BookPDF Available

Ponsaers, P. , Roegiers, N., Balthazar, H. (eds.) (2015). Naar een herevaluatie van burgerinfiltratie, CPS Scriptieprijs 2015, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu, pp. 140.

Authors:
CPS Scriptieprijs
2015
Naar een herevaluatie van burgerinfiltratie
maklu
maklu
CPS Scriptieprijs 2015
toegekend door de jury van het Centrum voor Politiestudies
op 21 mei 2015 aan de masterthesis
Naar een herevaluatie van burgerinfiltratie
Kristof BRYS
Universiteit Gent
Paul Ponsaers
Nathalie Roegiers
Herman Balthazar
(eds.)
Maklu
Antwerpen/Apeldoorn
maklu
Kristof Brys
Naar een herevaluatie van burgerinfiltratie
Antwerpen-Apeldoorn
Maklu
2015
140 pag. - 24 x 17 cm
ISBN 978-90-466-0770-1
D/2015/1997/32
NUR 824
© 2015 Kristof Brysen Maklu-Uitgevers nv
Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonde-
ringen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook,
zonder de uitdrukkelijke voorafgaande en schriftelijke toestemming van de au-
teur en van de uitgever.
Hoewel bij de realisatie van deze uitgave een zo groot mogelijke nauwkeurigheid
en correctheid werd nagestreefd, kan voor de aanwezigheid van eventuele
(druk)fouten, onvolkomen- en onvolledigheden niet worden ingestaan en aan-
vaarden noch de auteur, noch de uitgever hiervoor enige aansprakelijkheid.
Maklu-Uitgevers
Somersstraat 13/15, B-2018 Antwerpen, www.maklu.be, info@maklu.be
Koninginnelaan 96, Nl-7315 EB Apeldoorn, www.maklu.nl, info@maklu.nl
maklu
Maklu 5
INHOUDSOPGAVE
De scriptieprijs van het Centrum voor Politiestudies 9
Inleiding 13
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden
infiltratie en informantenwerking in België 15
Hoofdstuk 1. De actieve rol van burgers voor de totstandkoming van de
B.O.M.-regelgeving 15
Afdeling 1. Tot 1990: vrije speelruimte die leiden tot schandalen 15
Afdeling 2. Ministeriële omzendbrieven: het antwoord op alle vragen? 19
§ 1. Algemeen 19
§ 2. Het geheim karakter van de omzendbrieven 20
§ 3. Inzake informantenwerking 21
§ 4. Inzake infiltratie 22
§ 5. Kritische bedenkingen door parlementaire onderzoekscommissies 24
1. Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde
criminaliteit in België 24
2. Parlementaire onderzoekscommissie ‘Dutroux-Nihoul en
consorten’ 26
Hoofdstuk 2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet 29
Afdeling 1. Basisbeginselen inzake B.O.M. 29
§ 1. Subsidiariteit 29
§ 2. Proportionaliteit 30
§ 3. Verbod van provocatie 31
§ 4. Verbod om misdrijven te plegen 33
§ 5. Het loyauteitsbeginsel of het beginsel van behoorlijke opsporing 33
Afdeling 2. Infiltratie en de aanverwante informantenwerking 35
§ 1. Infiltratie 35
1. Wettelijke bepalingen 35
2. Burgerinfiltratie? 37
3. Politionele onderzoekstechnieken 39
§ 2. De aanverwante informantenwerking 40
1. Wettelijke bepalingen 40
2. Problematiek van ‘gestuurde informant’/’infiltrerende informant’ 42
a. ‘Al dan niet gevraagd’ 42
b. Paradox: verbod burgerinfiltratie tegenover schijnbaar
toelaatbare infiltrerende informanten? 43
3. De ‘misdrijfplegende informant’? 46
maklu
6 Maklu 
Hoofdstuk 3. Onregelmatig verkregen bewijs door (verkeerd) gebruik van
burgers bij de infiltratie/informantenwerking 51
Afdeling 1. Onregelmatig karakter 51
Afdeling 2. De Antigoon-rechtspraak van het Hof van Cassatie 52
Afdeling 3. Burgerinfiltratie en infiltrerende informantenwerking getoetst
aan Antigoon-rechtspraak 54
Afdeling 4. Onregelmatigheden begaan door particulieren 55
Hoofdstuk 4. De actieve rol van burgers bij B.O.M. conceptueel
geherevalueerd 57
Afdeling 1. Doelstelling 57
Afdeling 2. Conceptuele herevaluatie 58
§ 1. Het niveau van bijstandsverlening door burgers: niet zelfstandig
optreden 58
§ 2. Het niveau van infiltratie: de (burger)infiltrant 59
§ 3. Het niveau van gewone informantenwerking 62
§ 4. Inzake de infiltrerende informantenwerking: de infiltrerende
informant 63
Deel 2. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden
infiltratie en informantenwerking in Nederland 65
Hoofdstuk 1. Situatie voor de invoering B.O.B.-Wet 67
Afdeling 1. De IRT-affaire 67
Afdeling 2. Evaluatie Parlementaire Enquêtecommissie van Traa inzake
gebruik van burgers 67
§ 1. Veelvuldig gebruik van burgers 67
§ 2. Gebrek aan wettelijke grondslag bijzondere opsporingsmethoden 69
§ 3. Risicovol karakter 70
Hoofdstuk 2. De rol van burgers in kader van B.O.B.-Wet 73
Afdeling 1. Bijstand van burgers bij infiltratie: burgerinfiltratie 74
§ 1. Wettelijke invulling van het concept 74
§ 2. Invulling ‘burger’ 76
1. Principieel verbod op criminele burgerinfiltratie 76
2. Uitzondering: terrorismebestrijding 78
3. Naar een opheffing van het verbod op criminele burgerinfiltratie 79
Afdeling 2. Burgerpseudokoop of -dienstverlening 82
§ 1. Wettelijke invulling van het concept 82
§ 2. Invulling ‘burger’ 83
Afdeling 3. Verzoek stelselmatig inwinnen van gegevens door burgers:
burgerinformant 84
§ 1. Wettelijk invulling concept 84
§ 2. Invulling ‘burger’ 88
maklu
Maklu 7
Hoofdstuk 3. Conceptuele vergelijking betreffende infiltranten en
informanten 89
Deel 3. Gebruik van burgers bij bijzondere opsporingsmethoden in het kader
van EHRM-rechtspraak 93
Hoofdstuk 1. Toelaatbaarheid burgers? 95
Hoofdstuk 2. De actieve rol van burgers bij undercovertechnieken 97
Afdeling 1. De door het EHRM gebruikte terminologie 97
Afdeling 2. Het al dan niet in opdracht van politiediensten handelen 98
§ 1. Met betrekking tot provocatie (artikel 6 EVRM) 98
1. Negatieve verplichting: verbod om te provoceren (substantiële
beoordeling) 98
2. Positieve verplichtingen: procedurele aspecten (procedurele
beoordeling) 100
§ 2. Met betrekking tot het zwijgrecht (artikel 6 EVRM) 101
§ 3. Met betrekking tot het recht op privacy (artikel 8 EVRM) 103
1. Negatieve verplichting: verbod op inbreuk op recht op privacy 103
2. Positieve verplichting: wettelijke verankering van bijzondere
opsporingsmethoden 104
Hoofdstuk 3. EHRM-rechtspraak gereflecteerd op huidige Belgische
regelgeving inzake het gebruik van burgers bij B.O.M. 105
Afdeling 1. In het kader van artikel 6 EVRM 105
Afdeling 2. In het kader van artikel 8 EVRM 106
Deel 4. De toekomstige actieve rol van burgers bij de bijzondere
opsporingsmethoden in België 107
Hoofdstuk 1. Rekening houdend met EHRM-rechtspraak 109
Hoofdstuk 2. Enkele relevante factoren die het werken met actievere burgers
kunnen bepalen 111
Afdeling 1. Belang van negatieve ervaringen 111
Afdeling 2. Belang van maatschappelijke criminele context en het
ondoordringbaar karakter van sommige criminele groeperingen 113
Afdeling 3. Gebrek/nood aan specifieke deskundigheid 116
Hoofdstuk 3. Een toekomstige actievere rol voor burgers in het kader van
een toenemende en evoluerende informaticacriminaliteit? 119
Afdeling 1. Klassieke opsporingsmethodes achterhaald? 119
Afdeling 2. Noodzakelijke betrokkenheid van burgers? 121
§ 1. Gelet op een noodzakelijke deskundigheid 121
§ 2. In het kader van undercoveroperaties: het potentiële
ondoordringbaar karakter van cybercrime-groeperingen 122
maklu
8 Maklu 
1. Real-life-infiltratie 123
2. Online-infiltratie 123
Deel 5. Conclusie 127
Bibliografie 131
Structureel partnership CPS 139
maklu
Maklu 9
De scriptieprijs van het Centrum voor Politiestudies. Editie 2013-
2014
Voor het vierde jaar op rij organiseerde het Centre for Policing and Security
(voorheen Centrum voor Politiestudies) de wedstrijd voor het beste eindwerk.
Dit boek is het resultaat van de vierde editie, academiejaar 2013-2014, van deze
scriptieprijs en bevat de winnende thesis en de structurele partners1 van het
CPS.
Het Centre for Policing and Security vzw (CPS) organiseert sinds jaren studie-
dagen en heeft een eigen publicatiereeks, met name de ‘Cahiers Politiestudies’.2
De CPS scriptieprijs werd in het leven geroepen als initiatief om het maatschap-
pelijk debat over veiligheid te verrijken en te verdiepen. Vlaanderen heeft een
breed onderwijsveld rond de veiligheidsproblematiek, met een sterk maatschap-
pelijke insteek, en we wensten deze troef onder de aandacht te brengen van poli-
tie en wetenschap met een CPS-scriptieprijs.
In mei 2014 werd de oproep voor de CPS-scriptieprijs aan de studenten van
diverse hogescholen en universiteiten verspreid. Daarin werd toegelicht welke
scripties in aanmerking konden komen voor de prijs. Het moest gaan om eind-
werken die werden neergelegd bij het beëindigen van een opleiding in het hoger
onderwijs gedurende het academiejaar 2013-2014. Academische bachelorproe-
ven en eindwerken uit voorgaande academiejaren kwamen dus niet in aanmer-
king. Bovendien moesten deze scripties een quotering van 14 of meer op 20
behaald hebben. De CPS-prijs beoogde met andere woorden scripties die zich

1 Structurele partners steunen het CPS, niet enkel in haar voortbestaan, maar eveneens in
de realisatie van de doelstellingen van de vereniging. Structurele partners maken, meer
nog dan gewone participanten aan de CPS-activiteiten, deel uit van een netwerk van prak-
tijkcorrespondenten uit politie, justitie en belendende domeinen, wetenschappers (aca-
demici, wetenschappelijk onderzoekers, professoren, onderzoekers aan beleidsinstituties)
en bestuurlijke en gerechtelijke overheden, beleidspractici, politici ... Dat levert allerhande
voordelen op: de mogelijkheid kennis en vaardigheden uit te wisselen, samenwerking te
zoeken, enzovoorts. Het CPS wil immers partners met elkaar in contact brengen. Struc-
turele partners participeren actief aan de activiteiten van het Centrum, reiken thema’s aan
die het voorwerp kunnen uitmaken van een activiteit, hebben toegang tot de databank aan
handouts, worden op de website vermeld, kunnen deelnemen aan netwerkevents e.d.
Iedereen kan structureel partner worden, in de mate dat de partner de missie van het CPS
mee onderschrijft.
2 Meer informatie over de missie van het CPS is te vinden op
http://www.policingandsecurity.be/index.cfm?Id=85
maklu
10 Maklu 
hadden onderscheiden. Aan de afgestudeerden werd daarenboven gevraagd om
een publiceerbaar artikel van ongeveer 6000 woorden, dat de bevindingen van
het eindwerk samenvat. Tot slot mochten de inzendingen nog niet eerder gepu-
bliceerd zijn en dus geen ISBN/ISSN nummer kennen.
In totaal werden ter gelegenheid van deze editie 4 thesissen ingediend die aan de
ontvankelijkheidscriteria voldeden. De geanonimiseerde samenvattingen werden
door de selectiecommissie3 gelezen en beoordeeld. Elke samenvatting werd door
twee academici en twee praktijkmensen geëvalueerd. Aan de selectiecommissie
werd gevraagd volgende zaken na te gaan bij de lezing: (1) Is het thema relevant
op het kruispunt veiligheid en samenleving? Behandelt dit artikel een thema dat
de missie van het CPS tot uitdrukking brengt?; (2) Is het publiceerbaar artikel
vernieuwend en geeft de auteur blijk van kritische zin?; (3) Wat zijn de sterke
punten van dit artikel?; (4) Wat zijn de zwakke punten van dit artikel?
Deze 16 beoordelingen werden vervolgens samengebracht om tot een rang-
schikking van de thesissen te komen. Er werd rekening gehouden met zowel de
kwantitatieve beoordeling (hoogte en spreidingsmaat van de scores) als de kwali-
tatieve beoordeling (de schriftelijke commentaren). Voor elke inzending werd
een document opgemaakt dat de opmerkingen per tekst integreerde. De rang-
schikking en de geïntegreerde commentaren werden in de vergadering van de
selectiecommissie van 10 februari 2015 besproken. Dit heeft tot een lijst van drie
genomineerden geleid. Voor alle inzendingen waren woorden van lof, maar
slechts drie samenvattingen gaven aanleiding tot een nominatie voor de CPS
scriptieprijs. Dit doet natuurlijk niets af aan de kwaliteit van de thesis van de
niet-genomineerde.
De drie scripties die door de selectiecommissie werden genomineerd, zijn (in
alfabetische volgorde):
In hun blootje voor het publieke oog. Een kwalitatieve studie naar de
grijze zone tussen de aanvaardbare en problematische vertoning van
minderjarig naakt
Ann-Sophie Decuyper

3 Wij zijn een woord van dank verschuldigd aan Antoinette Verhage, Dirk Allaerts, Liese-
lot Bisschop, Kaat Boon, Freya Vander Laenen, Gerwinde Vynckier, Isabel Verwee, Jean-
Claude Gunst, Kurt Tirez, Marc Bloeyaert, Marc Bockstaele, Mark Crispel, Marleen Eas-
ton, Sofie De Kimpe, Tom Broekaert en Wim Van Hulle.
maklu
Maklu 11
Naar een herevaluatie van burgerinfiltratie
Kristof Brys
Betrouwbaarheid van sneltesten voor drugs en hun relevantie voor de
nieuwste synthetische drugs
Arne-Jan Bonneure
Daarop gaf de selectiecommissie de fakkel door aan de jury4. De beoordeling van
de jury gebeurde, in overeenstemming met het reglement, op basis van de volle-
dige geanonimiseerde scriptie, in tegenstelling tot de selectiecommissie die
enkel de geanonimiseerde publiceerbare samenvattingen te lezen kreeg. De jury
bouwde daarbij verder op dezelfde evaluatiecriteria die door de selectiecommis-
sie werden gehanteerd. Tijdens de vergadering van de jury prees elk van de jury-
leden de kwaliteit van de drie genomineerde thesissen. Ze beklemtoonden dat
het voor hen erg interessant is deze werkstukken te lezen. Slechts één werk kon
echter de titel van winnaar van de CPS prijs 2013-2014 in de wacht slepen.
Het winnende eindwerk bespreekt een thema dat in Belgische context meer
aandacht verdient. Het vertrekpunt van dit werk is het actueel verbod in de Bel-
gische regelgeving om te werken met burgerinfiltranten. Het topic van de scrip-
tie is, aldus de jury, maatschappelijk relevant en is actueel. De relevantie op het
kruispunt tussen politie, veiligheid en samenleving zijn echter niet de enige
redenen waarom dit werk kan beschouwd worden als beste scriptie, uitgaande
van het Centre for Policing and Security. De auteur weet immers in zijn bijdrage
de lezer naar inhoud en structuur te boeien en een evenwichtig verhaal neer te
schrijven over de problematiek van de actieve rol van burgers bij de bijzondere
opsporingsmethoden infiltratie en informantenwerking in België. Door een
goed opgebouwd theoretisch kader heen, dat een beter inzicht verstrekt in de
problematiek, wordt de probleemstelling keurig uitgewerkt. De scriptie is bo-
vendien erg nuttig op praktijkniveau en voor de opsporingsactoren (politie, par-
ket en onderzoeksrechters) in het bijzonder. In het onderzoek van de student
werd een conceptuele herevaluatie doorgevoerd waarbij alle mogelijke (ook hypo-

