ArticlePDF Available

Ponsaers, P. (2013). “Illegale of Informele Economie - Of hoe twee gelijkaardige concepten verschillen van elkaar”, Cahiers Politiestudies – Illegale en Informele Economie, Jg. 2013-4, n° 29, 17-32.

Authors:

Abstract

In deze bijdrage worden een aantal centrale noties die in dit Cahier aan bod komen van naderbij toegelicht en op elkaar gearticuleerd. De bijdrage wil de lezer houvast bieden bij de lezing van het Cahier. Op de eerste plaats wordt ingegaan op de verschillen en gelijkenissen tussen de formele en informele economie. In welke mate verschillen beide sectoren van elkaar en gelijken ze op elkaar? In navolgende twee paragrafen wordt ingegaan op de verhouding tussen beide sectoren enerzijds en criminaliteit anderzijds. Op de tweede plaats wordt inderdaad ingegaan op de vraag of de formele economie al dan niet te maken heeft met illegale handelingen en activiteiten en welke verklaringstheorieën hiervoor worden aangehaald in de literatuur. In essentie gaat het hier om een beschrijving van datgene dat doorgaans begrepen wordt onder de notie organisatiecriminaliteit, of de criminaliteit gepleegd in de context van het bedrijfsleven. Op de derde plaats wordt nader beschreven in welke mate de informele economie al dan niet geconfronteerd wordt met criminaliteit en wat we hierover kunnen leren uit de beschikbare literatuur. In een afsluitende conclusie worden de meest pregnante kenmerken van de beschreven concepten naast elkaar gezet en vergeleken. Het zal blijken dat ogenschijnlijk erg gelijkende concepten tot volkomen andere gezichtshoeken kunnen leiden en essentieel andere fenomenen kunnen viseren.
CPS 2013-4, nr. 29 17
Illegale of informele economie
Of hoe twee gelijkaardige concepten verschillen
van elkaar
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2013-4, nr. 29
p. 17-32
© Maklu-Uitgevers
ISBN 978-90-466-0643-8
Paul Ponsaers1
In deze bijdrage worden een aantal centrale noties die in dit Cahier aan bod komen van
naderbij toegelicht en op elkaar gearticuleerd. De bijdrage wil de lezer houvast bieden bij de
lezing van het Cahier. Op de eerste plaats wordt ingegaan op de verschillen en gelijkenissen
tussen de formele en informele economie. In welke mate verschillen beide sectoren van elkaar
en gelijken ze op elkaar? In navolgende twee paragrafen wordt ingegaan op de verhouding
tussen beide sectoren enerzijds en criminaliteit anderzijds. Op de tweede plaats wordt inderdaad
ingegaan op de vraag of de formele economie al dan niet te maken heeft met illegale handelingen
en activiteiten en welke verklaringstheorieën hiervoor worden aangehaald in de literatuur. In
essentie gaat het hier om een beschrijving van datgene dat doorgaans begrepen wordt onder de
notie organisatiecriminaliteit, of de criminaliteit gepleegd in de context van het bedrijfsleven.
Op de derde plaats wordt nader beschreven in welke mate de informele economie al dan niet
geconfronteerd wordt met criminaliteit en wat we hierover kunnen leren uit de beschikbare
literatuur. In een afsluitende conclusie worden de meest pregnante kenmerken van de beschreven
concepten naast elkaar gezet en vergeleken. Het zal blijken dat ogenschijnlijk erg gelijkende
concepten tot volkomen andere gezichtshoeken kunnen leiden en essentieel andere fenomenen
kunnen viseren.
1. Inleiding
Deze bijdrage in het Cahier Politiestudies 29 heeft als bedoeling een aantal centrale
concepten in voorliggende bundel te verduidelijken, hetgeen een vlotte lezing van dit
cahier moet mogelijk maken. Het is dus bedoeld als introductieve paper en verdere
doelstellingen dienen aan de bijdrage niet te worden gehecht.
In een eerste paragraaf van deze paper gaan we nader in op de belangrijkste verschillen
tussen de formele en informele economie. Aan bod komen vragen als: wat wordt er
nu eigenlijk bedoeld met formele economie en informele economie? In welke mate
verschillen beide sectoren van elkaar en gelijken ze op elkaar?
1
Prof. dr. emeritus, Universiteit Gent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Strafrecht & Criminologie,
Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse. De auteur houdt eraan uitdrukkelijk de anonieme reviewers
te danken voor hun waardevolle suggesties en commentaren op de draftversie van deze bijdrage.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 17 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
18 CPS 2013-4, nr. 29
In het tweede deel van deze bijdrage wordt ingegaan op de vraag of de formele eco-
nomie al dan niet te maken heeft met illegale handelingen en activiteiten en welke
verklaringstheorieën hiervoor worden aangehaald in de literatuur. In essentie gaat het
hier om een beschrijving van datgene dat doorgaans begrepen wordt onder de notie
organisatiecriminaliteit, of de criminaliteit gepleegd in de context van het bedrijfsleven.
Tevens wordt ingegaan op de verhouding tussen organisatiecriminaliteit en georgani-
seerde criminaliteit.
In de derde paragraaf wordt nader beschreven in welke mate de informele economie al
dan niet geconfronteerd wordt met criminaliteit en wat we hierover kunnen leren uit
de beschikbare literatuur. Opnieuw komt onvermijdelijk de verhouding met de formele
economie ter sprake, alsook de relatie tussen de informele economie en georganiseerde
criminaliteit.
In een afsluitende conclusie worden de meest pregnante kenmerken van de beschreven
concepten naast elkaar gezet en vergeleken. Het zal blijken dat ogenschijnlijk erg
gelijkende concepten tot volkomen andere gezichtshoeken kunnen leiden en essentieel
andere fenomenen kunnen viseren.
2. Formele en informele economie
Er bestaan twee soorten van economische sectoren, een formele en een informele. De
formele sector behelst al die economische activiteiten die onder de regulering van de
overheid vallen, door de overheid zijn gekend en worden geregistreerd, ultiem door
de overheid worden belast. De formele economie constitueert in grote mate mee het
Bruto Nationaal Product (BNP) van een land.
Economische activiteiten formaliseren door middel van wet- en regelgeving, met andere
woorden onder invloed van politieke keuzes die gemaakt worden en door middel van
wet- en regelgeving worden gereguleerd. De rol van de overheid is dan ook in essentie
het definiëren van de concurrentievoorwaarden en -omstandigheden waarbinnen een
getemperde vrije markt economie kan/zal gedijen. Diverse elementen spelen hier een
rol, zoals o.m. de arbeidswetgeving, de wettelijke bescherming van consumenten, de
regulering van het leefmilieu, de fiscale regels en dergelijke meer.
In wezen beoogt de formalisering van de vrije markt het gelijkschakelen van de concur-
rentiemiddelen die omwille van de één of andere reden dienen beschermd te worden.
De vrije markt zal dan slechts nog ‘vrij’ zijn te concurreren met die middelen die niet
door wet- en regelgeving zijn omgeven en geen bescherming behoeven. Hoe formeler
een economie, hoe meer overheidsinterventie dus. Productie en handel worden geacht
zich ‘compliant te gedragen, conform de formele regels.
