ArticlePDF Available

Ponsaers, P. , Pauwels, L. (2007). “Naar een optimalisering van de toegankelijkheid van criminografische data op lage aggregatieniveau’s in België”, Panopticon, Vol. 28, n°3, 1-5.

Authors:
  • Ghent University, Faculty of Law and Criminology Co-director Research Group IRCP
1
Naar een optimalisering van de toegankelijkheid
van criminografische data op lage aggregatieniveaus in België ?
P. Ponsaers en L. Pauwels
1
Onderzoek naar de individuele, ruimtelijke en temporele spreiding van criminaliteit behoeft
criminografische data. Deze gegevens bestaan onder de vorm van primaire en secundaire
data. Primaire data worden door de onderzoeker zelf verzameld. De toegankelijkheid hiervan
wordt bepaald door de inspanningen van de onderzoeker, en de weerstand die de onderzoeker
ondervindt bij de dataverzameling, maar een fundamentele eigenschap van primair
verzamelde data is dat de onderzoeker met de verkregen data zelf kan verder werken, en dit
op de agregatieniveaus die de onderzoeker zelf overweegt. Secundaire data worden
daarentegen niet door de onderzoeker zelf verzameld, maar door anderen. Secundaire
criminografische data worden door verschillende overheidsdiensten verzameld, en worden
tevens op verschillende beleidsniveaus (lokaal en federaal) verwerkt. Wanneer we de situatie
bekijken met betrekking tot politionele criminaliteitstatistieken, stellen we vast dat lokale
politie-eenheden hun eigen criminaliteitsdata verzamelen, die lokaal gebruikt en geanalyseerd
worden door strategische analisten, maar die eveneens doorgestuurd worden ter voeding van
een federale databank. Federale politie-eenheden verzamelen eveneens data, en via een
complexe procedure is men (min of meer) in staat een -voor strategische doeleinden-
bruikbare dataset te creëren.
De toegankelijkheid van secundaire criminografische data ten behoeve van sociaal
wetenschappelijk onderzoek is echter fundamenteel verschillend, afhankelijk van het
aggregatieniveau waarin men geïnteresseerd is. In dit kort editoriaal bijdrage willen we
wijzen op het problematisch karakter van de gebrekkige toegankelijkheid van
criminografische gegevens op kleine aggregatieniveaus, pogen we deze differentiële
toegankelijkheid te duiden en worden argumenten aangebracht om deze toegankelijkheid op
lage aggregatieniveaus te verhogen.
Wetenschappelijke nood aan fijnmazige gegevens
Het aggregatieniveau is het niveau waarop analyses worden uitgevoerd en (hieruit volgt) het
niveau waarop uitspraken kunnen worden gedaan. Houdt men zich bij de formulering van
uitspraken niet aan het juiste aggregatieniveau, dan riskeert men een aggregatiefout te begaan.
Binnen de criminografie kan het aggregatieniveau verschillende vormen aannemen. In
Belgisch criminografisch onderzoek, op basis van politioneel geregistreerde data waarbij men
een feit als teleenheid aanziet, kan men in dalende volgorde het land, de regio’s, de
gerechtelijke arrondissementen, de provincies, de politiezones, de fusiegemeenten en de
statistische sector en het feit als aggregatieniveau beschouwen. Wanneer we het hebben over
de verdachte als teleenheid kan men theoretisch tot op het niveau van het individu gaan.
Wanneer we het hebben over onveiligheid (en onveiligheidsgevoelens) zoals gemeten in de
Belgische Veiligheidsmonitor, worden de bestaande aggregatieniveaus bepaald door de
niveaus waarop de steekproeven worden getrokken. In theorie kan in België dus heel veel
beschrijvend en verklarend sociaal wetenschappelijk onderzoek gevoerd worden, net zoals in
1
Prof. Dr. P. Ponsaers en Dr. L. Pauwels zijn verbonden aan de Vakgroep Strafrecht en Criminologie (Ugent) en
de onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse (SVA).
2
ons omringende landen. In de (omgevings)criminologische literatuur hinkt België echter
ernstig achterop.