4 Deze jury werd voorgezeten door voormalig gouverneur Prof. dr. Em. Herman Balthazar
en bestond verder uit Peter Vanhoyland (korpschef Politiezone Tervuren), Koen Van
Heddeghem (Coördinator en stafmedewerker lokale politie, Vlaamse Vereniging voor
Steden en Gemeenten), Lodewijk Gunther Moor (Stichting Maatschappij Veiligheid en
Politie), Michel Cornelis (Arrondissementscommissaris Vlaams-Brabant) en Philip Wille-
kens (Directeur Generaal, Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, FOD Bin-
nenlandse Zaken).
maklu
12 Maklu 
thetische) burgerfiguren in het kader van de B.O.M.-Wet duidelijk werden afge-
bakend. De jury is lovend over de scriptie en stelt dat deze bijdrage duidelijk
aangeeft waarom het meerwaarde zou kunnen zijn om uitgebreider/actiever te
gaan werken met burgers in het kader van bijzondere opsporingsmethoden. Dit
eindwerk past daarom perfect binnen de doelstelling van het Centre for Policing
and Security.
Wij mogen met deze publicatie dan ook met veel plezier de winnaar van de CPS
scriptieprijs 2013-2014 bekendmaken. Het winnende eindwerk is: Herevaluatie
van Burgerinfiltratie. Auteur van deze scriptie is Kristof Brys, afgestudeerd als
Master in de Rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven onder promotor-
schap van Prof. Dr. Frank Verbruggen. Op 21 mei 2015 wordt de winnaar in de
bloemetjes gezet op de feestelijke prijsuitreiking ter gelegenheid van de studie-
dag ‘Ethnic profiling: gelijkheid onder druk?’ in het Stadhuis te Vilvoorde.
Zoals in de oproep aangekondigd was, zullen de samenvattingen van de CPS
scriptieprijs in een raadpleegbare databank van de uitgeverij Maklu worden op-
genomen. Deze databank zal beschikbaar zijn voor de abonnees van de Cahiers
Politiestudies. Het is te raadplegen op http://www.maklu-online.eu/nl/crime/
cps-scriptieprijs/.
Veel leesplezier en vooral een vruchtbaar debat toegewenst.
Paul Ponsaers, voorzitter van het Centrum voor Politiestudies
Herman Balthazar, voorzitter van de jury van de CPS-scriptieprijs
Nathalie Roegiers, secretaris van de CPS-scriptieprijs
Mei 2015
maklu
Maklu 13
Inleiding
Burgerinfiltratie is verboden in België, in tegenstelling tot de bijzondere opspo-
ringsmethoden burgerbijstand bij een infiltratie en (gewone) informantenwer-
king waarbij de betrokken burgers eerder een passieve/beperkte rol vervullen.
De onderzoeksvraag die we in dit werk zullen behandelen betreft de vraag of dat
verbod op burgerinfiltratie, of algemener, het verbod om te werken met te actie-
ve burgers in het kader van de B.O.M.-Wet, nog steeds gerechtvaardigd is. Is het
met andere woorden in sommige gevallen niet noodzakelijk dat opsporingsdien-
sten actiever gaan werken met burgers om de bestrijding van bepaalde vormen
van criminaliteit zo efficiënt mogelijk te houden? Is er een toekomst voor een
actieve(re) betrokkenheid van burgers of moet de wetgever eerder een conserva-
tieve houding blijven aannemen?
Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk om een zo volledig mogelijk
beeld te schetsen over de huidige regelgeving inzake de infiltratie en aanverwan-
te informantenwerking. Het eerste deel zal hierover handelen. Hierbij zullen we
vooreerst onderzoeken waar dat verbod op burgerinfiltratie zijn oorsprong heeft
en wat de argumentatie is om conservatief aan dit verbod te blijven vasthouden.
Daarna volgt een concrete bespreking over de actuele regelgeving inzake de infil-
tratie en de aanverwante informantenwerking. Opgemerkt moet worden dat de
praktijk meermaals heeft gewezen op de dunne grens die bestaat tussen deze
beide technieken en er moet gewezen worden op de inconsequente terminologie
die de praktijk hanteert bij de bespreking van bepaalde burgerfiguren bij de
aanwending van bijzondere opsporingsmethoden. Om aan deze onduidelijkhe-
den tegemoet te komen zullen we een conceptuele herevaluatie uitvoeren. Zo
zullen we nagaan welke mogelijke rollen (ook hypothetische) burgers zouden
kunnen invullen in het kader van de B.O.M.-Wet om deze vervolgens duidelijk
van elkaar af te bakenen.
In een tweede deel zullen we een rechtsvergelijkend onderzoek voeren met de
Nederlandse regelgeving inzake de inzet van burgers in het kader van bijzondere
opsporingsmethoden. De reden waarom er met Nederland vergeleken zal wor-
den is omdat Nederland met gelijkaardige negatieve ervaringen geconfronteerd
werd als België inzake het werken met actieve burgers in de opsporing, doch een
totaal ander regime kent dan Belg. Het is dan ook interessant om na te gaan
hoe het komt dat beide regimes zo sterk van elkaar verschillen ondanks een
gelijkaardige negatieve geschiedenis.
In een derde deel gaan we onderzoeken of er volgens het EHRM wel ruimte is
voor het werken met actieve burgers in het kader van bijzondere opsporing.
Hierbij zullen we voornamelijk oog houden voor rechtspraak inzake artikel 6 en
artikel 8 EVRM.
In het vierde en voorlaatste deel zullen we onze onderzoeksvraag beantwoorden
op basis van alle relevante bevindingen die voortvloeien uit de eerste drie delen
van dit werk. Concreet zullen we een overzicht geven van enkele factoren die
volgens ons een belangrijke rol kunnen vervullen bij een eventuele overweging
maklu
Inleiding
14 Maklu 
om in de toekomst over te schakelen naar een regime waarbij er een actievere rol
is weggelegd voor burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden. Ter illustratie
zullen wij de potentiële meerwaarde van het werken met zulke actievere burgers
bespreken in een context van een steeds groeiende en snel evoluerende informa-
ticacriminaliteit (cybercrime).
Ten slotte zullen wij in een vijfde deel bij wijze van conclusie een bondig over-
zicht geven van dit werk.
maklu
Maklu 15
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsme-
thoden infiltratie en informantenwerking in België
Hoofdstuk 1. De actieve rol van burgers voor de totstandkoming van de
B.O.M.-regelgeving
Afdeling 1. Tot 1990: vrije speelruimte die leiden tot schandalen
1. OORSPRONG. De bijzondere opsporingsmethoden kennen hun opmars in Bel-
gië sedert de jaren 70 en zijn overgewaaid vanuit de Verenigde Staten. De idee
achter deze bijzondere opsporingsmethoden was een efficiëntere bestrijding van
georganiseerde criminaliteit.5 In dit kader werd het Bestuur van de Criminele
Informatie opgericht (afgekort: BCI). Deze instelling moest een antwoord bieden
op de toename van banditisme in de jaren 70 en de toenemende handel in ver-
dovende middelen. In het kader van de toenemende handel in verdovende mid-
delen werd uiteindelijk ook het Nationaal Bureau voor Drugs opgericht (afge-
kort: NBD). De oprichting van het BCI gebeurde bij het Koninklijk besluit van 2
juni 1971. Dit Koninklijk besluit regelde echter niets inzake de taken, bevoegd-
heden en werkwijze van het BCI. In de considerans van dat Koninklijk besluit
viel wel te lezen dat de dienst de aangepaste middelen zou krijgen om de voor-
noemde praktijken op te sporen en te vervolgen.6
Met andere woorden was er geen sprake van enige wettelijke regeling inzake het
gebruik van bijzondere opsporingsmethoden door het BCI.
2. ZAAK-FRANÇOIS. De zaak-François is het eerste voorbeeld waarbij wordt aange-
toond dat het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden niet zonder risico’s
verloopt.
In de cocaïne-zaak (1975) had de toenmalige rijkswachtcommandant FRANÇOIS
1.650.000 BEF geleend uit de kas van de rijkswacht en dit gegeven aan zijn
burgerinfiltrant ter voltooiing van een infiltratieoperatie. De burgerinfiltrant
bleek onbetrouwbaar te zijn en ging er met het geld vandoor. François trachtte
vervolgens dit verloren geld te recupereren door zelf inbeslaggenomen cocaïne te
gaan verkopen. Daarbovenop zorgde hij ervoor dat bepaalde zendingen ongecon-
troleerd ingevoerd werden mits betaling van een bepaalde som en met hulp van
enkele corrupte douaniers (de zaak Kahn). Talrijke zaken7 volgden waarbij zoge-

5 Zie J.A.W. LENSING, ‘De Amerikanisering van misdaadbestrijding. Over de import van
opsporingstechnieken’, Justitiële Verkenningen 1995, afl. 9, 84-94; R. VAN CAMP, ‘Georga-
niseerde criminaliteit. Te veel rechtsstaat of te veel Fouché?’, RW 1996-97, 666.
6 Zie C. FIJNAUT, De zaak-François. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis, Antwer-
pen, Kluwer, 1983, 20.
7 Bv. de zaken Blom De Graaf (1977-1978); Ali Shah Akbar (1977); Adama (1977-1978);
Tian (1976-1977); Duyf (1978); Ashrat (1979); enzovoort, aangehaald in C. FIJNAUT, De
zaak-François. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis, Antwerpen, Kluwer, 1983, 93-
95.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
16 Maklu 
naamde gecontroleerde zendingen (meestal drugs) doorgelaten werden (omko-
ping) en waarbij zelfs overheidsambtenaren voor eigen rekening drugs gingen
verkopen. Zo hadden, bijvoorbeeld, leden van de BCI samen met enkele drug-
handelaren een winstgevende drugshandel opgezet in het buitenland en speelde
een NBD-lid vertrouwelijke inlichtingen van de Bijzondere Opsporingsbrigade
(afgekort: BOB) door aan de belangrijkste personages bij wijze van waarschu-
wing (Zaak-Parijs-Nederland, 1980).8 In alle voornoemde zaken waren vooral
leden van het BCI en het NBD betrokken die misbruik maakten van hun positie
met als uiteindelijke gevolg dat een reeds omgevormde9 BCI opgedoekt werd
door een Koninklijk besluit van 1 augustus 1991.10
Opmerkelijk is de rechterlijke verklaring, binnen het proces-François, voor het
buitensporig optreden van deze agenten. Volgens deze verklaringen kwam het
erop neer dat politiemensen zodanig slecht opgeleid en begeleid werden om de
verlokkingen van het criminele milieu te weerstaan, dat zij zelf criminelen zijn
geworden.11
Volgens FIJNAUT is het ontbreken van een duidelijke wettelijke basis van de bij-
zondere opsporingstechnieken één van de hoofdredenen die geleid hebben tot
deze schandalen. In dit verband stelt hij dat politiemensen een onbepaald man-
daat kregen om binnen de vage grenzen van de wet, de illegale handel in verdo-
vende middelen te bestrijden. Dat onbepaald mandaat stimuleert en legitimeert
vervolgens het systematisch gebruik van een onconventionele en ingrijpende
politiemethode, nl. de politiële infiltratie.12
3. ZAAK-REYNIERS. Een ander ophefmakende zaak was de zaak-Reyniers.13 Deze
zaak is een schoolvoorbeeld van de onbetrouwbaarheid van burgerinfiltranten en
informanten en het bestaande gevaar dat zij actief gebruik gaan maken van poli-
tiemensen in plaats van andersom.
Zo was er bijvoorbeeld de Mulectro-zaak waarbij een btw-carrousel werd opge-
richt door criminele infiltranten en waarbij die constructie in principe na enkele
maanden zou moeten worden stopgezet. De infiltranten hadden de constructie
voor een langere tijd aangehouden door onder andere de positie van REYNIERS te
misbruiken en hem tevens te misleiden. Gevolg hiervan is dat de infiltranten

8 C. FIJNAUT, De zaak-François. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis, Antwerpen,
Kluwer, 1983, 91-97.
9 KB 30 april 1985 tot wijziging van het KB van 2 juni 1971 tot oprichting van een Bestuur
van de Criminele Informatie bij het Ministerie van Justitie en tot vaststelling van het
statuut van het personeel van dit bestuur, BS 22 augustus 1985.
10 KB 1 augustus 1991 houdende afschaffing van de buitendiensten van het Bestuur Bur-
gerlijk en Criminele Zaken bij het Ministerie van Justitie, BS 3 oktober 1991.
11 C. FIJNAUT, De zaak-François. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis, Antwerpen,
Kluwer, 1983, 51-52.
12 C. FIJNAUT, De zaak-François. Beschouwingen naar aanleiding van het vonnis, Antwerpen,
Kluwer, 1983, 87.
13 Voor een uitgebreide toelichting, zie P. KOECK, Reyniers – Superflik, Leuven, Van Hale-
wyck, 1998, 376 p.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  17
een grote som aan illegale winsten hadden gemaakt. Overigens beschermde
Reyniers zijn informanten en infiltranten te veel door allerlei toegevingen en
gunsten te verlenen.14
De zaak werd uiteindelijk beslecht door de correctionele rechtbank van Brussel
op 25 januari 1995. Opvallend is dat ook in deze zaak de correctionele rechtbank
de aandacht vestigde op het ontbreken van een wettelijk omkadering van de
bijzondere opsporingsmethoden. Zij stelde echter:
‘(…) dat de betichte (Reyniers) zich in de Verenigde Staten naar nieuwe
politietechnieken geïnformeerd heeft en geijverd heeft of zelfs initiatief geno-
men heeft om deze technieken in ons land te introduceren; dat de initiatieven
en de inzet van de betichte goedgekeurd en gewaardeerd werden door leden
van het parket; dat de betichte gehandeld heeft ondanks het gebrek aan wette-
lijke richtlijnen en aan financiële middelen om de vrije medewerkers van de
politie te belonen; dat slechts geleidelijk aan voorzorgen werden genomen met
een nauwer toezicht van parketmagistraten en het aanleggen van een under-
coverdossier of main-courante; dat pas op 24 april 1990, t.t.z. na de aanvang
van het onderzoek en de aanhouding van de betichte de relaties met vrije me-
dewerkers nl. tipgevers, informanten, infiltranten geregeld werd door een richt-
lijn van de minister van Justitie; deze richtlijn vertoont een geheim karakter
zodanig dat de rechter er geen kennis van mocht nemen (…)’.15
De richtlijn waarnaar de voormelde paragraaf verwijst is, betreft de vertrouwelij-
ke ministeriële omzendbrief van 24 april 199016 (Zie randnr. 6), uitgevaardigd
door de toenmalige Minister van Justitie M. WATHELET. Hoewel deze omzend-
brief voornamelijk werd uitgevaardigd ten gevolge van de zaak-François17, werden
de perikelen omtrent de bijzondere opsporingsmethoden overigens ook uitvoe-
rig besproken tijdens het parlementair onderzoek van 24 mei 1988 naar de wijze
waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd
wordt.
4. TERMINOLOGISCHE VERDUIDELIJKING. Merk op dat zowel in de zaak François
als in de zaak Reyniers er gesproken wordt over de termen ‘burgerinfiltranten’
en ‘informanten’. De duidelijkheid gebiedt ons op te merken dat in casu met de
term ‘burgerinfiltranten’ bedoeld wordt, de informanten die actief en gericht

14 P. KOECK, Reyniers – Superflik, Leuven, Van Halewyck, 1998, 269-297.
15 Corr. Brussel 25 januari 1995, onuitg., geciteerd door R. VERSTRAETEN, ‘Opsporingsme-
thoden: regulering en controle in België en Frankrijk’, DD 1995, 626.
16 Circulaire van de minister van Justitie betreffende de bijzondere opsporingsmethoden
om de zware of georganiseerde criminaliteit te bestrijden, 24 april 1990, 7/SDP/690/
MN/NIX/RRB6/6, onuitg, 30 p.
17 Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België,
Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-99,
nr. 1-326/9, 362.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
18 Maklu 
handelen in opdracht van de politiediensten. Zulke informanten die in opdracht
van de politie handelen worden in de praktijk dikwijls ‘gestuurde informanten’
genoemd18. In dit werk zal echter niet gesproken worden van gestuurde infor-
manten maar van ‘infiltrerende informanten’ omdat deze laatste benaming ons
inziens beter past bij het concept. Later in dit werk zal verduidelijkt worden wat
deze termen exact betekenen en wat het onderscheid tussen deze verschillende
figuren is (zie randnrs 73-89).
5. ‘BENDECOMMISSIE’. Het parlementair onderzoek van 24 mei 1988 naar de
wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd
wordt (ook wel genoemd de ‘Bendecommissie’) was oorspronkelijk ingesteld om
een onderzoek te voeren naar de daden van de Bende van Nijvel maar heeft kort
daarna op een algemenere wijze onderzoek verricht naar georganiseerde crimi-
naliteit en de middelen waarmee men dit opspoorde. 19 Onderwerpen die binnen
deze commissie besproken werden, waren onder andere het proactief optreden
van de politiediensten en het zoeken naar een wettelijke regeling inzake de bij-
zondere opsporingsmethoden.20
De Commissie concludeerde dat, met betrekking tot infiltratie, het risico bestaat
dat de infiltrant verstoord wordt in zijn normbesef en dat ze daardoor vrijwillig
deelnemen aan het criminele milieu.21 De meeste problemen verrijzen bij het
gebruik van informanten volgens de Commissie. Vooral met betrekking tot re-
krutering, contact, controle, vergoeding en de bescherming van anonimiteit.22
Daarbij wordt ook de onbetrouwbaarheid van de informanten aangehaald. Deze
zullen immers volgens de Commissie enkel handelen om tipgelden te ontvan-
gen of om bepaalde zaken in de doofpot te laten verdwijnen. Het gevaar van
manipulatie is dus niet ondenkbaar. Met betrekking tot het ontvangen van tip-

18 Zie bv. MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige
andere onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 96.
19 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het
terrorisme georganiseerd wordt, Verslag namens de onderzoekscommissie, uitgebracht
door de heren VAN PARIJS en LAURENT, Parl. St. Kamer 1988-89, nrs. 59/1-5. Zie ook L.
ARNOU, ‘Strafrechtspleging voor de 21e eeuw. Beknopt overzicht van de inhoud en de
beleidsvoorstellen van het verslag van de Bendecommissie’, RW 1990-91, afl. 29, 969.
20 P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 10.
21 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het
terrorisme georganiseerd wordt, Verslag namens de onderzoekscommissie, uitgebracht
door de heren VAN PARIJS en LAURENT, Parl. St. Kamer 1988-89, nr. 59/8, 233-234.
22 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het
terrorisme georganiseerd wordt, Verslag namens de onderzoekscommissie, uitgebracht
door de heren VAN PARIJS en LAURENT, Parl. St. Kamer 1988-89, nr. 59/8, 236-238.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  19
gelden bestaat de kans dat de informant zelf een zwendel creëert om de gelden
op te strijken.23
Kort samengevat komt het er volgens de Bendecommissie op neer dat het onwet-
tig en onoordeelkundig gebruik van bepaalde politietechnieken zowel het onder-
zoek schaden als ook de betrokken politiediensten. Een strikte reglementering is
dus absoluut noodzakelijk.24
Afdeling 2. Ministeriële omzendbrieven25: het antwoord op alle vragen?
§ 1. Algemeen
6. EEN EERSTE REFERENTIEKADER. Zoals hierboven reeds werd verduidelijkt, hield
het gebruik maken van bijzondere opsporingsmethoden vele risico’s in die tot
allerlei misbruiken hebben geleid. Naar aanleiding van de talrijke schandalen en
de druk die gevoerd werd vanuit de bedenkingen van de Bendecommissie moest
er een gepast antwoord komen om alle onduidelijkheden en gebreken betreffen-
de de bijzondere opsporingsmethoden in de kiem te smoren.
Het antwoord kwam op 24 april 1990 wanneer de toenmalige Minister van Justi-
tie M. WATHELET een circulaire opstelde betreffende de bijzondere opsporings-
methoden. Door deze circulaire werd er na jaren onzekerheid eindelijk een refe-
rentiekader aangeboden waarbinnen de bijzondere opsporingsmethoden aange-
wend konden worden. Enkele algemene principes, doelstellingen en modalitei-
ten werden bij deze circulaire geregeld. Ook werd er een uitvoerige bespreking
gegeven wat de technieken (zijnde de infiltratie, observatie en informantenwer-
king) inhouden.26 We kunnen stellen dat de circulaire eerder een pragmatisch
antwoord was en dus niet vergelijkbaar is met een formele wettekst.27
De circulaire van 21 april 1990 werd overigens gewijzigd door de circulaire van 5
maart 1992. Het belang van de Circulaire bestaat er voornamelijk in dat het

23 L. ARNOU, ‘Strafrechtspleging voor de 21e eeuw. Beknopt overzicht van de inhoud en de
beleidsvoorstellen van het verslag van de Bendecommissie’, RW 1990-91, afl. 29, 973-
974.
24 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het
terrorisme georganiseerd wordt, Verslag namens de onderzoekscommissie, uitgebracht
door de heren VAN PARIJS en LAURENT, Parl. St. Kamer 1988-89, nr. 59/8, 369-370; A. DE
NAUW en F. SCHUERMANS, ‘De wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en
enige andere opsporingsmethoden’, RW 2003-04, afl. 24, 921.
25 Circulaire van de minister van Justitie betreffende de bijzondere opsporingsmethoden
om de zware of georganiseerde criminaliteit te bestrijden, 24 april 1990, 7/SDP/690/MN
/NIX/RRB6/6, onuitg, 30 p., gewijzigd door Circulaire nr. 15/92 m.b.t. Ministeriële om-
zendbrief d.d. 5 maart 1992, onuitg. Daarnaast nog enkele aanvullende omzendbrieven:
bv. Circulaire nr. 26/91, 28 juni 1991, onuitg. en Circulaire nr. 39/91, 2 december 1991,
onuitg.
26 R. VERSTRAETEN, ‘Opsporingsmethoden: regulering en controle in België en Frankrijk’,
DD 1995, 627.
27 P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 11-12.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
20 Maklu 
enkele grondbeginselen oplegt inzake het gebruik van bijzondere opsporingsme-
thoden, nl. het verbod op provocatie, het subsidiariteitsbeginsel, het proportiona-
liteitsbeginsel en het principiële verbod om misdrijven te plegen.28 Deze begin-
selen vinden we overigens terug in de huidige wetgeving (zie randnrs. 20-29).
§ 2. Het geheim karakter van de omzendbrieven
7. GEEN FORMELE BRON. Een problematische eigenschap van de omzendbrieven
was dat ze allemaal een geheim karakter hadden. Het gevolg van deze vertrouwe-
lijkheid was dat zowel de betrokken partijen als de rechters er in principe geen
beroep op konden doen. Het Hof van Cassatie heeft reeds meerdere malen ge-
oordeeld dat de ministeriële omzendbrieven in het algemeen geen formele bron
van het strafprocesrecht zijn en dat de rechtbanken er dus niet door gebonden
zijn.29
Het feit dat de rechtbanken niet gebonden zijn door de circulaires (zelfs wan-
neer deze gepubliceerd, en dus niet geheim, zijn30) houdt evenwel niet in dat ze
er geen rekening mee kunnen houden, althans zo blijkt uit een beslissing van de
Kamer van Inbeschuldigingstelling van Brussel die uitdrukkelijk verwijst naar de
circulaire betreffende de bijzondere opsporingsmethoden, doch beslist dat de
omzendbrief ter zake niet relevant is.31

