ArticlePDF Available

Secundaire verwerving van fonologische elementen van een dialect

Authors:
  • Instituut voor de Nederlandse Taal (INT)
1
Kathy Rys
Secundaire verwerving van fonologische elementen van een dialect
Abstract
This article explores the various factors which play a role in the process of phonological
dialect acquisition by adolescents who did not acquire the local dialect as their first language.
I will try to find out whether some phonological dialect features are acquired better than
others and if this is the case, which linguistic and non-linguistic factors are responsible for
this. The factors which will be investigated are: the intersystemic correspondence between
equivalent elements in the first and second language, the phonological level at which the rule
operates, the geographical distribution of the feature, the phonetic distance between elements
of both languages and the quality (in terms of authenticity) of the dialect offered by the peer
group.
0. Inleiding1
Sedert enkele decennia is er zich in Vlaanderen –net als elders – een taalveranderingsproces
aan het voltrekken dat zowel structurele als functionele implicaties heeft. Hoppenbrouwers
(1990: 11) formuleert het als volgt:
“Bij de achteruitgang van het dialect als gevolg van de standaardisering wordt gewoonlijk onderscheid
gemaakt tussen structureel verlies en functieverlies. De structurele verschijnselen van het regiolect hebben
betrekking op de verschuivingen in de grammaticale component en veranderingen in het lexicon. Het
functieverlies heeft betrekking op de domeinen waarin het dialect gebruikt wordt en is nauw verbonden met
de houding tegenover de regionale taal.”
Wij zijn getuige van een structurele verandering in de Vlaamse dialecten, namelijk de
nivellering van die dialecten onder druk van en in de richting van de standaardtaal (AN). Een
dialect nivelleert doordat men de kenmerkende grammaticale, fonologische en lexicale
aspecten van dat dialect steeds meer inruilt voor (sub-)standaardtalige structuurelementen. Dit
structureel dialectverlies is tot op zekere hoogte aanwezig in de taal van bijna alle Vlaamse
jongeren, maar het vertoont uiteraard aanzienlijke gradaties naargelang van een aantal niet-
linguïstische factoren, zoals de intensiteit van het contact met het lokale dialect en de
persoonlijke motivatie om dat dialect nog te leren.
De functionele verandering in de dialecten wordt onder andere zichtbaar in het feit dat
een groeiend aantal Vlaamse jongeren niet langer in het lokale dialect wordt opgevoed. Dit
verschijnsel hangt samen met een negatieve attitude tegenover dialect als thuistaal.
Hoppenbrouwers (1990: 79) schrijft dit functieverlies hoofdzakelijk toe aan een aantal
maatschappelijke evoluties:
“Als gevolg van de emancipatie en de veranderde communicatieve behoeften, richt ook de
plattelandsbevolking zich in toenemende mate op de nationale eenheidstaal. Deze ontwikkeling gaat
gepaard met een afnemende behoefte bij de ouders om het plaatselijk dialect aan de jongste generatie door
te geven, zodat de jeugd steeds minder dialectisch gekleurde taalvormen van de ouderen overneemt.”
Binnen de klassieke dialectologie heeft men reeds grondig onderzoek verricht naar zowel de
structurele als naar de functionele aspecten van dialectverlies. Dat is tot nog toe echter bijna
uitsluitend gebeurd aan de hand van het taalgebruik van personen die nog primair in het
1 Ik dank Steven Gillis, Frans Hinskens, Johan Taeldeman en Albert Oosterhof voor hun commentaar op eerdere
versies van dit artikel. Tevens bedank ik mijn promotoren voor hun waardevolle adviezen.
2
dialect zijn opgevoed. Het betreft dan zowel dialect in zijn meest authentieke vorm, zoals het
gesproken wordt door de zogenaamde NORMs2, als in zijn variabiliteit, zoals het
genivelleerde dialect van jongeren.
Aangezien jongeren steeds minder in dialect worden opgevoed, kondigt er zich in de
dialectologie een behoefte aan om het taalgebruik te bestuderen van jongeren die het lokale
dialect niet als eerste taal (T1) verworven hebben, maar die zich secundair wel een aantal
elementen van dat dialect (T2) hebben eigengemaakt. Tot nog toe hebben zich nog maar een
zeer beperkt aantal studies geconcentreerd op die secundaire verwerving van dialect,
waaronder Chambers (1992)3 en voor het Nederlandstalige gebied Vousten (1995)4.
In dit artikel ga ik in op de secundaire verwerving van fonologische dialectelementen
door jongeren die niet primair in het lokale dialect zijn opgevoed. De bevindingen zijn
gebaseerd op een vooronderzoek5 dat werd uitgevoerd in Maldegem (een grote gemeente in
het noordwesten van Oost-Vlaanderen). Ik wil daarbij nagaan welke fonologische elementen
van het Maldegemse dialect wel en welke niet door die jongeren verworven worden en welke
factoren daar een rol bij spelen.
De keuze van de onderzoekslocatie (Maldegem) gebeurde op grond van twee redenen.
Een eerste, subjectieve, reden is het feit dat ik zelf native speaker van het Maldegemse dialect
ben. Aangezien dit dialect voor mij de eerste taal (T1) is, kan ik een exacte beoordeling
garanderen van de mate waarin mijn informanten het dialect verworven hebben.
Verder is er ook een linguïstisch gegronde reden om het hierboven beschreven onderzoek
in Maldegem uit te voeren. Voor fonologisch onderzoek biedt het Maldegems interessante
mogelijkheden, aangezien het een overgangsdialect is tussen aanpalende Oost- en West-
Vlaamse dialecten, dat een aantal geheel eigen primaire fonologische kenmerken ontwikkeld
heeft (zie Versieck 1989). Door de aanwezigheid van heel typerende, lokale kenmerken
(‘primaire kenmerken’) in de fonologie van het Maldegems kan er gericht onderzoek
gebeuren naar de verwerving van die fonologie. Er is immers pas sprake van ‘perfecte’
dialectverwerving als in het taalgebruik van jongeren die het Maldegems leren niet alleen de
wijder verspreide, secundaire kenmerken voorkomen, maar ook de tot het Maldegems
beperkte, primaire kenmerken. Bovendien wijst het voorkomen van secundaire kenmerken
niet noodzakelijk op het gebruik van dialect, aangezien juist die secundaire kenmerken vaak
doordringen in de substandaardtaal of tussentaal (zie Hinskens 1998: 182).
Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. In sectie 1 ga ik in op een aantal linguïstische en
niet-linguïstische factoren die mogelijk een rol spelen bij secundaire dialectverwerving. In
sectie 2 wordt de methode van opvraging beschreven (2.1), ga ik in op de locatie van
onderzoek (2.2) en beschrijf ik hoe de gegevens verwerkt zijn (2.3). In sectie 3 bespreek ik
een aantal voorlopige resultaten die ook getoetst worden aan de hypothesen onder (1). In
sectie 4 zal ik op basis van de resultaten nog een aantal conclusies trekken en zet ik uiteen hoe
het hier besproken vooronderzoek verder zal worden uitgebreid en aangepast.
2 NORMs: Nonmobile Older Rural Males (zie Chambers & Trudgill 1980)
3 Chambers (1992) deed onderzoek bij zes Canadese jongeren uit twee families die naar het zuiden van Engeland
verhuisd waren in resp. 1983 en 1984. In zijn artikel beschrijft hij acht algemene principes volgens welke
immigranten zich dialectologisch aanpassen aan hun nieuwe omgeving. Aan de hand van die principes
formuleert hij een aantal hypothesen over de mogelijke factoren die dialectverwerving determineren.
4 Vousten (1995) onderzocht de verwerving van een Noord-Limburgs dialect als tweede taal. Hij voerde dit
onderzoek uit bij informanten die de standaardtaal als (enige) thuistaal hadden, maar die aangaven dat zij met
leeftijdgenoten gewoonlijk dialect spraken.
5 Verder onderzoek zal plaatsvinden in het kader van een project dat wordt gefinancierd door FWO (G.0320.03).
Dat onderzoek zal uitgebreider ingaan op de in dit artikel besproken factoren. Het vooronderzoek is in die zin
interessant dat het al een aantal problemen aan het licht brengt waarvoor in het uiteindelijke onderzoek een
oplossing zal moeten worden gezocht.
3
1. Hypothesen
In de inleiding wees ik er op dat er zich in het taalgebruik van veel Vlaamse jongeren een
structurele verandering aan het voltrekken is. Dat structuurverlies doet zich weliswaar ook
voor bij jongeren die het dialect nog als thuistaal hebben verworven, maar jongeren die niet
meer in het dialect zijn opgevoed en die weinig of niet met het lokale dialect geconfronteerd
zijn tijdens hun eerste levensjaren, hebben over het algemeen een veel geringere
structuurkennis van het dialect dan native speakers.
De mate van structuurverlies van het dialect bij jongeren is enerzijds afhankelijk van een
aantal attitudinale en motivationele factoren. Anderzijds zullen er waarschijnlijk ook een
aantal andere niet-linguïstische en linguïstische factoren determinerend zijn voor de mate
waarin sommige aspecten van het dialect alsnog verworven worden door de ‘imperfect
learners’. Die factoren zullen eveneens gedeeltelijk bepalen welke fonologische elementen er
het best verworven worden. In de volgende paragrafen bespreek ik om welke factoren het
gaat.
1.1. Intersystemische correspondentie tussen T1 en T2
Taeldeman (1993: 107) ontwikkelde een tweedimensionaal fonologisch kennismodel voor de
fonologische kennis van tweetaligen. Het betreft personen die het dialect als T1 verworven
hebben, maar die ook een ‘hogere variëteit’ (AN of een substandaardtalige variëteit) als T2
beheersen.
De horizontale dimensie van dit model bestaat uit correspondentieregels tussen
equivalente onderdelen van T1 en T2. De achterliggende gedachte bij het model is dat er
tussen het sterk(er) uitgebouwde T1-systeem en het zwak(ker) uitgebouwde T2-systeem een
horizontale component van intersystemische metakennis ontstaat.
In het geval van het Maldegemse onderzoek kan dit model perfect toegepast worden op
het fonologische kennissysteem van ‘imperfect learners’ van het dialect. In dat geval is T1 de
standaardtaal (of een regionale subvariëteit daarvan) en T2 het lokale dialect. Uitgaande van
dit model formuleer ik de volgende hypothese:
T1/AN-element x kan beter bemiddelen bij de secundaire verwerving van T2/DIA-element y,
naarmate de systematische/structurele inbedding van x beter overeenkomt met de inbedding
van y. De hypothese voorspelt dus dat een sterkere intersystemische correspondentie tussen
het T1- en T2-element zal leiden tot een betere verwerving van het T2-element.
In Voustens onderzoek bleek de linguïstische variabele ‘intersystemische correspondentie’
een belangrijke rol te spelen in de verwerving van dialectklanken. Bovenstaande hypothese
wordt door zijn bevindingen bevestigd (1995: 149):
“On the phonological level, the learners reach the highest level of accuracy on variables for which the
dialect pronunciation can be deduced from a relatively simple [intersystemic, KR] rule. For instance, the
learners are more successful in acquiring the [ i ] – realization for West Germanic î than they are in
acquiring the correct realizations for West Germanic û. This probably has to do with the fact that the first is
always pronounced as [ i ] in the dialect, while the pronunciation of the latter can be [ u ] or [ y ].”
4
1.2. Lexicale regel vs. postlexicale regel
Onder (1.1) werd een hypothese geformuleerd die voortbouwt op de horizontale dimensie van
het fonologisch kennismodel (Taeldeman 1993: 107). Naast die horizontale dimensie, die de
intersystemische metakennis tussen het T1-systeem en het T2-systeem representeert, vertoont
het model ook een verticale dimensie die de fonologische regels bevat waarmee fonologische
diepte-elementen worden omgezet in fonetische oppervlakterepresentaties.