In nationale economieën is echter steeds een deel van de activiteiten informeel. Een
onderdeel van de economische activiteiten, ook wel de ‘scharreleconomie’ genoemd, speelt
zich af buiten de formele wettelijke kaders. Het gaat dan om ‘ritselaars’ (zgn. ‘handige
jongens’) en ‘scharrelaars’ (zgn. ‘kleine sjacheraars’), straatverkopers en -muzikanten,
sekswerk(st)ers, huiselijke werksters en dienstbodes, en dergelijke meer. Maar ook
doe-het-zelvers en ruilhandel in diensten worden hieronder begrepen. Denk hierbij
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 18 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 19
maar aan de groentetelers uit volkstuintjes die de leden van de grootfamilie van voedsel
voorzien of de babysitter die in ruil bijles krijgt van de moeder van de kinderen.
Deze economische activiteiten komen meestal niet in de statistieken terecht, en wegen
dan ook niet op het BNP. Informele economische activiteiten komen frequent voor
in ontwikkelingslanden, maar ook in ontwikkelde landen doen zich veel informele
economische activiteiten voor (Saitta, Shapland & Verhage, 2013; Shapland & Ponsaers,
2008).
2.1 Vervagende grenzen
Een nationale, regionale of stedelijke economie is nooit volledig formeel of informeel.
Bepaalde segmenten zijn formeel, andere zijn informeel; sommige worden meer
geformaliseerd, terwijl andere informeler worden. De studie van de informele economie
is vanuit dit perspectief dan ook de studie van een studieobject in evolutie. Dit betekent
vandaag dat het gaat om de studie van een fenomeen dat in toenemende mate informa-
liseert, hetgeen gepaard gaat met het terugplooien van de politieke interventie, in plaats
van het bestuderen van toenemende formaliseringsprocessen (Lippens & Ponsaers,
2006). Het kenmerken van een economie zal dan ook steeds dienen te gebeuren in
termen van dominantie en de meeste segmenten van de westerse Europese economieën
zijn (nog) steeds dominant formeel van aard.
2.2 Gedreven door vraag en aanbod
De informele economie is, sterker dan de gereguleerde formele economie, onderhevig
aan marktmechanismes, gedreven door vraag en aanbod. Op de eerste plaats is deze
economie grotendeels gekenmerkt door het gebrek aan regulering, en vanuit dit oogpunt
heeft het verschil tussen legaliteit en illegaliteit geen betekenis, en is zinledig. Het is
dan ook logisch dat in de informele economie de notie van ‘economische criminaliteit’
haast onbestaande is. Op de tweede plaats is het opvallend dat de informele economie in
grote mate te maken heeft met de afwezigheid van formele publieke controle-instanties,
incluis de politie, toezichthouders, regulerende organen en inspecties, ondanks het feit
dat regulering natuurlijk wel aanwezig is (maar niet wordt toegepast).2
De informele economie is vanuit dit oogpunt de logische consequentie van de afwezig-
heid of de terugtrekking van de staat. Nochtans is de keuze tussen datgene dat als
formeel of informeel dient beschouwd te worden het gevolg van een bewuste keuze
van nationale staten. Zij beslissen immers over wat als crimineel dient beschouwd te
worden en welk gedrag dient gereguleerd. De informele economie is in wezen niet het
gevolg van lokale politieke keuzes ten gevolge van sociale strijd, compromis of sociaal
overleg. De informele economie wordt gedreven door eenvoudige en harde economische
mechanismen, door eerder blinde logica’s van vraag en aanbod, en is dus niet gestuurd
door sociale politiek.
Dit is op hoofdlijnen zo, hoewel hierbij dient vermeld te worden dat het mogelijk is
dat lokale overheden politieke keuzes maken om te gedogen of te sanctioneren, los
2 Hierbij dient vermeld dat de informele economie soms ook wel informeel geregeld kan zijn en gesanctio-
neerd kan worden. Deze regulering en sanctionering zijn dan echter niet voorzien door de overheid, maar
zijn vormen van sociale controle tussen burgers of groepen van burgers.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 19 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
20 CPS 2013-4, nr. 29
van de nationale wetgever, zoals de gedoogde prostitutie in Nederlandse steden voor
de opheffing van het bordeelverbod of het louter lokaal verbod (en eraan gekoppeld
sanctioneringsbeleid) in sommige Belgische steden bij gedrag dat gereguleerd wordt
door middel van Gemeentelijke Administratieve Sancties. Op deze wijze ontstaat er
meer dan eens een grijze zone tussen formele en informele activiteiten.
Omwille van de afwezigheid van publieke interventie in de informele economie hebben
we te maken met economische activiteiten die effect hebben op werkomstandigheden
en -voorwaarden (handel, productie, diensten, …) die niet langer als ‘illegaal’ worden
bestempeld. Het feit dat zich informele marktmechanismes voordoen is zelden
het voorwerp van collectieve actie of sociale strijd. Niettemin hebben we meestal
wel te maken, vanuit een moreel standpunt, met werksituaties en -voorwaarden,
die gekenmerkt worden door dominantie en uitbuiting, in de sfeer van een reële
overlevingseconomie.3
2.3. Regulering en gedoogbeleid
Indien arbeiders in de informele economie menen dat ze geen alternatieven hebben
om te werken in de formele economie, worden mogelijkheden tot het voeren van
collectieve actie sterk beperkt en blijkt formeel protest haast onmogelijk. Er blijkt een
sfeer van ‘tolerantie’ te bestaan (‘gedoogbeleid’) en zij worden als ‘marginaal’ beschouwd
in vergelijking met de gereguleerde formele economie.
4
Dit is de reden waarom we
ervan uitgaan dat een sociologie van de informele economie zich dient te vertalen in
een sociologie van informele arbeid en van arbeidsverdeling.
Als vraag en aanbod op de vrije markt de omvang van de informele economie in grote
mate bepalen, en deze activiteiten zich in grote mate beperken tot een overlevings-
strategie, is het niet de ondernemer die investeert en is het niet de regering die de
regels van het spel bepaalt. De informele economie zal dan opduiken daar waar zich
de gelegenheden hiertoe reeds voordoen (geografisch, sociaal kapitaal, enz.), en het
zullen deze gelegenheden zijn die de precieze aard van de informele economische
activiteit zal bepalen.
In bovenstaande hebben we getracht beide sectoren (formele en informele economie)
te verhelderen.
De vraag dringt zich navolgend op of beide economieën al dan niet te kampen hebben
met criminaliteit. We gaan in de volgende paragraaf in op de verhouding tussen de for-
mele economie en mogelijke illegalismen die zich hierbinnen voordoen. Een navolgende
paragraaf zal de verhouding tussen de informele economie en criminaliteit behandelen.
3. Formele economie en criminaliteit
Illegaal gedrag gepleegd door economische actoren (bedrijven) in de formele economie is
wijd verspreid. Toch blijft de definiëring van dit gedrag als illegaal controverses oproepen
3 In een recente publicatie documenteren Saitta, Shapland & Verhage (2013) deze stelling op basis van tal van
empirische bijdragen in uiteenlopende economische sectoren.
4 Zie in dit verband Foucault (1979), die argumenteerde dat brede marges van tolerantie van informeel werk
instrumenteel kunnen worden aangewend door dominante groepen om andere groepen te controleren.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 20 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 21
(Wells, 1993). Dit is in grote mate het gevolg van het onderscheid dat gemaakt wordt
tussen zuiver strafrechtelijke en regulerende of ordenende bepalingen (Ruggiero & Pon-
saers, 2002). Deze definities en concepten houden nauw verband met de toegeschreven
ernst en de (gepercipieerde) sociale schade die erdoor veroorzaakt wordt. In feite gaat
dit onderscheid terug tot de wijze waarop met misdrijven wordt omgegaan. De eerste
soort wordt behandeld door de strafrechtsbedeling en door de reguliere politie, terwijl
de tweede soort dikwijls het voorwerp is van administratieve justitie en van toezicht
uitgeoefend door zgn. ‘bijzondere inspectiediensten’ (Ponsaers, 2003).