28 I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de sub-
tiele grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit
Antwerpen, 2002, 204.
29 Cass. 4 mei 2011, P.11.0665.F, www.cass.be; Cass. 16 februari 2011, P.11.0279.F,
www.cass.be; Cass. 3 april 2007, Arr. Cass. 2007, nr.170; Cass. 23 januari 1991, Arr. Cass.
1990-91, nr. 273; Cass. 2 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, nr. 516; Cass. 8 februari 1985,
Arr. Cass. 1984-85, nr. 342. Met betrekking tot de ministeriële omzendbrief betreffend de
bijzondere opsporingsmethoden, zie Cass. 17 januari 1996, RDPC 1996, 1110; Cass. 4
september 1995, Pas. 1995, I, 752; Brussel 23 juni 1999, Vigiles 1999, afl. 4, 18, noot D.
LYBAERT. Zie ook J. MEESE, ‘Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksme-
thoden’, NJW 2003, afl. 47, 1135.
30 Cass. 22 februari 2012, P.11.1809.F, www.cass.be.
31 K.I. Brussel 17 december 1999, Vigiles 2000, 1, noot C. DE VALKENEER. Zie ook Bergen 5
mei 1992, RDPC 1992, 890, noot C. DE VALKENEER. Zie ook I. ONSEA, De bestrijding van
georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtiele grens tussen waarheidsvin-
ding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit Antwerpen, 2002, 177, voet-
noot 837.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  21
§ 3. Inzake informantenwerking32
8. INHOUDELIJKE INVULLING. De ministeriële omzendbrief bevatte belangrijke
richtlijnen inzake de omgang met informanten en de verwerking van informatie
die via de informantenwerking werd verkregen.
De circulaire bepaalde dat deze richtlijnen enkel van toepassing waren op tipge-
vers of informanten van wie ‘kan of moet worden aangenomen dat zij zelf deelne-
men aan activiteiten van het georganiseerde misdadige milieu of dat zij op een andere
dan toevallige manier inlichtingen uit of over dat milieu vernomen hebben’.33 Sommi-
ge auteurs meenden dat op basis van deze definitie kon afgeleid worden dat de
informant of tipgever waar de circulaire op doelt steeds een crimineel was of
minstens een crimineel verleden had (actieve informanten).34 Deze conclusie
lijkt thans incorrect op basis van de letterlijke bewoordingen van de definitie. De
definitie heeft het ook over personen die op een andere dan toevallige manier
inlichtingen vernomen hebben. Hieronder kunnen de personen vallen die niet
actief betrokken zijn maar die daarentegen wel een zekere band hebben met het
geviseerde milieu zoals bijvoorbeeld de partner of een familielid van een crimi-
neel lid (passieve informanten). Wanneer een burger geen enkele band heeft
met het crimineel milieu, kan deze beschouwd worden als een anonieme getui-
ge indien deze informatie verstrekt aan de politiediensten.35 Opmerkelijk is ove-
rigens dat de ministeriële omzendbrief van toepassing was op de informanten
ongeacht of deze informatie spontaan aangeboden was of in opdracht van de
politie. De parlementaire onderzoekscommissie inzake georganiseerde crimina-
liteit stelde zich in 1998 dan ook de vraag of de informant die in opdracht van de
politie inlichtingen verzamelde niet neerkwam op een vorm van burgerinfiltra-

32 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 393-399; I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het
Belgische Strafrecht: de subtiele grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthe-
sis Rechten Universiteit Antwerpen, 2002, 280-289; P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in
P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere
opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia,
2000, 52-59.
33 Circulaire nr. 15/92 met betrekking tot ministeriële omzendbrief van 5 maart 1992,
onuitg, ter wijziging van de Circulaire van de minister van Justitie betreffende de bijzon-
dere opsporingstechnieken om de zware of georganiseerde criminaliteit te bestrijden, 24
april 1990, onuitg, geciteerd in Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georga-
niseerde criminaliteit in België, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en
DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1-326/9, 393.
34 P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 52.
35 P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 52.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
22 Maklu 
tie.36 Burgerinfiltratie was immers wel verboden door de omzendbrief (zie rand-
nr. 10).
Daarnaast zijn de richtlijnen enkel van toepassing op ‘informanten die informatie
verstrekken waarvan het inzamelen en de verwerking tot doel hebben de daders van
misdrijven te ontdekken en de bewijzen ervan te verzamelen’.37 ‘Zachte’ informatie
valt hier niet onder.
Ten slotte bepaalt de circulaire o.a. enkele richtlijnen inzake de organisatie van
de informantenwerking, de manier van informatiebeheer en de bescherming
van de anonimiteit.
9. TIPGEVERS VS. INFORMANTEN. Merk op dat de circulaire de termen ‘tipgevers’
en ‘informanten’ als synoniemen gebruikt terwijl ze dat onder de huidige regel-
geving niet meer zijn (zie randnr. 46). De circulaire is echter enkel van toepas-
sing op personen van wie vermoed wordt dat ze deelnemen aan het georgani-
seerd crimineel milieu en die de informatie dus niet toevallig hebben verkregen.
Met andere woorden, de circulaire viseert de interactie met informanten (zowel
actieve als passieve) en niet die met loutere tipgevers.
§ 4. Inzake infiltratie38
10. INHOUDELIJKE INVULLING. Volgens de circulaire is de infiltratie een bijzonde-
re opsporingsmethode die erin bestaat dat een politieambtenaar onder een ver-
dichte identiteit contact neemt of onderhoudt met personen die aan zware mis-
dadige activiteiten deelnemen, of over wie objectieve gegevens bestaan die laten

36 Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België,
Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-99,
nr. 1-326/9, 394.
37 Circulaire nr. 15/92 met betrekking tot ministeriële omzendbrief van 5 maart 1992,
onuitg, ter wijziging van de Circulaire van de minister van Justitie betreffende de bijzon-
dere opsporingstechnieken om de zware of georganiseerde criminaliteit te bestrijden, 24
april 1990, onuitg, geciteerd in P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heime-
lijke opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de
landen van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 52. Zie ook Par-
lementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België,
Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-99,
nr. 1-326/9, 393-394; I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische
Strafrecht: de subtiele grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rech-
ten Universiteit Antwerpen, 2002, 281.
38 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 364-376; I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het
Belgische Strafrecht: de subtiele grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthe-
sis Rechten Universiteit Antwerpen, 2002, 262-268; P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in
P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere
opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia,
2000, 60-64.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  23
vermoeden dat ze ernstige misdrijven plegen of dat ze op het punt staan deze te
plegen.39
De ministeriële omzendbrief bepaalt dus uitdrukkelijk dat de infiltratieoperaties
steeds moeten worden uitgevoerd door speciaal opgeleide politieambtenaren. Er
mag dus enkel gebruik gemaakt worden van politie-infiltranten en niet van bur-
gerinfiltranten.
Echter voorziet de circulaire in een uitzondering op het principe dat enkel poli-
tieambtenaren betrokken worden bij infiltratieoperaties.40 Met betrekking tot de
pseudo(ver)koop41 kan de politieambtenaar in uitzonderlijke gevallen beroep
doen op burgers die als pseudo(ver)koper zullen fungeren op voorwaarde dat de
procureur des Konings hier uitdrukkelijk mee instemt. Sterker nog, deze burger
op wie men beroep kan doen mag zelfs tot het criminele milieu behoren. Doch
moet de rol van de burgers steeds beperkt worden tot het introduceren van de
politieman-pseudo(ver)koper.
11. CONCEPTUELE HEREVALUATIE BURGERINFILTRATIE. Merk op dat, hoewel in dit
geval een burger betrokken wordt bij de infiltratie, dit niet gezien kan worden als
een werkelijke burgerinfiltratie. Het gaat hier over de burgerdeskundige in het
kader van een burgerbijstand. De technieken van burgerinfiltratie en burgerbij-
stand zijn twee van elkaar te onderscheiden concepten. In welke mate deze van
elkaar verschillen zal later in dit werk behandeld worden (zie randnrs. 73-89).
12. SLOTSOM. Ten slotte was de omzendbrief enkel van toepassing op infiltratie-
operaties van korte duur. Infiltratieoperaties van lange duur waren niet wenselijk
omwille van de risico’s die hiermee gepaard gingen. Bedoeling was om de ano-

39 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 364.
40 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 369. Zie ook I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het
Belgische Strafrecht: de subtiele grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthe-
sis Rechten Universiteit Antwerpen, 2002, 263; P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P.
TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere opspo-
ringsmethoden in de landen van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia,
2000, 60-61.
41 Zie bv. F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN, Strafrecht & strafprocesrecht voor bachelors,
Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2011, 207-208, randnr. 842. De pseudo-(ver)koop is een
politionele onderzoektechniek. Dit zijn onderzoekstechnieken die aangewend kunnen
worden in het kader van een infiltratieoperatie. Daarnaast bestaan er ook nog andere
politionele onderzoekstechnieken zoals de flash-roll, front-store operatie en de gecontro-
leerde aflevering. Deze onderzoekstechnieken werden ook geregeld door de ministeriële
omzendbrieven van 24 april 1990 en van 5 maart 1992. Momenteel worden deze politio-
nele onderzoekstechnieken geregeld door het KB van 9 april 2003 betreffende de politio-
nele onderzoekstechnieken, BS 12 mei 2003.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
24 Maklu 
nimiteit en de fysieke, psychische en morele integriteit van de politie-infiltrant te
beschermen.42
§ 5. Kritische bedenkingen door parlementaire onderzoekscommissies
1. Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde crimina-
liteit in België43
13. GEBREK AAN WETTELIJKE GRONDSLAG. Vooreerst bespreekt de parlementaire
onderzoekscommissie de historiek van de bijzondere opsporingsmethoden en
de daarmee samenhangende risico’s. Zij verwijst hierbij naar de zaken François
en Reyniers. De commissie schrijft die risico’s toe aan het gebrek aan een wette-
lijk kader en de afwezigheid van een afdoend toezicht op het gebruik van die
opsporingsmethoden.
De onderzoekscommissie is echter van mening dat de ministeriële omzendbrie-
ven een eerste stap in de goede richting zijn aangezien elke regelgeving ontbrak.
Zij verwijst overigens naar het actieplan tegen de georganiseerde criminaliteit
van de regering van 28 juni 1996. Dit actieplan stelde dat het gebruik van de
bijzondere opsporingsmethoden de rechten van verdediging, de rechtsbescher-
ming van informanten, politiemensen en magistraten en de rechtszekerheid in
het algemeen niet in het gedrang mogen brengen. Ook het actieplan wees ten
slotte op de noodzaak van een wettelijke regeling en van een grondige controle
op deze opsporingsmethoden. 44
14. CIRCULAIRE IS ONVOLDOENDE LEGITIEME BASIS. Hoewel de circulaire belangrij-
ke grondbeginselen vastlegt, is de onderzoekscommissie toch van mening dat de
circulaire geen voldoende basis biedt voor de toepassing van de onderzoeksme-
thoden. De onderzoekstechnieken worden op sommige vlakken te vaag om-
schreven. Het komt er volgens haar op aan om de modus operandi van de tech-
nieken nauwkeurig te omschrijven zodat men zich een beeld kan vormen van de
impact die deze technieken hebben op de individuele rechten en vrijheden.45

42 I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtie-
le grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit
Antwerpen, 2002, 263.
43 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 584 p.
44 Actieplan van de regering tegen de georganiseerde criminaliteit, 28 juni 1996, 9 p.,
geciteerd in Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminali-
teit in België, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St.
Senaat 1998-99, nr. 1-326/9, 362-363.
45 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 363.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  25
15. WERKWIJZE. Daarnaast onderzoekt de commissie iedere bijzondere opspo-
ringmethode, zoals die vervat zijn in de circulaires, en evalueert ze die metho-
den. Dit doet ze door onder andere te vergelijken met Nederland maar ook enke-
le belangrijke actoren van het onderzoek te ondervragen. Bijvoorbeeld met be-
trekking tot de infiltratietechniek stelt de onderzoekscommissie vast dat:
‘Uit het gemeenschappelijk antwoord van het college van procureurs-generaal,
de rijkswacht en de gerechtelijke politie blijkt hun wens dat langdurige infil-
tratie (…) voortaan mogelijk wordt.
Daarnaast vinden zij het nodig dat er specifieke regels worden uitgewerkt in
verband met de strafbare feiten die de politie-infiltrant kan plegen.
(…)
Zij vinden ook dat infiltratie door burgers eventueel moet kunnen onder strik-
te voorwaarden, o.m. na een ernstig voorafgaand onderzoek.
In dit verband wijst een procureur des Konings erop dat er in elk geval een
duidelijke regeling nodig is voor infiltratie door leden van het crimineel mili-
eu. Het is immers niet altijd duidelijk waar de grens ligt tussen het uitsturen
van een informant en het infiltreren in een organisatie.46
16. VASTSTELLINGEN VANUIT DE PRAKTIJK. Interessant om vast te stellen is dat de
praktijk het in sommige gevallen noodzakelijk acht om burgers te betrekken in
infiltratieoperaties. De circulaire bepaalde tot nu toe dat dit enkel mogelijk is bij
een pseudokoop en dan nog in zeer beperkte mate.
Daarnaast wordt er gewezen op de onduidelijke grens die bestaat tussen de in-
formantenwerking en de (criminele) burgerinfiltratie. Deze grens is vandaag nog
steeds onduidelijk. Vandaar dat het noodzakelijk is al deze figuren te gaan defi-
niëren en duidelijk te gaan afbakenen (zie randnrs. 73-89).
17. CONCLUSIE. Kort samengevat komt het er voor de onderzoekscommissie op
neer om zo snel mogelijk te voorzien in een wettelijke regeling voor de bijzonde-
re opsporingsmethoden. De ministeriële omzendbrieven zijn immers niet in
overeenstemming met artikel 8 § 2 EVRM en zorgen door hun geheim karakter
voor rechtsonzekerheid. In het kader van artikel 8 EVRM moet de wet voldoende
toegankelijk, duidelijk en precies (voorzienbaar) zijn.47
Omdat de desbetreffende circulaires een geheim karakter hebben kunnen deze
nooit in overeenstemming zijn met de artikel 8 EVRM wegens een gebrek aan
toegankelijkheid.48 De wet moet de opsporingsmethoden duidelijk en omstandig

46 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 362-363.
47 EHRM 24 april 1990, KRUSLIN en HÜVIG/FRANKRIJK, www.echr.coe.int.
48 Inzake de vereiste van toegankelijkheid zie bv. EHRM 25 september 2001,
KHAN/VERENIGD KONINKRIJK, §25-28, www.echr.coe.int en EHRM 25 september 2001,
P.G. & J.H./VERENIGD KONINKRIJK, §37-38, www.echr.coe.int.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
26 Maklu 
formuleren met inbegrip van de basisbeginselen die neergelegd zijn in de circu-
laires.49
2. Parlementaire onderzoekscommissie ‘Dutroux-Nihoul en consorten’50
18. C
IRCULAIRE ONVOLDOENDE LEGITIEME BASIS. De bemerkingen van deze on-
derzoekscommissie zijn grotendeels gelijkaardig als die van de parlementaire
onderzoekscommissie naar de georganiseerde criminaliteit. Ook deze onder-
zoekscommissie acht de ministeriële omzendbrieven als een zwakke legistieke
basis.
19. GEHEIM KARAKTER EN ONDUIDELIJKE BEGRENZING. Zij is daarnaast van mening
dat het kennisniveau van sommige actoren laag blijft door het geheim karakter
van de omzendbrief.51 Vandaar dat een wettelijke (en dus openlijke) regeling van
de bijzondere opsporingsmethoden zich opdringt. Het tegenargument dat cri-
minele organisaties voordeel zullen halen door de opheffing van het geheim
karakter van de bijzondere opsporingsmethoden (door ze wettelijk te regelen)
omdat ze kennis zullen krijgen van deze praktijken wordt niet aangenomen door
de onderzoekscommissie. Zij stelt echter dat professionele criminele organisa-
ties reeds kennis hebben van de bijzondere opsporingsmethoden.52Dit is thans
ook in zekere mate een vereiste dat voortvloeit uit artikel 8 EVRM op basis waar-
van een wet voldoende toegankelijk moet zijn.
Ten slotte beveelt de onderzoekscommissie aan dat er zo dringend mogelijk
wordt voorzien in een consistente wettelijke regeling inzake het gebruik van
informanten die duidelijke grenzen aan deze onderzoekstechniek stelt. 53
Ook hier wordt wederom vastgesteld dat de grenzen van de informantenwerking
onduidelijk zijn en dat hierdoor bepaalde risico’s kunnen ontstaan. Door een

49 Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 405-411.
50 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht
werd gevoerd in de zaak ‘Dutroux-Nihoul en consorten’, Verslag namens de onderzoeks-
commissie, uitgebracht door de heer LANDUYT en mevrouw DE T’SERCLAES, Parl. St. Ka-
mer 1996-97, nr. 713/6, 310 p.
51 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht
werd gevoerd in de zaak ‘Dutroux-Nihoul en consorten’, Verslag namens de onderzoeks-
commissie, uitgebracht door de heer LANDUYT en mevrouw DE T’SERCLAES, Parl. St. Ka-
mer 1996-97, nr. 713/6, 164.
52 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht
werd gevoerd in de zaak ‘Dutroux-Nihoul en consorten’, Verslag namens de onderzoeks-
commissie, uitgebracht door de heer LANDUYT en mevrouw DE T’SERCLAES, Parl. St. Ka-
mer 1996-97, nr. 713/6, 164.
53 Parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht
werd gevoerd in de zaak ‘Dutroux-Nihoul en consorten’, Verslag namens de onderzoeks-
commissie, uitgebracht door de heer LANDUYT en mevrouw DE T’SERCLAES, Parl. St. Ka-
mer 1996-97, nr. 713/6, 165.
maklu
1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
Maklu  27
onduidelijke afbakening van de onderzoekstechnieken bestaat de kans dat de
betrokken actoren het boekje te buiten gaan en gebruik gaan maken van een
techniek die eigenlijk niet wordt beoogd. Er moet met andere woorden duide-
lijkheid gecreëerd worden inzake de afbakening van de verschillende opspo-
ringstechnieken.
maklu
maklu
Maklu  29
Hoofdstuk 2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Afdeling 1. Basisbeginselen inzake B.O.M.54
20. WETTELIJKE GRONDSLAG. De wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzonde-
re opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden55 zorgde voor de
wettelijke omkadering voor het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. De
wet maakte een einde aan de voornoemde problemen die het geheim karakter
van de circulaires met zich meebrachten. Tot vandaag vormt deze wet de basis
van het gebruik van de onderzoekstechniek observatie, infiltratie en de infor-
mantenwerking.
21. BASISBEGINSELEN. De B.O.M.-Wet is gebaseerd op vier basisprincipes inzake
het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden die ook vervat waren in de
ministeriële omzendbrieven. Deze basisbeginselen zijn subsidiariteit, proportiona-
liteit, het verbod van provocatie en het verbod om misdrijven te plegen. Deze beginse-
len dienen beschouwd te worden als de bevestiging van het bijzondere en ingrij-
pende karakter van de bijzondere opsporingsmethoden. Ze dwingen de opspo-
ringsdiensten om in zekere mate voorzichtig en correct te zijn bij de aanwen-
ding van die opsporingsmethoden. Vandaar ook de gevoeligheid en terughou-
dendheid om te werken met burgers (lees niet-politieambtenaren) in dit kader.
De opname van deze basisbeginselen in de wet zorgen er nu voor dat de magi-
straten bij de beoordeling van de regelmatigheid en geldigheid van de bijzondere
opsporingsmethoden rekening moeten houden met deze beginselen door de
gebruikte opsporingsmethoden eraan te toetsen. Hierboven werd reeds aange-
stipt dat dat geen verplichting was voor de invoering van de B.O.M.-Wet omdat
de ministeriële omzendbrieven geen bron van strafprocesrecht waren (zie rand-
nr. 6).
Naast deze voornoemde basisbeginselen moeten we ook steeds oog hebben voor
het algemenere loyauteitsbeginsel of het beginsel van behoorlijkheid van de
opsporingen.
§ 1. Subsidiariteit
22. B
ETEKENIS. Het subsidiariteitsbeginsel bevestigt het indringende karakter
van de bijzondere opsporingsmethoden en het principe dat er eerst nagegaan
moet worden of hetzelfde resultaat niet met andere middelen van onderzoek

54H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder-
zoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 521-581; A. DE NAUW en F. SCHUERMANS, ‘De wet
betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden’,
RW 2003-2004, nr. 24, 923-928; J. MEESE, ‘De bijzondere opsporingsmethoden en enige
andere onderzoeksmethoden’, NJW 2003, nr. 47, 9-25.
55 De wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige
andere onderzoeksmethoden, BS 12 mei 2003.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
30 Maklu 
bereikt kan worden.56Het subsidiariteitsbeginsel zorgt ervoor dat de bijzondere
opsporingsmethoden een ultimum remedium worden. Met andere woorden, op-
sporingsdiensten mogen de bijzondere opsporingsmethoden enkel aanwenden
indien bewijsmateriaal niet vergaard kan worden door middel van andere, min-
der ingrijpende, opsporingsmethoden. 57
Dit beginsel impliceert echter niet dat alle andere middelen effectief moeten
aangewend zijn.58 De wettelijke vertaling van dit beginsel vinden we terug in de
artikelen 47sexies, §2 (voor de observatie) en 47octies, §2 (voor de infiltratie) Wet-
boek Strafvordering (hierna: Sv.). Merk op dat dit beginsel niet vereist is voor de
informantenwerking (zie randnr. 48).
§ 2. Proportionaliteit
23. BETEKENIS. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de gebruikte opspo-
ringsmethode in verhouding moet staan tot de zwaarte van het misdrijf. Er moet
dus een zekere drempel van ernst bereikt zijn vooraleer er gebruik mag gemaakt
worden van de bijzondere opsporingsmethoden.
Bij observatie wordt het proportionaliteitbeginsel ingevuld in functie van de
ernst van de aantasting van de individuele rechten en vrijheden. Dit wil zeggen
dat naarmate de observatietechniek ingrijpender wordt, er hogere eisen worden
gesteld aan de aard van de strafbare feiten.59 Zo zullen er bijvoorbeeld ernstige
aanwijzingen vereist zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevange-
nisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben om het
gebruik van technische hulpmiddelen bij de observatie te verantwoorden (artikel
47sexies, §2, lid 2 Sv. Zie ook artikel 56bis Sv.).
Met betrekking tot de infiltratie is vereist dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er
strafbare feiten worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie,
zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of dat deze organisatie mis-
daden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 plegen of zouden
plegen (artikel 47octies, §1 Sv.).
Ten slotte merken we op dat ook het proportionaliteitsbeginsel niet van toepas-
sing is op de informantenwerking (zie randnr. 48).60
24. PRE-B.O.M.-WET. Het werken met drempels is eigen aan de B.O.M.-Wet. De
ministeriële omzendbrieven inzake bijzondere opsporingstechnieken voorzagen