Voor het achterophinken van België in omgevingscriminologisch onderzoek zijn
verschillende argumenten aan te geven. Er heerst in de Belgische criminologie niet dezelfde
cultuur van kwantitatief onderzoek als in de Angelsaksische wereld, waar de opleiding
criminologie veeleer met departementen sociale wetenschappen verbonden is dan met
rechtsfaculteiten, die nauwelijks een empirische traditie hebben, laat staan een kwantitatief
statistische oriëntering kennen. Echter, diegenen die wel interesse hebben in dit vakgebied
wordt het door officiële instanties wel bijzonder moeilijk gemaakt om criminografisch
onderzoek te bedrijven op de door onderzoekers gewenste aggregatieniveaus. Opvallend is dat
data op hoge aggregatieniveaus een zeer laagdrempelige toegankelijkheid hebben: deze
kunnen bij wijze van spreken van het internet geplukt worden op de website van de federale
politie. Dit staat echter in schril contrast met data op lage aggregatieniveaus die zeer moeilijk
en slechts na het doorlopen van een bureaucratisch kafkaiaans proces beperkt toegankelijk
zijn voor onafhankelijk sociaal wetenschappelijk onderzoek. Enkel ingewijden binnen de
overheidsdienst die de gegevens verwerken, zoals de federale dienst Datawarehouse, en
diensten van de Federale Politie belast met misdaadanalyse hebben hier eenvoudige toegang
toe. Het lijkt wel alsof in België een magische status kleeft aan criminografische data op lage
geografische aggregatieniveaus, zowel politionele data als gegevens uit de
Veiligheidsmonitor. M.a.w. het lijkt alsof overheidsdiensten criminografische basisinformatie
liever vanuit een monopoliepositie beheren.
Nochtans, officieel stelt men dat data kunnen aangevraagd en verkregen worden na expliciete
motivering van de aard van de data en de reden van aanvraag. Er bestaat echter in realiteit een
discrepantie tussen de aangevraagde en verkregen data. M.a.w. onderzoekers dienen het te
doen met voorgekauwde kost”. Dit druist in tegen het principe van aanvraag, en legt de
academische vrijheid van onderzoekers aan banden.
Na afloop van onderzoek op basis van in beperkte mate verkregen secundaire
criminografische bronnen op lage aggregatieniveaus wordt bovendien verwacht dat deze na
intensieve datacleaning verwerkte gegevens in het kader van een sociaal wetenschappelijke
probleemstelling worden vernietigd (sic). Dat vanuit sociaal wetenschappelijke hoek op deze
situatie kritiek wordt geuit, mag dan ook niet als verwonderlijk gezien worden.
Vroegere misbruiken van cijfermateriaal in (populistische) tijdschriften en kranten hebben
ongetwijfeld bijgedragen tot een meer voorzichtige tot gesloten houding bij overheidsdiensten
met betrekking tot het verstrekken van criminografische basisinformatie op lage
aggregatieniveaus, maar dit mag niet ten koste komen van criminografisch onderzoek. Het
lijkt alsof een buitenproportionele angst aan de basis ligt voor deze houding van
overheidsdiensten met betrekking tot het ter beschikking stellen van criminografische
basisinformatie op lage aggregatieniveaus. Welke factoren liggen aan de basis van deze
houding?
In het verleden heeft het vrijgeven van cijfers in het openbaar meermaals geleid tot het
opstellen van “hitlijsten” van veilige en onveilige gemeenten. Dat criminografische
informatie politiek gevoelige informatie is, hoeft geen verder betoog. Echter, het van
overheidswege onthouden van deze informatie is bedenkelijk en staat een realistisch debat
over (lokale) criminaliteit, onveiligheid en hun oorzaken in de weg. Hierbij ontneemt men niet
enkel de wetenschappelijke wereld, maar ook de burger het recht tot deelname aan dergelijk
3
debat. Wij achten het opportuun dat de betrokken diensten over deze houding reflecteren en
een evenwichtsoefening maken. Mogelijks wordt gevreesd dat externe analyses op basis van
“uit handen gegeven data” leiden tot resultaten die indruisen tegen intern opgedane
bevindingen, waardoor een hypotheek komt te liggen op de interne kwaliteit van analyses. Dit
is echter nooit de bedoeling, aangezien de onderzoeksvragen die in sociaal-wetenschappelijk
onderzoek gesteld worden vaak van een geheel andere orde zijn dan de beschrijvende
opdrachten die (federale) overheidsdiensten hebben van hun opdrachtgevers.