3.1 Organisatiecriminaliteit
Een niet-exhaustieve lijst van vormen van financieel-economische criminaliteit zal wel
steeds gedragingen bevatten als fiscale ontduiking, overtredingen van gezondheids- en
veiligheidsvoorschriften, allerhande vormen van financieel wangedrag, milieucriminali-
teit, corruptie, het ontwrichten van de markt en een grote variëteit aan gedragingen die
verband houden met de illegale verkoop van gecontroleerde producten of de verkoop
van producten aan consumenten. Maar met zo’n lijstje wordt natuurlijk nog geen
omschrijving gegeven van hetgeen bedoeld wordt met de generieke term ‘financieel-
economische criminaliteit’. Een lijst is immers geen definitie.
Definities van financieel-economische criminaliteit zijn geïnspireerd door vroege
analytische bijdragen die teruggaan tot de eerste helft van vorige eeuw. Beïnvloed door
het marxisme suggereerde de Nederlandse criminoloog Bonger (1905) bijvoorbeeld
dat het economisch systeem dergelijk gedrag als het ware spontaan aanwakkerde bij
machtige individuen, aangezien zij het moeilijk hadden het overschrijden van de
grenzen van de winstmaximalisatie te identificeren als een vorm van criminaliteit.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat wetenschappers die in deze traditie werken
financieel-economische criminaliteit verbinden met het type van dader dat hier
aangetroffen wordt.
De Amerikaanse socioloog Ross (1907) ontwikkelde dit argument door bepaalde
typische economische actoren te benoemen die betrokken waren in criminele activi-
teiten: directeurs die speculeerden met fondsen die in feite eigendom waren van hun
vennootschap, ondernemers die smeergeld aanboden in ruil voor het ontvangen van
contracten, zakenmensen die ‘deals’ maakten om prijzen te bevriezen,. .. Ross had
het met andere woorden over allerhande vormen van gedrag die de regels van de vrije
markt verstoorden. Een vrije markt, die door dezelfde economische actoren, officieel
met de mond beleden werd als onvoorwaardelijk uitgangspunt.
In feite gaat het hier om hetgeen binnen de criminologie vandaag als ‘corporate crime
wordt omschreven, hetgeen in ons taalgebied door Henk van de Bunt ter gelegenheid
van zijn oratie ‘organisatiecriminaliteit’ genoemd werd. Laatstgenoemde gaf er volgende
omschrijving aan: ‘Onder organisatiecriminaliteit dienen de misdrijven te worden begrepen
die individueel of groepsgewijs door leden van een gerespecteerde en bonafide organisatie
worden gepleegd binnen het kader van de uitoefening van organisatorische taken(van de
Bunt, 1992, 6).
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 21 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
22 CPS 2013-4, nr. 29
3.2 White collar crime
We moeten echter wachten op het werk van Edwin Sutherland om een inzichtelijker
begrip van financieel-economische criminaliteit (en van sommige controversiële items
in dit verband) te krijgen. Sutherland (1956; 1983) concentreerde zich initieel op ‘white
collar crime’ (witteboordencriminaliteit), hetgeen hij definieerde als die criminaliteit die
gepleegd wordt door individuen die beschikken over een hoge sociale status tijdens de
uitoefening van hun officiële beroepsbezigheid. Opnieuw verbond Sutherland financieel-
economische criminaliteit met een specifieke dadergroep.
Omdat ‘white collar crime’ ertoe aanleiding gaf ook misdrijven gepleegd door werkne-
mers te omvatten (ten nadele van hun werkgevers), dus ook misdrijven gepleegd door
individuen met een midden- of lage sociale status (tegen sociaal machtige slachtoffers),
was het nodig de term verder te specifiëren. Het was met andere woorden nodig de
variatie aan illegaal gedrag dat door de zakenwereld werd gepleegd, te karakteriseren.
Vandaar het onderscheid dat ontstond tussen misdrijven gepleegd tegen de zakenwereld
en misdrijven gepleegd door de zakenwereld (Quinney, 1964).
Wanneer Sutherland (1956) zich in het bijzonder toespitste op ondernemingen vond
hij dat de ‘ideale zakenmensen’ in feite wel erg fel lijken op de professionele dief: hun
overtredingen van de wet zijn frequent en persistent, zij verliezen geen status bij hun
vennoten als zij de wet overtreden, zij misprijzen de politie en de staat in het algemeen,
want het zijn deze instanties die hen hinderen bij hun gedrag.
De auteur anticipeerde hier op een debat dat doorloopt tot op vandaag, waarin financieel-
economische criminaliteit stilaan geassocieerd raakte met ondernemingscriminaliteit,
en meer algemeen met de criminaliteit van de ‘machtigen’, als een vorm van ‘power-
crime’ (Slapper & Tombs, 1999).
Feit blijft dat het concept van Sutherland in grote mate op de dader gericht was
(‘offender-based’). Intussen zijn er auteurs die de notie white collar crime verbinden met
eigenschappen van delicten in plaats van met eigenschappen van daders, en er dus een
‘offence-based’ inhoud aan geven (Edelhertz & Overcast, 1982). Deze auteurs vinden de
definitie van Sutherland te restrictief en zij plaatsen tevens bepaalde niet-bedrijfsmatige
illegalismen onder deze noemer (bijvoorbeeld valse aangifte van personenbelasting of
onrechtmatig ontvangen van sociale zekerheidsgelden).
Hoewel een dergelijke benadering wellicht makkelijker aansluit bij de notie financieel-
economische criminaliteit blijft het m.i. eigenaardig een concept te ontlenen aan een
‘founding father’ van de criminologie en de inhoud ervan naar eigen goeddunken te
verruimen.
3.4. De zoektocht naar oorzaken
De oorzaken van financieel-economische criminaliteit blijven een centraal gegeven in het
sociologisch en criminologisch debat, dat uitpuilt van contrasterende gezichtshoeken.
De voorstanders van de differentiële associatietheorie (Sutherland, 1983) suggereren dat
economische actoren misdrijven plegen omdat de omgeving waarin zij opereren hen
de technieken en de rationaliseringen aanleert om dat te doen. Met andere woorden:
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 22 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 23
volgens hen is economische criminaliteit het resultaat van een leerproces, dat plaatsvindt
in specifieke occupationele beroepsgroepen. Het zou gaan om een leerproces dat wordt
ondersteund door specifieke beroepssubculturen.
Een belangrijke evaluatie van deze theorie werd doorgevoerd door Geis (1968), die de
overtredingen op de antitrust wetgeving onderzocht, welke gepleegd werden door grote
Amerikaanse ondernemingen. Hij concludeerde dat dergelijke overtredingen inherent
deel uitmaakten van het ondernemingsleven, en hij merkte op dat financieel-econo-
mische criminaliteit kan gelokaliseerd worden in leerprocessen en associatiepatronen.