56 A. DE NAUW, ‘De wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden’, RW 2003-2004, nr. 24, 923, randnr. 5.
57 Zie bv. Bergen 5 mei 1992, RDPC 1992, 890.
58 A. DE NAUW, ‘De wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden’, RW 2003-2004, nr. 24, 923, randnr. 5. Zie bv. Cass. 3 april 2001,
P.99.1170.N, www.cass.be; Cass. 17 januari 1996, RDPC 1996, 1110.
59 H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder-
zoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 610.
60 A. DE NAUW, ‘De wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden’, RW 2003-2004, nr. 24, 923, randnr. 7.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  31
hier immers niet in. Deze circulaires bepaalden dat de bijzondere opsporings-
methoden enkel konden worden ingezet wanneer het ging om een misdaad of
een wanbedrijf dat ofwel zwaarwichtig was, ofwel georganiseerd was in de zin
dat het werd gepleegd in het kader van een misdadige activiteit van een bende.61
De circulaires bepaalden overigens niet wanneer een wanbedrijf of misdaad
voldoende zwaarwichtig was om de bijzondere opsporingsmethoden te recht-
vaardigen. Het is de magistraat die dus in concreto moest nagaan of een juiste
verhouding bestond tussen de ingezette opsporingshandelingen en het beoogde
doel.62
We kunnen concluderen dat op dit vlak de B.O.M.-wet een meerwaarde biedt
door tegemoet te komen aan de te vage invulling van het proportionaliteitsbegin-
sel door de omzendbrieven inzake opsporingstechnieken.
§ 3. Verbod van provocatie63
25. OORSPRONG. Het beginsel van verbod van provocatie is ontstaan uit de recht-
spraak. Het Hof van Cassatie heeft provocatie of uitlokking als volgt gedefini-
eerd:
‘[A]anzetten tot het plegen van een misdrijf bestaat erin het misdadig opzet te doen
ontstaan of dat opzet aan te moedigen bij hem die het misdrijf zal uitvoeren.’64
Er zal dus enkel sprake zijn van uitlokking als het misdrijf teweeg wordt ge-
bracht door het optreden van de ambtenaren die de opsporingsdaad stellen.
Wanneer deze overheidspersonen gunstige omstandigheden creëren voor een
misdrijf dat door de dader wordt gepleegd uit vrije wil, zal er geen sprake zijn
van provocatie.65

61 I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtie-
le grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit
Antwerpen, 2002, 209.
62I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtie-
le grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit
Antwerpen, 2002, 210; P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke
opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen
van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 29-30.
63 Voor een uitgebreide bespreking zie H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opspo-
ringsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 528-557.
64 Cass. 7 februari 1979, Arr. Cass. 1978-79, 653. Zie ook Cass. 5 februari 1985, Arr. Cass.
1984-85, 337; Bergen 13 november 1998 en Antwerpen 13 oktober 1998, Vigiles 1999, afl.
2, 31-36, beide geannoteerd door D. LYBAERT; Bergen 5 mei 1992, RDPC 1992, 896, noot
C. DE VALKENEER; Brussel 3 maart 1987, RW 1987-88, 640, noot A. DE NAUW; Brussel 19
november 1984, RW 1984-85, 2563. Zie ook J. SCHEERS, ‘Geoorloofde en ongeoorloofde
bewijsmiddelen in strafzaken: de politionele provocatie’, noot onder Brussel 19 november
1984, RW 1984-85, 2568-2572.
65 R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Deurne, Kluwer, 2010, 926, randnr.
2078. Zie ook Cass. 5 februari 1985, Arr. Cass. 1984-85, 337.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
32 Maklu 
26. BIJ DE OPSPORING BETROKKEN BURGERS. In een ouder arrest heeft het Hof van
Cassatie geoordeeld dat er geen provocatie kan aangevoerd worden indien het
misdrijf uitgelokt wordt door een burger die niet voor de politie werkt. 66 A con-
trario kunnen we dus wel stellen dat provocatie mogelijk is door burgers die voor
de politie werken. We denken hierbij vooral aan de burger die de politie-
infiltrant bijstaat bij de infiltratieoperatie zoals bepaald in artikel 47octies, §1, lid
2 Sv. Ook deze burger kan dus de provocatie veroorzaken. Volgens VERSPEELT
kan de informant beschouwd worden als een burger die werkt voor de politie.
Wanneer de informant op een te actieve manier de verdachte heeft beïnvloed
kan er sprake zijn van politionele provocatie.67Dit valt volgens ons te bediscussi-
eren gelet op het feit dat de informant essentieel gekenmerkt wordt doordat deze
niet in opdracht van de politie handelt (zie randnrs. 54-56, 83 en 85). Doordat
deze niet in opdracht van de politie handelt, zou deze dus nooit kunnen provoce-
ren.
Een situatie waar er geen sprake kan zijn van provocatie is bijvoorbeeld de situa-
tie waarbij een journalist onder een valse hoedanigheid een pedofiel heeft bena-
derd via een chatbox om een reportage te maken over de risico’s van internetge-
bruik en de gegevens overmaakt aan de politie. De journalist handelde onder
geen beding voor de politiediensten of anders gezegd, er is geen band tussen de
uitlokker en de opsporingsinstanties.68
27. WETTELIJKE GRONDSLAG: ARTIKEL 30 VTSV. Artikel 30 lid 2 VTSv. bepaalt dat
er sprake van provocatie is ‘ … wanneer in hoofde van de dader het voornemen om
een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit
wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde han-
delend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar’.
Op basis van dit artikel kan een derde (niet-politieambtenaar) zich enkel schul-
dig maken aan provocatie indien hij uitdrukkelijk op verzoek van de politieamb-
tenaar handelt.
28. G
EVOLG PROVOCATIE. In geval van provocatie voorziet artikel 30 laatste lid
VTSv. dat de strafvordering met betrekking tot de uitgelokte feiten onontvanke-
lijk is. De begeleidende feiten van voor de politionele uitlokking, of die er in
geen enkel verband mee staan, blijven wel vatbaar voor vervolging.69

66 Cass. 3 februari 1941, Pas. 1941, I, 30.
67 F. VERSPEELT, ‘Politiële infiltratie en provocatie’, Vigiles 2003, afl. 1, 7.
68 F. VERSPEELT, ‘Politiële infiltratie en provocatie’, Vigiles 2003, afl. 1, 7.
69 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 101.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  33
§ 4. Verbod om misdrijven te plegen70
29. ARTIKEL 47QUINQUIES SV. Artikel 47quinquies, §1 Sv. bepaalt dat het in prin-
cipe verboden is voor de politieambtenaar die belast is met de uitvoering van
bijzondere opsporingsmethoden om strafbare feiten te plegen bij de uitvoering
van zijn opdracht.
De wetgever is tevens van oordeel dat de kans bestaat dat de politieambtenaar
zich genoodzaakt ziet om tijdens de uitvoering van zijn opdracht strafbare feiten
te plegen.71 We denken bijvoorbeeld aan de situatie waarbij de politie-infiltrant
op de proef wordt gesteld door het milieu waarin hij infiltreert of de noodzakelij-
ke betrokkenheid van de politie-infiltrant bij strafbare handelingen gepleegd
door het crimineel milieu om zijn geloofwaardigheid en zijn positie te behou-
den. De politie-infiltrant komt immers als nieuwkomer terecht in de criminele
organisatie en zal zich dus moeten opwerken in dat milieu en het vertrouwen
zien in te winnen. Daarnaast werkt de politie-infiltrant ook steeds onder een
fictieve identiteit, ter bescherming van de persoon van de infiltrant ingeval deze
door de mand zou vallen, wat ook een strafbaar feit is (artikel 231 Strafwetboek,
hierna: Sw.). Omwille van voornoemde risico’s voorziet artikel 47quinquies, §2
Sv. in een strafuitsluitende verschoningsgrond voor politieambtenaren die zich in
voornoemde situaties bevinden en mits er bepaalde voorwaarden voldaan zijn
zoals bijvoorbeeld proportionaliteit en subsidiariteit. Omwille van dezelfde rede-
nen geniet de burger die de politie-infiltrant bijstaat krachtens artikel 47octies, §1
lid 2 Sv. ook van deze strafuitsluitende verschoningsgrond.
§ 5. Het loyauteitsbeginsel of het beginsel van behoorlijke opsporing
30. B
ETEKENIS. Naast de voornoemde specifiekere basisbeginselen inzake het
gebruik van bijzondere opsporingsmethoden moeten we ook steeds het ‘alge-
mene’ basisbeginsel van loyauteit in gedachte houden. Het loyauteitsbeginsel is
immers van toepassing op de hele onderzoeksfase en dus niet enkel eigen aan
de bijzondere opsporingsmethoden.
Artikel 28bis, § 3 en artikel 56, § 1 Sv. bepalen dat het Openbaar Ministerie en de
onderzoeksrechter erop moeten toezien dat bewijsmateriaal op een loyale wijze
wordt verzameld.
Ook de circulaires inzake onderzoekstechnieken wezen er op dat het onderzoek
in overeenstemming moest zijn met het algemeen beginsel van behoorlijkheid
van de opsporingen. De circulaire gaf evenwel geen definitie van dit beginsel maar
verduidelijkte het enigszins wel. De circulaire stelde dat de opsporingen dienen

70Voor een uitgebreidere bespreking zie o.a. H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere
opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 558-581; I.
ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtiele
grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit Ant-
werpen, 2002, 211-213; A. DE NAUW, ‘De wet betreffende de bijzondere opsporingsmetho-
den en enige andere onderzoeksmethoden’, RW 2003-2004, nr. 24, 924-928
71 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 26-27.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
34 Maklu 
te gebeuren met eerbied van de rechten van de mens en in overeenstemming
met de waardigheid van het recht.72
31. OVEREENSTEMMING WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN. We kunnen vooreerst stellen
dat het bewijs dat voortkomt uit eender welke onderzoekstechniek op een loyale
manier is verkregen indien de vereiste geldigheidsvoorwaarden (wettelijke voor-
schriften) voldaan zijn. Zo zal bijvoorbeeld het bewijs dat opsporingsdiensten
verkrijgen via een burgerinfiltratie in strijd zijn met het loyauteitsbeginsel en
dus onregelmatig zijn omdat artikel 47octies Sv. vereist dat de infiltratie enkel
kan gebeuren door een politieambtenaar. Opsporingsinstanties mogen overigens
strikte bewijsregels niet omzeilen door beroep te doen op een burger.73 In het
arrest ALLEN/VERENIGD KONINKRIJK74 heeft het EHRM beslist dat de politiedien-
sten de regels inzake het verhoor hadden uitgehold door beroep te doen op de
medegevangene die de cel deelde met de verdachte. De medegevangene had de
opdracht gekregen om van de verdachte informatie los te weken. Deze gesprek-
ken werden daarbovenop opgenomen. Het EHRM besloot dat er sprake was van
een schending van artikel 6 EVRM.
Sedert de Antigoon-rechtspraak (zie randnrs. 62-72) is het gevolg van onregel-
matig verkregen bewijsmateriaal niet noodzakelijk de nietigheid van dat bewijs-
materiaal.
Daarnaast kan het loyauteitsbeginsel ook geïnterpreteerd worden als het verbod
om misbruik te maken van de wet. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer
een opsporingsambtenaar tijdens een opsporingsonderzoek de wagen doorzoekt
van een bepaald individu met de bedoeling om DNA-materiaal te verzamelen
(bv. haartjes) terwijl de betrokken persoon expliciet geweigerd heeft om vrijwillig
DNA-materiaal af te staan.75
32. O
VEREENSTEMMING JURISPRUDENTIËLE VOORSCHRIFTEN. Naast deze voor-
noemde wettelijke voorschriften moet er ook rekening gehouden worden met de
zogenaamde jurisprudentiële voorschriften. Het Hof van Cassatie heeft immers
geoordeeld dat het bewijs niet enkel onwettig is als ze verkregen werd in strijd
met de wet maar ook als ze verkregen is in strijd met de algemene rechtsbeginselen
zoals de rechten van verdediging. 76 Deze rechtspraak zorgt ervoor dat wanneer een
onderzoekstechniek niet door de wet wordt verboden, dit niet betekent dat het

72 I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtie-
le grens tussen waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit
Antwerpen, 2002, 226; P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke
opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen
van de Europese Unie, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 28-29.
73 B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, 15.
74 EHRM 5 november 2002, ALLEN/VERENIGD KONINKRIJK, www.echr.coe.int. Zie ook
EHRM 23 november 1993, A./FRANKRIJK, www.echr.coe.int.
75 B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, 17.
76 Cass. 13 mei 1986, RDPC 1986, 905, concl. Adv. Gen. J. DU JARDIN. Zie ook Cass. 23
maart 2004, RABG 2004, 1061, noot F. SCHUERMANS.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  35
bewijs dat daaruit voortvloeit toelaatbaar is.77Daarnaast zorgt het er dus voor dat
de rechters een zekere beoordelingsmarge krijgen en dus niet enkel moeten
toetsen aan de wettelijke voorschriften.
Het loyauteitsbeginsel lijkt ons dan ook de wettelijke vertaling te zijn van het feit
dat men niet enkel rekening moet houden met wettelijke voorschriften maar ook
met de zogenaamde jurisprudentiële voorschriften, zijnde de algemene rechts-
beginselen waaronder de rechten van verdediging.
Afdeling 2. Infiltratie en de aanverwante informantenwerking
§ 1. Infiltratie
1. Wettelijke bepalingen
33. D
EFINITIE. Artikel 47octies, §1 Sv. bepaalt dat onder infiltratie moet worden
verstaan ‘het door een politieambtenaar, infiltrant genoemd, onder een fictieve identi-
teit, duurzaam contact onderhouden met een of meerdere personen, waarvan er ernsti-
ge aanwijzingen zijn dat zij strafbare feiten in het kader van een criminele organisatie,
zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of misdaden of wanbedrijven als
bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 plegen of zouden plegen’.
34.POLITIEAMBTENAAR’. De wetgever acht het noodzakelijk dat infiltraties altijd
uitgeoefend moeten worden door politieambtenaren die speciaal daartoe opge-
leid en getraind zijn.78 De reden hiervoor is het delicate karakter van de infiltra-
tietechniek.
35.FICTIEVE IDENTITEIT. De fictieve identiteit is een constitutief bestanddeel om
van een infiltratie te kunnen spreken.79 In de Memorie van Toelichting wordt de
fictieve identiteit ook gebruikt als argument om de informant van de infiltrant te
onderscheiden.80
Het handelen onder een fictieve identiteit heeft voornamelijk als doel om de
infiltrant te beschermen en zijn ware identiteit verborgen te houden. De infil-
trant dringt immers binnen in een crimineel milieu waarbij er steeds een risico
van ontdekking is die eventueel kan leiden tot represailles.81 Het handelen onder
een fictieve identiteit is op zich wel een strafbaar feit (art. 231 Sw.) maar omdat
het noodzakelijk wordt geacht voor het slagen van de infiltratieoperatie valt dit

77 B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, 14.
78 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 33.
79 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 25.
80 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 43.
81 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 34.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
36 Maklu 
strafbaar handelen immers onder art. 47quinquies, §2 Sv. dat voorziet in eens
strafuitsluitende verschoningsgrond.
36.DUURZAAM CONTACT’. Ten derde is de infiltratie erop gericht om een duur-
zaam contact te onderhouden met de geviseerde personen. Een eenmalig contact
vormt dus geen infiltratieoperatie.82
37. ‘ERNSTIGE AANWIJZINGEN’. Ten slotte is de infiltratie enkel mogelijk indien er
ernstige aanwijzingen zijn dat de geviseerde personen:
strafbare feiten plegen of zullen plegen in het kader van een criminele
organisatie in de zin van artikel 324bis Sw. of;
strafbare feiten plegen of zullen plegen die opgenomen zijn in de lijst
van artikel 90ter, §§ 2 tot 4 Sv.
Wat precies moet worden verstaan onder ‘ernstige aanwijzingen’ maakt de wet
niet duidelijk. De correctionele rechtbank te Brussel stelde in zijn vonnis van 15
juli 2004 dat een anonieme aangifte bij de politie door een persoon die bij de
politie bekend staat als een persoon te goeder trouw, kan aangemerkt worden als
een eerste ernstige aanwijzing. Daarnaast stelt dezelfde rechtbank in hetzelfde
vonnis pragmatisch vast dat het tappen van de telefoon een tweede ernstige
aanwijzing is omdat een telefoontap enkel mag bevolen worden indien er ernsti-
ge aanwijzingen zijn dat het gaat om een strafbaar feit als bepaald in artikel
90ter, §2 Sv. (artikel 90ter, §1 Sv.).83Ook het Hof van Cassatie heeft geoordeeld
over de vraag of een anonieme aangifte kan leiden tot de vervulling van het crite-
rium van aanwezigheid van ernstige aanwijzingen.84 Het Hof oordeelde dat er
ernstige aanwijzingen van een misdrijf kunnen voortvloeien uit een anonieme
aangifte. Het is de bodemrechter die moet controleren of de aanwijzingen uit
een anonieme aangifte ernstig genoeg zijn. Volgens het Hof van de bodemrech-
ter bij die toetsing rekening houden met de vorm en inhoud van de inlichting. In
casu bevatte de anonieme aangifte zeer nauwkeurige details.
38. VERKREGEN GEGEVENS. Op basis van artikel 47novies, §2, lid 2 Sv. stelt de offi-
cier van de gerechtelijke politie een proces-verbaal op van de verschillende fasen
van de uitvoering van de infiltratie zonder elementen te vermelden die onder
andere de veiligheid in het gedrang brengen van de politieambtenaar en eventu-
eel de burger die hem bijstond bij de operatie. Deze opgestelde processen-
verbaal worden bij het beëindigen van de infiltratie bij het strafdossier gevoegd
die (in tegenstelling tot het vertrouwelijk dossier) gebruikt wordt bij de zitting
ten gronde (art. 47novies, §2, laatste lid Sv.).