Noodzaak voor “evidence-based beleid”
Deze bijdrage mag echter onder geen geval beschouwd worden als een persoonlijke algemene
kritiek op overheidsinstanties belast met het verzamelen van criminografische
basisinformatie, want de toegankelijkheid van gegevens ten behoeve van onafhankelijk
onderzoek neemt vooral af naarmate men hoger op de hiërarchische ladder van de overheid
klimt. Met andere woorden, de toegankelijkheid van gegevens is problematischer op federaal
niveau dan op lokaal niveau.
Op dezelfde manier echter mag deze bijdrage evenmin gezien worden als een persoonlijke
aanval op hogere hiërarchische overheidsdiensten. Men mag en kan niet verwachten dat de
betrokken overheidsdiensten dergelijk onderzoek allemaal zelf uitvoeren. Deze diensten
hebben een specifieke functie, die op zich veeleisend en intensief is, met name het creëren
van voor strategische misdrijfanalyse bruikbare bestanden, en hebben daarom niet de tijd om
meer fijnmazig arbeidsintensief criminografisch onderzoek uit te voeren. Bovendien vergt het
uitvoeren van bepaalde analyses een heel specifieke technische know-how, die in Belgisch
criminografisch onderzoek mondjesmaat zijn intrede heeft gedaan. Precies om deze reden
dient een evenwichtsoefening gemaakt te worden, die de balans tussen kennisvermeerdering
en de buitenproportionele angst voor misbruik van criminografische gegevens herstelt. Bij
deze overheidsdiensten rust immers een verantwoordelijkheid. Zij zouden in principe
bijkomend dienen te voorzien in de structurele mogelijkheid om wetenschappelijk onderzoek
bij te staan, in plaats van af te remmen.
De huidige situatie is helaas ronduit bedroevend, zelfs anti-wetenschappelijk, en stimuleert in
geen geval enige (theoretische en methodologische) kennisvermeerdering in het vakgebied
van de omgevingscriminologie (Bottoms en Wiles, 1997: 305-360). Theoretische vooruitgang
kan in België nauwelijks geboekt worden omdat verklarend onderzoek, waarbij gegevens met
betrekking tot criminaliteit en onveiligheid gekoppeld worden aan andere theoretische
relevante informatie afgeremd en hierdoor impliciet ontraden wordt. Methodologische
vooruitgang wordt in België nauwelijks geboekt omdat in beperkte mate zicht kan gekregen
worden over de validiteit van criminografische meetinstrumenten. Precies omdat
verschillende criminografische bronnen bestaan (politionele registraties en victim surveys), is
het mogelijk de validiteit van de gegevensbronnen na te gaan, en de effecten van de keuze
voor een aggregatieniveau te bestuderen. In een klimaat van “evidence-based policy” dient
men toch de kwaliteit van het materiaal te kennen?
Sommige steden en stedelijke buurten worden vaak impliciet beschouwd als broeihaarden
voor criminaliteit en onveiligheid in dergelijke mate, dat elke proportionaliteit dreigt verloren
te gaan. Deze disproportionele visie op criminaliteit en onveiligheid werkt stigmatiserend ten
aanzien van steden en buurten en vraagt om objectivering. In tegenstelling tot
criminografische data is sociaal-economische basisinformatie wel beschikbaar op lage
4
aggregatieniveaus, nl. de statistische sector
2
en de gemeente (Deschamps, 2006: 61-69). Enkel
via het daadwerkelijk in kaart brengen en verder multivariaat analyseren van lokale
criminografische basisinformatie kan men het mythisch denken over buurten, steden en
gemeenten doorbreken en in realistisch perspectief plaatsen (Pauwels, 2002).
Hoe de bestaande situatie optimaliseren?
Samenwerkingsverbanden en samenwerkingsovereenkomsten oprichten tussen
overheidsdiensten belast met het verzamelen van criminografische basisinformatie en
universiteiten leidt automatisch tot een wederzijdse win-win situatie, maar biedt ook meer.
Universiteiten worden de kans geboden meer diepgaande analyses te maken dan
overheidsdiensten, die omwille van hun specifieke functie hiervoor zelden de tijd en
mogelijkheden hebben, en hierdoor verruimt theoretische en methodologische kennis. Vooral
methodenkennis is bruikbaar voor de overheidsdiensten die criminografische basisinfo
verzamelen, want hierdoor groeit de kennis over de validiteit en betrouwbaarheid van bronnen
en kan gezamenlijk gestreeft worden tot het optimaliseren van de meetinstrumenten in
kwestie. Heel belangrijk hierbij is dat gedegen feedback wordt gegeven aan de betrokken
diensten. De opgedane methodenkennis is bovendien bruikbaar ten behoeve van continue
opleiding van strategische analisten, en is bruikbaar in de basisopleiding tot Bachelor en
Master in de Criminologische Wetenschappen. Tot slot wordt door een adequate
samenwerking aan de Belgische criminologie de mogelijkheid geboden vertegenwoordigd te
zijn in de internationale context.