Om de verticale dimensie van het model verder uit te werken, baseert Taeldeman zich op
de door Kiparsky geïntroduceerde theorie van ‘lexical phonology’ (o.a. Kiparsky 1982 en
Mohanan 1986). Volgens die theorie speelt de omzetting van fonologische elementen in
fonetische oppervlakterepresentaties zich af op drie niveaus: het prelexicaal, het lexicaal en
het postlexicaal niveau. Er is sprake van drie regelmodules:
(a) Prelexicale regels resulteren in twee soorten restricties: (1) restricties op de simultane
combineerbaarheid van de distinctieve kenmerken tot basissegmenten (fonemen) en (2)
restricties op de consecutieve combineerbaarheid van die basissegmenten tot syllaben of
morfemen.
(b) Lexicale regels worden toegepast binnen woordgrenzen en zijn soms afhankelijk van
morfologische informatie. Een toepassing van een lexicale regel is bijvoorbeeld de toekenning
van klemtoon in een woord. In dat geval kan morfologische informatie (bv. de aanwezigheid
van het suffix –lijk) zorgen voor een verandering binnen het structuurniveau ‘woord’ (bv. het
suffix –lijk haalt de klemtoon met 1 syllabe naar achteren; ´afhangen vs. af´hankelijk). Zo’n
verandering die wordt teweeggebracht door een lexicale regel kan vrij regelmatig zijn (bv.
´afhangen vs. af´hankelijk; ´aannemen vs. aan´nemelijk). Vaak echter heeft een verandering
in een woord die op een lexicale regel teruggrijpt een ad hoc karakter. Het gaat dan om een
uniek lexicaal fenomeen of een lexicale uitzondering (bv. lang vs. lengte; het suffix –te
veroorzaakt in andere afleidingen echter geen vocaalwisseling). Lexicale regels zijn dus
uitzonderingsgevoelig. Verder zijn lexicale regels structuurbehoudend (Hinskens 1998: 162);
dit betekent dat ze geen fonologische contrasten introduceren die niet reeds op het
onderliggende niveau bestaan.
(c) Postlexicale regels zetten fonologische dieptestructuren om in fonetische
oppervlaktevormen. Ze kunnen opereren over woordgrenzen heen en zijn verantwoordelijk
voor allerlei contactfenomenen (zie Hinskens 1998: 162) en voor allerlei articulatieaspecten.
Postlexicale regels kunnen afhankelijk zijn van syntactische informatie.Veranderingen in een
woord die plaatsvinden doordat het woord in een bepaalde context gebruikt wordt, spelen zich
dus af op het postlexicaal niveau. Een voorbeeld uit het Maldegemse dialect is de deletie van
de /l/ en de rekking van de voorafgaande vocaal op het woordeinde of vóór een consonant.
Klankveranderingen die teruggrijpen op postlexicale regels vertonen een zeer regelmatig
(bijna automatisch) karakter. Hinskens (1998) wijst erop dat de zogenaamde
‘uitzonderingsloze’ klankveranderingen van de Neogrammatici teruggrijpen op postlexicale
regels. Postlexicale regels hebben dus in principe geen lexicale uitzonderingen.
Verder worden postlexicale regels gekenmerkt door een lage graad van bewustzijn. In dit
verband vermeldt Hinskens (1998: 164) de door Labov aangehaalde term ‘change from below
the level of consciousness’.
De verticale dimensie van het fonologische kennismodel leidt ons tot een tweede hypothese:
Fonologische voorstellingen die het resultaat zijn van postlexicale regels zijn in principe niet
uitzonderingsgevoelig, vertonen een erg regelmatig karakter en daardoor ook een lage graad
van bewustzijn, terwijl fonologische voorstellingen die teruggrijpen op lexicale (en dus de
5
facto onvoorspelbare) informatie vaak wel uitzonderingsgevoelig zijn en daardoor een hogere
graad van bewustzijn vertonen. Omdat fonologische voorstellingen die tot stand komen op
grond van postlexicale regels in principe een regelmatiger karakter hebben, vermoed ik dat
die gemakkelijker verworven zullen worden dan voorstellingen die resulteren uit lexicale
regels.
1.3. Primaire vs. secundaire dialectkenmerken
Een derde factor die vermoedelijk van belang is in het proces van secundaire
dialectverwerving is het klassieke onderscheid tussen de zogenaamde ‘primaire’ kenmerken
en de ‘secundaire’ kenmerken. Dit onderscheid werd voor het eerst gemaakt door
Schirmunski (1930) en komt vaak terug binnen de (socio-)dialectologie (zie o.a. Hinskens
1986 en 1993, Hoppenbrouwers 1990, Auer 1993, Haas 1993 en Taeldeman 2000).
Primaire dialectkenmerken zijn kenmerken met een hoge mate van opvallendheid en een
geringe geografische verspreiding. Het zijn vooral de sprekers van naburige dorpen en
verwante dialecten die zich bewust zijn van de primaire kenmerken van een bepaald dialect.
Voor de sprekers van het betreffende dialect vallen die kenmerken minder op, hoewel hun
lokale identiteit er sterk door gemarkeerd wordt.
Secundaire kenmerken daarentegen zijn minder opvallend en hebben een ruimere
geografische verspreiding. Ze zijn dus veel minder bepalend voor de lokale identiteit van
dialectsprekers. Doordat ze minder opvallen, worden ze gekenmerkt door een lage graad van
bewustzijn. Vaak betreft het articulatorische verschijnselen die typerend zijn voor het accent
van een vrij groot gebied. Vanwege die ruimere geografische verspreiding worden
taalgebruikers in het algemeen meer met die secundaire dan met de primaire kenmerken
geconfronteerd in de dagelijkse omgangstaal.
Reiffenstein ziet een duidelijke parallel tussen respectievelijk het onderscheid primair-
secundair en het onderscheid lexicaal-postlexicaal. Voortbouwend op Schirmunski’s
onderscheid tussen primaire en secundaire kenmerken en ervan uitgaand dat fonologische
oppervlaktestructuren het resultaat zijn van de toepassing van fonologische regels op
fonologische dieptestructuren, formuleert Reiffenstein (1976: 339-340) de volgende
hypothese:
Lexikalisierte phonologische Verschiedenheiten zwischen Mundart und Hochsprache werden leichter
beseitigt als solche, die – bei gleicher Lexikoneintragung – durch Anwendung einer spezifischen
phonologischen Regel zustandekommen. D.h. Unterschiede in den phonologischen Systemen werden
leichter beseitigt als solche der phonetischen Realisierung von gleichen Systemen (Teilsystemen6).”
Reiffenstein beweert dus dat fonologische contrasten op het lexicale (of onderliggende)
niveau vaak eerder verloren gaan dan allofonische onderscheiden (cf. postlexicaal).
Aan de hand van een aantal voorbeelden uit het Duits bevestigt Reiffenstein zijn hypothese en
concludeert hij het volgende (1976: 345):
“Primäre Unterschiede sind solche, die die Tiefenstruktur betreffen. Die einander entsprechenden
Basisformen (Lexikoneinträge) der beiden konkurrierenden Systeme sind verschieden. Sekundäre
Unterschiede sind solche, die die phonologisch-phonetische Realisation und die sie bedingenden
phonologischen Regeln betreffen. Die Lexiconeinträge der konkurrierenden Systeme sind in diesem Falle
gleich.”
6 Reiffenstein (1976: 337) gebruikt de term ‘Teilsystemen’ voor ‘fonemen’.
6
Recentelijk heeft Hinskens (1998) aan de hand van het Rimburgse dialect onderzocht of
Reiffensteins bevindingen bevestigd worden. Hij onderzoekt een aantal kenmerken van het
betreffende dialect en komt tot de volgende conclusie (1998: 187-188):
“So it appears that DFD Plus as well as R-deletion, both of which are lexicalized rules, are clearly less
resistant than comparable postlexical rules of the phonology of the same dialect.”
Hinskens resultaten stemmen overeen met Reiffensteins bevindingen: gelexicaliseerde regels
van het Rimburgse dialect zijn minder resistent tegen dialectverlies dan postlexicale regels
van hetzelfde dialect. De parallel tussen lexicaal en primair manifesteert zich in die geringere
resistentie; de parallel tussen postlexicaal en secundair komt tot uiting in de grotere mate van
resistentie.
Deze geobserveerde parallellen tussen enerzijds primair-lexicaal en anderzijds secundair-
postlexicaal kunnen gevolgen hebben voor het Maldegemse onderzoek. De kans bestaat
immers dat de invloed van beide factoren op dialectverwerving (zie 1.2 en 1.3) in dezelfde
richting wijst. In dat geval valt niet eenduidig uit te maken welk van beide factoren de meeste
invloed heeft. Verder in dit artikel komen we op dit probleem terug (1.4).
Het is moeilijk om in deze fase van het onderzoek al een hypothese te formuleren over de
invloed van de factor primair vs. secundair.
Enerzijds kan men tot de hypothese komen dat primaire kenmerken in de verwerving van
dialect als tweede taal beter verworven worden dan secundaire kenmerken doordat ze voor de
dialectverwerver meer opvallen (cf. Schirmunski 1930: 188, “am stärksten auffallenden”).
Vaak hebben deze dialectkenmerken als het ware een sjibboletfunctie. Die kenmerken zijn zo
typerend voor een bepaald dialect, dat ook mensen die niet in dat dialect zijn opgevoed er toch
een goede kennis van hebben. In de secundaire verwerving van dialect kunnen deze primaire
kenmerken wellicht zeer bewuste targets worden.
Anderzijds is er de hypothese dat primaire kenmerken minder goed verworven worden
aangezien ze het eerst verloren gaan bij dialectnivellering en daardoor minder in het
taalaanbod voorkomen. In het volgende citaat verwijst Reiffenstein (1976: 337-338) naar
Schirmunski (1930), die niet alleen het onderscheid tussen primaire en secundaire kenmerken
heeft geïntroduceerd maar die ook beweerde dat primaire kenmerken vlugger verloren gaan
dan secundaire:
“Viktor Schirmunski hat auf Grund der von ihm untersuchten ruBland-deutschen Sprachinselmundarten
zwischen primären (“auffälligen”) und sekundären (“weniger auffallenden”) Mundartmerkmalen
unterschieden und nachzuweisen versucht, daB bei Mundartmischungen die Tendenz bestehe, die primären
Merkmale abzusto
B
en und die sekundären Merkmale zu bewahren.” (cursivering KR)
Voortbouwend op dit citaat zou men kunnen aannemen dat ‘imperfect learners’ beter de
secundaire kenmerken van een dialect verwerven, omdat die kenmerken nog het meest
voorkomen in het taalaanbod.
Vousten (1995: 122) wijst in het volgende citaat ook op het feit dat men op basis van het
onderscheid primaire (opvallende) vs. secundaire (minder opvallende) kenmerken eigenlijk
tot twee hypothesen kan komen die elkaar tegenspreken:
“Hierbij doen zich twee problemen voor. Allereerst zal de notie ‘opvallendheid’ geoperationaliseerd moeten
worden. Om het begrip toetsbaar te maken zullen criteria moeten worden ontwikkeld voor het bepalen van
de mate van opvallendheid. Ten tweede moeten op basis van de notie ‘opvallendheid’ eenduidige relaties
gepostuleerd worden. Een hypothese die gebruik maakt van deze notie zal moeten voorspellen dat
opvallende kenmerken ofwel verdwijnen, ofwel gehandhaafd blijven.”
7
Omdat voor beide hypothesen enkele gegronde argumenten bestaan, is het in deze fase van
het onderzoek moeilijk om een standpunt in te nemen.