82 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 34.
83 Corr. Brussel 15 juli 2004, onuitg., thans besproken in H. BERKMOES en J. DELMULLE, De
bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011,
676, voetnoot 987.
84 Cass. 6 januari 2006, P.05.1417.F, www.cass.be.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  37
2. Burgerinfiltratie?
39. W
ETTELIJK NIET TOEGELATEN. Op basis van de definitie die gegeven wordt
door artikel 47octies, §1 Sv. blijkt dat de infiltrant steeds een politieambtenaar
moet zijn die volgens de Memorie van Toelichting speciaal daartoe getraind is
(zie randnr. 34). Hoewel de wet het niet uitdrukkelijk verbiedt, kunnen we op
basis van de definitie afleiden dat burgerinfiltratie niet toegelaten is onder de
huidige wetgeving.
In de Memorie van Toelichting valt te lezen dat de regering het niet wenselijk
acht te werken met burgerinfiltranten omwille van de hoge risicograad, de moei-
lijkheid om deze burgerinfiltranten te controleren en het feit dat deze burgerin-
filtranten mogelijk werken met een ‘dubbele agenda’ of persoonlijke belangen
nastreven.85
Het komt ons voor vast te stellen dat de voornoemde redenen om niet te werken
met burgerinfiltranten grotendeels slaan op het gebruik van criminele burgers bij
de bijzondere opsporingsmethoden. Deze risicos werden ook al reeds aange-
kaart door de Bendecommissie in navolging van de zaken François en Reyniers
waar het samenwerken met criminele burgers uit de hand was gelopen (zie
randnrs. 2-4). Een reden om niet te werken met niet-criminele burgerinfiltran-
ten wordt ons inziens dan ook niet gegeven. Het is thans bedenkelijk dat het
werken met niet-criminele burgerinfiltranten ook risico’s inhoudt. Het risico
bestaat immers dat de burgerinfiltrant de verlokkingen van het crimineel milieu
niet kan weerstaan en zelf effectief crimineel zal worden. De zaak François leer-
de ons dat zelfs opgeleide politieagenten deze verlokkingen niet konden weer-
staan (zie randnr. 2).
40. BURGERINFILTRATIE NOODZAKELIJK? Na de aanslagen van 11 september 2001
in New York heeft de wetgever echter wel getwijfeld om burgerinfiltratie tot de
wettelijke mogelijkheden te laten behoren. In de inleidende uiteenzetting door
toenmalig Minister van Justitie MARC VERWILGHEN valt te lezen dat ‘[N]a de ge-
beurtenissen van 11 september 2001 te New York was er binnen de politieke werkgroep
belast met dit ontwerp een tendens om het gebruik van burgerinfiltranten toe te laten.
De voorbeelden en argumenten lagen voor het grijpen: om in terroristische middens te
kunnen binnendringen moeten de taal, cultuur en de gewoonten van dat milieu gekend
zijn; het is onmogelijk om een politieambtenaar hier te laten infiltreren’.86 Het voor-
stel heeft het uiteindelijk niet gehaald. Volgens de Minister van Justitie was het
voorstel enkel gebaseerd op emotie en niet op rede. Merk thans op dat de prak-
tijk ook reeds voor de aanslagen van 11 september 2001 het noodzakelijk achtte
om in bepaalde omstandigheden burgers te betrekken bij infiltratieoperaties (zie
randnrs. 15 en 16). Het verbod op burgerinfiltratie bleef dus uiteindelijk besten-

85 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 34.
86Wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder-
zoeksmethoden, verslag namens de Commissie voor de Justitie, uitgebracht door de
heren HOVE en BOURGEOIS, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/013, 12.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
38 Maklu 
digd maar werd in zekere mate gemilderd door het mogelijk te maken dat een
burger een politie-infiltrant kortstondig bijstaat.
41. RELATIVERING: BURGERBIJSTAND. Artikel 47octies, §1, lid 2 Sv. bepaalt de moge-
lijkheid dat, in uitzonderlijke omstandigheden en mits uitdrukkelijk toestem-
ming van de bevoegde magistraat, de politie-infiltrant kortstondig een beroep
kan doen op de deskundigheid van een persoon die niet tot de politiediensten
behoort, indien dit strikt noodzakelijk voorkomt voor het welslagen van zijn
opdracht.
De Memorie van Toelichting somt enkele voorbeelden op waarbij de bijstand van
een burger een meerwaarde kan zijn. Bijvoorbeeld een politie-infiltrant die infil-
treert in een crimineel milieu die zich bezighoudt met het vervalsen van schilde-
rijen kan zich laten bijstaan door een schilderijenexpert of een kunstkenner. Een
ander voorbeeld is de bijstand van een chemicus in een infiltratieoperatie van
zwendel in gevaarlijke of nucleaire stoffen, of de bijstand van een diamantair bij
een infiltratieoperatie in een bende die zich bezighoudt met namaakdiaman-
ten.87
Tot slot stelt de Memorie van Toelichting dat burgers met een crimineel verle-
den de politie-infiltrant niet mogen bijstaan in de mate van het mogelijke. Met
andere woorden, indien het absoluut noodzakelijk is, kan de politie-infiltrant bij
worden gestaan door een burger met een crimineel verleden.88 Dat de memorie
spreekt van ‘crimineel verleden’ doet ons afvragen of het ook mogelijk is dat de
politie-infiltrant kan worden bijgestaan door iemand die nog steeds crimineel is,
of sterker, door een crimineel die actief betrokken is met het geviseerde milieu.
De voorbereidende werken geven ons geen antwoord op deze vraag. We kunnen
enkel vaststellen dat de regering het niet wenselijk acht te werken met criminele
burgers in het algemeen en dat zij hier specifiek spreekt over een crimineel ‘ver-
leden’. De enige conclusie die we hieruit kunnen afleiden is dat er enkel beroep
mag worden gedaan op een niet-criminele burger en in uitzonderlijke gevallen
een burger met een crimineel verleden, die dus op het moment dat men op hem
beroep doet geen crimineel meer is. Dit heeft als gevolg dat een actieve infor-
mant, zijnde een persoon die actief deelneemt aan de criminele organisatie
waarin men gaat infiltreren, de politieambtenaar niet kan bijstaan bij het infil-
treren. Er is daarentegen geen enkele reden om te concluderen dat passieve
informanten de politie-infiltrant niet zou kunnen bijstaan, zij zijn immers niet
crimineel.

87 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 35.
88 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 35. Zie ook I. ONSEA, De be-
strijding van georganiseerde criminaliteit in het Belgische Strafrecht: de subtiele grens tussen
waarheidsvinding en grondrechten, Doctoraatsthesis Rechten Universiteit Antwerpen, 2002,
274.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  39
42. CONCEPTUELE HEREVALUTIE BURGERINFILTRATIE. Het feit dat artikel 47octies,
§1, lid 2 Sv. het mogelijk maakt dat een burger betrokken wordt bij een infiltra-
tieoperatie, wil nog niet zeggen dat deze burger als een (eigenlijke of volwaardi-
ge) burgerinfiltrant gekwalificeerd kan worden. De rol van de burger is immers
beperkter dan die van een volwaardige infiltrant. Later in dit werk zal concreter
ingegaan worden op het onderscheid tussen beide concepten (zie randnr. 76-82).
43. SLOTOPMERKING Merken we ten slotte nog op dat artikel 47quinquies, §2 Sv.
ook van toepassing is op de burgers die de politie-infiltrant bijstaan (artikel
47quinquies, §2, lid 3 Sv.). Zij kunnen dus ook gemachtigd worden om bij de
infiltratieoperatie strafbare handelingen te stellen mits de voorwaarden daartoe
voldaan zijn.89Overigens is het verbod van provocatie onverminderd van toepas-
sing op deze burgers (zie randnr. 26).
3. Politionele onderzoekstechnieken90
44. KORTE TOELICHTING. Zonder hier uitgebreid op in te gaan, merken we op dat
de politie-infiltrant bij het uitoefenen van zijn opdracht gemachtigd kan worden
om politionele onderzoekstechnieken aan te wenden (artikel 47octies, §2, lid 2
Sv.). Deze politionele technieken zijn zelf geen bijzondere opsporingsmethoden.
Zij vormen als het ware een instrument dat enkel kan aangewend worden bin-
nen een infiltratieoperatie. Dat wil ook zeggen dat de basisbeginselen die van
toepassing zijn op de infiltratietechniek, onverminderd van toepassing zijn op de
politionele onderzoekstechnieken.91
Het Koninklijk Besluit van 9 april 2003 betreffende de politionele onderzoeks-
technieken vormt hierbij de voornaamste bron. Dit besluit somt een aantal poli-
tionele onderzoekstechnieken op: de pseudo(ver)koop, de vertrouwens(ver)koop,
de testkoop, de gecontroleerde door- of aflevering en de frontstore.
Uit het samen lezen van artikel 47octies, §1, lid 2 Sv. met artikel 47octies, §2, lid 2
Sv. kunnen we concluderen dat burgers de politie-infiltrant kunnen bijstaan bij
het aanwenden van politionele onderzoekstechnieken in het kader van een infil-
tratieoperatie.
Ten slotte verwijzen we naar de wet houdende wijziging van artikel 47octies van
het Wetboek van Strafvordering betreffende de samenwerking met buitenlandse

89 H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder-
zoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 674.
90 Voor een uitgebreidere toelichting zie bv. wetsontwerp betreffende de bijzondere op-
sporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, verslag namens de Commissie
voor de Justitie, uitgebracht door de heren HOVE en BOURGEOIS, Parl. St. Kamer 2001-02,
nr. 1688/013, 35-38; Zie ook H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmetho-
den en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 683-707.
91MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 35-36.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
40 Maklu 
infiltranten92 dat stelt dat de politionele onderzoekstechnieken enkel kunnen
worden aangewend door leden van de directie van de speciale eenheden van de
federale politie en, desgevallend, in samenwerking met bevoegde buitenlandse
ambtenaren die speciaal daartoe zijn opgeleid mits voorafgaand akkoord van de
federale procureur (artikel 47octies, §2, tweede lid Sv.). De uitoefening van politi-
onele onderzoekstechnieken door een buitenlandse niet-ambtenaar is dan op
basis van deze bepaling ongeldig. Het daaruit verkregen bewijs zal in de regel
onrechtmatig zijn doch eventueel bruikbaar indien het de toets van de Antigoon-
criteria doorstaat (zie randnrs. 60-72).
§ 2. De aanverwante informantenwerking
1. Wettelijke bepalingen
45. DEFINITIE. Artikel 47decies, §1, lid 1 Sv. bepaalt dat de informantenwerking
erin bestaat dat een politieambtenaar regelmatig contacten onderhoudt met een
persoon, informant genoemd, waarvan vermoed wordt dat hij nauwe banden
heeft met één of meerdere personen, waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat
ze strafbare feiten plegen of zouden plegen, en die de politieambtenaar hierover
inlichtingen verstrekt, al dan niet gevraagd.
46.NAUWE BANDEN HEBBEN’. Volgens de huidige definitie gaat de wetgever er-
van uit dat de informant een persoon is van wie men vermoedt dat hij nauwe
banden heeft met criminele burgers. Op basis van deze ruimere bewoordingen is
het niet meer vereist dat de informant zelf steeds crimineel is, wat volgens
sommige auteurs wel het geval is onder de regeling van de ministeriële om-
zendbrieven (zie randnr. 8). De informant kan vandaag actief betrokken zijn
maar evengoed passief.93 Een passieve informant (niet-crimineel) kan bijvoor-
beeld de partner, een familielid, een naaste vriend, … van een persoon zijn waar-
van er ernstige aanwijzingen bestaan dat deze zich schuldig maakt of gaat ma-
ken aan strafbare feiten. Het gaat over personen die een zekere vaste relatie heb-
ben met een crimineel, zonder dat zij zelf betrokken zijn bij de strafbare hande-
lingen die de crimineel stelt. Informanten moeten dan ook onderscheiden wor-
den van de tipgevers/aangevers. Tipgevers hebben namelijk geen banden met
het crimineel milieu maar komen op een toevallige manier in het bezit van be-
paalde inlichtingen.94
47. ‘INLICHTINGEN GEVEN AAN POLITIEDIENSTEN’. De informant kan uit eigen
beweging informatie verschaffen aan de politieambtenaar maar andersom kan
de politieambtenaar de informant ook verzoeken om inlichtingen te verschaffen.

92 Wet houdende wijziging van artikel 47octies van het Wetboek van Strafvordering betref-
fende de samenwerking met buitenlandse infiltranten, BS 20 januari 2011.
93MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 95.
94 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 40.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  41
De mate waarin de politieambtenaar iets vraagt aan de informant is hierbij niet
onbelangrijk. De kans bestaat immers dat de informant een te actieve rol gaat
innemen wanneer hij door de politieambtenaar verzocht wordt om inlichtingen
in te winnen. Het gevolg hiervan is dat er in dit geval geen sprake kan zijn van
een geldige informantenwerking (zie randnrs. 53-56).
De inlichtingen die worden gegeven door de informant worden in principe op
zichzelf niet beschouwd als bewijs. De inlichtingen zullen in de praktijk veelal
leiden tot een strafonderzoek waarbij men verder bewijzen zal kunnen verzame-
len.95 Anders dan bij de uit een infiltratie voorkomende gegevens, heeft de pro-
cureur des Konings een zekere discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de
inlichtingen die aangereikt worden door een informant. Op basis van artikel
47decies, §6, laatste lid Sv. kan de procureur des Konings beslissen om een pro-
ces-verbaal op te stellen in functie van het belang van de aangebrachte informatie
die hij dan in het strafdossier kan voegen. Het komt dus volledig aan de procu-
reur toe om te beslissen of de aangereikte informatie voldoende belangrijk is om
deze gegevens bij het strafdossier te voegen.
Ten slotte moet men ook rekening houden met de hypothese dat in uitzonderlij-
ke omstandigheden de informant kan evolueren naar een anonieme getuige
wanneer bijvoorbeeld de informatie die hij verstrekt heeft aan de politie van
groot belang is voor de zaak.96 Wanneer de informant zal optreden als anonieme
getuige is de wet van 8 april 2003 betreffende de anonimiteit van de getuigen97
overigens van toepassing.
48. G
EEN SUBSIDIARITEIT EN PROPORTIONALITEIT. Ten slotte merken we op dat
zowel het subsidiariteits- als het proportionaliteitsbeginsel niet van toepassing
zijn op de informantenwerking. 98
Met betrekking tot het proportionaliteitsbeginsel bemerkt de regering dat het
koppelen van de informantenwerking aan een beperkt aantal strafbare feiten
ertoe leidt dat inlichtingen inzake andere misdrijven genegeerd moeten worden
terwijl die kunnen leiden tot het voorkomen van een misdrijf.

95 K.I. Gent 26 juni 2003, onuitg., thans aangehaald in F. SCHUERMANS, ‘De wet betreffen-
de de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden’, RW 2003-
2004, nr. 24, 945, randnr. 76. Zie ook C. DE ROY en S. VANDROMME, Bijzondere opspo-
ringsmethoden en aanverwante onderzoeksmethoden, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2004,
55.
96 Zie bijvoorbeeld A. DE NAUW, ‘De wet op de anonimiteit van getuigen’, RW 2002-03,
921-935; M. NEVE en F. KUTY, ‘Le témoignage anonyme’, JT 2003, 277-283; F. SCHUER-
MANS, ‘De wet van 8 april 2003 betreffende de anonimiteit van de getuigen: een stap
vooruit, achteruit, of de processie van Echternach?’, Vigiles 2002, afl. 3, 74-85.
97 Wet van 8 april 2003 betreffende de anonimiteit van de getuigen, BS 23 mei 2002.
98 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 42. Een amendement om de
informantenwerking te koppelen aan het proportionaliteitsbeginsel werd verworpen, zie
amendement van de heer GUILBERT, Parl. St. Senaat 2002-03, nr. 2-1260/3, 5.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
42 Maklu 
Met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel is de regering van mening dat het
gebruik van informanten niet in strijd lijkt te zijn met het recht op bescherming
van de persoonlijke levenssfeer.
2. Problematiek van ‘gestuurde informant’/’infiltrerende informant’
a. ‘Al dan niet gevraagd’
49.GESTUURDE INFORMANT OF INFILTRERENDE INFORMANT’. Artikel 47decies, §1,
lid 1 Sv. stelt dat de informant inlichtingen verschaft aan de politiediensten, al
dan niet gevraagd. De wet laat hier met andere woorden op het eerste zicht toe dat
de politieambtenaar aan de informant vraagt om bepaalde inlichtingen in te
winnen en deze aan hem te bezorgen. Men zou dus op basis van de letterlijke
bewoordingen van de wet kunnen afleiden dat de informant een actieve rol kan
vervullen en gericht kan pogen om informatie te verzamelen zonder daarbij af te
glijden naar de figuur van de burgerinfiltrant.99 Wanneer een informant inlich-
tingen gaat verzamelen in opdracht van de politieambtenaar spreekt de wetgever
van een ‘gestuurde informant’.100 In dit werk wordt thans gesproken over een
‘infiltrerende informant’. Later zal verduidelijkt worden dat er een onderscheid
dient gemaakt te worden tussen de gewone informant en de infiltrerende infor-
mant (zie randnrs. 85 en 88).
We kunnen ons eveneens de vraag stellen of hetgeen men hier bewerkstelligt
geen burgerinfiltratie is. Ons inziens is er in deze situatie minstens sprake van
een verkapte vorm van burgerinfiltratie terwijl burgerinfiltratie tot vandaag niet
toegelaten is.
50. P
RE-B.O.M.-WET. Ook reeds voor de invoering van de B.O.M.-Wet werd
meerdere malen gewezen op de onduidelijke begrenzing van de ‘gestuurde in-
formant’ ten opzichte van de burgerinfiltrant. De richtlijnen vervat in de minis-
teriële omzendbrief van 1990 waren immers van toepassing ongeacht of de
informant zijn informatie spontaan of op verzoek leverde. De Parlementaire
Onderzoekscommissie van onderzoek naar georganiseerde criminaliteit vroeg
zich dan ook af of dit niet neerkwam op het inschakelen van burgerinfiltranten,
een techniek die toen overigens ook verboden was.101
Overigens vergeleek deze parlementaire onderzoekscommissie de Belgische
figuur van de informant met de Nederlandse figuur van de informant. Zij stelde

99 MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 34; H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsme-
thoden en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 729-730, randnr. 791.
100 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 96.
101 Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 394.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  43
daarbij vast dat Nederland een onderscheid kende tussen spontane informanten
(‘informant sec’) en de informant aan wie de politie vraagt om inlichtingen in te
winnen. Deze laatste figuur kon ook enkel mits striktere voorwaarden aange-
wend worden omdat deze informant te dicht zou aanleunen bij de figuur van de
infiltrant.102 Hieruit kunnen we dus afleiden dat de figuur van de ‘gewone’ in-
formant moet onderscheiden worden van de figuur van de gestuurde infor-
mant/infiltrerende informant.
51. NOOD AAN CONCEPTUELE HEREVALUTIE. Om een terminologische duidelijkheid
te bewaren en om de verschillende figuren duidelijk van elkaar te scheiden
wordt hier niet gesproken van een burgerinfiltrant maar van een ‘infiltrerende
informant’. Ondanks het feit dat de burgerinfiltrant en de ‘infiltrerende infor-
mant’ sterk op elkaar lijken en in feite grotendeels dezelfde gevolgen teweeg-
brengen bezitten zij niet dezelfde eigenschappen. Een conceptuele herevaluatie
dringt zich op (zie randnrs. 73-88). Wat is het verschil tussen een informant en
een infiltrant, en specifieker tussen een infiltrerende informant en een burgerin-
filtrant?
52. CONCLUSIE. We kunnen dus concluderen dat de wetgever volgens haar tradi-
tionele visie enkel de gewone informant zou moeten toelaten als opsporings-
techniek en de figuur van de infiltrerende informant, volgens diezelfde traditio-
nele visie, zou moeten verbieden omwille van dezelfde redenen die de regering
aanhaalde om met burgerinfiltranten te werken. Zij stelt thans dat de informant
op een actieve en gerichte wijze informatie kan verzamelen zonder daarbij af te
glijden naar de figuur van de burgerinfiltrant. Hierdoor lijkt een paradoxale situatie
te ontstaan waarbij de wetgever streng is m.b.t. het verbod op burgerinfiltratie
maar toch enige opening laat bij de informantenwerking.
b. Paradox: verbod burgerinfiltratie tegenover schijnbaar toelaatbare infiltrerende
informanten?
53. VERKLARING PARADOX. Een logische vraag die we hier kunnen stellen is hoe
het mogelijk is dat de wetgever zulke tegenstrijdige opvattingen heeft. Het ant-
woord op deze vraag is dat de wetgever doorheen de jaren de zinsnede ‘al dan
niet gevraagd’ anders is gaan interpreteren, althans op het eerste gezicht.
Merk op dat de wetgever bij de invoering van de B.O.M.-Wet in 2003 van me-
ning was dat ‘[A]an informanten worden er geen taken toebedeeld. Hoogstens kan een
politieambtenaar aan een informant bepaalde inlichtingen vragen. Al het meerdere
zou impliceren dat we te doen hebben met een gestuurde informant, die in se niets
anders zou zijn dan een burgerinfiltrant. Het gebruik van burgerinfiltranten is …