Leren van de buren
Met betrekking tot de toegankelijkheid van criminografische basisinformatie kan geleerd
worden van de situatie bij onze noorderburen. In Nederland heeft men beleidsmatig expliciet
de keuze gemaakt wetenschappers te betrekken bij beleidsondersteunend onderzoek. Deze
beslissing heeft zijn impact op de toegankelijkheid van criminografische basisinformatie voor
doeleinden die verder gaan dan de (beschrijvende) doeleinden die de overheden zich stellen.
Bruggeman (2004: 42-55) heeft eerder de vergelijking gemaakt inzake politiestatistieken en
stelde reeds vast dat het gebruik en de kwaliteit van Nederlandse politiestatistieken
ruimschoots de Belgische situatie overschrijdt. Deze verschillende oriëntering maakt dat
Nederlandse onderzoekers veel eenvoudiger gebruik kunnen maken van de ruwe databanken
uit de Politiemonitor Bevolking en de criminaliteitsgegevens van het CBS (Centraal Bureau
Statistiek), omdat deze ruwe data zonder bijbehorend slopend bureaucratisch proces,
weerstanden en al te lange wachttijden worden overgemaakt.
Om tot een verbeterde situatie te komen dringt zich een herbezinning op over de
veranwoordelijkheid die overheidsdiensten en universiteiten hebben. Dit vergt een
mentaliteitswijziging die enkel kan verwezenlijkt worden indien een open dialoog ontstaat.
Het meer toegankelijk maken van criminografische basisinformatie voor criminologisch
onderzoek vereist een vertrouwensrelatie, waarbij de overheidsdienst moet kunnen
vertrouwen op de deontologie van de onderzoeker om niet met aangevraagde ruwe data te
koop te lopen. Dit is vanzelfsprekend. Dit vertrouwen dient echter wederzijds te zijn. Zo
mogen overheidsdiensten niet vrezen dat het vrijgeven van “ruwe data” zou leiden tot het
negatief bekritiseren van een bestaand meetinstrument, waar heel wat werk achter schuilt, of
tot het bekritiseren van overheidsdiensten an sich. Overheidsdiensten ressorteren per definitie
onder uiteenlopende ministeriële departementen, met name Binnenlandse Zaken en Justitie,
2
Zie bvb de databank Sociale Planning van de stad Antwerpen: www.dspa.be
5
hetgeen impliceert dat de dialoog en mentaliteitswijziging waarvan hier gewag wordt gemaakt
niet kan gebeuren zonder dit niveau te betrekken bij een dialoog. Het publiceren van
beschrijvende onderzoeksresultaten en theorietoetsende resultaten gebeurt in nationale en
internationale vaktijdschriften, waar methodologische restricties worden in rekening gebracht,
en niet per definitie in de eerste beste krant. In gevallen dat media sociaal wetenschappelijke
berichtgeving willen overnemen, ligt de verantwoordelijkheid bij de media zelf, en kan men
nauwelijks het wetenschappelijk criminografisch onderzoek enige schuld verwijten. Heel
belangrijk is dat onderzoekers de nodige feedback geven aan de instellingen of diensten die de
data produceren, zodat deze zien dat er effectief gepoogd wordt vooruitgang te boeken met de
data die zij produceren, en zodat criminologen die dat wensen, wij denken bij voorkeur aan
strategische analisten, bijkomend inzicht verkrijgen in werkwijzen en methoden die
aangewend worden op criminografische basisinformatie.
Wij hopen ten zeerste dat naar aanleiding van deze oproep een ernstig debat kan gevoerd
worden over de huidige situatie inzake de beschikbaarheid van criminografische data.
Literatuur
BOTTOMS, A., WILES, P. 1997. Environmental Criminology, 305-360. In: MAGUIRE, M., MORGAN, R.,
REINER, R. (Eds). The Oxford Handbook of Criminology, Oxford: Clarendon Press.