Bovendien is in het onderzoek naar deze variabele (primair vs. secundair) waarschijnlijk
het onderscheid tussen ‘dialectkennis’ en ‘dialectgebruik’ van belang. Wanneer men naar de
dialectkennis van ‘imperfect learners’ peilt, zullen zij wellicht uitermate hun best doen om zo
goed mogelijk dialect te realiseren. Ze zullen dan ook het eerst mikken op die kenmerken die
het meest karakteriserend zijn voor het betreffende dialect. Dat was bijvoorbeeld het geval in
Vanrenterghem (2001: 156-159). In haar licentiaatsverhandeling over fonologische
dialectnivellering in Waregem kwam zij tot de conclusie dat het overgrote deel van haar
informanten de typische overdiftongering van de vocaal in ‘broek’ realiseerde.
Vanrenterghem wijst op de sjibboletfunctie van dit primair kenmerk van het Waregems. Zij
betwijfelt echter of de resultaten van haar onderzoek representatief zijn voor het dagelijkse
taalgebruik van haar informanten. De dialectkennis van informanten loopt immers niet altijd
parallel met het gebruik van dialectkenmerken in hun dagelijkse omgangstaal.
In mijn vooronderzoek heb ik mijn informanten gevraagd om de woorden uit de
vragenlijst te realiseren op de manier waarop ze dat zouden doen in een gesprek met
Maldegems sprekende vrienden. Ik heb dus eerder naar ‘gebruik’ dan naar ‘kennis’ gepeild. In
het vervolgonderzoek wil ik echter via een gerichte enquête (woordenlijst) vooral peilen naar
‘dialectkennis’. Ik zal de informanten dus vragen om ‘zo goed mogelijk’ Maldegems te
spreken. Een kort ‘spontaan’ gesprekje kan dan eventueel aanwijzingen geven over het
‘dialectgebruik’ van de proefpersonen.
Het peilen naar de dialectkennis van taalgebruikers verloopt echter niet zonder
complicaties. Van Hout (1979: 140) wijst op een aantal problemen die zich kunnen voordoen
bij het opvragen van dialectkennis in een ‘formele situatie’ (zoals o.a. een gerichte
vragenlijst):
“Deze inkongruentie van een formeel domein en een bij informele situaties passend taalsysteem zou de
informanten ertoe kunnen brengen kenmerken en eigenschappen van het ene taalsysteem, in dit geval
standaardtaal, op foutieve, onvoorspelbare en onsystematische wijze op het andere, in dit geval dialekt, toe
te passen. Bij een onbewuste overdracht kunnen we spreken van interferentie.”
Naast interferentie kan zich volgens Van Hout (1979: 140) nog een ander fenomeen voordoen
bij de omzetting van woorden van de standaardtaal naar het dialect, namelijk
‘hyperdialectisme’:
“Bij de opdracht de woordenlijst in het dialekt om te zetten vormt niet de standaardtaal, maar het dialekt de
opgelegde norm. We mogen dan verwachten dat er hyperkorrektie in het dialekt optreedt. Wanneer we de
bevindingen van Labov (1972) voor hyperkorrektie in de standaardtaal op hyperkorrektie in het dialekt
mogen projekteren, leidt hyperkorrektie niet tot regelmatige en voorspelbare taalvormen. Het proces leidt
veelal tot het voorkomen van onregelmatigheden en inkonsistenties.”
Er treden in de Maldegemse opnames inderdaad hyperdialectismen op. Ondanks het feit dat
deze waarschijnlijk grotendeels het gevolg zijn van de interviewsituatie, zijn ze voor het
onderzoek naar imperfect learning toch zeer interessant. Hyperdialectismen kunnen namelijk
een aanwijzing vormen dat bepaalde fonologische regels geïnternaliseerd zijn in het
kennissysteem van imperfect learners. Een taalgebruiker kan immers een regel pas verkeerd
aanwenden als die regel deel uitmaakt van zijn dialectkennissysteem.
Bovendien bestaat er een verband tussen het voorkomen van hyperdialectismen en de
lexicale of postlexicale status van een regel. Hinskens (1998: 165) beweert:
“In cases of lexicalized (lexically stored) sound change one finds more hypercorrection in the sense of
undoing the effects of a rule in cases where it never applied than in cases of Neogrammarian sound change.”
8
Er zou dus meer kans bestaan op het voorkomen van hypercorrecties in het geval van lexicale
regels dan bij postlexicale (‘Neogrammarian’) regels. Bovenstaand citaat kunnen we
veralgemenen, zodat het ook van toepassing is op hyperdialectismen. Hinskens schrijft
namelijk (1998: 165): “the reverse of hypercorrection also occurs, resulting in
hyperdialectalisms.” Het kan interessant zijn om te onderzoeken of er in de Maldegemse
gegevens inderdaad meer hyperdialectismen voorkomen bij lexicale fenomenen dan bij
postlexicale en op die manier bovenstaande bewering te toetsen.
We komen nu terug op de invloed van de factor primair vs. secundair in het proces van
dialectverwerving. In het begin van deze paragraaf werden de eigenschappen van primaire en
secundaire kenmerken beschreven. Met name twee eigenschappen zijn bepalend voor het
onderscheid primair vs. secundair: (a) de mate van geografische verspreiding en (b) de mate
van opvallendheid van een kenmerk (‘salience’). Met betrekking tot de tweede eigenschap
kunnen we stellen dat primaire kenmerken vaak opvallende kenmerken zijn (‘salient’), terwijl
secundaire kenmerken vaak minder opvallend zijn. Dialectkenmerken kunnen onder andere
opvallen doordat ze in fonetisch opzicht ver van de standaardtaal afstaan.
Wat de fonetische afstand tussen het DIA-element en zijn T1-equivalent betreft, dient
erop gewezen te worden dat er een verschil is tussen de ‘objectief’ meetbare fonetische
afstand en de door taalgebruikers aangevoelde psychologische afstand tussen twee klanken.
Die twee vallen niet noodzakelijk samen. In sectie 3 worden enkele resultaten besproken,
waarbij er aan de fonologische features bepaalde waarden zijn toegekend voor de eigenschap
‘fonetische afstand’. Het gaat dan wel om de ‘objectief’ meetbare afstand. We moeten dit
begrip echter met de nodige omzichtigheid hanteren. Fonetische afstand houdt immers altijd
een zekere mate van subjectiviteit in. Afhankelijk van het fonologische systeem van de
moedertaal (T1) zullen bepaalde klanken uit een andere taal (T2) als meer of minder vreemd
voorkomen. Klanken die men ook in de moedertaal kent, zullen volgens de taalgebruiker een
kleinere fonetische afstand tot T1 vertonen dan klanken die men niet kent in de moedertaal.
Het begrip fonetische afstand krijgt dus vorm vanuit de taalachtergrond van de taalgebruiker.
Samenvattend formuleer ik hieronder de twee onderzoeksvragen waaruit ik zal vertrekken om
de invloed van de factor ‘primair vs. secundair’ na te gaan:
(a) Welke kenmerken worden eerder verworven: kenmerken met een ruime geografische
verspreiding (vaak secundaire kenmerken) of geografisch beperkte kenmerken ( vaak
primaire kenmerken)?
(b) Worden dialectelementen die een grote fonetische afstand vertonen tot hun equivalente
elementen in T1, en daardoor vaak relatief opvallend zijn (dikwijls primaire kenmerken),
minder snel verworven dan die met een geringere fonetische afstand (vaak secundaire
kenmerken) of omgekeerd?
1.4 Authenticiteit van het dialect aangeboden door de peer group
In dit hoofdstuk werd reeds gewezen op het belang van het taalaanbod van de peer group.
Hoppenbrouwers (1990: 74) wijst op het belang van peer groups voor de evoluties in het
dialect van jongeren:
“De scholen voor voortgezet onderwijs dragen enerzijds bij aan de opleiding en vorming van hun
leerlingen. Anderzijds zijn het ‘ontmoetingsplaatsen’ waar opgroeiende jongeren elkaar dagelijks treffen. In
en door het intensieve onderlinge contact, los van ouders en docenten, ontstaat hier de peer group. De peer
group kenmerkt zich van andere leeftijdsgroepen door gemeenschappelijke opvattingen en gedragingen.
(…) In de literatuur wordt de afnemende invloed van de ouders in verband gebracht met de groeiende
invloed die de peers op elkaar blijken te hebben.”
9
Jongeren die thuis in het lokale dialect of in een min of meer dialectisch gekleurde tussentaal
zijn opgevoed, ontwikkelen volgens Hoppenbrouwers (1990: 77) binnen hun peer group vaak
een eigen regionale taalvariëteit.
Ook in het Maldegemse onderzoek is het concept ‘peer group’ van belang. De lokale
taalvariëteit die bij de in het Maldegems opgevoede leeftijdgenoten ontstaat, vormt immers
een belangrijk deel van het taalaanbod voor de jongeren die het lokale dialect niet als T1
hebben verworven. Natuurlijk zijn de leeftijdgenoten (peer group) niet de enigen die zorgen
voor het taalaanbod dat ‘imperfect learners’ krijgen. Zij kunnen immers ook via hun familie
met het lokale dialect in contact komen. Toch is het interessant om op basis van een
controlegroep na te gaan in hoeverre het dialect aangeboden door de peer group nog
authentiek is.
Ervan uitgaande dat het dialect van de Maldegemse peer groups tot op zekere hoogte
nivellering ondergaan heeft, formuleer ik een laatste hypothese:
Fonologische dialectkenmerken die binnen de peer group regressief zijn, zullen niet of in zeer
geringe mate door de ‘imperfect learners’ verworven worden. Kenmerken die echter binnen
de peer group geen of slechts weinig regressie vertonen en dus nog vrij productief zijn,
worden gemakkelijker verworven.
Ten slotte wil ik met betrekking tot de vier besproken variabelen (zie 1.1, 1.2, 1.3 en 1.4) nog
wijzen op een mogelijk probleem in het onderzoek. Theoretisch bestaat de mogelijkheid dat
alle factoren in dezelfde richting wijzen. Eerder in dit artikel (1.3) werd aangetoond dat er
sterke parallellen bestaan tussen respectievelijk het onderscheid primair-secundair en het
onderscheid lexicaal-postlexicaal. In tabel 1 geef ik een overzicht van de mogelijke parallellen
tussen de verschillende onafhankelijke variabelen.
Tabel 1: mogelijke parallellen tussen de verschillende onafhankelijke variabelen.
Wijzen mogelijk in dezelfde richting: Wijzen mogelijk in dezelfde richting:
geringe mate van intersystematiciteit vs. grote mate van intersystematiciteit
lexicaal vs. postlexicaal
primair vs. secundair
geringe geografische verspreiding vs. grote geografische verspreiding
grote fonetische afstand vs. kleine fonetische afstand
regressief in de peer group vs. productief in de peer group
In het vervolgonderzoek zal dit probleem worden opgevangen door een geschikte
(statistische) methode te gebruiken bij het verwerken van de gegevens. Door middel van
variantie-analyse zal ik onderzoeken of de invloed van een bepaalde variabele op de mate van
dialectverwerving statistisch significant is. Tevens kan dan nagegaan worden welke factor de
grootste invloed uitoefent.
2. Plaats en werkwijze
2.1. Geografische situering van het onderzoek
Het onderzoek werd uitgevoerd in Maldegem, een grote gemeente (10.631 ha) met in haar
centrale kern 11.930 inwoners. De gemeente ligt in het noordwesten van Oost-Vlaanderen. De
kern situeert zich zo’n 4 km ten zuiden van de rijksgrens en ongeveer 4 km ten oosten van de
grens met West-Vlaanderen. De gemeente Maldegem (22.074 inwoners) bestaat uit
Maldegem-centrum (11.930 inwoners) en vier deelgemeenten: Adegem (5.864 inwoners),
10
Middelburg (589 inwoners), Kleit (2.585 inwoners) en Donk (1.106 inwoners). De dialecten
van de deelgemeenten verschillen onderling van elkaar en van dat van Maldegem-centrum.