Daarnaast (en los hiervan) zijn er auteurs (Pearce, 1976; Pearce & Snider, 1995), die
tevens empirisch onderzoek verrichtten, die opmerken dat de analyse van financieel-
economische criminaliteit haast onvermijdelijk leidt tot het stellen van fundamentele
vragen over de vrije markt in zijn globaliteit. Hoe dan ook, of en hoe financieel-
economische criminaliteit een precies patroon volgt, gerelateerd aan de economie,
is nog steeds voorwerp van discussie. Deze auteurs lijken dit type van criminaliteit te
beschouwen als zakelijke routine, of als het onvermijdelijk gevolg van het systeem van
vrije mededinging; terwijl anderen cycli van criminaliteit ontwaren, die op de één of
andere wijze gerelateerd zijn aan de ‘cycli van accumulatie van het kapitaal’. Dus, illegale
mogelijkheden voor het bedrijfsleven zouden toenemen wanneer winsten afnemen,
aangezien ondernemers die moeilijke omstandigheden doormaken geneigd zijn de
wet in grotere mate te overtreden dan hun succesvolle concurrenten. Andere auteurs,
zoals Braithwaite, betwijfelen deze stelling echter sterk, waarbij zij aanmerken dat er
geen empirisch bewijs bestaat voor een grotere criminele geneigdheid bij firma’s die
zich in financiële moeilijkheden bevinden (Braithwaite, 1985).
Ten slotte zijn er onderzoekers die betwijfelen dat het mogelijk is universele verklaringen
te geven voor de oorzaken van economische criminaliteit (en van criminaliteit in het
algemeen). Zij beschrijven hoe tegengestelde voorwaarden en omstandigheden verschil-
lende vormen van criminaliteit kunnen genereren. In feite benadrukken zij dat de
causaliteit niet te reduceren is tot één enkele factor, maar dat het gaat om een ‘causaliteit
van tegengestelden’, m.a.w. diverse factoren die in tegengestelde richting werken,
waarvan de één of andere op een bepaalde moment in de geschiedenis dominanter is
dan de andere (Ruggiero, 2000).
Samengevat kunnen we stellen dat diegenen, die geloven dat ondernemingscrimina-
liteit intrinsiek is aan de formele economie, suggereren dat markten functioneren als
criminogene factoren, en dat de economie op sommige ogenblikken een duwende factor
is bij het ontstaan van criminaliteit vanuit een overlevingslogica, met andere woorden
wordt hier geredeneerd vanuit een ‘necessity driven’ logica.
Anderen gaan ervan uit dat deze vorm van criminaliteit extrinsiek is aan het economisch
leven. Zij geloven dat economisch machtige daders een bijzonder soort van individuen
zijn die een lage graad van zelfcontrole ontwikkelen. Economische criminaliteit is voor
hen een pathologische uitdrukking van een overigens gezond (economisch) lichaam
(Green, 1990).
Nog anderen dan weer stellen dat economische criminaliteit het resultaat is van orga-
nisationele vormgeving van industrieën en markten. Zij geloven dat firma’s dikwijls
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 23 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
24 CPS 2013-4, nr. 29
beschikken over een set van manifeste doelen, die legaal worden nagestreefd, maar dat
zij bijkomend ook beschikken over een set van operationele doelen, die op een illegale
wijze (kunnen) worden gerealiseerd. Hier wordt dan geredeneerd vanuit een ‘opportunity
driven’ logica. Zij gaan ervan uit dat legale opportuniteiten tot winstrealisatie begeleid
worden door variërende graden van illegale opportuniteiten (Ruggiero, 1996). Hier wordt
niet langer geredeneerd vanuit een streven naar verliesminimalisatie om te overleven,
maar vanuit een streven naar winstmaximalisatie.
Wellicht bestaat de oplossing voor deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in theore-
tische aannames in de ontwikkeling van integratieve theorieën, waarin een aantal van
deze verklaringsmodellen worden gecombineerd, zoals Coleman dit deed (1982), of in
het ontwikkelen van overzichten, zoals dat van Friedrichs (2004).
3.4. Groeiende osmose met georganiseerde criminaliteit
Ruggiero (1996) argumenteert dat organisatiecriminaliteit meer en meer verweven raakt
met georganiseerde criminaliteit. Het is zijn stelling dat het conceptueel misschien
mogelijk is om beide criminaliteitsvormen naast elkaar te plaatsen, maar dat beide
fenomenen steeds meer en meer gelijkenissen met elkaar gaan vertonen. Met andere
woorden, beide vormen tenderen naar elkaar toe, terwijl tevens de grenzen tussen beide
fenomenen vervloeien.
Of om het nog anders uit te drukken: beide sectoren werken steeds meer in onderlinge
osmose. Volgens Ruggiero (1996) heeft dit enerzijds te maken met de vaststelling dat de
georganiseerde criminaliteit het tot één van haar strategieën heeft gemaakt sectoren van
de formele en legale economie te misbruiken, waardoor precies de grens vervaagt tussen
legale en illegale organisaties en criminele organisaties zich makkelijker zelf kunnen
verschuilen achter legale façades. Wanneer gesteld wordt dat de georganiseerde crimi-
naliteit een ontwrichtend effect heeft op het economisch leven wordt er uitdrukkelijk
naar deze strategie verwezen. Het is noodzakelijk hierbij niet te vergeten dat hierdoor
uiteraard ook de grens tussen georganiseerde criminaliteit en organisatiecriminaliteit
vervaagt. Dat is zeker het geval als de georganiseerde misdaad zich deels ook in de
legale formele economie gaat nestelen.
Anderzijds houdt dit verband met het feit dat criminele organisaties ‘leentje buur’ zijn
gaan spelen bij de legale organisaties, en steeds meer gebruikmaken van de (financieel-
economische) praktijken die in deze legale sectoren worden gehanteerd. Witwasserij en
carrouselfraude zijn hiervan manifeste voorbeelden. De argumentatie die hier wordt
gehanteerd is met andere woorden niet gericht op het criminaliseren van formele, legale
economische organisaties, wel dat in de feiten de illegale criminele organisaties steeds
meer gaan gelijken op de legale.
Als de georganiseerde criminaliteit kan leren uit de organisatiecriminaliteit, dan is
er immers geen enkele reden om aan te nemen dat het omgekeerde mechanisme
niet mogelijk zou zijn. Als het crimineel opzet (intentie) de essentiële breuklijn vormt
tussen georganiseerde criminaliteit en organisatiecriminaliteit, moet men zich de vraag
durven te stellen of iedereen uit het legale bedrijfsleven zich wel wil wapenen tegen de
handelingspatronen afkomstig uit het crimineel milieu.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 24 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 25
In dit verband kunnen we niet naast de vaststelling dat een groot deel van de (door
de politiediensten gekende) criminele organisaties blijkbaar gebruikmaken van legale
commerciële structuren. In zowat de helft van de gevallen gaat het om de uitbating van
een legaal opgerichte maatschappij door een criminele organisatie, met verwevenheid
van legale en illegale activiteiten. Slechts in een kleine minderheid van de gevallen gaat
het om strofirma’s, zonder enige formele en legale commerciële activiteit. Het blijkt
dat er inderdaad een grote verwevenheid groeit tussen beide sectoren, dat het niet
noodzakelijk om een eenrichtingsverkeer gaat én dat de essentie van een organisatie
is dat alle raderen van de machine functioneren.
Bij wijze van voorbeeld inzake de aangehaalde osmose: In België wordt m.b.t. geor-
ganiseerde criminaliteit, vanuit beleidsmatig oogpunt, een definitie gehanteerd
5
die
volgende elementen omvat:
• het planmatig plegen van misdrijven die elk op zichzelf of in hun totaliteit van aan-
zienlijke betekenis zijn;
• vanuit een streven naar winst of macht;
• waarbij meer dan twee betrokken personen samen handelen;
• gedurende een vrij lange of onbepaalde periode;
• met verdeling van taken waarbij:
• gebruik wordt gemaakt van commerciële structuren,
• en/of toevlucht wordt genomen tot geweld of andere intimidatiemiddelen,
•
en/of waarbij invloed wordt uitgeoefend op het politieke leven, media, openbaar
bestuur, justitie of bedrijfsleven.
