of later-borns. It was also predicted that first-borns would have fewer such self-discrepancies. Both predictions were supported. Many birth-order findings are consistent with these results.
Article
The question of how affect arises and what affect indicates is examined from a feedback-based viewpoint on self-regulation. Using the analogy of action control as the attempt to diminish distance to a goal, a second feedback system is postulated that senses and regulates the rate at which the action-guiding system is functioning. This second system is seen as responsible for affect. Implications of these assertions and issues that arise from them are addressed in the remainder of the article. Several issues relate to the emotion model itself; others concern the relation between negative emotion and disengagement from goals. Relations to 3 other emotion theories are also addressed. The authors conclude that this view on affect is a useful supplement to other theories and that the concept of emotion is easily assimilated to feedback models of self-regulation.
Chapter
This chapter provides an overview of research on choice preferences for delayed, larger versus immediate, smaller gratifications. In spite of the widespread recognition of the important role of delay of gratification in human affairs, previous experimental research on the topic has been limited. At the empirical level, extensive experimental work has been done on delay of reward in animals. Surprisingly, although voluntary delay behavior has been assumed to be a critical component of such concepts as “ego strength,” “impulse control,” and “internalization,” prior to the present research program relatively little systematic attention had been devoted to it in empirical work on human social behavior. The chapter presents, in greater detail, selected studies that focus on the role of cognitive processes during self-imposed delay. Many theorists have paid tribute abstractly to the importance of cognition for the phenomena of personality in general and for self-regulatory processes in particular. These tributes have been accompanied by some correlational research that explores, for example, the links between intelligence, self-control, cognitive styles, and other dispositional. The chapter offers a further theoretical analysis of the determinants of delay behavior.