Adegem heeft een uitgesproken Oost-Vlaams dialect; het dialect van Donk daarentegen neigt
meer naar het West-Vlaams en dat van Middelburg vertoont een aantal Zeeuws-Vlaamse
kenmerken. Het dialect van Kleit sluit nog het dichtst aan bij dat van Maldegem-centrum,
maar is soms een beetje Oost-Vlaamser (Taeldeman 1966). In het onderzoek werd uitsluitend
gewerkt met informanten die in Maldegem-centrum wonen en daar onderwijs volgen.
Maldegem is een landelijke gemeente met een dichtbebouwde kern. Voor de meeste
faciliteiten hoeven inwoners van Maldegem de gemeente niet te verlaten: er zijn talrijke
warenhuizen, een groot aantal sportclubs en verschillende culturele verenigingen. Industrie is
er vrij sterk vertegenwoordigd. Bovendien heeft Maldegem-centrum twee grote middelbare
scholen: een katholieke school en een school van het gemeenschapsonderwijs7. Het is vaak
pas na hun achttiende dat jongeren Maldegem verlaten voor verder onderwijs in een van de
omliggende steden (o.a. Gent en Brugge).
Zoals gezegd heeft Maldegem op fonologisch gebied een opvallend overgangsdialect
tussen aangrenzende Oost- en West-Vlaamse dialecten. Het heeft verder een aantal heel eigen
primaire fonologische kenmerken ontwikkeld (Versieck 1989: 4-10). Voorbeelden daarvan
zijn de hypercorrecte ronding van [e.] tot [O.] vóór een niet-velaire consonant (bv.
[prO.s] ‘prijs’; [mO.n] ‘mijn’); rekking van de vocaal vóór (achteraf wegvallende) /l/ +
consonant of in de coda (bv. [mQ4˘k] ‘melk’; [bA˘] ‘bal’) en de systematische ontronding
van alle palatale vocalen, behalve intermediaire [O.] (bv. [mi.r] ‘muur’; [brE3.h´]
‘brug’).
2.2. Werkwijze
In een eerste fase van het onderzoek werd een vragenlijst opgesteld die peilt naar de uitspraak
van 260 woorden. De vragenlijst is vooral gericht op het vocaalsysteem van het Maldegemse
dialect. Er wordt gepeild naar zo’n 24 fonologische kenmerken, die samen het fonologische
kader van het Maldegemse dialect vormen. Bij het opstellen van die woordenlijst heb ik
rekening gehouden met de verschillende onafhankelijke variabelen waarvan ik de invloed wil
onderzoeken. Er is dus voor gezorgd dat er in de vragenlijst zowel dialectkenmerken
opgenomen zijn met een zwakke als met een sterke intersystematiciteit (1.1), zowel
kenmerken die teruggrijpen op lexicale regels als kenmerken die resulteren uit postlexicale
regels (1.2), zowel kenmerken die geografisch beperkt zijn (primair) als kenmerken met een
ruime geografische distributie (secundair) (1.3) en zowel kenmerken die in fonetisch opzicht
ver van de standaardtaal afstaan (primair) als kenmerken die veel dichter bij het AN staan
(secundair) (1.3).
Er moet hier wel worden opgemerkt dat al deze kenmerken (behalve lexicaal-
postlexicaal) niet abrupt maar gradueel zijn. Ze moeten worden geplaatst op een continuüm.
Er zijn dus geen strikte grenzen te trekken tussen bijvoorbeeld primaire en secundaire
kenmerken. Toch streef ik in mijn onderzoek naar zo objectief mogelijke criteria om
dialectkenmerken te ‘classificeren’.
In een tweede fase van het onderzoek heb ik via schriftelijke enquêtes geschikte
informanten gezocht. In die vragenlijst werd geïnformeerd naar een aantal persoonlijke
gegevens, zoals naam, geslacht en leeftijd. Verder werd gevraagd naar de herkomst van beide
ouders. Vervolgens moest men aanduiden in welke taalvariëteit men thuis was opgevoed.
7 Wat in België ‘gemeenschapsonderwijs’ wordt genoemd, is ongeveer hetzelfde als wat in Nederland ‘openbaar
onderwijs’ heet.
11
Daarbij kon men kiezen uit:
(a) het Algemeen (Standaard) Nederlands;
(b) tussentaal;
(d) het Maldegems dialect;
(e) een ander dialect dan het Maldegems: een West-Vlaams of een Oost-Vlaams dialect.
Jongeren die aangaven niet in het Maldegemse dialect te zijn opgevoed kwamen in
aanmerking om geselecteerd te worden voor de groep van ‘imperfect learners’. Zij moesten
dan wel aan het vereiste profiel beantwoorden: het is een constante dat alle informanten hun
hele leven in Maldegem hebben gewoond, er tot hun achttiende onderwijs hebben gevolgd en
dat zij in het AN of in tussentaal zijn opgevoed. Uiteindelijk werden 18 proefpersonen
geselecteerd. Ze zijn allen tussen de 15 en 20 jaar oud.
Naast een groep van jongeren die niet in het Maldegemse dialect zijn opgevoed, werden
nog 6 jongeren geïnterviewd die wel het lokale dialect als T1 verworven hebben en die uit
dezelfde leeftijdsgroep komen als de ‘imperfect learners’. Deze jongeren vormen een
controlegroep en representeren de ‘peer group’.
Het aantal informanten (18 en 6) is beperkt. Het betreft hier een vooronderzoek van een
grootschaliger onderzoek waarbij beide groepen uiteraard uitgebreid zullen worden. Pas bij
een groot aantal informanten is het ook zinvol om indelingen te maken volgens
onafhankelijke variabelen, zoals leeftijd, sekse of herkomst van de ouders. Verder zullen in
het vervolgonderzoek de informanten volgens strikter gescheiden leeftijdscategorieën
geselecteerd worden (respectievelijk 9, 12 en 15 jaar). De resultaten die in deze bijdrage
besproken worden, hebben een voorlopig karakter. Wegens het beperkte aantal informanten
kunnen alleen tendensen worden aangetoond.
In een derde fase vond bij de geselecteerde informanten een mondelinge enquête plaats.
De 260 woorden uit de vragenlijst werden geëliciteerd aan de hand van omschrijvingen van
de begrippen door de interviewer. Er werd aan de informanten gevraagd om de woorden uit te
spreken zoals zij dat zouden doen in een gesprek met Maldegems sprekende vrienden. Door
die vraagstelling heb ik waarschijnlijk te weinig naar hun werkelijke dialectkennis gepeild. In
vervolgonderzoek echter zal er uitdrukkelijk gevraagd worden om ‘zo goed mogelijk’
Maldegems dialect te spreken. Ik verwacht dan ook dat de resultaten van het uiteindelijke
onderzoek niet volledig zullen gelijklopen met de resultaten van het vooronderzoek.
Ten slotte vond de analyse van het opgenomen materiaal plaats. Een eerste stap daarbij
waren de fonetische transcripties van de opnames. Vervolgens werden de gegevens via een
statistisch programma (SPSS) verwerkt.
2.3. Verwerking van de resultaten
Voor elk van de 24 onderzochte features is berekend hoeveel procent van de informanten de
authentiek Maldegemse vorm realiseert, hoeveel procent de T1 (AN of tussentaal)-vorm,
hoeveel procent een Oost- of West-Vlaamse variant en hoeveel procent een hyperdialectisme.
De categorie ‘AN’ wordt hier geïnterpreteerd in ruime zin: ook standaardtalige vormen die
met een accent worden uitgesproken, worden ondergebracht in de categorie ‘AN’. Het gebeurt
immers slechts weinig dat men in Vlaamse gezinnen een taal hanteert die volledig de
standaardtaalnorm bereikt. Aangezien de herkomst van de ouders van de Maldegemse
proefpersonen onderling verschilde, omvat de categorie ‘AN’ zowel westelijk als oostelijk
getinte tussentaal.
Met hyperdialectismen bedoel ik realisaties die ontstaan zijn door de overgeneralisering
van fonologische regeltoepassingen. Sommige informanten passen bijvoorbeeld de typisch
Maldegemse hypercorrecte ronding van [e.] tot [O.] ook toe wanneer die vocaal vóór een
velaire of laryngale consonant staat (bv. [fO.ƒ´] i.p.v. [fe.ƒ´] voor ‘vijg’).
12
De volgende tabel probeert het bovenstaande aan de hand van een voorbeeld wat
overzichtelijker te maken.
Tabel 2: AN [Ei] Æ DIA [e.]
Categorie Code* Absoluut aantal
(N)
Relatief aantal (%)
Maldegems [e.]; bv. [le.k] = lijk 1 52 48,1
AN [Ei]; bv. [lEik] = lijk 2 34 31,5
Oost-Vlaams [E3.]; bv. [lE3.k] = lijk 5 4 3,7
hyperdialectisme [i´.]; bv. [li´.k] = lijk 7 15 13,9
hyperdialectisme [O.]; bv. [lO.k] = lijk 8 3 2,8
108 100,0
(0 ontbrekende gevallen; 18 geldige gevallen)
*Code: Aan elk woord uit de vragenlijst is een aparte numerieke code gegeven die de precieze
realisatie van het onderzochte foneem weergeeft. Er zijn standaardcodes opgesteld van 1 tot 10,
waarbij: 1 = Maldegems; 2 = AN; 3 = andere (niet gedefinieerde) vorm; 4 = andere (niet gedefinieerde)
vorm; 5 = Oost-Vlaams; 6 = West-Vlaams; 7-8-9-10 = hyperdialectisme (voor één fonologisch
kenmerk kwamen soms verscheidene hyperdialectismen voor).
Tabel 2 toont de gemiddelden voor een van de onderzochte fonologische features van het
Maldegemse dialect, namelijk dat AN [Ei] vóór een velaire of laryngale consonant (bv. in
‘rijk’) in het Maldegems [e.]wordt. Uit de tabel kunnen we afleiden dat er op de 18
transcripties 108 gevallen zijn waarin deze regel van toepassing kan zijn. In 52 van de 108
gevallen of in 48,1 % van die gevallen werd de Maldegemse variant [e.] gerealiseerd.
Verder zien we in de tabel hoeveel keer (absoluut en relatief) de andere fonologische
realisaties van dit feature in de transcripties voorkomen (34 maal de AN-vorm, 4 maal de
Oost-Vlaamse realisatie, 15 maal het hyperdialectisme [i´.] en 3 maal het hyperdialectisme
[O.]).
In de volgende paragrafen zal ik enkel de gemiddelden bespreken voor [+ Maldegems]. Ik
zal dus uitgebreid ingaan op de mate waarin bepaalde kenmerken van het Maldegems door de
‘imperfect learners’ verworven zijn. De aard van de mismatches (o.a. AN, Oost-Vlaams,
West-Vlaams of hyperdialectisme) wordt in dit artikel verder niet besproken.
Ik zal steeds de gemiddelde score van een bepaald Maldegems feature (bv. realisatie van
[O.] in woorden als ‘prijs’, ‘zwijn’) vergelijken met de score van een ander Maldegems
feature (bv. realisatie van [O.] in woorden als ‘huis’, ‘muil’). Daarom heb ik numerieke
waarden opgesteld die de verschillende mogelijkheden representeren voor elke onafhankelijke
variabele (bv. 3 staat voor een zeer sterke, 0 voor een heel zwakke intersystemische
correspondentie).