Het mag opmerkelijk genoemd worden dat deze definitie in haar algemene kenmerken
geen wezenlijk ‘maffieuze’ elementen bevat. Enkel in de meer specifieke kenmerken
vinden we er een aantal terug (geweld, intimidatie, invloed,. ..), maar deze zijn dan
blijkbaar niet noodzakelijk om van georganiseerde criminaliteit te kunnen spreken.
Immers, om aan de definitie te voldoen dienen de vijf algemene kenmerken aanwezig te
zijn, in combinatie met minstens één specifiek aspect. Afgezien van geweld, intimidatie
en/of invloed, volstaat het met andere woorden om louter gebruik te maken van com-
merciële structuren, dus van de formele economie. Op deze wijze kunnen vormen van
organisatiecriminaliteit in grote mate als een onderdeel van georganiseerde criminaliteit
beschouwd worden.
4. Illegale economie in de informaliteit
Zoals in de formele economie kunnen zich ook in de informele economie illegale
praktijken voordoen. De informele economie is erg kwetsbaar voor illegaliteit, omdat
het inkomen uit de informele sector niet zelden het resultaat is van een weloverwogen
poging om belastingen te ontduiken of om de overheidsregulering te ontwijken, zoals
zwartwerk. Kortom, in vele gevallen is de activiteit op zichzelf niet illegaal, maar wordt
simpelweg de één of andere regel overtreden, zoals het handel drijven zonder de nodige
vergunning. In die zin lijken de mechanismes die werken in de formele economie
eveneens door te werken in de informele economie.
5 Sinds het Actieplan van de Regering tegen de georganiseerde criminaliteit van 28 juni 1996. Deze definitie
is gebaseerd op deze van het Duitse Bundeskriminalamt (BKA), die overigens in de meeste West-Europese
landen als grondslag wordt gehanteerd.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 25 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
26 CPS 2013-4, nr. 29
4.1. Uitbuitingsrelaties
Mensen zonder papieren, die dikwijls in de onmogelijkheid verkeren om zich in regel
te stellen met bepaalde vormen van regulering en zich dus ‘compliant’ te gedragen,
komen al snel in de informele economie terecht. Dergelijke groepen dreigen in onze
westerse samenlevingen in informele arbeids- en uitbuitingssituaties terecht te komen,
waar zij niet kunnen genieten van de beschermingsmaatregelen die de overheid heeft
voorzien. Zij worden dan slachtoffer van mensenhandelaars of koppelbazen, en op
die wijze worden zij geëxploiteerd door georganiseerde misdaadorganisaties (Saitta,
Shapland & Verhage, 2013).
Natuurlijk bestaat een deel van de informele economie ook uit ronduit illegale activitei-
ten, zoals het dealen van drugs, het verkopen van illegale wapens of namaakproducten,
het opdringen van ‘protectie’, het corrumperen van overheidsambtenaren en dergelijke
meer. Hier gaat het dan niet langer om de eenvoudige overtreding van de overheidsre-
gulering van het economisch leven, maar om ronduit illegale activiteiten.
4.2. Opnieuw moeilijke meetbaarheid
Uiteraard is het al helemaal onmogelijk om een realistische schatting te maken van
de omvang van dit soort van economische activiteiten. Toch maken wetenschappers
indirecte schattingen van de omvang van de informele (illegale) economie. Volgens
Schneider (2005) zou de informele sector in ontwikkelde landen 20% tot 70% van
het BNP bedragen en zou deze sector in omvang toenemen. Charmes (2000) schatte
de informele tewerkstelling in stedelijke omgevingen op 40% tot 60%. Toenemende
huisnijverheid (internet) en straathandel hebben hier het grootste deel aan. Informele
handel zou goed zijn voor 30% tot 50% van de totale stedelijke informele tewerkstelling
(Chen, Jhabvale & Lund, 2002).
Informele economieën hebben zowel een stabiliserend als transformerend potentieel.
Volgens Henry & Sills (2006) is kapitalisme de onvoorspelbare uitkomst van formele en
informele handelswijzen terzelfdertijd. De vrije markt lijkt over de eindeloze vaardigheid
te beschikken om bepaalde delen van de informele economie te absorberen, te coöpteren
en te kapitaliseren. Gerald Mars (2006) argumenteert in zijn antropologische analyse
van wijzigingen in de cultuur van de werkplaats dat de ‘verborgen economie’ lijkt te
groeien in tijden van globalisering, individualisering en technologische verandering.
Het concept van de ‘bazar economie’, voorgestaan door Vincenzo Ruggiero en Nigel
South (1994) doet de vraag rijzen of het mogelijke is precieze criminaliteitszones te
identificeren. Het concept refereert aan een variëteit van individuen die interageren
op de marktplaats, waar goederen en diensten worden gekocht en verkocht, zonder
dat onderscheid wordt gemaakt of deze nu legaal of illegaal zijn. Het concept van de
‘bazar’, toegepast op hedendaagse grote steden, drukt de co-existentie uit van legaliteit
en illegaliteit en de veranderingen die zich voordoen in de grenzen tussen beide. De
kunstmarkt is hiervan een indrukwekkend voorbeeld (Massy, 2008).
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 26 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 27
4.3. Conservatisme
De informele illegale economie heeft een zekere traditie en is ingebed in historische
netwerken en families, in handels- en trafiekroutes, waarvan een groot deel parallelle
routes zijn van legale goederen en diensten (Godefroy, Delaitre & Mollaret, 2003; Tarrius,
2003). Informele tewerkstellingsopportuniteiten zijn gebaseerd op sociale contacten
en netwerken, aangezien het niet mogelijk is om publieke advertenties te plaatsen om
werkkrachten aan te trekken zoals in de formele economie (Boels, 2012).
De vraagzijde bepaalt in grote mate de aard van de activiteiten: de behoefte van burgers
aan illegale drugs, gestolen kunstwerken of namaakgoederen hebben een lange geschie-
denis in de informele economie. De vraag naar illegale drugs kan dan al verzadigd lijken,
met een relatief makkelijk aanbod op vele plaatsen, de vraag naar gestolen goederen
lijkt te stijgen in tijden van economische recessie, zeker daar waar de vraag mede
geïnspireerd wordt door nooit verzadigbare modetrends (Sutton, 2003).
De informele economie in illegale goederen lijkt minder snel te evolueren dan in
de formele economie en kan minder voordeel halen uit nieuwe opportuniteiten en
concurrentiemiddelen. Zo is het bijvoorbeeld moeilijk om illegale goederen te leveren
zonder rechtstreeks persoonlijk contact tussen verkoper en koper. Het gebruik van
internetbestellingen of conventionele postleveringen zijn risicovol, aangezien internet-
providers en postautoriteiten de levering van illegale goederen kunnen opmerken. Vanuit
dit oogpunt blijven grote onderdelen van de informele economie weinig innovatief en
dus eerder conservatief.