BRUGGEMAN, W., 2004. Niet te vergelijken: politiestatistieken in België en Nederland, Tijdschrift voor
Criminologie (jubuleumuitgave): 42-55.
DESCHAMPS, L., 2006. Nieuw instrument voor het vinden van gemeentelijke cijfers. De Portaal Lokale
Statistieken, Panopticon: 61-69.
PAUWELS, L. 2002. De ene buurt is de andere niet, exploratie van mogelijkheden tot contextualisering van
geregistreerde criminaliteit op buurtniveau, Criminologische studies nr. 10, Brussel, VUBpress.
... De opleiding van politiemensen volstrekt zich achter de muren van de hoge kazernes, er wordt gedoceerd door politiemensen en de kwaliteit wordt intern gecontroleerd. Aan de eindmeet krijgen de studenten een brevet die ze enkel ten gelde kunnen maken in de organisatie (Eliaerts, C. 2007;Ponsaers, P., 2007). Enerzijds stel ik mij de vraag: Wie zorgt er voor dat het wetenschappelijk onderzoek over politie vertaald wordt in het politieonderwijs? ...
... Ook later bleef deze ontwikkeling de aandacht van Panopticon trekken, o.m. via de kritische commentaren op de latere ontwikkelingen van de nieuw ontwikkelde statistische databanken. Met betrekking tot de politie werd bijvoorbeeld gewezen op de chaos die de politiehervorming in de criminaliteitsstatistieken heeft veroorzaakt (Ponsaers & Bruggeman, 2005), en op het gebrek aan openheid van de overheidsdiensten wat betreft het ter beschikking stellen van hun databestanden (Ponsaers & Pauwels, 2007;Vander Beken, 2007). Ook de jaarstatistieken van de correctionele parketten werden voorgesteld (Van Dael & De Bruycker, 2008) en kritisch geanalyseerd ...
... De residentiële stabiliteit op het platteland is veel hoger dan in de stad. Ondanks het feit dat bepaalde onderzoeken de rol van buurten bij het plegen van delicten gedeeltelijk in vraag stelt (Rovers, 1997;Pauwels, 2007), bevestigt het soci- aal desorganisatieonderzoek wel degelijk de vaststelling dat deze socio-economische kenmerken een invloed uitoefenen op de criminaliteit-en slachtofferschapsgraden in geografische gebieden (Sampson & Groves, 1989). Criminaliteitsproblemen lijken on- losmakelijk verbonden te zijn met de ruimtelijke kenmerken (armoede, etnische he- terogeniteit en residentiële mobiliteit) van de pleegplaatsen en bijgevolg ook met het stedelijk karakter ervan (Stark, 1987). ...
... Uit een doorlichting van het tijdschrift Panopticon blijkt immers de criminografische inbreng één van de sterkste stijgers (Vermeulen, Robert, & De Wree, 2009). Voorbeelden zijn de bijdragen over de proble- matiek van de toegang tot politionele data op lagere aggregatieniveaus (Ponsaers & Pauwels, 2007) en de kwaliteit van de politionele databanken en de criminografische output (Bruggeman & Ponsaers, 2005). Los van Panopticon zijn er de overzichtswer- ken die de mogelijkheden en beperkingen van criminografische basisinformatie be- lichten (zie o.a. ...
Chapter
Full-text available
In de criminografie wordt vaak aandacht besteed aan adolescente daders van criminaliteit, maar veel minder aan adolescente slachtoffers. Uit studies uit het buitenland blijkt echter dat adolescenten niet alleen meer criminaliteit plegen dan volwassenen, maar ook meer slachtoffer worden. In deze criminografische studie wordt aandacht besteed aan de prevalentie van slachtofferschap van criminaliteit op school onder jonge adolescenten (12-14 jaar). Op basis van gegevens van twee zelfrapportage studies naar daderschap en slachtofferschap die afgenomen werden bij leerlingen uit de eerste graad in scholen in Sint-Niklaas en Lokeren, wordt een beschrijvend beeld gegeven van de mate van slachtofferschap onder jonge adolescenten: na het schetsen van een algemeen beeld van de prevalentie van verschillende slachtoffervormen op basis van de schoolsurvey in Sint-Niklaas, wordt aan de hand van de Lokerse survey ingezoomd op slachtofferschap van verschillende vormen van geweld.