Om de in sectie 1 geformuleerde hypothesen te toetsen, heb ik telkens features vergeleken
die ‘matching values’ hebben voor alle behalve één factor; m.a.w. features die minimale paren
vormen. Met deze werkwijze wordt de invloed van één variabele geïsoleerd door de waarden
voor de andere variabelen constant te houden. Ik zal dit verduidelijken met een voorbeeld:
Het feature ‘AN y] Æ DIA [O.]’ (bv. [høys] ‘huis’ Æ[O.s]) heeft voor de vijf
onderzochte factoren (resp. intersystematiciteit tussen T1 en T2, lexicaal-postlexicaal,
geografische verspreiding, fonetische afstand en regressief-productief in de peer group)
de volgende waarden: 3 L 0 2 3 (waarbij L staat voor lexicaal). Dit feature kan vergeleken
13
worden met een feature dat voor vier van die vijf variabelen dezelfde waarden heeft. Dat
geldt bijvoorbeeld voor het kenmerk ‘AN [Ei] Æ DIA [e.] vóór een velaire
consonant’ (bv. [rEik] ‘rijk’ Æ[re./´]) dat de volgende waarden heeft: 2 L 0 2 3.
Deze twee features hebben enkel een verschillende waarde voor de mate van
intersystematiciteit (resp. 3 en 2). De invloed van deze factor op dialectverwerving kan
dus onderzocht worden door na te gaan welk van de twee kenmerken het hoogste scoort
voor [+ Maldegems].
In verband met deze numerieke codes, dient te worden opgemerkt dat zo’n codering in zekere
mate subjectief is. Er zijn immers geen objectieve criteria om de grens vast te leggen tussen
bijvoorbeeld een zeer grote intersystemische correspondentie en een relatief grote
correspondentie. Door een systeem van codering aan te wenden, was ik toch verplicht om
grenzen te trekken. Hieronder bespreek ik waarop ik mij heb gebaseerd om per variabele
grenzen te bepalen. Per variabele wordt ook de betekenis van de verschillende codes
besproken.
2.3.1. Intersystemische correspondentie tussen T1 en T2
Om de onderzochte dialectkenmerken te kunnen indelen naar de mate van intersystematiciteit,
werden de waarden 0, 1, 2 en 3 aan de kenmerken toegekend (zie ook tabel 4). Voor het
toekennen van de waarden heb ik mij gebaseerd op de frequentie waarmee de
correspondentieregels8 zich manifesteren in het Maldegemse dialect. Sommige fonologische
regels zijn immers regelmatig en nog steeds productief en komen bijgevolg in een zeer groot
aantal woorden voor, terwijl andere regels beperkt zijn tot een zeer klein aantal woorden.
Hieronder wordt beschreven wat de verschillende waarden precies inhouden.
Waarde 3 is toegekend aan die fonologische features waarbij er tussen T1-element x en
T2-element y een zeer sterke correspondentie bestaat. Dat betekent dat in bijna alle lexemen
AN-segment x in het Maldegemse dialect als y wordt gerealiseerd. Er zijn met andere
woorden (bijna) geen uitzonderingen op die horizontale correspondentieregel. Een voorbeeld
uit het Maldegemse dialect is de open realisatie van AN [I] als DIA [E3.](bv. [kE3.n´]
‘kin’). Deze regel is erg productief, d.w.z. dat de regel zelfs wordt toegepast in woorden die
oorspronkelijk niet in het dialect voorkwamen, maar die vanuit het AN zijn geïmporteerd.
Waarde 2 is toegekend in het geval van zware reeksvorming. Dit betekent dat AN-
element x in een groot aantal lexemen DIA-element y wordt en dat er op die
correspondentieregel slechts een bepaald aantal uitzonderingen zijn. De correspondentieregel
AN [Ei] Æ DIA [e.] doet zich voor in een groot aantal lexemen, maar er is ook een reeks
woorden waarin AN [Ei] vóór een velaire consonant DIA [i´.] wordt (bv. in ‘reiken’,
‘eik’, ‘dreigen’). Hoe AN [Ei] vóór een velaire consonant zich in het Maldegemse dialect
manifesteert, is minder goed voorspelbaar. Aan deze regel wordt dan ook een 2 toegekend
voor intersystemische correspondentie.
Waarde 1 is toegekend aan correspondentieregels die slechts in een zeer beperkte reeks
lexemen van toepassing zijn. Er is dan sprake van zwakke reeksvorming. Een voorbeeld: AN
[o˘] wordt in een beperkte reeks lexemen (o.a. vogel, boter, molen, zoon, koning, honing,
blozen, door en noot) als Maldegems [O.] gerealiseerd.
8 De (horizontale) correspondentieregels hebben altijd het AN als uitgangspunt: hoe wordt T1/AN-element x in
het Maldegemse dialect gerealiseerd? De regels hebben dus betrekking op de intersystemische correspondentie
tussen x en T2/DIA-element y.
14
Waarde 0 betekent dat er geen intersystemische correspondentie bestaat tussen T1 en T2.
Dit is het geval bij echte lexicale uitzonderingen. Een voorbeeld daarvan uit het Maldegems is
[tQ4m] voor AN ‘tam’ (vs. Maldegems [kAm] ‘kam’, [lAm] ‘lam’). Het betreft hier een
uniek lexicaal fenomeen.
Eerder in dit artikel werden de eigenschappen van postlexicale regels beschreven. Een
van die eigenschappen is dat postlexicale regels geen lexicale uitzonderingen hebben. Het
spreekt dan ook vanzelf dat de postlexicale kenmerken in het onderzoek nooit waarde 0
krijgen. Meer nog, alle onderzochte postlexicale fenomenen hebben waarde 3 voor de mate
van intersystematiciteit (zie tabel 4).
2.3.2. Lexicale regel vs. postlexicale regel
Om de dialectkenmerken te coderen voor het onderscheid lexicaal-postlexicaal werden geen
numerieke codes gebruikt, maar werden de labels L ( = lexicaal) en PL ( = postlexicaal)
toegekend (zie tabel 4) . Onder 1.2. werd dit onderscheid al uitvoerig besproken. We komen
er hier nog even op terug en illustreren met voorbeelden uit het Maldegems.
Lexicale regels zijn fonologische regels die opereren op het onderliggende fonologische
niveau. De volgende Maldegemse correspondentieregel is een voorbeeld van een lexicale
regel: AN y] Æ DIA [O.] aangezien bijvoorbeeld AN [høys] en DIA [O.s] van
elkaar verschillen op het niveau van de onderliggende vorm. De fonemen die in het mentale
(onderliggende) fonologische systeem van een Maldegemse native speaker een aparte plaats
bezetten, zijn in principe het resultaat van lexicale regels. Een eigenschap van lexicale regels
is dat ze lexicale uitzonderingen kunnen hebben. Dat is ook bij de bovenstaande regel het
geval. Een voorbeeld van zo’n lexicale uitzondering is ‘fornuis’ dat in het Maldegems niet
wordt uitgesproken als [fornO.s], zoals men zou verwachten, maar als [fornQ4i.s].
Een andere uitzondering op bovenstaande regel is ‘spuiten’, dat in het Maldegems wordt
uitgesproken als [spQ4i.tn«] of [spi´.tn«].
Postlexicale regels zijn fonologische regels die resulteren in verschillende fonetische
oppervlakterealisaties van eenzelfde onderliggende vorm; ze zijn dus allofonisch. De
correspondentieregel die ervoor zorgt dat AN [bAl] in het Maldegemse dialect [bA˘]
wordt (met deletie van de /l/ in de coda en rekking van de voorafgaande vocaal) is een
voorbeeld van een postlexicaal fenomeen, aangezien de verandering geconditioneerd wordt
door de context. Deze vocaalrekking en deletie van /l/ gebeurt immers ‘als er niet direct een
vocaal volgt op de /l/’. Aangezien het diminutief ‘balletje’ in het Maldegems wordt
gerealiseerd als [bA.l´k´] (met korte vocaal) weet de native speaker van het Maldegems
dat er in [bA˘] onderliggend een korte vocaal + /l/ aanwezig is. Die onderliggende vorm
‘korte V + /l/’ is opgeslagen op het lexicale niveau, maar de vocaalrekking gebeurt op
postlexicaal niveau. Verder is het eigen aan postlexicale regels dat ze kunnen opereren over
woordgrenzen heen. Dat is ook het geval bij de /l/-deletie in het Maldegems. In de zin “Ik wil
een bal kopen” bijvoorbeeld, wordt /l/-deletie toegepast over de woordgrens heen en krijg je
dus: [kwE3.l´n´mbA˘ku´.pm«]. Ook het feit dat /l/-deletie in het Maldegems nog steeds
productief is, is kenmerkend voor postlexicale regels. De regel wordt immers ook toegepast in
eigennamen (bv. ‘Els’ [Q4˘s], ‘Michiel’ [mi.xi˘]) en zelfs in recentere namen van
merken of winkelketens (bv. ‘Aldi’ [A˘di.]).
15
2.3.3. Primaire vs. secundaire kenmerken
2.3.3.1. Geografische verspreiding
Een eerste kenmerk op basis waarvan we primaire en secundaire kenmerken van elkaar
kunnen onderscheiden is de mate van geografische distributie van kenmerken. Volgens
Schirmunski (1930) worden primaire kenmerken over het algemeen gekarakteriseerd door een
geringe geografische verspreiding, terwijl secundaire kenmerken veelal ruimer verspreid zijn.
Voor de factor geografische verspreiding werden de numerieke codes 0, 1 en 2 toegekend
(zie tabel 4). Het toekennen van de codes voor deze variabele gebeurde op grond van
bestaande dialectkaarten (cf. F.A.N.D. 1998).
Waarde 2 is toegekend aan fonologische features met een zeer ruime geografische
verspreiding. Een voorbeeld is de open uitspraak van AN //,// en //. Dit kenmerk is
immers verspreid over heel West-Vlaanderen en westelijk Oost-Vlaanderen. De ruime
geografische verspreiding van dit kenmerk zorgt ervoor dat taalgebruikers zich er vaak niet
van bewust zijn dat het toch om een dialectkenmerk gaat. Die lage graad van bewustzijn is
karakteriserend voor secundaire dialectkenmerken.
De dialectkenmerken die zich verspreiden over een niet al te groot gebied krijgen
waarde 1 (‘matig verspreid’). Een voorbeeld is de realisatie van AN [k] als Maldegems [/]
tussen een vocaal en een sonorant element (bv. [dE3./´] ‘dik’; [nmb.mc.] ‘een
bak maken’); dit kenmerk vinden we naast het Maldegems ook nog in een aantal West-
Vlaamse dialecten terug.
Waarde 0 geldt voor kenmerken die (bijna) uitsluitend beperkt zijn tot het Maldegemse
dialect. Door hun zeer beperkte verspreiding zijn die kenmerken ook de meest karakteristieke
van dat dialect. Taalgebruikers (vooral die van omliggende gebieden en verwante dialecten)
zijn zich in hoge mate van deze kenmerken bewust. Het betreft vaak primaire kenmerken. Een
voorbeeld uit het Maldegems is de hypercorrecte ronding van AN [Ei] tot [O.] (bv.
[prO.s] ‘prijs’). Het Maldegemse dialect wordt door bewoners van omliggende streken
vaak gestigmatiseerd met het zinnetje: “veuvenveuftig euzderen veuz’n” (= vijfenvijftig
ijzeren vijzen9). In die uitspraak wordt precies de hypercorrecte ronding van [Ei] tot [O.]
weergegeven.
2.3.3.2. Fonetische afstand tussen T1-element x en T2-element y
In 1.3. is al gewezen op de relativiteit van het begrip ‘objectieve’ fonetische afstand. Het is
erg moeilijk om de afstand tussen verschillende klanken ‘objectief’ te meten. Toch heb ik
waarden voor fonetische afstand aan de dialectkenmerken toegekend op basis van de
featurefrequentie-methode (zie ook Cucchiarini 1993). Aan de hand van deze methode
vergelijk ik een foneem van T1 met zijn tegenhanger in T2. Daarbij wordt het aantal
distinctieve features geteld waarvoor de twee fonemen verschillende waarden hebben. Ter
illustratie is deze methode hieronder uitgewerkt voor twee fonologische alternanties van het
Maldegems.