Informele economieën ontwikkelen in de periferie van formele economieën, volgens
alternatieve overlevingslogica’s. De dominante druk in de formele economie naar
globalisering (produceren op de goedkoopste locaties, ‘just-in-time’ leveringen omdat
transportkosten relatief goedkoop zijn) worden in de informele economie afgeremd
door de angst te worden gelokaliseerd en geïdentificeerd, eens de handelstransacties
de bekende contacten en bronnen overschrijden. Dat leidt er dan ook toe te stellen dat
de informele economie minder innovatief is, minder geglobaliseerd is. De informele
economie is in grote mate historisch bepaald, afhankelijk van uitgeteste en ‘veilige’
routes en methoden, hoewel dikwijls het tegengestelde wordt beweerd.
De werkplaats in de informele economie lijkt evenzeer eerder statisch te zijn. De
werkmethoden en jobbeschrijvingen lijken stabiel te blijven. Informele arbeiders lijken
te denken: ‘Het is altijd zo geweest en het zal nooit veranderen’. Arbeiders zijn relatief
machteloos, vergeleken bij de machtspositie van diegenen die zich hogerop bevinden.
Verandering brengen in de bestaande situatie lijkt onrealistisch, de machtsverhoudingen
lijken dermate onevenwichtig dat zij zich niet bij machte voelen hier verandering in te
brengen (Verhage & Ponsaers, 2009).
Maar ook vanuit het oogpunt van de informele ondernemer (of werkgever) lijkt de
situatie van de werkplaats verrassend stabiel. Nieuwe investeringen in de infrastructuur
lijken onnodig en vermijdbaar, zolang de informele arbeidskrachten bereid zijn hun
arbeid te verkopen aan lage lonen in min of meer inhumane omstandigheden. Col-
lectieve tegenkrachten, zoals vakbonden of belangen- of lobbygroepen blijven afwezig.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 27 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
28 CPS 2013-4, nr. 29
Dit is een andere reden om de informele markt te zien als verrassend stabiel en niet
zo snel wijzigend als de formele economie.
4.4 Slachtoffer en dader terzelfdertijd
We mogen nochtans niet vergeten dat formele en informele arbeid vaak met elkaar
verweven zijn. In veel omstandigheden wordt informele arbeid geleverd in illegale
situaties. Vanuit een puur wettelijk perspectief wordt de informele arbeider nogal
eens van het label van ‘overtreder’ voorzien, of zelfs van ‘crimineel’. Hier denken we
bijvoorbeeld aan drugskoeriers (Seddon, 2008) of strandverkopers (Nelken, 2006).
Omwille van de opvallende uitbuitingssituatie waarin participanten werkzaam zijn
keert de rol van ‘overtreder’ makkelijk om naar deze van ‘slachtoffer’. In het domein van
mensenhandel en -smokkel wordt deze wijziging soms officieel erkend, hoewel deze
wending nog steeds voorwerp is van veel debat onder onderzoekers (Sanders, 2008).
In dezelfde lijn argumenteren Nikos Passas (2006) en Dina Siegel (2008) dat informele
geldtransfersystemen, zoals hawala-bankieren,6 niet overdreven veel aandacht van politie
hoeven te krijgen, waardoor men ze ondergronds zou drijven. Migrantenarbeiders
vertrouwen nu eenmaal meer hawala-bankiers dan formele banken om hun geld over
te boeken naar hun familie in het buitenland. Hoewel van de Bunt (2008) waarschuwt
voor het misbruik van het hawala-banksysteem door criminele organisaties om hun
misdaadgeld te transfereren, hetwelk alweer een illustratie is van het feit dat slachtoffers
er makkelijk de rol van overtreder kunnen opnemen en omgekeerd.
5. Besluit
Daar waar het gaat om de formele economie blijkt dat legale en formele bedrijven
zowel slachtoffer als dader kunnen zijn van financieel-economische criminaliteit. Er
zijn echter inherente moeilijkheden verbonden met het meten van de prevalentie van
financieel-economische criminaliteit. Deze moeilijkheden houden in grote mate verband
met het feit dat slachtoffers van deze vormen van criminaliteit zichzelf zelden definiëren
als zodanig, dus niet als slachtoffers reageren en er zelden of nooit aangifte van doen.
Gezien de fundamentele ambiguïteit van financieel-economische criminaliteit zijn
economisch machtige actoren verder ook beter gewapend om opsporing, aanhouding en
veroordeling te ontgaan. Aan de oppervlakte lijkt het wel dat economische criminaliteit
binnen de formele economie sterk lijkt op gewoon legaal gedrag.
Dit alles suggereert dat onzichtbaarheid dit type van criminaliteit kenmerkt en dat het
volkomen onrealistisch zou zijn de prevalentie ervan dan ook precies te meten. In dit
verband dient opgemerkt te worden dat, terwijl het dark number van conventionele
vormen van criminaliteit te wijten is aan het feit dat slachtoffers niet geneigd zijn de
6
Hawala banking werkt op een systeem van vertrouwen. Het geld wordt contant op tafel gelegd in een
steunpunt, en via een contact (telefonisch, per fax of e-mail) kan overal ter wereld in een ander steunpunt
dezelfde som afgehaald worden. Lidmaatschap of rekeningen zijn niet nodig. De Hawala is een zuiver
informeel systeem, vooral gesitueerd in het Midden-Oosten, waarbij er geen afschriften of verrekeningen
plaatsvinden. Het is dan ook niet te verwonderen dat het aan populariteit wint in het misdaadmilieu, omdat
de opsporingsautoriteiten geen inzicht hebben in de transacties. Het systeem leent zich uitstekend voor
overboekingen van zwart geld.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 28 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 29
feiten te rapporteren, het dark number van economische criminaliteit bestaat uit de
mislukking te weten of er zich een misdrijf heeft voorgedaan.
Financieel-economische criminaliteit impliceert een specifieke politiële aanpak. Het
gaat om vormen van criminaliteit die precies niet gemeld worden aan de politie door
het ene of het andere slachtoffer. Opsporing en opheldering van financieel-economische
criminaliteit is meestal dan ook van proactieve aard, de geïsoleerde actie van een spon-
tane ‘klokkenluider’ terzijde gelaten. Het zal met andere woorden de politie zelf zijn
die het initiatief in de recherche dient te nemen, wil zij successen boeken in de strijd
tegen deze criminaliteitsfenomenen, zeker daar waar de formele economie in aanraking
komt met de georganiseerde criminaliteit.
Daar waar het gaat om de informele economie en de illegalismen die zich hierbinnen
voordoen stelden we opnieuw de onmogelijkheid vast om een realistische schatting te
maken van aard en omvang van het fenomeen. We zagen dat de fundamentele struc-
tuur van de informele economie relatief stabiel is, doch de vorm en de omvang ervan
aanzienlijk kan variëren (Ponsaers, Shapland & Williams, 2008). De activiteiten die
in het ene land behoren tot de formele economie, kunnen deel zijn van de informele
economie in een ander land. Nationale regulering en handhaving kunnen sterk variëren.
Nationale regeringen maken hierin keuzes door al dan niet regulering van bepaalde
economische activiteiten, door sommige ervan te criminaliseren, door al dan niet
belangrijke controleactiviteiten te ontwikkelen (door toezichthouders en inspecteurs
aan te stellen).
Een belangrijk deel van de informele economie is handel, en dus ook internationale
handel (of trafiek). Aangezien een deel van deze handel eender waar illegaal van aard is
(handel in opiaten, handel in bedreigde diersoorten, transport van exotische houtsoorten)
(Bisschop, 2012), voor bepaalde soorten van goederen (zoals voorgeschreven drugs,
antiquiteiten en modekleding), kunnen we een permanente wijziging in de labelling van
deze goederen vaststelen, ze reizen als het ware van informeel naar formeel (illegaal of
legaal) en omgekeerd. Het lijkt er sterk op dat er een groeiende interactie en verweven-
heid bestaat tussen formele en informele markten (Bisschop, 2013).