... In theorie kan in België veel beschrijvend en verklarend sociaal wetenschappelijk onderzoek gevoerd worden op basis van een dataset als deze van de Veiligheidsmonitor, net zoals in ons omringende landen zoals Nederland, Groot-Brittanië en Duitsland. Echter, die Belgische wetenschappers die hierin interesse hebben, wordt het door officiële instanties wel bijzonder moeilijk gemaakt (Ponsaers, Pauwels, 2007). Data blijken immers moeilijk en slechts na het doorlopen van een bureaucratisch, haast kafkaiaans, proces beperkt toegankelijk te zijn voor onafhankelijk sociaal wetenschappelijk onderzoek. ...
Chapter
Full-text available
Inleiding Afgelopen decennia is er in België een indrukwekkende stroom van beleidsondersteunende informatie op gang gekomen. We hebben er-in tegenstelling tot andere landen-lang op moeten wachten, maar nu beschikken we over statistisch materiaal over het darknumber, over geregistreerde politiële criminaliteitsstatistieken, over parketstatistieken, over statistisch materiaal aangaande veroordelingen én over strafuitvoeringsstatistieken. We hopen natuurlijk allemaal dat de kwaliteit ervan nog zal verbeteren, maar het is intussen onontkoombaar : België beschikte nog nooit over zo'n brede statistische beleidsondersteunende grondstroom. De vraag die we ons in deze bijdrage stellen is of beleidsmakers hier nu wel degelijk gebruik van maken. We zullen argumenteren dat het gebruik van het beschikbare materiaal ondermaats is, ondanks het feit dat dit materiaal erg nuttige beleidsindicaties oplevert en dat het materiaal nog verdere verfijning behoeft. Om dit te doen zullen we een overzicht bieden van de beschikbare informatie op de verschillende stadia in de strafrechtsbedeling, nuttige lessen trekken en nagaan of de overheid hier haar baat mee doet 1. 1. Darknumberonderzoek Eén van de kernvraagstukken bij het voeren van een crimineel beleid blijft de vraag naar de meetbaarheid van het onveiligheidsfenomeen. Essentieel is immers het beschikken over nuttige parameters die een aanduiding geven omtrent de trends die zich aftekenen. Bij herhaling reeds werd gesteld dat het voeren van een beleid op basis van loutere geregistreerde 1 Gezien het korte bestek van deze bijdrage gaan we hier niet in op de strafuitvoering.
... Uit een doorlichting van het tijdschrift Panopticon blijkt immers de criminografische inbreng één van de sterkste stijgers (Vermeulen, Robert, & De Wree, 2009). Voorbeelden zijn de bijdragen over de proble- matiek van de toegang tot politionele data op lagere aggregatieniveaus (Ponsaers & Pauwels, 2007) en de kwaliteit van de politionele databanken en de criminografische output (Bruggeman & Ponsaers, 2005). Los van Panopticon zijn er de overzichtswer- ken die de mogelijkheden en beperkingen van criminografische basisinformatie be- lichten (zie o.a. ...
Book
Full-text available
Dit eerste criminografische verzamelwerk in de reeks Panoptiocn Libri, is er op gericht de interesse voor criminografie en methodologie onder criminologen te vergroten. Het rapporteert over criminografische en methodologische onderwerpen die zich afspelen op diverse echelons van de strafrechtsbedeling. De volgorde van de bijdragen is ook op die manier geschikt: statistische informatie kan gerangschikt worden volgens het niveau van de strafrechtsbedeling waarop de informatie slaat. Surveys vangen hiaten uit officiële registraties op en komen dus helemaal onderaan de ladder te staan, terwijl statistische penitentiaire info de top van de strafrechtsketen voorstelt en dus bovenaan de ladder komt te staan. In deze uitgave wordt criminografisch materiaal gedegen voorgesteld, met een afweging van de sterke en zwakke kanten, zijn mogelijkheden en beperkingen. Bovendien biedt dit verzamelwerk een structurele vindplaats voor het “onvindbare” criminografische materiaal.
Niet te vergelijken: politiestatistieken in België en Nederland
  • W Bruggeman
BRUGGEMAN, W., 2004. Niet te vergelijken: politiestatistieken in België en Nederland, Tijdschrift voor Criminologie (jubuleumuitgave): 42-55.
Nieuw instrument voor het vinden van gemeentelijke cijfers
  • L Deschamps
DESCHAMPS, L., 2006. Nieuw instrument voor het vinden van gemeentelijke cijfers. De Portaal Lokale Statistieken, Panopticon: 61-69.