9 Vijzen = schroeven.
16
vb. (i) Palatalisatie van AN [o˘] tot DIA [O.]
AN [o] DIA [O.]
+achter +voor
+hoog, niveau 2 (halfgesloten) + hoog, niveau 2 (halfgesloten)
+gerond +gerond
+lang +halflang
diftong diftong
De twee fonemen hebben verschillende waarden voor twee distinctieve kenmerken. Ten
eerste is er een fonetisch verschil tussen de twee fonemen op de voor/achter-dimensie. De
AN-klank wordt achteraan in de mond uitgesproken, de dialectklank daarentegen
vooraan. De fonetische afstand die zich op deze dimensie manifesteert, wordt gecodeerd
als 1. Ten tweede is er een verschil in de lengte van de twee fonemen. De AN-klank is
lang, de dialectklank is halflang. Alle vocalen worden immers halflang in het Maldegems;
de lange vocalen worden iets korter uitgesproken en de korte iets langer. Een fonetisch
verschil tussen [lang] en [kort] zou gerekend worden als een ‘volle’ waarde (1), maar
aangezien het hier gaat om [lang] en [halflang], telt deze fonetische afstand slechts voor
½. Wanneer we alle berekende waarden voor fonetische afstand bij elkaar optellen,
krijgen we dus een afstand van 1 ½ (1,5) tussen AN [o˘] en DIA [O.].
vb. (ii) Ontronding van AN [Y] tot DIA [.]
AN [Y] DIA [.]
+centraal (voor, achter) +voor
+hoog, niveau 1 (gesloten) +laag, niveau 2 (halfopen)
+gerond +gespreid
+kort +halflang
diftong diftong
De twee fonemen hebben verschillende waarden voor vier distinctieve kenmerken. Ten
eerste is er een fonetisch verschil op de voor/achter-dimensie tussen [centraal] en [voor].
Dit verschil wordt gecodeerd als ½. Ten tweede is er een hoogteverschil ter waarde van 1.
Ten derde is er een verschil in de beweging van de lippen: [gerond] vs. [gespreid]. Ook
deze afstand telt als 1. Ten slotte is er een klein lengteverschil tussen resp. [kort] en
[halflang]. Dit telt als ½. Deze afstanden resulteren samen in een afstand van 3.
Tabel 4 bevat de waarden voor de fonetische afstand van alle onderzochte dialectkenmerken.
De waarden variëren van 0,5 ( = zeer kleine fonetische afstand) tot 3 ( = zeer grote fonetische
afstand).
De methode van featurefrequenties is in zekere mate een ‘objectieve’ manier om de
fonetische afstand tussen twee klanken te meten. Toch doen er zich een aantal problemen voor
bij deze methode. In principe gaat men er in deze methode vanuit dat alle verschillen tussen
distinctieve kenmerken evenwaardig zijn. Het is echter niet vanzelfsprekend dat elk fonetisch
verschil in dezelfde mate determinerend is voor de fonetische afstand tussen twee fonemen.
Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een verschil op de voor/achter-dimensie ervaren wordt als
een groter verschil dan een verschil op de dimensie hoog/laag (cf. Cucchiarini 1993: 96). Een
tweede probleem doet zich voor bij het berekenen van de fonetische afstand tussen twee
diftongen. De waarde voor een bepaald feature kan bij een diftong immers veranderen tijdens
de verglijding.
17
2.3.4. Regressie van het feature binnen de peer group
De controlegroep is in het vooronderzoek vrij beperkt gebleven; slechts 6 native speakers van
het Maldegemse dialect vertegenwoordigen de peer group. Elk dialectkenmerk heeft wel
meerdere attestaties in de enquête, dus ondanks het kleine aantal informanten, zijn de
gegevens nog vrij uitgebreid.
In tabel 3 geef ik een overzicht van de absolute en relatieve scores die de controlegroep
behaald heeft voor de ‘mate van authenticiteit’. De scores staan in afnemende volgorde. De
mate van regressie wordt uitgedrukt in de laatste kolom door middel van codes. In de tabel
zien we dat de resultaten duidelijk uiteenvallen in vier groepen:
-kenmerken die 86,7 % en meer scoren (code 3)
-een kenmerk dat rond de 73,3 % scoort (code 2)
-kenmerken die tussen de 51,9 % en 58,3 % scoren (code 1)
-een kenmerk dat 5,6 % of lager scoort (code 0)
Waarde 3 is dus toegekend aan dialectkenmerken die bij de controlegroep een gemiddelde
behalen van meer dan 86,7 %. Deze kenmerken zijn in principe niet regressief. Een
voorbeeld is de Maldegemse realisatie van AN [a˘] als [ç2c.] (bv. [vç2c.d´r] ‘vader’).
Kenmerken die in de controlegroep een geringe mate van regressie vertonen, zoals de
Maldegemse realisatie [I4.r] voor AN [r], krijgen waarde 2.
Waarde 1 geldt voor die kenmerken die in de controlegroep vrij sterk regressief zijn. Een
voorbeeld is de Maldegemse ontronding van [Y] tot [E3. ] (bv. [mE3.ntS´] ‘muntje’).
Slechts in 35 van de 68 attestaties van dit kenmerk werd de Maldegemse variant gerealiseerd
(zie tabel 3).
Kenmerken die in de controlegroep uiterst laag scoren, krijgen waarde 0 (‘hoogst
regressief’). Een voorbeeld is de ontronding van AN [y()] tot DIA [i.]. Dit primair
kenmerk van het Maldegems vindt men in het dialect van de jongere generatie native speakers
bijna niet meer terug. Dit dialectkenmerk is dan ook al een aantal jaren sterk op de terugweg
(Versieck 1989: 189).
18
Tabel 3: absolute en relatieve scores voor ‘mate van authenticiteit’ bij de controlegroep.
Fonologisch dialectkenmerk Totaal aantal attestaties
van het kenmerk (N)
Absoluut aantal attestaties
van [+Maldegems]
(+ scores in %)
Code voor
mate van
regressie
AN Æ DIA ç2c.
60 60 (100 %) 3
AN øy Æ DIA O.
42 42 (100 %) 3
AN + r + alveolaire C Æ DIA ç2c. + r + alv. C
30 30 (100 %) 3
AN Lange V Æ DIA halflange V
12 12 (100 %) 3
Rekking en nasalering V + deletie n + s/z
6 6 (100 %) 3
AN Æ DIA i´
54 53 (98,1 %) 3
AN çu Æ DIA Au
48 47 (97,9 %) 3
AN çu Æ DIA Ai
36 35 (97,2 %) 3
AN V + k + [+son] Æ DIA V + / + [+son]
30 29 (96,7 %) 3
Rekking V + deletie l in coda of vóór C
120 115 (95,8 %) 3
AN Æ DIA u´
48 46 (95,8 %) 3
AN Ei Æ DIA i´
42 40 (95,2 %) 3
AN Ei Æ DIA e.
36 34 (94,4 %) 3
Ronding van E3i tot O.
48 45 (93,8 %) 3
AN Ei Æ DIA Q4i
60 56 (93,3 %) 3
Palatalisatie van AN tot DIA O.
30 28 (93,3 %) 3
AN r + alveolaire C Æ DIA I4. r + alveolaire
C
30 26 (86,7 %) 310
AN r Æ DIAI4. r
30 22 (73,3 %) 2
Ontronding van Y tot E3.
60 35 (58,3 %) 1
Palatalisatie en ontronding van ç tot E3. 48 25 (52,1 %) 1
Ontronding van y tot i.
36 2 (5,6 %) 0
10 In de vragenlijst werd het kenmerkAN r + alveolaire C Æ DIA I4.r + alveolaire C’ opgevraagd aan de hand van 5
woorden. Een van die woorden echter bleek voor de meeste proefpersonen onbekend te zijn, nl. ‘vaars’ (= jonge koe).
Doordat zij het woord niet kenden, was ik genoodzaakt het woord voor te zeggen in het AN. Dit was van invloed op de
resultaten. De lagere score voor het kenmerk valt vooral hierdoor te verklaren. Daarom werd aan dit kenmerk toch het label
‘niet regressief (3)’ toegekend.
19
Tabel 4: absolute en relatieve scores voor ‘mate van authenticiteit’ bij de imperfect learners.
Primair vs. Secundair
Fonologisch
dialectkenmerk
Totaal
aantal
attestaties
van het
kenmerk
(N)
Absoluut
aantal
attestaties van
[+Maldegems]
(+ scores in %)
Correspondentie
T1 ~ T2
Lexicaal/
Post-
lexicaal
Geografische
verspreiding
Fonetische
afstand
T1 ~ T2
Mate van
regressie
in peer
group
AN Lange V Æ
DIA halflange V
36 27 (75,0 %) 2 L 2 0,5 3
AN Æ DIA i´ 161 119 (74,1 %) 2 L 2 2 3
AN Æ DIA ç2c 176 129 (73,3 %) 3 L 2 2,5 3
AN V + k
+ [+son] Æ DIA
V + / + [+son]
89 64 (72,2 %) 3 PL 1 1 3
Rekking en
nasalering V +
deletie n + s/z
17 12 (72,2 %) 3 PL 1 2 3
AN øy Æ DIA O 124 87 (69,8 %) 3 L 0 2 3
AN + r +
alveolaire C Æ
DIA ç2c + r + alv.
C
90 62 (68,9 %) 1 L 2 2,5 3
AN Æ DIA u´ 142 95 (66,7 %) 2 L 1 2 3
Rekking V +
deletie l vóór C
of aan woordeinde
351 206 (58,6 %) 3 PL 0 1 3
AN + r Æ DIA
I4 + r
90 50 (55,6 %) 2 L 2 0,5 2
Ronding van E3i
tot O
144 79 (54,9 %) 2 L 0 3 3
AN + r +
alveolaire C Æ
DIA I4 + r + alv. C
87 47 (54,4 %) 1 L 2 1,5 3
AN çu Æ DIA Ai 108 58 (53,7 %) 1 L 0 3 3
Palatalisatie van
AN tot DIA O.
89 45 (51,1 %) 1 L 1 1,5 3
AN Ei Æ DIA e. 108 52 (48,1 %) 2 L 0 2 3
AN Ei Æ DIA Q4i 176 77 (43,9 %) 1 L 1 1 3
Ontronding van Y
tot E3
180 72 (40,0 %) 3 L 0 3 1
AN Ei Æ DIA i´ 126 50 (39,7 %) 1 L 1 2 3
AN çu Æ DIA Au 143 55 (38,2 %) 2 L 0 1 3
Palatalisatie en
ontronding van ç
tot E3
143 43 (29,9 %) 1 L 0 2,5 1
Ontronding van y
tot i
108 2 (1,9 %) 2 L 0 1,5 0
20
3. Resultaten
In deze sectie bespreek ik de resultaten van het onderzoek naar dialectverwerving bij
imperfect learners en meer bepaald naar de invloed van de vijf besproken factoren. De in
sectie 1 geformuleerde hypothesen en vraagstellingen zullen worden getoetst aan de
resultaten. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de resultaten voorlopig enkel tendensen
aan het licht kunnen brengen. In het vervolgonderzoek zal het aantal proefpersonen veel
uitgebreider zijn, waardoor de resultaten betrouwbaarder zullen worden.
Tabel 4 biedt een overzicht van de absolute en gemiddelde scores voor [+Maldegems] bij
de imperfect learners. Deze scores geven dus aan in welke mate imperfect learners de
authentiek Maldegemse klanken verworven hebben. De dialectkenmerken staan in afnemende
volgorde. Er zijn 21 kenmerken van het Maldegems in de tabel opgenomen. Die kenmerken
zijn in de opeenvolgende kolommen gecodeerd voor de vijf variabelen die we in het
onderzoek betrekken.