Naar onze mening kan de combinatie van formele en informele economieën leiden tot
synergetische of symbiotische relaties, met andere woorden tot relaties waarin beide
soorten van economie elkaar ondersteunen, tot zelfs noodzakelijk zijn voor elkaar. Maar
deze combinatie kan tevens leiden tot conflictuele en zelfs parasitaire relaties (Vande
Walle, 2008). Het meest pregnante voorbeeld hiervan is ongetwijfeld de uitbuitings-
situatie waarin bepaalde werknemers terecht kunnen komen, of zij nu in de legale of
illegale (in)formele economie worden tewerkgesteld doet dan ook weinig af van deze
brutale vaststelling.
Bibliografie
Bisschop, L. (2012). Out of the woods: the illegal trade in tropical timber and a European
trade hub. Global Crime, 13(3), 191-212.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 29 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
30 CPS 2013-4, nr. 29
Bisschop, L. (2013). Governance throughout the flows. Case study research on the il-
legal tropical timber trade. In P. Saitta, J. ShaPland & a. Verhage (Eds.), Getting by or
getting rich? The formal, informal and illegal economy in a globalized world. The Hague:
Eleven, 167-199.
Boels, D. (2012). The Belgian informal economy. Some conceptual and methodologi-
cal considerations on investigating the case of seasonal work in the fruit farming in
south-Limburg. In M. CoolS (Eds.), Social conflicts, citizens and policing. GofS Research
Paper Series. Antwerpen: Maklu, 57-78.
Bonger, W.A. (1905). Criminality and Economic Conditions. Bloomington: Indiana
University Press.
Braithwaite, J. (1985). White Collar Crime. Annual Review of Sociology, 11, 1-25.
Charmes, J. (2000). Progress in measurement of the informal sector: Employment and
share of GDP. Handbook of national accounting. Household accounting: experiences in the
use of concepts and their compilation. Vol. 1 Household sector accounts. New York: U.N.
Statistics Division, 171-188.
Chen, M.A., Jhabvale, R. & Lund F. (2002). Supporting workers in the informal economy:
A policy framework. Geneva: Employment Sector, International Labour Office, 1-41.
Coleman, J.S. (1982). The Asymmetric Society. New York: Syracuse University Press.
Edelhertz, H. & Overcast, T. (Eds.) (1982). White-Collar Crime: An agenda for Research.
New Buffalo: Heath and Company.
Foucault, M. (1979). Discipline and punish: The birth of the prison. trans. A. Sheridan.
New York: Vintage.
Friedrichs, D.O. (2004). Trusted criminals: white collar crime in contemporary society.
Belmont, CA: Thomson Wadsworth.
Geis, G. (1968). White Collar Criminal. The Offender in Business and the Professions.
Atherton Press, New York.
Godefroy, T., Delaitre, S. & Mollaret, S. (2003). L’économie informelle vue du côté
français: Une économie ‘plurielle’? In J. ShaPland, h.-J. albreCht, J. ditton & t. go-
defroy (Eds), The informal economy: Threat and opportunity in the city. Freiburg-im-
Breisgau: Max-Planck-Institut fur auslandisches and internationales Strafrecht, 249-322.
Green, G. (1990). Occupational Crime. Chicago: Nelson-Hall.
Henry, S. & Sills, S. (2006). Informal economic activity: Early thinking, conceptual
shifts, continuing patterns and persisting issues – a Michigan study. Crime, Law and
Social Change, 45(4-5), 263-284.
Lippens, R. & Ponsaers, P. (Eds.) (2006). Re-visiting the Informal Economy: Introduc-
tory notes. Crime, Law and Social Change, 45(4-5), 259-381.
Mars, G. (2006). Changes in occupational deviance: Scams, fiddles and sabotage in the
twenty-first century. Crime, Law and Social Change, 45(4-5), 285-296.
Massy, L. (2008). The antiquity art market: between legality and illegality. International
Journal of Social Economics, 35(10), 729-738.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 30 9/12/13 10:01
Illegale of informele economie
CPS 2013-4, nr. 29 31
Nelken, D. (2006). Immigrant beach selling along the Italian Adriatic coast: De-con-
structing a social problem. Crime, Law and Social Change, 45(4-5), 297-313.
Passas, N. (2006). Fighting terror with error: The counter-productive regulation of in-
formal value transfers. Crime, Law and Social Change, 45(4-5), 315-336.
Pearce, F. (1976). Crimes of the Powerful: Marxism, Crime and Deviance. London: Pluto
Press.
Pearce, F. & Snider, L. (1995). Corporate Crime: Contemporary Debates. Toronto: Uni-
versity of Toronto Press.
Ponsaers, P. (2003). Oorsprong en ontwikkeling van de inspectie op de nijverheid
in België: stalen vuisten of helpende handen? In Ph. de baetS, S. de Keulenaer & P.
PonSaerS (Eds.), Het Belgisch Inspectiewezen – Een niet ingeloste belofte. Maklu, Antwerpen-
Apeldoorn, 17-48.
Ponsaers, P. & Ruggiero, V. (2002). La criminalité économique et financière en Europe –
Economic and financial crime in Europe. Paris: L’Harmattan – Déviance et Société.
Ponsaers, P., Shapland, J. & Williams, C. (2008). Does the informal economy link to
organised crime? International Journal of Social Economics, 35(9), 644-650.
Quinney, E. (1964). The study of white collar crime: toward a reorientation in theory
and research. Journal of Criminal Law and Criminology, 55, 208-216.
Ross, E. (1907). The Criminaloid. Atlantic Monthly, 99 Janvier, 44-50.
Ruggiero, V. (1996). Organised and Corporate Crime in Europe. Offers That Can’t Be
Refused. Dartmouth: Aldershot.
Ruggiero, V. (2000). Crime and Markets. Essays in Anti-Criminology. Oxford: Oxford
University Press.
Ruggiero, V. & South, N. (1994). Eurodrugs: Drug use, markets and trafficking in Europe.
London: UCL Press.
Saitta, P., Shapland, J., & Verhage, A. (Eds.) (2013). Getting by or Getting Rich? The
Formal, Informal and Criminal Economy in a Globalized World. The Hague: Eleven Pu-
blishers, Reeks Het Groene Gras.
Sanders, T. (2008). Selling sex in the shadow economy. International Journal of Social
Economics, 35(10), 704-716.
Schneider, F. (2005). Shadow economies around the world: What do we really know?
European Journal of Political Economy, 23(1), 598-642.
Seddon, T. (2008). Drugs, the informal economy and globalisation, International Journal
of Social Economics, 35(10), 717-728.
Shapland, J. & Ponsaers, P. (Eds) (2009). The informal economy and connections with
organised crime: The impact of national social and economic policies. The Hague: Boom
Juridische Uitgevers, Series Het groene gras.
Siegel, D. (2008). Hawala banking: issues for regulators. Fifth Seminar CRIMPREV Work-
package 5 (EU). 29-31 October 2008 – Rechtsfaculteit, Capaciteitsgroep Criminologie,
Erasmus Universiteit Rotterdam, Nederland.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 31 9/12/13 10:01
Paul Ponsaers
32 CPS 2013-4, nr. 29
Slapper, G. & Tombs, S. (1999). Corporate Crime. Harlow: Longman.