102 Parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Bel-
gië, Eindverslag uitgebracht door de heren COVELIERS en DESMEDT, Parl. St. Senaat 1998-
99, nr. 1-326/9, 394-395, voetnoot 1.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
44 Maklu 
verboden’.103 Uit deze bewoordingen blijkt dus duidelijk dat de wetgever zich
oorspronkelijk wel bewust was van het feit dat er een onderscheid moest ge-
maakt worden tussen een gewone informant en een gestuurde infor-
mant/infiltrerende informant. Uit deze bewoordingen kunnen we dan ook aflei-
den dat de zinsnede ‘al dan niet gevraagd’ oorspronkelijk betekende dat de poli-
tieagent achter inlichtingen kon vragen. Dit veronderstelt dat de informant reeds
over bepaalde informatie beschikt (1e hypothese) en deze ofwel spontaan overmaakt
aan de politieambtenaar ofwel dat de politieambtenaar eerst een navraag doet en
dat de informant door deze navraag de gegevens overmaakt aan de politieman.
De voornoemde zinsnede houdt dus niet de mogelijkheid in voor de politieamb-
tenaar om de informant de opdracht te geven om gegevens te verzamelen wan-
neer deze informant op dat moment nog niet over informatie beschikt (2e hypothe-
se). In de eerste hypothese wordt er immers een navraag gedaan terwijl in de
tweede hypothese een opdracht wordt gegeven. Klassiek kon de politieambtenaar
enkel een navraag doen.
Bij de invoering van de wet van 27 december 2005104 (de B.O.M.-Reparatiewet)
blijkt de wetgever een andere interpretatie te geven aan de zinsnede ‘al dan niet
gevraagd’. De bewoordingen van de wetgever luiden nu als volgt:
‘De wet van 6 januari 2003 laat hier met andere woorden toe dat de politie-
diensten een informant kunnen verzoeken over een bepaald crimineel milieu
of dadergroepering waarmede hij nauwe banden heeft, informatie in te win-
nen en deze aan hen te bezorgen. De informant kan, bij het inwinnen van
deze informatie, wel een actieve rol vervullen en gericht pogen deze informatie
te verzamelen, maar mag daarbij niet afglijden naar de figuur van de burger-
infiltrant.’105
Op basis van deze bewoordingen kunnen we in principe afleiden dat, in tegen-
stelling tot de oorspronkelijk betekenis, de voornoemde zinsnede inhoudt dat de
politieambtenaar momenteel zowel een navraag kan doen naar informatie als een
opdracht kan geven aan de informant. Deze interpretatie van de zinsnede heeft
tot gevolg dat de politie aan een informant opdrachten kan geven en dat dus de
techniek van infiltrerende informanten bewerkstelligd kan worden, een techniek

103 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 96.
104 Wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van straf-
vordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onder-
zoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde crimina-
liteit, BS 30 december 2005.
105 MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 33.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  45
die thans niet toegelaten is (want in se komt dit op hetzelfde neer als een burger-
infiltratie).
54. NUANCERING PARADOX. Verder onderzoek dwingt ons echter de voornoemde
interpretatie te nuanceren. De wetgever stelde immers al dat de informant niet
mag afglijden naar de figuur van de burgerinfiltrant. De logische vraag die hier-
op volgt, is wanneer een informant afglijdt naar de figuur van de burgerinfil-
trant. De wetgever merkt het volgende op in dezelfde memorie:
‘Het is inderdaad niet de taak van de procureur des Konings om de informant
opdrachten te geven of hem te machtigen bepaalde misdrijven te plegen die de
informant nooit van zinnens was te plegen of die hij niet gevraagd werd te
plegen door de criminele of terroristische organisatie. Dit zou betekenen dat de
informant te actief wordt en afglijdt naar de figuur van de burgerinfiltrant.’106
De wetgever lijkt hier duidelijk te maken dat men aan informanten geen op-
drachten kan geven. Het is met andere woorden verboden om de informant te
‘sturen’ want dan is er sprake van een burgerinfiltratie.
55. BEVESTIGING HOF VAN CASSATIE. Dat aan een informant geen taken kunnen
worden toebedeeld blijkt ook uit het arrest van het Hof van Cassatie van 25 mei
2010.107 In dit arrest geeft het Hof te kennen dat een informant een beperkte rol
vervult en dat deze niet actief betrokken wordt bij het opsporingsonderzoek.
Daarnaast stelt zij dat de informantenwerking als doel heeft om inlichtingen te
verstrekken aan politiediensten in tegenstelling tot de infiltratie en observatie, die
als doel hebben om gegevens in te zamelen en te genereren. Volgens ons kan hier
duidelijk uit afgeleid worden dat de informant enkel maar informant kan zijn
wanneer deze reeds kennis heeft van bepaalde gegevens. Als deze geen kennis
heeft van bepaalde zaken, dan is hij geen informant en dan kan deze ook niet in
opdracht van de politiediensten gegevens gaan inzamelen. Het inzamelen van
gegevens gebeurt dus via infiltratie en observatie die overigens uitgevoerd wor-
den door daartoe opgeleide politieambtenaren.
56. CONCLUSIE. Ondanks het feit dat het op het eerste gezicht lijkt alsof de wet-
gever in 2005 het werken met infiltrerende informanten toelaat, moeten we
vaststellen dat dit eigenlijk niet het geval is en dat er dus eigenlijk geen sprake is
van een paradox. De door de wetgever gebruikte bewoordingen bij het uitleggen

106MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 38.
107 Cass. 25 mei 2010, P.10.0200.N, www.cass.be. Dit arrest wordt overigens uitvoerig
besproken in H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmethoden en enige
andere onderzoeksmethoden, Brussel, Politeia, 2011, 736-740, randnrs. 800-802.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
46 Maklu 
van de zinsnede ‘al dan niet gevraagd’ zorgen voor verwarring en lijken contra-
dictorisch. Enerzijds spreekt de wetgever over de mogelijkheid dat de informant
op een gerichte en actieve manier inlichtingen kan verzamelen in opdracht van
de politieman. Anderzijds stelt zij dat de politieman geen werkelijke opdracht
kan geven aan de informant, dit zou echter neerkomen op een burgerinfiltratie.
In het licht van de traditionele opvatting van de wetgever lijkt het ons logisch te
concluderen dat het werken met infiltrerende informanten ook volgens de wet-
gever in 2005 verboden is. De zinsnede ‘al dan niet gevraagd’ moet dan ook
volgens die visie geïnterpreteerd worden als de mogelijkheid voor de politieman
om een loutere navraag te doen naar inlichtingen (die de informant in casu al
dan niet heeft) en niet als een mogelijkheid voor de politieman om de opdracht
te geven aan de informant om op een actieve en gerichte wijze inlichtingen te
verzamelen indien de informant niet reeds over bepaalde inlichtingen beschikt.
Deze zienswijze wordt overigens bevestigd door het Hof van Cassatie (zie rand-
nr. 55).
3. De ‘misdrijfplegende informant’?108
57. ARTIKEL 47DECIES, § 7 SV. De wet van 27 december 2005109 (de B.O.M.- Repa-
ratiewet) voegde een § 7 in bij artikel 47decies Sv. Deze nieuwe paragraaf maakte
het mogelijk voor de procureur om de informant de machtiging te geven strafba-
re feiten te stellen die strikt noodzakelijk zijn om zijn informantenpositie te
behouden. De memorie verduidelijkt dit aan de hand van volgende voorbeel-
den110: de informant die in een terrorismezaak verzocht wordt door de terroristi-
sche groep om een appartement te huren van waaruit de aanslag zal voorbereid
worden; of de informant die mee een voorverkenning van het doelwit dient uit te
voeren.
Aan deze mogelijkheid werd echter wel een proportionaliteitsbeginsel gekop-
peld. Het stellen van strafbare handelingen is enkel mogelijk bij onderzoeken
inzake terrorisme en georganiseerde criminaliteit.111
58. RATIO. Merk op dat de beweegreden van de regering om deze paragraaf in te
voegen de aanslagen in New York, Londen en Madrid zijn. De regering acht het

108 Voor een uitgebreidere bespreking zie bijvoorbeeld F. SCHUERMANS, ‘Grondwettelijk
Hof laat ‘BOM-Reparatiewet’ quasi onbemoeid’, RABG 2008, afl. 1, 19-25.
109 Wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van straf-
vordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onder-
zoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde crimina-
liteit, BS 30 december 2005.
110 MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 34.
111 H. BERKMOES, ‘De B.O.M.-Reparatiewet: over de inhoud en over de lichtheid van som-
mige kritiek’, Vigiles 2006, afl. 1, 6.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  47
wenselijk de strijd tegen het terrorisme te verstevigen door de gerechtelijke auto-
riteiten toe te staan onderzoeksmiddelen te gebruiken die meer aangepast zijn
aan de complexiteit van dit criminele fenomeen.112
Merk op dat dit dezelfde beweegreden zijn als die de Regering had toen zij het
werken met burgerinfiltranten overwoog bij de invoering van de B.O.M.-Wet (zie
randnr. 40). Toen heeft het voorstel het niet gehaald omdat men dacht dat dit
voorstel volledig op emotie gesteund was. Interessant om vast te stellen is dus
dat de wetgever in 2005 plots van gedachte verandert en inziet dat er een prak-
tijk zich opdringt die het noodzakelijk maakt om uitgebreider te werken met
(criminele) burgers en dat dit dus helemaal geen louter emotioneel voorstel is.
De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat er een noodzaak is om uitge-
breider te werken met (criminele) burgers in het kader van zeer ernstige en
complexe (lees: moeilijk te doorgronden omwille van de taal, religie, cultuur en
gewoonten) zaken zoals bijvoorbeeld terrorisme.
59. VERSCHIL MET BURGERINFILTRANT. De regering herhaalt in de memorie het
verbod om te werken met burgerinfiltranten. Door de informant de mogelijk-
heid te geven om in bepaalde gevallen strafbare handelingen te laten plegen,
ontstaat vanzelfsprekend de vraag wat deze ‘misdrijfplegende informant’ onder-
scheidt van de burgerinfiltrant. De memorie anticipeert op deze vraag en somt
de essentiële verschilpunten op. 113
Een eerste verschilpunt bestaat erin dat de informant niet optreedt onder een fic-
tieve identiteit wat de infiltrant noodzakelijkerwijze wel doet.
Een tweede verschilpunt betreft de finaliteit van de handelingen die de informant
stelt. De informant handelt enkel met het oogmerk om gegevens te verzamelen.
Volgens de regering verleent de informant, in tegenstelling tot infiltrant, geen
directe en actieve bijstand aan de opsporing van daders van misdrijven.
Dat de taak van de informant erin bestaat dat hij gegevens gaat verzamelen is
niet helemaal correct. Het actief verzamelen van gegevens is een taak van de
infiltrant. De taak van de informant bestaat er louter in om inlichtingen over te
maken aan de politieambtenaren (zie randnrs. 53-54). Dit werd overigens beves-
tigd door het Hof van Cassatie (zie randnr. 55). Hetgeen de wetgever hier wil
duidelijk maken is dat men aan informanten geen taken toebedeelt of dat de
informant, anders gezegd, nooit kan handelen in opdracht van de politiediensten
(zie randnr. 55). In die zin verleent de informant inderdaad geen actieve en direc-
te bijstand aan het opsporen van daders.

112MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 34.
113MvT, wetsontwerp houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmetho-
den in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, Parl. St.
Kamer 2005-06, nr. 2055/1, 39.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
48 Maklu 
In een derde verschilpunt wijst de wetgever er op dat de informant in sommige
gevallen strafbare feiten kan plegen enkel met als doel om zijn informantenposi-
tie te bewaren. De infiltrant kan strafbare handelingen stellen voor het welslagen
van zijn opdracht en om de veiligheid te garanderen van de betrokken personen.
Dit is volgens de regering beduidend breder.
Een vierde verschilpunt is dat de informant reeds nauwe banden heeft met een
bepaald crimineel milieu. De infiltrant is een persoon die helemaal niets te ma-
ken heeft met de geviseerde groepering, vandaar ook dat hij zal moeten ‘infiltre-
ren’.
Een voorlaatste verschilpunt (vijfde) bestaat erin dat de informant enkel voor-
zienbare misdrijven kan plegen in tegenstelling tot de infiltrant die ook andere
strafbare feiten kan plegen en die daarvoor a posteriori een machtiging kan krij-
gen van de procureur.
Het zesde en laatste verschilpunt is dat de informant geen beroep kan doen op de
strafuitsluitende verschoningsgrond van artikel 47quinquies Sv. De feiten die hij
pleegt worden hem in principe steeds ten laste gelegd.
De Raad van State vroeg om verantwoording voor dit verschil in behandeling
tussen de informant en de politie-infiltrant/de burger die deze politie-infiltrant
bijstaat. De regering herhaalde en benadrukte in haar antwoord nogmaals het
feit dat ze wil vermijden te werken met burgerinfiltranten en dat de informant,
in tegenstelling tot de politieambtenaar, geen vertegenwoordiger is van het
openbaar gezag en, in tegenstelling tot de burgerdeskundige, reeds banden heeft
met het crimineel milieu. Kortom, de informant biedt niet dezelfde garanties als
de twee andere voornoemde figuren en omwille van die reden kan de informant
geen beroep doen op een strafuitsluitende verschoningsgrond. Dit is enigszins
paradoxaal. Enerzijds is de regering van mening dat de informant in zekere mate
onbetrouwbaar blijft en dus niet kan genieten van de strafuitsluitende verscho-
ningsgrond maar anderzijds acht zij de informant wel voldoende betrouwbaar
om deze in de mogelijkheid te stellen om strafbare handelingen te stellen. Het is
ook vreemd dat de procureur des Konings de informant kan machtigen om
strafbare handelingen te stellen maar die toch strafbaar blijven. Waarom moet
de informant dan vooreerst ‘gemachtigd’ worden, of nog, wat wordt er in dit
geval ‘gemachtigd’?
60. VERNIETIGING DOOR GRONDWETTELIJK HOF. Het Grondwettelijk Hof heeft in
haar arrest van 19 juli 2007114 de zevende paragraaf van artikel 47decies Sv. ver-
nietigd omwille van het feit dat de informant, in tegenstelling tot de infiltrant,
geen beroep kan doen op de strafuitsluitende verschoningsgrond van artikel
47quinquies Sv.
Opmerkelijk is dat het Grondwettelijk Hof principieel aanvaardt dat informanten
gemachtigd worden om misdrijven te plegen. Volgens haar letterlijke bewoor-
dingen stelt zij dat ‘ … bij wijze van uitzondering kan worden aanvaard dat de wet-
gever magistraten belast met de opsporing en de vervolging van bepaalde categorieën

114 GwH 19 juli 2007, nr. 105/2007, www.const-court.be.
maklu
2. De rol van burgers in kader van B.O.M.-Wet
Maklu  49
van misdrijven in staat stelt de informanten die een cruciale hulp zouden kunnen zijn
bij hun taak, toe te staan misdrijven te plegen om het succes van het onderzoek dat zij
voeren, te waarborgen, … ’. 115
Sterker nog, het Hof is zelfs van mening dat er praktisch gezien niet gewerkt
kan worden met een vooraf opgestelde, limitatieve lijst van misdrijven die de
informant zou kunnen plegen omdat het dan zeer gemakkelijk wordt voor de
criminele organisatie om hierop te anticiperen en de informant, bij wijze van
beproeving, enkele misdrijven te laten plegen die niet in de lijst opgenomen
zijn.116
61. C
ONCLUSIE. Het huidige artikel 47decies Sv. bevat geen 7e paragraaf meer.
Het is met andere woorden niet toegestaan om informanten te machtigen om
strafbare handelingen te stellen om hun informantenpositie te bewaren. Het is
echter wel eens te meer duidelijk dat de wetgever een zekere noodzaak ziet om
in bepaalde gevallen (lees: moeilijk te doorgronden groeperingen), in het kader
van de bijzondere opsporingsmethoden, het werken met burgers (en zelfs cri-
minelen) uit te breiden. Vreemd is echter wel dat de wetgever enerzijds conse-
quent vasthoudt aan het verbod om te werken met burgerinfiltranten terwijl ze
anderzijds de neiging lijkt te hebben om de informantenwerking zodanig in te
kleden dat deze onderzoekstechniek de techniek van burgerinfiltratie benadert.
We kunnen ons hierdoor afvragen of het niet beter is in het kader van rechtsze-
kerheid om in zekere mate burgerinfiltratie toe te laten of om minstens een
nieuwe figuur wettelijk te introduceren die dezelfde gevolgen creëert als een
burgerinfiltratie zoals bijvoorbeeld de infiltrerende informant.
Ook het Grondwettelijk Hof heeft van een positieve ingesteldheid laten blijken
wat betreft het uitbreiden van het werken met burgers in het kader van de bij-
zondere opsporingsmethoden. Artikel 47decies, § 7 Sv. viseerde echter de figuur
van de informant die actief en gericht gegevens inwon in opdracht van de poli-
tiediensten. Het artikel doelde dus in feite op de figuur van de infiltrerende in-
formant terwijl er terminologisch gezien gesproken wordt van een (gewone) in-
formant. Later in dit werk zal verduidelijkt worden dat de figuur van de infor-
mant te onderscheiden is met die van de infiltrerende informant (zie randnrs. 85
en 88).
Tot slot is het opmerkelijk dat de wetgever geen gevolg heeft gegeven aan die
positieve ingesteldheid van het Grondwettelijk Hof om informanten strafbare
feiten te laten plegen. De reden hiervoor is volgens ons de maatschappelijke
context waarin men zich bevond. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 27
december 2005 maakt ons uitdrukkelijk duidelijk dat de enige beweegreden voor
de invoering van de 7e paragraaf bij artikel 47decies Sv. erin bestond om de strijd
tegen het terrorisme te verstevigen. De maatschappelijke context werd dus ge-

115 GwH 19 juli 2007, nr. 105/2007, B.8.5., www.const-court.be.
116 GwH 19 juli 2007, nr. 105/2007, B.8.6., www.const-court.be.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
50 Maklu 
kenmerkt door een opkomende dreiging van terrorisme. De wetgever verwijst
dan ook naar de aanslagen in New York, Londen en Madrid. Ten tijde van het
arrest van het Grondwettelijk Hof (juli 2007) was deze terreurbedreiging al fors
getemperd.
maklu
Maklu  51
Hoofdstuk 3. Onregelmatig verkregen bewijs door (verkeerd) gebruik van
burgers bij de infiltratie/informantenwerking
Afdeling 1. Onregelmatig karakter
62. O
NREGELMATIGHEID VAN BURGERINFILTRATIE/INFILTRERENDE INFORMANTEN-
WERKING. De hoofdvraag die we hier stellen is wat het gevolg kan zijn, rekening
houdende met de Antigoon-rechtspraak van het Hof van Cassatie, van verkregen
bewijsgegevens door het gebruik van burgers bij infiltratieoperaties (burgerinfil-
tranten) of door het verkeerd gebruik maken van de informantenwerking (infil-
trerende informanten) zonder rekening te houden met provocatie (zie hiervoor
randnr.28). Het onregelmatig karakter van de bewijsverkrijging door voornoem-
de onderzoekstechnieken kunnen op verschillende manieren beargumenteerd
worden.
Vooreerst bepaalt artikel 12 lid 2 van de Grondwet dat niemand vervolgd kan
worden dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Sinds
de invoering van de Franchimont-wet in 1998 is de vereiste van wettigheid ook
uitdrukkelijk opgenomen in het Strafwetboek. De artikelen 28bis §3 resp. 56 §1
Sv. bepalen dat de procureur des Konings respectievelijk de onderzoeksrechter
moeten waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee
ze worden verzameld. ‘Wettigheid’ slaat op het legaliteitsvereiste zoals vervat in
artikel 8 EVRM, terwijl ‘loyauteit’ slaat op conformiteit met de wetgeving, de
algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht.117
Artikel 8 EVRM paragraaf 2 stelt dat geen inmenging in het privéleven mogelijk
is behoudens de gevallen die bij de wet zijn voorzien.
Daarnaast bepaalt artikel 22 van de Grondwet dat iedereen het recht op eerbiedi-
ging van zijn privéleven en zijn gezinsleven heeft, behoudens in de gevallen en
onder de voorwaarden door de wet bepaald. Ook dit artikel is belangrijk gelet op
het indringende karakter van bijzondere opsporingsmethoden.
Ten slotte verwijzen we naar een arrest van het Grondwettelijk Hof118 waarin zij
stelt dat de bijzondere opsporingsmethoden een ingrijpend karakter inhouden
t.o.v. enkele grondrechten. Daaruit volgt dat het bewijs ongeldig is bij niet-
naleving van de essentiële voorwaarden om de bijzondere opsporingsmethoden
uit te oefenen.
63. OPMERKING. Merk op dat het rechtsreeks gebruik maken van burgerinfiltran-
ten in de praktijk eerder zeldzaam is in tegenstelling tot het gebruik maken van
infiltrerende informanten. De vaststelling dat er regelmatig gewerkt wordt met
infiltrerende informanten bleek reeds uit een parlementaire vraag die in 2009
gesteld werd aan de toenmalige Minister van Justitie. Deze vraag luidde als volgt:

117 P. TRAEST en J. MEESE, ‘België’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 13.
118 GwH 26 juli 2007, nr. 107/2007, B.4.2, www.const-court.be.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
52 Maklu 
‘Is hij bekend met het probleem van informanten die door de politie gestuurd
worden tot burgerinfiltraties? Is hij akkoord dat het fenomeen toeneemt
waarbij gecodeerde informanten in de praktijk meer en meer als undercover-
agent fungeren? Zo ja, hoe komt dit?’119
Afdeling 2. De Antigoon-rechtspraak van het Hof van Cassatie
64. N
AAR EEN RELATIVERING VAN NIETIGHEDEN. Oorspronkelijk gold de uitslui-
tingsregel waarbij het bewijs dat verkregen werd door miskenning van wettelijke
voorschriften nietig was. Daarnaast moesten ook de bewijzen die voortvloeiden
uit het ab initio onrechtmatig verkregen bewijs uit de debatten geweerd worden
(de zogenaamde doctrine van ‘the fruits of the poisonous tree’).
In het arrest SCHENK/ZWITSERLAND120 gaf het EHRM aan dat het niet altijd in
strijd is met artikel 6 EVRM om onregelmatig verkregen bewijs toch toe te laten.
Het is immers van belang dat de rechter steeds in concreto na zal gaan of de on-
regelmatigheid de positie van de beklaagde zodanig verzwakt dat een eerlijk
proces niet meer mogelijk is. De rechter moet het proces dus steeds in globo
beoordelen.121 Gelet op deze rechtspraak kunnen we stellen dat de oorspronkelijk
Belgische doctrine inzake bewijsuitsluiting beduidend strenger was dan hetgeen
het EHRM vereist.
Het Hof van Cassatie nam thans een soepeler standpunt aan in het Antigoon-
arrest van 14 oktober 2003.122 Op basis van deze rechtspraak moeten nietige
bewijsstukken niet altijd geweerd worden uit de debatten. Ze moeten enkel uit
de debatten geweerd worden mits enkele voorwaarden voldaan zijn.
65. ANTIGOON-RECHTSPRAAK. Op basis van de Antigoon-rechtspraak is de rechter
enkel verplicht om onrechtmatig bewijs uit de debatten te weren indien één van
de volgende criteria zich voordoen:
1° als vormvereisten die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, worden
geschonden;
2° als de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs aantast;
3° als het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Recent heeft het Hof van Cassatie een 4e criterium toegevoegd aan de lijst:

119 Schriftelijke vraag van 7 december 2009 gesteld door de heer P. WILLE, Parl. St. Senaat
2009-2010, nr. 4-5674. Merk op dat de Minister van Justitie hier geen concreet antwoord
op gaf.
120 EHRM 12 juli 1988, SCHENK/ZWITSERLAND, www.echr.coe.int.
121 PH. TRAEST, ‘ De rol van de particulier in het bewijsrecht in strafzaken’, in Liber Amico-
rum Jean Du Jardin, Antwerpen, Kluwer, 2001, 68.
122 Cass. 14 oktober 2003, RABG 2004, afl. 6,337, noot F. SCHUERMANS, ‘De nieuwe cassa-
tierechtspraak inzake de sanctionering van het onrechtmatig verkregen bewijs: doorbraak
of bres?’, RABG 2004, p. 337-357; T. Strafr. 2004, 129, concl. M. DE SWAEF, noot PH.
TRAEST.
maklu
3. Onregelmatig verkregen bewijs door (verkeerd) gebruik van burgers bij de
infiltratie/informantenwerking
Maklu  53
4e als het bewijs verkregen wordt met schending van een substantiële vormver-
eiste die raakt aan de organisatie van hoven en rechtbanken.123
Het Hof van Cassatie heeft het 3e criterium overigens verder ontwikkeld. Bij de
beoordeling van het 3e criterium kunnen rechters rekening houden met de vol-
gende subcriteria:
de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van
misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft
begaan;
het feit of de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid
overstijgt;
het feit dat het onrechtmatig bewijs alleen een materieel element van
het misdrijf betreft;124
de impact die de onrechtmatigheid heeft gehad op het recht of de vrij-
heid die door de miskende norm wordt beschermd;125
of de onregelmatigheid van zuiver formele aard was;126
of de onregelmatigheid de belangen van de eiser heeft geschaad.127
66. OPMERKINGEN. Merk op dat de Antigoon-rechtspraak de rechter enkel situa-
ties oplegt waarbij de onregelmatige bewijsverkrijging steeds moet leiden tot de
nietigheid van die specifieke bewijsgegevens. In de situaties waarbij de bewijs-
verkrijging onregelmatig gebeurd is, doch toelaatbaar is conform de Antigoon-
regels, behoudt de rechter een ruime keuzevrijheid inzake het gevolg dat hij
daaraan wenst te geven128: hij kan bijvoorbeeld de onregelmatigheid gewoon
negeren en het bewijs toelaten, het bewijs afzwakken tot steunbewijs, de bewijs-
gegevens nietig verklaren indien hij bijvoorbeeld van mening is dat die onre-
gelmatigheden in strijd zijn met het loyauteitsbeginsel of dat die de rechten van
verdediging schaden of dat de essentiële voorwaarden voor het aanwenden van
een onderzoeksmethode niet zijn nageleefd129, …
Overigens merken we op dat niet enkel de rechter ten gronde deze toetsing kan
uitvoeren maar ook de Kamer van Inbeschuldigingstelling (hierna: KI) in het
kader van haar wettigheidscontrole over de toepassing van de observatie en de
infiltratie (maar niet van de informantenwerking) zoals bepaald in artikel 235ter

123 Cass. 24 april 2013, P.12.1919.F, www.cass.be.
124 Cass. 23 maart 2004, P.04.0012.N, www.cass.be. Zie ook F. SCHUERMANS, ‘Cassatie
verfijnt en relativeert verder de bewijsuitsluitingsregels in strafzaken’, RABG 2004, p.
1066-1071. Met betrekking tot de door de politie opzettelijk gedane onrechtmatigheden,
zie bv. F. SCHUERMANS, ‘De antigoonleer inzake het onrechtmatig verkregen bewijs en de
door de politie opzettelijk begane onrechtmatigheden’, Vigiles 2007, afl. 3, p. 95-100.
125 Cass. 2 maart 2005, P.04.1644.F, www.cass.be.
126 Cass. 12 oktober 2005, P.05.0119.F, www.cass.be.
127 Cass. 16 februari 2010, RW 2010-2011, 674, noot B. DE SMET.
128 Zie B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 93-
102 en 107-119.
129GwH 26 juli 2007, nr. 107/2007, B.4.2., www.const-court.be.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
54 Maklu 
en 235quater Sv. In geval van onregelmatige bewijsverkrijging kan de KI krach-
tens artikel 235bis, §6 Sv. de nietigheid uitspreken van de aangetaste handeling
en van een deel of het geheel van de daaropvolgende rechtspleging. De KI kan
bij deze controle-uitoefening rekening houden met de Antigoon-rechtspraak.130
67. WETTELIJKE VERANKERING ANTIGOON. De wet van 24 oktober 2013 tot wijzi-
ging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wat betreft de
nietigheden131 heeft een nieuw artikel 32 VTSv. ingevoerd. Artikel 32 VTSv. stelt
dat het onregelmatig verkregen bewijsmateriaal enkel nietig zal zijn ingeval van
de eerste 3 criteria. Het recente 4e criterium wordt niet opgenomen in de wet. De
rechtskracht van dit 4e criterium is dus onzeker geworden na deze wettelijke
verankering. De wetgever heeft duidelijk zijn wil laten blijken om het 4e criteri-
um niet wettelijk op te nemen. Daaruit zou logischerwijze moeten volgen dat
rechters zich niet meer kunnen beroepen op het 4e criterium.132
Afdeling 3. Burgerinfiltratie en infiltrerende informantenwerking getoetst aan
Antigoon-rechtspraak
68. O
NBETROUWBAARHEID BURGERINFILTRATIE/INFILTRERENDE INFORMANTEN-
WERKING. De artikelen 47octies en decies Sv. zijn niet op straffe van nietigheid
voorgeschreven waardoor we ons zullen focussen op het 2e en 3e criterium.
Het tweede criterium, namelijk de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs-
materiaal, kan een relevant toetsingscriterium zijn bij het (verkeerd) aanwenden
van burgers bij de infiltratie of informantenwerking. Als er één zaak duidelijk
geworden is met betrekking tot de problematiek van de burgerinfiltranten en de
infiltrerende informanten in België, dan is het dat de wetgever deze onder-
zoeksmethoden niet wenselijk acht omwille van het onbetrouwbare karakter van
deze onderzoekstechnieken (zie randnr. 39). Dit is zeker het geval indien er
gewerkt wordt met infiltrerende informanten en criminele burgerinfiltranten
omdat er gewerkt wordt met criminelen. Deze zouden vooreerst moeilijk te con-
troleren zijn, en dus ook de informatie die zij aanreiken. Daarnaast bestaat het
risico dat zij werken met een dubbele agenda of louter uit persoonlijk belang,
bijvoorbeeld het verkrijgen van tipgelden. Ook door deze laatst genoemde risi-
co’s kunnen we ons afvragen of de informatie die zij aanreiken wel waarachtig
is.
Gelet op deze redenen, die overigens consequent door de wetgever worden ge-
hanteerd ter verantwoording om niet met deze onderzoektechnieken te werken,
lijkt het ons aannemelijk dat bewijsgegevens afkomstig van burgerinfiltranten of

130 S. GUENTER en F. SCHUERMANS, ‘Enkele recente Antigoon-evoluties en de toepassing
ervan op een onregelmatige observatie en/of infiltratie’, T.Strafr. 2013, afl. 5, 334.
131 Wet van 24 oktober 2013 tot wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van
strafvordering wat betreft de nietigheden, BS 12 november 2013.
132S. GUENTER en F. SCHUERMANS, ‘Enkele recente Antigoon-evoluties en de toepassing
ervan op een onregelmatige observatie en/of infiltratie’, T.Strafr. 2013, afl. 5, 333.
maklu
3. Onregelmatig verkregen bewijs door (verkeerd) gebruik van burgers bij de
infiltratie/informantenwerking
Maklu  55
infiltrerende informanten steeds het risico inhouden dat zij onbetrouwbaar zijn
en dus nietig verklaard moeten worden.
69. RECHT OP EERLIJK PROCES. Ook het derde criterium, namelijk dat het recht op
een eerlijk proces aangetast is, kan relevant zijn. Dit is thans een zeer ruim crite-
rium waarbij er veel marge wordt gegeven aan de rechter.133 Bij de beoordeling
van dit criterium moet immers gekeken worden naar de procedure in haar ge-
heel waarbij rekening moet worden gehouden met alle procesfasen. Zo oordeel-
de het Hof van Cassatie134 in navolging van het arrest IMBRIOS-
CIA/ZWITSERLAND135 van het EHRM dat:
‘De eerlijke behandeling van een strafzaak wordt beoordeeld in het licht van
de rechtspleging in haar geheel, door na te gaan of het recht van verdediging
werd geëerbiedigd, te onderzoeken of de vervolgde persoon de mogelijkheid
werd geboden de geloofwaardigheid van de bewijzen te betwisten en zich tegen
de aanwending ervan te verzetten, na te gaan of de omstandigheden waarin
de elementen à charge werden vergaard twijfel zaaien over de geloofwaardig-
heid of de juistheid van dat bewijsmateriaal, en de invloed te beoordelen van
het onregelmatig verkregen bewijselement op de afloop van de strafvordering.’
Dit wordt overigens bevestigd door het Grondwettelijk Hof136.
70. C
ONCLUSIE. Onregelmatigheden begaan in het vooronderzoek zullen dus
niet automatisch leiden tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Op
basis van deze rechtspraak kunnen de bewijsgegevens van een burgerinfil-
trant/gestuurde informant in principe gebruikt worden zonder dat het recht op
een eerlijk proces wordt aangetast op voorwaarde dat de betrokkene op voldoen-
de wijze de mogelijkheid heeft om de bewijsgegevens tegen te spreken.
Afdeling 4. Onregelmatigheden begaan door particulieren
71. VROEGERE DOCTRINE. Onder de vroegere doctrine voorzag het Hof van Cassa-
tie in een mildering wanneer de onregelmatigheden bij de bewijsverkrijging
begaan werden door particulieren.137
Het Hof van Cassatie stelde dat onrechtmatig verkregen bewijs enkel uit de de-
batten moest worden geweerd indien het verkregen werd door de vervolgende
instantie zelf of als het werd verkregen door een derde indien er een verband

133 B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, 44-
45.
134 Cass. 15 december 2010, P.10.914.F, www.cass.be.
135 EHRM 24 november 1993, IMBRIOSCIA/ZWITSERLAND, www.echr.coe.int.
136 GwH 27 juli 2011, nr. 139/2011, B.6.2, www.const-cour.be.
137 Zie alg. PH. TRAEST, ‘De rol van de particulier in het bewijsrecht in strafzaken: naar een
relativering van de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs?’, in Liber Amicorum
Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, 61-78.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
56 Maklu 
bestond tussen de onrechtmatige verkrijging door een derde en de met het on-
derzoek belaste personen. In dat laatste geval moesten de verkregen bewijsgege-
vens uit de debatten geweerd worden als de onregelmatige bewijsverkrijging kon
worden toegeschreven aan een tekortkoming van de vervolgende instantie, bij-
voorbeeld als de particulier had gehandeld in overleg met de politiediensten. 138
Op basis van deze vroegere rechtspraak moest het verkregen bewijs geweerd
worden indien de informant onregelmatigheden had gepleegd en mits deze
informant handelde in opdracht van de politie.
72. A
NTIGOON VAN TOEPASSING OP PARTICULIEREN. In haar arrest van 23 maart
2004139 werkt het Hof van Cassatie het onderscheid tussen particulieren en offi-
ciële opsporingsinstanties weg. In dit arrest stelt zij dat er in principe geen ge-
bruik gemaakt mag worden van bewijs dat strijdig is met de wet of fundamentele
grondrechten en dat is verkregen door de overheid of de aangever met het oog op
het leveren van bewijs. Indien het bewijs afkomstig is van particulieren moet de
rechter op basis van deze rechtspraak rekening houden met dezelfde criteria die
van toepassing zijn bij de beoordeling van de bewijsverkrijging door de officiële
vervolgingsdiensten.

138 Cass. 4 januari 1994, RW 1994-95, 185, met concl. Adv.-Gen. J. DU JARDIN en met noot
F. D’HONT, ‘Gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in het strafproces: is het tij reeds
gekeerd?’, RW 1994-95, 190; zie ook Cass. 17 april 1991, RDPC 1992, 118 met noot C. DE
VALKENEER, ‘De l’illégalité commise par un tiers dans l’administration de la preuve’,
RDPC 1992, 104-109 en Cass. 17 januari 1990, RW 1990-91, 463, met noot L. HUYB-
RECHTS. Zie ook C. DE ROY en S. VANDROMME, Bijzondere opsporingsmethoden en aanver-
wante onderzoeksmethoden, Antwerpen-New York-Oxford, Intersentia, 2004, 74-76, rand-
nr. 85; B. DE SMET, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011,
98-99.
139 Cass. 23 maart 2004, P.04.0012.N, www.cass.be.
maklu
Maklu  57
Hoofdstuk 4. De actieve rol van burgers bij B.O.M. conceptueel gehereva-
lueerd
Afdeling 1. Doelstelling
73. PROBLEEMSTELLING: TE RUIME INVULLING BURGERINFILTRANT’. In de praktijk
wordt er vaak gesproken over het begrip ‘burgerinfiltrant’ terwijl men het con-
ceptueel gezien heeft over een loutere burgerbijstand of infiltrerende informant.
Met andere woorden, het etiket van ‘burgerinfiltratie’ wordt volgens ons vaak
onterecht gekleefd op onderzoekstechnieken waarbij er gebruik wordt gemaakt
van een burger. Door deze verschillende situaties onder de noemer burgerinfil-
tratie te plaatsen zorgt men voor verwarring en onduidelijkheid. Het onduidelij-
ke en inconsistente gebruik van de terminologie ‘burgerinfiltratie’ of ‘burgerin-
filtrant’ noodzaakt ons steeds om prioritair te onderzoeken over welke figuur
men het nu exact heeft.
Deze problematiek kunnen we vertalen naar de vraagstelling wat de burgerinfil-
tratie nu exact inhoudt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we
bijvoorbeeld nagaan wat het onderscheid is tussen een infiltrant en een infor-
mant. Indien we deze twee onderzoekstechnieken duidelijk van elkaar kunnen
scheiden kunnen we ook nagaan wat het onderscheid is tussen bijvoorbeeld een
burgerinfiltrant en een infiltrerende informant. De wet voorziet immers in een
afdeling dat handelt over infiltratie en anderzijds over de informantenwerking.
Deze opdeling duidt dus op een conceptueel verschil tussen de twee onderzoeks-
technieken.
Overigens kan verwezen worden naar de bedenkingen van de hierboven bespro-
ken onderzoekscommissies (zie randnrs. 5, 15, 16 en 19). Zij deelden de mening
dat de verschillende onderzoekstechnieken duidelijk geformuleerd en van elkaar
gescheiden moeten worden. Wanneer dit niet het geval is, ontstaat het risico dat
men de beoogde grenzen gaat overschrijden en dus onderzoektechnieken aan-
wendt die men niet wenselijk acht.
74. G
EHANTEERDE TERMINOLOGIE IN GRENSOVERSCHRIJDENDE CONTEXT. We wij-
zen er ook op dat, in een grensoverschrijdende context, de terminologie die wij
geven aan een bepaalde figuur niet noodzakelijk dezelfde is dan de terminologie
die gehanteerd wordt in een ander land. Wanneer we naar andere landen kijken,
zien we ook dat er nog andere benamingen worden gegeven dan de Belgische
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
58 Maklu 
benaming voor eenzelfde figuur. Bijvoorbeeld ‘participating informants’140, ‘(cri-
minele) burgerinformant’141, ‘criminele infiltrant’142, …
Wanneer we buitenlands recht willen vergelijken met Belgisch recht zullen we
vooreerst een belangrijke oefening moeten doorvoeren. Die oefening zal erin
bestaan om te achterhalen over welke figuur men het heeft ongeacht de bena-
ming die eraan gegeven wordt. De volgende vragen zijn daarbij relevant: handelt
men onder fictieve identiteit, handelt men in opdracht van de politie, heeft men
initiatiefrecht, is de burger crimineel of niet, behoort de betrokken burger tot de
geviseerde bende, … ?
75. C
ONCRETE DOELSTELLING: CONCEPTUELE VERDUIDELIJKING/AFGRENZING. De
herevaluatie die in dit hoofdstuk zal doorgevoerd worden heeft als doel om alle
mogelijke hypotheses te voorzien waarbij burgers betrokken worden met de
bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en de aanverwante informantenwer-
king. Daarbij moet opgemerkt worden dat niet alle hypotheses door de huidige
Belgische wetgeving toegelaten zijn. Omwille van die reden zal telkens vermeld
worden of de besproken onderzoekstechniek toegelaten is onder het huidig Bel-
gisch recht.
De verschillende figuren die hierna besproken zullen worden, zullen met elkaar
vergeleken worden en duidelijk van elkaar gescheiden worden. Ten slotte zullen
we elke figuur een benaming geven waarvan we het consequent gebruik ervan
promoten.
Afdeling 2. Conceptuele herevaluatie
§ 1. Het niveau van bijstandsverlening door burgers: niet zelfstandig optreden
76. BURGERDESKUNDIGE VS. (BURGER)INFILTRANT. De burgerbijstand wordt, zoals
reeds vermeld, geregeld door artikel 47octies §1, lid 2 Sv., het artikel dat de tech-
niek van de infiltratie regelt. Men zou hieruit kunnen afleiden dat deze burger,
die de agent bijstaat bij de infiltratieoperatie, moet gezien worden als een infil-
trant en dus concreter als een burgerinfiltrant.
De rol van deze burgerdeskundige is thans beperkter dan de figuur van een vol-
waardige infiltrant. De burgerdeskundige heeft geen initiatiefrecht, hij moet
immers de instructies van de politie-infiltrant volgen, en kan dus nooit overgaan
tot een zelfstandige infiltratie zonder dat een politieambtenaar hem daarbij ver-