Zoals onder 2.3. werd gezegd, wordt de invloed van elke variabele op de verwerving van
dialectkenmerken onderzocht aan de hand van minimale paren van kenmerken. In tabel 4
komen in totaal 19 minimale paren voor. Hieronder zal ik per variabele de geattesteerde
minimale paren geven en op basis daarvan zal ik de invloed van de verschillende variabelen
nagaan.
3.1. Intersystemische correspondentie tussen T1 en T2
Er komen in tabel 4 in totaal vier minimale paren voor die contrastief zijn voor de variabele
intersystemische correspondentie. Het gaat om de volgende paren:
(a)
AN Æ DIA ç2c. 73,3 % 3L22,53
AN + r + alveolaire C Æ DIA ç2c + r + alv. C 68,9 % 1L22,53
(b)
AN øy Æ DIA O. 69,8 % 3 L 0 2 3
AN Ei Æ DIA e. 48,1 % 2 L 0 2 3
(c)
Ronding van E3i tot O. 54,9 % 2 L 0 3 3
AN çu Æ DIA Ai 53,7 % 1 L 0 3 3
(d)
AN Æ DIA u´. 66,7 % 2 L 1 2 3
AN Ei Æ DIA i´. 39,7 % 1 L 1 2 3
Hoewel het verschil in percentages erg gering is in (a) en (c), wijzen alle minimale paren in
dezelfde richting. Het gemiddelde voor de dialectkenmerken met de sterkere intersystemische
correspondentie tussen T1 en T2 is steeds hoger11 dan het gemiddelde voor kenmerken met
een zwakkere correspondentie. Hoewel de resultaten nog geen definitief uitsluitsel kunnen
geven, laten ze toch een tendens zien die de eerste hypothese bevestigt. Als de
11 Wegens het beperkte aantal informanten kan op grond van statistische significantietesten niet worden
vastgesteld of de resultaten significant zijn. Waarschijnlijk zal het groter aantal informanten in het
vervolgonderzoek deze significantietesten wel zinvol maken.
21
voorspelbaarheid tussen T1 en T2 (zeer) groot is, lijkt er een sterke correspondentieregel te
ontstaan, die de verwerving van het DIA-element bevordert.
3.2. Lexicale regel vs. postlexicale regel
In tabel 4 zijn geen voorbeelden beschikbaar van minimale paren die contrastief zijn voor de
variabele lexicaal-postlexicaal. Bijgevolg kunnen we in deze fase van het onderzoek nog geen
conclusies trekken in verband met de invloed van deze factor.
3.3. Primaire vs. secundaire kenmerken
3.3.1. Geografische verspreiding
In tabel 4 komen vijf minimale paren voor die contrastief zijn voor geografische verspreiding,
namelijk:
(a)
AN Æ DIA i´. 74,1 % 2 L 2 2 3
AN Æ DIA u´. 66,7 % 2 L 1 2 3
(b)
AN Æ DIA i´. 74,1 % 2 L 2 2 3
AN Ei Æ DIA e. 48,1 % 2 L 0 2 3
(c)
AN Æ DIA u´. 66,7 % 2 L 1 2 3
AN Ei Æ DIA e. 48,1 % 2 L 0 2 3
(d)
AN V + k + [+son] Æ DIA V + / + [+son] 72,2 % 3 PL 113
Rekking V + deletie l vóór C of in de coda 58,6 % 3 PL 013
(e)
AN + r + alveolaire C Æ DIA I4 + r + alv. C 54,4 % 1 L 21,53
Palatalisatie van AN tot DIA O. 51,1 % 1 L 11,53
De verschillen tussen de percentages van beide leden van de minimale paren zijn aanzienlijk,
behalve in (e). De vijf minimale paren vertonen dezelfde tendens: de dialectkenmerken met
een ruimere geografische verspreiding scoren de hoogste gemiddelden.
Onder 1.3. hebben we geen hypothese geformuleerd voor deze factor, maar gingen we uit
van de volgende vraagstelling: “Welke kenmerken worden eerder verworven: kenmerken met
een ruime geografische verspreiding (vaak secundaire kenmerken) of geografisch beperkte
kenmerken (vaak primaire kenmerken)?” Op basis van de bovenstaande gegevens kunnen we
een antwoord op deze vraag formuleren: kenmerken met een grote ruimtelijke verspreiding
(~ secundair) worden beter verworven worden dan die met een geringe verspreiding
(~ primair).
22
3.3.2. Fonetische afstand
Er komen negen minimale paren voor in tabel 4 die contrastief zijn voor fonetische afstand.
Het betreft de volgende paren:
(a)
AN Lange V Æ DIA halflange V 75,0 % 2 L 2 0,5 3
AN Æ DIA i´. 74,1 % 2 L 2 2 3
(b)
AN V + k + [+son] Æ DIA V + / + [+son] 72,2 % 3 PL 1 13
Rekking en nasalering V + deletie n + s/z 72,2 % 3 PL 1 23
(c)
AN + r + alveolaire C Æ DIA ç2c + r + alv. C 68,9 % 1 L 2 2,5 3
AN + r + alveolaire C Æ DIA I4 + r + alv. C 54,4 % 1 L 2 1,5 3
(d)
Ronding van E3i tot O. 54,9 % 2 L 0 3 3
AN Ei Æ DIA e. 48,1 % 2 L 0 2 3
(e)
Ronding van E3i tot O. 54,9 % 2 L 0 3 3
AN çu Æ DIA Au 38,2 % 2 L 0 1 3
(f)
AN Ei Æ DIA e. 48,1 % 2 L 0 2 3
AN çu Æ DIA Au 38,2 % 2 L 0 1 3
(g)
Palatalisatie van AN tot DIA O. 51,1 % 1 L 1 1,5 3
AN Ei Æ DIA Q4i 43,9 % 1 L 1 1 3
(h)
Palatalisatie van AN tot DIA O. 51,1 % 1 L 1 1,5 3
AN Ei Æ DIA i´. 39,7 % 1 L 1 2 3
(i)
AN Ei Æ DIA Q4i 43,9 % 1 L 1 1 3
AN Ei Æ DIA i´. 39,7 % 1 L 1 2 3
In de bovenstaande minimale paren manifesteert zich geen eenduidige tendens, zoals wel het
geval was bij intersystemische correspondentie en geografische distributie. Uit (a) en (b) kan
de invloed van de variabele fonetische afstand niet worden afgeleid, doordat beide leden van
het minimaal paar een (bijna) identieke score hebben. In (c), (d), (e), (f) en (g) is het steeds
het dialectkenmerk dat fonetisch het verst van de standaardtaal verwijderd is dat het beste
scoort. In de paren (h) en (i) daarentegen scoren de kenmerken met de kleinste fonetische
afstand beter.
Onder 1.3. formuleerde ik voor de factor fonetische afstand de volgende
onderzoeksvraag: “Worden dialectelementen die een grote fonetische afstand vertonen tot hun
equivalente elementen in T1, en daardoor vaak relatief opvallend zijn (dikwijls primaire
23
kenmerken), minder snel verworven dan die met een geringere fonetische afstand (vaak
secundaire kenmerken) of omgekeerd?” Op basis van de bovenstaande minimale paren lijkt de
omgekeerde situatie de meest waarschijnlijke te zijn. In vijf van de negen paren doet zich
immers die situatie voor: hoe groter de fonetische afstand tussen het dialectfoneem en zijn
equivalent in het AN, hoe beter het dialectkenmerk verworven wordt.
Ondanks deze lichte tendens, blijven de resultaten voor fonetische afstand ambigu.
Voorlopig kunnen dan ook geen conclusies getrokken worden over de invloed van fonetische
afstand op dialectverwerving. Mogelijk valt de ambiguïteit van deze resultaten te verklaren
vanuit de gebruikte methode. Hierboven werd er al op gewezen dat de featurefrequentie-
methode ervan uitgaat dat alle verschillen in distinctieve features even zwaar doorwegen.
Misschien mag dit niet zonder meer worden aangenomen. Daarom zal ik in het
vervolgonderzoek een betere methode trachten te vinden om de invloed van fonetische
afstand na te gaan. Ik kom hier later in dit artikel op terug.
3.3.4. Authenticiteit van het dialect aangeboden door de peer group
In tabel 4 komt slechts één minimaal paar voor dat contrastief is voor de variabele
‘productiviteit/regressie in de peer group’, namelijk:
(a)
AN Lange V Æ DIA halflange V 75,0 % 2 L 2 0,5 3
AN + r Æ DIA I4. + r 55,6 % 2 L 2 0,5 2
In het bovenstaande minimaal paar wordt mijn hypothese bevestigd: hoe productiever het
dialectkenmerk is in de peer group, hoe beter het wordt verworven. Uiteraard kunnen we op
basis van één minimaal paar geen conclusies trekken.
Samenvattend kunnen we stellen dat de methode waarin minimale paren met elkaar worden
vergeleken het tot op zekere hoogte mogelijk maakt om onderzoek te doen naar de invloed
van verschillende factoren op dialectverwerving. Toch heeft deze methode beperkingen. Zo
konden voor de variabele ‘lexicaal-postlexicaal’ geen minimale paren gevonden worden. Ook
voor de factor ‘productiviteit vs. regressie in de peer group’ werd slechts één minimaal paar
gevonden. In beide gevallen kunnen geen conclusies worden getrokken. Dit probleem zal in
het vervolgonderzoek worden opgelost door variantie-analyse toe te passen. In tegenstelling
tot de methode met minimale paren, kan door middel van variantie-analyse de invloed van
één variabele gemeten worden, zonder dat de andere variabelen constante waarden moeten
hebben.
4. Conclusies en suggesties voor verder onderzoek
4.1. Conclusies
Samenvattend kunnen we op grond van de resultaten uit de vorige paragraaf de volgende
conclusies trekken:
(1) Er manifesteert zich een tendens die de eerste hypothese lijkt te bevestigen: T1/AN-
element x kan beter bemiddelen bij de secundaire verwerving van T2/DIA-element y,
naarmate er een sterkere intersystemische correspondentie bestaat tussen x en y.
24
(2) Het vermoeden dat fonologische voorstellingen die het resultaat zijn van postlexicale
regels beter verworven zouden worden dan voorstellingen die teruggrijpen op lexicale
regels (hypothese 2), kunnen we op grond van de resultaten voorlopig nog niet bevestigen.
(3) Op basis van de resultaten kunnen we niet zonder meer beweren dat secundaire
dialectkenmerken beter verworven worden dan primaire of omgekeerd. Secundaire
kenmerken worden over het algemeen gekarakteriseerd door (a) een ruime geografische
verspreiding en (b) een kleine fonetische afstand tot het equivalent in T1 en dus een
geringe mate van opvallendheid (‘salience’). Wat (a) betreft, vertonen de resultaten uit de
vorige paragraaf wel de tendens dat geografisch ruim verspreide kenmerken (~ secundair)
beter verworven worden dan geografisch beperkte (~ primair). Voor (b) echter laten de
resultaten geen eenduidige tendensen zien die erop zouden wijzen dat elementen met een
kleine fonetische afstand tot T1 (~ secundair) beter verworven worden. Integendeel, vijf
van de negen minimale paren vertonen de volgende tendens: hoe groter de fonetische
afstand tussen T1-element x en T2-element y is (~ primaire kenmerken), hoe beter y
verworven wordt. De ambigue resultaten voor de factor ‘fonetische afstand’ zijn
misschien te wijten aan de gebruikte methode. Daarom zal de methode om fonetische
afstand te ‘meten’ verder worden uitgewerkt in het vervolgonderzoek.