Sutherland, E. (1956). Crime of Corporations. The Sutherland Papers. Bloomington:
Indiana University Press.
Sutherland, E. (1983). White Collar Crime. The Uncut Version. New Haven: Yale Uni-
versity Press.
Sutton, M. (2003). Theft, stolen goods and the market reduction approach. In J. Shap-
land, H.-J. Albrecht, J. Ditton & T. Godefroy (Eds.), The informal economy: Threat
and opportunity in the city. Freiburg-im-Breisgau: Max-Planck-Institut fur auslandisches
and internationales Strafrecht, 219-230.
Tarrius, A. (2003). Drogues, communautés d’étrangers, chômage des jeunes et renou-
veau des civilités dans une ville moyenne française. In J. Shapland, H.-J. Albrecht,
J. Ditton & T. Godefroy (Eds.), The informal economy: Threat and opportunity in the
city. Freiburg-im-Breisgau: Max-Planck-Institut fur auslandisches and internationales
Strafrecht, 37-46.
van de Bunt, H.G. (1992). Organisatiecriminaliteit. Arnhem: Gouda Quint bv.
Van de Walle, G. (2008). A matrix approach to informal markets: towards a dynamic
conceptualisation. International Journal of Social Economics, 35(9), 651-665.
Verhage, A. & Ponsaers, P. (2009). Power-seeking crime? The professional thief versus
the professional launderer. Crime, Law and Social Change, 51(3-4), 399-412.
Wells, C. (1993). Corporations and Criminal Responsibility. Oxford: Oxford University
Press.
CPS 29 Illegale en informele economie.indd 32 9/12/13 10:01
... As argued by Ponsaers, Shapland and Williams (2008, 645), the informal economy can be described as "the reverse side of the official economy, the boundary between which is drawn by legislation and regulation". In this context, the informal economy comprises all economic activities that are not officially regulated and registered (Adriaenssens et al. 2009;Chen, Jhabvala and Lund 2001;Dell'Anno 2003;Dobovsek 2009;Henry and Sills 2006;Lippens and Ponsaers 2006;Slot 2010) and ultimately, therefore, taxed (Ponsaers 2013). As a result, enforcement of regulation (focused on compliance) has an important role in determining the boundaries between formality and informality. ...
... From this point of view, we can conclude that the city is not legally or judicially regulating the exploitation of prostitution, but is regulating it in practice. It is precisely because of this situation (and due to the lack of congruence between regulations, both national and local, and practice) that a grey area between formal and informal economies is created (Ponsaers 2013). Before discussing the nature of this grey area in more detail, we first describe the organisation of Ghent's prostitution sector. ...
Article
Full-text available
An extensive body of literature exists on sex work and prostitution, covering a variety of topics. The relation between prostitution and the informal economy, however, has not been widely studied. This article aims to contribute to this under-researched domain. Furthermore, it empirically contributes to the current topical policy debate on prostitution by offering insights into the perceptions of prostitutes and other stakeholders in the prostitution business and policy towards it in Ghent, Belgium. The empirical results draw on a qualitative research design, using a combination of semi-structured interviews with prostitutes, policymakers and social workers, document analyses and dossier analyses. These methods indicate that although sexual exploitation exists, prostitution can certainly not, by definition, be equated with exploitation, coercion or male domination. Furthermore, in contradiction to the current mainstream European point of view, no support was offered by the respondents for the criminalisation of clients. However, no full consensus was found regarding legalization and regularization of prostitution and its related activities. As different stakeholders have varying interests and preferences, more broad empirical research is needed to identify all their needs.
Chapter
Now that the empirical findings have been presented in the three preceding chapters, this chapter brings some of the most relevant ones together in order to make statements about the regulation and the nature of the informal economy. It begins by discussing the usefulness of responsive regulation theory for regulating the informal economy. Subsequently, some main characteristics of the informal economy are discussed on the basis of the empirical results, which will in turn lead to a re-conceptualisation of the informal economy.
Chapter
This last empirical chapter reports on the case of prostitution in Ghent. The results of this case are based on 38 semi-structured interviews conducted between the summer of 2013 and the winter of 2013–2014, document analyses and case file analyses. In line with previous research (see Chap. 2), interviews were conducted with both prostitutes (22 interviews) and experts/key informants (i.e., regulators, enforcers and social workers; 16 interviews) active in Ghent. Given the hard-to-reach character of prostitutes, a gatekeeper willing to facilitate access was found. As this sampling strategy entails a selection bias, I additionally searched for respondents on my own account and through snowball sampling (see Chap. 2). The sampled prostitutes were of various nationalities and between them represented all the different prostitution sectors found in Ghent. Four settled case files at the level of the Office of the Public Prosecutor were analysed. The chapter begins with a brief description of the case, after which the regulatory stipulations concerning prostitution are exposed. Subsequently, it moves to a discussion of the informal activities and the enforcement of the regulation. Before explaining the influence of the policy on informality, the chapter offers more insights into the perceptions of prostitutes regarding their work. The chapter ends with a conclusion, in which further support for the book’s main arguments are summarised.
Chapter
The informal economy has many faces, covering both visible and hidden types of activities. Visible informal activities range from immigrant beach or street selling in Italy (Bellinvia 2013; Nelken 2006) to garbage collecting in Brazil (Coletto 2010) to income-earning activities of street children in Africa (Hendriks et al. 2013). Home-based garment work (Carr and Chen 2002/1) and domestic work (Cox and Watt 2002) are but a few examples of more hidden types of informal work. The interchangeable use of different related terms—Kazemier (2004) and Williams (2014) identify over 40 different terms in English that are used in the literature, such as unofficial economy, unrecorded economy, hidden economy, unobserved economy or black economy—has further expanded the research scope on the informal economy (Feige 1990). But since when has research on the informal economy expanded?
Chapter
The aim of this chapter is to introduce the concept of the informal economy, and its manifestation in Western Europe. Therefore, I start by discussing the most influential definitions and taxonomies of the informal economy. This overview is far from exhaustive and does not cover definitions of related terms such as informal employment, informal work and so on. It is aimed more at illustrating the problematic nature of the conceptualisation and at stimulating the use of broad working definitions for empirical purposes than at offering an exhaustive overview. After clarifying the working definition, I problematise the measurement of the informal economy and offer some recent findings regarding its size and prevalence in Western Europe. Subsequently, I explore the underlying causes and determinants of the informal economy. Having done this, I proceed with a European literature review of the informal economy and seasonal work, street selling and prostitution (i.e., the three cases covered in the remainder of the book). The chapter ends with an overview of the methodology used in this book.
Article
Full-text available
Only banal generalizations are possible in answer to questions of who engages in white collar crime and why. Doubt is cast on the common assertion that firms in financial difficulty are more likely to offend than profitable ones. Qualitative studies of how white collar offenses are perpetrated and how regulatory agencies seek to control offenses constitute the most illuminating part of the literature. This literature depicts consistent pressure for blame for white collar crime to be passed downwards in the class structure, widespread use of international law evasion strategies, and a preference of control agencies for informal, “direct action” modes of social control over litigious regulation. The thesis that the latter reflects “capture” by ruling class interests is critically examined. It is contended that community attitudes toward white collar crime have become increasingly punitive. The review concludes that theoretical progress is most likely via organization theory paradigms, but that partition of white collar crime into “corporate (or organizational) crime” and “occupational crime” is necessary to facilitate such progress.
Article
The abstract for this document is available on CSA Illumina.To view the Abstract, click the Abstract button above the document title.