140 P.J.P. TAK, ‘Engeland en Wales’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 263.
141 E. MANUNZA, ‘Italië’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese Unie. De
normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie, Antwerpen-
Groningen, Intersentia, 2000, 518.
142 M. FERREIRA ANTUNES, ‘Portugal’, in P.J.P. TAK (ed.), Heimelijke opsporing in de Europese
Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie,
Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2000, 718.
maklu
4. De actieve rol van burgers bij B.O.M. conceptueel geherevalueerd
Maklu  59
gezelt.143 De burgerdeskundige infiltreert steeds samen met de politieambtenaar.
Zolang er dus geen zekere graad van zelfstandig initiatiefrecht is in hoofde van
burger die bijstand verleent kan er geen sprake zijn van een burgerinfiltrant. De
grens tussen het louter bijstaan van een burger en een burgerinfiltratie is dan
ook zeer dun.144 Men zou de burgerdeskundige die de politieambtenaar bijstaat
hoogstens kunnen kwalificeren als een oneigenlijke burgerinfiltrant, doch is het
wenselijk om bij deze figuur niet te spreken over een burgerinfiltrant indien we
het doel voorhouden om de verschillende figuren duidelijk van elkaar te begren-
zen en te onderscheiden.
77. INVULLING BURGER’. Algemeen slaat de term ‘burger’ op alle andere perso-
nen dan de personen die tot de officiële opsporingsdiensten behoren en die met
het onderzoek belast zijn.
De burger, en in dit geval de burgerdeskundige, kan per hypothese een crimi-
neel of niet-crimineel zijn. Onder de huidige Belgische wetgeving, althans vol-
gens de Memorie van Toelichting bij de B.O.M.-Wet, is het enkel mogelijk om
een beroep te doen op een niet-criminele burger en in zeer uitzonderlijke geval-
len op een burger met een crimineel verleden (zie randnr. 41). Passieve infor-
manten komen dus in aanmerking om de politie-infiltrant bij te staan, zij zijn
immers niet crimineel. De bijstand van een passieve informant kan volgens ons
een meerwaarde bieden bij het introduceren van de politieambtenaar of deze in
contact te brengen met het oog op de uitvoering van een pseudo(ver)koop (zie
overigens randnrs. 10-11).
§ 2. Het niveau van infiltratie: de (burger)infiltrant
78. VERBOD VAN BURGERINFILTRATIE. Vooreerst is het belangrijk te vermelden dat
burgerinfiltratie verboden is onder de huidige Belgische wetgeving. De infiltra-
tieoperatie kan enkel uitgevoerd worden door een politieambtenaar (zie randnr.
34). Indien we spreken over de burgerinfiltrant is dat dan ook louter hypothe-
tisch.
79. A
LGEMENE INVULLING INFILTRANT’. Van burgerinfiltratie is er sprake wan-
neer de rol van de infiltrant wordt ingevuld door een burger, niet-
politieambtenaar, in plaats van een politieambtenaar (politie-infiltrant). Cruciaal
is dus om te achterhalen wat de figuur van de infiltrant in het algemeen precies
inhoudt. De infiltrant is de persoon (politieambtenaar of burger) die belast is
met de uitvoering van de onderzoekstechniek van de infiltratie. Op basis van

143Wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder-
zoeksmethoden, verslag namens de Commissie voor de Justitie, uitgebracht door de
heren HOVE en BOURGEOIS, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/013, 26.
144 Deze opmerking werd ook opgeworpen door een volksvertegenwoordiger. Zie wets-
ontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksme-
thoden, verslag namens de Commissie voor de Justitie, uitgebracht door de heren HOVE
en BOURGEOIS, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/013, 19.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
60 Maklu 
artikel 47octies §1, lid 1 Sv. opereert de infiltrant vooreerst onder fictieve identiteit
en onderhoudt hij duurzame contacten met de geviseerde criminele organisatie.
Daarnaast handelt de infiltrant ook steeds zelfstandig en heeft hij dus met ande-
re woorden een zeker initiatiefrecht (in tegenstelling tot de burgerdeskundige
die bijstand verleent).
80. ‘INFILTRANT VS. INFORMANT’: RELATIE MET CRIMINELE ORGANISATIE. Thans
kan het essentiële en meest fundamentele kenmerk van de infiltrant volgens ons
afgeleid worden uit de term ‘infiltrant’ zelf. De infiltrant is een persoon die moet
infiltreren in een criminele organisatie met als doel om duurzame contacten te
leggen. Het feit dat hij moet infiltreren wijst er op dat de infiltrant niet reeds tot
de criminele organisatie behoort, noch daar een nauw contact mee vertoont. De
infiltrant moet zich met andere woorden steeds zien binnen te werken in de
criminele groepering. Indien de infiltrant immers deel zou uitmaken van de
geviseerde criminele groepering is het niet nodig voor hem om te infiltreren en
kan hij dus ook geen infiltrant genoemd worden.
Dit kenmerk is vervolgens essentieel om de figuur van de infiltrant te onder-
scheiden met die van de informant. De informant kan op basis van dit kenmerk
nooit een infiltrant zijn omdat de informant reeds tot de criminele groepering
behoort of er minstens nauwe banden mee heeft. De informant moet zich dus
niet meer zien binnen te werken in de organisatie.
Het feit dat de (burger)infiltrant steeds als ‘nieuweling’ in een criminele organi-
satie terechtkomt is dan ook meteen de verantwoording voor de mogelijkheid
voor de (burger)infiltrant om strafbare feiten te stellen in tegenstelling tot een
gewone informant of een infiltrerende informant. De burgerinfiltrant zal steeds
van nul moeten beginnen en het vertrouwen moeten zien te winnen van de or-
ganisatie waarin hij infiltreert om zich zo te kunnen opwerken binnen de orga-
nisatie (zie randnr. 29). Ook ter bescherming van de (burger)infiltrant is het
noodzakelijk (thans betwistbaar voor criminele burgerinfiltranten, zie randnr.
82) dat hij handelt onder fictieve identiteit, wat een strafbaar feit is. Het hande-
len onder fictieve identiteit is overigens niet mogelijk voor iemand die de be-
trokkenen al kent.
81. ‘INFILTRANT VS. INFORMANT’: A PRIORI KENNISVEREISTE BIJ INFORMANTENWER-
KING. Een ander essentieel element om het onderscheid tussen een (bur-
ger)infiltrant en een gewone informant te duiden is dat de (burger)infiltrant
steeds in opdracht van de vervolgende diensten handelt. Hij krijgt dus taken toe-
bedeeld van de overheidsdiensten die belast zijn met het onderzoek. De reden
hiervoor is dat de infiltratietechniek gebruikt wordt om gegevens in te zamelen
en te genereren (zie randnr. 55). De (burger)infiltrant moet steeds actief op zoek
gaan naar inlichtingen omdat hij op dat moment niet in bezit is van bepaalde
inlichtingen (in tegenstelling tot de informant).
Volgens de wetgever kunnen aan een informant geen taken toebedeeld worden
en kan de informant dus nooit in opdracht van de politieambtenaar handelen (zie
randnrs. 53-56 en 59). De informant is steeds een persoon die reeds in bezit is van
maklu
4. De actieve rol van burgers bij B.O.M. conceptueel geherevalueerd
Maklu  61
bepaalde gegevens. Hij moet dus ook niet actief in opdracht van de politie op
zoek gaan naar inlichtingen zoals een(burger)infiltrant omdat hij deze al heeft.
Als deze geen enkele inlichting kan verschaffen aan de politiediensten met be-
trekking tot bepaalde feiten, kan hij onmogelijk als informant aangemerkt wor-
den met betrekking tot die feiten.
In tegenstelling tot de informant heeft de (burger)infiltrant dus steeds een
daadwerkelijke actieve rol.
82. I
NVULLING BURGER BIJ BURGERINFILTRATIE: (NIET-)CRIMINELE BURGERINFIL-
TRANT. De burger die de infiltratie uitvoert kan per hypothese een crimineel
(criminele burgerinfiltrant) of een niet-crimineel zijn. Wanneer we spreken over
een criminele burger bedoelen we daarmee een burger die nog steeds crimineel
is op het moment dat politiediensten beroep op hem doen. Iemand met een
crimineel verleden wordt niet beschouwd als een criminele burger voor zover hij
geen crimineel meer is op het moment dat de politie beroep op hem doet. De
burgerinfiltrant kan in geen geval reeds betrokken zijn bij de geviseerde crimine-
le organisatie. Indien hij dit wel zou zijn, is er sprake van een infiltrerende in-
formant: hij handelt in dat geval namelijk in opdracht van de politieambtenaar
(i.t.t. een gewone informant) en hij behoort reeds tot de geviseerde criminele
organisatie (i.t.t. tot de infiltrant). Merk op dat als men beroep zou doen op een
criminele burger, deze wel binnen hetzelfde milieu zou kunnen opereren. Bv.
een criminele burger die zich schuldig maakt aan IT-criminaliteit wordt ingezet
door de vervolgende overheidsdiensten om te infiltreren in een groepering die
zich bezighoudt met het hacken van onlinebanking-accounts. Een ander voor-
beeld bestaat er bijvoorbeeld in dat de politiediensten beroep doen op een drugs-
dealer om te infiltreren in een nieuwe opgedoken drugsbende. In beide voor-
beelden hebben de betrokken criminele burgers geen enkele band met de gevi-
seerde groep waarin ze moeten infiltreren en kunnen ze dus niet als informant
beschouwd worden.
Ingeval er gewerkt wordt met een criminele burgerinfiltrant kunnen we ons
afvragen of het werken onder fictieve identiteit geen groter risico inhoudt om
door de mand te vallen dan wanneer hij niet handelt onder fictieve identiteit. De
criminele burger kan bijvoorbeeld al een hele poos werkzaam zijn binnen een
algemeen crimineel milieu, stel in dit geval een drugsmilieu, waardoor hij een
zekere (naam)bekendheid geniet. Indien hij dus reeds onder een bepaalde iden-
titeit gekend is kan het risicovol zijn om te gaan infiltreren in een specifieke
criminele drugsbende onder een andere identiteit. De criminele bende kan bij-
voorbeeld een soort onderzoek voeren naar de ‘nieuwkomer’. Deze kunnen bij-
voorbeeld eens polsen naar de kennis van andere spelers in het drugsmilieu over
de nieuwkomer. Als daaruit blijkt dat de geïnfiltreerde crimineel zich anders
voortdoet dan dat hij werkelijk is zal men al snel achterdochtig worden.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
62 Maklu 
§ 3. Het niveau van gewone informantenwerking
83. TWEE ESSENTIËLE VOORWAARDEN. Om te kunnen spreken van een informant
moeten er volgens ons twee essentiële voorwaarden voldaan zijn, die meteen ook
de informant van de infiltrant onderscheiden.
Vooreerst moet de informant reeds nauwe banden hebben met de geviseerde
criminele organisatie (zie randnr. 46). Naast het feit dat dit element de infor-
mant onderscheidt van de infiltrant (zie randnr. 81), onderscheidt dit kenmerk
de informant ook van de tipgevers/aangevers (zie randnr. 46). Deze reeds be-
staande relatie zorgt er immers voor dat de betrokken burger in staat is om ken-
nis te krijgen van bepaalde gegevens. Dit brengt ons ook meteen tot de tweede
essentiële voorwaarde, namelijk dat de informant logischerwijze vooreerst over
gegevens moet beschikken. De informant informeert aan de politiediensten.
Zonder informatie kan de betrokken persoon de politiediensten niet informeren
en kan hij dus ook geen informant zijn. De infiltrant wordt ingezet om bewijs-
gegevens te verzamelen en beschikt dus ab initio niet over die bewijsgegevens
(zie randnr. 82).
Indien deze twee voorwaarden voldaan zijn, kan de betrokken persoon de rol van
informant invullen. Hij wordt echter pas informant als hij die gegevens verstrekt
aan de politiediensten.
84. G
EEN STRAFBARE HANDELINGEN PLEGEN. De informant kan geen strafbare
handelingen plegen onder goedkeuring van de overheidsdiensten. Hij blijft
strafrechtelijk verantwoordelijk voor deze handelingen. Dit is ook logisch gelet
op de nauwe band die de informant reeds heeft met de criminele organisatie.
Van de informant wordt geacht, in tegenstelling tot de infiltrant, dat deze al in
zekere mate het vertrouwen heeft van de geviseerde groepering en deze dus niet
meer op de proef zal worden gesteld. Kortom, de wetgever gaat er van uit dat de
positie van de informant binnen de criminele organisatie niet in vraag wordt
gesteld door die organisatie en dat deze dus niet het risico loopt om door de
mand te vallen. Het feit dat de infiltrant deze risico’s wel riskeert is de ratio
waarom deze wel gemachtigd kan worden om strafbare handelingen te stellen
zonder hiervoor gestraft te worden (zie randnrs. 29 en 80).
De wet van 27 december 2005 maakte het mogelijk voor de procureur om de
informant de machtiging te geven strafbare feiten te stellen die strikt noodzake-
lijk zijn om zijn informantenpositie te behouden. Deze wettelijke grondslag
werd weliswaar vernietigd door het Grondwettelijk Hof (zie randnrs. 57-61).
85. V
ERSCHIL MET INFILTRERENDE INFORMANT. Het verschil tussen de gewone
informant en de infiltrerende informant betreft de tweede voorwaarde van de
informantenwerking, nl. dat de informant a priori over gegevens moet beschik-
ken om effectief informant te kunnen zijn. Op basis van deze voorwaarde kan de
informant nooit in opdracht van de politiediensten inlichtingen inwinnen omdat
dit zou betekenen dat hij niet a priori over bepaalde gegevens beschikt. We spre-
ken dus van een infiltrerende informant ingeval een burger, die reeds nauwe
maklu
4. De actieve rol van burgers bij B.O.M. conceptueel geherevalueerd
Maklu  63
banden heeft met de geviseerde criminele organisatie, actief in opdracht van de
politiediensten inlichtingen inzamelt. De infiltrerende informant is dus een
aparte onderzoekstechniek die losstaat van de gewone informantenwerking. De
infiltrerende informant voldoet immers wel aan de eerste voorwaarde (het heb-
ben van nauwe banden), doch niet aan de tweede voorwaarde (a priori kennisver-
eiste).
§ 4. Inzake de infiltrerende informantenwerking: de infiltrerende informant
86. V
ERBOD VAN INFILTRERENDE INFORMANTENWERKING. We hebben reeds be-
sproken dat de zinsnede ‘al dan niet gevraagd’ in artikel 47decies §1, lid 1 Sv. het
gevolg teweegbrengt dat politieambtenaren opdrachten kunnen geven aan in-
formanten omdat zij ervan uitgaan dat dit tot de wettelijke mogelijkheden be-
hoort in het kader van de gewone informantenwerking. Nader onderzoek van de
Memorie van Toelichting dwingt ons thans te stellen dat de wetgever niet de
bedoeling heeft gehad om de mogelijkheid te voorzien om informanten opdrach-
ten toe te kennen zodat deze actief deelnemen aan de opsporing. Wanneer de
informant actief inlichtingen gaat inzamelen in opdracht van de politiediensten
kan er volgens de wetgever niet meer gesproken worden van een informant
maar van een ‘gestuurde informant’145 die in se niets anders is dan een verkapte
vorm van burgerinfiltratie (zie randnrs. 53-56). Het werken met die zogenaamde
gestuurde informanten is dan ook verboden volgens de wetgever op basis van
dezelfde redenen dat de wetgever de burgerinfiltratie verbiedt. Hetgeen hierna
volgt is dus een loutere hypothetische bespreking van hoe de onderzoekstech-
niek van infiltrerende informantenwerking ingevuld zou moeten worden op
basis van enkele basisprincipes en kenmerken die eigen zijn aan de huidige
toelaatbare onderzoekstechnieken van de infiltratie en de gewone informanten-
werking.
87. APARTE BIJZONDERE OPSPORINGSMETHODE. De infiltrerende informantenwer-
king moet volgens ons als een aparte onderzoekstechniek beschouwd worden,
die losstaat van de gewone informantenwerking en de infiltratie. Met andere
woorden, de infiltrerende informantenwerking is geen modaliteit van de tech-
niek van infiltratie of informantenwerking. De door de wetgever gebruikte term
‘gestuurde informant’ lijkt de indruk te wekken dat deze onderzoekstechniek
echter aansluit bij de informantenwerking. De term ‘infiltrerende informant’
lijkt ons echter een betere benaming omdat de figuur zowel kenmerken vertoont
van de infiltrant als van de gewone informant.
88. V
ERSCHILLEN EN GELIJKENISSEN MET DE INFILTRANT EN GEWONE INFORMANT.
De infiltrerende informant kan beschouwd worden als een persoon die reeds
nauwe banden heeft met de criminele organisatie die geviseerd wordt en in die

145 MvT, wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere
onderzoeksmethoden, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1688/1, 96.
maklu
Deel 1. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsmethoden infiltratie en
informantenwerking in België
64 Maklu 
zin bezit zij een eigenschap van de gewone informant. Omwille van deze reden
lijkt het ons ook logisch dat de infiltrerende informant niet gemachtigd kan
worden om strafbare feiten te plegen zonder hiervoor te worden bestraft. Im-
mers, de ratio die de wetgever geeft om de strafuitsluitende verschoningsgrond
van artikel 47quinquies, §1 Sv. toepasselijk te verklaren op de infiltrant en niet op
de informant is hier onverminderd van toepassing (zie randnrs. 80 en 84).
Zij verschilt thans met de gewone informant omdat de informant een vooraf-
gaandelijke kennis moet hebben van gegevens. De infiltrerende informant zal
dus, in tegenstelling tot de gewone informant, in opdracht van de politiediensten
actief op zoek gaan naar inlichtingen. Het feit dat de infiltrerende informant
ingezet wordt om inlichtingen te verzamelen in opdracht van de politiediensten
vindt dan weer aansluiting bij de figuur van de infiltrant en concreter bij die van
de burgerinfiltrant. Zij verschilt echter van de infiltrant omdat de informant
reeds nauwe banden heeft met de criminele organisatie. In tegenstelling tot de
infiltrant moet zij dus niet meer infiltreren in de geviseerde groepering.
maklu
Maklu  65
Deel 2. De actieve rol van burgers bij de bijzondere opsporingsme-
thoden infiltratie en informantenwerking in Nederland
89. MOTIVERING VERGELIJKING NEDERLAND. In dit tweede gedeelte zal de Neder-
landse regelgeving inzake het gebruik van burgers bij bijzondere opsporingsme-
thoden besproken en vergeleken worden. De reden voor deze vergelijking ligt in
het feit dat Nederland gelijkaardige problemen kende inzake het gebruik van
(burger)informanten en burgerinfiltranten. De IRT-Affaire bracht de problemen
aan het licht met als gevolg dat er een grootschalig onderzoek werd gevoerd naar
het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Merk op dat de IRT-Affaire
zich afspeelt in een tijdsperiode waarin de bijzondere opsporingsmethoden van
informantenwerking en infiltratie nog niet wettelijk geregeld waren.146 Dit on-
derzoek werd gevoerd door de Parlementaire Enquêtecommissie Van Traa. Bel-
gië kende een gelijkaardig proces waarbij problemen inzake het gebruik van
burgers bij bijzondere opsporingsmethoden aan het licht kwamen in de zaken
François en Reyniers (zie randnrs. 2-3) en waarbij die schandalen aanleiding
hebben gegeven tot onderzoek door verschillende parlementaire onderzoeks-
commissies (zie randnrs. 5 en 13-19). Ook hier bestond het probleem erin dat de
bijzondere opsporingsmethoden niet wettelijk geregeld waren. In Nederland
heeft het onderzoek door de Commissie van Traa aanleiding gegeven tot de in-
voering van de Wet betreffende de Bijzondere Opsporingsbevoegdheden147
(hierna: B.O.B.-Wet). Ook dit is vergelijkbaar met België aangezien de B.O.M.-
Wet er gekomen is onder druk van de Parlementaire onderzoekscommissies (zie
randnr. 20). Zowel de B.O.B.-Wet als de B.O.M.-Wet voorzien bijgevolg in de
wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsmethoden.
In dit deel zal een gelijkaardige structuur gebruikt worden zoals in deel 1. Voor-
eerst (hoofdstuk 1) zal er een bespreking worden gegeven van de bijzondere
opsporingsmethoden informantenwerking en infiltratie voor de invoering van de
B.O.B.-Wet. Hierbij wordt dieper ingegaan op de IRT-Affaire en de evaluatie van
de bijzondere opsporingsmethoden door de Commissie van Traa. In een tweede
hoofdstuk wordt de actuele wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsme-
thoden besproken waarbij de aandacht ook wordt gevestigd op de recente wijzin-
gen inzake het gebruik van criminele burgerinfiltranten. Ten slotte zal er in een
derde deel een concrete vergelijking gemaakt worden tussen de Nederlandse en
Belgische regelgeving betreffende het gebruik van burgers in het kader van de
bijzondere opsporingsmethoden.

146 Zie Eindrapport Enquête Opsporingsmethoden, Kamerstukken II 1995-1996, 24 072,