(4) De methode met minimale paren levert niet voldoende resultaten op om conclusies te
trekken in verband met de invloed van het taalgebruik van de peer group.
Ten slotte is het interessant om tabel 3 en tabel 4 met elkaar te vergelijken. Bij een
vergelijking valt immers op dat de kenmerken die bij de native speakers het hoogste scoren
niet noodzakelijk dezelfde plaats in de rangorde krijgen bij de imperfect learners. Dat vormt
een sterke aanwijzing dat er bij de verwerving van een dialect als tweede taal (tabel 4) andere
factoren prioritair zijn dan bij het proces van dialectverlies (tabel 3).
Eerder werd erop gewezen dat primaire kenmerken vlugger worden prijsgegeven dan
secundaire in de processen van dialectnivellering en dialectverlies. Aangezien er
waarschijnlijk andere factoren aan het werk zijn in het proces van dialectverwerving hoeft het
dus niet noodzakelijk zo te zijn dat imperfect learners de secundaire kenmerken veel beter
verwerven dan de primaire. We kunnen dus op basis van tabellen 3 en 4 niet zonder meer een
antwoord geven op de vraag of primaire dan wel secundaire kenmerken beter worden
verworven.
Op basis van tabel 4 kan ook niet worden uitgemaakt welke van de vijf onafhankelijke
variabelen het zwaarste doorweegt. Daarvoor moet nog meer onderzoek gebeuren.
4.2. Suggesties voor verder onderzoek
Ten slotte zet ik uiteen hoe het onderzoek dat in deze bijdrage werd besproken, verder kan
worden uitgebreid.
Om de invloed van de factor fonetische afstand te kunnen nagaan, zal het noodzakelijk
zijn om de methode voor het ‘meten’ van de afstand verder uit te werken. De resultaten die
verkregen werden met de featurefrequentie-methode waren immers ambigu. Waarschijnlijk is
dit te wijten aan het feit dat deze methode ervan uitgaat dat alle verschillen tussen distinctieve
kenmerken evenveel invloed hebben op de fonetische afstand tussen twee fonemen. Onder
2.3.3.2. werd deze aanname reeds in vraag gesteld. Theoretisch is het mogelijk dat
bijvoorbeeld een verschil op de voor/achter-dimensie een grotere invloed heeft op de
verwerving van de fonologie van het Maldegems dan een verschil op de hoog/laag-dimensie.
Daarom zal ik in het vervolgonderzoek eerst de invloed van elk distinctief kenmerk
afzonderlijk nagaan. Dat betekent dat de volgende linguïstische variabelen in het onderzoek
betrokken zullen worden: (a) de invloed op dialectverwerving van een fonetisch verschil op
de voor/achter-dimensie; (b) de invloed van een verschil op de hoog/laag-dimensie; (c) de
25
invloed van ronding en spreiding op de verwerving van dialectfonemen en (d) de invloed van
het verschil tussen monoftong en diftong op dialectverwerving. Nadat op die manier is
bepaald wat de afzonderlijke invloed is van de verschillende distinctieve kenmerken, kan de
featurefrequentie-methode op een betrouwbaarder manier worden uitgevoerd.
Het zou ook interessant zijn mocht er bij de sprekers van het Maldegemse dialect zelf
(zowel native speakers als imperfect learners) gepeild worden naar hun intuïties over
fonetische afstand. De psychologisch aangevoelde afstand valt immers niet altijd samen met
de ‘objectieve’ afstand.
De transcripties zullen in het vervolgonderzoek op twee manieren geverifieerd worden.
Enerzijds zullen er steekproefsgewijs transcripties worden voorgelegd aan enkele fonetisch
onderlegde personen. Anderzijds zullen een aantal akoestische metingen worden uitgevoerd;
de resultaten daarvan kunnen dan vergeleken worden met mijn transcripties.
Verder zullen ook motivationele en attitudinale factoren in het onderzoek betrokken
moeten worden. Via aparte vragenlijsten zouden deze factoren onderzocht moeten worden.
Er zal ook uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden naar de aard van de
‘mismatches’. Als de dialectverwerver immers niet de authentiek Maldegemse variant
produceert, dan gebruikt hij soms de T1-variant, maar ook vaak andere varianten, zoals een
hyperdialectisme, een Oost-Vlaamse of een West-Vlaamse klank. In dit artikel heb ik er op
gewezen dat onderzoek naar de zich manifesterende hyperdialectismen interessant kan zijn;
onder andere met betrekking tot de factor lexicaal-postlexicaal. In de toekomst zal er zeker
nader onderzoek naar die hyperdialectismen verricht worden.
Verder is het interessant om na te gaan of het misschien zo is dat fonologische
dialectkenmerken beter verworven worden in woorden die frequent voorkomen in het
dagelijks taalgebruik dan in minder frequente woorden. Om deze factor te onderzoeken, kan
worden uitgegaan van bestaande woordfrequentielijsten.
Het is ook mogelijk dat er een verband bestaat tussen de mate van verwerving van
dialectkenmerken en de woorden waarin die kenmerken zich voordoen. Er kan namelijk een
verschil zijn tussen lexemen die zowel in T1 als in T2 voorkomen en typische
dialectwoorden. Deze factor kan onderzocht worden door een aantal echte dialectwoorden in
de vragenlijst op te nemen.
Ten slotte wil ik er nog eens op wijzen dat een veel groter aantal informanten in het
onderzoek betrokken zal worden. Ze zullen worden geselecteerd volgens leeftijd, sekse en
herkomst van de ouders. Daardoor zal het mogelijk worden om ook de invloed van die sociale
parameters te onderzoeken.
Bibliografie
AUER, P.
1993 ‘Zweidimensionale Modelle für die Analyse von Standard/ Dialekt-Variation und
ihre Vorläufer in der deutschen Dialektologie’. In: W. Viereck (ed.), Historische
Dialektologie und Sprachwandel, Verhandlungen des Internationalen
Dialektologenkongresses Bamberg, 3-22.
CHAMBERS, J.K. & P. TRUDGILL
1980 Dialectology. Cambridge: University Press.
CHAMBERS, J.K.
1992 ‘Dialect acquisition’. In : Language 68, 673-705.
26
CUCCHIARINI, C.
1993 Phonetic transcription: a methodological and empirical study. Proefschrift K.U.
Nijmegen.
GOOSSENS, J., J. TAELDEMAN & G. VERLEYEN
1998 Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (F.A.N.D.), Deel I.
Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en letterkunde, Gent.
HAAS, W.
1993 ‘Lautwandel, Lautersatz und die Dialektologie’. In: W. Viereck (ed.): Historische
Dialektologie und Sprachwandel, Verhandlungen des Internationalen
Dialektologenkongresses Bamberg, 108-121.
HINSKENS, F.
1986 ‘Primaire en secundaire dialectkenmerken; een onderzoek naar de bruikbaarheid
van een (vergeten?) onderscheid’. In: J. Creten e.a. (eds.): Werk-in-uitvoering.
Momentopnamen van de sociolinguïstiek in België en Nederland. Leuven/
Amersfoort (Acco), 135-158.
HINSKENS, F.
1993 ‘Dialectnivellering en regiolectvorming; bevindingen en beschouwingen’. In: F.
Hinskens, C. Hoppenbrouwers en J. Taeldeman (eds.), Dialectverlies en
regiolectvorming ( = Taal en Tongval 46), 40-61.
HINSKENS, F.
1998 ‘Variation studies in dialectology and three types of sound change’. In: U.
Ammon (ed.), Linguistics of variation ( = Sociolinguistica 12), 155-193.
HOPPENBROUWERS, C.
1990 Het regiolect. Van dialect tot Algemeen Nederlands. Muiderberg: Dick Coutinho.
KIPARSKY, P.
1982 Explanation in phonology. Dordrecht: Foris Publications.
MOHANAN, K. P.
1986 The Theory of Lexical Phonology. Dordrecht/ Boston/ Lancaster/ Tokyo.
REIFFENSTEIN, I.
1976 ‘Primäre und sekundäre Unterschiede zwischen Hochsprache und Mundart;
Überlegungen zum Mundartenabbau.’ In: H. Pohl & N. Salnikow (eds.),
Opuscula slavica et linguistica; Festschrift für Alexander Issatschenko.
Klagenfurt: Heyn, 337-347.
SCHIRMUNSKI, V.
1930 ‘Sprachgeschichte und Siedelungsmundarten’. In: Germanisch-Romanische
Monatschrift XVIII, 113-122 (Teil I) en 171-188 (Teil II).
TAELDEMAN, J.
1966 Kleit in zijn taallandschap, een fonetisch-fonologische dialectstudie.
Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG.
27
TAELDEMAN, J.
1993 ‘Dialectresistentie en dialectverlies op fonologisch gebied’. In: Taal en Tongval,
themanummer 6: Dialectverlies en Regiolectvorming, 102-119.
TAELDEMAN, J.
2000 ‘Polarisering’. In: Taal en Tongval 52: De toekomst van de variatielinguïstiek.
Bundel artikelen aangeboden aan Jo Daan bij gelegenheid van haar negentigste
verjaardag, 229-244.
VAN HOUT, R.
1979 ‘Kennis van een dialekt: norm en regel’. In: Gramma, 1979, 2: 135-157.
VANRENTERGHEM, S.
2001 Dialectkennis, dialectgebruik, dialectattitudes en fonologische dialectnivellering
in Waregem. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG.
VERSIECK, S.
1989 Het Maldegemse klanksysteem in het heden en honderd jaar geleden.
Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG.
VOUSTEN, R.
1995 Dialect als tweede taal. Linguïstische en extra-linguïstische aspecten van de
verwerving van een Noordlimburgs dialect door standaardtalige jongeren.
Proefschrift K.U. Nijmegen.
... At present, there is a growing interest in second dialect acquisition, also in continental Europe (cf. Vousten 1995;Berthele 2002;Rys 2003Rys , 2006Ghimenton & Chevrot 2006). A number of issues have been focused on in several studies on second dialect acquisition. ...
Sprachgeschichte und Siedelungsmundarten'. In: Germanisch-Romanische Monatschrift XVIII, 113-122 (Teil I) en
SCHIRMUNSKI, V. 1930 'Sprachgeschichte und Siedelungsmundarten'. In: Germanisch-Romanische Monatschrift XVIII, 113-122 (Teil I) en 171-188 (Teil II).
Lautwandel, Lautersatz und die Dialektologie
  • W Haas
HAAS, W. 1993 'Lautwandel, Lautersatz und die Dialektologie'. In: W. Viereck (ed.): Historische Dialektologie und Sprachwandel, Verhandlungen des Internationalen Dialektologenkongresses Bamberg, 108-121.
Primaire en secundaire dialectkenmerken; een onderzoek naar de bruikbaarheid van een (vergeten?) onderscheid'
  • F Hinskens
HINSKENS, F. 1986 'Primaire en secundaire dialectkenmerken; een onderzoek naar de bruikbaarheid van een (vergeten?) onderscheid'. In: J. Creten e.a. (eds.): Werk-in-uitvoering. Momentopnamen van de sociolinguïstiek in België en Nederland. Leuven/ Amersfoort (Acco), 135-158.
Dialectnivellering en regiolectvorming; bevindingen en beschouwingen
  • F Hinskens
HINSKENS, F. 1993 'Dialectnivellering en regiolectvorming; bevindingen en beschouwingen'. In: F. Hinskens, C. Hoppenbrouwers en J. Taeldeman (eds.), Dialectverlies en regiolectvorming ( = Taal en Tongval 46), 40-61.
Primäre und sekundäre Unterschiede zwischen Hochsprache und Mundart
  • I Reiffenstein
REIFFENSTEIN, I. 1976 'Primäre und sekundäre Unterschiede zwischen Hochsprache und Mundart;